[1]Dit is sedert het geval geweest. De echtgenoot van Raden Adjeng Kardinah is nu Regent van Tegal.
[1]Dit is sedert het geval geweest. De echtgenoot van Raden Adjeng Kardinah is nu Regent van Tegal.
[2]Bedoeld wordt Dr. N. Adriani, aan het meer van Poso, zooals ook blijkt uit de tot hem gerichte brieven.
[2]Bedoeld wordt Dr. N. Adriani, aan het meer van Poso, zooals ook blijkt uit de tot hem gerichte brieven.
21 Maart 1902. (V.)
Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren zóó lang en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men, dat wij drieën één geworden waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed verlaten heeft, wil nog niet bij ons in; 't idee, dat ze van ons is weggegaan en niet weerom komen zal, is ons onverdragelijk. Wij denken nog maar steeds, dat ze voor een poos gaat uit logeeren en op een dag weerom komen zal.
We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang bij stil te staan, want dat zal wel niet het eenige harde afscheid zijn; nog vele wachten ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in ieder leven, scheiden is 't wachtwoord, 't heele leven door!
"'t Is verstandig van tijd tot tijd,Een teed'ren, sterken band,Die 't arme harte bindt en vleit,Te schudden van de hand."
zegt de Genestet, maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vindt ge niet?
We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed en heeft 't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk. En nu zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's huwelijk.
Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen, weken van tevoren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt. Wij hadden zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een sterfgeval in de familie. Een nichtje van ons en zuster van den bruidegom stierf kort vóór de bruiloft. Arm mensch, 't was nog zoo'n jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet weten, dat zusje met een eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van Vader. Vóór dien tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij nog een schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer beiden groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen.
De kennismaking van zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de Gouverneur-Generaal op Semarang was. Usance is, dat jonge meisjes nooit 't huis uit mogen, tenzij om een haar wildvreemden echtgenoot te volgen. Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds met menige traditie gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En wij zijn nog steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag een Javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet binnenshuis of als zij een eigen kamer heeft, dan in hare kamer blijven.
En in December waren we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels plat, om zelf 't een en ander te koopen.
Gefeliciteerd wordt 't Javaansche meisje niet met haar engagement, en men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij doet juist, of zij er niets van weet.
Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben willen lezen, toen zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken.
Wij zijn dan ook "vreeselijke" wezens. Och, maar is 't bij de beschaafden niet evenzoo? Daar is men ook spoedig geneigd teveroordeelenwat men nietbegrijpt.
Wij mogen 't onzen armen onwetenden niet kwalijk nemen, en wij doen 't ook niet.
Een dag of twee vóór de huwelijksvoltrekking worden onze afgestorvenen herdacht. Daar is poëzie in die gedachte. In vreugde herdenken wij steeds onze dooden. Er wordt een offermaaltijd gegeven, waarbij in een gebed door priesters de zegen der afgestorvenen voor het voorgenomen huwelijk van den nazaat wordt afgesmeekt.
Dit gebeurt bij de bruidsfamilie. Mijn zwager kwam met zijne familie op den dag vóór de huwelijksvoltrekking. De eerste gang van een Europeeschen bruidegom bij aankomst op de woonplaats zijner bruid zou zijn naar zijne aanstaande, doch bij ons geen quaestie er van. De bruidegom mag zijne bruid heelemaal niet zien, vóór de band is gesloten; zelfs zijne familie mag haar nog niet zien.
Den dag vóór de huwelijksvoltrekking wordt de bruid in een bloemenbad gebaad, en daarna wordt ze onder handen genomen door de toekang paès (bruids(egoms) aankleedster(er), eenevrouw, die tegen belooning zich speciaal belast met het aankleeden van bruiden).
De bruid neemt plaats op een speciaal voor die gelegenheid vervaardigd kleedje, bestaande uit een matje, waarop katoentjes en zijdjes, genoeg voor een kabaja, op elkaar zijn genaaid; dit wordt 't eigendom der toekang paès. Om haar heen staan allerlei gebakjes, benevens sirih, pinangnoten, pisang, een gendie water, rauwe rijst, een geroosterde kip, en ... een levende kip, en een brandend nachtpitje.
Er wordt wierook gebrand en de toekang paès scheert de bruid de fijne haartjes op 't gezicht en in den nek af; de haartjes op 't voorhoofd worden gelijk geknipt, evenals het haar om de ooren; ook de wenkbrauwen worden met een scheermes gefatsoeneerd. Aan de geknipte voorhoofd-haartjes en 't haar voor de ooren en de geschoren wenkbrauwen herkent men jonggetrouwde Javaansche vrouwtjes.
Tegen een uur of vier 's middags begint men aan 't toilet der bruid. Het voorhoofd wordt met zwarte zalf beschilderd, tot even over de ooren, op deze wijze, en het gezicht geblanket, terwijl het haar kapelvormig wordt gekapt en gevuld met bloemen.
Op het kapsel worden zeven juweelen op spiralen stelen bevestigd, die aldoor op en neer wiebelen.
Een met goud bewerkte kain, een kabaja van zilver gaze de lis en de noodige juweelen sieraden, als broches, halsketting, armbanden, oorknoppen en mouwknoopen voltooien het toilet.
Javaansche jonge meisjes mogen nooit bloemen in 't haar dragen; alleen getrouwde vrouwen mogen dat. Bejaarde vrouwen ziet men dikwijls met bloemen in 't haar loopen.
De avond vóór de huwelijksvoltrekking heet "widodarenni"; "widodari" beteekent engel, hemelsch wezen. Op haar laatsten meisjesavond vergelijkt men 't in het huwelijk tredend meisje met zulk een hemelsch wezen, en wordt die avond gevierd.
Ge hebt wellicht bij Mevrouw Rooseboom de foto's van 't Japansch houtsnijwerk gezien, en ge herinnert u zeker nog de afbeelding van een meubel, dat drie poorten voorstelt. Welnu dat voorwerp heet "kwade" (uitspraak kwadee) en is een meubel, dat bij bruiloften dienst doet.
Het fraaie houtsnijwerk, geheel verguld op een purperen fond, was in een groote zaal in het achtergedeelte van de Kaboepatenopgezet. Alle tafels, stoelen, banken waren uit dat vertrek verwijderd, en de vloer was gedekt door één groot alcatief.
Aan weerszijden van de met gordijnen en bloemen versierde "kwade" stonden twee groote koperen vazen, gevuld met jong klappergroen en bloemen. Deze vazen heeten "kembang majang" en mogen op geen bruiloft ontbreken. Zoowat tegen half acht in den vooravond, toen onze vrouwelijke gasten zich in de "kwade"-zaal vereenigd hadden, waar ze in twee rijen aan weerszijden van de "kwade" op den grond zaten, kwam zusje, aan de hand geleid door onze getrouwde zuster en schoonzuster buiten, gevolgd door een vrouw, die haar sirihdoos en kwispeldoor droeg. Zusje nam voor de middelste poort plaats, tusschen hare familie en de voornaamste gasten in. De sirihdoos en kwispeldoor worden naast zusje neergezet, voor den vorm slechts, want Kleintje eet geen sirih; achter haar wuifde een klein meisje haar koelte toe.
Onbewegelijk als een Boeddhabeeld zat zusje daar op haar gekruiste beenen voor de goudglanzende "kwade", te midden van stemmig gekleede en stemmig kijkende vrouwen der Inlandsche hoofden, die daar naar den rang van haar echtgenooten gezeten waren, aan weerszijden van de bruid. Er werd thee en gebak gepresenteerd; ieder kreeg een kopje thee, en een paar schaaltjes gebak voor zich, en de bruid en de voornaamste gasten kregen ieder een apart theeservies en een blaadje vol schaaltjes gebak. Er was als 't ware een tapijt van gebakjes gespreid voor de gasten, hier en daar onderbroken door gouden, schildpadden, zilveren en houten sirihdoozen en kwispeldoors. Het gezelschap bestond uitsluitend uit getrouwde vrouwen; wij ongetrouwden hoorden er niet bij.
Gij hebt waarschijnlijk wel gehoord, dat er voor den Javaan geen grooter levensmislukking bestaat dan eene ongetrouwd gebleven vrouw, wat meteen eene schande is. Zoo lang is 't ook nog niet geleden, dat men in 't verlichte Europa er zoo over dacht, nietwaar? Wij mogen 't dus van het dommelende, onverlichte Indië niet kwalijk nemen.
Als de bruidegom een moeder heeft, dan zit deze op dien feestavond ook mee aan 't feest van hare a.s. schoondochter.
Onze mannelijke gasten vertoefden met vader in de pendopo[1],terwijl de bruidegom stil thuis bleef, waar hij logeerde. Of zusje blij was, toen tegen half tien de zitting was opgeheven, voor haar alleen. Heel deftig en bedaard schreed ze door de rijen zittende vrouwen de zaal uit, maar nauwelijks was ze uit 't gezicht, of zeholdenaar onze kamer toe, om zich van al dat gedoe te ontdoen. Nu was ze weer zusje, ons lief, vroolijk Kleintje, en geen Boeddhabeeldje.
Dien avond werd de Profeet herdacht. Op onze kosten werd in de moskee een groote slametan (offermaaltijd) aangericht en er werd gebeden, den zegen des hemels voor het voorgenomen huwelijk afgesmeekt.
Aan dat maal zitten uitsluitend mannen. Onze vrouwelijke gasten aten bij ons thuis; evenzoo de regenten, die over waren gekomen voor zusje's bruiloft.
24 Januari, reeds vroeg in den morgen, was 't een drukte van belang in de kaboepaten, die er vroolijk uitzag met zijn groen- en vlaggentooi; ook op straat was 't druk en levendig. Vroolijk wapperde daar de driekleur uit het ritselend jong klappergroen, waarmee de weg, die naar 't huis van den bruidegom leidt, was afgezet. In de groengemaakte pasébans[2]—twee huisjes op de aloen-aloen voor de kaboepaten—speelde lustig de gamelan.
Bij ons in de achtergalerij stonden manden kanangas, tjempakas en melaties; vrouwenhandjes regen de bloemen aan slingers, of ontbladerden ze, om er den weg mee te bestrooien, waarover het bruidspaar zou loopen.
Gamelan, bloemengeur, wierook, bedrijvige menschjes, vulden de kaboepaten, en in onze kamer werd aan 't toilet der bruid begonnen. Wederom werd 't voorhoofd zwart beschilderd, maar nu werden de teekeningen versierd met gouden figuurtjes.
Zus lag er bij gedurende de operatie. Achter de zwarte figuren werden zusje twee stukken kantwerk van zwarte was en verguld geplakt als deze teekening. In de gaatjes worden juweelen knoopjes gestoken. Bij andere bruiden wordt dat kantwerk van haar eigen haar met behulp van zwarte was gemaakt. Wij hebben zusje maar valsche stukken opgezet, omdat 't eene pijnlijke bewerking is, en dat arme kind pas van knokkelkoorts was hersteld.
Regentswoning te Rembang.Regentswoning te Rembang.
Achter het kantwerk kwam een gouden diadeem. Het haar werd op 't achterhoofd halvemaanvormig gekapt en gevuld met bloemen; daaromheen een sluier van melati met een franje van bloemen, die tot even aan den schouder reikte. Op 't kapsel werden weder de zeven wiebelende juweelen bloemen gestoken; aan weerszijden daarvan een juweelen bloem, waaraan zes bloemenslingers afhingen, achter de ooren om, over de borst tot even over het middel. Deze slingers van één vinger dikte bestonden uit witte bloemen om en om met gouden rolletjes geregen, eindigend in een gele kananga, met melaties volgestoken.
Het wajangcostuum schrijft een décolletée voor, dat hals, schouders en armen geheel onbedekt laat. Al wat zichtbaar was aan zusje, behalve het gezicht, dat geblanket was, was met een geurig zalfje geel geverfd. Zusje droeg een met goud bewerkte kain, waarover eene draperie van met goud bewerkte zijde kwam, terwijl het geheel opgehouden werd door een geel zijden ceintuur met lange afhangende einden, van roode zijde, waarop puntfiguren van goud waren aangebracht.
Een lange donkergroene lap, waarop heerlijk de gouden teekeningen uitkwamen, met een lichtgroen middenstuk, werd haar om het bovenlijf gebonden, armen en schouders geheel vrij latende. Door de gele ceintuur, die "mendologiri" heet, kreeg zusje een gouden, met juweelen versierden drie vingers breeden band om; daaraan werd een bloemenslinger met afhangende einden bevestigd, loopend van de eene heup achterom naar de andere.
Ze droeg om haar hals een collier in dezen trant, dat tot bijna aan haar middel reikte. Om de polsen droeg zij armbanden en om de bovenarmen slangen-armbanden met opgeheven staart en kop, waaraan gouden kwartjes bengelden.
't Was intusschen ver over vijven 's middags geworden. In de "kwade"-zaal vereenigden zich de vrouwen der Inlandsche hoofden in gala. Van de "kwade" af tot de pendopo liep een bloementapijt, daarover zou het bruidspaar gaan.
Zusje werd door de zusters naar buiten geleid en nam voor de "kwade" plaats.
De lichten waren alle reeds aangestoken. In de pendopostonden de regenten in ambtscostuum; een paar Europeesche kennissen waren er ook, die zusje graag nog voor 't laatst als jong meisje wilden zien.
Op de aloen-aloen, op 't erf van de kaboepaten was 't zwart van menschen; alleen de weg, die met groen en vlaggen was afgezet bleef vrij.
Daar zag men in de verte een gele streep; zij naderde, en men ontwaarde een zwerm opgestoken goudgestreepte zonneschermen, waaronder hunne eigenaren, de Inlandsche ambtenaren in groot tenue liepen.
't Was de stoet, die den bruidegom voorafging; deze reed met de regenten in een open wagen gedekt door een goudglanzend zonnescherm. Van de pasébans en de Kaboepaten klonk gamelanmuziek den naderenden stoet tegemoet.
De stoet bereikte de Kaboepaten, hield voor de pendopo stil; al de Inlandsche hoofden hurkten neer; de bruidegom steeg uit het rijtuig, en ging, geleid door de hem vergezellende regenten de trappen op naar het midden van de pendopo, waar zij alle drie op een groot tapijt neerknielden, zaten en hun eerbied aan Vader en de andere regenten betuigden. De twee regenten traden knielend achteruit en even bleef de bruidegom in wajangcostuum alleen, midden in de pendopo, maar dra vormden de Inlandsche hoofden een carré om hem heen, waarin weder een kleiner carré werd gevormd door priesters. Aan het hoofdeinde zaten de regenten, mede op den grond, en Vader het dichtst bij den bruidegom en den hoofdpriester, die 't huwelijk voltrekken zou. Vader deelde den aanwezigen het doel der bijeenkomst mee, waarna hij den Panghoeloe (hoofdpriester) verzocht zijne dochter in den echt te willen verbinden met den bruidegom. Uit den menschenhoop midden in de pendopo steeg een mystiek gebrom op.
Er werd gebeden.
't Speet mij zoo erg, dat wij er niet dicht bij konden kijken. Een onderwijzeresje, eene vriendin van ons, zusje Roekmini en ik waren de eenige vrouwen in de pendopo, die gevuld was met mannen.
't Was al heel mooi, dat men ons daar toeliet, waar we stonden; wij hadden maar zelf ons die vrijheid gegeven. Maar om heelemaal bij de mannen te zij om de huwelijksvoltrekking van nabij bij te wonen, ging niet; jammer, wij hadden zoo graag de trouwformulieren gehoord en hoe alles in zijn werk toeging.Wij weten alleen maar dat onder het uitspreken van de trouwformulieren de Priester de hand van den bruidegom vasthoudt en deze hem moet nazeggen.
De plechtigheid duurde op zijn hoogst een kwartier, maar ons leken de minuten uren. 't Was zoo plechtig stil in de pendopo; slechts het mystiek gezang der priesters werd gehoord.
Er kwam beweging in den menschenhoop in de pendopo; de priesters schuifelden op hunne knieën achteruit. Het huwelijk was voltrokken.
De regenten stonden op; twee van hen hieven den bruidegom op, en nu werd de tocht over het bloementapijt aanvaard, gevolgd door de overige regenten. Achter in de "kwade"-zaal hieven de zusters de bruid op, en ook zij aanvaardden de wandeling over den bloemenweg, gevolgd door Mama en al de vrouwelijke gasten. Als de bruid en de bruidegom elkaar op eenige passen na genaderd waren, lieten hunne geleiders hen los, en het bruidspaar wierp elkaar een opgerold sirihblad gevuld met bloemen toe. Nog een paar passen traden zij elkaar tegemoet, en beiden knielden neer, en met hen het geheele gezelschap.
De bruidegom zat; op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe, zat en maakte een sembah—de beide handen tegen elkaar geslagen en even onder den neus gebracht—(dat is onze eerbiedsbetuiging) en kuste hem de rechterknie. Weer maakte de bruid een sembah. Zelf opstaande, hief de bruidegom zijne vrouw op, en hand aan hand wandelde het jonge paar over den bloemenweg naar de "kwade", gevolgd door het geheele gezelschap; de regenten keerden echter naar de pendopo terug.
Bruid en bruidegom namen voor de "kwade" plaats als twee Boeddhabeelden; aan weerszijden schaarden zich de familie en de damesgasten. Achter het bruidspaar zaten twee kleine meisjes, die met waaiers hun koelte toewuifden.
In de meeste gevallen is 't bij die ontmoeting de eerste keer, dat man en vrouw elkaar zien.
Omstreeks halfzeven kwamen de regenten binnen, en vormden op den grond gezeten een halven kring om het bruidspaar; de andere helft werd gevormd door de vrouwelijke familieleden.
Het bruidspaar bracht aan oudere familieleden den voetkus.
De bruid eerst richtte zich op, en schoof op hare knieën naar Mama toe, maakte een sembah en kuste Mama de knie; zóóontving zij den moederlijken zegen voor haar huwelijk. Van Mama ging zusje naar de tantes, zusters en nichtjes, allen ouder dan zij, om dezelfde ceremonie te herhalen. En daarop ging zij naar Vader, om hem de knie kussend, zijnen zegen te ontvangen; vandaar naar haren schoonvader, daarna naar ooms en neven. Als zij, na allen den voetkus gebracht te hebben, weder op hare plaats was teruggekeerd, begon de bruidegom den voetkustocht; hij volgde 't spoor zijner vrouw. Als ook hij de ceremonie volbracht had, verwijderden zich de regenten en er werd thee en gebak gepresenteerd, als den vorigen avond. Om halfacht werd 't het bruidspaar vergund, zich te verwijderen.
Hand aan hand verlieten zij de zaal. Eigenlijk moesten zij dit op hunne knieën doen, maar aangezien beiden pas van eene ongesteldheid waren hersteld, mochten zij de zaal uitwandelen.
Bij andere families moeten de bruidegoms bij aankomst in 't huis hunner schoonouders, vóór de ontmoeting met hunne vrouwen, de trappen opkruipen, in plaats van oploopen. Dat zijn dan hofmanieren. De bruidegom begaf zich naar de bruidskamer en zusje naar onze kamer, waar wij haar voor de receptie voor Europeanen kleedden.
Het werk van één dag, dat was 't bruidstoilet van zusje, werd in 5 minuutjes te niet gedaan. Alleen 't kapsel en de versieringen op 't voorhoofd lieten we onaangeroerd. Wij, jonge meisjes, mochten haar eigenlijk niet aankleeden, maar wij deden 't toch maar. Wij vonden 't al te zot, dat wij zusje niet in haar bruidstoilet zouden mogen steken. Zusje kreeg een zijden met goud doorweven kain aan en een kabaja van ivoorkleurig satijn met zilverborduursel. Ze kreeg een andere juweelen collier om. De juweelen bloemen in 't haar, evenals het diadeem, werden haar afgenomen; zij kreeg er voor in de plaats een gouden kroon op, waaraan een sluier hing. Op haar hoofd werden nu andere juweelen bloemen op spiralen stelen bevestigd. Zoo gesluierd en gekroond, was het of de bruid van een plaatje uit duizend en een nacht was gestapt. Zusje had dan ook het kostuum aan van een sprookjes-prinses, uit een der verhalen van 1001 nacht.
Het stond haar zoo goed; trouwens het wajangkostuum ook. Jammer, dat wij haar niet zoo konden laten photografeeren.
De bruidegom verscheen in zijn ambtskostuum. Nog eens zat 't bruidspaar voor de "kwade"; even vóór achten gingen zijgearmd naar de voorgalerij, waar voor een achtergrond van palmen, twee vergulde zetels voor hen klaarstonden.
Staande ontvingen zij de gelukwenschen der Europeesche dames en heeren.
't Heette dan wel een receptie, maar de dansgrage voetjes zweefden toch maar op de tonen der muziek door de ruime pendopo; ook het bruidspaar wandelde gearmd een paar keer de pendopo rond.
Usance is 't niet, dat jonge meisjes op een bruiloftsfeest verschijnen, maar 't zou al te gek zijn, als wij op zusje's feest wegbleven.
Even vóór twaalven toastte de Resident, die ook over was gekomen, op het jonge paar, welke toespraak door Vader werd beantwoord. Na afloop hiervan namen de Europeesche gasten afscheid, maar de Resident en een paar anderen, waaronder ook eene dame, ons vriendinnetje, bleven nog, om 't Inlandsch gedeelte van het feest bij te wonen.
Na het vertrek der Europeesche gasten kwamen de Inlandsche hoofden, die zich gedurende de receptie, op zij van de pendopo opgehouden hadden, te voorschijn en vormden in 't midden der pendopo een halven kring, waarin de bruidegom eene proeve van zijn danskunst zou afleggen.
De regenten, evenals alle andere Inlandsche hoofden, hadden zich intusschen in klein tenue gestoken.
Daar speelde de gamelan, en een dansmeisje trad op en danste in den carré.
De Patih van Japara bracht geknield den bruidegom een zilveren blad, waarop een zijden doek lag. Als de bruidegom den doek in ontvangst had genomen, verwijderde zich de brenger. Zachte gamelantonen weerklonken; 't was een prelude, een uitnoodiging aan den held van 't feest, om 't feest te openen. De bruidegom stond op, en ging in 't midden van de pendopo staan; hij bevestigde de zijden doek, waarmede hij dansen zou, aan zijn kris en gaf den gamelanspelers zijn lijflied op, dat onmiddellijk werd ingeluid en gespeeld.
Ik zal er mij maar niet aan wagen, den dans te beschrijven; daartoe is mijn pen veel te onbekwaam. Ik zeg alleen maar, dat 't een lust was voor de oogen om den lenigen danser en zijne sierlijke dansbewegingen op de tonen van mooie gamelanmuziek te volgen. Achter hem aan danste het dansmeisje, dat er ookbij zong. De hen omringende Inlandsche hoofden accompagneerden de muziek, door een zang met handgeklap.
Tegen 't einde van den dans, kwam de Resident met twee glazen champagne naar den danser toe. Juist als de gong inviel, waarmede 't einde van een zang wordt aangeduid, zegen danser en danseres op hunne knieën neer. Met een sembah ontving de danser een glas van den Resident en onder hoerah-geroep en jubelende gamelantonen ledigden de brenger en ontvanger hunne glazen. Een bediende nam de ledige glazen in ontvangst, waarop de Resident zich verwijderde. De bruidegom stond weder op en begon opnieuw te dansen. Nu bracht Schoonpapa hem een heildronk; dansend gingen ze elkaar tegemoet, en bij 't vallen van den gong knielde de jongere neer om den heildronk van den oudere in ontvangst te nemen.
Eerst als alle aanwezige regenten hem den heildronk gebracht hadden, mocht hij den carré verlaten, en weer naast zijne vrouw zitten. Kort daarop verwijderde het bruidspaar zich; de Europeesche gasten gingen naar huis, en het feest werd door de hoofden tot vroeg in den morgen voortgezet. De heeren hadden ook nog meegetandakt, vooral onze assistent-resident deed 't keurig.
Ma, ons vriendinnetje, zus Roekmini en ik woonden 't feest bij, tot onze laatste Europeesche gast was opgestapt.
Den volgenden dag bracht 't bruidspaar stilletjes thuis door. In den vooravond van dien dag zou de laatste ceremonie, die 't bruidspaar hier te verrichten had, plaats hebben. Het is, het eerste bezoek brengen van 't bruidspaar aan de ouders van den bruidegom. Het heet in 't Javaansch "ngoendoh mantoe", welks letterlijke vertaling luidt: schoondochter plukken. De schoondochter wordt met een bloem vergeleken, die de schoonouders voor hun zoon plukken.
Eigenlijk moest het bruidspaar zich voor deze gelegenheid weer in 't bruidskostuum steken, maar 't was veel te vermoeiend, waarom het dan ook maar nagelaten werd. De bruidegom was gewoon gekleed; zusje had weer een met goud doorweven kain aan en een zijden kabaja; het haar was kapelvormig gekapt; de met een kruis gemerkte vakjes met bloemen gevuld, en over het geheel werd een netwerk van melaties bevestigd, en wiebelden weder de juweelen bloemen op het kapsel.
In optocht reed het bruidspaar, voorafgegaan en gevolgd door Inlandsche hoofden te voet, naar 't huis, waar de vader van den bruidegom logeerde.
Dagen, weken na de bruiloft, heeten de jonggetrouwden nog bruid en bruidegom; en de bruid doorgaans zoolang tot zij mama is geworden. Er zijn vrouwen, moeders, die levenslang "nganten", verkorting van "pengantèn" (bruid, ook bruidegom) heeten.
De dagen na de bruiloft werden besteed met visites maken, bij Europeanen en Inlanders.
Vijf dagen na de huwelijksvoltrekking was er weer een feest in de Kaboepaten; de eerste wederkeer van den passerdag, waarop 't huwelijk gesloten wordt, werd gevierd.
Een week na de bruiloft vertrokken de jonggehuwden; overal gefêteerd door familieleden, bij wie zij op hunne doorreis naar hunne woning ophielden.
Op Tegal werd 't huwelijk weer gevierd; daar bleven ze nog een week, voordat ze eindelijk naar hunne eigen woning in Pemalang trokken.
Ziezoo, daar hebt ge eene beschrijving van een Javaansch huwelijk in hooge kringen. Zusje's bruiloft heette een stille bruiloft en zij bracht al zoo'n gedoe mee; hoe dan een bruiloft, die feestelijk wordt gevierd?
We waren doodop na de bruiloft.
Cadeaux, die Inlanders elkaar bij bruiloften geven, bestaan uit kleedingstukken, als kains, borstlappen, hoofddoeken, zijdjes voor kabaja's, of laken voor een jas, en ook wel eetwaren, als rijst, eieren, kippen, karbouwen; deze zijn dan meer bestemd voor de te geven slamatans ter gelegenheid van de bruiloft.
Zoo kreeg Kardinah o.a. ook een prachtigen stier van een oom. Dit had eigenlijk ook bij de andere cadeaux moeten mee tentoongesteld worden!!!
O ja, nog iets; als men bij gelegenheid van een bruiloft een karbouw slacht—er worden doorgaans meer dan een voor de feestmaaltijden geslacht—dan zet men op alle mogelijke hoeken en gaten een gevlochten bamboezen bakje, gevuld met sirih, koekjes, pinangnoot, een stukje vleesch, wat geronnen bloed van den geslachten karbouw, en bloemen neer, op kruiswegen, bruggen en de putten op 't erf; het is een offer aan de geesten, die daar wonen. Worden deze brug-, weg- en putgeesten niet herdacht, dan nemen zij het den feestvierenden kwalijk, en zal ereen ongeluk gebeuren. Alzoo luidt 't volksgeloof! Waar dit zijn oorsprong heeft, weet ik niet precies.
Hoe vindt ge dit alles, Hilda?
Een vriend van ons zegt terecht, het Javaansche volk is een volk van sprookjes en herinneringen.
Wie zal eens dat volk uit 't rijk van sagen en legenden naar 't leven van daadwerkelijkheid voeren?
Daar moet 't toch naar toe. En door 't bijgeloof van zich af te schudden, hoeven zij daarom de poëzie niet met de voeten te treden.
Doch wat praat ik toch, laat ik u liever vragen, of gij tevreden zijt met dit epistel, en of gij mij nu dat lange wachten vergeven wilt. Er is zooveel liefs in mijn volk, zooveel poëzie in zijn bekoorlijk naïef geloof. 't Moge dan vreemd klinken, maar 't is niettemin een feit; gij, Europeanen, hebt mij geleerd, mijn eigen land en volk lief te hebben. De Europeesche opvoeding heeft ons instede van ons van onze natie te vervreemden, ons nader er toe gebracht; zij heeft ons de oogen en 't hart geopend voor de schoonheden van ons land en volk, en ook ... voor hunne nooden ... hunne wondeplekken. Wij hebben ons land en volk zoo lief! O! konden wij eens iets doen, dat tot hun geluk bijdraagt; wat zullen wij dan gelukkig zijn!
Doch laat ik je nu niet langer vervelen, met het gekrabbel van een "dwaas" Javaansch jongmeisje, ik heb 't nu reeds genoeg gedaan.
Als naschrift:
Op sommige plaatsen is 't gebruik, dat bij de ontmoeting van een bruidspaar, de bruid, als teeken van onderdanigheid, den bruidegom de voeten afwascht, alvorens zij hem den kniekus geeft.
Wanneer een weduwnaar met een jongmeisje trouwt of eene weduwe met een jongmensen, dan houdt bij de ontmoeting, als het sirihwerpen is afgeloopen, degene die al eens getrouwd is geweest, de andere een brandend stuk hout voor; deze krijgt een waterkan in de hand, en giet haar inhoud uit op 't vuur, dat natuurlijk uitdooft, waarna het uitgebluschte brandhout wordt weggeworpen en de waterkan kapot gegooid.
De bedoeling of beteekenis van deze symboliek hoef ik u wel niet uit te leggen; zij is duidelijk genoeg.
Gij hadt Zusje moeten zien, toen zij daar als Boeddhabeeld poseerde voor de "kwade"; zóó had ze gephotografeerd moetenworden, of neen, geschilderd liever, want dan kon men de kleuren zien.
Hoe rustig en kalm schreed ze daar over het bloementapijt, overal bloemen en wierookgeur verspreidend; ja waarlijk zij had veel van een Bodhisatwa![3]
Ik kan geen gamelan hooren, bloemengeur vermengd met wierook inademen, of zij voeren mij naar 't verleden terug.
De menschen raapten de bloemen, waarop zusje had geloopen, op, om ze te bewaren; zij brengen geluk aan, zegt men, en aan jongedochters een man!!!
Ik heb hier een heel mooi boek van 't Boeddhisme. 't Heet "De ziel van een volk"; heerlijk mooi!
[1]Pendopo = groote open voorhal.
[1]Pendopo = groote open voorhal.
[2]Paséban = een op zich zelf staand gebouwtje aan alle zijden open met een dak steunend op pilaren.
[2]Paséban = een op zich zelf staand gebouwtje aan alle zijden open met een dak steunend op pilaren.
[3]Bodhisatwa, komt van bodhi = erkennen en satwa = eigenschap. Men duidt in het Boeddhisme met dit woord aan: hen die In eene latere wedergeboorte Boeddha zullen worden.
[3]Bodhisatwa, komt van bodhi = erkennen en satwa = eigenschap. Men duidt in het Boeddhisme met dit woord aan: hen die In eene latere wedergeboorte Boeddha zullen worden.
27 Maart 1902. (VIII.)
De minachting, miskenning der groote menigte, van 'tgroskan ons zoo veel niet schelen, maar de sympathie van degenen, die tot de "bovenste tienduizend" behooren, is ons heel veel waard; 't is ons eene voldoening, een kracht, een steun, een opwekking, een troost.
"Hoe 't ook loopt, wees nooit moede, om te volharden in al 't goede", las ik daar net, en wij meenen eerlijk, dat hetgeen wij nastreven goed is.
Iedereen weet, dat over het algemeen het Javaansche meisjeniet gekendwordt in de trouwplannen, die haar beschermers met haar voor hebben. In de Soendalanden mag 't waar zijn, dat de verloofden elkaarkennen, zienenontmoeten, maar vraag eens op welke andere plaatsen van Java, dat wel gebeurt.
Och, kom toch eens even een kijkje nemen in de woningen, waar ze 't zoo "goed hebben"; allereerst in de kaboepatens.
Ik vraag niet, hoe de vrouwen er over denken, wat zij gevoelen, maar hoe de dochters, die Europeesch zijn opgevoed, er zich onder hebben gehouden.
En al kunnen zij niet denken,voelenkunnen ze in ieder geval.
"Zij hebben 't heel goed!"
Goed, negeer 't leed, de gevoelens der vrouwen; zij hebben 't recht van klagen niet, zij doen 't immers met eigen vrijen wil! maar de kinderen dan? wat is droeviger dan een treurig kinderleven, dan kinderen, die zoo vroeg reeds de schaduwzijde van 't leven leeren kennen?
En de meisjes vooral hebben 't moeielijk, omdat zij steeds dáár zijn, waar dag aan dag aan de natuur geweld wordt gepleegd. Is dat geen natuurverkrachting, waar vrouwen van denzelfden man elkaar moeten verdragen?
Waarlijk een kind van het eigen volk, eene vrouw moet hare stem doen hooren!
Zal men 't nog met koelen bloede zeggen "ze hebben 't heel goed", wanneer men dat alles zag, wat wij hebben gezien, wist wat wij weten?
Ik heb eens iets overgeschreven uit een redevoering van Professor Max Müller, den grooten Duitschen geleerde in Oostersche talen, geschiedenis, enz. 't Luidt ongeveer als volgt: "De polygamie, zooals zij bij de Oostersche volken in gebruik is, is eenweldaadvoor vrouwen en meisjes, die in haar land niet kunnen leven zonder een man toe te behooren, een beschermer te hebben."
Max Müller is dood, wij kunnen hem niet hier roepen, om hem dieweldadenvan dat gebruik te laten zien.
Men heeft ons willen wijsmaken, dat niet trouwen, niet alleen een schande, maar ook een groote zonde is. Men heeft 't ons meermalen gezegd.
O! er wordt met zoo'n minachting gesproken van de ongetrouwd gebleven vrouw!
We verlangen zoo naar Holland, omdat Holland onsvrijmaken zal; Europa zal ons ompantseren, onkwestbaar maken voor de kleinzielige aanvallen van 't gros, voor zijn spot!
Om vrij te worden, eerst trouwen en dan scheiden! Maar dit laatste kan ook zeer bemoeielijkt worden. Als de man niet wil, dan mag de vrouw naar de maan fluiten om hare vrijheid, terwijl als hij 't wil, er nièt naar hare opinie gevraagd wordt, en hij haar op elk uur van den dag verstooten kan.
Maar de vrouw kan zich loskoopen; zij moet dan zooveel en zooveel betalen. Een ellendige geschiedenis is 't voorzeker!
Doch hoe willen wij rechtvaardige wetten voor ons verlangen, als in 't verlichte, beschaafde Westen men de vrouw gelijkstelt met kinderen en idioten?
Laat ik er niet meer over spreken, later kom ik er nog eens op terug.
8 April 1902. (VIII.)
De Vaderlandsche geschiedenis, waartegen ik een beetje opzag, vanwege de saaie herinnering, die ik er van had, van school, valt me èrg mee. Nu vinden wij haar prettig, en vooral zeer interessant, maar 't is ook heel anders geschreven, dan in dat boekje, dat we op school hadden.
Dat late leeren heeft toch ook wel zijn voordeel: wij begrijpen en verstaan nu zooveel beter; en veel, dat vroegerdoodwas voor ons, krijgt nu leven; wij interesseeren ons voor zooveel dingen, die ons vroeger koud lieten, om de eenvoudige reden: wijbegrepen ze niet. Wat zalig zou 't zijn om nu iemand te hebben, die ons de dingen, waarin wij zoo levendig belangstellen, kon uitleggen! Die zwijgende leermeesters moeten nu antwoord geven op al onze vragen. Vandaag hebben wij "taal". De kleintjes keken met verbazing naar ons doen, zij konden maar niet begrijpen, wat wij toch uitvoerden. O! wanneer zal dat heerlijk oogenblik toch eindelijk dáár zijn, waarop wij voor de wereld de studie als onze bruid mogen omhelzen!
Wij moeten alle lichtzijden opzoeken; als er geen is, dan de donkere wat oppoetsen, dat is de kunst om blijmoedig te leven, is 't niet?
Ik heb veel nagedacht over hetgeen men "'t heel goed hebben" noemde. Bij veel, wat ik in de laatste dagenzag, dacht ik onwillekeurig aan dat gezegde en dan glimlachte ik ironisch. O! lieve Mevrouw, 't is en 't zal de eerste keer niet zijn, dat er iets verzwegen wordt, ontkend! De wereld is nog steeds hoogstzedelijk, zij wil denaaktewaarheid niet zien, en wendt vol afschuw zich van haar, de naakte juffer af.
Van middag werden wij toch zoo getroffen door een staaltje van 's levens ellende. Een kind van 6 jaar verkocht gras. 't Jongetje was niet grooter dan ons neefje; van hem zag je niets; 't scheen of er twee schoven gras over den weg liepen. Vader liet hem komen, en daar hoorden wij eene geschiedenis, zooals er honderden, zoo niet duizenden zijn. 't Kind heeft geen vader; de moeder is uit werken; 't heeft thuis nog twee broertjes. Hij is de oudste. Wij vroegen hem of hij al gegeten had. "Neen", ze aten alleen maaréénsper dag rijst, 's avonds als de moeder thuis kwam; 's middags aten ze voor 1/2 cent arèn-meelkoek.
Ik keek van 't stumpertje naar mijn neefje, even groot als hij, ik dacht aan onze maaltijden, driemaal per dag, en 't was me zoo vreemd, zoo raar te moede!
Wij gaven hem eten, maar dat at hij niet; hij bracht het naar huis.
Ik heb 't wurmpje, gewapend met een draagstok en een grasmes, nageoogd, tot ik hem niet meer zag. Wat ging er al niet om in mijn hoofd en in mijn hart.
Ik schaam mij diep over mijne zelfzucht. Ik ging over mijn eigen toestanddenkenen peinzen, en daar buiten om mij zijn er zoovelen, die lijden en diep beklagenswaardig zijn! 't Was of ineens de lucht trilde van smartkreten, gekerm en gesteun der lijdende menschheid om me heen. En luider nog dan dat kermen en steunen klonk, suisde en ruischte in mijn oor: Werk! werk! werk! kamp je vrij! eerst dan als gij door werken u zelf vrij hebt gekampt, zult gij anderen kunnen helpen! Werk! Ik hoorde dat zóó duidelijk, ik zag 't voor mijne oogen geschreven, dat ik 't op moest schrijven, en wel voor u, omdat u zoo innig meegevoelt en meeleeft met ons.
U beiden ligt mij zoo na aan 't hart; eigen familie kan mij niet dierbaarder zijn. Ik leef zoo geheel met u mee, met mijn hart en mijn ziel, waarvan u een stuk is geworden, feitelijk van den dag af onzer kennismaking! Wat zijn 's levens wegen toch dikwijls vreemd, wonderbaar; zoo heel lang is't nog niet geleden, dat wij niets wisten van elkaars bestaan, en nu is u onafscheidelijk van het mijne!
27 April 1902. (VII.)
Van kind af aan heb ik veel van leeren gehouden en is 't altijd mijn grootste en liefste illusie geweest om zooveel te weten en te kennen, dat ik mij nuttig kon maken voor anderen. Hoe gaarne had ik niet met onze jongens meê naar de H.B.S. gewild, maar 't werd mij niet toegestaan helaas! 't Was al heel mooi, dat wij meisjes de lagere Europeesche school mochten bezoeken; 't was geen adat, dat meisjes ook school gingen. Wij zijn onze ouders o zoo dankbaar, dat zij met die adat gebroken hebben, en ons naar school hebben gezonden. De kennis der Nederlandsche taal is voor ons een onuitputtelijke bron van genot; zij ontsloot voor ons zooveel schoons, van welks bestaan wij te voren geen flauw vermoeden hadden.
En dat mooie van andere volken nu, zouden wij o zoo zielsgraag geven aan ons eigen volk, niet om zijn eigen mooi te verdringen, te vervangen door vreemde, maar om het teveredelen!
Ons volk mede te kunnen helpen opheffen, opvoeren tot hooger zedelijk standpunt en zoo te komen tot betere, gelukkiger maatschappelijke toestanden is voor ons een ideaal, allen levensstrijd waard! Hoe daartoe te komen? waarmede te beginnen? Er moet begonnen worden met 't begin, en d.i. deopvoeding!
O! zoo dikwijls rijst uit 't diepst van ons wezen, telkenmale als droeve dingen zich aan ons oog vertoonen, smartkreten van lichamelijke en moreele ellende ons oor bereiken, als een wanhoopskreet de bede op: "Geef den Javaan opvoeding!" Een heel volk ineens op te voeden is natuurlijk niet te doen, maar wat wèl kan, is de bovenste lagen er van zóó op te voeden, dat ze de onderstaanden tot zegen worden!
17 Mei 1902. (I.)
Ik kan je niet zeggen hoeheerlijkik 't vond eindelijk eens met mijne studie te kunnen beginnen. Het is nu nog maar een ophalen van hetgeen ik eens heb gekend en geweten; ik ben er eventjes meer dan10volle jaren uitgeweest. Ik was verbaasd, dat ik nietalleswas vergeten. Een voordeel heb ik toch van dit laat studeeren; ik ben nu bevattelijker; begrijp vlugger en beter dan ik het op vroegeren leeftijd zou kunnen. Innig jammer blijf ik het vinden, dat ik nu niet, in stede van 23, 13 jaar oud ben; ik zou mijne studie kunnen uitbreiden, en nu ben ik door mijn leeftijd gebonden. Eerst de twee Hollandsche acten halen en dan later een of twee Inlandsche talen.
Daar net heb ik werkstaking moeten houden; verbeeld je mijn penhouder is midden door gebroken, dat is mij nooit nog overkomen! Arme pen! ik heb mij zeer aan haar gehecht, wij hebben zoolang heerlijk samengewerkt!
Raar mensch, wie gaat nu treuren om een gebroken penhouder!
In April zijn wij op reis geweest; wij hebben zusje eens opgezocht. Wij vertrokken van huis niet met het minste idéé haar weer te zien, we moesten naar eene zuster, die ziek lag (onze oudste). Daar kregen wij van zusje een brief met eene roerende bede om toch door te gaan naar Pemalang. Den volgenden morgen dadelijk spoorden wij naar haar toe. Hoe je dat weerzien te beschrijven? Het was eenvoudigzalig! We deden in de eerste oogenblikken niets anders dan elkaar aanzien, toelachen en vasthouden. En wat stemde mij dat dankbaar, haar zoo gezond te zien. Zoo frisch en bloeiend zag zij er nooit te voren uit! Zij hadrozenop de wangen. Vooral stemde mij tot dankbaarheid te zien, hoe haar manhaar eertenwaardeert.
Ik heb metgrootgenoegen nader met mijnen nieuwen broer kennis gemaakt. Het is een goedhartige en hartelijke man, met veel goede eigenschappen. Hij is zeer oprecht, rechtvaardig, trouw, en heeft een medelijdend hart. Zij is zijn kameraad, zijn raadgeefster, zijn vriendin en demoederzijner drie kinderen die aan haar gehecht zijn als aan een eigen moeder.
De kinderen volgen haar overal op den voet, als kleine trouwe hondjes. Het oudste kind, een jongen van 7, is bij de grootouders in huis; zus had hem dolgraag bij zich genomen, en het kind,dat met haar dweept, wil niets liever, maar de grootouders staan haar hem niet af. De twee anderen zijn meisjes van 6 en 4; die gaat zij nu thuis les geven, mijn a.s.leerlingetjes, Stella! Hij laat de opvoeding zijner kinderen geheel aan haar over, en natuurlijk dat zusje haar dochtertjes inonzen geestzal opvoeden. Zus heeft haar meisjesdroom niet kunnen verwezenlijken, zooals zij zich dien gedroomd had, maar is de taak, die zij op zich genomen heeft daarom minder schoon? nog kan zij een rijken zegen om zich heen verspreiden.
Onze wegen loopen uiteen, maar beiden beoogen wij hetzelfde Ideaal! wat komt het er op aan, nietwaar, welken weg je gaat, als hij maar goed is en naar 't hooge doel leidt?
Ik verlang met hart en ziel naar Holland om zoovele redenen; ten eerste, omdat ik mij daar beter zou kunnen voorbereiden voor de taak, die ik zoo graag op mij wil nemen; ten tweede, ik wil Europeesche lucht inademen om de restantjes vooroordeel, die mij nog aankleven, geheel er uit te krijgen; veel is 't niet, maar het werkt tochremmend. Holland moet en zal van mij in waarheid maken eenevrijevrouw. Jullie lucht, jullie kou, moet alle vooroordeelen die mij nog aankleven van mij losmaken; eerst dan zal ik in waarheidvrijzijn!
Om maar een voorbeeld te noemen, ik, die 't niets zou vinden om mij te bewegen in eene zaal enkel met heeren (Europeanen) gevuld, zou geen raad weten, indien ik ook maar één vreemden Javaan, standgenoot en ongetrouwd, moest ontvangen. Vind 't belachelijk, bespottelijk, idioot, maar waar is 't; ik durf gewoon niet vreemde mannen, zonder geleide, voorbij loopen; en al had ik gezelschap, dàn nòg zou ik 't vervelend vinden, en niet op mijn gemak zijn!
Zoo zie je, ondanks mijn sterken vrijheidszin heb ik niet kunnen ontkomen aandieninvloed mijner Inlandsche opvoeding, die meisjes streng van vreemde mannen afgezonderd houdt. Als je steeds voorgehouden wordt, dat 't niet welvoegelijk is om als jong meisje je aan vreemde mannenoogen te vertoonen, en je mannen steeds uit den weg moet blijven, dan moet je 't op 't laatst wel benauwend vinden om die wezens te ontmoeten. Dit mag zoo niet blijven; dat vooroordeelmoetverdwijnen. Hoe zouden wij anders met de mannen kunnen samenwerken? Dit is een groote illusie van ons.
En alleen de Europeesche lucht zal mij geheel kunnen zuiveren van die invloeden mijner Inlandsche opvoeding; jouw land, Stella, zal mij die vooroordeelen doen afwerpen, die nu zoo remmend werken.
Lach mij gerust uit om die dwaasheid. Maar jouw land, zal mij vrij,inderdaad vrijmaken!
19 April kwamen wij van ons reisje terug. Vader reisde ons eenige stations tegemoet en verwelkomde ons met een lang diensttelegram van den Resident, het heugelijk nieuws meldende, dat de heer Van Kol den volgenden dag op Japara komen zou. Dat was een verrukkelijke welkomstgroet en nog meer vond ik thuis, n.l. je brief. Al de bestuursambtenaren langs de geheele lijn kregen van den Resident order om den reiziger op te wachten. De reis van Semarang naar Japara werd aldoor aan studie gewijd. Wat een zeldzaam werkzame en krachtige geest! Niets ontsnapt zijn aandacht. Zien, hooren, opnemen en verwerken is één bij hem. Zondagmiddag omstreeks 3 uur kwamen de reizigers aan: Van Kol, een journalist, die hem tot tolk en gids diende, en Vader, die hem op de grens opwachtte. Ze hadden onderweg een ongeluk gehad; 't rijtuig brak zijn vooras en de reis werd in hotsende karretjes voortgezet. Benijdenswaardige man! Hij kan overal rust vinden, als hij die noodig heeft; in een hotsend karretje slaapt hij even heerlijk als op 't zachtste veerenbed.
Van Kol had zich vast voorgenomen om nergens anders dan in hotels te logeeren; overal wees hij de hem aangeboden gastvrijheid van de hand. Ook hier kwam hij aan met het voornemen in 't hotel af te stappen, maar na de kennismaking nam hij wèl het hem door ons aangeboden logies aan. Later hoorden wij, dat wij 't waren, die hem ontrouw hadden gemaakt aan zijn beginsel. Hij vond hier zooveel stof tot leering en onderzoek; hij kon nagaan, welken invloed eene Europeesche opvoeding op meisjes der aristocratie heeft en die gelegenheid wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan. Gelukkig, dat wij dit eerst later te hooren kregen; de weet, dat wij de voorwerpen zijner studiën waren, zou ons beklemmen en misschien verhinderen natuurlijk te zijn.
Aan tafel dien middag spraken we bijna aldoor over zijne vrouw en kinderen. 't Was heerlijk om te hooren, hoe die man zijne vrouw eert. Hij is ook door correspondentie aan haar gekomen, een aanrakingspunt meer, Stella. Hij correspondeerde methaar naar aanleiding van haar letterkundigen arbeid. Door een toeval is zij tot de ontdekking gekomen van hare heerlijke Godsgave, haar prachtig schrijfsterstalent! Zij was destijds gouvernante, en maakte met vrienden een uitstapje naar een villa tegen de helling van den Pinanggoengan (naar die villa heet hun villa in Prinsenhage "Lali djiwa", zielerust); een van hen moest eene beschrijving van die reis maken en 't lot zou den schrijver(ster) aanwijzen. En 't viel op haar. Zij zond die beschrijving op, en de redacteur vroeg naar meer pennevruchten.
Van Kol is op alle plaatsen geweest, waar hij vroeger gewerkt en gewoond had; en de kinderen, die vroeger met zijn dochtertje speelden, vond hij als moeder terug; hij kende ze alle nog bij hare namen.
Vier dagen had hij voor midden-Java, en van die vier gaf hij ons één. Stella, zóó gelukkig, als dien dag en dien avond met den heer Van Kol, hebben wij ons in lang niet gevoeld. Oh! was kleintje er maar bij geweest, wat zou dat kleine ding er van genoten hebben! En jij, Stella, wat zou jij er van "smullen", maar jij waser bij, jou had ik aldoor in de gedachten, toen ik daar naast Van Kol zat, stond. Stella, Stella, Stella, tikte aldoor mijn hart. Dat alles wasjouwwerk, lieveling, dat Van Kol daar in ons midden zat, we met elkaar uitwisseling en wrijving van gedachten hielden en, 't heerlijkst van al, hij den weg voor ons effenen zal! Hoe dank ik je, Stella. Daar zaten we dan op 't voorste gedeelte der pendopo, onze gasten, onze ouders, Annie Glaser, Roekmini en ik. Tevoren lieten wij hem voortbrengselen zien van den artistieken arbeid van ons volk, die zeer zijne bewondering gaande maakten en waarover hij aanteekeningen maakte. Eenigen van 't gezelschap verwijderden zich, de stoel naast Van Kol kwam open, en daar nestelde ik mij in.
Daar begon hij: U heeft plannen om naar Holland te gaan? Melchers vertelde het mij.
Op mijn toestemmend antwoord ging hij voort: "Maar 't is voor u later zoo moeilijk om terug te keeren. In dien terugkeer zit de grootste moeilijkheid.
"Hoe bedoelt u dat?"
Hij vroeg openhartig te mogen zijn en vrijuit zijne gedachten uit te spreken. Toen ik zei, dat ik niets anders van hem verwachtte, sprak hij: "'t Is voor u zoo moeilijk, als u later trouwt.Als u in Holland is geweest, zal u niet meer gelukkig kunnen zijn, als u de vrouw wordt van een Inlandsch hoofd."
Hij haalde voorbeelden aan van zeer ontwikkelde Indische meisjes, hun vriendinnen, die met Hollanders zijn getrouwd. Zij houden hartelijk veel van elkaar, maar de Indische kan niet aarden in 't Hollandsche, en de Hollander kan zich niet voegen naar 't Indische leven; zoo is er eene voortdurende spanning tusschen de echtgenooten.
Hoe vindt je 't, dat ik kalm hem eerst zijn idee geheel ontvouwen liet, voor ik met 't mijne voor den dag kwam. "Mijnheer Van Kol, mijne bedoeling van dat naar Holland gaan, is om er te studeeren, voor een vak opgeleid te worden, en wel speciaal voor 't onderwijs, om wanneer ik weer in Indië terug ben, een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden, aan wier opvoeding ik mij wensch te wijden."
Verrast keek hij me aan; er lichtte een blijde glans in de blauwe oogen, die op me gericht waren, en als tot zichzelf sprak hij: "Dat is heel mooi, dat is een mooi idee, een edel doel!" en dan tot mij: "Vindt u 't niet heerlijk om een doel te hebben, eenlevensdoel? Er klonk zoo'n geestdrift in zijn stem, 't blonk in zijne schitterende oogen! En ik voelde mijn hart zoo warm worden, onbewust prevelden mijne lippen een woord, een naam: "Stella".
Stella, kon ik je toen naast me tooveren, even, even maar, de aarde zou te klein zijn geweest voor mijn geluk. Dàt was geluk, dat oogenblik, waarop ik mij zóógoed begrepenzag in mijne bedoelingen; mijne ideeën waardeering vonden bij een superieur man als Van Kol. Dat gevoel moeten de moeders zeker ook hebben, als zij hare kinderen begrepen en gewaardeerd zien. Hij maakte 't mij zoo gemakkelijk; ik hoefde niet veel te zeggen; hij begreep mij dadelijk en zoogoed.
Hij vroeg mij, of ik daarover ook met Mevrouw Rooseboom gesproken had. Neen, ik was er niet toe in de gelegenheid geweest; beide keeren, dat wij haar ontmoetten, was 't in een groot gezelschap, op een bal en op een diner. Zij schenen op 't Paleis over ons gesproken te hebben, althans de heer Van Kol vertelde mij dadelijk bij zijne komst, dat de Gouverneur-Generaal hem medegedeeld had, dat Z.Exc. ons drieën kende.
't Is zoo innig jammer dat ik niet naar Buitenzorg kon gaan, om Mevrouw Rooseboom te spreken. In een gesprek kan jezooveel beter uitdrukken, wat je denkt en wil. Daar net kreeg ik eene uitnoodiging van eene dame, om bij haar op Buitenzorg te komen logeeren; zij komt veel bij Mevrouw Rooseboom.
Annie Glaser gaat in de vacantie, d.i. de volgende maand, naar Batavia en Buitenzorg; zij zal voor ons gaan naar de familie A. om haar alles te vertellen, wat wij op 't hart hebben, ook naar die familie in Buitenzorg. Kon ik maar met haar mee.
Wat wij te doen hebben, een rekest indienen of iets dergelijks, zal de Heer Van Kol ons schrijven van uit Batavia, waar hij een brief van ons vinden zal, als hij er over een maand weer is, hem onze namen en leeftijd meldend, en in 't kort nog eens, wat wij willen.
En opdat in Holland hij dadelijk aan ons herinnerd zal worden, heb ik op zijn herhaald verzoek zijne vrouw geschreven, wat ik dolgraag deed!
Ook R.'s plan om naar de academie te gaan, juichte hij toe; en ook, dat zij naar de huishoudschool wil over gaan, indien 't blijkt, dat zij niet genoeg talent bezit om 't ooit ver in de kunst te kunnen brengen. Hij deelde onze meening, dat zij daarmee ons volk ook van groot nut zal kunnen zijn. Hij zou 't echter aardig voor haar vinden, als zij eerst een paar maanden naar de academie ging voor zij er toe overging de cursussen in huishoudkunde te volgen. Hij vond 't zoo aardig, dat wij tweeën samen zullen werken en elkander aanvullen. "Ik vind 't zoo mooi van u beiden", betuigde hij telkens, "dat u zoo iets wil en gaat ondernemen".
Ook over 't idee om op alle scholen gezondheidsleer en aanverwante vakken te onderwijzen, heb ik gesproken, en ik deelde hem mede, dat ik gaarne een cursus in die vakken, als gezondheidsleer, verbandleer, ziekenverpleging wilde volgen, om die kennis later in onze school te onderwijzen. Hij vond dat heel mooi. "In Indië kunt u dat niet, of dan heel, heel moeilijk; in Europa is 't heel gemakkelijk; u heeft alles bij de hand, en u zal in een paar jaar tijds klaar komen. U spreekt, schrijft en leest toch gemakkelijk Hollandsch". Slotsom is: "Wij moeten naar Holland gaan"."Met die plannen moèt u wel naar Europa gaan, hier kunt u ze niet in verwezenlijking brengen. Ik zou 't vreeselijk jammer vinden, als u uwe ideeën niet kon verwezenlijken". Ik vertelde hem ook waaròm nog meer wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons wenschen. Hij deelde onze gevoelens daarover.Ook was hij 't eens met ons, dat ons voorbeeld meer tot navolgen zal dwingen en onze ideeën meer verbreid zullen worden, als wij onder bescherming der Regeering staan, werken. Het Javaansche volk, dat te vergelijken is met een groot kind, houdt van glans en schittering. Waar de machtige Regeering zich mee bemoeit, daar heeft het respect voor.
Toen ik den Heer Van Kol onze ideeën ontvouwde, vroeg hij me hoe ik daarop was gekomen. Hoe belangstellend volgde hij alles, wat ik voordroeg. "Schrijft u mijne vrouw?" vroeg hij er telkens door.
Wij spraken over de opvoeding (als je dat tenminste zoo noemen mag) voor dochters van den adel. Van Kol kende regentsvrouwen en wist van haar eentonig leven.
't Werd tijd dat er aan de opvoeding der Javaansche meisjes wat gedaan werd. Hij is de laatste man, tegen wien ik een betoog moet houden over de beteekenis der vrouw in de maatschappij. Hoe vol liefde, eerbied, vereering en waardeering sprak hij van zijne hoog en rijkbegaafde vrouw, zijne leidster en raadgeefster!
Diegrooteman, zich zoo klein makend voor zijnevrouw, klein van gestalte, maar o zoo groot van hart en geest; 't ontroerde mij!
Ik was zoo zacht gestemd in zijn gezelschap. Wat zal 't mij oneindig goed doen, als Fortuna mij later in "Lali Djiwa" voert en ik weken lang het gezelschap dier superieure zielen en geesten geniet! zal 't gebeuren, Stella, zal het? Ik ben zóó bang, 't is zóó mooi, te schoon, om waar te zijn. Hoevele keeren, vooral in den laatsten tijd, heb ik gemeend de verwezenlijking mijner hartewenschen nabij te zijn, en 't bleek telkens een droom te zijn geweest! Alleen als er iets droefs gebeurde was 'twerkelijkheid.
Zóóveel hebben wij reeds voor onze zaak geleden, Stella; wij weten 't, nog veel, veel meer zullen wij er voor moeten lijden. God geve, dat al dat lijden en strijden niet vruchteloos, nutteloos moge zijn, dat daaruit bloemen mogen opbloeien voor onze medemenschen! Wij zullen al zóó dankbaar zijn, als met al dien strijd, smart en tranen, wij ook maar één enkele bloem mogen plukken voor onze medemenschen! Als wij niet naar Holland kunnen gaan, Stella, sta ons dan af aan Modjowarno. Véél mooie illusies zullen daardoor vermoord worden, maar wees met onsdankbaar, dat wij onskarakter hooghebben kunnen houden. Naar Modjowarno gaan, beteekent voor ons, dood zijn voor de wereld, waarin wij tot dusver geleefd hebben, maar voor de enkelen, wier onverdeelde sympathie wij bezitten en wier meening voor ons van de hoogste waarde is, blijven wij leven. Wij zullen niets meer kunnen doen voor de vrouwen der aristocratie, wier lot juist zoo hard is (van zeer velen althans) en ons met innig medelijden vervult, tenzij met de pen. En toch, beter nog dan 1000 bezielende woorden, is een enkelsprekend voorbeeld! Het zal kracht bijzetten aan 'twoord. Voor ons is Modjowarno gemakkelijker; wij zullen daar geen tegenstand hebben te overwinnen noch vooroordeel!
Het volk zal gaarne ons in zijn midden opnemen. De strijd, dien we daar te voeren zullen hebben, is tegen ons zelve, tegen eigenaardigheden in onze opvoeding.
Men heeft mij aangeraden omalleswat ik denk en gevoel over 't zwaar onrecht in onze vrouwenwereld, waaraanverscheidenevrouwen haar ellendig bestaan danken, op schrift te brengen, hetzij in een brochure, hetzij in een brief aan de Koningin. Het zal aan onze zaak heel veel goed doen, als eenevrouwzelf, op dat onrecht wijst. Maar ik moet wèl weten wat ik doe. Met mijn stem luide daartegen te verheffen, haal ik mij den toorn en haat van heel de Javaansche mannenwereld op den hals. Ik weet het, voor mij persoonlijk vrees ik noch dien haat noch dien toorn; maar als ik onderwijzeres werd, zou 't kunnen gebeuren, dat ik daardoor voor een klasse zonder leerlingen stond. Aan zoo iemand zal men zijn kinderen niet ter opvoeding toevertrouwen. Ik zou met dàt te doen de mannen tasten in hun egoïsme. Wee over hen, die in toestanden grijpen, die 't grenzeloos egoïsme van mannen wettigen, rechtvaardigen!
Het antwoord op mijn vraag, wanneer een Mohammedaansch meisje meerderjarig is, heb ik gekregen. Het luidt: "Een Mohammedaansch meisje isnooitmondig; wil zij vrij worden, dan moet zij eerst trouwen, daarna kan zij weer scheiden".
Wij moeten ons zelfmondigverklaren en de werelddwingenonze mondigheid teerkennen; wijzullenhet!
Je weet, dat Van Kol hier met een journalist kwam; deze gaf eene heele beschrijving van de reis, die hij met den heer Van Kol meemaakte. Ook 't bezoek aan de kaboepaten te Japara stond er in vermeld; en verbeeld je, ook 't een en ander over ons onderhoudmet den heer Van Kol. Nu, men weet dus, van welke richting we zijn. Ik hoop nu maar, dat die publicatie van onze ideeën, instede van afbreuk te doen aan onze zaak, haar ten goede zal komen. Voor 't eerst dan werd mijn naam in 't openbaar samengenoemd metmijn volk; dáár hoort hij voortaan bij! Ik ben er trotsch op, Stella, in één adem genoemd te worden met mijn volk!
Bewaar jij dat portret als een aandenken aan den driebond. Arm klaverblaadje, 't was te mooi geweest, daarom moest het gescheiden worden. 't Is het beste portret, dat er van ons bestaat, daar lijken wij allen goed op. 't Was in de kerstdagen gemaakt, 't laatste portret, waarop wij drieën als jonge meisjes staan. Dat groepje dunkt mij zoo weemoedig. 't Was zoo mooi geweest, drie harten tezamen gepast aan één steel, en nu is er één van afgescheurd. Of de wonden ooit genezen zullen? Ik weet het niet, ze bloeden nog bij de minste aanraking.
O, Stella, je weet niet, hoe we haar missen. Alles herinnert ons aan haar, spreekt van onze lieveling. Wij voelen ons nu zoooudal; het verleden lijkt ons al eeuwen achter ons te liggen. En toch, 't is nog niet eens een half jaar geleden, dat zij ons verliet!
26 Mei 1902. (V.)
Uw laatsten brief, waarin ge zoo sympathiek over 't Javaansche volk schreeft, heb ik vele malen herlezen. Ik vind 't gewoon zalig, dat gij zoo vriendelijk over 't bruine ras, mijn volk, denkt. O, kon ik u allen toch maar hier bij ons hebben; ik zou u zoo graag veel van mijn volk laten zien. Waar zou men een volk beter kunnen leeren kennen en begrijpen dan in den schoot van dat volk zelf, en dat is hier eene echt Javaansche omgeving. Gij weet, dat gij allen ons ten allen tijde welkom zijt.
Ik vind het innig lief van u, om mij bij u te willen hebben; doch helaas! voorloopig mag ik alleen maar uw goeden wil apprecieeren. Alleen naar Buitenzorg reizen behoort op het oogenblik nog tot de verboden vruchten. Maar wie weet of niet reeds gauw daarin eene verandering zal komen! Zooveel, wat ons vandaag nog absoluut onmogelijk toeschijnt, blijkt morgen een voldongen feit te zijn. 't Javaansche volk is een volk van herinnering en sprookjes; in droomen en sprookjes gebeuren de wonderlijkste dingen, en mijn door en door Javaansch hart houdt zich aan de illusie vast, dat evenals in 't ver, ver verleden, ook in 't heden wonderen kunnen gebeuren!
O! als ge eens wist wàt de droomen zijn der Javaansche meisjes uwer kennis! Mogelijk dat gij er u over verbazen zult, ze vreemd vinden, als ik ze u vertel; maar, naar ik hoop, niet medelijdend de schouders er voor zult ophalen. Gij weet, dat we dol, dol graag naar uw land zouden willen gaan, nietwaar? maar niet waarom en waarvoor. Het meest voor de hand liggende is, om vreemde landen en toestanden te zien en om er te genieten en pret te maken. Wij voelen zóó veel voor ons volk, zijn lief en leed gaan ons zoozeer ter harte; is 't wonder, dat er in ons een groot verlangen is, om wàt te kunnen doen, dat ons volk tot heil en zegen strekt?
Wat dat nu te maken heeft met ons verlangen naar uw land? Wij zouden zoo innig graag daar kennis willen vergaderen voor ons volk. Het mooie van andere volkeren, van uw volk in de eerste plaats, te kunnen geven aan ons volk, niet om zijn eigen karakter te verdringen, te vervangen, maar om de goede eigenschappen, die het reeds heeft, teveredelen; dat staat ons voor oogen!
O! mede te kunnen arbeiden aan 't heerlijke, grootsche werk,de beschaving, veredeling van een volk, is ons een ideaal allen levensstrijd waard.
't Is zoo jammer, dat wij zoo ver van elkander afwonen, wat zou ik 't heerlijk vinden om veel met u gedachtenwisseling en wrijving te houden. In een gesprek kan men zooveel beter uitdrukken wat men denkt en wil.
Onze correspondentie is mij hoe langer hoe aangenamer, wij ontmoeten elkaar op zoo menig punt.
Wat zou ik u graag mijn volk willen leeren kennen en begrijpen, zooals ik het ken en begrijp. Daar is zooveel liefs en poëtisch bij. Er moest op Java een wonderartiest opstaan, die in mooie taal zijne landgenooten van 't volk, in welks midden hij woont, vertelt evenals Fielding het gedaan heeft van het Burmaansche volk.
In plaats daarvan, dat beruchte boek van Veth, dat zooveel pennen in beweging heeft gebracht en een storm van verontwaardiging heeft doen opgaan!
Welk land heeft zijne gebreken niet? Indië evengoed als elk ander land op den aardbol. Arm Indië, in 't buitenland weet men al zoo bitter weinig van u, en boeken als dat van Veth, zullen zeker niet de belangstelling in u doen toenemen, wel u doen afstooten!
Augusta de Wit daarentegen schrijft zoo innig sympathiek en in welke schoone taal over Indië! Wij lezen haar stukjes in de Gids met zoo'n genot.
En wat de natuur en kunst betreft, daarover "droomt" (zijn lievelingsuitdrukking) Borel zoo heerlijk mooi; over andere onderwerpen is Borel minder goed te spreken, daarover gaat hij hand aan hand met zijn vriend Veth mee. Kent gij Borel's stukje over de gamelan? Wij vinden 't een juweeltje! Hebt gij dat mooie artikel van Martine Tonnet over de Wajang Orang aan 't Djokjasche hof, in de Gids, gelezen? Ook dat is een juweeltje. Borel moest ook eens zoo'n srimpie dans bijwonen; wat zal hij dan verrukkelijk aan 't dichten gaan! Die dans der Solosche en Djokjasche prinsessen moet goddelijk mooi zijn! 't is de dans der dansen, zegt men. 't Is jammer, dat wij er niet naar toe kunnen gaan. Men heeft ons er dikwijls genoeg voor gevraagd, maar wij vinden 't zoo eng om in hofkostuum gekleed te gaan. Aan 't hof moèt iedereen zoo gekleed gaan (als eene bruid).
Doch nu dwaal ik geheel van mijn onderwerp af. Wij houdendol veel van lezen, en 't spijt ons zoo innig, innig, dat wij geen talen kennen. Er is hier geen gelegenheid om die te leeren; 't is al heel mooi, dat wij ons in uw taal kunnen verstaanbaar maken. Hè, en wij zouden zoo zielsgraag die talen willen leeren. O! we verlangen er zóó naar, al die mooie werken in 't oorspronkelijk te kunnen genieten! Hoe mooi eene vertaling ook is, 't oorspronkelijke is steeds mooier. Kent gij dat beelderige sprokenboek van Marie Marx-Koning? Wij vinden 't zoo mooi. 't Komt mij voor, dat zij eene vurige bewonderaarster is van Van Eeden. De grondgedachte van "'t Viooltje, dat weten wilde", vind ik in "De Kleine Johannes" terug. Vindt ge ze ook niet innig fijn, en o zoo mooi en waar gedacht en zoo prachtig weergegeven?
Met belangstelling las ik hetgeen ge mij van uw protegeetje schreeft en van de armen in 't algemeen in Holland. Ja, van die bittere ellende der armen, als 't winter is, hoor ik veel. Arme, arme stumperds! Ik correspondeer met een Friezinnetje; zij vertelde mij veel van de toestanden in Holland, vooral van de armen in Friesland. Zij heeft veel in den winter op den kouden grond gezeten bij arme menschen, die in krotjes op de hei wonen. Barre winter, geen werk, geen eten, geen vuur, geen kleeren, geen warm dek—en schreiende kinderen. Bitter hard is 't.
Zulke ellende kennen we hier niet, doch wacht, laat ik niet te hard spreken. In onze buurt wordt zoo bitter ellende geleden. Geen kou, ja, maar steenen en zand zijn tot dusver oneetbaar. Men ziet en hoort zooveel ellendigs.
Waar moet 't heen? Ge hebt zeker ook gehoord van de 500 weezen, die hunne ouders aan de cholera verloren hebben. Arme stumperds; zoo jong en reeds ouderloos; doch ze hebben of zullen het nu beter hebben, dan ze het bij hunne eigen ouders ooit hadden en zouden kunnen hebben. Voor hen wordt nugezorgd, terwijl bij hun eigen ouders weinig of niets om hen bekommerd werd.
10 Juni 1902. (VIII.)
Nederlandsch is steeds mijn lievelingsvak geweest, en velen beweren, dat ik er goed thuis in ben; maar, ach, hemeltje! taalgevoel is nog lang geen taalkennis! Gelukkig, dat ik zoo innig, innig veel van de Nederlandsche taal houd. Ik kan dus begrijpen wat een straf 't is voor menschen, die geen gevoel voor die taal hebben en Nederlandsch moeten leeren.
Na taal vind ik aardrijkskunde verrukkelijk; ook mag ik graag rekenen; maar met geschiedenis sta ik nog steeds op gespannen voet. Niet dat ik niet van geschiedenis houd, ik vind haar juist hoogst interessant en zeer leerrijk; maar de vorm, waarin zij ons in de leerboeken voorgezet wordt, heeft weinig bekoring voor mij. In dat vak moet ik een leermeester hebben, die 't meest droge interessant voor mij weet te maken. Wat ik van geschiedenis verrukkelijk vind, is de oude geschiedenis; jammer, dat er maar zoo'n klein stukje in voorkomt. Dat zou ik dolgraag kennen, de geschiedenis der Egyptenaren, de oude Grieken en Romeinen.
Met innige belangstelling volgen wij alles, wat de couranten aangaande de tentoonstelling[1]vertellen. Hoe klopt ons 't harte en tintelen onze oogen, daar wij niets dan veel moois ervan lezen! U allen heeft wel wil van uw nobel werk, en wenschen wij u allen en vooral ons volk, te wiens bate dat werk is ondernomen, hartelijk geluk met het schitterend succes der tentoonstelling. Verrukkelijk vind ik 't, dat 't Japarasche houtsnijwerk zoo de aandacht trok.