Chapter 8

[1]Panghoeloe = bedienaar van den godsdienst.

[1]Panghoeloe = bedienaar van den godsdienst.

[2]Tinka's = kuren.

[2]Tinka's = kuren.

[3]Aloen-aloen is een uitgestrekt grasveld met enkele groote boomen vóór de woning van regenten.

[3]Aloen-aloen is een uitgestrekt grasveld met enkele groote boomen vóór de woning van regenten.

[4]In een lateren brief van21Maart 1902 vindt men eene meer uitvoerige beschrijving.

[4]In een lateren brief van21Maart 1902 vindt men eene meer uitvoerige beschrijving.

31 December 1901. (VIII).

Wij willen niet langer op een wrak schip varen. Er moet iets gedaan worden aan die diep treurige zaak. Wij zullen al heel, heel gelukkig zijn, als maar de aandacht der weldenkenden daarop gevestigd is. Ik heb meer dan eens met vrouwen van Inlandsche hoofden en vrouwen uit de volksklasse over het idee van het onafhankelijke, zelfstandige, geldverdienende meisje gesproken, en 't kwam telkens hierop neer: "Er moet één zijn, die voorbeeld geeft." Wij zijn overtuigd, dat, als een den moed heeft om te beginnen, velen zullen volgen. Werkelijk het zal géén onbegonnen werk zijn. De quaestie is maar: één moet voorgaan, en het voorbeeld moetgoed, degelijkzijn. De een wacht op de ander; niemand durft de eerste te zijn; de ouders wachten op elkaar: wie zal den zedelijken moed hebben, om zijne dochter zelfstandig, onafhankelijk te laten worden, op zichzelf te doen staan? Wij kennen een regentsdochter, van onzen leeftijd, die ook een en al geestdrift is voor het vrijheidsidee. Zij zou dolgraag verder willen leeren. Zij spreekt keurig Hollandsch en heeft veel gelezen. 't Is de dochter van den Regent van Koetoardjo[1]; er zijn twee groote meisjes, allerliefste kinderen, wij mogen ze dolgraag. Ik weet van eene onderwijzeres, eene kennis van ons, dat 't oudste meisje dolgraag studeeren wil.[2]Van haar zelf wist ik, dat ze o zoo graag Europa zou willen zien. Het tweede meisje is ook een lief, aardig kind. Een paar jaar geleden zijn ze hier bij ons geweest; toen ze thuis kwamen, hebben ze direct schilderen geleerd, en nu schildert de jongste keurig. De vader zegt, dat 't zoo'n groote steun is voor den man, wanneer de vrouw wat geleerd heeft. Hij waardeert zeer de beschaafde, ontwikkelde vrouw. Wij hebben eene andere, getrouwde dochter van hem gesproken, die wel geen Hollandsch spreekt, maar toch op de hoogte van alles is, en zeer veel voelt voor de vrije, onafhankelijke Europeesche vrouw. Zij zou 't idealig vinden, als 't ook zoo in de Inlandsche wereld was.

Er is eene andere regentsdochter hier geweest, een Soendaneeschmeisje, dat geen woord Javaansch spreekt, en met ons in 't Hollandsch converseerde.

De eerste vraag, die ze mij deed was: "Hoeveel moeders hebt u?" Ik keek haar met pijnlijke verbazing aan. (Zij was in huis bij Europeanen opgevoed). En dan ging ze door (schrik niet): "Ik heb 53 moeders, weet u, en ben met ons 83 (zegge drie en tachtigen). Ik ken de meeste mijner broers en zusters niet; ik ben de jongste, en heb mijn vader nooit gekend; die was gestorven vóór mijn geboorte". Is 't niet diep, diep treurig?

In vele streken van de Preanger hebben de adellijke meisjes vrije keuze, velen kennen haren aanstaanden echtgenoot. De jongelieden kennen elkaar en verloven zich op Europeesche wijze. Gezegend land! en toch—en toch! Daar is een meisje, eenig kleinkind van een regent, (de ouders zijn dood), heeft eeneprachtige opvoedinggenoten. Naar hetgeen haar onderwezen werd te oordeelen, moet ze een wonder van geleerdheid zijn; zij speelt keurig piano, enz. enz. Zij is verloofd op Europeesche wijze en getrouwd—met iemand—dievrouwenen een troep kinderen, waaronder volwassenen zijn, heeft. Ik heb met eene schoondochter van haar kennis gemaakt, een lief Hollandsch sprekend vrouwtje, moeder van een tweejarig kind; zij was 17 jaar oud—een jaar of twee jonger dan hare schoonmama. Zij heeft haar man zelf gekozen, vertelde ze mij, en is heel gelukkig. * * * * * Het idee omalleswat ikdenkenvoelover dieptreurige dingen in onze Mohammedaansche vrouwenwereld te publiceeren, bestond bij me reeds lang. Ik dacht er over het in boekvorm op te stellen: eene briefwisseling tusschen twee regentsdochters, eene Soendaneesche en eene Javaansche. Reeds heb ik een paar brieven geschreven ter inleiding en aanteekeningen gemaakt. Het idee zal iknietlaten varen, al zal 't misschien nog eenige jaren duren, voor ik het uitvoeren kan. Vooral zal ik 't niet opgeven, nu ik weet, dat dat ook het idee is van Mijnheer. De groote moeielijkheid is, dat Vader mij niet toestaat zulk een geschrift te publiceeren. "Dat ik de Hollandsche taal machtig ben, is heel mooi, zegt Vader, maar ik mag daarvan niet gebruik maken om mijne meening te zeggen".

Wij meisjes mogen geen meening hebben, wij hebben allesmaar goed te vinden, en ja en amen te zeggen, op wat anderen goed dunkt.

Reeds een paar jaar geleden vroeg eene Hollandsche schrijfster van naam, redactrice van een damesblad, waarmee ik correspondeer, en voor wie ik heel veel sympathie gevoel, een brief van mij te mogen publiceeren, waarin ik even die quaestie heb aangeroerd. Mogelijk kon publicatie gedachtenwrijving uitlokken, en dit zou goed aan de zaak doen. Zij zou mij onherkenbaar maken; naam, woonplaats, alles verzwijgen; alle particuliere dingen er uit laten, en alleen die gedeelten plaatsen, waarin ik 't over zekere zeden en gewoonten van mijn land heb. De brief is naar Java teruggezonden, om aan Vader voorgelegd te worden. En 'tmocht niet—later ... Ik wist wat dit later beteekende, als ik onschadelijk zal zijn, 't Raden Adjeng in Raden Ajoe veranderd is. De dame kwam nog eenige keeren daarop terug, maar 't bleef bij eenneen.

Onlangs had zij het weer er over. Mevrouw Ter Horst, redactrice en oprichteres van 't Indische damesblad "de Echo", die persoonlijk veel van het Inlandsche vrouwenleven kent en in medelijden heeft met de adellijke meisjes in de Vorstenlanden, die als 't ware zoo maar wordenuitgegeven, cadeau gedaanaan wie haar hebben willen, stelde me haar blad ter beschikking. Ze stelde me voor, om daarin een causerie van twee regentsdochters te openen. Geheimhouding voor zoover het noodig is, is absoluut zeker. Ook schetsjes uit onze wereld zullen goed aan de zaak kunnen doen. Ik gaf Vader den brief te lezen, verkreeg toestemming; maar vóór ik iets heb kunnen doen, werd zij weer ingetrokken. Ik mocht voorloopig mijne meening niet zeggen ... alweer was het: later....

De heer Boes van Probolinggo schreef Vader en vroeg mijne medewerking voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.

Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche instelling".

Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen verscheurde. Echt dom van me.

Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.

Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres werd,wie zou mijzijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!—maar zoo ver zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan den Gouverneur-Generaal te steunen.

Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal worden toegestaan. En o God, als 't niet wordt toegestaan, wàt dan? Dan rest ons nog maar één weg: accoucheuse worden. Wij zouden dan onze ideeën van voorgaan en voorlichten moeten opgeven; alleen ons nuttig maken voor eene beperkte menigte zouden we nog kunnen, maar dit vinden we zooveel, veel beter; verkiezen we, boven een baantje als boekhoudster, of apothekersbediende b.v. Ons leven zou in deze betrekkingen zoo leeg, zoo dor zijn; wij zouden vooronsalleen leven, en wij willen leven voor de Gemeenschap, ons geheel daaraan geven.

Ik heb volledige inlichtingen over de Rijkskweekschool voor verloskundigen te Amsterdam, waar men geheel kosteloos voor dat vak wordt opgeleid.Moetenwij dien weg opgaan, dan zullen wij de hulp inroepen van Prof. Hector Treub. Het maakt wel degelijk verschil in de oogen onzer landgenooten, als wij accoucheuse werden, waar wij onze opleiding genoten hebben. Zij zullen het zoo min niet vinden, als wij in Europa opgeleid worden.

De cursus duurt twee jaar. Hoe wij in dat geval naar Europa zouden kunnen komen? Wij weten 't niet, maar er moet iets op gevonden worden.

Maar wij zullen hiertoe niet overgaan, voor weallesbeproefd hebben, om tot dat andere te kunnen geraken.

Och, konden wij maar contact hebben met onze beschaafde, vooruitstrevende jonge mannen, zooals Abdoel Rivai e.a.; hunsympathie voor onze zaak winnen, wat zou dat veel goed doen! O! wanneer zal toch de tijd aanbreken, waarop jongens en meisjes, mannen en vrouwen elkaar als gelijke wezens zullen beschouwen, als kameraden? Zooals 't nu is in onze Inlandsche maatschappij—bah! wat worden wij vrouwen tochvernederd, telkens en telkens weer!

[1]Destijds Raden Adipati, thans Pangeran Poerbo Atmodjo.

[1]Destijds Raden Adipati, thans Pangeran Poerbo Atmodjo.

[2]Dit was o.a. ook het geval met de dochters van den Regent van Karanganjar, Raden Toemenggoeng Tirto Koesoemo, die enkele jaren geleden eene Inlandsche meisjesschool hebben opgericht, welke subsidie van de Regeering verwierf, en thans eene Gouvermentsschool is, tot hedende eenige.

[2]Dit was o.a. ook het geval met de dochters van den Regent van Karanganjar, Raden Toemenggoeng Tirto Koesoemo, die enkele jaren geleden eene Inlandsche meisjesschool hebben opgericht, welke subsidie van de Regeering verwierf, en thans eene Gouvermentsschool is, tot hedende eenige.

Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).

3 Januari 1902. (VIII.)

Maar de Resident zal ons wel zien en spreken; ZEd. was 't, die ons 6 jaar geleden te voorschijn haalde; op zijn verzoek kwamen wij naar buiten; vóór dien tijd kwamen wij nooit in gezelschappen, betraden wij zelfs de pendopo niet, en moesten allen, die ons zien en spreken wilden, bij ons in de binnenkamer of achtergalerij komen. 't Is wel aardig om die periode te volgen, hoe wij stap voor stap den weg der Vrijheid opgingen. De Heer Sijthoff[1]was 't, die ons den eersten stap hielp doen. Nu staan wij op 't punt om een nieuw tijdperk in te gaan. De zes jaren, die achter ons liggen, zijn onze gelukkigste jaren—veel geweend, maar ook veel gejubeld!

Toen wij op Semarang kwamen, kwam mijn oudste zus over; zij woont in 't Kendalsche. Zij had rust noch duur voor zij ons drieën gezien had. "Zus, zus", was alles wat ze zei, toen ze mij zag. De armen, die om mij heen werden geslagen, trilden, en hare oogen waren omfloersd door tranen. Oog in oog, hart aan hart, stonden wij daar zwijgend met ons beidjes—wij begrepen elkaar. Eindelijk hebben wij elkaar gevonden![2]

Wij hebben innig, innig medelijden met zus; men kan zóó zien, dat zij zoo graag met ons mee wil en zich van hare onmacht is bewust. Eindelijk danna jarenvinden wij bij haar sympathie en waardeering. 't Geeft ons moreele satisfactie en weer meermoed. Zij was eerst beslist tegen al dat nieuwe, was beslist conservatief en nu...?

Aardig om hare bewondering voor de jongere zusjes te zien. Verwonder u er dus maar niet over dat wij ijdel en pedant zijn! Dat zij nu door hare bewondering erkent, dat wij niet kwaad zijn, wat wij doen niet slecht, doet ons goed, maar pijn doet 't ons aan den anderen kant toch ook.

Zij heeft een besten man. Ik heb hem kort geleden pasleeren kennen, wij drieën zagen hem slechts enkele keeren, wisselden een paar woorden met elkaar, en daarmee was alles gezegd.

Den laatsten keer, dat wij hem zagen, hebben wij lang met elkaar gesproken—en ik vind, dat zus een prijs heeft getrokken uit de huwelijks loterij. Hij heeft ook de Hoogere Burgerschool bezocht en een paar klassen afgeloopen en is toen bij 't Binnenlandsch Bestuur gegaan. Mijn schoonbroer heeft nu geen vader meer. Al zijne broers en zusjes hebben de Europeesche school bezocht. Een broer van hem zit nog op de H.B.S.; hij zit in de 4deen moet dit jaar naar de 5deklasse overgaan. 't Is een vlugge jongen. Een neef van hem, regent, ried mijn schoonbroer aan, den jongen van school af te nemen; hij zou dan wel zorgen, dat hij terecht kwam. Telkens kwam die neef erop terug, maar zwager wilde daar niets van weten. "Wat, hem van de studie weghalen? Zeker, en dan hem schrijver van een assistent-wedono opf15 off20 tractement laten worden? Geen quaestie van; hij moet de H.B.S. afloopen, en dan bij den handel gaan of bij het spoor".

Flink zoo zwager, hij aanbidt dus niet de goudgestreepte pajong en W. knoopen! Mooi van zijne moeder, vindt u niet, om dien jongen toch door te laten leeren, terwijl zij thuis nog vier kinderen heeft?

Wat is het toch heerlijk om veel geld te hebben; men kan er anderen zoo gelukkig mee maken. Ik wilde wel, dat ik over tonnen te beschikken had, dan stuurde ik dien jongen naar Europa, om verder te studeeren.

Ik ken ook een meisje, die de kloosterschool op Semarangbezocht, en nu wegteert. Arm, arm meisje! zij was aan een heel ander leven gewoon; nu als wedono's dochter, ziet en spreekt ze niemand, en kwijnt weg. Als zij iets had geleerd, waarmee zij geld verdienen kon, zou 't dan zoo zijn met haar? Voor zulken moet 't voorbeeld gegeven worden, datarbeid adelt, dat een Inlandsch meisje niet van familie hoeft afhankelijk te zijn, als ze dat zelf niet wil.

Is er grooter vernedering dan afhankelijk te zijn? Als zij een vak had geleerd, dan was ze nu vrij en zelfstandig! En wat lot wacht haar, als zij leven blijft?—Natuurlijk moet zij trouwen.

Niet lang geleden kwam hier een wajang orang[3]troep, en een van de dansvrouwen was ... een regentskleindochter! Wat is oorzaak van die degradatie?

Vroeger was 't geen gewoonte om de kinderen te laten leeren; nu is 't iets alledaagsch. Maar als men een stuk of 25 kinderen heeft, kan men hun toch niet allen een goede opvoeding geven?

Er is gevraagd naar de oorzaak der vermindering van het prestige van den Inlandschen adel. Werd die quaestie toen aangeroerd, dat men't recht niet heeft levens te verwekken, als menniet laten leven kan? Och wat ben ik toch onnoozel!

Aan alles, alles doordenkende, stijgt uit mijn hart een kreet, een bede op: "Geef den Javaan opvoeding!" En bij die opvoeding moet niet alleen op het verstand gewerkt worden, maar ook op 't gemoed.

En telkens als ik dingen zie of hoor, die mij doen rillen van afschuw, of mijn hart bloeden doen, stijgt als een kreet de bede in mij op: "Geef den Javaan opvoeding!"

Eene groote illusie is het van mij, om ons eens in verbinding te stellen met alle ontwikkelde, vooruitstrevende mannen van Indië. Als één mensch alleen ben ik machteloos, maar als de jonge garde zich vereenigde, zouden wij met vereende krachten iets goeds tot stand kunnen brengen. Wij gloeien van geestdrift, wanneer wij knap geschreven artikelen van onze landgenooten lezen. Hoe zullen wij ons toch met hen in verbinding kunnen stellen? Nu is 't bijna een volstrekte onmogelijkheid. Men zou ons dadelijkverdachtmaken. Vriendschap tusschen man en vrouw,tusschen jonge menschen van beiderlei kunne, acht men onbestaanbaar. Als onze broer terug is, zouden wij 't pas kunnen doen.

Ik dacht bij mezelve, als ik iets vreeselijks deed, dat werkelijk ieders verachting verdiende, en iedereen zich van mij afkeerde, mij smadelijk verstiet, zouden Vader, Moeder 't ook doen? Neen—dat zullen ze niet; ik blijfhunkind, een plaats in hun hart behouden, al had ik 't vreeselijkste gedaan. En er kwam eene groote verteedering over mij. Terwijl wij hier in onze kamer zitten te pieken aan Kleintje's kleeren, (ze wil niet hebben, dat een vreemde er aan komt; wij moeten alles zelf doen), gaat de deur telkens open en komt Vader binnen ... om dit weerspannige hoofd te streelen, waarin zoovele oproerige gedachten woelen.

Over vier weken zal zus niet meer in ons midden zijn. ?Jullie zullen mij erg missen, dat weet ik", zei zij. Eensallesdrie geweest, altijd drie bijeen, en dra?...

Wij zullennooitkunnen vergeten.

[1]De heer Sijthoff was eerst resident van het gewest Japara, en later van het gewest Semarang waartoe Japara ging behooren.

[1]De heer Sijthoff was eerst resident van het gewest Japara, en later van het gewest Semarang waartoe Japara ging behooren.

[2]Bij het lezen hiervan zal men wel willen billijken, dat ik de passage op blz.52behield.

[2]Bij het lezen hiervan zal men wel willen billijken, dat ik de passage op blz.52behield.

[3]Wajang orang is eene vertooning door menschen van tafereelen uit de Javaansche oudheid.

[3]Wajang orang is eene vertooning door menschen van tafereelen uit de Javaansche oudheid.

15 Februari 1902. (I.)

Als mij iets onaangenaams van de menschen overkomt, dan brengt dat mijn bloed aan 't koken, ben ik verontwaardigd, maar daarna komt er zoo iets als vreugde over me: ik ben blij dat zij 't zijn, die mij het aandeden ennietik hun, want dan zou iklaagzijn, en als ik dan bedroefd ben, is 't omdat zij met die laagheid mij schandelijk onrechtvaardig bejegenden.

Vergeef me, dat ik nu eerst je schrijf; zoo dadelijk na 't vertrek van onze lieveling, ons harte- en zielezusje, kon ik aan geen schrijven denken, schoon jij me niet uit de gedachten was aldoor. Zus is den 31enJanuari van hier naar hare nieuwe woning vertrokken. God geve, dat ons kindje zoo gelukkig mag worden, als een jong, rein, onschuldig menschenkind dat maar bij mogelijkheid worden kan. Je weet hoezeer wij drieën aan elkander zijn gehecht, en dat zij ons beider troetelkindje is geweest, omdat zij niet sterk is en zooveel onze hulp en steun behoefde steeds. Zooveel hebben wij vóór haar trouwen reeds om de a.s. scheiding geleden, dat toen de groote slag viel, wij ongevoelig waren. Wij waren zoo akelig kalm, wij dachten niets, wij voelden niets. Zij ging, en wij zagen haar gaan met droge oogen. We werden bang van ons zelf, wij waren zoo koud, zoo heelemaal zonder gevoel; niets raakte, roerde ons aan. Dat was onnatuurlijk; koud zijn, dat is tegen onze natuur in; we waren bang, dat er iets broeide, iets in aantocht was; dat die ongevoeligheid de voorbode was van iets naars: ongesteldheid of zoo iets. Wij voelden ons zoo leeg in 't hoofd en van binnen. Annie Glaser, ons makkertje, zocht ons veel op, op verzoek van zusje. Op een avond dat zij er weer was, speelde ze zusje's en onze lievelingsstukken op de piano. En daar langzaam ontdooide de ijskorst om onze harten onder de tonen van haar muziek. En met de warmte keerden de pijnen weer terug in onze harten. Goddank, dat wij ons gevoel weer terug hebben! Goddank; zeggen wij, niettegenstaande de pijnen, want wie ongevoelig is voor pijn, is ook niet vatbaar voor de vreugde. Wie niet heeft geleden, kan ook niet hoog genieten.

Zij is weg, ver weg van ons, en wij kunnen 't ons nog maar niet voorstellen, dat zij hier niet meer is, ons kleintje, ons eigen kindje. Wij zien haar overal, ze is om en bij ons als altijd, alleen maar dat wij niet luid met elkaar praten als altijd, maardit nu slechts in gedachten doen. 't Is ons nog zoo vreemd, dat we naar papier en pen moeten grijpen om haar 't een en ander te zeggen!

Kleintje, ons kleintje, zijt gij dan werkelijk van ons heen? Ah! Dierbaar zusje, wees gelukkig in uw nieuwe leven en verspreid geluk om u heen, zooals gij het hier deed, en waarmee ge harten aan het uwe hebt vastgeschakeld.

Stella, heb veel geduld met me, ik zou je zoo graag gelukkig willen maken met een jubelenden brief, maar dat zal ik nog in lang niet kunnen doen, vrees ik. Maar wees jij niet ontmoedigd, mijn beste, wij denken er in de verste verte niet aan om onze plannen op te geven; wij zijn juist steeds doende om onze positie sterk te maken; heerlijk, dat wij steeds meer sympathie winnen.

Daar is een jongmensch, een erg knappe bol, en zedelijk hoogstaand, die ons niet persoonlijk kent, maar toch zooveel sympathie voor ons streven gevoelt en daarin zoo levendig belang stelt, als was hij een eigen broer van ons. Wij correspondeeren met hem en later zal hij hier komen om persoonlijk met zijne zusjes kennis te maken. Hoe anders is hij dan al de andere jongelui, die wij kennen. Het heiligst goed op aarde, las ik eens, is eenedel mannenhart. Wij onderschrijven die woorden, waarlijk, een edel mannenhart is 't kostbaarste goed op aarde; het iszoo zeldzaam. Gelukkig zij, die in hun leven zulk een parel ontmoeten. En gelukkig zijn wij, wij kenneneenigevan dat kostbare en zeldzame exemplaar. Zie, al dat goede steunt ons, geeft ons telkens nieuwen, frisschen moed en kracht tot arbeid en tot strijd.

Zus Roekmini houdt zooveel van je en stelt je zoo hoog. 't Is zoo'n best kind, zij is zoo goed, zoo trouw. Je zoudt zeker goed met haar kunnen opschieten, als je haar kende. Maar je kent haar reeds door mij, niet waar?

Toen ik zoo ziek was, verzocht ik haar je te schrijven, maar dat wilde ze niet, omdat 't je zou verontrusten.

Ik hoop vurig, vurig voor haar, dat zij hare grootsche illusies zal kunnen verwezenlijken.

Weet je wat mij tot nadenken stemde en ook eenigszins ontmoedigde?

Toen zij en naderhand ik zoo zwaar ziek waren, dacht ik bij mezelve: "Ziehier iemand, die gloeit van geestdrift voor eeneedele zaak, die oprecht en vurig wil, het Goede dienen, zooals haar dit het beste lijkt; zij waant zich sterk om bergen te verzetten, en zie, daar ligt zij weerloos, machteloos!

Als iemand haar opnam, en in de put gooide, zij zou 't stil laten begaan, geheel weerloos, machteloos, als zij was.

Nu eerst begrijpen we zoo goed, wat de Genestet in zijn "Terugblik" zei:

"Wat wij wenschen, willen, streven,Hooger geest gebiedt.Vrije mensch, uw weg, uw leven,Maakt g' u zelven niet.'s Adelaars vlucht heeft vaste perken,Waar hij henen schiet.De Almacht neigt den wil der sterken,Als de wind het riet.Leg den grond voor—luchtpaleizen,Op der plannen kaart,Merk den weg, dien gij zult reizenWijd en schoon is de aard!Kies uw lot en zoek uw wegenBij uw eigen licht!...Maar verwacht een God van zegen,Die uw gangen richt!"

En diezelfde dichter heeft ons zooveel troost geschonken in zware, moeilijke dagen.

18 Februari 1902. (VIII.)

Wij kunnen ook wel zoo echt dol en dartel, zoo èchtjongzijn—o! konden wij u hier tooveren. Wij waren den Zondag na ontvangst van uwen lieven brief, en dezen Zondag weer met Anneke aan 't strand. Wij dachten aan u en spraken van u. Ah, kon u maar bij ons zijn, om naar 't woeste golvenspel te kijken, naar 't ongemeen mooie kleurenspel, dat de scheidende zonne tooverde aan het uitspansel. Er woei zoo'n harde wind, in minder dan geen tijd waren onze pruiken gehavend, en hadden wij moeite om onze kleeren bijeen te houden. Er was leven in de boomen, leven in 't onafzienbare watervlak, en leven ook in de vijf personen, die de golven naderden en zich door de golven na lieten loopen. Wat hadden we een pret! Door 't geraas der golven heen, hoorde men onze stemmen, onzen lach. Dat waren de "onderwijzeres" en de deftige "prinsessen", die daar renden en draafden met verwaaide haren en verwaaide kleeren. 't Was zoo verrukkelijk, zoo ècht jong en dartel! Onze koetsier en enkele voorbijgangers bleven staan om ons met open mond aan te gapen.

Den volgenden morgen gingen we weer naar 't strand; de zee was uitgeraasd, kalm; rustig lag daar 't onmetelijke watervlak vóór ons; slechts kleine rimpels, waarop 't zonnelicht als briljanten danste, vertoonden zich op den waterspiegel, die 't prachtige blauw van den hemel weerkaatste. We gingen de zee in; de bodem was effen; geen steentje, geen zeewier, geen modder; we gingen een heel eind ver, tot 't water aan onze kin reikte. De baboe aan 't strand werd angstig; we konden elkaar niet meer verstaan. Zij liep als een gek met hare armen te zwaaien, ons terugroepend. En wij lachten om haar angst. Van uit de verte zag ze de vijf hoofden rond drijven: wij dansten en over het water klonken onze stemmen, die een frisch liedje aanhieven.

Als verjongd kwamen we uit de zee, brachten thuis een geweldigen honger mede. Als we flink ontbeten hadden, zette Annie zich aan de piano. Uit de volheid van haar hart speelde ze een "danklied" en wij zongen mee. 't Was intusschen halfelf geworden. Nu fluks aan den arbeid; in de achtergalerij stond onze schilderdoos klaar! Met ons vijven zaten we om een tafel, en waren dra druk aan den gang; niet alleen de vingers repten zich, maar ook de mondjes zaten niet stil; er werd aldoor gepraat, gelachen en gezongen. In een oogwenk was de tijd om, en moestenwe weer aan tafel. 's Middags een toertje maken, en dan aan 't strand wandelen!

Van de wandeling, ten minste, als 't niet al te donker is, in den tuin thee drinken, te midden van groen en bloemen, en boven ons een prachtig blauwe hemel, met enkele sterren en de bleekgouden maan. En daarna samen lezen of musiceeren. Als Annie piano speelt, zitten wij er gewoonlijk bij te handwerken of te schrijven, zoo onder muziek te werken is heerlijk. 't Werk vlot zoo goed. Koken staat ook op 't program. Dat doen wij na de rijsttafel.

Komt u beiden maar zelf over, om u hier te verpoozen van dat drukke Batavia. Toe, doet u 't eens? Wij zullen u opwekken. Wij zullen u laten genieten van een echt dessaleven, zoo rustig, zoo stil, kalm en vredig; voor leven zullen wij zorgen; daarin zullen ons bijstaan de boomen, de wind, de zee, de vogels, die 's ochtends ons steeds met een concert begroeten.

Komt over, lieve Vrienden, komt in ons eenvoudig en stil plaatske nieuwe, frissche kracht halen!

Van de bruiloft hier zal ik maar vertellen, dat Zusje was een lieve bruid.

Zij trouwde in wajang-kostuum en zag er keurig uit. 's Avonds op de receptie verscheen ze als een sprookjesprinses uit duizend en een nacht. Zij had een gouden kroon op en was gesluierd, 't Was als een sprookje! Iets nieuws, het zal stellig navolging vinden.[1]

Resident Sijthoff, die Zus graag nog voor 't laatst als jong meisje zag, woonde de geheele geschiedenis bij. Graag hadden ze haar nog voor 't laatst als jong meisje de hand gedrukt, maar dat was niet mogelijk. Ze konden haar maar met de oogen groeten. Als uit steen gehouwen zat ze daar voor den goud-glanzenden troonhemel; kaarsrecht, het hoofd fier opgericht, de oogen recht vooruit, starend naar de toekomst, die dra ontsluierd zou worden. De gebruikelijke traantjes werden er gestort; zelfs vreemden waren ontroerd; doch èn zij, èn wij tweeën, waren en blevenkalm, koudenonbewogen. Gamelan, noch muziek;wierook noch bloemengeur, vermocht de minste ontroering bij ons teweeg te brengen.

Wij warenkoud. Men had zich het afscheidvreeselijkvoorgesteld, en men wasverbaasd.

Wij hadden veel bekijks en hebben nog steeds veel bekijks. Men is benieuwd, hoe wij ons er onder houden.

Wij hebben den Resident nog over onze plannen gesproken, dien avond nog. Stel u voor, temidden van feestgewoel spraken we over eene zaak zóó ernstig en zóó teer. Maar 't was de eenige gelegenheid om hem alleen te spreken, en wij moesten voortmaken. Alleen! en om ons heen waren menschen en nog eens menschen. Te midden van groen en bloemen, zijdegeglans, goud- en juweelengeschitter, stemmengegons, in een zee van licht zaten wij daar met een champagneglas in de hand, 't was middernacht, over ernstige onderwerpen te spreken. Van tevoren wisten we, dat hij ons zou uitlachen en minstens ons "mal" vinden. Wij lieten er ons niet door afschrikken. Hij sprak mij eerst, daarna Roekmini, om te zien zeker, of wij elkaar al dan niet nabrauwden. Dikwijls verliet hij ons in eene niet zeer vriendelijke stemming, maar kwam toch telkens weer terug, om 't gesprek opnieuw weer aan te knoopen.

Als wij naar Hollandkonden gaanom te studeeren,wat zou ubeidenbetervoor ons vinden, dat wijgingenof dat wijhier bleven? Wil u onshierop antwoord geven? omdat u mijn gezicht niet kunt zien, terwijl ik dit schrijf, meld ik 't u, dat ik 't u heel lief vraag en daarbij u heel lief aankijk!

Nog een groot verzoek heb ik u te doen. Zou u zoo zeer vriendelijk willen zijn als u uw vriend Dr. Snouck Hurgronje ontmoet, ZEd. te vragen of er bij de Mohammedanen ook wetten van meerderjarigheid bestaan als bij u?

Of zou ik 't wagen, mijzelf tot ZEd. te wenden om inlichtingen? Ik zou zoo graag het een en ander willen weten over de rechten en plichten, of beter nog over de wetten der Mohammedaansche vrouw en dochter. Een mooie geschiedenis, ik moet er mij voor schamen, dat wij dat zelf niet weten. Wij weten zoo bitter weinig!

't Spijt me ook zoo innig, dat de Meisjes H.B.S. wordt opgedoekt. Vreeselijk is 't.

[1]In den brief van21Maart 1902 volgt eene uitvoerige beschrijving van de huwelijks-gebruiken na de eigenlijke huwelijksvoltrekking, welke laatste niet door de bruid wordt bijgewoond.

[1]In den brief van21Maart 1902 volgt eene uitvoerige beschrijving van de huwelijks-gebruiken na de eigenlijke huwelijksvoltrekking, welke laatste niet door de bruid wordt bijgewoond.

28 Februari 1902. (VIII.)

't Bloed verloochent zich niet; ik hecht waarde, gewicht aan de afkomst van al wat me omringt; ik heb idee, dat voorwerpen afkomstig van personen, die ik onverdeeld eer, liefheb en hoogacht, mij zegen aanbrengen! Uit uwe boeken zal ik zeker met meer lust en ijver, en ik hoop ook met meer gemak, leeren! Vindt u mij nu niet erg dwaas? Ik ben ook niet meer dan een groot kind dat verlangt véél lief te hebben, zoo gaarnewetenwil om te kunnenbegrijpen. Dàt willen wij zoo graag!

Begrijpen is een heel moeilijke kunst, nietwaar, liefste—heel moeilijk om aan te leeren, wien het niet als eene gave aangeboren is.

Begrijpen, doet zacht oordeelen, doet vergeven, en maakt onsgoed. Innig dank, mijn liefste, dat u beiden ons leeren wilt te leeren begrijpen!

't Is Vrijdagavond, gamelan-avond, onze lievelingsstukken worden daar gespeeld! De ijskorst om onze harten is gesmolten; 't zonnetje heeft de koude harten warm gekust! Nu zijn ze weer vatbaar voor aandoeningen! Op de zoete, serene tonen, die deze zachte avondwind van de pendopo komt aandragen, zweven weer onze zielen òp naar de blauwe hemelen onzer verbeelding!

Droom voort, droom voort, droom zóólang ge droomen kunt! Als er géén droomen waren, wat zou 't leven dan zijn? de werkelijkheid is meestal zoo hard.

Men heeft misschien gelijk, wij moesten eigenlijk alleen op een onbewoond eiland wonen!

Maar dat zou puur egoïsme zijn nietwaar? wij moeten, geloof ik,metenvoorde menschen leven. Dàt is de bestemming van 't leven—om het Leven mooi te maken!

Leed loutert, tenminste als de mensch van goed maaksel is; in 't tegenovergestelde geval verlaagt het. Ook wij zijn veranderd —hoe, dat zal de toekomst leeren; wij weten alleen maar, dat we de dartele kinderen niet meer zijn.

Wij hebben al de prulletjes van onze kamer weggedaan, en er de kinderen mee blij gemaakt. De vroolijke meisjeskamer is er niet meer, waar zooveel werd gedroomd, gedweept, gedacht, gevoeld, gejubeld, gestreden en geleden! Alteen onze boekenkast is er onveranderd gebleven, en lachen onze oude vrienden nog steeds ons vriendelijk en vertrouwelijk en bemoedigend toe!

Een onzer beste vrienden, een oudje, waar niet veel meer naar omgekeken wordt, omdat 't ouderwetsch is, ziet men dadelijk, wanneer men hun woning ontsluit. Ons lief, trouw oudje, menigeen haalt er den neus voor op, maar wij hebben hem lief, onzen ouden vriend, die ons nooit heeft verlaten, in vreugdedagen met ons meejubelt, en in smart en donkere dagen ons troost en opbeurt. Het is ... de Genestet.

Het heeft ons in de laatste tijden zooveel troost geschonken!

5 Maart 1902. (VIII.)

Weet u wie de wajangs steeds voor ons teekent? U raadt 't nooit. Een gamelan-bespeler van ons. Verwonderlijk, hoe die man dat kan, en zoo keurig. Maar 't schijnt dat teekenkunst inheemsch is in Japara; kleine katjoengs, karbouwenjongetjes, teekenen keurig wajangs, in 't zand, op den muur, op bruggen, brugleuningen.

De muur achter ons huis zit steeds volgekrast met wajangfiguren. Als de brugleuningen vandaag gewit worden, zitten zij morgen al weer vol wajangfiguren, geteekend met houtskool of een stukje roode baksteen, door naakte, bemodderde aapjes.

't Is wel makkelijk voor ons, om een teekenaar in onze omgeving te hebben; willen wij 't een en ander hebben, dan hoeven wij 't maar te zeggen en uit te leggen.

Nu is de houtsnijder bezig aan iets moois, n.l. een boekenkast van djatihout, met sonohouten randjes. De deur, die uit één glazen ruit bestaat, wordt gevat in een dubbele lijst, twee smalle uitgesneden repen sonohout op kleine afstanden samengevoegd door wajangs en djatihout; aan den benedenkant worden de lijsten vereenigd door slangen, die op elkaar losstormen; het bovenstuk wordt met wajangs besneden; en er komt dan nog lofwerk op. Het bovenstuk rust bij de deur op twee stijltjes, uitgesneden en ingelegd met snijwerk van sonohout. Wij zagen iets dergelijks op Mantingan, het graf van den Sultan van Mantingan ('t ligt een half uur rijdens of iets meer van hier); geen houtsnijwerk, maar pleisterwerk en in de muren gemetseld. 't Zijn oudheden van China afkomstig, waar de Sultan geweest was.

Daar is een heel verhaal aan verbonden. Het is een heiliggraf; wij gaan er nog al eens naar toe. Een Chinees was den Sultan uit China hierheen gevolgd; hij ligt daar ook begraven. Naast zijn graf groeit een patjéboom. Aan dien boom is een wonderkracht toegeschreven. Kinderlooze vrouwen, die gaarne een kind zouden krijgen, gaan er naar toe, brengen den Sultan bloemen en wierookoffers. Als er een patjévrucht op 't graf van den Chinees valt, moeten de vrouwen ze oprapen, daarvan roedjah maken en eten. Haar wensch zal dan vervuld worden. Men heeft ons namen genoemd van personen, die daar baat bij vonden.

Edie heeft gelijk, 't Javaansche volk is een volk van sagen en sprookjes!

Men zegt, dat kinderen, waarmee de Sultan van Mantingan de kinderloozen zegent, allen meisjes zijn! Arme kinderloozen! Wij zullen naar een heilig graf zoeken, dat de wereld met jongens zegent; er zijn al veel te veel vrouwen op de wereld!

Hemeltje, wat ben ik aan 't dwalen geweest. Ik schreef over die kast en vergat ze geheel. Dat mooie meubel is bestemd voor zusje Kardinah, een cadeau van de familie Ovink. Zuske boft er bij!

Verleden maand zijn twee vuurschermen klaargekomen, voor een controleur, die naar Holland gaat. Prachtige dingen—ook met wajangfiguren—het eene, uit drie blaadjes bestaande, is geheel van djattihout gemaakt; en het andere uit één blad djatti hout, gevat in donker sonohouten omlijsting. Prachtig, gewoon!

Heerlijk, dat zooveel vraag is naar ons Japarasch houtsnijwerk. Verbeeld u wat wij op ons dak kregen: er is bederf getreden in de Japarasche houtsnijwerkindustrie, doordat dochters van een hooggeplaatsten Inlandschen ambtenaar aldaar steeds voortgaan de houtsnijders naar Europeesche modellen en motieven te laten werken. Het heeft in een der bladen gestaan. We stonden er verstomd van te kijken, toen wij dat hoorden, daar wij altijd gedacht hadden, dat wajang specifiek Indisch was, en nu blijkt 't, dat wij ons vergist hadden, dat 't iets Europeesch is, want dat waren de modellen en motieven van de kaboepaten afkomstig. Maar vergissen is menschelijk, niet waar? en wij zijn maar menschen, Javanen nog wel. 't Was een heele toer geweest om onze artisten over te halen wajangpoppen te snijden. Ze waren doodsbenauwd dat de wajanggeesten op hen vertoornd zouden worden. Eerst toen Vader hun verzekerde, dat Vader alle verantwoordelijkheid op zich nam, en de toorn en de wraak der geesten hèmalleen zullen treffen, hem, den lastgever, en niet hen, die slechts uitvoerders waren van zijn wil, wilden zij. Vermakelijk was het! zoo is het met meer dingen.

't Was ook heel moeielijk geweest om eenige foto's in de kampong te maken. Het bijgeloof zegt, dat men zijn eigen leven kort, als men een portret van zich maken laat, en een photograaf is een groot zondaar; al de portretten, die hij maakt, zullen in het hiernamaalsche hem om levens vragen.

Toen wij met een photograaf in een kampong kwamen, begonnen eenige vrouwen te huilen, maar toen er eindelijk één moedige was, diedurfde, droogden zij hare tranen, en toen wij weer eens terugkwamen, boden zij zich aan, om gefotografeerd te worden.

Zoo is 't met alles, hè liefste; één moetdurven, voorbeeld geven!

Zusje R. is bezig een portret van zusje K. als bruid te maken. Zij teekende 't uit 't hoofd. De bovenlip en neus willen nog niet goed lijken; het overige kan er mee door, vooral de bruidstooi heeft zusje aardig gedaan. Zij wil probeeren het op een bord na te boetseeren, op de wijze zooals u 't ons beschreef. Van zusje Kartinah heeft ze in haar schetsboek een aardig portretje gemaakt. Aardig toch, dat ze al die dingen doet, zonder 't ooit geleerd te hebben, maar zij is ook een kind van Japara, waar zelfs karbouwenjongens teekenen kunnen. Bevoorrecht land toch dat Japara! U weet niet hoe trotsch wij op ons lieve woon zijn! En velen, die hier moeten zijn, verwenschen het noodlot, dat hun naar dit onmogelijke oord voerde. Verschil van smaak!

Nu even een "ijdelheidskwestie". Onlangs vroeg ik eene Hollandsche schrijfster haar oordeel over ... mijn Hollandsch. Verleden week kreeg ik een briefje van haar en daarin gesloten een schrijven aan eene andere Hollandsche dame, aan wie ze juist haar oordeel zeide over mijn Hollandsch, toen zij mijn brief ontving. Hoe toevallig toch en aardig! Ik was blij natuurlijk! Een week tevoren kreeg ik door tusschenkomst van eene vriendin, van eene andere Hollandsche dame, redactrice van een vooruitstrevend vrouwenorgaan, eene aanbieding, om medewerkster aan haar blad te worden, om de 14 dagen een brief er voor te schrijven. Mijne vriendin had die dame over ons gesproken, en zij voelde veel voor ons streven, en wilde gaarne door middel van haar blad wat voor de Javaansche vrouwen doen. Ook zijwas van oordeel dat een kind van het Javaansche volk zelf haar stem moest laten hooren, om de Hollanders een beteren kijk op het Javaansche volk te doen krijgen, en hun sympathie te doen opvatten voor dat volk. Ik wil dolgraag, maar moet natuurlijk eerst toestemming van Vader hebben, en ik heb er goede hoop op, die te krijgen.

14 Maart 1902. (I.)

Er spreekt zoo'n groote bezorgdheid uit je brief.

Wees nu gerust, lieveling, er heeft niemand mij kwaad gedaan. Ik zelf, domme, onverstandige ik, was 't, die mijzelf kwaad deed. Ik vond er genoegen in om in eigen zielewonden te wroeten, vindt je dat nu niet in-dom? Ah, de practijk van de theorie "door lijden tot heerlijkheid" is zoo hard!

Over mijn zusje schreef ik je reeds in een vorigen brief, 't Is zoo'n groot gemis; wij missen ons harte- en zielezusje bij alles. Wij kregen gelukkig steeds opgewekte brieven van haar. O! 't Is zoo'n lief en edel kind! zij ismeerdan wij beiden tezamen. Zij heeft 't heel goed in haar nieuwe woon en ondervond veel hartelijkheid van 't publiek. Haar nieuwe familie draagt haar op de handen, en waar zij kwam, daar ondervond zij veel hartelijkheid en sympathie van Inlandsche zoowel als van Europeesche zijde.

De Europeanen verwachten van haar, dat zij de vrouwen van de Inlandsche ambtenaren zal ontwikkelen. Zusje kanveeldoen voor onze zaak.

Wat haar man is, weet je reeds uit de huwelijksannonce, die wij je zonden, Patih; dat is op een na de hoogste rang in de Inlandsche ambtenaarswereld; onze zwager is bovendien troonopvolger. Als zijn vader eerlang aftreedt, zal hij hem opvolgen.[1]Als regentsvrouw zal zusje veel kunnen doen voor de beschaving der Inlandsche vrouw, meer nog dan wij 't ooit kunnen. En wij hebben goede hoop, dat haar man haar daarin zalbijstaan; tenminste hij was zeer voor de plannen van den heer Abendanon.

Hij is erg aardig voor zijn vrouwtje, vroolijk en opgewekt, en heeft een medelijdend hart. Hij onderhoudt een schep arme familieleden. Aardig toch, vindt je niet?

Maar dat doen meer Inlanders, en die het goed hebben gedenken hun arme nabestaanden.

Daar is bijna geen enkel Inlandsch hoofd, dat niet een stuk of wat arme familieleden in huis heeft en hen onderhoudt. Niet voor niets dus staat Indië bekend om zijne hartelijkheid.

Over zusje ben je nu dus ook gerust, vrouwtje?

Zij is alleen maar wanhopig, dat men zooveel van haar verwacht, evenals haar oudste zus, die nooit zoo goed haar kleinheid voelt, dan wanneer zeker iemand in Holland (Amsterdam) haar zoo in het zonnetje zet.

Waarlijk, Stella, dat moet je niet doen; ik zal je zoo bitter tegenvallen, als het gelukkigste aller gelukkigste gesternten mij eens in je armen voert. Je hebt een veel te mooien dunk van mij, mijn karakter en mijn intellect. Die zijn, om je de waarheid te zeggen, geen dubbeltje waard, en ikmeen het. Maar wat jenietzal teleurstellen, vrouwtje, dat is mijne liefde voor jou!

Laatst kreeg ik een brief van een ouden heer, die het over mijn "zacht gemoed" en "lieven aard" en "bedrevenheid in de Hollandsche taal" had. Ik glimlachte weemoedig, toen ik dat las en dacht bij mijzelf: "Wist gij het maar!" Hij is op 't laatst van 't vorige jaar uitgekomen en zou ons verleden maand opzoeken, maar 't lot heeft anders gewild; door ziekte moest hij hals over kop naar Europa terug, ook zijne vrouw, met wie hij uitgekomen was, om afscheid van 't Zonneland te nemen.

't Spijt ons innig; wij hadden hem zoo graag ontmoet en over onze zaak gesproken. Toen voor korten tijd geleden sprake was van eene mogelijkheid dat wij naar Holland konden komen studeeren, hadden wij gedacht, gehoopt, in dezen zomer samen met die familie naar Europa te kunnen vertrekken. Helaas! die hoop is vervlogen! Gisteren kregen we brieven uit Holland en ik zei tegen mezelve: "ouwe jongen, 't hoofd op, het zal heusch de eenige teleurstelling niet zijn, die het leven je brengt; geloof maar vast, dat de toekomst nog een heele hoop voor je in haar schoot verborgen houdt!" En ik ben er overheen gestapt. 't Leven leert je vanzelf koelbloedigheid.

En nu over het voorstel van Mejuffrouw Van der Meij. Allereerst dank ik je hartelijk, mijn trouwe kameraad, voor hetgeen je voor mij hebt gedaan; dan dank ik je ook voor de toezending van "Belang en Recht". Ik ben met je briefje, waarin je mij dat voorstel deedt, naar Vader gestapt, dien ik 't liet lezen.

Vader wil eerst de komst van Van Kol afwachten, alvorens in die zaak te beslissen. Ik heb goede hoop op zijne toestemming. Hoef ik je nog te zeggen, dat "ik wil"? Je weet, dat 't pennen mij steeds heeft aangetrokken, en ik zal maar gelooven, dat ik daartoe aanleg heb, zooals jij het mij zoo dikwijls verzekerd hebt. Ja, Stella, ik wil, maar niet onder mijn eigen naam, ik wil onbekend blijven, vertel dat aan Mejuffrouw Van der Meij. Maar dat zal ook veel helpen!!! als men hier in Indië hoort van artikelen eener Javaansche vrouw, dan weet men dadelijk de schuldige aan te wijzen. 't Is vervelend; ik word niet graag aangesproken over mijne pennevruchten (misbaksels) en vooral niet, als ik niets dan lof hoor, bah! Men vindt eene Hollandsch schrijvende Javaansche vrouwinteressant, ziedaar het geheim van het goedkoope succes. Pleizierig voor mij I

Maar laat ik nu de voordeden aan dat interessant-zijn verbonden, niet over het hoofd zien.

Het heeft wèl degelijk zijne voordeden. Ja, Stella, ik en anderen gelooven, met jou, dat het veel goed kan doen, wanneer een kind van het eigen volk zijn stem verheft, eene Javaansche vrouw zelf wijst op 't lief en o zooveel leed in hare wereld.

Daar wordt zooveel en zoo bitter geleden in onze arme vrouwenwereld. Maar eer ik mijn stem tegen al die onrechtvaardigheden in onze wereld verhef, moet ik mijgoed, goedbedenken; moet ikweten, wat ikdoe; ik zal mij met mijne stemverheffing denhaatop den hals halen vanallen, die voordeel genieten van de onrechtvaardigheden, waartegen ik ten strijde trek.

Mij persoonlijk kan die vijandschap niets schelen, maar 't kan onze zaak schaden. Als ik onderwijzeres zal zijn, zou dat misschien vele ouders weerhouden hunne kinderen aan mij toe te vertrouwen, daar ik ingrijp in overoude instellingen. Tot zulk geschrijf zal Vader mij geen toestemming geven, althans voorloopig niet. De gelegenheid daartoe is mij reeds meermalen aangeboden geworden, en ik mocht niet.

Maar wat Mejuffrouw Van der Meij voorstelde, is iets anders;ik heb hoop, dat ik het zal mogen. Maar zooals ik je reeds zei, geheimhouding is de conditie.

In dien geest voor 't publiek te schrijven, is de weg, dien een vriend van ons mij ook aanwees op te gaan. Ik moest stukken schrijven, diebesprokenworden, en zelfs in de Tweede Kamer komen, zóó dat er een enquête wordt ingesteld op last van genoemd regeeringslichaam.

't Heeft altijd in mijne bedoeling gelegen om zulk een werk uit te geven, maar ikvoelzelf, dat 't nu de tijd nog niet is, om uitvoering aan mijn voornemen te geven; ik voel mij daartoe nog niet sterk genoeg; mij ontbreken nog vele gegevens. Ik moet nogveel zien, veel hooren, en dat alles goed verwerken, diep, diep mijne gedachten erover laten gaan.

De vrucht is nog niet rijp, Stella; wanneer zij 't is, zal ik niet langer aarzelen haar aan de openbaarheid te bieden.

Als wij ons tot de Koningin wenden, dan is 't niet om de hulp van 't Koningschap in te roepen, om door Koninklijke tusschenkomst de hulp van den Staat te verkrijgen, maar wij vragen der Vorstin Haarpersoonlijkeof particuliere hulp. Als je weet, hoe trotsch wij zijn, dan begrijp je, wat een strijd 't ons kost, voor we er toe besluiten kunnen hulp tevragen.

Maar zooals je zegt, waar groote belangen zijn, moeten kleine zwijgen.

En wij zien onzen trots voorbij voor het belang van het algemeen.

Steeds hebben wijvragenafschuwelijk gevonden, ook al weten we, dat wij geen weigering zullen krijgen. In dit geval is vragen de eenige kans tot slagen.

Iemand, die bij de Koninginnen is geweest, verzekerde mij, dat ook de Koningin-Moeder warm belang stelt in Indië en dat H.M. verwonderlijk goed op de hoogte is van heel veel hier in Indië.

En wij willen het graag gelooven. Toen wij ter gelegenheid der Vrouwententoonstelling de Koningin een paar werkjes aanboden, was het de Koningin-Moeder, die haar particulieren secretaris naar de presidente van Insulinde zond, om naar ons cadeau te informeeren. H.M. was het, die op de Tentoonstelling de presidente, die haar rondleidde, verzocht, een paar zinnen uit onzen brief voor te lezen. Of de Regeering, òf de Koningin, een van beiden zal en moet 't zijn. En als 't bij allebei op een nuluitloopt, dan maar naar Modjowarno, al is dat nu ook juist niet mijn hartewensch. Weet je waar ik soms naar verlang in moedelooze buien? naar de Buitenbezittingen, naar onzen vriend,[2]die diep, diep in 't hartje van de binnenlanden zit, tusschen koppensnellers leeft en deze wilden weldoet op allerlei manier, vooral door geneeskundige hulp.

Als een vogel met lamgeslagen vleugels zou ik bij hem komen, en hij zou mijn moede kopje streelen, zoolang, tot mijn hijgen en steunen bedaart, en uit zijn hand wat van de vrede, die over heel zijn wezen is verspreid, in mij is gevloeid! Toch is hij ook mensch, heeft hij zijn neerslachtige buien, zijn strijd.

Stella, Stella, dat ik even mijn armen om je heen kon slaan, mijn hoofd aan je hart kon laten rusten.

Misschien ga ik toch naar Celebes, naar onzen vriend en de koppensnellers. 't Komt er niet op aan, op welk eene wijze je 't Goede dient, als het maargoedis. Och neen, neen, schrik er niet van, denk er niet aan, Stella, lieveling, 't zal misschien niet noodig zijn, en 't moeilijke raadsel zal nog op eene bevredigende wijze kunnen worden opgelost. Er zit nog wil, nog energie in me, Goddank!

Hoop 't beste, denk 't beste en heb mij steeds lief, lieveling.


Back to IndexNext