Chapter 7

Kanarie-laan te Japara.Kanarie-laan te Japara.

Maar ik vind 't onderwijs, de opvoeding van kinderen, die je toevertrouwd worden, zoo iets ernstigs, heiligs zelfs, dat ik nooit vrede met mezelf zou kunnen hebben, als ik mij daaraan wijdende, voelde mijne taak niet zóó te kunnen vervullen, als ik zelf van eengoedopvoedster eisch. Als onderwijzeres aan eene kostschool zou ik mij den geheelen dag met de kinderen moeten bezighouden, zelf 's avonds en 's nachts zou ik niet vrij zijn, want de kinderen zijn mijtoevertrouwd. Vertrouwen legt groote verplichtingen op, zoo'n post brengt groote verantwoordelijkheid met zich mee. Misschien vindt je mij wel erg overdreven, maar ik kan niet anders denken, dan dat ik 't een misdaad acht, mij aan deopvoedingvan kinderen,toekomstdragers, te wijden, als ik niet ten volle berekend ben voor die groote taak, in mijn oog zoo hoog en heilig. En geen tevredenheidsbetuiging mijner chefs zou me vrede met mezelf kunnen doen krijgen, indien ik dat niet voor mijn geweten heb.

De illusie van mijn Vader, als zijn dochtertje dan toch absoluutietsworden wil en zich nuttig wil maken voor anderen, is dat ik eens directrice word eener meisjeskostschool; ook van mijne vrienden is dat eene illusie. En gij, Stella, wat wenscht ge voor mij? Welken weg zoudt gij gaarne door mij ingeslagen zien? Zeg 't mij eerlijk en oprecht, zeg mij onomwonden uwe meening, van jou verwacht ikniets anders. Gij hebt u steeds een goede, oprecht welmeenende vriendin betoond. Doe 't nu ook.

Er heeft zich nog een andere uitweg voor ons geopend. Een ons persoonlijk onbekende zendeling-dokter, van goeden naam en gevestigde reputatie, die veel van ons van onze vrienden hoorde, bood zich uit eigen beweging aan, zoo wij er lust toe gevoelen" onsgeheel kosteloostot accoucheuses op te leiden. Van eene andere zijde werd ons ook de gelegenheid geboden. Dat stemt ons zoo dankbaar! Ge hebt zeker wel eens gehoord of gelezen van de groote Inlandsche Christengemeente Modjowarno—in de residentie Soerabaja? In "Maatschappelijk werk in Indië", congresverslagen, Vrouwenarbeidtentoonstelling, komen de naam van dien zendeling-dokter[2]en Modjowarno verscheiden malen.voor. Dat vroedvrouwen hier in Indië schreeuwend noodig zijn, hebt ge zeker reeds meer gehoord. Jaarlijks sterven er op Java of geheel Nederlandsch-Indië gemiddeld 20,000 kraamvrouwen en 30,000 pasgeboren kinderen wegens gebrekkige verloskundige hulp. Op dat gebied is er voor ons dus een uitgestrekt arbeidsveld om onze zusters tot nut en zegen te zijn.

Wij voelen ookheel veelvoor de zaak, maar het zou logen zijn, om te beweren, dat acchoucheuse zijn eene illusie van ons is. Doch 1000 maal liever accoucheuse te worden, dan afhankelijk te zijn van familieleden, gezwegen nog van een gedwongen huwelijk.

Van Vader hebben wij de toestemming om naar Modjowarno te gaan en ons voor accoucheuse te bekwamen, als andere wegen ons door omstandigheden afgesloten zijn. Andere familieleden zijn er fel tegen; zij vinden dat werkte minvoor onze aristocratische handen!! Onze vrienden ook zouden het ten zeerste betreuren, indien wij dien weg moesten inslaan, maar hun reden is zooveel edeler, o, zoo oneindig hooger. Ze zouden 't zoohardvoor ons vinden, omdat wijandere illusieshebben. In beginsel zijn ze niet tegen ons gaan naar Modjowarno, ze vinden het werk daar hoog en edel. Maar of wij ons doel van vóórlichten en voorbeeld geven daarmee zouden kunnen bereiken? Waar zelfs in 't beschaafde Europa men nog met min of meer minachting neerziet op 't accoucheuse-beroep, zou Indië, 't aan pracht en praal verknochte Indië, 't mooie van dat werk kunnen apprecieeren? Het zou alleen het nederige daarvan inzien, en wat niet hoog is en schittert en geurt, acht mijn arm land 't aankijken niet waard. Dat wij zelf niets om die minachting zouden geven, begrijpt gij wel, maar de gevolgen daarvan zouden ons niet onverschillig zijn. Wij willen de baan breken voor de vrijheid en zelfstandigheid der Javaansche vrouw! Het voorbeeld, dat wij geven, moet door anderen kunnen worden aangepast. En iets, waar men met minachting op neerziet, zalgeennavolging vinden. Willen wij, dat anderen ons voetspoor zullen volgen, dan moet 't voorbeeld dat wij geven, iets zijn, dat spreekt, bewondering afdwingt en tot navolging wekt. Wij hebben hier dus niet op eigen wenschen te letten, maar wel degelijk rekening te houden met 't karakter van 't volk, dat wij willen voorlichten en tot voorbeeld zijn.

Er is in den laatsten tijd in Holland en voornamelijk inDen Haag eene beweging ten leven opgestaan, om de in verval geraakte Indische kunst te doen opleven en bloeien. De Vereeniging "Oost en West", een spruit van de Vrouwenarbeidtentoonstelling, waarvan ge zeker al meer gehoord en gelezen zult hebben, en die er hoofdzakelijk is om de belangen aller Indischen te behartigen, heeft eene afdeeling voor de kunst, waarin eenige kunstenaars van naam zitting hebben.

Die kunstafdeeling is voornemens een kunstenaar of kunstenaren (op 't gebied van beeldende kunst) naar Indië uit te zenden om de Indische kunst in 't algemeen en de batikkunst in 't bijzonder op te helpen, haar te zuiveren van vreemde inmenging, als Europeeschen invloed enz., die haar in verval doet geraken. De belangstelling in Holland voor de Indische kunst is gewekt door de uitstekend geslaagde tentoonstellingen, die Oost en West van Indische kunsten gehouden heeft. In het buitenland ook begint de Indische kunst, inzonderheid de batikkunst, bekend te worden.

Ik meen je reeds verteld te hebben, dat Roekmini veel aanleg en zeker ook talent voor teekenen heeft, en het haar grootste illusie is om schilderes te worden. Daartoe is een opleiding in Europavereischten die is voor haar helaas onbereikbaar! Althans uit eigen middelen zullen wij nooit zusje's droom in verwezenlijking kunnen helpen brengen. Je raadt nu zeker wel, waarheen we willen. Wij willen ons met Oost en West in verbinding stellen en van de Vereeniging gedaan zien te krijgen, dat mijne zuster hare illusies verwezenlijken kan; dat zij direct of indirect door Oost en West in staat gesteld wordt de Haagsche teeken- en schilderacademie te bezoeken om later op Java zich geheel te wijden aan onze kunst. Wie zou zich beter aan de belangen van de Javaansche kunst kunnen wijden, dan een kind van dat volk zelf, wie de liefde voor de Inlandsche kunst isaangeborenenniet aangeleerd? Als kind van de Javaansche natie zelf, zou Roekminioveral toegangkunnen krijgen, waar de Europeaan, hoe goed het ook met de Javanen meenend, een gesloten deur vinden zou. Wij kennen eenige personen, die in 't bestuur zitten van Oost en West en van de kunstafdeeling der vereeniging.

Als onze pogingen schipbreuk lijden, dan wil R. zich bekwamen tot accoucheuse. Zij wil òf schilderes òf accoucheuse worden, maar wat ze doet, wil zegoeddoen. Daarom wil ze, als 't lothaar 't verloskundig vak aanwijst als middel van bestaan en om zich nuttig voor de Gemeenschap te maken, moeite doen om in Europa voor dat vak te worden opgeleid. In Holland zou ze zich tot eene volledige verloskundige kunnen bekwamen, en de moeders hier, als ze hare studiën zal hebben voltooid, van groot nut zijn.

De doktoren kunnen haar hier slechts tot vroedvrouw opleiden, die onder toezicht van een dokter werkt. En 't maakt in de oogen van ons helaas voor groote idealen en verheven denkbeelden weinig vatbare volk, dat alleen glans en glorie eert, groot verschil of ze zich hier of in Europa tot accoucheuse heeft bekwaamd. In Europa gediplomeerd, zou mennietop haar werk neerzien, en zou haar voorbeeld allicht navolging vinden. Van de Regeering willen we gedaan zien te krijgen, om R. op hare kosten in Holland tot verloskundige te doen opleiden. Hiertoe willen we de hulp van Professor Hector Treub in Amsterdam en Dr. Stratz in Den Haag inroepen, mannen die reeds menig keer de lans hebben gebroken voor de allergebrekkigste verloskundige hulp in Indië, waardoor jaarlijks duizendenonnoodigsterven. Ook van de Volksvertegenwoordiging is de aandacht op deze zaak gevestigd door van Kol, als ik mij niet vergis. Dit Kamerlid komt in Indië; ik hoop hem te zien en te spreken te krijgen; mijn broer kent hem heel goed.

De Regeering in Indië heeft reeds stappen gedaan om verbetering in dien treurigen toestand te brengen. Alle doktoren op Java krijgen van de Regeering eene maandelijksche subsidie, die zich willen belasten met de opleiding tot vroedvrouw van al degenen, die zich daarvoor aanmelden. Deze krijgen gedurende haren leertijd eene subsidie van de Regeering ter bestrijding van verblijfkosten, enz., en na geëxamineerd te zijn, worden ze door 't land bezoldigd.

Het plan van zus R. is om, wanneer ze hare studie van verloskundige in Europa zal voltooid hebben, op Java een cursus in dat vak te openen. Op de kundigheid der doktoren, die hier daarin les geven, valt niets af te dingen, maar wat beteekent knapheid in 't te onderwijzen vak, als men zich niet goed verstaanbaar kan maken aan de leerlingen, omdat onderwijzer en leerling ieder een andere taal spreken? Bijna zonder uitzondering zijn de doktoren hier de landstaal weinig of niet machtig. Maleisch, en dan meestal nog heel gebrekkig, is de taal, die dedoktoren tegen 't volk bezigen.Javaanschspreekt nagenoeg geen een dokter. Bitter weinig Javanen uit 't volk zijn er maar, die Maleisch verstaan en spreken. Begrijpt ge nu, wat een heksentoer het voor de doktoren is, om zich in hun gebroken Maleisch verstaanbaar te maken aan hunne leerlingen, vrouwen, meisjes uit 't volk, die van huis uit hoegenaamdnietsgeenontwikkelingmeebrengen, en die behalve haar moedertaal geen andere kennen en verstaan?

Die moeilijkheden zouden vervallen, indien iemand, die volkomen de Inlandsche talen machtig is, de taak op zich neemt, Inlandsche vrouwen tot vroedvrouwen te bekwamen.

R's geboorte zou ook kunnen bijdragen tot het welslagen harer onderneming. De Inlanders zijn zeer gehecht aan hunnen adel, en wat van den zoo door 't volk vereerden adel uitgaat, vindt gemakkelijk bij hen ingang.

24 October, juist twee weken na het afbreken van dezen brief, hervat ik hem weer. Mijn kaart, tusschentijds verzonden, bracht je reeds op de hoogte van de treurige omstandigheden, waarin we verkeerd hadden en die nu gelukkig voorbij zijn. Zooals je reeds weet, is R. gevaarlijk ziek geweest; tot twee keeren toe hing haar leven aan een zijden draadje; doch nu is ze Goddank weer aan de beterhand, en gaat met den dag goed vooruit; vandaag is ze al buiten geweest. Hoe dankbaar en gelukkig we zijn, dat 't zoo goed met haar afgeloopen is, kan ik je niet zeggen. Ook zusje Kardinah is weer op de been; zij kan nu al een kwartier achtereen wandelen en begint weer een kleurtje op hare arme, magere wangen te krijgen. Wij hebben flink ons deel in ellende gehad.

't Is nu ook overal zoo ongezond van wege de groote droogte. Arm land, wat zweeft u behalve de gevaarlijke ziekten nog boven 't hoofd? Door de groote droogte zijn er bijna over het geheele land verscheidene sawahs mislukt. In het naburige Grobogan is de nood 't hoogst, daar heerschthongersnood, en met angst en beven ziet men in Demak, waar 26.000 bouws sawahs mislukt zijn en bovendienhevigde cholera woedt, den komenden westmoesson tegemoet, die het land verdrinkt elk jaar. Arm land, dat in den oostmoesson uitdroogt door watersnood, en in den westmoesson verdrinkt door watersnood. Doch ik zal maar niet meer over die ellende schrijven, maar mijn gesprek van 14 dagen geleden vervolgen.

Zusje Kardinah wil ook bij het onderwijs komen, en heeft als vakken gekozen: huishoudkunde en koken. Ons plan is om altijd bij elkander te blijven en met elkaar samen te arbeiden aan ons gemeenschappelijk doel: de beschaving van ons volk. Samen willen we, als het Lot ons gunstig is, een school openen, waarin onderwijs zal gegeven worden in de vakken van 't lager en meer uitgebreid onderwijs, in handwerken, huishoudkunde en aanverwante vakken, en tevens zal er een cursus aan verbonden worden òf in kunst (batikkunst, teekenen, enz.) òf in verloskunde.

Tot leerares in de huishoudkunde en koken kan men alleen in Holland zich bekwamen; zulk eene gelegenheid bestaat er hierniet. Kleintje's fort is eigenlijkmuziek, en haar liefste illusie was en is nog steeds zich op de muziek toe te leggen, doch dit is voor haar absoluut onbereikbaar. En mijne kleine meid heeft afstand gedaan van haren droom; als zij maar die andere illusie verwezenlijken kan, zal ze al gelukkig zijn. Zij wenscht zoo zielsgraag wat te kunnen bijdragen tot de opheffing van ons volk. En als leerares in de huishoudkunde zou ze ontzaglijk veel goeds kunnen doen. Al meer en meer geeft de Regeering te kennen, dat zij gaarne het volk en hare ambtenarenspaarzaamzou willen zien.

En waar het huishouden invrouwenhandenberust, spreekt 't wel van zelf dat, wil men 't volk spaarzaamheid leeren, men het met de vrouwen moet beginnen. Wat baat het of de mannen die deugd aanleeren, als hunne huishoudsters de waarde van 't geld niet kennen? Dit is 't motief dan, dat we zullen aanvoeren, als we de Regeering 't verzoek doen Kleintje in de gelegenheid te stellen zich tot leerares in de huishoudkunde te bekwamen om later op Java een cursus in dat vak te openen. Mijn kleine zus wil de grootsche taak op zich nemen vrouwen en moeders van de toekomst op Java zuinigheid of waarde van 't geld te leeren.

Wat mij betreft, ik kan hier klaar komen, d.i. mijn acte halen, doch altijd is eene opleiding inEuropate verkiezen boven eene in Indië, voor de algemeene ontwikkeling en verruiming van den blik en zoveel meer.

In den laatsten tijd vooral geeft de Regeering duidelijk te kennen, prijs te stellen op de beschaving en ontwikkeling harer ambtenaren, dit is o.a. sterk gebleken uit de jongste regents-benoemingen, waarbij de keus der Regeering viel op tweepersonen, die volgens bestaande bepalingen—'t opvolgingssysteem van vader op zoon, en zoo er geen zoon of geschikte zoons zijn dan een ander familielid van den laatsten regent—er niet voor in aanmerking komen, wijl zij in geen betrekking staan tot de regenten, die zij opvolgen; maar die jongbenoemde regenten zijn zeer ontwikkeld, en hebben inEuropahunne opvoeding genoten.

Uit alles en alles blijkt, dat het de Regeering ernst is om Indië te beschaven en te ontwikkelen, het Javaansche volk in 't algemeen, en in 't bijzonder den Inlandschen adel, waaruit demeestelandsdienaren worden gerecruteerd, tegemoet te komen in zijne behoefte aan kennis en ontwikkeling.

De heer Abendanon heeft bereids gezegd: "dat het geen betoog behoeft, dat de intellectueele ontwikkeling der Inlandsche maatschappij niet krachtig kan voortschrijden, indien daarbij de vrouw ten achter blijft. Ten allen tijde is de vooruitgang der vrouw eene belangrijke factor tot volksbeschaving gebleken".

De meeste Inlanders zien er tegen op hunne dochters naar school te zenden, omdatmannener onderwijs geven.Onderwijzeressenmoeten er komen.

Een jaar of 15 geleden zond de Nederlandsch-Indische Regeering op hare kosten vier Inlandsche jongelieden naar Holland, om daar onder leiding van een bekwaam hoofdonderwijzer opgeleid te worden tot onderwijzer. De wil om naar Holland te gaan om daar zich te bekwamen tot onderwijzer om later, met meer vrucht dan wanneer ze in Indië hunne opleiding genoten hadden, te werken aan de beschaving hunner landgenooten, was niet uit hen zelf, maar was uitgegaan van iemand wien de ontwikkeling van Indië zeer ter harte gaat.

Anders is 't met ons gesteld. Hier is de drang, 't verlangen naarLichtuit eigen diepgewortelde overtuiging geboren, verkregen door eigen leed, in medelijden en medevoelen van anderer leed, en nadenken.

Met de uitvoering van onze plannen wachten we slechts op Vader's toestemming. Vergeeft 't een Vader, Stella, dat hij aarzelt zijne kinderen aan eene onzekere toekomst prijs te geven. Als de eerste baanbreeksters hebben wijallen tegenstandenvooroordeelte bestrijden en te overwinnen, en dat dit niet zonder veel teleurstellingen en verdriet zal gaan, is zeker.

En welke ouders zullen hunne kinderen niet zielsgraag voor leed bewaren willen? welke ouders zullen niet met een bezwaard en beklemd hart hun kinderen aan een moeilijk leven vol strijd en teleurstellingen, dat 't lot is aller baanbrekers, wijden?

Ik weet niet, of ik wel naar Holland zal gaan om te studeeren, als mij die gelegenheid geboden werd. 't Is altijd eene groote illusie van mij geweest, en is 't nu nog, om in Holland te gaan studeeren. Verleden jaar, toen 't denkbeeld geopperd werd, dat ik thuis zou gaan studeeren, heb ik er mij met hand en tand tegen verzet. Als ik studeer, wil ik goed studeeren, en dat kan ik alleen òf in Holland òf op Batavia. Holland is onbereikbaar voor me, als ik er met eigen middelen komen moet, dus op Batavia had ik mijn hoofd gezet.

Thuis zou ik niet goed kunnen studeeren, d.i. ik zou mijniet geheelaan de studie kunnen wijden, wat met 't oog op mijn leeftijd wel noodig, zelfs dringend vereischt is. Huiselijke en conventieplichten zouden me te veel van mijn werk afhouden. Mij er aan te onttrekken als ik thuis bleef, isonmogelijk. Ik stak dus mijn hoofd op daartegen; dat was verleden jaar, toen was mijn best Vadertjegezondensterk; nu is vader het niet meer, helaas!

Vergeef 't eene dochter, Stella, als zij eens, wanneer haar de gelegenheid mocht geboden worden, haren hartewensch te vervullen, waaraan in de toekomst veel heil voor anderen kon verbonden zijn, daarvan afziet, omdat haar hart zich niet losmaken kan van een vader, die geheel haar leven lang voor haar één liefde en toewijding is; wien zij alles, wat zij is, dankt; en die, met eene zwakke gezondheid sukkelend meer dan ooit haretoewijdingenliefde behoeft. Stella, ik benkind, ik bendochter, niet devrouwalleen, die met hart en ziel verlangt zich geheel te geven, te wijden aan een schoon, grootsch werk dat tot nut en zegen zal strekken voor velen; ik ben ook kind met de innigste banden der teederste liefde en warmste dankbaarheid gehecht aan een ouden, grijzen vader,oudengrijsgeworden in de zorgen voor zijn kinderen, waarvan ik hem misschien 't liefst ben, omdat onze karakters zooveel punten van aanraking hebben, wij zoo één zijn in denken en voelen. Stella, gij die mijne groote liefde voor hem kent, en daarnaast mijne liefde voor hetgeen ik als onzeroepingbeschouw, en van mijne innige gehechtheid aan mijne dierbare zusjes weet, zult kunnen begrijpen.wat een zwaren tweestrijd 't mij zal geven, als ik eens voor de twee keuzen zal staan: mijn vader, afscheiding van de zusjes, voor 't grootste gedeelte afstand doende van mijne roeping, òf afscheiding van mijn vader, vereeniging met de zusjes, mij geheel gevende aan onze roeping!

Vader iszwaknu, heeftdikwijls oppassingensteeds toewijdingnoodig, mijneersteplicht is mij aanhemtewijden.

Noem 't een klein belang, maar o, Stella, ik zou nooit een oogenblik rust kunnen hebben, als ik mijne roeping volgend, ver van Vader zijnde, hemlijdendenhulpbehoevendwist!

Schoon, edel is 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen, ons te wijden aangrootebelangen, te werken aan de opheffing van de verdrukte Inlandsche vrouw, van het Inlandsche volk, kortom iets te beteekenen voor de Gemeenschap, te werken aan de eeuwigheid; maar ik zou 't nooit voor mijn geweten kunnen verantwoorden, wanneer ik mij aan anderen gevend en wijdend, mijn armen ouden Vader, die toch de eerste rechten heeft op mij, alleen liet lijden en sukkelen, terwijl hij mijnoodigheeft.

Een der ideeën, die ik verbreiden wil is: hebeerbiedvoor al watleeft, voor zijnerechten, zijnegevoelens; zonder noodzaak en met noodzaak toch te schromen anderen zelfs 't geringste leed te doen; het gansche idee is, onze medeschepselen zooveel wij 't vermogen voorleedte bewaren, en alzoo hunne levens helpen te vermooien; en dan daar is een hooge, heilige plicht, die heetdankbaarheid.

Zou ik deze ideeën ingang bij mijn volk kunnen doen vinden, indien ik, die ze verkondigde, ze in de praktijknegeerde?

Mijn kinderplicht mag ik niet verzaken, maar ook niet de plichten, die ik tegenover mezelve heb te vervullen, vooral niet als mijn zelfverwezenlijking niet alleen eigen geluk insluit, maar ook nut zal hebben vooranderen. De quaestie is nu de tweegroote plichten, die ik te vervullen heb, en dielijnrechttegenover elkaar staan, zooveel mogelijk met elkaar te doen harmonieeren. De oplossing van dit vraagstuk is voorloopig, dat ik mij aan mijn vader wijd, en toch de studie niet verzaak. Ik ga hier thuis dan zelf studeeren voor 't onderwijs, zoover als men 't door zelfstudeeren, gerugsteund door krachtig willen en volharding, brengen kan. Om de hoofdacte te behalen, moet men eerst in 't bezit zijn van de hulpacte en een bewijs van twee jaarvoor de klasse te hebben gestaan. Zelf heb ik reeds lang over dit plan nagedacht, maar Mevrouw Abendanon heeft 't den doorslag gegeven, toen ze eenigen tijd geleden ook met dat idee aankwam. Al wachtende op verdere beslissingen van 't grillige Lot, gaan wij drieën zelf studeeren; welk vak 't Lot de zusjes ook aanwijzen zal, het geleerde zal haar steeds te pas komen.

Wij hebben sedert twee maanden een onderwijzeres op de plaats, in wie wij eene lieve, hartelijke vriendin gevonden hebben. Zij is nog heel jong, een flink en degelijk meisje, dat familie en vaderland verlaten heeft om hier haar brood te verdienen. Zij komt veel bij ons. Toen ik haar van ons plan vertelde, was zij dadelijk bereid ons in en met alles te helpen, zooveel ze 't zelf kan. Ze heeft behalve de hulpacte nog acte Fransch. Dadelijk is ze gaan informeeren, welke leerboeken er op de normaalscholen op Soerabaja en Batavia gebruikt worden voor de studie van hulpacte. Over al wat ze aan leerboeken bij zich heeft mogen we beschikken, en wat ze niet heeft, zullen wij van de familie A krijgen.

Later wil ik ook examen doen in de Inlandsche talen, Javaansch en Maleisch.

Jammer maar, dat die ellendige ziekengeschiedenis er tusschenbeide is gekomen, anders waren we nu al flink aan den gang; natuurlijk dat ik al dien tijd niet in een boek heb kunnen kijken. Annie Glaser, dat is de onderwijzeres, gaat eerdaags van 't hotel verhuizen naar eene familie hier; zoodra zij hare zaken geordend heeft, zal ze ons of mij alleen aan 't werk zetten. Mijne arme zusjes mogen nog niets in handen en vooral niets aan haar hoofd hebben. Zij voelen zich erg ellendig onder dat nietsdoen, maar handen en hoofd zijn nog zoo moe.

Hoe denk je wel over al deze hoogvliegende plannen?

Als je maar niet zegt: "Mensch, mensch, je zweeft in te hooge sferen", dan ben ik al tevreden.

Weet ge wat ik gemerkt heb van velen onzer vrienden? dat zij een te hoog denkbeeld hebben van ons. Zij schrijven ons kundigheden en gaven toe, die wijnietbezitten. Wij moesten soms wel eens lachen om hun enthousiasme. 't Spreekwoord "liefde is blind of verblind" is hier van toepassing. Je moet eens hooren waartoe ze ons al niet in staat achten. Wij voeten diep onze eigen kleinheid, wanneer onze vrienden ons zoo in de zon zetten; klein en toch o, zoo dankbaar voor de liefde, diedaaruit spreekt. Een vriend van ons zou gaarne zien, dat ik door mijne pen werkte aan de opheffing van ons volk. Ik moest een tijdschrift of zoo iets oprichten, gewijd aan de belangen van 't volk, en daarover de redactie voeren; of ik moest medewerkster worden aan de voornaamste dagbladen en tijdschriften in Indië en daarin stukken op pooten schrijven, die zelfs de vast slapenden moeten wakker schrikken!!! Had ik geen gelijk met mijne bewering, dat hier 't gezegde "liefde verblindt" van pas is?

Als ik de hulpacte heb, zal ik wel 't huis uit moeten èn om voor de hoofdacte te studeeren èn om voor de klasse te staan. Daartoe bieden de kloosterscholen op Batavia gelegenheid. Je geeft er les in de vakken van lager onderwijs, en krijgt daarvoor in de plaats eene vrije opleiding voor de hoofdacte benevens vrije inwoning, kost, bewassching en geneeskundige behandeling. Maar dit heeft nog tijd; eerst de hulpacte halen en dan—komt tijd, komt raad!

Een naar idee om van de zusjes te scheiden; zij vinden 't verschrikkelijk, maar ik niet minder; vooral om te bedenken, dat wanneer haar toegestaan wordt, wat zij vragen, zij zoo ver van ons en in een geheel vreemd land zullen zijn. Gelukkig, dat zij daar een broer zullen hebben, die evenals ik zielsveel van onze zusjes houdt. Die broer is een en al geestdrift en sympathie voor onze ideeën, waarin hij zijne eigen denkbeelden terug vindt. Met hem hebben we een verbond gesloten en wanneer hij zijne studiën zal hebben voltooid, zal hij zich bij ons komen voegen om samen te arbeiden aan de verwezenlijking van ons gemeenschappelijk ideaal!

Verrukkelijk is 't, zooals hij opgaat in de ideeën zijner zusters en daarmee sympathiseert. Zoo iets geeft bezieling, tilt je omhoog en stuwt je voorwaarts, evenals die heerlijke groote sympathie en innige belangstelling van je 't ons doen. Er is ook nog een ander jongmensch, Europeaan, die ons alleen maar door zijne moeder, onze vriendin, kent, die ook groote sympathie heeft voor onze zaak en daarin levendig belang stelt. Die groote sympathie en warme belangstelling van vrienden, bekend en onbekend, zijn ons zoo'ngrooten steun. Deze zedelijke steun hebben wij zoo noodig! Geef jij mij dien altijd, hé, Stella?

[1]Mejuffrouw E. van Loon.

[1]Mejuffrouw E. van Loon.

[2]Destijds Dr. H. Bervoets.

[2]Destijds Dr. H. Bervoets.

18 October 1901. (VIII.)

't Kan in 't leven soms toegaan of alles er op is toegelegd onze levenskracht te breken. Alles komt te zamen, onweer en stormen breken met donderend geweld over ons los, 't woeden der orkanen schijnt te zeggen: "neêr, gij nietig mensch neêr in 't stof!" Alleen sterken van hart en geest vermogen zich staande te houden in zulk een storm, weerstand te bieden aan de wreedheid en hardheid van wereldmachten.

't Komt mij voor dat juist zij, wier hart en geest sterk zijn, 't meest bezocht worden door datgene, dat men Noodlot heet! Foei wat ben ik somber, dat komt zeker doordat ik in den laatsten tijd zooveel ellendigs heb gezien en doorleefd. O! nietig wurmpje, dat ik ben, dat al siddert en beeft, als 't de roe nauwelijks op zich voelt neerkomen; hoe wil ik toch troosten en opbeuren?

U mag mijn landnietverlaten vóór we u nog eens hebben weergezien, en vóór ... vóór u uw drietalgelukkigweet.... wij werkelijk een overwinning hebben behaald over datgene, dat onslaagbij den grond wil houden, en van ons stomme, ziellooze voorwerpen wil maken. Maar dat zullen zenietkunnen. Zij kunnen uwe meisjesbreken, maar buigenniet. Met uw beider steun zullen,moetenwij er komen!

Daar zijn drie jonge harten, die u warm tegenkloppen, harten die u aan het uwe heeft gehecht, die harten vertrouwen zich aan u toe! U zult ze nooit verlaten, nooit nietwaar? al wordt de afstand, die ons inderdaad van elkaar scheidt ook nog zoo groot, dat de snelste stoomer nog weken er voor noodig heeft om hem te overbruggen. Aan dien tijd, die eenmaal komen zal, denken wij 't liefst niet. Wij kunnen dat idee niet uitstaan, dat u ook eens onbereikbaar ver van ons zal zijn. Roekmini en Kleintje hebben besloten om géén nieuwe banden meer aan te knoopen; na u willen zij niemand meer liefhebben. Mijn dwaze meiskens, wat weet men toch vooruit te zeggen, over onze harten te beschikken? Liefde en sympathie komen ongeroepen, leggen 't arme harte vast, zonder te vragen of 't gewenscht is of niet.

20 November 1901. (VIII.)

Men moest eigenlijk maar nooit iets beloven, tenzij aan zichzelf, omdat men niet vooruit weten kan, wat er gebeuren zal. Zoo zal men anderen menige teleurstelling besparen. Hoe oprecht de belofte ook gemeend is, en de wil om haar na te komen ernstig, er kunnen onvoorziene omstandigheden als ziekte b.v. komen, die ons 't naleven van onze belofte onmogelijk maken. Er is bij ons Javanen een geloof, dat wie zijne belofte niet nakomt, bezocht zal worden door een oeler weling (vergiftige slang). Deze slang doet den belover herinneren aan zijne belofte; komt hij deze niet spoedig na, dan zal hij weder slangenbezoek krijgen, nu van een oeler welang, wiens beet doodelijk is. Als dit gebeurt, dan is 't niet geraden, langer te talmen met 't nakomen der belofte, en zal met den belover een ongeluk gebeuren. Dit slaat alleen op beloften aan heilige geesten gedaan. B.v. als men aan de geesten van heilige afgestorvenen bloemen, wierook, een slametan enz. belooft. De slangen zijn door hen afgezonden om den mensch zijne beloften te herinneren. Maar wat doe ik toch met u dit Javanengeloof te vertellen? Vergeef me, 't viel me zoo in onder 't schrijven.

Ik heb wel degelijk een flink standje verdiend voor mijn lang wegblijven, want dat was grootendeels uit indolentie. Ik ben niets tevreden over mijzelf! Hoe kwam ik toch zoo intens lui te zijn en energieloos; ik begrijp het zelf niet. Ik weet alleen maar dat ik mij aldoor niet heel wel gevoelde. Bepaald ziek ben ik niet; maar recht gezond toch ook niet; loom, lusteloos, mat en moe; onzin!—hypochondrie—daar! Ik moet me maar flink aanpakken en veel, veel werken. Daar zit 't hem juist;werkis 't, dat ik noodig heb; werk, dat ik liefheb. En nu komt mijn stommiteit: omdat ik niet hebben mag, wat ik hebben wil, keer ik mij van alle anderen af en zit er over te tobben. Dat is zwakheid, groote zwakheid. O! die dagelijks terugkeerendelammestrijd mat zoo af. Ik kan beter de roe verdragen dan die aanhoudende speldeprikken. En dan heb ik zóóveel akeligs bijgewoond en doorgemaakt in den laatsten tijd. Mijn zenuwen zijn wat van streek, de dokter zegt ook:werk. Mijn vurig temperament speelt me parten, ik kan niets uit mijn hoofd zetten, wat ik er eenmaal in heb, en moet er voortdurend aan denken.

29 November 1901. (VIII.)

Wij wisten dat 't u beiden innig leed zou doen, hetgeen mijn brief u berichtte. Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat, ofschoon de stand der zaak nog dezelfde is, we nukalmzijn. 't Is nu niet meer nacht in ons gemoed, een groote rust en kalmte is daarin gedaald. Door duisternis en nevelen heen zien wij de heerlijke lichtende gedaante, die ons wenkt met vriendelijke hand: ons Ideaal!

Neen, wijweten't nu, wij kunnen er niet meer afstand van doen, 't is één geworden met ons bestaan. Een afscheiding daarvan zal onze ondergang zijn. 't Is niet vandaag, niet gisteren, dat wijgedacht, gevoeld, geleden, geleefdhebben voor onze zaak! Men moet ons een nieuw hart, nieuwe hersenen en nieuw bloed in de aderen geven, om onsanderste doen denken en voelen. Wie eenmaal zijnziel, 't goddelijke in den mensch, heeftgekend, haar kreet omLichtheeft vernomen enverstaan, zal haar nooit weer kunnen vergeten.

Wat u mij schrijft, heb ik allesgedacht, gevoeld, doorleefd. Lang, lang geleden, heel in den beginne van ons toetreden tot elkaar reeds, heb ik den zusjes meermalen gezegd, gesmeekt, gebeden, zich van mij los te maken, zich niets, niets aan mij gelegen te laten.

Wat ben ik, wie ben ik, hoogmoedige dwaas, dat ik kalm aanzie, rustig toelaat, dat de zusjes met mij medegaan? Ik ging vreemde, onbekende wegen op, die leiden moesten naar den hemel, maar me brengen in de hel. En deze laatste nog eerder dan de eerste; de hel is vlak bij en licht te bereiken, en de hemel zoo ver en moeielijk te naderen.

?Ja, zeiden de zusjes, noch jij noch iemand anders kan ons denkbeelden ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wijzelf daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel".

Mijn mooie trouwe zieltjes,nietzij hebben van mij geleerd, maar ik was en ben nog steedshare leerling. O! zooveel hebben ze mij geleerd!

Hoe kon 't anders, dan dat wij één in denken en gevoelen zijn geworden? Alles, innerlijk en uiterlijk heeft meêgewerkt, dat wijéénwerden. Heel ons leven lang zijn we samen geweest. Cijfer daarvan het grootste gedeelte weg, de jaren dat wij alleenvoor 'tuiterlijkenaast elkaar leefden, en houd er slechts dezeslaatste jaren van over, en ga die na. Zielen, die één oogenblik maar in groote sympathie samen zijn geweest, kunnen elkaar nooit weer vergeten; hoe dan de onze, diezesjaar in volkomen harmonie naast en met elkaar hebben geleefd. Die jaren tellen tienvoudig.

Wij zien hetzelfde, hooren hetzelfde dag aan dag en bespreken alles met elkaar. In alles vinden wij elkaar; neigingen en smaak stemmen overeen. Wij lezen dezelfde bladen, tijdschriften, boeken, houden met elkaar over het gelezene uitwisseling en wrijving van gedachten. De oudjes zien onzeeensgezindheidgaarne, en moedigen diezeeraan, minder door woorden dan wel door daden. En hunne ingenomenheid met de drie-eenheid ging zóó ver, dat zij zelfs soms onbillijk waren tegen degenen, die er buiten stonden, 't driebond bevoorrechten boven de anderen.

't Is juist 't ongelukkige, dat bij ons het trouwengeheel buiten't meisje om kan geschieden. Om een huwelijk aan te gaan, heeft men slechts de toestemming van den vader, oom of broeder van de vrouw noodig. Bij de huwelijkssluiting is de tegenwoordigheid van het meisje in 't geheel niet noodig. Alleen als zij vader, oom, noch broeder heeft, is hare tegenwoordigheid bij de huwelijkssluiting vereischt. Onze beschermers kunnen ons uithuwelijken aan wien zij willen. Alleen in één geval mogen onze ouders ons niet dwingen te trouwen, n.l. wanneer de huwelijkscandidaat van een minderen stand is dan wij. Ouders mogen hunne dochters niet dwingen met iemand beneden haar stand te trouwen. Dat is ons eenige wapen tegen den willekeur onzer beschermers.

Om te trouwen heeft de man slechts met den vader, oom of broeder van 't meisje naar den panghoeloe[1]of iemand anders te gaan, en het huwelijk wordt gesloten, ook al wil het meisje daar niets van weten. Getrouwd wordt ze, als hare ouders het willen.

Mama kende eene vrouw, die weigerde te trouwen. Ze stierf liever dan met den persoon te huwen, dien hare ouders voor haar bestemden. De hemel was genadig, drie maanden vóór haar huwelijk nam de cholera haar weg; was ze in leven gebleven,men zou zich niet aan hare weigering gestoord hebben en haar hebben uitgehuwelijkt ondanks haar protest.

Er is niets nieuws onder de zon; ook vroeger waren er weerspannige dochters. Men heeft ons steeds voorgepredikt, dat wijblindelingsonze ouders moetengehoorzamen. En datzelfde zei men van eene jonge vrouw, die zich onderwierp aan dat gebod, den man volgde aan wien ze was uitgetrouwd en zich ongelukkig voelde met hem: "Onzin (tinka's[2]), waaromwildeze dan trouwen? Als je getrouwd bent, dan heb je 't ookgewild. Als je een man volgt, dan heb je 't ook gewild; en als je gewild hebt, mag je niet klagen".

Toen ik den brief en de twee artikels van Mijnheer ontving, stonden we op 't punt om naar een bruiloft te gaan. Usance is 't niet, dat jonge meisjes naar een bruiloft gaan en mede in een bruiloftsgezelschap aanzitten, maar Mama gaf er royaal hare toestemming toe. Als de bruidsmoeder, eene oude kennis van ons, er niet zoo op aangedrongen had, dat wij 't groote feest der bruid met onze tegenwoordigheid zouden "vereeren", dan waren wij o, zoo graag weggebleven. Voor wij vertrokken, zagen wij van ons huis uit de stoet van den bruidegom moskeewaarts gaan. 't Regende, dat het goot; 't rijtuig, waarin de bruidegom zat, was gesloten, eveneens de andere rijtuigen, die het volgden. Goudgestreepte pajoengs staken de aloen-aloen[3]over.

't Was een sombere stoet; wij werden er door ontroerd, 't Deed ons denken aan een begrafenisstoet. Ten huize der bruid gekomen, vonden wij haar kant en klaar voor de "kwade" (troonhemel) gezeten, wachtende op den bruidegom, die nog in de moskee was. Vader kwam ook mee en zag er zeer bleek uit! Arme, arme Vader!

Wij zaten op den grond dichtbij de deur, 't oudje tusschen beide zusjes in. Wierook en bloemengeur vulden 't vertrek, waar de bruid en wij zaten. Gamelantonen en een zacht gegons van stemmen drongen van buiten tot ons door. Van de bruid gingen mijne oogen naar mijn buurmeisje, en van haar naar Vader, die buiten zat. De gamelan sloeg een welkomstlied aan; de bruidegom was aangekomen.

Twee vrouwen vatten de bruid bij den arm, hieven haar op,en leidden haar den man tegemoet, die ook aan de hand geleid door twee personen haar naderde. Op eenige passen afstands van elkaar gekomen, wierpen bruid en bruidegom elkaar een opgerold sirihblad toe; nog eenige passen elkaar tegemoet getreden, en beiden zonken neer, zaten tegenover elkaar op den grond. Op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe en beleed voor de menigte hare onderdanigheid aan den man. Vlak vóór hem gekomen maakte zij eene eerbiedige sembah, en kuste daarop ootmoedig hem den voet. Weder een deemoedige sembah, en beiden rezen op om hand aan hand naar te kwade te gaan en er voor plaats te nemen.[4]

"Joe, Joe, fluisterde Kleintje vroolijk me toe, met stralende oogen en een guitigen trek om den frisschen mond: "hè, wat zou ik dol, dolgraag een bruidspaar willen zien, dat lachend elkaar tegemoet komt en met tintelende oogen elkaar sirih toewerpt. Dat moet natuurlijk één zijn van de jonge generatie, een bruidspaar, dat elkaarkent. Wat zou dat leuk zijn, hè Joe? Zal 't gebeuren eens? ik zou 't zoo gaarne, dol, dolgaarne willen zien."

"De tijd zal komen," zeide ik werktuigelijk en glimlachte, maar o, hierbinnen, 't was of mijn hart met dolksteken werd doorpriemd.

En aan mijne andere zijde zat met stralend gelaat en tintelende oogen ons zusje!

Van de tengere, broze figuur aan mijn zijde, dwaalde mijn blik naar buiten en vestigde zich op de groote, forsche figuur, die omringd zat van Inlandsche Hoofden. Juist keek hij, voor wie de menigte in deemoedige houding was gezeten, onzen kant uit, en ik zag een gelaat zoo bleek en bedrukt. Weer een vlijmende pijn hierbinnen. O! waarom? waarom? kreet in wilde vertwijfeling het wanhopige hart.

Den volgenden dag greep ik zonder te zien een boek, ik wilde lezen om mijn geest te verstrooien. Ik sloeg het open en wat las ik? "Gebed van den onwetende" van Multatuli. Een dag of wat geleden stak ik weer op goed geluk af de hand uit naar een boek. Weer was 't Multatuli, dat ik opensloeg, en 't eerst wat ik las, was "Thugater". Nog steeds blijven mij de woordenin de ooren hangen: "Vader, zeg haar: datweten, begrijpenenbegeeren zondigis voor eenmeisje".

Weinig had zeker de groote, geniale schrijver vermoed, toen hij die woorden neerschreef, dat ze eensdiep, diepgevoeld zouden worden door de dochters van het volk, dat hij zoo lief had en voor wiens belangen hij zooveel, ja àlles ten offer had gebracht.

Wij ook weten, evenals Barthold Meryan, wat onswacht, als wij blijven neerknielen voor het altaar onzer innigste zielsbehoeften, een altaar dat slechtsverrijzen kanop depuinhoopenvanalles, wat ons tot dusverre hetheiligsteendierbaarsteis geweest.

Daar was een vrouw uit 't volk n°. 2 geworden van een Inlandsch ambtenaar. De eerste vrouw, die niet wel bij 't hoofd was, ging na een poos van hem af, hem een troep kinderen nalatende. N°. 2 werd officieele vrouw, en was eene zorgzame, liefhebbende moeder voor hare stiefkinderen. Zij was zeer ijverig, werkte hard om de inkomsten van haar man te vermeerderen, ten einde zijne kinderen een goede opvoeding te kunnen geven. En dat de zoons allen terecht kwamen, was grootendeels aan haar te danken. En nu komt dedank. Op een keer, dat hij naar de stad was gegaan en laat in den avond thuis kwam, riep hij zijne vrouw om buiten te komen. Er was een gast meegekomen, waar zij voor zorgen moest, een kamer klaar maken enz. Zij kwam buiten; de gast was eene jonge vrouw. En toen ... en toen vertelde haar man haar, dat die gast was zijne vrouw ... en zij, zijne oude, moest voortaan alles met haar deelen.

Ontzet, verstomd stond zij hem aan te kijken, zij begreep hem niet; maar toen de vreeselijke waarheid tot haar doordrong, zakte ze zonder eenig geluid in elkaar. Toen zij weder bijkwam, vroeg ze op staanden voet echtscheiding aan. Eerst wilde hij er niets van weten, maar zij drong en dwong, tot hij ten laatste zwichtte en haar het gevraagde briefje gaf. Nog dien nacht ging ze 't huis uit, te voet door woud en bosch naar hare oudes in de stad. Hoe ze er kwam, wist ze niet; toen zij weer denken kon, was ze bij hare familie, die haar vertelde, dat zij langen tijd ziek gelegen had.

Later, toen ze weer bijkwam, keek ze den brief eens in, dien ze haar man in dien vreeselijken nacht had afgetroggeld; en 't bleek, dat ze nog niet van hem was gescheiden, dat 't briefjebevatte haar signalement, en de mededeeling, dat zij van hem weggeloopen was.

Hij had heel geen plan om haar heur vrijheid terug te geven. Later verzoende zij zich met hem. De andere ging het huis uit, en in een ander wonen, en zij behield haar oud rijk. In dien vreeselijken nacht zwoer zij een duren eed, ze slikte zand in,nooit, nooitzou zij de hand leenen om 't recht van een ander te verkrachten. Zij had 't gedaan als kind; hare ouders hadden haar op 14-jarigen leeftijd aan den man uitgehuwelijkt. Ze wist niet, wat ze deed, ze gehoorzaamde slechts haren ouders, en—zij was er gestraft voor geworden. Zij wist nu wat een hellepijn het is, als men door eene andere verdrongen wordt van de zijde van een echtgenoot. Zij is haar eed trouw gebleven. Niet lang geleden huwde haar man een nichtje uit aan iemand, die reeds eene vrouw had. Zij weigerde pertinent eene hand uit te steken om wat voor de bruiloft te doen en trotseerde den toorn van haar man. In haar huis is de bruiloftnietgehouden geweest.

Wij kennen haar heel goed, en hebben veel achting voor haar. Wat ze is, dankt ze zichzelve; zij heeft zichzelve opgewerkt. Niets had ze van huis uit geleerd; ze heeft lezen geleerd en verscheidene boeken heeft ze metvruchtdoorgewerkt. Wij stonden dikwijls verstomd over hare gezegden, die getuigden van veel en diep nadenken en gezond verstand. Zij is waarlijk eene bijzondere vrouw (er zullen ermeerzijn), die niets heeft geleerd en gezien, maar denkt en voelt als wij, maar zij heeft ontzettend geleden. Haar lijdensgeschiedenis is niet eenig; zooals zij hebben velen vóór haar geleden. Maar waar zou ik eindigen, als ik u van Inlandsch vrouwenleed verhaalde? Wie niet ziende blind en hoorende doof is, weet hoè er geleden wordt in onze wereld. Ruk ons 't hart uit 't lijf en de hersens uit 't hoofd, als men ons veranderen wil.

Lang voor u mij die woorden van Zangwill uit "Droomen van het Ghetto" zond, sprak Kleintje ongeveer dezelfde gedachte uit, ofschoon in andere bewoordingen natuurlijk. Wij aten taart of zoo iets, klein zusje kwam aanloopen en wilde er ook van hebben, er was geen schoon bord bij de hand en zusje Kartinah zeide: "Eet maar van 't bord van Joe-Joe, dan wordt je ook knap als zij", waarop Kleintje heftig uitviel: "Neen, niet doen, blijf maar dom. Knap zijn is niet voor iedereen een geluk.Ongelukkig is 't om te kunnen denken en niet te mogen; om te kunnen voelen, te kunnen, te willen, en 't niet te mogen. Blijf maar dom". Er lag een wanhoopskreet in die woorden.

Op een keer dat ik overweldigd van moreele pijn roerloos tegen den muur leunde, met wijdopen oogen, die niets zagen, starende in de lucht, trof een smartkreet mijn oor, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. Over mij boog Vader zich, zijne armen hielden me omvat, en beurden me op, zijn gelaat was van mij afgewend. Dat was de smartkreet eener gewonde ziel, die trilde in den uitroep: "ach neen, zoo niet, zoo niet! Ni! Vader zal er met anderen over spreken, heb geduld!"

"Monster, spook, gilde het daarbinnen, dat je hem zoo lijden laat, wreedaard!"

Met zijn arm om me heen geslagen, bracht Vader me naar de achtergalerij bij de anderen.

Welk eene gewaarwording voer me weer door de ziel.

O! Vader, waarom de stem van 't eigen hart niet gehoord, gevolgd? waarom geluisterd naar de stemmen van buiten? Waarom anderen, dienietsvoor onsgevoelenen ons onverschillig zijn, in die zaak gehaald, waarinuw eigen gewetenbeslissen moest, en belanghebbendenalleen uw stemvroegen, behoefden?

O! een daad maar, één daad van moed, en de gapende afgrond, die ons dreigt te verslinden, zoude gedempt zijn!

Vadervindtonzeideeën mooi, erkentonsverlangennaarkennisenrechtvaardigheid. Dat was geenscherts, toen Vader ons verleden jaar toestond om een zelfstandig bestaan te veroveren.

't Brengt ons zóó in opstand te bedenken, waarom wij onderdrukt worden. Waarom moeten wij terug? waarom moeten wij geknot, gekortwiekt worden? Omkleingeestige, kleinzielige menschenpraatjes.

Wij moeten dáárom afstand doen van onze idealen, om een kleinzielige, kleingeestige menigte tevreden te stellen.

Als 'tnoodzakelijkwas,onvermijdelijk noodzakelijk, dat we afstand deden van onze illusies, ja, dan moest het; maar zóó is 't niet, alles draait om het spil;publieke opinie! Alles wordt bedorven daarom! Alles wordt daaraan opgeofferd.

De menschen zullen dit, zullen dat zeggen, als wij gingen doen, wat wij zoo zielsgraag willen. Enwiezijn dandie menschen? Bah! En om die menschen moeten onze neigingen onderdrukt, verstikt worden, en wij naar 't donker terug?

Dit te bedenken maakt onshelsch.

De sympathie der denkende wereld is veel, ja zeker. Of wij niet weten hoe zij genieten als beschaafden en ontwikkelden ons aanhalen; maar 't domme lachen der niet begrijpende menigte ismeer, ismeerzelfs dan de stem van 't geweten. Kunnen wij er in berusten?

Er is zooveel gesproken, geschreven over de vooruitstrevendheid van ons huis, over 't vooruitstrevende geslacht der Tjondronegoro's. Lang reeds is Grootvader gestorven, maar zijn naam leeft voort, wordt met eerbied en sympathie genoemd door wie van hem weet of hoort. Grootvader was de eerste, die zijn zoons, ook zijn dochters, eene Europeesche opvoeding gaf. Grootvader was baanbreker, was waarlijk een hoogstaande man.

Wij hebben hetrecht niet om domte zijn.

Vader heeft veel sympathie in de Europeesche zoowel als in onze eigen wereld, en waarom?

Vader heeft geen enkel regent tot schoonzoon, maar Vader heeft zijn kinderen, zoons en dochters, totdenkende wezensgevormd. Dat is eenverdienste, dè verdienste, die Vaderveler achtingensympathieheeft doen verwerven. En de achting en sympathie derweldenkendenzullen nietverminderen, maar zullentoenemen, als Vaderzijn werkkroonde met ons toe te staan onze innigste zielsbehoeften, die Vader zelf opriep, te bevredigen. Maar de spotlach der niet begrijpende menigte is meer—o!

Onze opvoeding was komedie—schitterenwas hetdoel. Wij moesten en zouden schitteren, met echte of valsche steenen, om 't even. En wij mogen het niet kwalijk nemen; ook in de maatschappij, door wier licht wij onze zielen kennen, staat deschijnin hoog aanzien. Arme dwazen, die Waarheid liefhebben boven den almachtigen koningSchijn. Ook wij zullen komedie spelen, dat verplicht ons onze trots, die niet gedoogt, dat de wereld onze zielewonden ziet.


Back to IndexNext