Chapter 6

[1]Berkoetoet = tortelduif.

[1]Berkoetoet = tortelduif.

[2]Padi = rijst in den bolster. Van den bolster wordt de padi ontdaan door daarop te stampen in een uitgehold stuk hout. Dit geeft in de desa's een eigenaardige cadans.

[2]Padi = rijst in den bolster. Van den bolster wordt de padi ontdaan door daarop te stampen in een uitgehold stuk hout. Dit geeft in de desa's een eigenaardige cadans.

8—9 Augustus 1901. (VIII).[1]

Ik zie weder dat heerlijk mooie strand fantastisch verlicht door 't zilveren schijnsel der bleekgouden maan, die zich milliarden malen weerspiegelde in 't onafzienbare zich immer bewegende zilte nat: één oneindige schittering van levend zilver en goud!

Ik hoor ruischen weder 't trillend klappergroen, dat als reusachtige zilveren veeren gracieus wuifde in den zoelen avondwind, die zoo heerlijk ons langs de wangen streek en om de ooren suisde.

Liefelijk mengde zich bij dat bladergeruisch het zacht geklots der glinsterende golfjes, die zich in dartelen overmoed te pletter sloegen tegen het schitterend, reinwitte strand.

Dàt was een droom van mooi! een droom van geluk! En in die fantastische omgeving van in zilveren maanlicht badend strand, van eene zee van vloeibaar goud en zilver, van een pràchtig blauwen hemel getooid met enkele zachtglanzende sterretjes, van wuivende zilverschitterende palmen, van windgesuizel en zacht golfgeklots, zaten wij, met een nieuw gevonden kostelijken schat in ons midden, in stil genieten en met toenemende verrukking te luisteren naar eene melodieuse stem, die verhaaldevan 't sprookjesmooi van vreemde landen vèr, vèr over zee, over die oneindige schittering van zilver en goud vóór ons, van haar eigen goddelijk Vaderland.

Zal ik ooit dien rit kunnen vergeten, dien goddelijken rit met haar naar 't station? Een groot jaar is er sedert verstreken, een jaar vòl rijk leven, waarin ik had hóóg gejubeld en bitter geschreid, waarin ik had geleefd oogenblikken van 't zaligste, hoogste genieten, en ook uren van wanhoop en vertwijfeling, van onduldbare ellende, uren van hellepijnen, van brandend lijden,—ik hebgeleefd! dat ééne jaar meer dan al de 21 voorgaande tezamen!—en tòch nog steeds even helder en frisch staat de dag me voor den geest, als waren er slechts minuutjes over heengegaan, en niet 365 X 24 uren! Nòg wordt 't me warm om 't hart, nóg trilt mijn ziel van aandoening bij 't herdenken van die groote, groote zaligheid in mijn leven! Wat zie ik alles weer duidelijk voor me. Zij in een zachtblauw eenvoudig reistoilet.... Of 't een afspraak was, ook wij waren in 't blauw—kleur der trouw!

Trouw, nietig woordje, maar o zoo reusachtig van beteekenis! Zij is méér dan liefde; trouw eischt vaak grooter kracht. O jonge hartjes, die achter dat beschermend blauw kloppen, moogt gij zóó sterk, zóó krachtig zijn om haar, wier kleur wij dragen, door àlles heen hoog te houden: de "trouw"!

Daar reed een wagen vol van 't zinnebeeld der kostelijkste aller Godsgaven: de "trouw" over een schitterenden zonneweg, langs lachende dreven en in gouden gloed badende velden. De natuur was één lach en licht, geheel in harmonie met onze zielen, die trilden in een ether van jubel en zonneglans!

O! moest werkelijk dit zalig ontmoeten zoo spoedig weder eindigen? kon dit heerlijk samenzijn niet nog één ènkelen dag langer duren?

"U weet niet hoe innig graag wij nog langer hier zouden blijven, mijn man heeft nog zooveel met papa te bespreken, zooveel te zeggen; maar mijn man kan niet langer blijven, zijn tijd is zóó beperkt. Konden wij maar tijd tooveren—of mochten wij u mede nemen naar Batavia, dat zou nog 't beste zijn!"

"Wij zijn u beiden innig, innig dankbaar, dat u hier is gekomen". Ze drukte me zwijgend de hand en ik liet haar niet weder los.

"Eenvoudige harten verstaan elkaar al gauw", zeide ze eenvoudig, toen mijn mond haar niet langer dat zoet geheim verzwijgen kon, dat voor haar toch stellig géén geheim meer was: "hoe innig, innig gelukkig ik was hen beiden te kennen, haar gevonden te hebben, ontmoet in zulk een groote sympathie!"

Dat waren weelde-uurtjes voor mij, die uurtjes aan hare zijde doorgebracht! Ik was dronken van weelde, dronken van geluk! voelde mij zoo licht als een veertje, dat slechts een windezucht behoefde om òp te zweven naar de blauwe lucht, 't stralende licht!

Wat is geluk, als 't niet die oogenblikken vanjubel, vervoering, ontroeringzijn?—oogenblikken, waarop ons de borst te eng wordt om 't bonzend hart te bevatten, waarop wij voelen ons zweven tot licht en jubel, tot 't onreëele—oogenblikken kort als een bliksemschicht, maar lang, wèldadig in hunne nawerking!

Liefde ontvangen maakt alléén dàn gelukkig, als degene, die haar ontvangt, zelf óók liefheeft!...

Weder instappen, de tram moest voort.

Och, gillend, rammelend monster, vertraag, temper toch uwe vaart! laat niet te spoedig ons aan 't punt komen, waar onze wegen, die gij zelf gisteren hebt helpen bijeenvoegen, weder uiteen zullen gaan.

Maar helaas! de stoker hoorde me niet, en ging bedaard zijn gang; en al hoorde hij me, wat zou hij zich storen aan den wensch, 't verlangen van een dwaas meisjeshart? Rustig gleed 't gevaarte voort over den wèlgebaanden ijzeren weg, en op den gewonen tijd stoomde 't het zoo gevreesde eindstation binnen.

Met geweld drong ik dien akeligen bobbel, die me in den keel schoot, terug, dat verdacht branden in mijn oogen; ik beet op de lippen om ze het beven onmogelijk te maken. Zoo stond ik tegenover haar, zwijgend, haar aankijkend met omfloersden blik—zij hield làng mijn hand vast en zeide zacht: "Gij zult een harden strijd te voeren hebben, doch wees ferm en moedig en opgewekt, hoop en vertrouw!" Nog één warmen stevigen druk van hare zachte hand, nog één innigen blik uit die lieve, lieve oogen, en zij stond op 't perron. "Geef mij nog een handje!" vroeg zij lief ons allen. Vlug, vlug, die akelige bel klonk reeds —ai—wat deed haar harde klank nu een pijn!

Een schok—de wielen der wagens bewogen zich, en langzaam rolde de trein 't stationsgebouw uit.

Zij wuifde met haar zakdoekje, hij met zijn hoed. De tram versnelde zijn vaart. Daar gingen ze, daar vlogen ze weg, vèr, ver weg van ons, menschen ons een etmaal geleden nog volkomen onbekend, en nu een stuk van mijn ziel, onafscheidelijk van mijn bestaan!

O! Leven, raadselvol Leven, wanneer zult gij ons eens ten vòlle uwe geheimenissen openbaren?

Wie zal ons den sluier opheffen van dat onwezenlijke, dat onstoffelijke van ons bestaan? Wie ons dat groot, heerlijk wonder in 't menschelijk leven verklaren, dat wij geest, ziel noemen? Wie dat mysterie ophelderen, dat wij zielenverwantschap heeten, dat geheimzinnige, dat twee elkaar volkomen onbekende levens als met een ènkele ademhaling, met één woord, één blik in elkaars oogen, voor immer met hechten sterken band verbindt?

[1]Wat hier volgt is geen brief, maar een herinnering aan de gewaarwordingen van een jaar te voren, toen de uitgever van deze brieven met zijne echtgenoote te Japara een bezoek bracht. Het stuk draagt tot opschrift: "Eenige uurtjes uit een meisjesleven. Sentimenteele herinneringen eener oude vrijster".Om licht te bevroeden redenen kunnen slechts brokstukken uit de schets gegeven worden, terwijl de hoofdzaak reeds voorkomt in de brieven van Augustus 1900.

[1]Wat hier volgt is geen brief, maar een herinnering aan de gewaarwordingen van een jaar te voren, toen de uitgever van deze brieven met zijne echtgenoote te Japara een bezoek bracht. Het stuk draagt tot opschrift: "Eenige uurtjes uit een meisjesleven. Sentimenteele herinneringen eener oude vrijster".

Om licht te bevroeden redenen kunnen slechts brokstukken uit de schets gegeven worden, terwijl de hoofdzaak reeds voorkomt in de brieven van Augustus 1900.

10 Augustus 1901. (IV.)

Vergeef me, dat ik u nu eerst antwoord op de vriendelijke toezending van uw beider portretten, een geschenk, ons zoo innig welkom en zoozeer door ons gewaardeerd, waarvoor wij u beiden onzen hartelijken dank betuigen.

Wat kwam mij al niet voor den geest, toen ik uw portret zag. Menigmaal, wanneer ik neerslachtig ben gestemd, bedroefd om zooveel treurigs in 't leven, ontmoedigd door 't zien van zooveel ellende, waar ik als een mensch onmachtig tegenover sta, van zooveel onrechtvaardigheid, van zooveel liefdeloosheid, dan is mij een opbeuring de gedachte aan onzen verren vriend—zoo mogen wij u noemen, niet waar?—die uit louter menschenmin, zichzelf uit zijn eigen wereld bande, om zich in een wildernis temidden van "wilden" te vestigen, hun liefde gevend, liefde leerend, die hij zoo machtig in eigen boezem voelt.

En wij vinden 't heerlijk daarom, uw beider portretten te bezitten; 't zien daarvan roept ons des te levendiger die mooie zielen voor den geest, voor wie wij zoo'n innige bewondering, vereering en sympathie gevoelen.

Hoe maakt u beiden het? Ik hoop van ganscher harte als wij, want dan is 't goed. Ik ben hier des te dankbaarder voor, omdat 't nu overal zoo ongezond is. Daar is geen plaats, waar men niet van de daar heerschende een of andere ziekte, meestal koorts, hoort spreken.

In onze buurt, Semarang, is zelfs de cholera uitgebroken, monster, dat op Batavia en Soerabaja zoovele slachtoffers maakte. Gelukkig, dat op Semarang de ziekte maar sporadisch voorkomt, maar zij schijnt van 't kwaadaardigste soort te zijn, bijna geen enkelen lijder heeft men kunnen behouden. Er is naast cholera, knokkelkoorts, nog een andere plaag, die op eenige plaatsen van Java ontzettend veel ellende onder de bevolking veroorzaakt; voedingsgebrek. God behoede ons land voor de vreeselijkste aller rampen, die een land teisteren kan: hongersnood.

't Is haast ongelooflijk, dat er op Java, dat vruchtbare Java, waar alles als 't ware zoo maar uit den grond opschiet, voedingsgebrek kan zijn. En toch is 't zoo, helaas! De nood moet vooral vreeselijk zijn in Poerwodadi; maar nu las ik dezer dagen tot mijn onuitsprekelijke blijdschap, dat de Regeering plus minus 3 1/2 ton beschikbaar stelde voor den aankoop van ploegvee voor Poerwodadi en Demak.

Dit is ook zoo'n ongelukkig land, waar onze oom regent over is; de bevolking ziet ieder jaar met angst en beven den westmoesson tegemoet, die altoos 't landverdrinkt. Ik weet niet, hoeveel tonnen gouds de Regeering reeds voor de waterwerken aldaar uitgegeven heeft, maar er is daar elken westmoesson nog steeds watersnood. Maar, hoe ellendig 't hier ook kan zijn, men is toch altijd nog gelukkiger dan onze minbedeelde broeders en zusters in 't verre Europa, die naast honger nog koü te lijden hebben in den winter.

Ik heb hier een werk van Fielding pas uit Holland gekregen; 't handelt over 't Boeddhisme en moet volgens de recensies, die ik ervan gelezen heb, heel, heel, mooi zijn. 't Is uit het Engelsch vertaald door Felix van Ort, redacteur van "Waarheid en Vrede". U zult hem zeker wel kennen van naam. Dat is de idealist, die propaganda maakt voor zijn heel-mooie overtuiging: "het kwaad overwinnen door liefde". Heel mooi in theorie, maar o zoo moeilijk in practijk. Wij voelen er heel veel voor, lazen ook zijn mooi boek: "Naar 't groote Licht", dat alle brandende vraagstukken van den dag behandelt.

't Zal al zoo gauw een jaar zijn geleden, dat wij u zagen op Depok. Toen hadden wij er nog niets geen idee van, hoe allerprettigst die kennismaking zou worden. Ik zie u nog aan den trein staan en vragen of "de Regent van Japara ook meegekomen is". Ik kan 't niet begrijpen, dat 't al gauw een groot jaar geleden is; mij is 't, of 't gisteren pas is gebeurd. Wat vliegt de tijd toch!

Van Mevrouw A. kreeg ik daarnet een brief, zij beiden maken 't niet zoo goed ....

Dat waren weeldedagen voor ons, die dagen bij die lieve, lieve hartelijke vrienden op Batavia doorgebracht! Van vriendschap, liefde, sympathie kunnen die inhalige schepsels, die Javaansche vriendinnetjes van u, nooit, nooit genoeg hebben. En die vonden wij daar zooveel!

't Is eergisteren een jaar geleden, dat 't "gelukkigste aller gelukkige gesternten" hen tot ons voerde, die sedert onafscheidelijk zijn aan ons bestaan. Dien middag van de verjaring onzer kennismaking brachten wij op Klein-Scheveningen, ons verrukkelijk mooi strand door, ons nu zooveel te dierbaarder, omdat dáár wij haar hebben gevonden, die zóóveel moois in ons leven bracht.

De zee was goddelijk mooi, zoo effen, en welk een kleurenspel tooverde daarop de ondergaande zon! 't Was of men één reusachtige parelmoerschelp zag. In 't Westen de hemel in gloeiende zonnebrand; in 't Zuiden, waar hemel en zee elkaar ontmoeten, was 't teer violet. Hoe weldadig deed dat prachtig, diep blauw, boven onze hoofden, onze oogen aan, na al dat schitterende, dat verblindde! En daar te midden van al dat mooi, gezeten op 't reinwitte strand, met onze voeten in 't water, leefden wij weer eens dien droom van geluk door!

Wat een dwaze, dweepzieke wezens, zult u zeker denken! Och, jeugd en dwaasheid, jong en dwepen, dat hoort nu eenmaal zoo bij elkaar! Wij hopen innig, dat wij altijd zoo dwaas mogen blijven, nooit verstandig worden, verstandig zijn, dat zoo koud, zoo koel maakt! En wij huiveren voor alles wat koud en koel is, en toch liever ijskoud dan lauw!

Wij hebben helaas tot nog toe onze vrienden, de familie Ovink, op Djombang nog niet kunnen bezoeken tot ons groot verdriet. Wij verlangen heel erg naar elkaar, maar telkens als wij wilden gaan, kwam er verhindering. Als wij daar komen, zullen wij stellig naar Modjowarno gaan, waar wij zooveel van gehoord hebben. Mevrouw Ovink vertelde ons zooveel goeds van de familie Bervoets, die zij hoog waardeert. Mijn oom van Demak en zijne familie zijn ook op Modjowarno geweest, en riepen daarover ook zoo.

Als u mij eens met een brief mocht verblijden, zou u dat genot dan nog grooter voor mij willen maken, door heel, heel veel van u zelf, uw werk en de menschen, waaronder u beiden leeft, te vertellen? Wat duurt 't lang, voor een brief van Gorontalo uit gepost, Java bereikt! men kon haast even goed naar Holland schrijven, 't duurt bijna even lang de overtocht!

In Juni hebben wij de geheele familie over gehad, kinderen, behuwdkinderen en kleinkinderen, allen bij elkaar, neen, toch niet allen, één plaats bleef ledig, die van onzen besten broer in Holland. 't Was zoo gezellig, al die lieve gezichten weder bij elkaar te zien, en met weemoed gedachten we onzen lieven afwezige. Dat is zoo'n lieve, hartelijke jongen, waar wij allen innig veel van houden. Weemoedige gedachte voor ouders, dat de kleine wezentjes, voor wie ze alles zijn, die héél van hen zijn, eens hun niet meer zullen toebehooren, verlaten om ieder zijn eigen weg te gaan.

19 Augustus 1901. (V.)

Wat zult gij dat erg onaardig van mij gevonden hebben, dat ik zoo lang zweeg, op uw lieven brief, uwe allerliefste uitnoodiging en die vriendelijke toezending van dat lieve kiekje, waar ik zoo blij mee ben. Dat zwijgen was geenszins aan onhartelijkheid te wijten, maar de door en door gezonde Kartini vond 't nu eens aardig voor de variatie zieke zus te spelen. 't Was wel zoo leuk om eens erg vertroeteld te worden, en vond ik 't zoo erg niet om eene kleine ongesteldheid een beetje te overdrijven. Als geen van de oogenparen, die mij zoo bezorgd hebben aangezien, nu maar over mijne schouders heenkijkt en dit leest. Jongen, jongen, wat zal ik er dan van langs krijgen! Die zusjes van me kunnen iemand de ooren wasschen hoor, dat verzeker ik u. Maar wat doe ik nu, kwaad vertellen van mijn beste zusjes, 't is wat moois!

Niets is onmogelijk in deze wereld! en wat wij vandaag voor eene groote onmogelijkheid uitkrijten, is morgen een voldongen feit!

Er is eene gisting in de Inlandsche maatschappij, de geest om "vooruit" te komen is tot haar doorgedrongen en houdt de gemoederen in beweging. Hij stuit echter op de ingekankerde liefde der Javanen voor die overoude "adat". Er zal nog heel veel zelfstrijd en andere strijd gestreden moeten worden, voor eenige dier verouderde denkbeelden en beginselen, die niet aanpassen bij den vooruitgang, diep in den grond begraven worden, om nooit weder op te staan.

Augustus 1901. (VII.)

Waar ik zoo innig overtuigd ben, dat er van devrouween groote invloed kan ten leven uitgaan in de maatschappij, wensch ik niets liever, niets vuriger, dan opgeleid te worden voor het onderwijs, ten einde mij later te kunnen wijden aan de opvoeding van dochters van Inlandsche hoofden. O! zoo innig, innig graag zou ik er toe in staat willen zijn, kinderhartjes te leiden, karaktertjes te vormen, jonge hersens te ontwikkelen, vrouwen voor de toekomst te vormen, die het goed zouden kunnen voortplanten en verbreiden.

Het zou zoo'n groote zegen zijn voor de Inlandsche maatschappij, indien de vrouwen goed werden opgevoed.

En voor devrouwzelf wenschen wij vurig, vurig onderwijs en opvoeding, het zal haar zoo'n groote zegen zijn.

Daar is zooveel droefs in onze Javaansche vrouwenwereld, daar wordt zooveel en zoo bitter geleden.

De eenige weg, die er voor 't Javaansche meisje, en inzonderheid de adellijke, openstaat, is 't huwelijk.

Wat heeft de sleur van deze instelling, die oorspronkelijk van Gode en der vrouwen hoogste bestemming is, gemaakt? Het huwelijk, datroepingmoet zijn, is geworden: eenberoep! En o! onder welke onteerende en vernederende voorwaarden en omstandigheden nog hebben vele, vele Javaansche vrouwen dat beroep te vervullen. Op bevel van vader, oom of broer, moet 't jonge meisje klaar staan, een wildvreemden man te volgen, die niet zelden reeds vrouw en kinderen heeft. Naar haar opinie wordt niet gevraagd, zij heeft slechts te gehoorzamen. Bij een huwelijkssluiting is haar tegenwoordigheid niet vereischt, evenmin haar "ja".

Van verre en van nabij kennen wij dat helsche vrouwenleed, veroorzaakt door zekere Mohammedaansche instelling, die het den mannen zoo gemakkelijk maakt, maar die o, zoo bitter hard en wreed is voor de vrouw.

"Zij zijn er aan gewend, zij vinden 't niets", beweert de alwetende "men". "Als zij er geen vrede mee hebben, waarom er zich dan in geschikt?"

Laat ik, een kind van 't Javaansche volk, in diens schoot groot geworden en er heel mijn leven in vertoefd hebbend, u de verzekering geven, dat de Inlandsche vrouwen wel degelijk eenhart hebben, datvoelen, lijdenkan als 't fijn beschaafdste vrouwenhart in uw land.

Maar 't blijft hier bij een stil lijden en zich schikken, volslagen machteloos en weêrloos als zij zijn, door hare onkunde en onwetendheid.

De oude overlevering vertelt: Fatima's echtgenoot huwde opnieuw, en zij werd door den Profeet ondervraagd, hoe zij zich daarbij gevoelde. "Niets Vader, niets, betuigde zij." Dit zeggende, leunde zij tegen een pisangboom; de bladeren, eerst frisch en fleurig, verwelkten, en de stam, waartegen haar lichaam rustte, verkoolde.

Opnieuw vroeg de Vader, hoe zij zich gevoelde, en weer betuigde zij: "Niets, Vader, niets!"

De Vader gaf haar een rauw ei, en verzocht haar dat tegen haar hart te drukken; het terugvragend brak hij het open: het ei was gaar!

Het Oostersche vrouwenhart is sedert niet veranderd. Dit vertellinkje leert ons meteen de opinie van vele vrouwen over dat wreede mannenrecht.

Velen vinden er een eer in om met onbewogen gelaat een of meer vrouwen van haar echtgenoot naast zich te verdragen; maar vraag niet, wat er onder dat stalen masker is verborgen, en wat de wanden harer woningen aan 't oog der wereld onttrekken: kankerende vrouwenharten en arme onschuldig lijdende kinderzieltjes zijn er zooveel.

Nogmaals; er wordt veel en bitter geleden in onze arme Inlandsche vrouwenwereld. En dàt lijden dat ik reeds in mijn kinderjaren aanschouwde, was 't, dat 't eerst in mij 't verlangen wakker riep, in te gaan tegen sleur, die oude toestanden schijnt te rechtvaardigen.

Ons streven heeft een tweeledig doel, mede te arbeiden aan de opheffing van ons volk en voor onze zusteren den weg te banen naar betere, menschwaardiger toestanden. Aan u allen, die veel gevoelen voor Java en den Javaan, richten wij een dringende bede: helpt ons ideaal verwezenlijken, dat het heil beoogt van ons volk en onze sekse!

Voedt de Javaansche vrouwen op, ontwikkelt ze naar hart en verstand, en gij vrienden van Java, zult flinke medearbeidsters hebben gevonden aan uw edelen, schoonen reuzenarbeid: de beschaving, ontwikkeling en opheffing van een volk!

Leert haar een vak, opdat zij niet langer weerlooze prooien zullen zijn, wanneer hare beschermers wenschen dat zij een huwelijk zullen aangaan, dat haar en hare eventueele kinderen onvermijdelijk in ellende dompelen zal.

Wij hebben zooveel treurigs gezien in zoo menig Javaansch huwelijksleven: naar aanleiding van dat wreede Mohammedaansche mannenrecht. 't Leed der vrouwen in zoo'n verbintenis, 't leed van zoo menig kind uit zoo'n huwelijk geboren, brandt ons in de ziel, en zweept ons tot opstand tegen die toestanden!

De eenige uitweg om zulk een leven te ontkomen, is dat het meisje zich een zelfstandig bestaan verovert.

Er is niemand nog, die 't doet, die 'tdurftte doen!

't Is eenschandeals een meisjeniet trouwt, eene vrouw ongetrouwd blijft.

Ons idee is, om wanneer wij de bevoegdheid ertoe hebben een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden, waar haar naast allerlei kennis, nuttig voor 't practisch leven, zal worden geleerd, wat den geest verheft en 't gemoed veredelt.

Zou zulk een school kunnen bestaan? Wij durven "ja" te zeggen. Al zenden nu verreweg de meeste Inlandsche hoofden hunne dochters naar school slechts voor den geur, omdat zij niet onder willen doen voor anderen, en niet omdat zij doordrongen zijn van 't nut, dat meerdere ontwikkeling der vrouw voor haar zelf en hare omgeving heeft, 't doet geen afbreuk aan 't feit, dat er hoe langer hoe meer Inlandsche hoofden en grooten zijn, die voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen; gouvernements-en particuliere scholen zullen van de waarheid dezer bewering kunnen getuigen. Zelfs de Keizer van Solo zendt zijne dochters naar school. In de vooruitstrevende Preanger, waar 't geen nieuws meer is, dat meisjes schoolgaan, is voor dochters van den adel een particuliere, door de Regeering gesubsidieerde school geopend. Daar zijn regentsdochters, die op eene vreemde plaats op een kostschool zijn.

Meer ouders, die gaarne hunne dochters ook zouden willen laten leeren, laten 't na, omdat zij 't niet over zich verkrijgen kunnen hun meisjes naar school te zenden, waar zij samen met jongens zouden leeren.

Eene gouvernante houden, gaat de draagkracht van gewone stervelingen ver te boven, slechts heel enkelen kunnen zich die weelde veroorloven; toch is er een wedono, geen "licht", ookniet gefortuneerd, die voor zijn kleindochtertje eene gouvernante er op na houdt.

Er was een jong moedertje, dat, op een harer laatste levensdagen, haar man beloven liet, zoodra hij in beter doen was, een illusie van haar te vervullen: "hun dochtertje naar de Europeesche school te zenden".

Wij bespraken de quaestie, en ook 't idee van eene zelfstandige, geldverdienende vrouw, meermalen met vrouwen van Inlandsche hoofden. En alles sterkt ons in onze hoop en ons geloof, dat 't hier slechts op aan komt, den eersten stap te doen, m.a.w. moet een voorbeeld gegeven worden; en als 't van practisch nut blijkt en aangepast kan worden door anderen, dan zal 't stellig navolging vinden.

Er zijn andere meisjes, die denken en voelen als wij en gaarne de banden en boeien zouden willen verbreken, waaronder de adat de Mohammedaansche vrouw gekluisterd houdt. Ook zij blijven stilstaan voor het: "Er is niemand nog die 't doet".

En er moet toch één de eerste zijn!

Er is een Inlandsch hoofd, dat den Directeur van O., E. en N.[1]toelating tot de doktersschool verzocht voor zijn dochtertje.

Gezegende vader! gezegende dochter! Zij zal haar land van zoo groot nut zijn.

Ik hoop, dat zij haar voornemen werkelijk zal uitvoeren!

Een jonger zusje van mij, Roekmini, voelt heel veel voor teekenen, en 't is haar grootste illusie om de teekenacademie te bezoeken, ten einde zich later te kunnen wijden aan de wederopbloeiing der Inlandsche kunst.

Is volkskunst niet mede een der middelen tot volkswelvaart? Als 't blijkt, dat zij op de teekenacademie niet op haar plaats is, m.a.w. dat zij niet genoeg talent heeft, zal ze tot de huishoudschool overgaan, om later de toekomstige vrouwtjes de waarde van 't geld te leeren kennen, wat wel hoognoodig is in de Inlandsche maatschappij. De Regeering is voornemens hare Inlandsche ambtenaren spaarzaamheid te leeren. Wat baat het of de Regeering de mannen dwingt geld op zij te leggen, als hunne vrouwen, in wier hand de huishouding berust, de waarde van 't geld niet kennen?

Mijne zuster en ik zullen dan samenwerken.

En wat wij nog graag op onze toekomstige school zouden willen geleerd zien, is: gezondheids-, ziekte- en verbandleer!

Dit is een kennis, die ons altijd te pas komt, en voor onze omgeving van groot nut is. Ieder mensch moet vroeg of laat voor een ziekbed staan, en 't is zoo ellendig om onze lieven te zien lijden, en niet te weten hoe hun lijden te verzachten. De kennis van gezondheids-, ziekte- en verbandleer moet tot de opvoeding behooren. Hoeveel ongelukken zouden niet gebeurd zijn, of dan tot een minimum teruggebracht zijn geworden, wanneer men aan mannen zoowel als vrouwen die nuttige kennis had geleerd.

't Ligt geenszins in onze bedoeling van de Javanen Europeesche Javanen te maken door hun eene vrije opvoeding te geven; ons idee is, hun naast de mooie eigenschappen, die zij zelf bezitten, het mooie van andere volken te geven; niet om hun eigene te verdringen, maar om ze teveredelen!

Hoe genoot ik van uwe "Inleiding", van "Land en Volk van Java"; 't werd mij zoo warm en wonder wèl in 't hart, toen ik die bezielde woorden las, die 't schoon van mijn land schetsen en ... zijne wondeplekken bloot leggen.

Dat machtige geluksgevoel hebben wij dikwijls over ons gehad, als wij in Gods vrije, wijde natuur zijn!

Ver, ver van 't kleinzielig menschengedoe, alleen met onze zielen, onze gedachten in de heerlijke, schoone natuur, boven ons hoofd de blauwe hemel, voor onze voeten de onafzienbare zee, achter ons wuivend klappergroen, o! dáár kunnen wij ons geluk niet op!

Vaak betrapte ik mij op eene egoïstische gedachte: "O! laat mij alléén in deze reine atmosfeer leven, ver van marktgewoel, van wereldsche zaken, alleen, alleen, met de natuur, en mijne ziel! Dat is puur egoïsme! néén, dàt is niet de bestemming van ons leven, wij moeten mèt en vóór de menschen leven.

't Leven mooier maken, dàt is onze bestemming.

Doch nu heb ik u reeds te lang opgehouden, u heeft wel andere en nuttiger bezigheden, dan naar 't gesnap te luisteren van een "sentimenteel" Javaansch meisje.

[1]Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid.

[1]Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid.

4 September 1901. (VIII.)

O! wij kunnen, wijwillen nietgelooven, dat onze levens, zoo gewoon, banaal, als duizenden anderen voor en na ons, zullen eindigen. En toch, soms lijkt ons iets anders zoo onwaarschijnlijk! Nu eens schijnt de vervulling onzer dierste en innigste wenschen zoo nabij, dan weer staan wij er zoo eindeloos ver van af.

Er zijn uren, waarin 't heen en weer geslingerde en gefolterde menschenhart in vertwijfeling vraagt: "Mijn God, wat is dan toch plicht?"

Zelfverloochening heet plicht en zelfverwezenlijking heet plicht: hoe kunnen twee dingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, beidenplichtheeten en zijn?

"Blijf", zegt luid hierbinnen een stem, "blijf, bestrijd uwe eigen wenschen en verlangens ter wille van hen, die u dierbaar zijn en aan wie gij dierbaar zijt; deze, uw strijd adelt uw menschzijn. Blijf!" En dan weer klinkt het even hard en krachtig: "Ga, werk aan de verwezenlijking uwer idealen; werk voor de toekomst; werk voor 't heil van duizenden, die gebukt gaan onder onrechtvaardige wetten, onder een valsch begrip van goed en kwaad; ga, ga, lijd en strijd, maar werk voor de eeuwigheid!" Wat is nu hooger plicht, 't eerste of 't laatste?

Egoïsme heb ik steeds beschouwd als de slechtste ondeugd, die er bestaat, en het diep, diep verfoeid; evenzoo ondankbaarheid —en dat andere, ons ideaal, is één geworden met ons bestaan; wij kunnen er niet zonder, evenmin als wij 't buiten de liefde onzer dierbaren kunnen stellen.

Groot is 't getal van degenen niet, hoe nauw verbonden ook door banden des bloeds zij aan elkander zijn, die elkaar volkomen begrijpen en verstaan als mijn vadertje en ik. Hoevele punten van aanraking en overeenstemming vindt men niet in ons beider karakter; wij sympathiseeren zoo in alles met elkaar; alléén op één punt raken onze karakters elkaar niet. O, waarom dat toch, waarom? Zou 't waar zijn, wat men beweert, dat er in de heele wijde, wijde natuur geen twee dingen zijn, elkaarvolkomengelijk, geen twee menschelijke naturen, die volkomen eender zijn? Mijn eigen lief vadertje, wij weten beiden zoo goed, hoe dierbaar wij elkaar zijn; wij weten ook zoo goed, dat de weg, dien uwe dochtertjes gekozen hebben, met dorens is bezaaid; maar gij weetook, dierste, dat 't geengrilis, die ons leidt; dat wij ons ideaal met hart en ziel aanhangen, gelijk wij 't u doen; waaròm, waaròm toch ons dien reeds zoo zwaren, moeielijken weg nog zwaarder en moeielijker te maken, door 't onthouden van uwe toestemming! Dat wij niet gelukkig kunnen zijn zonder uwen zegen, weet u, maar ook zonder ons ideaal kunnen wij 't niet. Met uw zegen zal 't ons steeds licht voor de oogen zijn, de zwaarste weg begaanbaar zijn! Vader, vader, waarom kunt gij mij op dat ééne punt niet toegeven? Liefde is almachtig, is eeuwen door verkondigd en bewezen geworden. Ons beider liefde voor elkaar is groot. O! Liefde, veelgeprezene, maar ook veelbeweende Liefde, verricht bij ons uw zegenwerk: veeg die verschilpunten in ons beider karakter weg, doe ze één worden!

Ik heb mijn Vader innig lief, dat weet u, maar Vaders liefde voor ons is nòg grooter. Ik was zoo spoedig ongeduldig, kregelig, in een woord: "humeurig"; hoe geduldig verdroeg mijn best Vadertje al mijn nukken! nooit hoorde ik een hard of bitter woord, altijd is Vader even lief en zacht! Zoo uit alles voel ik zijn oneindige liefde! Toen eenigen tijd geleden ik aandrong op 't spoedig beëindigen van onze zaak, zag ik zijn blik op mij rusten zoo inbedroefd; 't was of die treurig kijkende oogen vrager wilden: "heb je dan zoo'n haast, om mij te verlaten, kind?" Ik wendde mijn hoofd af, ik wilde niet in die dierbare, trouwe oogen zien, ik wil sterk zijn en niet zwak.

Mijn hart brak bijna van wee, toen eens wij beiden tegenover elkaar stonden, Vader mij in zijn armen sloot en met trillende stem vroeg: "Moet 't dan zóó zijn? Kan 't niet anders? Moeten dan allen zijn als jij? Kan 't niet anders?" Wat ging er niet bij ons om, toen wij zoo hart aan hart elkaar in de vochtige oogen keken.

Er werd toen hevig geleden, zoo hevig als er op aarde geleden kan worden. Dat was kort vóór Vaders ziekte. Later toen Vader herstellende was, vroeg Moeder me: "Och kind, toe, geef maar toe". "Ik kan niet", antwoordde ik met gesmoorde stem.

Sedert spreekt Moeder er mij nooit meer over. Als Vader maar toegeeft, dan zal Mama ons haren zegen niet onthouden. Allen zijn ze lief en zacht voor ons, dat maakt ons den strijd juist zwaarder.

Leed—leed—leed—niet dan leed hebben wij over al die liefhebbende, trouwe harten gebracht!

30 September 1901. (VIII.)

In de Preanger zijn er een massa Hollandsch sprekende, geschoolde vrouwen en meisjes. De meesten, waar we kennis mee maakten, spraken Hollandsch met ons, omdat wij elkaars taal niet kennen. Alleraardigst! dáár hebben wij werkelijk eensaangenaamkennis gemaakt met eigen land- en stamgenooten.

De omgang was hartelijk, vrij en ongedwongen. Vroolijke menschjes vol scherts en lach.

Wat ik overigens op reis heb gezien en gehoord stijft mij in mijn meening, dat verstandelijke ontwikkeling alleen niet alles is; dat er ook eene andere, hoogere ontwikkeling moet zijn, die aan de andere de hand reikt, om den mensen daarheen te brengen, waar hij heen moet. Naast 't hoofd, moet 't hart geleid worden, anders blijft de beschaving slechts aan de oppervlakte.

O, wek toch geen illusies, die stellig sterven moeten, wek geen droomen, waar men van te voren weet, dat wreed-ontwaken volgen moet. 't Iswreed, wreed! O! wat wensch ik vurig, vurig, macht te bezitten over één taal slechts, mijn eigen, of wel de Hollandsche, omgoedte kunnen uitzeggen, wat ik denk en voel over zooveel, dat mijn bewondering gaande maakt, of mij met verontwaardiging vervult, zooals dat ellendige, dat mijn landgenooten huldigen en aanhangen, de mannen uit egoïsme en de vrouwen uit machteloosheid, uit onwetendheid ontsproten, rechtvaardigen. Ik heb iets scherps en vinnigs in gedachte over "Idealen". Soms jeuken mij de vingers zoo—om al die gedachten niet voor mij alleen, voor mijne vertrouwden neer te schrijven, maar ook om ze anderen in 't gelaat te slingeren.

Maar wat voor nut zou dat hebben? Men zou de schouders er over ophalen, een ander er over lachen en de meesten er heel geen notitie van nemen. Wartaal van een idioot of gek!

Misschien is 't beter zoo, dat ik de taal niet zoo onder de knie heb, om er mee te doen, wat ik wil; wie weet wat voor een kwaad de pen van dat onervaren, onverstandige heethoofd anders zou kunnen uitrichten instede van goed!

En macht bezitten over de taal, zou bovendien op 't oogenblik me toch niet van veel nut zijn, omdat ikniet luiddenken màg.

Na al dat teleurstellende nu eene opfrissching, die u zeker ook aangenaam zal zijn.

Kort geleden zaten de Quartero's met nog een anderen controleur bij ons. De heeren hadden 't over een regent, dien de vreemde controleur goed kende. "Een zéér ontwikkelde man", hoorden wij hem zeggen en kort daarop: "Neen, hij is niet getrouwd; hij is wel getrouwd met iemand, die hij niet presenteeren kan; 't is eene gewone vrouw uit 't volk, waarbij hij een paar kinderen heeft. Hij is niet van plan weer te huwen, hij wil geen Raden Ajoe trouwen, omdat hij die andere dan zou moeten wegzenden of haar een tweede plaats laten innemen. In beide gevallen zou hij haarverdrietdoen en datwil hij niet".

Mijn hart sprong open, toen ik dàt hoorde, dan toch is er zóó één! Mooi, vindt u niet? Mevrouw Quartero vertelde ons naderhand, dat toen zij dat hoorde, zij en ook haar man gauw naar ons keken, beiden hetzelfde denkend: "Zouden de meisjes 't gehoord hebben? wat zal hij in hare achting stijgen!" Zoo is 't ook! We hopen innig, dat die regent immer zichzelve gelijk zal blijven en zich doornietsvan zijn mooi besluit zal laten afbrengen.

't Zal ons thans een waar genoegen zijn met hem in kennis en aanraking te komen; we hopen, dat 't eens gebeuren zal.

De jonge garde, onverschillig van welke sekse, moet zich met elkaar in verbinding stellen. Ieder kan op zichzelf wat doen voor de opheffing, beschaving van ons volk; maar wanneer wij ons bij elkaar aansloten, onze krachten vereenden, samenwerkten, zouden wij met meer vrucht kunnen arbeiden.

In eendracht zit kracht en macht.

11 October 1901. (I.)

En nu, trouwe vriendin, ga ik je, 't spreekt vanzelf,zéérinvertrouwen, 't een en ander mededeelen van onze plannen. De wegen die ons openstaan om ons een zelfstandig bestaan te verwerven en daarmede ons tevens nuttig te maken voor onze medemenschen, zijn: dokter, accoucheuse, onderwijzeres, schrijfster, artiste in de beeldende kunsten. Andere wegen ook staan ons nog open, om ons een zelfstandig bestaan te verwerven, maar die zijn door ons niet begeerd, aangezien aan die betrekkingen geen nut voor onze landgenooten verbonden is. Wat voor nut b.v. zouden wij voor ons volk kunnen hebben als apothekersbediende, boekhoudster, telegrafiste, klerk op 't een of ander kantoor en verder in dien trant? Die werkkringen en 't leven daaraan gebonden trekken ons niet aan. Wij willen met de verovering van een zelfstandig bestaan tevens werken aan debeschaving, opheffingvan ons volk. Wij willen een rijk, vol leven hebben. Je weet, dat er bij de Regeering door den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid 't plan is aanhangig gemaakt om voor Inlandsche meisjes scholen op te richten, en bij wijze van proef voor dochters van Inlandsche grooten een kostschool. Toen wij verleden jaar van den Directeur zelf van zijn heerlijk plan vernamen, vroeg zijne vrouw of ik aan die laatste school onderwijzeres wilde worden. Ik antwoordde daarop, dat ik daar heel, heel veel voor voelde, maar die taak niet op me kon nemen, aangezien ik daartoe niet opgeleid was en daarvoor niet berekend ben. Mevrouw zeide toen dat haar man mij hebben wilde, zooals ik was, om de jonge hartjes te leiden en karaktertjes te vormen; ik moest met de jonge kinderen als een oudere zuster omgaan en hun tot voorbeeld zijn. Een zeer vereerende opdracht, maar had ik geen gelijk om die taak niet op mij te willen nemen, als ik daartoe geen bevoegdheid (wettelijke) heb? Als ik absoluut eerst er voor opgeleid wilde worden, zeide Mevrouw, moest ik maar een tijdje naar een der normaalscholen te Batavia of ergens anders gaan om te studeeren en aktes te halen, dat was dus geen bezwaar. De vraag was maar, of ikwilde.

Dat mijn Vader daarnaar ooren had, weet ge reeds. Ik zou dan naar Batavia gaan, waar mij door de directrice der meisjes H.B.S.,[1]die wij maar eens zagen en spraken, alle hulp ensteun bij mijn pogen werd toegezegd. Die groote hartelijkheid van een half bekende deed ons toch zoo goed. Dat zij al dadelijk zoo groote sympathie kreeg voor ons streven, sterkt me zoo! Prachtig! waar zou ik beter leiding en hulp bij mijne studie kunnen krijgen dan van haar, die aan 't hoofd staat eener H.B.S. Ongezocht en onverwacht werd mij zoo'n uitstekende hulp in den schoot geworpen. Ik was in de wolken en dacht dat mijn vertrek naar Batavia slechts een quaestie van weken, hoogstens enkele maandjes zou zijn....

Ik heb je ook reeds verteld, dat wij volstrekt niet gefortuneerd zijn, ofschoon Vader een groot inkomen heeft, maar daarnaast ook groote uitgaven heeft te doen, zoodat wij nog net genoeg hebben om er kalmpjes van te leven en onze jongens—jongens moeten vóór alles geholpen worden!—eene goede opvoeding te geven. Aan financieele bezwaren had ik ook gedacht; daarom maakte ik bij mezelf een plan op, om zoo de bezwaren voor mijne opleiding als onderwijzeres te groot mochten zijn (die opleiding zou mijn Vader 's jaars pl.m.f1200 kosten, 't maandelijksch inkomen van Vader; voorwaar geen kleinigheid voor zoo'n groot huishouden als 't onze) van richting te veranderen en mijne stappen te richten naar de Dokterschool op Batavia. Tot dokter wordt men—tenminstejongens—vrouwelijke leerlingen zijn er nooit geweest—geheel kosteloosopgeleid. De studie voor dokter geschiedt geheel op 's lands kosten. De leerlingen genieten vrije woning, eene maandelijksche subsidie, waarmede de kosten van voeding en kleeding bestreden worden, en vrije geneeskundige behandeling.

Op Batavia zijnde, vroeg ik den Directeur van Onderwijs, tot wiens Departement de geneeskundige school behoort, of er meisjes tot genoemde school mogen toegelaten worden. Mr. A. heeft er niets tegen, juicht 't integendeel toe, maar natuurlijk moet 't meisje-leerlinge externe zijn. Mijn idee was om der Regeering te vragen mij geheel op dezelfde voorwaarden en met dezelfde voorrechten die de mannelijke leerlingen genieten, tot de Dokterschool toe te laten. Waariedermet een beetje hersens het nut inziet, dat een vrouwelijke dokter—vooral voor de vrouwen uit 't volk, die liever sterven dan door een dokter aangeraakt te worden—zal hebben, en de Chef van 't Departement van Onderwijs warm mijn verzoek zou ondersteunen, is er veel kans, dat de Regeering daarop gunstig beschikken zal.

Steeds heb ik veel met dit vak opgehad, alleen zie ik op tegen de lange studie. Voor iemand, die nog geen 20 is, vind ik 7 jaar studie niets, maar als je dien leeftijd gepasseerd bent, dan vind ik dat heel lang. En dan om als volwassen meisje in den beginne dag aan dag tusschen jongens van 13—-18 te moeten zitten, en naderhand de eenige vrouw te zijn onder hoopen mannen, is niet erg aanlokkelijk. Maar dit zijn slechts kleine bezwaren, waar ik makkelijk overheen zou kunnen stappen. Er is echter nog iets anders. Vader en mijne vrienden zijn er tegen; gelukkig niet onvoorwaardelijk. Vader, omdat ik 't eenigste meisje zou zijn onder al die mannen en jongens—zulk een grap is hier nog nooit vertoond geweest; en mijne vrienden, omdat ik voor die studie misschien niet de vereischte zenuwen zou hebben. Dokter is voorzeker een prachtig beroep, doch geen werk voor iedereen—een krachtig willen en doorzettingsvermogen alleen zijn niet genoeg voor de studie van dokter, stalen zenuwen zijn ook een vereischte. Daar maken mijne vrienden zich bezorgd over, doch ik heb geen vrees. Vader vindt het onderwijs verreweg het beste voor ons; zoo ook mijne vrienden op Batavia. Zij vinden dat een uitgezocht mooi werk voor me, waar ik eerst recht op mijn plaats zou zijn. En waar zou ik beter mijne ideeën kunnen verbreiden, dan daar als opvoedster van het jonge geslacht, de vrouwen en moeders der toekomst. In de handen van 'tkindligt detoekomst, en in de handen van demoeders, het kind, detoekomst. Alsschrijfsterzou ik opgrooteschaal aan de verwezenlijking mijner idealen en aan de opheffing, beschaving van ons volk kunnen arbeiden, als onderwijzeres slechts inkleinen kring, maar ik zou dandirectkunnenopvoeden, en—die kleine kring zou allicht zich kunnen uitbreiden, mettertijd, navolging vinden, tenminste als het gegeven voorbeeldgoedblijkt te zijn.

Je kent mijne liefde voor de litteratuur en weet, dat 't een illusie van me is, het eens tot eene beduidende beoefenaarster der letterkunde te kunnen brengen. Maar men kan geen twee meesters tegelijk dienen, althans ik zie er geen kans toe, om onderwijzeres te zijn, zooals ik mij dat voorstel, niet als verstandsscherpster alleen, maar ook als karaktervormster, den geheelen dag mij met de kinderen bezig houdend, en dan aan letterkunde te doen. Ik wil één ding maar tegelijk doen, maar ik wil hetgoeddoen. Entre ces deux mon coeur balance, Stella! Alsdokter of iets anders zou ik misschien geen afstand behoeven te doen van dat mij zoo dierbaar werk: pennenlikkerij!


Back to IndexNext