[1]Welke resident bedoeld wordt, blijkt niet.
[1]Welke resident bedoeld wordt, blijkt niet.
7 October 1900. (VIII.)
Ik wacht mijn tijd kalm af; is die daar, dan zal men zien, dat ik geen zielloos voorwerp ben, doch eenmenschmet een hoofd en hart—die denkt en voelt.
't Is vreeselijk egoïstisch van me, om u deelgenoote te willen maken, van alles wat ik in me omdraag; mij zal 't verlichting schenken, doch u ... verdriet! Ziedaar, wat ik allen geef, die mij genegen zijn! O! ik zou u willen toeroepen, omdat ik zoovéél, zoo zielsveel van u houd: Laat me los, trek u terug van me! ban me uit uwe gedachten, uit uw hart! vergeet me! Laat me alleen worstelen! want o God! u weet niet in welk een wespennest u zich steekt met mij de hand te reiken! Laat mij maar alleen! Laat ik maar dankbaar zijn, dat ik u in zoo groote sympathie heb ontmoet, u mijn levenspad hebt gekruist en daarop licht en bloemen hebt laten vallen. Laat onze ontmoeting zijn, zooals die der schepen op den wijden Oceaan, die elkaar voorbijvaren in een donkeren nacht. Een ontmoeten, een blij groeten, even een spoor in den waterspiegel, en dan niets meer! Maar ik vrees, ik weet, dat u ditnietkunt, al zoudt u 't willen. Laat ik er niet meer over spreken.
Een tijd geleden met Mama over 't een en ander de vrouw betreffend, sprekend, gaf ik voor den zooveelsten keer te kennen, dat niets mij meer bekoorde en aantrok, niets vuriger door mij werd verlangd, begeerd, dan te mogen drijven op eigen wieken. Mama zeide: "Maar er is niemand nog bij ons, die dat doet".
"Dan wordt 't tijd dat iemand 't eens doet."
"Maar weet je wel, dat alle begin moeilijk is? dat allen eerst-beginnenden een hard lot beschoren is? Dat miskenning, teleurstelling op teleurstelling, spot je wacht, weet je dat alles wel?"
"Ik weet 't! 't Is vandaag of gisteren niet, dat die denkbeeldenbij mij zijn opgekomen, ze hebben reedsjarenin me geleefd."
"En wat zou je zelf er aan hebben? Zal 't je voldoening geven? gelukkig maken?"
"Ik weet, de weg, dien ik wensch op te gaan, ismoeilijk, vol doornen, distelen, kuilen; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ...ongebaand! En al zal ik dan zoo gelukkig niet zijn, het einddoel te bereiken; al zal ik halverwege reeds bezwijken; ik zal gelukkig sterven, want de baan is dan toch gebroken en ik heb meê geholpen opbreken den weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid van de Inlandsche vrouw. Het zal mij reeds eene gróóte voldoening zijn, als dan de ouders van andere meisjes, die ook zelfstandig willen worden, niet meer zouden kunnen zeggen: "daar is niemand nog bij ons, die dat heeft gedaan".
Vreemd, maar ik voel me volstrekt niet beangst, bevreesd of verontrust, ik ben kalm en zoo vol moed; alleen dat domme, dwaze hart doet èrg, èrg zeer.
October 1900. (II).
Ik wil voor 't onderwijs opgeleid worden—de twee actes—lager en hoofdacte halen—en dan cursussen volgen in gezondheids-, verbandleer en ziekenverpleging.
Heel later ga ik een taalacte, mijn eigen moedertaal halen. Zijn we klaar, dan gaan we met ons beiden eene kostschool openen voor dochters van Inlandsche hoofden. Ik wil in Holland mijn opleiding ontvangen, omdat Holland mij in alle opzichtenbeterzal toerusten voor de groote taak, die ik op mij wil nemen.
Hoevele malen in eigen leven heb ik reeds niet ondervonden, dat de vervulling van hartewenschen vaak gepaard gaat met hartewonden.
En zoovele, vele gebeurtenissen in den laatsten tijd wijzen er op: De mensch wikt—God beschikt. Het zijn waarschuwingen voor ons kortzichtige menschen, waarschuwingen, om toch vooral niet zoo ijdel te wezen: in allen ernst te meenen, dat wijzelfeeneigen wilhebben.
Er is een Macht, hooger, grooter dan alle aardsche tezamen; er is een Wil, sterker, machtiger dan alle menschelijke willen te zamen. Wee den mensch, die zich verhoovaardigt op zijneigen, ijzer sterken reuzenwil!
Er is maar één wil, dien wij mògen en moèten hebben: de wil om hem te dienen: het Goede!...
Ik hoef het u niet te zeggen, u weet het zelf wel, dat wij beiden vurig, vurighopenenverlangenu beiden weer te mogen zien op Semarang of ergens anders.
Vurig verlangenenhopenwij dat, liefste, maar er vast op rekenen doen we niet. Wij hopen en bidden maar, dat God ons die vreugde toesta!...
Wat moet er dan veel veranderd zijn in ons, dat wij zóó spreken....
Ja, véél is er in ons veranderd, heel veel!
O! Moedertje, wij kunnen u niet zeggen, hoe blij, hoe innig dankbaar wij zijn, dat wij mevrouw van Kol kennen.
"De liefste, de beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens"—zegt ze ... en wij voegen er aan toe: "de mensch is sterfelijk!" ... Bouw op geen mensch!... En waarom zal ik 't uniet zeggen, wij hebben opmenschen gebouwd... onze kracht inmenschengezocht.... De geschiedenis van ons laatste levensjaar leert, hoe wij hebben gedwaald. Wij zijn Nelly o zoo dankbaar, dat zij ons den weg heeft gewezen tot de ware vrijheid.
Geen mensen is vrij, die zich aan eenig mensch gevangen geeft.
Steunen op menschen is zich gevangen geven aan menschen.
De weg tot God en die tot de ware vrijheid zijnéén. Wie Godwaarlijk dientis aan géén mensch gevangen, is waarlijkvrij.
Er is dezer dagen ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór dezen ommekeer in ons zieleleven, stellig wanhopig zou hebben gemaakt.
Maar nu klemmen wij ons vast aan Zijn hand, op Hem houden wij onafgewend onzen blik gericht—Hij zal ons richten—beoordeelen —liefdevol.... En daar werd de duisternis licht, de stormwind zachte bries.
Alles om ons is hetzelfde gebleven, feitelijk, en toch is het hetzelfde niet meer voor ons. De veranderingis in ons, en zij bestraalt àlles met haar licht. Er is zoo'n rust en vrede in ons...
Moedertje wij zijn gelukkig.
Geen dol, jubelend geluk—maar kalm, vredig, innig.
Zoo graag zouden wij over dat alles met u willen praten....
De heer Van Kol zond ons een stukje van een brief zijner vrouw ... "doch wordt vooral niet ijdel! want alle gaven zijn slechts een geschenk van Allah!" Hetzelfde wat Mama ons zoo dikwijls zegt. Die waarschuwing komt wel van pas. Wij, die van onze prilste jeugd af aan leven in een wereld van vleierij, hebben het zeker noodig.
Wij, juist wij, hebben ons zeer noodig voor ijdelheid te behoeden, de klip, waar zoo menig schip jammerlijk is gestrand, wanneer de ziele ten Hooge vaart!
Wij bidden aldoor maar om kracht en sterkte om alles te kunnen dragen èn leed èn vreugde!—Vreugde vooral, want in vreugde is de verzoeking groot. Menig jong levensbootje raakt uit den koers door den eersten vreugdestorm, en menig jong leven is er in vergaan!
Wat een wijsneuzigheid, hé?—Trek u mij maar eens flink aan de ooren, als u me ziet.
Hoe zullen wij elkaar toch vinden, als wij elkaar eens mochten wederzien! Ik weet al wat u bijna 't eerst tot me zeggen zal: "Maar kind, wat ben je dik geworden!" En—fluister ik u tusschen twee haakjes toe: ik benoudgeworden—uiterlijk—-en innerlijk gedeeltelijk ook—maar dat plekje in 't hart—waarop met gouden letters geschreven staat:Liefde—is hetzelfde gebleven: immer jong.
1 November 1900. (VIII.)
Goede tijding!
Ik mag! ik mag! ik mag! wensch me geluk! druk me in gedachte aan uw hart en lees 't geluk in mijne stralende oogen! Liefste,ik mag voor onderwijzeres studeeren! Ik heb met Vader gesproken! hem verteld, wat u mij vroeg, toen u hier waart! En vader vond 'tuitstekend, vond 'tprachtig! Ik mag weer in de klasse gaan zitten, om er later vóór te gaan staan, als ik daartoe de bevoegdheid verworven heb.
Mogenenwillen!willenenmogen! mooier combinatie kan er niet zijn! enkunnenmoet 't trio volmaken!
Willeniskunnen, nietwaar?
O! ik ben zoo gelukkig! en ik weet, dat u beiden zich innig met me verheugt in mijn geluk.
Ik ben nu nogniets, dat is waar, maar ikmag ietsworden, heerlijk! "Hoop, vertrouw en wees moedig". Deze uwe woorden staan me voortdurend voor den geest, en hebben me vergezeld, toen ik zooeven naar Vader toeging om hem te spreken. Ik was heel kalm, en opgewekt zelfs, als had ik al een vaag voorgevoel, dat 't onderhoud gelukkig voor me zou afloopen.
Vader vond 't idee, onderwijzeres te worden aan de Inlandsche meisjesschool eenig mooi! Hoe zacht en vriendelijk sprak hij mij toe! o, ik heb mij in hem dan toch niet vergist; en hij heeft zijn kindliefen begrijpt haar volkomen!
Ik heb aan den rand van een afgrond gestaan en gestaard in de donkere, peillooze diepte! Voorbij dit alles, voorbij I Liefde
heeft mij er over heen gedragen. Ik zou de heele wereld aan mijn hart willen drukken van pure blijdschap. Vader's toestemming en zegen heb ik, en daarmee is het eerste en grootste struikelblok op de te betreden levensbaan afgewenteld, opgeruimd!
2 November 1900. (II.)
Een goddelijk geheimpje ga ik u toefluisteren, liefste, dat naar ik hoop en vertrouwbinnenkort géén geheim meer zal zijn! Ach! wat ben ik gelukkig! sluit me innig in uw armen, druk me aan uw hart, dierste, kus mij, wensch mij geluk! 't Was géén bleeke hersenschim, geen ijdel droombeeld, dat ik najaagde; luister, o, Moedertje,ik mag me vrij en zelfstandigmaken! ikmag ietsworden! Sedert gisteren is 't mij als of ik niet meer leef, niet meer op de aarde ben, maar ver van huis in den hemel der gelukzaligen!
Ik mag! ik mag! ik mag! heb ik al meer dan duizend keeren herhaald, en ik herhaal 't nog steeds. O, alles juicht en jubelt in me; dat kunt u zich wel begrijpen, niet waar Moedertje, u, die mij kent tot in 't diepst van mijn hart en weet wat een stormen kort geleden daarin hebben gewoed. Wat een angst en helsche pijnen heb ik in de laatste maanden uitgestaan; 't was een afschuwelijk ellendige tijd, dien ik heb doorgeworsteld. Doch 't was goed geweest—die harde innerlijke strijd heeft me gesterkt!
O, Moedertje, als de zaak op Batavia en die op Modjowarno in orde komen, zal 't eenhardestrijd worden voor me. Naar beide trekt mijn hart; aan den eenen kant—in uwe nabijheid te komen; dan samen te zijn met de zusjes, die zeker op Modjowarno komen, als de ingewonnen informaties bevredigend zijn—buiten wonen op een eenvoudig plaatsje, ver van 't stadsgewoel en kleinzielig menschengedoe, temidden van eenvoudige harten, reine zielen, die leven in een atmosfeer van mooie, heilige, zich aan anderen gevende Liefde—en 't andere...?
"Niets dat te gemakkelijk, te laks is verkregen, kan langwaarde en bekoring hebben voor ons", zegt Mevrouw Abendanon.
Doch laat ik nu mijn hoofd nog niet breken over de keuze—kalmpjes aan, zoo komen wij er wel—overhaasting bederft meestal. Ik zal goed 't stemmetje hier binnen afluisteren en naar wat 't zegt, zal ik in overleg met hetgeen het hoofd zegt, handelen: is 't zoo goed, Moedertje?
9 Januari 1901. (I.)
Riviergezicht (Tjiliwong) Depok.Riviergezicht (Tjiliwong) Depok.
Er zullen nieuwe toestanden komen in de Inlandsche wereld; al is 't niet door ons, dan door anderen; de emancipatie zit in de lucht—zij is voorbeschikt. En wie 't Lot tot de geestelijke moeder koos van dat Nieuwemoetlijden. 't Is de eeuwige natuurwet: wie baart moet barensweeën kennen, maar 't kind, dat we al liefhebben, vóór anderen van zijn bestaan vermoeden, dat we ontvangen door lijden en smarten, is ons oneindig dierbaar!
O! niets is ellendiger, dan werkkracht in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd. Goddank! Goddank, dat dezevloekvan me is genomen!
Er is kort geleden een professor uit Jena bij ons geweest. Dr. Anton, met zijne vrouw, in 't belang zijner studie reizende, kwam hier om kennis met ons te maken.
Ik ben zoo bang, dat menalte veel in me ziet. Ik ben er zeker van, dat men zich misleiden laat door de bekoring van 't nieuwe en misschien ook door medelijden.Nieuwzijn we voorvelen, zelfs voor menschen van hier, en al wat nieuw is, bekoort min of meer. De professor dacht ons nog halve wilden, en vond gewone menschen; 't vreemde was alleen de huidskleur, kleeding en omgeving, en deze gaven aan het gewone een eigenaardig cachet. Voelen we ons niet aangenaam aangedaanals wij onze eigen gedachten terugvinden in een ander? En als die ander is een vreemde, iemand van ander ras, van een ander werelddeel, ander bloed, kleur, zeden en gewoonten, dan verhoogt dit nog de bekoring van de geestverwantschap. Ik ben er van overtuigd, dat men niet een kwart zooveel notitie van ons zou nemen, als wij in plaats van sarong en kabaja, japonnen droegen; in plaats van Javaansche, Hollandsche namen, en Europeesch bloed in plaats van Javaansch bloed door onze aderen stroomde....
Zoo pas kregen we van vriendinnen een paar boeken cadeau, o.a. ook dat prachtige werk van B. v. Suttner "De wapens neer gelegd".
Ik las verscheidene andere boeken, waarvan vooral "Moderne Maagden" mij boeide en ontroerde, door 't terugvinden daarin van veel wat ik zelf gedacht, gevoeld en geleefd heb. Ik kan niet anders zeggen, dan dat Marcel Prévostgoedheeft waargenomen, en uitstekend zijne indrukken, gedachten en gevoelens weet weer te geven. Ik vind zijn boek heel mooi. Ik ben nu wel even ver van de oplossing van het groote vraagstuk gebleven als vóór de kennismaking met "M.M.", maar nooit heb ik zoo klaar en duidelijk, zoo treffend door waarheid en kracht het doel der Vrouwenbeweging zien uiteenzetten. Dat de schrijver zich niet van een zeer kinderachtigen spot heeft onthouden door b.v. alle kampvechtsters voor de vrouwenbeweging met uitzondering van Fedi en Lea absoluut leelijk, gebrekkig, mismaakt te laten zijn, neem ik hem niet kwalijk. Wat een heerlijke woorden, zoo waar en zoo schoon, laat hij Pirnet, de beminnelijke, mismaakte apostel der vrouwenbeweging tegen het eind van 't boek zeggen; woorden, die helder 't doel der vrouwenbeweging ontvouwen. Ik heb er dubbel van genoten, omdat de man ze dacht en schreef. Even vóór ik 't boek las, schreef ik aan mijne twee beste vriendinnen hier groote brieven. Wanneer ik ze schreef na kennismaking met "M.M.", zou ik meenen ze te schrijven onder den invloed—indruk van het gelezene, zoo wonderlijk veel overeenkomst als beide vertrouwelijke brieven met veel in 't boek hadden.
Ik wou, dat ik hier iemand had om mee te praten over "M.M." Er is veel daarin, dat ik graag zou willen bespreken met iemand van veel ervaring en ondervinding.
Ik heb je zoo'n massa te vertellen over de oprichting vanscholen voor Inlandsche meisjes—'t is nu publiek—en nog zooveel andere dingen, doch ik moet kort zijn vandaag; dit wil ik je toch nog even vertellen, dat 't plan van Mr. Abendanon overal met groote ingenomenheid wordt begroet. Veel invloedrijke Europeesche ambtenaren juichen zijne voorstellen warm toe en van dezen hangt het welslagen van de plannen van onzen vriend af. Wij hebben veel vrienden onder de Europeesche bestuursambtenaren en deze zullen 't streven van Mr. Abendanon om de Inlandsche vrouwenwereld op te heffen uit haar eeuwenlangen ellendigen staat warm steunen; en ook velen, ons persoonlijk onbekend, dragen de zaak een warm hart toe. Ik zal je naderhand een copie zenden van de circulaire van Mr. A. aan de hoofden van gewestelijk bestuur, de oprichting dier scholen betreffend. "Ten allen tijde is de vooruitgang der vrouw een belangrijke factor tot volksbeschaving gebleken."
"De intellectueele ontwikkeling der Inlandsche bevolking kan niet krachtig voortschrijden, indien de vrouw daarbij achterblijft."
"De vrouw, als de draagster der beschaving!" Stella, slaat je hart niet warm voor onzen vriend?
Er is sedert een half jaar een ernstig streven onder de Inlanders waar te nemen, om jullie mooie taal te leeren. Vele Europeanen zien dit met leede oogen aan, doch vele edeldenkende juichen het toe en moedigen het warm aan. Op verscheidene hoofdplaatsen verrijzen Hollandsche cursussen als paddestoelen uit den grond, die gevolgd worden door kleine kleuters zoowel als volwassen mannen, die reedsjarenin staatsdienst zijn.
Vele invloedrijke Regeeringsmannen met den Gouverneur-Generaal aan 't hoofd, zijn zeer voor de verspreiding der Hollandsche taal onder de Inlanders als middel om de Inlanders te beschaven en om den Javaan nader te brengen tot de Hollanders, in wien hij niet den gevreesden, doch geliefden beschermer moet zien. Zoo zal dan toch de droom van mijn besten broer en vele edeldenkende Europeanen verwezenlijkt worden. Juich met me Stella!
21 Januari 1901. (VIII.)
Vanmiddag zijn we met mevrouw Gonggrijp[1]naar 't strand geweest en hebben in zee gebaad. De zee was prachtig effen en gelijk van kleur, ik zat op een rots met mijn voeten in 't water en den blik gericht naar 't verre gezichtseinder. O! wat is de aarde toch wonderschoon! Verrukking, dankbaarheid en vrede daalden in mijn hart! Moeder Natuur heeft ons nog nooit ongetroost laten gaan, als wij bij haar om opbeuring komen. * * * * * Ik heb zoolang, en zooveel over opvoeding nagedacht, in den laatsten tijd vooral, en vind die zoo'n hooge, heilige taak, dat ik 't een misdaad acht mij er aan te wijden, als ik er niet ten volle toe berekend ben. 't Moet nog zoo blijken, of ik als opvoedster wat waard zal zijn. Voor mij beteekent opvoeding de vorming van den geest en de ziel. O, ik zou nooit vrede met mezelf kunnen hebben, als ik, onderwijzeres zijnde, voelde mijne taak niet zóó te kunnen vervullen, als ik zelf dat eisch van eengoedeopvoedster, al was men ook niet ontevreden over me. Ik voel zóó dat met 't ontwikkelen van 't verstand de taak van een opvoeder nog niet is afgedaan, nog niet afgedaan màg zijn; dat hij ook dient te zorgen voor de vorming van het karakter; al verplicht hem geen tastbare wet daartoe, moreel is hij dat verplicht. En ik vraag mezelf af, zou ik het kunnen? ik, die opvoeding zelf nog zoo noodig heb? Zoo dikwijls hoor ik beweren, dat van 't eene 't andere van zelf komt, door intellectueele ontwikkeling het gemoed vanzelf wordt beschaafd, veredeld, maar ik heb leeren inzien, helaas, dat datlangniet altijd 't geval is; dat beschaving, intellectueele ontwikkeling nog geen brevetten zijn voor zedelijkheid. En men mag dezulken, wier gemoed ondanks hooge geestesontwikkeling onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen, wat in demeestegevallen ligt de fout niet aan henzelve, maar aan hunne opvoeding; men had wel zorg, o veel zorg zelfs gedragen voor de ontwikkeling van hun verstand, maar wat deed men voor hunne karaktervorming? niets!
O! met warmte onderschrijf ik Mijnheer's gedachte, zoo duidelijk leesbaar in de circulaire over 't onderwijs voor Inlandschemeisjes: De Vrouw als draagster der Beschaving!niet, omdat 't devrouwis, die daartoe geschikt wordt geacht, maar omdat ikzelf ook zoo innig overtuigd ben, dat van de vrouw een groote, diepgrijpende invloed, hetzij ten goede of ten kwade kan ten leven uitgaan; dat zij het meest kan bijdragen tot verhooging van het zedelijk gehalte der menschheid.
Van de vrouw ontvangt de mensch zijn allereerste opvoeding—aan háár schoot leert het kindvoelenendenken, spreken; en meer en meer zie ik in, dat die vroegste opvoedingniet zonder beteekenisis voor 't heele leven. En hoe kunnen de Inlandsche moeders hare kinderen opvoeden, als zij zelf zijn onopgevoed?
Daarom ben ik zoo één geestdrift voor dat heerlijk plan om der Inlandsche meisjes opvoeding en onderwijs te geven; reeds lang begreep ik, dat alleen dàt verandering kon brengen in ons droef Inlandsch vrouwenbestaan. En niet voor de vrouw alleen, maar voor de heele Inlandsche maatschappij zal 't onderwijs van meisjes een zegen zijn.
Overal hooren wij van de op te richten scholen voor Inlandsche meisjes spreken—hoe schitteren dan onze oogen en warm wordt het hart, als wij met zooveel waardeering en instemming over 't idee hooren spreken, en dikwijls moesten wij op de lippen bijten om niet in gejuich uit te barsten; onze handen krampachtig gesloten houden om niet luide ons enthousiasme te uiten.
En in de Inlandsche vrouwenwereld zelf, voor zoover wij 't weten, is men er enthousiast over. Allen die wij er over spraken, wenschten weder kinderen te zijn om mede van 't onderwijs te kunnen profiteeren. En heerlijk! de Inlandsche scholen te Pati, Koedoes, Japara en in de districten kunnen u de eerste zichtbare bewijzen van succes van het mooie werk toonen: daar gaan reeds eenige volksmeisjes school en haar aantal neemt toe.
Morgen ook zendt Ma een klein meisje—halfweesje van Ma's anak mas[2]—naar school, en verleden maand lieten onze oudjes een goeden, oppassenden jongen magang Hollandsche lessen nemen.
[1]De echtgenoote van den assistent-resident, die den Heer Ovink opvolgde.
[1]De echtgenoote van den assistent-resident, die den Heer Ovink opvolgde.
[2]Anak mas beteekent pleegkind.
[2]Anak mas beteekent pleegkind.
31 Januari 1901. (VIII).
Peinzend wendde ik mijn gelaat naar buiten, staarde naar de blauwe lucht, als verwachtte ik dáár antwoord te vinden op de onstuimige vragen mijner ziel. Onbewust volgden mijne oogen de vaart der wolken door 't luchtruim; ze verdwenen achter wuivend klappergroen. Daar viel mijn blik op glinsterende, trillende blaadjes schitterend van zonnegoud—en plots flitste 't in me op: "vraagt men ooit, waarom de zonne schijnt? wie, wat zij haar stralen zendt? O, mijn zon, mijn gouden zon, ik zal leven, dat ik waard ben door u beschenen te worden, bestraald, gekoesterd en verwarmd door uw bezielend, vermooiend, edel licht!...
Daarom dus niet getreurd, liefste, als de uitslag van 't request ongunstig mocht zijn, mijn leven is daarom immers nognietverloren; daar is altijd nog wat moois van te maken—ik wil—ik zàl het! Wie het Goede dient, leeftnietvergeefs—en—'t Goede zoekt, vindt zelf 't Geluk, 't ware: vrede van de ziel—en die is ook te vinden op Modjowarno—wie weet, dáár misschien eerder dan ergens anders. Wees niet bedroefd! Wij zijn al zóó dankbaar dat in ieder geval de grondtoon van ons verlangen verkregen wordt: vrij, zelfstandig, onafhankelijk zijn—en—als accoucheuse, kunnen wij ons zoo nuttig maken.
19 Maart 1901. (VI).
Zeer geachte Dokter[1]Adriani,
Reeds lang had ik u willen schrijven, maar allerlei drukten, o.a. ongesteldheid van nagenoeg mijne geheele familie, verhinderden mij mijn voornemen ten uitvoer te brengen. Nu de heele kaboepaten, groot en klein, zich weer in eene uitstekende gezondheid verheugen mag, wil ik niet langer den brief ongeschreven laten, dien ik zoo lang reeds in gedachten had en waarop u misschien ook wel had gewacht. Vergeef me, indien dit 't geval was. Ik zelf heb er zóó naar verlangd, deze regelen te kunnen schrijven, om u in de allereerste plaats mijn hartelijken dank aan te bieden voor uw vriendelijk schrijven aan mijne zus Roekmini en voor de vriendelijke toezending der boekjes, waarmêe wij drieën zoo blij waren, en 't nog steeds zijn. We vinden 't o zoo heerlijk, dat u nog om ons had gedacht en op zoo'n lieve, aardige wijze. Wij ook denken en spreken zoo dikwijls over u, uw Toradja's[2]. uw werk, kortom over alles, wat we dien avond bij de familie Abendanon van u mochten vernemen. Die avond in uw gezelschap doorgebracht, is een onzer liefste herinneringen aan ons verblijf op Batavia.
Van ganscher harte hopen wij, dat 't niet bij dien eenen keer zal blijven, maar wij u nog menigmaal mogen ontmoeten. U weer te zien, te spreken, is sedert ons afscheid te Batavia een illusie van ons. Wat zal dat een groote vreugde zijn voor ons, als mettertijd wij u welkom mogen heeten op Japara.
U heeft zich niet vergist; wij hebben inderdaad heel veel sympathie voor den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië, en wij stellen in alles belang wat betreft het werk, streven en leven der edelen van harte, die zich in de afgelegenste streken, wildernissen nog, vestigen, zóó ver verwijderd van eigen land, bloed- en geestverwanten, kortom van de wereld, waarin zij krachtens geboorte, aanleg, ontwikkeling, thuis hooren, om het leven van medemenschen, die de "beschaafde wereld" "wilden" noemt, mooi te maken, te veredelen!
Met groote belangstelling volgde ik u in uw beide geschriften, en ik ben u dankbaar, dat u ons in de gelegenheid stelde, van zooveel belangrijks, alles zoo nieuw voor ons, kennis te nemen.
Onlangs lazen wij weer eens "Maatschappelijk Werk in Indië" (verslagen der congressen gehouden bij gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in den Haag 1898) en evenals bij vorige lezingen bleven we lang toeven bij de mededeelingen van den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië. O! mijn hart slaat zoo warm voor dat mooie liefdewerk, en niet 't minste voor degenen, edele mannen en vrouwen, die dat werk, zoo rijk en schoon, maar o zóó zwaar, met zulk een liefde en toewijding, met hart en ziel beoefenen!
In 1896 hadden wij 't voorrecht en genoegen eene plechtigheid bij te wonen, die waarschijnlijk eenig zal blijven in ons geheele leven, n.l. de inwijding der nieuwe kerk te Kedoeng Pendjalin. 't Was voor het eerst, dat wij in een Christenkerk kwamen en een dienst bijwoonden, en àlles, wat we daar zagen en hoorden, maakte diepen indruk op ons; lang geleden is 't al, doch die indrukwekkende plechtigheid staat nog frisch in mijne herinnering. Hoe schoon klonk het gezang, dat opsteeg uit zoovele kelen en ruischte door 't ruime gebouw keurig met groen versierd! Met de eerbiedig toeluisterende scharen daarbeneden volgden we met aandacht hetgeen in zuiver Javaansch van den kansel verkondigd werd. Er waren behalve de heer Hubert nog drie zendeling-leeraren, die allen om de beurt preekten. En 't was zeker niet 't minst plechtige oogenblik van de heele plechtigheid, toen een stokoude Javaan opstond en zijn geloofs- en landgenooten toesprak. Alles en alles was zoo indrukwekkend; en nog iets anders deed mee, die plechtigheid onvergetelijk voor mij te maken.
't Was dien ochtend voor 't eerst, sedert ik van school was, dat ik weder de buitenwereld terug zag. 't Is u zeker niet onbekend, dat 't bij ons gewoonte is, om jonge meisjes op te sluiten, d.w.z. in strenge afzondering van de buitenwereld te houden, zoolang tot er een bruidegom komt opdagen, een echtgenoot haar opeischt—het kooitje wordt ontsloten, het gevangen vogeltje vliegt er uit ... om van kooi en van "meester" te veranderen.—Om "uitgaan", zooals de "wereld" onder dat woordje verstaat, geven wijniets, maar gevangenschap was voor ons, die zoo de vrijheid minnen, o zoo hard te dragen. Wij zijn onzen oudersdaarom zoo dankbaar, dat zij gebroken hebben met die gewoonte. Na dien gezegenden tocht naar Kedoeng Pendjalin kwamen we, eerst met groote tusschenpoozen, maar allengs vaker en vaker 't huis uit, we gingen al verder en verder van huis, en verleden jaar zijn we tot Batavia gekomen!
We lazen in de krant, onder de scheepsberichten, dat Mevrouw weder in Indië terug is en dus spoedig bij u zal zijn. Wat zijn we daar recht blij om voor u! Met deze post komen wij u en Mevrouw op een plaatje een bezoek brengen, om u te feliciteeren met de terugkomst uwer echtgenoote en om Haar, ofschoon onbekend, hartelijk welkom te heeten op Mapane. Zijn de Toradja's niet innig blij, hun "Moeder" weder in hun midden te hebben?
[1]De schrijfster vergiste zich blijkbaar in de studie van den Heer Adriani, en waande hem aanvankelijk geneesheer, terwijl hij is dokter in de taal- en letterkunde van den Nederlandsch Indischen archipel.
[1]De schrijfster vergiste zich blijkbaar in de studie van den Heer Adriani, en waande hem aanvankelijk geneesheer, terwijl hij is dokter in de taal- en letterkunde van den Nederlandsch Indischen archipel.
[2]De Toradja's sijn een volksstam van Midden-Celebes, in wier midden de Heer Adriani arbeidt.
[2]De Toradja's sijn een volksstam van Midden-Celebes, in wier midden de Heer Adriani arbeidt.
20 Mei 1901. (I.)
Al heel veel had ik in mijn jong leven uitgestaan, maar dat alles was niets vergeleken bij hetgeen ik in die angstige dagen van Vader's ziek-zijn uitstond.
Er waren uren, waarin ik was zonder wil, sidderend ineenkromp van moreele pijn, en de lippen, die trotsch verkonden; "er kome wat wil!" beefden en stamelden: "mijn God erbarmen!" Mijn jaardag was een dubbel feest—een viering ook van Vader's herstelde gezondheid. Ik liet Vader je cadeau zien en vertelde, hoe blij je was met zijn portret. Vader lag op een langen stoel, ik zat er naast op den grond, zijne hand rustte op mijn hoofd, zoo sprak ik hem van jou. Vader glimlachte toen ik vertelde van je geestdriftige, sympathieke ontboezemingen over mijn Vadertje, en met dien glimlach om zijn mond en zeker met een gedachte aan zijn verre vereerster en geliefde vriendin van zijn kind, sliep mijn zieke in. Zóó na ben je mij, ben je ons, Stella. Geloof je nu, dat 't geen onhartelijkheid was, die mij zwijgen deed zoo lang tegenover jou, en kun je mij dat zwijgen nu vergeven? Laat ik je nu nog eens innig danken voor je vriendschap en je liefde, die aan mijn leven meer waarde geven, en laat ik je in gedachte vast aan 't hart drukken, in die omarming leggend, alles, wat ik voor jou gevoel! O! kon ik dit in werkelijkheid doen, oog in oog, hart aan hart, je mijn hart uitstorten dat zoo vol droefheid is. Stella, mijn Stella, Ik zou je zoo zielsgraaggelukkig maken met een jubelenden brief, je verblijden met de tijding, dat wij gelukkig zijn, dat wij ons doel bereikt hebben! helaas, in plaats daarvan zal deze één klaaglied worden. Ik houd niet van klagen, maar de waarheid moet gezegd worden. Er is een onverwachte wending in onze zaak gekomen; de quaestie is nu neteliger dan ooit, spoedig handelen dringend noodig; 't is een quaestie vanstaanofvallen, vanzegevierenofalgeheelen ondergangen ...ons zijn de handen gebonden. Er is een plicht, die dankbaarheid heet, er is een hooge heilige plicht, die kinderliefde heet, en daar is een lage, verfoeilijke slechtheid, die heet "egoïsme". O! 't is soms zoo moeilijk, uit te maken, waar het goede ophoudt, en 't slechte begint. Als men de dingen zoo hoog opvoert, is de grenslijn tusschen beide uitersten nauwelijks merkbaar. Vaders gezondheid is zóó, dat hevige gemoedsaandoening moètvermedenworden. Weet ge, wat dit zeggen wil? wij zijn weerloos aan de genade van het blinde Lot overgeleverd!
Zoo dicht reeds stonden we bij de vervulling van onze dierste wenschen, en nu staan wij er weer zóó ver van af, en hangt er bovendien iets vreeselijks ons boven het hoofd. Bitter ontwaken na den zoeten droom van alle moeilijkheden uit den weg geruimd te hebben. Dat arme, gefolterde hart, dat altoos krijt in diepen, bangen smart: "wat is mijn plicht"? en er geen antwoord op krijgt, wijl degeen, die antwoorden moet, rondtast in 't diepste duister. Licht, licht! mijn God! en sta ons bij! wij weten niet hoe en waar dit alles op uitloopen zal!
O, en zeker om ons te troosten en op te vroolijken moesten wij vernemen, dat er van dat goddelijk Regeeringsplan, om de dochters van regenten tot onderwijzeressen op te leiden, niets komen zal, wijl vele regenten, wier advies in deze werd ingewonnen, er zich tegen verklaarden, daar 't tegen denadatstrijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen. 't Is voor ons een harde slag, daarop hadden wij al onze hoop gebouwd; adieu nu illusie! adieu gouden toekomstdroom! waarlijk 't was te mooi, om waar te zijn! O! wisten ze maar wàt ze verwierpen! Doch stil, wij mogen niet onbillijk zijn, en hen hard vallen, die niets kunnen voelen voor de geavanceerde plannen der Regeering en 't belang hunner dochters. Om te kunnen waardeeren, moet men eerst kunnen begrijpen, en hoe kunnen zij begrijpen de wenschen en verlangens van ons jong modern geslacht, zij dienooit anders hebben gekend? Waar in 't verlichte Europa, 't centrum der beschaving, de bron van 't Licht, de strijd om het recht der vrouw nog zoo hevig en fel wordt gevoerd, mogen wij verwachten, dat Indië, dat eeuwenlang ingedommeld is en nòg slaapt, er zich bij zal neerleggen, zal toestaan, dat de vrouw, die door eeuwen heen als een inferieur wezen is beschouwd en behandeld wordt, zich alsmenschbeschouwt, dierechtheeft op eenonafhankelijk geweten?
O, Stella, en we waren zoo zielsgelukkig, zoo trotsch, toen wij vernamen, dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor regentsdochters de gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Aan alle meisjes-standgenooten werd de weg geopend, zich een zelfstandig bestaan te veroveren, en alzoo de toegang verleend tot vrijheid en geluk, en het werd van de hand gewezen. En ik zat me al te verkneuteren van pleizier bij de gedachte, hoe je oogen tintelen zouden, als je dat heerlijk nieuws vernam, en nu is al 't moois naar de maan. Hoe nu de zaken precies staan, weet ik niet—onze vrienden op Batavia zijn op reis—maar wij denken, heel, heel treurig. Als nu die kostelijke plannen van onderwijs voor Inlandsche meisjes in 't algemeen ook maar niet er bij inschieten, ook door onwil der ouders, dan is 't niets, hoor! Dàt zou vreeselijk zijn! O, je weet niet, hoe mij de vingers branden om te schrijven over die heerlijke voorstellen van den Directeur van Onderwijs, en over de voorgestelde opleiding van regentsdochters tot onderwijzeres, maar ik, stakker, moet mijn mond of mijn pen stilhouden, ik magmijn opinie over die belangrijke onderwerpen niet zeggen, allerminst door middel van de pers. Weet je wel, dat zelfs personen in onze onmiddellijke omgeving niets weten van wat er broeit en gloeit en woelt in ons binnenste? dat men niets weet van onze plannen? Ik had bij mezelve zoo'n schik, toen een goede kennis, die veel bij ons aan huis komt, dat over de opleiding van regentsdochters in de krant las, tot de zusjes zeide, dat 't net iets was voor me en dat haar man en zij mij zoudendwingenstappen te doen in die richting. Haar man sprak er mij naderhand ook over, en ik met een doodleuk gezicht, als van niets wetend, liet hem maar spreken.
Beiden, man en vrouw, zijn aan mijn kant en gloeien voor de emancipatie der Inlandsche vrouwenwereld. Hij is bestuursambtenaar en kan veel doen voor onze zaak; zijne vrouw beloofdemij haar steun in toekomstige dagen. Aardig om dat enthousiasme te zien; zij is een, die graag zich nuttig wil maken, maar niet weet op welk een wijze. Haar man zal binnenkort promotie maken en dan zullen zij beiden nog veel meer kunnen doen voor de opheffing van ons volk. Wij hebben een plannetje beraamd, op hoe'n wijze zij zich nuttig zou kunnen maken, en zij en haar man hebben er ooren naar. Als hij assistent-resident is, zal ze dochtertjes van onder haar man dienende Inlandsche ambtenaren op bepaalde dagen bij zich aan huis laten komen om ze onderricht te geven in handwerken en koken, en misschien ook lezen en schrijven. 't Zal een nuttig en dankbaar werk zijn; het vrouwtje is er verrukt over! We hopen, dat dat werk dan navolging zal vinden. Vindt je dat niet aardig? Ik heb haar natuurlijk veel van je verteld, en ik genoot van hare bewondering voor je. Zij wil ook graag lid worden van de Onderlinge Vrouwenbescherming. Zij heeft twee dochtertjes in Holland, waarvan de eene advocaat wil worden en de andere ook voor een vak wenscht opgeleid te worden. Toen ik mij eens liet ontvallen, dat ik ernstig plan had, vóór ik 't leven inging als wat dan ook, eerst minstens jaar in een ziekenhuis werkzaam te zijn, om kennis op te doen in ziekenverpleging, opdat mij de handen niet verkeerd zouden staan in ziektegevallen, zeide zij dadelijk, dat haar zwager, die dokter is, bereid was, mij tot zich te nemen, om mij in te wijden in de geheimen van het ziekenverplegen, een kennis, die mij altijd te pas zal komen en voor mijne omgeving van nut. Die dokter is een baar, spreekt geen Javaansch en zeer gebrekkig Maleisch; ik kan hem dus wederkeerig van dienst zijn, door als tolk op te treden, daar verreweg zijn meeste patiënten Inlanders en Chineezen zijn. Ik denk er heusch ernstig over een tijdje de werkzaamheden in een ziekenhuis te volgen; dat moet een deel uitmaken van mijne opvoeding; ik heb er reeds lang over zitten pikeren. Hoe denk je er over? O, 't is ellendig en nog eens ellendig, om iemand vreeslijke pijnen te zien uitstaan en niet te weten, hoe dat lijden te verlichten; de toeschouwer lijdt eigenlijk meer dan de patiënt zelf. Ik heb aan veel ziekbedden gezeten, als kind zelfs reeds, en kan daarvan meepraten. Aan een dier ziekesponden kwam dat denkbeeld, om me in 't ziekenverplegen te laten onderrichten, in me op; eerst vaag, maar allengs nam 't vaste vormen aan, en nu is 't een idee fixe geworden! Als ik later spreken mag, d.w.z. uitzeggen, wat ik op 't hart heb en't over opvoeding van 't meisje heb, zal ik pleiten voor 't nut, dat kennis op hygiënisch gebied, van 't samenstel van 't menschelijk lichaam etc. etc. voor vrouwen heeft. Ik zou dat ook graag opgenomen zien in 't leerplan der op te richten scholen voor Inlandsche meisjes. Arme stumpers, hè, die naast al dat poespas ook nog dat inslikken en verwerken moeten. Wat een ideaal school zal dat internaat voor Inlandsche freuletjes worden, hè? kunsten, wetenschappen, koken, huishouden, handwerken, gezondheidsleer en vakonderwijs zal en moet komen! Droom maar, droom maar, als 't je gelukkig maakt, waarom ook niet?
Wat ik tot dusver voor 't publiek schreef, was maar wat onzin, indrukken van de een of andere gebeurtenis. Ernstige onderwerpen mag ik niet aanroeren, helaas! Later, als wij ons geheel losgeworsteld hebben uit den ijzeren greep der eeuwenoude traditie, (deze bestaat voor ons nog maar alleen uit onze liefde voor onze beste ouders) zal 't anders worden. Vadertje heeft niet graag, dat de naam zijner dochters zoo over de tong gaat; als ik algeheel zelfstandig ben, mag ik mijne opinie zeggen. Tot zoolang geduld dus, Stella,onzinzend ik jeniet. Als ik iets schrijf, dat mij heel lief is, omdat 't mijn innigste overtuiging weergeeft, zàl ik 't je zenden.—
10 Juni 1901. (III.)
Dat mooie stukje van Borel over de gamelan (zielemuziek, zooals de schrijver ze noemt) kennen we en hebben we in bezit. Kent u andere werken ook van hem? o.a. "Het Jongetje," dat iets hoogverrukkelijks is! Velen vinden Borel erg aanstellerig-ziekelijk, maar wij genieten van vele zijner werken! Heel mooi is ook van hem "De laatste incarnatie" en iets bijzonder moois is zijn "Droom uit Tosari"; daarin beschrijft hij op éénig mooie manier 't wondere natuurschoon op Java's blauwe bergen. Hoe genoten wij er van! men moet kunstenaar zijn of minstens met een flinke dosis kunstgevoel behebt zijn, om zòo 't schoon van moeder natuur tezienen tegenieten; en om dat alles in zoo mooie gekuischte taal weer te geven, moet men een dier bevoorrechte menschenkinderen zijn, wien de muzen een kus op 't voorhoofd gedrukt hebben.
Ik hoop eens zoo gelukkig te zijn in de gelegenheid te komen, uw schoone, zoetklinkende taal te leeren; ik zal die gelegenheidnietonbenut laten, dat verzeker ik u. 't Is mij ernstig meenens eens uw taal te kennen; al bepaalt die kunde zich slechts tot lezen en schrijven, ik zou al heel gelukkig zijn. En mocht ik zoo gelukkig zijn 't ooit tot Duitsch spreken te brengen, dan kom ik u opzoeken, is 't goed? In dien tusschentijd zal zeker de vliegmachine reeds uitgevonden zijn en zult u dan op een goeden dag zulk een gevaarte door Jena's luchtruim zien zweven, dat u uwe verre gast brengt!!!
Ik had eigenlijk als een jongen geboren moeten worden—zou dan misschien wat van mijn hoogvliegende plannen kunnen terecht komen. Nu als meisje in de tegenwoordige Inlandsche maatschappij is 't bijna niet mogelijk, een heksentoer, een er van in verwezenlijking te brengen. Hoe kan 't anders ook. Waar zelfs in Europa, brandpunt der beschaving en verlichting, nog zoo fel de strijd om 'tgoed rechtder vrouw gestreden wordt, zou men in ernst kunnen verwachten, dat Indië, 't onbeschaafde, onverlichte, dommelende Indië goedig zou toestaan dat zijn dochter, de vrouw door eeuwen heen als een wezen van lager orde, ja, waarom zal ik 't niet zeggen, als eenzielloosvoorwerp beschouwd en behandeld, zich 'n mensch beschouwt, d.i., een wezen, dat recht heeft op eenonafhankelijk geweten, op vrijheid van denken, voelen en handelen?
't Was mij als sprong de hemelpoort open, en als vertoonde daarachter zich een eindelooze heerlijkheid aan mijn verrukte oogen, toen eenigen tijd geleden ik 't heugelijk bericht in de courant las, dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor dochters van regenten de gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Wiens werk het is, hoef ik u zeker niet te vertellen.
Wij waren half dol van vreugde over dat bericht in de nieuwsbladen, en 't was eenflinkestap vooruit en 't spreekwoord zegt zoo waar: "'t komt er maar op aan den eersten stap te doen". O, als degene, wien deze weldaad bewezen wordt, ze maar kunnen waardeeren! Om te kunnen waardeeren, moet men eerst kunnenbegrijpen, en begrijpen, o, dat is zoo'n moeilijke kunst? niet in één dag, niet in één jaar aan te leeren! Hoe zou de overgroote meerderheid van de Inlandsche hoofden, de plannen der Regeering voor 't toekomstig heil en geluk harer dochters kunnen apprecieeren, zij, voor wie de allereerste beginselen der richting, die wij, jong geslacht, hooghouden, raadsel en mysterie zijn?
Helaas! onze vrees blijkt gegrond te zijn; er zal van datprachtigeregeeringsplan, waar we zooveel van verwachten, niets komen, daar demeeste Inlandsche hoofdenwier advies in deze gevraagd werd, er zich tegen verklaarden, aangezien 'ttegen de adatstrijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen. Adieu illusies! adieu gouden toekomstdroomen! Och, ik heb 't mijzelve al zoo dikwijls herhaald, luide toegeroepen, dat droomen en idealen onnoodige ballast in onze Inlandsche Maatschappij zijn, eene overbodige engevaarlijkeweelde!—maar dat zegt demondalleen, op inblazingen van dat koude, koele verstand; het hart, dat domme dwaze ding, kan er zich niet van los maken. Zóó diep zijn vrijheidsdroomen en andere idealen ons in 't hart geworteld, dat ze niet meer uit te roeien zijn, zonder den bodem, waarop ze tieren, er geheel en al door te verwoesten.
Ik vind het heel lief van u, dat u zich bezorgd maakt over mijne toekomst; ik ben er u innig dankbaar voor. Maar och, weest u niet meer treurig om mij; of liever wij weten wat ons wacht; wij drieën gaan hand aan hand door 't leven, dat voor ons vol zal zijn vanstrijdenteleurstellingenenverdriet! Met rozen is zeker de weg niet bezaaid, dien wijgekozen hebben; wel is hij vol dorens, maar wij hebben hemzelfgekozen, uit liefde; en met liefde en blijmoedig zullen we hem bewandelen. Den weg mede te helpen opbreken, die duizenden en duizenden arme verdrukte en vertrapte zielen, onze zusteren, voert naar vrijheid en geluk; die millioenen landgenooten onvermijdelijk brengt tot hooger zedelijk gehalte; en alzoo mede te arbeiden aan 't eeuwige werk der volmaking; reuzenarbeid waaraan eeuwen door, de besten onder de menschen hebben gewerkt; de menschheid op te voeren tot hooger zedelijk gehalte, kortom onze schoone aarde nader te brengen tot de volmaking—is dat niet werk, allen levensstrijd waard?
Dat is de droom van "Tiga Soedara", de drie Javaansche zusters in 't verre Zonneland! O! konden wij maar in 't land der wisselende jaargetijden, 't land van warmte en koû komen, 't vaderland der wetenschappen; ons dáár toerusten voor den grooten strijd, dien wij ons aanbinden willen voor 't toekomstig heil en geluk van ons volk. Studeeren! studeeren! in Europa wijsheid vergaren; onze zielen vullen met schoonheid, om in eigen land terug, met meer vrucht te kunnen werken aan de verwezenlijking onzer idealen! Men heeft zoo bij alles zijn verstand noodig, vooral om goed te doen; daar is niets tegen te zeggen, al beweert men nog zoo vaak 't tegendeel daarvan, datgoed doenenverstandigdoen twee tegenovergestelde zaken zijn, die niet best samen kunnen gaan, maar hierin ligt juist de groote kunst; die tegenstrijdige machten, die wij menschen allen in ons voelen, te temperen, te mengen en harmonisch te doen samenwerken! O zoo dikwijls heb ik gezien, dat goed doen zonder verstand meer kwaad doet dan goed.
Europa! Europa! zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? wij, die zoo met hart en ziel naar u verlangen? wij kunnen, wij willen 't niet gelooven—en tochis't zoo. Eene reis naar en een verblijf in Europa is zoo kostbaar; die weelde kan onze minister van financiën ons niet veroorloven.
Maar daarom niet getreurd; 't leven is te mooi, te heerlijk om 't te verkniezen met klagen over dingen, die eenmaal niet te veranderen zijn. Laten wij dankbaar zijn—en datzijn wijook—voor de vele zegeningen, die de lieve God over ons uitstort. Zijn we met hetgeen we al hebben en zijn, niet reeds boven duizenden en duizenden bevoorrecht? 't bezit van onze lieve, beste ouders, een goede gezondheid en tal van ander goeds, dat demooiheid van ons leven vormt. O, 't leven is vol schoonheid, als wij die maar willen opmerken, ondanks vele diepdroeve dingen, die er zijn, en onze plicht is die schoonheid te verhoogen en 't droeve minder droef te maken.
Er is zooveel dat tot danken stemt! Als wij genieten van een vogelconcert of van mooie muziek, waarin wij geheel opgaan, dan zijn we zoo dankbaar, dat God ons niet doof schiep! Zijn we op Klein-Scheveningen, 't idyllisch plekje aan zee, waar alles ademt van rust, vrede en poëzie, en de zon gaat zoo heerlijk mooi onder, dan kunnen wij niet genoeg dankbaar zijn, dat wij goede oogen hebben, en in de verrukte blik, die in stil genieten 't wonderschoone licht en kleurenspel op 't golvend water en aan den hemel volgt, ligt een stil dankgebed den Onzienlijken Grooten Geest, die 't Al schiep en bestuurt, gewijd! Dank! dank! tikt 't jubelend bonzend hart hier binnen; dank, dat ik dit schoone mag en kan zien. Hoevelen zijn er niet, die dat schoonsnietgenieten? Niet alleen die armen, voor wie de dagen en nachten gelijk zijn, één ondoordringbare duisternis; maar er zijn zoovelen, die in het volle bezit hunner gezichtsvermogens zijn, en toch die schoonheidniet zien. En wij komen tot 't besef, hoe bevoorrecht we zijn boven zoovelen onzer medemenschen, en dankbaarheid voor al de zegeningen van den Goeden God vult onze zielen! Weemoedige gedachte, dat velen onzer zich het gemis vananderenmoeten herinneren om eigen voorrechten te beseffen.
Er zijn meer beschaafde Inlandsche vrouwen, veel, veel, ontwikkelder en begaafder dan wij, die àlles te harer beschikking hadden; wien 't niet aan gelegenheid ontbroken had, haar geest rijkelijk met wetenschappen te voeden; die geenszins belemmerd waren in de ontwikkeling harer geestkracht; die àlles haddenkunnen worden, wat zij wilden; en zij allen hebbennietsgedaan,nietskunnen bereiken, dat tot de opheffing harer sexe en haar volk kon leiden. Zij zijn òf weer in de oude sleur terugvervallen, òf zijn geheel in 't Europeesche opgegaan; in beide gevallen verloren voor haar volk, voor wie zij een zegen hadden kunnen zijn, zoo zij 't maar gewild hadden; dat zij hadden moeten vóórlichten naar de verlichte wereld, waarin de vrije opvoeding haar bracht. Is 't niet de plicht van een ieder, die zedelijk en intellectueel meer is dan menig ander, zijne minderen met zijne meerdere kennis en weten bij te staan envóór te lichten? Geen tastbare wet verplicht hem daartoe, maar zedelijk is hij dat verplicht.
Wat ben ik weer aan 't doordraven gegaan, vergeef me, als ik u daarmee onaangenaam ben of verveeld heb. Hoe kom ik er toch toe u dit alles te schrijven, en u zooveel van uw kostbaren tijd te ontrooven met dit gebabbel? Vergeef me! maar u zelf is hieraan niet zonder schuld: uw beider brieven, die ik voor mij heb liggen zijn zoo sympathiek; bij 't lezen dier hartelijke woorden, is 't mij, of ik u beiden hier voor me heb, en daaraan heb ik aldoor onder het schrijven gedacht.
Dat een van Java's vulkanen in den Oosthoek vreeselijk aan 't spoken is geweest en verscheidenen 't leven heeft gekost, zult u zeker reeds van anderen vernomen hebben; dus daarover zal ik maar niet schrijven. Volgens de krant zouden nu ook een paar andere vulkanen aan 't werken zijn. O! verraderlijke, schoone blauwe bergen!
De zonsverduistering van 18 Mei, waarvoor uit alle oorden der wereld geleerden naar Indië trokken, konden wij hier slechts even waarnemen, daar 't ongeluk wilde, dat dien dag de lucht zwaar betrokken was, en 't op den koop toe nog regende er bij! Maar wat ons een uitroep van spijt ontlokte, was voor den landman een zegen! Vader was zoo gelukkig met dien flinken regen, die den dorstenden velden ten goede kwam, en hieraan is zóóveel gelegen! Wat toch van zoo'n enkele regenbui kan afhangen! 't Wel en wee van honderden, ja, van duizenden!
6 Juni 1901. (V.)
Lieve Hilda,
Laat ik beginnen met u beiden ook namens de zusjes, recht hartelijk geluk te wenschen met de geboorte van uw tweede zoontje, van harte hopend, dat hij ook zoo'n lekker gezond kereltje mag worden als zijn oudste! broertje, waaruit mettertijd een flinke jongen zal groeien, waar gij beiden met recht trotsch op kunt zijn.
Hoe houdt onze kleine vriend zich onder zijn nieuwe waardigheid van "oudste broer zijn"? Wil hij niet reeds dadelijk met Alfredje spelen? zoo heet de kleine, niet waar?
Een Meikindje! de Genestet maakte daarop zoo'n mooi gedicht, het einde is treurig, maar voor uw Meikindje hopen wij innig, dat de zegenbeden van den dichter in de twee laatste coupletten van 't eerste gedeelte geuit, vervuld mogen worden. Ofschoon gij die regelen natuurlijk zelve reeds kent, kan ik toch niet nalaten ze hier nog eens even uit te schrijven.
De God der lente spreideU rozen voor den voet,De God der Liefde leideU zachtkens, trouw en goed!Bloei in uw vaders gaardeBloei aan uw moeders zij,Hun schoonste bloem op aarde,Gij, knaapje van den Mei!
'k Hoor u lachen, als gij dit zijdje leest, hoe dwaas, hè maar verwonder u er maar niet over, alle oude tantes zijn min of meer sentimenteel uitgevallen, en tot die categorie behoort ondergeteekende.
1 Augustus 1901. (VIII.)
Bloemen en wierook zijn nu eenmaal ons Javanen onmisbaar bij alles en alles.
O! wat een wereld van gedachten en gewaarwordingen roept die Inlandsche bloemen- en doepageur in me op, telkens als ik hem inadem; hij doet langvervlogen dagen weder opleven in mijn herinnering, en mij sterk 't Javaansche bloed voelen dat mijn aderen vult. O! ziel van mijn volk, die oorspronkelijk zoo mooi was, één gratie, poëzie, deemoed en nederigheid—wat is er van u geworden? wat hebben de eeuwen, de sleur van u gemaakt?
Men beweert zoo dikwijls dat wij meer Europeesch dan Javaansch zijn in ons hart. Weemoedige gedachte! Wij kunnen dan geheel doortrokken worden en zijn van Europeesche gedachten en gevoelens—maar dat bloed, dat Javaansche bloed, dat leeft en warm stroomt door onze aderen, kàn nièt doodgezwegen worden. Wij voelen het bij wierook en bloemengeuren, bij gamelantonen, bij 't suizelen van den wind door klapperkruinen, bij 't gekir van berkoetoets.[1]bij 't gefluit op padihalmen, bij 't gestamp op padiblokken[2]....
Niet voor niets zullen we een menschenleven lang vertoefd hebben in eene omgeving, die van louter vormen aan elkaar hangt; maar wij hebben de leêgheid dier vormen leeren inzien, diep, diep 't gemis van inhoud gevoeld, en de klacht, de wanhoopskreet onzer ziel vernomen en verstaan: "Wat is vorm zonder inhoud?" Vorm moet volmaken, maarinhoudishoofdzaak. Toch zit er veel goeds in 't Javaansche volk. O, wat zouden wij u zielsgraag bij ons willen hebben om u al 't mooie te laten zien, dat van ons volk is. Als ik iets moois zie, dat specifiek Javaansch is, denk ik steeds: "wat zou ik Mevrouw A. graag bij ons hebben. Zij zou 't zoo aardig vinden dat alles te zien, en iemand er bij te hebben, die haar 't een en ander kan uitleggen dat voor haar misschien raadsel en mysterie is. Zij zou er van genieten en hetgeen wij bewonderen, kunnen waardeeren, zij, die zoo'n open oog heeft voor al wat schoon is."
Ons Javaantje, houtsnijder-artist, zooals u hem noemt, heeft weer iets heel moois voortgebracht. 't Is een doos, met een heelwajang-verhaal besneden, wajangfiguren op 't deksel aan den boven- en binnenkant, en op alle vier wanden; er is een koker bij, ook met wajangfiguren versierd, bestemd om er een of ander in te bewaren. De doos ga ik aan den binnenkant met oranje-satijn capitonneeren en plisseeren en met een zilveren randje afzetten—ook Inlandsch maaksel. Het mag ook wel heel mooi worden, want 't is bestemd om de portretten van de regenten van Java en Madoera te bevatten, die der Koningin zullen worden aangeboden. Een aardig idee, dat huldeblijk, 't is van den besteller van de doos, den Regent van Garoet, uitgegaan. Men heeft mij vrij spel gelaten, ik mag voor beide voorwerpen zooveel uitgeven als ik wil, als zij maar mooi worden.