Chapter 4

[1]Raden Ajoe de titel van gehuwde Javaansche vrouwen van goeden huize.

[1]Raden Ajoe de titel van gehuwde Javaansche vrouwen van goeden huize.

[2]De eerste gedachte van den bewerker dezer brieven was deze passage en hetgeen volgt weg te laten. Tot het behoud gaf doorslag de overweging dat later de verhouding geheel anders werd, toen de schrijfster en de haren elkander beter hadden leeren begrijpen en waardeeren. De lezer zal zich zelf hiervan rekenschap kunnen geven door hetgeen voorkomt op blz.57en58en in een brief van3Januari 1902. Behoud kwam ook noodig voor om volkomen te doen gevoelen wat in het hart der schrijfster moet zijn omgegaan, toen en later.

[2]De eerste gedachte van den bewerker dezer brieven was deze passage en hetgeen volgt weg te laten. Tot het behoud gaf doorslag de overweging dat later de verhouding geheel anders werd, toen de schrijfster en de haren elkander beter hadden leeren begrijpen en waardeeren. De lezer zal zich zelf hiervan rekenschap kunnen geven door hetgeen voorkomt op blz.57en58en in een brief van3Januari 1902. Behoud kwam ook noodig voor om volkomen te doen gevoelen wat in het hart der schrijfster moet zijn omgegaan, toen en later.

[3]De brief wordt enkele dagen later vervolgd mededeelingen van geheel anderen aard. Het verhaal is niet voortgezet. Wat de drie zusters voor elkander zijn geweest, kan men echter lezen op menige bladzijde.

[3]De brief wordt enkele dagen later vervolgd mededeelingen van geheel anderen aard. Het verhaal is niet voortgezet. Wat de drie zusters voor elkander zijn geweest, kan men echter lezen op menige bladzijde.

Augustus 1900. (II).

Vreemd, dat afwezige, ons dierbare personen ons niet in den droom verschijnen, daar wij toch zooveel aan hen denken en van hen spreken. Eens maar droomde uwe oudste van u. U beiden kwam op Japara terug en wij reisden u tot Semarang tegemoet. Allen waren we heel aangedaan door het wederzien; zonder een woord te spreken, sloot u ons een voor een aan 't hart, zoo innig, zoo vast, als om ons nooit weder los te laten. En daar aan uw hart schreiden we van stil, dankbaar geluk. Toen uw dochter wakker werd, was haar kussen nat van tranen. En den heelen morgen was ze weemoedig gestemd, omdat die zaligheid slechts was eendroom!

Wij vreezen, wij vreezen, Moedertje, dat u uwe dochtertjes niet meer terug zult vinden, als u haar verlaten had. Wij voelen ons achteruitgegaan. Al meer en meer komen we tot 't pijnlijk besef, dat we niet meer zijn, wat we zijn geweest. Indroeve, smartelijke gewaarwording! O! Leven, wat hebt ge van Moedertje Mies' eigen dochtertjes gemaakt? Wat is er van hare meisjes geworden?

Waar is onze heerlijke geestdrift gebleven? die kostbare schat, die ons door zooveel heeft heengeholpen en ons onmisbaar is om 't leven door te komen, dathardzal zijn voor ons? Waar die ijver, die heerlijke lust tot immer bezig-zijn, die zooveel liefs ons deed voortbrengen? Waar dat pleizier hebben in alles, datons vergeten deed, dat ooit 't woordje "verveling" in 't woordenboek bestaat?

Dingen, waarin we nog voor korten tijd geleden zoo belangstelden en pleizier hadden, laten ons nu onverschillig. Moedertje, kunt u zich iets verschrikkelijkers voorstellen, dan een onverschillig mensch? En daar zal 't naar toe gaan, als er niet iets is, of gebeurt, dat ons opwekt uit den toestand van apathie en geestkrachteloosheid, waarin wij verkeeren.

Al onze voormalige liefhebberijen liggen bestoven ergens in een vergeten hoekje. Schilderijen, muziek (!), handwerken en koken, correspondentie, lectuur; ja zelfs lectuur, die ons eens eene levensbehoefte was, verwaarloozen we. Intens lui zijn wij geworden. Wij moeten ons dwingen om een klein boekske uit te lezen. Lezen een dwang, terwijl het een van de grootste en heerlijkste genietingen was, die we kenden! Moedertje, zoo ver is 't met ons gekomen! O! waar is onze energie gebleven? Wij lijden onbeschrijfelijk onder deze geestverdooving, geestkrachtsverlamming, of hoe U 't noemen wil! Wij voeren niets uit. Doen wij iets, dan doen wij het werktuigelijk als een automaat. Wat scheelt ons toch? Ziek zijn we niet. Is dit misschien de terugwerking van den ellendigen tijd, dien we hebben doorstaan?

O! die moreele pijn, 't is soms niet uit te houden. Wij moeten iets hebben,werk, dat onsgeheelin beslag neemt, ons niets geen tijd laat tot martelend denken; dat is 't eenige, dat onze sluimerende geestkracht wakker schudden kan, en ons geestkracht hergeven!Werk, daar zit 't hem juist. 't Smachten naar werk, dat ons lief is, dat is 't wat ons zoo ternederdrukt. Vreeselijk is 't om werkkracht en werklust in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd!

Dat en al die andere ellende hebben ons in dezen toestand van apathie en verlamming onzer geestkracht gebracht. Uw oudste staat verbaasd over zichzelve, hoe deze brief toch zoo lang kàn zijn geworden—maar 't is waar ook—'t is voor Moedertje Mies, dat deze biecht geschreven wordt, en de woorden vloeiden als vanzelf uit de pen.

Wij willen, wij kunnen niet gelooven, dat ons leven zoo heel gewoon, zoo banaal zal eindigen, en toch kunnen wij alweer ons niet voorstellen, dat eens die mooie droom van ons verwezenlijkt zal worden! Hoe dicht hadden wij reeds gestaan bij verwezenlijking onzer illusies, althans wij dachten het! wij dachtendat slechts nogdagenons scheidden van het nieuwe leven, zoo vurig door ons begeerd!

Bittere, bittere ontgoocheling! 't Doet zoo'n pijn daaraan weder te denken. Wij spreken er hier nooit meer over, maar zwijgen is nog niet altijd toestemmen, toegeven; alles opgeven, nu wij zoo ver zijn gekomen, doen weniet, en wij hebben daartoe nooit plannen gehad.

Of 't verstandig is, wat we doen, weten we niet, maar wij kunnen en willen niet anders dan de stem van ons hart volgen.

Door liefde te geven, de liefde te winnen van hen aan wie wij hopen ons eens te zullen wijden, is een groote illusie van ons. Toen wij in Juni bij den heer Sijthoff[1]waren, vroeg de Resident uwe oudste of zij reeds wist dat de Directeur van Onderwijs eene directrice voor de op te richten kostschool voor Inlandsche meisjes zocht. "Heeft u 't uwe dochters al verteld, Regent?" wendde de Resident zich tot Vader, en daarna weder tot uwe dochter: "Zou je niet directrice van die school willen worden?" Zij zeide niets, wendde haar gezicht af, opdat Vader en de Resident, die naast elkaar tegenover ons zaten,niethare oogen zouden zien, die àlles zeiden, wat de stijfgesloten mond verzweeg.

Beloofd had ze niet, dat ze zou zwijgen over hare wenschen en illusies, maar zewist, dat vader niet graag had, dat zij er met anderen over sprak. Alle emotie moest Vader bespaard worden, en die quaestie nu is Vaders cauchemar....

"Wij hadden als jongens geboren moeten worden; er zouden flinke kerels uit ons kunnen groeien", hoorden wij tot vervelens toe beweren.

Als 't werkelijk waar is, dat er in ons de eigenschappen aanwezig zijn, waaruit flinke jongens gevormd worden, waarom zouden wij daarvan dan geen partij mogen trekken, ons tot flinke vrouwen te ontwikkelen? Of heeft men hiertoe andere bestanddeelen noodig, dan voor het gebak "flinke man"? en zijn flinke vrouwen der maatschappij van geen nut? Maar 't is waar ook, wij Javaansche vrouwen hebben in de eerste plaats meegaand en onderworpen van natuur te zijn; wij moeten zijn als leem, waaraan men iederen vorm kan geven, dien men wenscht. Doch waartoe over dit alles te spreken? 't Is of men op een zinkendschip jammert, waarom men toch niet thuis was gebleven; elkaar verwijten doet; de oorzaak van 't ongeluk napluist en den schuldige daaraan opspoort. Met dit al behoedt men 't schipnietvoor vergaan; alleen flink de hand aan het roer slaan, pompen, waar 't lek is, zal 't onheil kunnen afwenden, anders verdrinkt men maar....

In dat eene jaar, dat achter ons ligt, hebben we meer geleefd dan in al de voorgaande jaren tezamen.

't Komt uw oudste voor, alsof Vader haar wat te zeggen heeft, maar aarzelt, omdat 't haar pijn zal doen. Kunt u zich voorstellen, Moedertje, hoe pijnigend dit voor Vader en voor haar is?

Lang geleden toen ze op 't spoedig beëindigen onzer zaak aandrong, zag ze een blik op zich rusten zoo smartelijk alsof het zeggen wilde: "heb je dan zoo'n haast om me te verlaten, kind?" Ze wendde haar gelaat af—geroerd tot in't diepst van haar innerlijk zijn!

Wat is liefde toch een wonderlijk ding; zij is de hemel en de hel tezamen. Hem liefhebben, vereeren is ons eene levensbehoefte, maakt 't grootste deel van ons geluk uit. Zonder zijn liefde zou voor immer een schaduw op ons leven rusten. Uitzijnhand willen wij het geluk ontvangen; anders is 't voor ons géén geluk. Zonder zijne liefde zullen wij nooit geheel gelukkig kunnen zijn, enmetzijne liefde nooit geheel ongelukkig.

[1]Destijds Resident van Semarang, tot welk gewest Japara was gaan behooren.

[1]Destijds Resident van Semarang, tot welk gewest Japara was gaan behooren.

23 Augustus 1900. (I.)

Stella, geloof me, als er van mij, van ons, ooit wat terecht komt in dien zin, die jij en ik 't "terechtkomen" bedoelen, dan hebt gij dat op je geweten. Ik schrijf dit niet zoo maar neer, maar meen het met heel mijn hart. Je hebt mij héél veel geleerd, en je aanmoediging is mij een lieflijke steun, een kracht. Ik wil, ik zal mijne vrijheid bevechten. Ik wil, Stella ik wil, hoor je dat? hoe zal ik ooit kunnen overwinnen, als ik niet strijd? hoe zal ik kunnen vinden, als ik niet zoek? Zonder strijd geen overwinning; ik zal strijden, Stella, ik wil mijne vrijheid veroveren. Ik zie niet op tegen bezwaren en moeilijkheden, ik voel me sterk genoeg ze te overwinnen, maar er is iets, waar ik vreeselijk tegen opzie. Stella, ik heb je al meer verteld, dat ik Vader ziels, ziels liefheb. Ik weet niet, of ik den moed zal hebben mijn wil door te zetten, als ik daarmee zijn hart breek, dat zoo vol liefde voor ons klopt. Ik heb hem lief, oneindig lief, mijn ouden, grijzen vader, oud en grijs door zorgen voor ons, voor mij. En als een van ons beiden dan toch absoluut ongelukkig moet worden, laat mij 't dan zijn. Ook hierin schuilt egoïsme, want ik zou toch niet gelukkig kunnen zijn, ondanks vrijheid, ondanks onafhankelijk-en zelfstandigheid, als ik Vader daardoor rampzalig maakte.

Maar zie je den toestand niet een beetje te donker in? vraag je, O! was het maar zoo! Ik ben zelfs optimistisch geweest door te zinspelen op een mogelijke uitkomst! Wil ik je wat zeggen? De levensweg der Javaansche meisjes is afgebakend en gevormd naar een en 't zelfde model. Wij mogen géén idealen hebben; de eenige droom, dien wij droomen mogen is: vandaag of morgen de zooveelste vrouw te worden van den een of anderen man. Ik tart hen, die dit weerleggen kunnen.

Over Indische en Europeesche toestanden nadenkende, en ze met elkaar vergelijkende, moet je wel erkennen, dat het daar geen haartje beter is dan hier, wat de moraliteit der mannen betreft, en zijn daar de vrouwen er even ongelukkig aan toe als hier, met dit verschil echter dat de vrouwen daar, althans de overgroote meerderheid uit vrijen wil den man in 't huwelijksbootje volgen, terwijl hier de vrouwen niets te willen hebben, maar eenvoudig getrouwd worden, krachtens den wil van ouders of voogden, met wien deze machthebbenden 't maar goed vinden. In de Mohammedaansche wereld is de toestemming, ja zelfs detegenwoordigheid der vrouw niet noodig bij 't sluiten van een huwelijk. Vader kan bijv. vandaag thuiskomen en mij vertellen: "je bent met die en die getrouwd". Ik heb dan mijn man te volgen, of ik kan 't ook wel weigeren, maar dit geeft den man dan recht om me levenslang aan zich te ketenen, zonder dat hij zich wat om mij te bekommeren heeft. Ik ben zijn vrouw, ook al volg ik hem niet, en als hij zich niet van mij wil laten scheiden, dan ben ik heel mijn leven lang aan hem gebonden, terwijl hij vrij blijft in zijn doen en laten, zooveel vrouwen trouwen kan, als hij maar wil, zonder zich om mij te bekreunen. Als vader me op zoo'n manier uithuwt, dan maak ik me maar eenvoudig van kant. Maar dat zal Vader nooit doen.

God heeft de vrouw geschapen als gezellin van den man, en de bestemming der vrouw is 't huwelijk. Goed, 't is niet te weerspreken, en gaarne erken ik, dat 't hoogste vrouwengeluk, ook eeuwen na deze, zal zijn: een harmonisch samenleven met den man! Maar hoe kan van een harmonisch samenleven sprake zijn, als onze huwelijkswetten zoo zijn, als ik je er een voorbeeld van beschreef? Moet ik als vanzelf niet het huwelijk haten, verachten, als het de vrouw zoo gruwelijk verongelijkt? Neen, gelukkig niet ieder Mohammedaan houdt er vier vrouwen op na, maar iedere getrouwde vrouw in onze wereld weet, dat zij zijne eenige niet is, en dat vandaag of morgen manlief haar een gezellin kan thuis brengen, die op hem evenveel rechten heeft als zij; volgens Mohammedaansche wet is zij ook zijnwettigevrouw. In de Gouvernementslanden hebben de vrouwen 't lang zoo hard niet te verantwoorden als hare zusters in de Vorstenlanden, Soerakarta en Djokjakarta. Hier zijn de vrouwen al doodongelukkig met een, twee, drie, vier bij-vrouwen van hare mannen; daar in de Vorstenlanden noemen de vrouwen dat kinderspel. Je vindt daar bijna geen enkele man, die maar één vrouw heeft; in de adellijke kringen, vooral in de omgeving van den Keizer, hebben de mannen tot over de 26 vrouwen.

Mogen deze toestanden voortbestaan, Stella?

Ze zijn er al zoo aan gewend, dat zij er niets meer in vinden, maar dat neemt niet weg, dat die vrouwen er ontzettend onder lijden. Bijna iedere vrouw, die ik ken hier, vervloekt dit recht der mannen. Maar verwenschingen helpen niets; gehandeld moet er worden.

Komt, vrouwen, meisjes, staat op, reiken wij elkaar de handenen laten wij samen arbeiden, om verandering te brengen in die onhoudbare toestanden.

Ja, Stella, ik wist het, dat ook in Europa de toestand op zedelijk gebied der mannen intreurig is. Ik zeg met jou, hulde aan de jonge mannen, die de ingekankerde gewoonten, die verleiding den rug toekeeren; en schande over de hedendaagsche meisjes, die niet onwetend mannen volgen, wier leven bezoedeld is. Ja zeker, de jonge moeders kunnen hieraan 't meest doen, dat heb ik reeds meer betuigd met mijne zusters.

Ik zou wel kinderen willen hebben, jongens en meisjes, om ze op te voeden, te vormen tot menschen naar mijn hart. Allereerst zou ik die ongelukkige gewoonte om jongens voor te trekken boven meisjes afschaffen. Wij mogen niet verwonderd zijn over het egoïsme van den man, wanneer wij nagaan hoe als kind hij reeds voorgetrokken werd boven 't meisje, zijn zusje. En als kind al wordt den man geleerd het meisje te minachten. Heb ik niet vaak moeders tegen hare jongens hooren zeggen, wanneer zij vallen en huilen: "foei, een jongen huilen, net als een meisje!" Ik zou mijne kinderen, jongens en meisjes, leeren elkaar als gelijke wezens te beschouwen, en hun geven volkomen dezelfde opvoeding, natuurlijk volgens ieders aanleg. Ik zou mijn meisje bijv. omdat ik van haar eene nieuwe vrouw wil maken,nietlaten studeeren, als ze daarvoor lust noch aanleg heeft; doch haar iets te kort doen, om haar broer te bevoorrechten,nooit! En dan zou ik de grens ook laten wegvallen, die men zoo bespottelijk angstvallig tusschen beide seksen trekt. Ik ben ervan overtuigd, dat indien hij wegviel, dit den mannen vooral ten goede zou komen. Ik kan en wil niet gelooven, dat beschaafde, ontwikkelde mannen opzettelijk 't gezelschap van vrouwen, die gelijk staan met hen in beschaving en ontwikkeling, vermijden, om zich te werpen in de armen van onrespectabele vrouwen. Wat vele mannen weerhoudt zich veel in beschaafd damesgezelschap te bewegen is, dat een heer bijna nooit een beetje aardig kan zijn tegen een meisje, zonder dat zij aan een huwelijk denkt. Nu, dit alles zal verdwijnen, wanneer man en vrouw hun vrijen ongedwongen omgang met elkaar als kinderen tot op lateren leeftijd behielden.

Je zegt: "Wij meisjes kunnen veel doen, om de jonge mannen op den goeden weg te brengen, maar wij mogen zoo weinig van hun leven kennen". Alles zal veranderen, mettertijd, maar wijmoeten hard, hard arbeiden, anders komt die tijd nooit. Wij hier op Java staan pas aan den vooravond van den nieuwen tijd; moeten wij nog eerst alle phasen afloopen, die jullie hebt doorgemaakt, om te komen tot den tijd, waarin jullie in Europa leven?

Onder mijne nieuwe schatten bevindt zich ook "Het Jongetje" van Borel. Een verrukkelijk mooi boek, je hebt gelijk hoor! Velen hier vinden het ziekelijk en schrikkelijk overdreven, doch ik ben 't volstrekt daarmee niet eens. Ziekelijk is het in geen geval en overdreven evenmin. Er zijn wel niet veel zooals Borel's jongetje, maar ik ken er toch een, hier op de plaats. Het jongetje van den assistent-resident is Borel's jongetje verpersoonlijkt. Op een keertje zei hij tot Kardinah: "Tante, ik houd zooveel van meisjes. Meisjes kunnen zoo dodderig glimlachen. Ze zijn zoo heel, heel anders dan jongens, ze zijn zoo lief, zoo zacht". Dit zegt een ventje van 5 jaar. Hoe vindt je dat? Hij betastte eens den arm van Kardinah en vroeg toen: "Tante, waarom zijn de vrouwen toch zoo zacht?" Zijn eigen armpje betastende, vervolgde hij: "al ben ik nog zoo klein, ik ben toch een man, daarom ben ik zoo hard". O, 't is zoo'n allerliefst kindje, met groote, vochtige droomen-oogen en bruin krullend haar. Voordat hij hier kwam, zag hij bij kennissen op Soerabaja onze portretten. Zijne moeder vertelde hem, dat op de plaats, waar naar toe zij gingen, die lieve tantes woonden. Het jongetje dacht, dat hij trouwen moest en vroeg: "Maatje, moet ik met alle drie, of met eentje van haar trouwen?" En toen hij hier kwam en kennis met ons maakte, vroeg zijne moeder hem: "Wel broertje, heb je al een keus gedaan? Met wie van de Tantes wil je trouwen?" "Maatje, ik kan niet kiezen, want ze zijn alle drie even lief!" Het kleine engeltje zeide daarop tot ieder onzer: "Ik hou van jou, ik hou van jou, ik hou van jou, ja ik hou van de heele wereld, want ieder is goed, ieder is lief!" Als mij dit door anderen werd verteld, zou ik 't misschien niet gelooven, maar ik zag en hoorde alles met eigen oogen en ooren.

Het onderwerp, dat Mevrouw van Zuylen-Tromp behandeld wilde zien, was "'t leven der Inlandsche vrouw". Over dit onderwerp schrijf iknuliever niet. Ik heb daarover veel te veel te zeggen, en zou nu onmogelijk daar een geregeld verhaal van maken. Over een paar jaar misschien, als ik verstandiger enkalmer ben geworden, zal ik het aandurven. Nu warrelen en dwarrelen de gedachten, die ik daarover heb, nog door mijn brein, als vallende blaren, die vooruitgedreven worden door den wind. Wat eene vergelijking hè? * * * * * De ochtenden zijn goddelijk, de avonden eveneens, doch zoo midden op den dag zou ik wel aldoor in 't water willen liggen, als dat nu ook niet zoo lauw was. Wat genieten wij hier van de ochtenden; zij zijn zoo heerlijk frisch en de natuur is dan zoo mooi. Wij dwalen dan rond in den tuin, waar alles geurt en fleurt. 't Is waarlijk een genot om 's morgens buiten te zijn! Ons tuintje, dat we zelf nebben aangelegd en beplant, bloeit. Kon je maar met ons daarin dwalen, of hou je niet van bloemen en planten? Ma heeft haar moestuin en wij onzen bloemen- en rozentuin. Deze laatste staat voor onze kamer, en als het volle maan is, kan het er zoo idyllisch wezen. 't Is er dan om te dwepen. De zusjes brengen hare cithers naar buiten, zetten zich neer tusschen bloeiende heesters en maken muziek. Wat wordt er dan gestoeid, gebabbeld en gelachen na het concert.

Je verontwaardiging over de behandeling, welke die twee beschaafde, ontwikkelde landgenooten van me van vele Europeanen ondervonden hadden, deed me goed. Geloof me, het zijn niet domme menschen alleen, die zich zoo bespottelijk aanstellen tegenover den Javaan. Ik heb menigmaal personen ontmoet, die volstrekt niet dom zijn, ja aristocraten zijn van den geest, maar toch o, zoo hoogmoedig en verwaand, om er geen huis mee te houden. 't Grieft mij zoo ontzettend, en men heeft 't ons maar al te dikwijls laten voelen, dat wij Javanen eigenlijk géén menschen zijn. Hoe willen de Nederlanders toch door ons Javanen bemind zijn, als zij ons zóó behandelen! Liefde wekt wederliefde, maar nooit zal minachting liefde wekken. We hebben veel vrienden onder de Hollanders, die we hartelijk liefhebben, zelfs méér dan vrienden van ons eigen ras. Zij hebben zich de moeite gegeven ons te leeren kennen en begrijpen, en ze hebben ons liefgekregen. Wij houden heel veel van de Hollanders, en zijn hun dankbaar voor het vele goeds, dat zij ons leeren. Wij zullen nooit vergeten, aan wie we het wakker worden en de ontwikkeling van onzen geest te danken hebben. De Hollanders mogen ons dan onrechtvaardig behandelen, ik zal hen steeds liefhebben, wij zijnhun zooveel verschuldigd! Men mag zeggen van de Javanen, wat men wil, doch geloof nooit, dat zij géén hart hebben. Ze hebben het wel degelijk, en zij kunnen zeker dankbaar zijn voor ontvangen weldaden in stoffelijken of geestelijken vorm, al verraadt hun onbeweeglijk gezicht ook niets van hetgeen hun inwendig beroert. Doch ik hoef je dat eigenlijk niet te vragen, jij, die alle schepselen, van welke kleur ook, als menschen evengoed als je zelf beschouwt.

O! ik ben toch zoo innig, innig blij, dat ik je heb mogen ontmoeten. Ik laat jenooitlos, Stella. Ik heb je zóó innig liefgekregen, dat ik mij niet voorstellen kan, hoe 't moet gaan, als 't leven, wat God verhindere, ons van elkaar scheidt. Alsof de oneindige oceaan nu niet reeds tusschen ons beiden staat! Maar geesten, die elkaar in groote sympathie vinden, zien op geen afstand; ze overbruggen de grootste zeeën en uitgestrekte landen om in contact met elkaar te komen. Een goddelijke uitvinding zijn de brieven! gezegend zij degene, die ze uitvond!

Een week geleden kregen we bezoek van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid en echtgenoote van Batavia ... en Stella, jubel met me, de Directeur kwam hier speciaal om persoonlijk Vader's opinie te vernemen over 't voorstel, dat hij binnenkort der Regeering wilde indienen, n.l. het oprichten van Inlandsche meisjesscholen! Ik was ziek, en gevoelde mij ellendig, niet alleen door lichamelijke pijn, maar ook door zieleleed. Stella, ik geloof dat mijn vrijheidsdroom weldra ten einde zou zijn—toen Vader mij dien brief van den Directeur gaf, waarin hij vroeg, Papa te spreken en mededeelde, waarover. Hoe heerlijk weldadig was mij dat schrijven, het fleurde me heelemaal op! 't Deed me zoo oneindig goed te weten, dat daar op Batavia een der hooge Regeeringsmannenharthad voor den Javaan allereerst en voor deVrouw! Toen even daarna Mama naar me kwam kijken, vond ze haar dochter in tranen, o, ik was zoo gelukkig, zoo dankbaar! Ik moest en ik zou beter worden als hij kwam, want ik wilde hem spreken, al was 't ook maar alleen, om hem woorden van dank toe te roepen.

En hij kwam ... niet alleen ... zijne vrouw vergezelde hem! O! Stella, nooit van ons leven hebben we zóó heerlijk, verrukkelijk kennis gemaakt. Voor hem had ik al groote sympathie opgevat, toen ik wist waarvoor hij kwam. En die sympathie nam toe, toen ik hem ons erf zag binnenrijden; hij op de voorbank,op de achterbank zijn vrouw en naast haar Vader, die hen van 't station afhaalde. Ik wist, dat Vader niet dan op zijn dringend verzoek dáár zat. Voor jou is dit eene gewone beleefdheid, meer niet, maar lach mij gerust uit, Stella, zij trof mij zeer. Zij sprak mij van den eenvoud van den Directeur en—dat hoogheidswaan die alle ambtenaren hier bijna zonder uitzondering aankleeft, bij hem geheel vreemd was. Ik was zoo gewoon Vader aan den linkerkant van resident, assistent-resident, hoeveel jonger hij ook moge zijn dan vader, te zien. Niet alleen ik, doch zelfs Europeanen ergeren zich dood aan de dwaze rangaanstellerij hier, die op ambtelijke bijeenkomsten de Europeesche ambtenaren en regenten op stoelen doet plaatsnemen, terwijl voor de in den dienst vergrijsde wedono's de koude grond, slechts bedekt met een bamboezen matje, en somtijds onbedekt, goed genoeg is. De minste Europeaan heeft recht op een stoel te zitten, terwijl Inlandsche ambtenaren beneden den rang van regent, van welke leeftijd, afkomst of kunde ook, de grond als zitplaats aangewezen wordt, waar Europeesche bestuursambtenaren bij zijn. Het is zeker niet hartverheffend om te zien, hoe de grijze wedono op den grond kruipt voor den kandjeng toewan adspirant, een jong broekje, dat nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft. Doch genoeg—daarom trof mij de beleefdheid van den Directeur, die een heel hooge oom is, zeer.

We hoorden den Directeur tot Vader zeggen: 'k Ben overal op Java geweest en heb verscheiden hoofden gesproken, Regent. U heeft 't voorbeeld gegeven, meisjes naar school te zenden. Ik heb aan meisjes, die nog schoolgaan, zelf gevraagd, of zij verder zouden willen leeren, en ze antwoordden allen enthousiast: "Ja!" Hij vroeg, hoe of Vader de meisjesschool wilde ingericht hebben, en waar of die, bij wijze van proef, moest zijn, in West-, Midden- of Oost-Java.

O, Stella, hoe tintelden mijne ooren en oogen, en klopte mijn hart van zalige verrukking, bij 't hooren van dat al! Er zal dan tòch licht komen, in onze arme, donkere vrouwenwereld!

Terwijl Mijnheer met Vader sprak, onderhield Mevrouw zich met ons. Met welk eene verrukking luisterden wij naar haar!

Ze vertelde me, wat 't doel was van haar man, en vroeg, hoe of ik 't vond. "Een goddelijk idee, Mevrouw, dat de Inlandsche vrouwenwereld ten zegen zal zijn, als 't tot uitvoering komt; en nog grooter zou die zegen zijn, indien de meisjes dan ook in degelegenheid werden gesteld, zich in 't een of ander vak te bekwamen, dat haar in staat zou stellen, zich een eigen weg door 't leven te banen, wanneer het haar door hare ontwikkeling mocht tegenstaan, terug te keeren in hare oude maatschappij. En 't meisje, wier geest men heeft ontwikkeld, wier blik is verruimd, zal niet meer kunnen leven in haar voorvaderlijke wereld. Men leert haar watvrijheidis, en brengt haar in een kerker; men leert haarvliegen, en sluit haar op in een kooi. Neen, de werkelijk ontwikkelde vrouw, kàn onmogelijk zich gelukkig voelen in de Inlandsche maatschappij, zoolang zij is, zooals zij nu is. Er staat, er is tot dusver voor 't Inlandsch meisje slechts één weg open om door 't leven te komen en dit is "trouwen". En hoè de huwelijken zijn in de Inlandsche maatschappij, zal u wel niet onbekend zijn, u, die al zoolang op Java is. O, wij vinden 't goddelijk, dat uw echtgenoot den meisjes opvoeding en ontwikkeling wil geven, maar laat daarnaast ook vakopleiding staan, en dan zal de zegen, die uw man aan de Inlandsche wereld brengen zal,ten volleeenzegenzijn!"

"Man, hoor je dat?" vroeg ze haar man enthousiast. "Deze jonge dame vraagt vakopleiding voor Inlandsche meisjes."

Verbaasd keek hij mij aan "en vroeg: "Werkelijk, vraagt u voor de meisjes vakopleiding? Hoe wil u die hebben? Toe, vertelt u maar, wat zou u willen worden? Dokter?"

Ik voelde aller blikken op mij gevestigd, vooral die mijner ouders brandden mij in 't gelaat, ik sloeg mijne oogen neer. 't Gonsde en suisde in mijne ooren, maar boven dat alles uit klonken je woorden: "Kartini, wees flink, wees niet wankelmoedig!"

"Toe, zegt u 't maar, wat zou u willen worden?"

"O, ik weet 't wel, u wil schrijfster worden, maar daarvoor hoeft u niet opgeleid te worden? U kan het uit u zelf wel worden!"

Voor studie ben ik helaas te laat, maar ik mag immers niet omzien, nietwaar, ik moet "mijn blik omhoog richten en eenvoudig voorwaarts gaan". Stella, Stella, laat me niet los, houd mijn hand in de uwe, leid me; van jou gaat een kracht uit, die me bezielt, laat me niet alleen! Als er van mij wat terecht komt ooit, dan is dit je werk, lieveling!

Mevrouw sprak lang met me over alles en wat jij en ik zoo vaak met elkaar bespraken "de vrouw". Toen wij dien avond van elkaar gingen om naar bed te gaan, nam zij mijne hand inbeide hare, drukte die met warmte en sprak: "vriendin, wij zullen nog weer op dit punt terugkomen, ik zal u vaak en veel schrijven, wil u hetzelfde aan mij doen? Vertel me veel, vertel me alles." Den volgenden ochtend brachten we haar weg, en in de drie uren, dat we met haar in 't rijtuig en in de tram zaten, hebben wij, zij en ik, zooveel met elkaar afgepraat. Hoewel 't reeds 12 uur was, toen wij den vorigen avond van elkaar gingen, had ze haar man toch alles verteld, wat ze van ons wist.

"O, Regent", riep ze telkens, "geef me toch uwe dochters mee, laat haar op Batavia komen bij me. Toe, laat deze jonge dame bij me komen, ik zal haar zelf komen halen."

En Vader zei haar, dat hij er over dacht om dit jaar nog naar Batavia te gaan, "doch zij blijft bij Mama thuis, Mevrouw!" Met dat "zij" werd mijn persoon bedoeld; was 't ernst of scherts?

Zij wilde ons op Batavia hebben, om zelf bij de hooge oomes onze belangen en de belangen van onze Inlandsche vrouwen te bepleiten. O, Stella, hoop dat als 't zoover komt, ik goed moge pleiten. Mevrouw zal naar Buitenzorg gaan om belet te vragen bij Mevrouw Rooseboom om haar van de Javaantjes te vertellen. Bij 't afscheid zeide Mevrouw tot me: "Wees flink, houd moed, envertrouw. Het màg zoo niet langer blijven, er moet en zal wat aan gedaan worden. Wees flink!" Stella, droom ik of waak ik? Is er heusch uitkomst voor ons? Mogen we hopen, dat onze droom toch voor verwezenlijking is vatbaar? Ik heb nog veel meer gehoord. Ze heeft me nog meer gezegd, maar ik durf 't je niet te vertellen. Het is nu nog zoo ver van me, maar 't straalt en glanst me tegen. Later, later, Stella, lieveling, als ik het al in mijne armen heb, stevig, stevig omstrengeld houd, dat 't me niet ontglippen kan, zal je weten wat 't is. Ik heb mijne zusjes gevraagd, leef ik nog, want ik voel mij zoo onbeschrijfelijk zalig en gelukkig! Bid voor mij, liefste, dat dit geene illusie moge zijn, geen bleeke hersenschim! Want, o, dat zou vreeselijk zijn! Ik zal er me nog maar niet al te zéér op verblijden, want 't is nog zoo onzeker, 't kon misloopen, en de terugslag zou verschrikkelijk zijn.

De tweede onderwijzer gaat spoedig naar Europa en vindt je 't niet aardig van den Directeur om in zijn plaats een onderwijzeres te zullen benoemen? Hij zal ons eene Hollandsche zenden, leeftijd komt er niet op aan, maar zij moet eene beschaafde, ontwikkelde vrouw zijn, waar wij veel aan zouden hebben. Dit iswat hij dadelijk voor ons kan doen, en dan, o, Stella, toen hij bij ons onze werken zag, schilderijen, boetseerwerken, enz., zei hij, of 't niet mogelijk was, om in één jaar tijds eene tentoonstelling voor te bereiden. Hij betreurde ten zeerste, dat wij niet meer hebben ingezonden naar de Fransche tentoonstelling. En den volgenden morgen vertelde hij, dat hij met invloedrijke personen op Batavia zou spreken, om zoo mogelijk 't volgende jaar nog eene tentoonstelling van Inlandschen arbeid aldaar te houden. "U moet veel inzenden, van alles wat wij bij u gezien hebben."

O, Stella, ik kon niets, niets zeggen, ik keek hem en haar maar aan, met tranen in de oogen. Waaraan hebben wij zooveel goedheid verdiend, zooveel liefs, zooveel geluk. Wij hebben elkaar nooit tevoren gekend. We leefden als in een droom, er was geen gisteren, geen morgen voor ons, alleen het heerlijke, gelukstralende heden bestond! Zooveel moois deed me duizelen, maakte me bang!—o, de reactie zou vreeselijk zijn, als de droomen en illusies, die wij nu hebben, allen in rook vervlogen. Thuis gekomen nam ik dadelijk de pen op, om een jubelenden brief aan onze vriendin, Mevrouw Ovink, te schrijven, want een paar dagen tevoren bereikte haar een wanhoopskreet van me, en mijn lief moedertje moest weten, dat haar dochtertje weêr gelukkig was. Ik heb haar niets verteld van hetgeen ik je hier schrijf, alleen maar dat ik mij ontuitsprekelijk gelukkig gevoelde, en vol lust was en levensmoed. Maar jou heb ik alles verteld, met uitzondering van dat eene, omdat jij daarop recht hebt, immers 't zal jou werk zijn, wanneer alles zich voor mij ten goede keert. Je zedelijke steun hield me staande, wanneer ik wanhopig was, je bemoediging, je opwekking sterkten mij, wanneer ik me zwak gevoelde. Stella, als ik ooit iets kan doen voor mijne zusteren op Java, dan is het enkel en alleen door en met je hulp.

Ik vertelde je reeds, dat Mevrouw Ter Horst mij haar blad ter beschikking stelde, om er de belangen der Inlandsche vrouw te bepleiten; ze beloofde me geheimhouding, en deed me zelfs een vorm aan de hand, waarin ik dat onderwerp behandelen kon "eene causerie van twee regentsdochters". Zij van haar kant zal en wil alles doen, om de goede zaak te bevorderen, als ik haar maar wilde zeggen op hoe'n wijze zij zulks zou kunnen doen. Van Vader heb ik de toestemming. O! Stella, Stella, wat wordt me tochveelin handen gelegd. God geve, dat ik 't volbrengen kan. Steun me, sterk me, mijn vriendin. Schrijf me véél, véél,Stella. Om me te oefenen schreef ik schetsjes, doodgewone dingen, voorvallen uit ons eigen leven. Een er van is al in de "Echo" verschenen; als pseudoniem koos ik "Tiga Soedara" (drie zusters), omdat wij drieën één zijn. Men had al gauw ontdekt wie Tiga Soedara was en ik kreeg een pluimpje voor mijn werk in de "Locomotief" (een dagblad hier in Indië). Ik vond 't vervelend, ik had 't zoo graag geheim willen houden, dat ik pende. Ik vind het heusch vervelend om er over aangesproken te worden. Men mag mij aanstellerig vinden, maar waarlijk ik ben niet van complimenten gediend. Maar dat bericht in de krant heeft toch ook zijn goeden kant, en een zéér goeden ook, want zie, verleden maand werden Vader twee nommers van een nieuw tijdschrift voor Inlanders gezonden, met verzoek ze ons te geven en een brief waarin de medewerking van "Tiga Soedara" werd verzocht. Het is het eerste Nederlandsche tijdschrift, dat voor Inlanders is opgericht. Wensch me geluk met de verschijning van dit blad, ik verwacht veel heil van de "Nederlandsche Taal" voor mijne landgenooten, voor ons Inlanders. Het is in den trant van onze Lelie! Hollandsche bloem, tot in 't verre Indië, dringt uw geur en schoonheid door! De "Echo", nu de "Nederlandsche Taal"! Je kunt begrijpen, dat ik den redacteur en oprichter (directeur der hoofdenschool te Probolinggo) een enthousiasten brief schreef en mij beschikbaar stelde voor zijn blad. En daar net werd mij een brief van hem gebracht, waarin hij opgave deed van de onderwerpen die hij graag door mij behandeld zag. En Stella, denk eens, 't eerste wat ik las, was: "Inlandsch Onderwijs voor Meisjes"; daarna "Eene Inlandsche Instelling" en "Javaansche kunst". "Kartini, zeg niet, ik kan niet, maar zeg ik wil". Ik wil, Stella, ik wil, ik zal beproeven, Stella, ik hoop innig, dat jij mijne krachten niet hebt overschat. Ik zal mijn best doen.

Nu wil ik je ook nog iets vertellen, n.m. dat wij drietjes begonnen zijn met Fransch te leeren, uit de boekjes van Servaas de Bruijn. Wij hebben al een stuk of vier boekjes doorgeworsteld en komen je nu vragen ons eenvoudige, gemakkelijke Fransche boeken te willen noemen (geen leerboeken). Pa heeft ons ook een leercursus Duitsch cadeau gedaan, doch als wij met het Fransch ooit klaar komen kunnen, hopen we met het Engelsch te beginnen; 't Duitsch naderhand, als wij nog leven ten minste. We probeeren nu Fransche illustraties te lezen, maar lezen en begrijpen is twee, nietwaar? In den beginne maakten wij de dolstevertalingen, maar het gaat langzamerhand gelukkig beter. Wij zijn vol goeden moed. Roekmini beweerde eens in 't Fransch te droomen; ze was met Chateaubriand in Louisiana, 't wonderschoone land, dat hij beschreef. De Fransche taal heeft veel overeenkomst met de onze, wat zinsbouw betreft, en ook de h is geheel als bij ons.

Onze nieuwe vriendin zeide tot haar man: "Zij zou zoo graag talen leeren, o, man, wat zou ik graag die taak op mij nemen." Gisteren kreeg ik een brief van haar, een van 20 zijdjes. Wat schrijft ze innig lief. Zij zegt, dat zij voelt dat zij ons nog eens zal spreken, en vertrouwt in dat gevoel. Ik help 't haar hopen. "Vertrouw in de toekomst!" schreef ze me. En ik vertrouw, zoolang ik jou en haar aan mijn zijde weet! Haar brief deed evenals je brieven altijd, me beschaamd worden; jij en zij denken zoo goed van me. O, dat ik hen niet teleurstelle, die me zoo vertrouwen! stijgt uit het diepst van mijn hart op naar boven, als een innige, stille bede.

En toch, o Stella, 't leven is zoo vol raadselen en geheimen. De mensch is zoo veranderlijk. Wijt dit niet altijd aan een zwak karakter; er kunnen omstandigheden in 't leven komen, die zelfs een held oogenschijnlijk tot lafaard maken: Veroordeel, niet, hoe laaghartig, laf, een daad ook schijne, voor gij de drijfveeren daartoe weet.

Ik heb zoovéél ondervonden, in deze laatste dagen. Welk een emoties hebben mijn gemoed beroerd. Eerst was ik der wanhoop nabij, omdat ik uit 't een en ander meende te mogen opmaken, dat mijn vrijheidsdroom weldra diep in den grond begraven zou liggen, en ik dat zou moeten doen, waar heel mijn wezen zich tegen verzette. Toen kwamen de vrienden van Batavia en een zalig geluksgevoel kwam over me dat me duizelen deed en bedwelmde. Ik leefde in een roes van extase! en schrikkend wreed werd ik daaruit gewekt door een smart, zóó hevig, dat ik dacht, niet meer te kunnen ademhalen. Mij zelve gold 't niet, doch een, die ik zielslief heb. Ik heb gekreund en gesteund.

O, waarom? waarom? moeten geluk en verdriet elkaar zoo snel opvolgen? Ik kon niet denken, alleen voelen, deze hevige pijn hier in 't hart. Het is nu bedaard, en ik kan mij weer rekenschap van alles geven.

Arme, dierbare Vader, hij heeft zoo ontzettend veel geleden, en 't leven brengt hem nog steeds nieuwe en smartelijketeleurstellingen. Stella, mijn Vader heeftniemanddan zijne kinderen, wij zijn zijnalles, zijn vreugde, zijn troost. Ik heb mijn vrijheid zeer lief, o, 't is àlles voor me, en 't lot mijner zusteren gaat mij zeer ter harte; ik heb veel voor haar over, en ben tot ieder offer bereid, dat haar ten goede kan komen. 'k Beschouw 't als mijn levensgeluk, mij geheel daaraan te kunnen en te mogen wijden. Dochlieverdan dat alles tezamen, is mij mijn Vader. Stella, noem mij laf, wankelmoedig, maar ik kan niet anders; als Vader er zich tegen verzet, dat ik mij daaraan wijd, hoe mijn hart ook schreien zal, ik zal er in berusten! Ik heb den moed niet, dat hart, dat trouwe hart, dat zoo warm voor me slaat, nog meer wonden toe te brengen, nog meer te doen bloeden. Het heeft al genoeg gebloed, al ben ik daaraan ook volkomen onschuldig. Je zegt, dat je niet kunt begrijpen, dat iemand trouwen moet. Je stelt tegenover "het moet" steeds "ik wil". Als 't anderen gold, zou ik zeer zeker 't zelfde doen, maar tegenover mijn Vader zou ik 't niet kunnen, vooral nu niet, nu ik weet, welk een onnoemlijk zwaar leed hem trof. Wat ik te doen zal hebben, beschouw ik niet als een "moet," maar als iets dat ik vrijwillig op me neem voor "hem". Ik schrijf, schilder, en doe alles, omdat Vader daar plezier in heeft. Ik zal hard werken en al mijn best doen, om iets goeds te maken, omdat ik daar hèm genoegen mee doe. Stella, noem mij dwaas, overdreven, maar ik kan niet anders. Vader is mij zoo onuitsprekelijk lief! Ik zal wel heel erg verdrietig zijn, als Vader zich tegen mijn vrijheidsplannen mocht verzetten, maar ik zou nog oneindig bedroefder zijn, wanneer mijn vurigste wensch werd vervuld, maar ik tegelijkertijd Vader's liefde verliezen moest. Och verliezen zal ik haar nooit, dat geloof ik niet, maar ik kon hem 't hart breken. Van iemand anders zou hij misschien beter teleurstellingen verdragen, doch van mij zou hij 't zichergaantrekken, omdat hij van mij misschien een beetje meer dan van anderen houdt. En hij is mij zoo dierbaar!

't Is toch vreemd, hè? mij zelf doet niemand haast ooit kwaad, en toch ik lijd voortdurend. O! dat diep voelen dàt is lijden, en toch ik zou niet anders willen zijn; al moet mijn hart ook menigmaal bloeden, het geeft mij soms toch zoo'n onbeschrijfelijk zalig geluk, als waarvan de koele verstandsmenschen zich geen idee kunnen vormen.

Augustus 1900. (II.)

Nu, als wij niet naar Holland gaan, mag ik dan naar Batavia om voor dokter te studeeren? Wat Vader hierop antwoordde, is in 't kort samen te vatten: "dat ik niet moest vergeten, dat ik ben eenJavaan, dat hetnu nog niet mogelijkis, dat ik die richting opga—over 20 jaar zal 't anders zijn—maarnukan 't nog niet—of ik zou 'tverschrikkelijk moeilijkmoeten hebben—"omdat ik dan de eerste zou zijn". Vader kon niet zoo maar op stel en sprong beslissen. Vader zou er eerst lang en breed over nadenken, met anderen er over spreken en velen raadplegen.

Dit laatste bewijst, dat Vader mijn ideenietgeheel en al verwerpt; dat Vader weet, dat ik tot elken prijs vrij, zelfstandig, onafhankelijk wil worden; en dat ikwerkelijk nietgelukkig zal kunnen zijn in een huwelijksleven, zooals dat tot nu toe is.

Toen vroeg ik: "maar als de Inlandsche meisjesschool van Mr. Abendanon tot stand komt, mag ik dan onderwijzeres worden?" en ik vertelde wat mevrouw Abendanon me vroeg en voorstelde.

O! Moedertje, 't was alsof de hemel openging, een eindelooze heerlijkheid zich aan mij vertoonde, die me verblindde en bedwelmde, toen ik daarop Vader hoorde zeggen: "Dat is mooi, dat is prachtig! dat mag je wel!"

"Maar ik moet er eerst voor opgeleid worden; ik moet een jaar of vier naar 't klooster om te leeren en dan examen te doen. Zonder akte wil ik er niet komen."

En Vader vond 'tgoed, billijkte mijn verlangen.

O! Moedertje, hoe zalig gelukkig gevoelde ik me; ik had niet gedacht dat 't zóó gemakkelijk zou gaan. Er was geen enkel hard, bitter of scherp woord gevallen; ik kreeg heel wat op mijn kop—ja—doch ik heb 't verdiend; dat erken ik zelf gulweg. Maar Vader deed 't zoo zachtzinnig, zoo liefderijk. O! ik heb mij dan toch niet in zijn onmetelijke liefde voor mij vergist, in zijn geheel meêvoelen, meêleven met zijn kind; dat Vader méér nog dan ik zelf zou lijden, als hij mij dat leed moest aandoen, en dat hij even vurig als ik zelf hoopte, dat er eene uitkomst voor mij mocht wezen.

O! welk eene woeste, jubelende vreugde maakte zich van mij meester, toen ik die zalige zekerheid had; wist, dat Vader, mijnafgodisch beminde Vader, zichzonder verdrietbij mijne ideeën, wenschen en verlangens neêrlegde!

't Was om hèm, dat ik mij zoo ellendig gevoelde, maanden lang, dat ik wankelmoedig, zwak, jalafwas, want ik kòn zijn hart niet breken; en ikmoest, omdat ikniet kon, niet wildemij vernederen, mijn vrouwenhart, mijn waarde als vrouw, als mensch laten vertrappen; ikmoestmij tegen hunne plannen verzetten; ik was 't zedelijk verplicht aan mijn eigen fierheid, die ik 't zwijgen niet vermocht op te leggen. Hard was die innerlijke strijd geweest.

O! en Vadertje heb ik voor mij gewonnen; daarmeê is degrootstemoeilijkheid, overwonnen, het grootste struikelblok uit den weg geruimd. Waar ikVaderaan mijne zijde weet, heb, ga ik onverschrokken, blij en opgewekt, met luchtigen tred, en een glimlach om den mond den vijand tegemoet!

Nu hangt het alleen van mijn eigen willen en kunnen af of ik mijn doel al dan niet bereiken zal! Ik ben vol hoop, vol moed, houd u dien moed frisch in me, Moes! Ik heb Vader dadelijk gevraagd of ik Mevrouw Abendanon die goede tijding mocht berichten, en ik mocht! Dien zelfden avond nog schreef ik haar en u dit regeltje.

't Is wel nog een vraag, of de Inlandsche meisjesschool tot stand komt, maar ik wanhoop niet; 't een en ander wijzen op een ernstig streven van eenige, zoo niet vele, invloedrijke personen om de Inlandsche wereld op te heffen, en om "licht" te brengen der Inlandsche vrouwenwereld, haar op te heffen uit haar treurigen staat.

Op Djokdja zochten we Mevrouw Ter Horst op, zooals ik u reeds schreef. Ze was heel aardig voor ons, haalde ons van 't station af, waar ze ons echter misliep, daar we een station eerder waren afgestapt; zij had eene rijsttafel voor ons klaar. We kwamen alleen om haar te groeten, doch zij had wat met me te bespreken. Zij vertelde mij dat Resident de B.,[1]afgescheiden van Mr. Abendanon's plannen, waarvan hij niets wist, ernstige plannen had, om zoo mogelijk van Regeeringswege, zoo niet, dan uit particuliere middelen, een kostschool voor dochters van Inlandsche hoofden op te richten. De Resident vroeg haar daarvoor een plan te ontwerpen, dat hij dan verder zou uitwerken,en ze vroeg nu hoe ik daarover dacht, en wat ik noodig vond, dat de Inlandsche meisjes, dochters van hoofden, hoog en laag, weten en kennen moesten om tot meer zedelijke welvaart te geraken. Onlangs vroeg de directeur der hoofdenschool te Probolinggo me dit onderwerp: "'t Inlandsch onderwijs voor meisjes" te willen behandelen voor een Hollandsch tijdschrift voor Inlanders. Er bestaat dus werkelijk een ernstig streven om de Inlandsche meisjes onderwijs te geven. Mochten de pogingen van Mr. Abendanon om Inlandsche meisjesscholen op te richten, mislukken, wat de hemel verhoede! en ik dus geen onderwijzeres worden, dan laat u mij niet alleen, nietwaar, Moedertje? Maar wil mij wel helpen om Vader's toestemming te verkrijgen voor 't dokter worden? Of mag ik 't van u beiden ook niet? U beiden kunt zoo veel van Vadertje gedaan krijgen, als u maar wilt.

Vader is sedert dien gedenkwaardigen middag dubbel lief voor me; hij kan zoo zacht, zoo teeder mijn hoofd tusschen zijn beide handen nemen, zoo warm en innig zijn arm om mij heen slaan, als om me te beschermen tegen naderend onheil. Ik voel uit alles en alles zijne onmetelijke liefde, en ik ben daar trotsch op, en er o zoo gelukkig meê!

Sedert we van Batavia terug zijn, hebben we een gevoel alsof wij thuis komen, alleen om even uit te rusten, goeden dag te zeggen en weer uit te vliegen. Waarheen??? Ik wil volop genieten van mijn thuis-zijn, want nergens in de heele wereld zal ik 't zoo goed hebben als bij mijn eigen ouders thuis, en 't stemt mij zoo oneindig dankbaar te weten, dat wanneer ik vandaag of morgen 't huis verlaat, 't zal zijn met zijn zegen, en ik hoop innig ook met dien van de anderen.

Vroeger kon ik nogal gemakkelijk leeren—ik was niet achterlijk —maar tusschen 't toen en nu ligt al zoo'n heel menschenleven. Alles wat ik op de "bewaarschool" geleerd heb, ben ik vergeten,—ik was 12 1/2 jaar, toen ik die school verliet. Maarwillenis bijna altijdkunnen, nietwaar, Moedertje. Ik zal in elk gevalgoed, goedmijn best doen en hard werken. Geef mij uw beider zegen! houd den goeden geest, wil en moed steeds wakker in me, liefsten! Nu heb ik u alles trouw en eerlijk opgebiecht, Moedertje! Hoe denkt u beiden over dit alles? Zeg mij ronduit uw beider meening, ik bengeheel uw kind, en u weet, hoeveel waarde ik aan uw beider opinie hecht.

Ik heb deze biecht geschreven in de volle overtuiging—in't vaste vertrouwen, datniemandwarmer belang kan stellen in al mijn aangelegenheden, dan u beiden, en deze betreftheelmijne verdere toekomst. Ik weet ook dat ik ten allen tijde bij u komen mag, wanneer ik raad en steun en troost behoef. En in de komende tijden zal ik zeker dikwijls daarom tot u komen.


Back to IndexNext