Achtste hoofdstuk.Een Hekim.De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy’s had bezeerd, begon mij pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets aarzelends in zijn manier van doen.Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig, vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.—Kent gij ons misschien, vadertje?—vroeg ik hem.—O neen, ik heb u nog nooit gezien!—antwoordde hij.—Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?—Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.—Zien wij er dan als Skipetaren uit?—Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de Skipetaren voor mij had.—Welke meent gij dan?—Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.—Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal schaden als gij het ons zegt.—Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zouhet den Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen nog maar vervolgen!—Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een Bakschisch.De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat in den schoot.De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:—Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij, want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.—Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?—Zoo is het, Heer!—En hoeveel Skipetaren zouden er komen?—Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook niet een Arabier?—Jawel!—Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!—Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?—Hm! dat mag ik niet verraden!—Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!—Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij zeer verdacht voorkomt.—Zoo, en wat is dat dan?—Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan——O, daar komt hij weer!Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.—Wie is dat? vroeg ik.—Mijn zoon, die den gids——O, maar daarover zou ik niet spreken!Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zijmeenden te mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy’s te ontkomen, hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou zijn dan de vader.Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude greep hem bij zijn kleeren en zeide:—Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?—Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen fooi,—antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!—Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?—vroeg ik hem.—Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?—O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u heeft gewaarschuwd.—Allah, Allah,—riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.Hij toonde mij zijn handen.—Wees maar gerust!—antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien, die den tulband van den Profeet dragen?—Neen, nooit!—Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt, en ik kan dus geen roover zijn!—Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.—Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!—Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?—Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil, niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot zijn vader wendende:—Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun paarden gezien?—Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want ’t was nog niet eens dag! De hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met mijn schoonzoon gebeurd?—Ze hebben hem bestolen!—Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze hem ontstolen?—Het beste van zijn twee paarden!—O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen, dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?—Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of den voornaamsten Scheriff niet!Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:—Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den tulband te dragen. Zie maar!Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.—Maar Heer!—riep hij verschrikt uit,—wat zijt gij onvoorzichtig. Gij waagt immers uw leven!—O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier, waar zooveel Christenen zijn!—Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?—Ik ben een Christen!—En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka kan krijgen?—Daar heb ik het ook vandaan!—En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!—En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?—Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!—Wanneer moet dat gebeurd zijn?—Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!—Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan zijt ge op de hoogte?—Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen genomen!—Ja, dat zijn wij!—Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers, en daarom zijt ge goede menschen.—En stelt gij nu vertrouwen in ons?—Ja, Heer!—Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt gekomen.—Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel plaats voor u maken en ik zal u vertellen.—Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!—Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen, die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.—Kenden zij u dan?—De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij mij hen daarheen tebrengen en beloofden mij een goede belooning van tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot gids te dienen.—Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?—Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had gebracht.—Dat was een leugen!—Dat heb ik later ook gemerkt.—En waar ligt dat Taschköj?De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:—Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm, en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet1te vernemen. Zou de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar het geheele nobele gezelschap bij elkaar!—En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij hen niet mocht verraden?—Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig, zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen.Voor dit stilzwijgen gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!—Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?—Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en stond hun het schuim op den bek!—Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen, moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!—Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat, zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:—Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.—Dat is het! Dat is ’t!—Dus die waard is uw zwager.—Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.—Dan ben ik bij hem geweest.—Gij hebt hem dus gezien en gesproken!—En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er, voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.—Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij- en een pakzadel.—Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?—Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.—In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!—Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!—Namelijk ons!—U Heer, en waarom?—Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen van roof leven!—Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!—Ja zeker!—En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?—Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden, en naar ons zoeken.—Misschien komen zij ook hierheen!—Best mogelijk!—En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?—Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.—Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!—Ga nu verder!—Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomenhaddenen daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet, daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd, was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik nu weet verloren!—Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!—O, als u dat eens mocht gelukken!—Waarom?—vroeg ik.—Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!—Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?—O, nog een heel eind verder.—Hoe ver is het daarheen?—Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!—En waar zijn zij toen heengegaan?—Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.—Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?—Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil, om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden, twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!—Troost u!—zeide zijn vader.—Ik heb van dezen Scheriff, die helaas geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch gaan, en brood koopen.—Heer, ik dank u!—zei de mandenmaker.—Ik heb u voor een slecht mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne een dienst bewijzen!Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen, beladen met de teenen die zij hadden gesneden.—Hebt gij honger, klein volkje?—vroeg hij.De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo’n kindje van twee jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.—Nu, haal dan maar eens een mand!—beval de kleine Hadschi aan den vader van deze hongerige schaar.—Maar hij moet niet al te klein zijn!—Waarvoor?—vroeg de man.—Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf, zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.—Zoo!—zeide hij.—Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!—Maar Heer!—riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.—Is dat alles voor ons?—Ja, zeker!—Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!—Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar goed en eet, als ’t je blieft, de mand niet mee op.—Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit over van lieflijkheid.—Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden, vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak, en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.—Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?—Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij niets mogen betalen!—Ga verder!—Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....—O jou ondeugd!—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.—Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!—Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht, ziet bijeengevoegd.—Gij hadt niets mogen aannemen!—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen, hadden wij nu ook niets kunnen geven.—Wij hadden toch wel wat kunnen geven!—Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken, maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij ’t niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart, en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.—Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb toegedacht,—dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.—O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:—Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?—Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.—En dat is?—Mij naar Taschköj te brengen!—Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?—Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik ’t u zeggen!—Waar kan ik u vinden?—Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men goed verblijven kan?—Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, “de Hooge poort”. Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.—Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.—O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm manben. Morgen vroeg zal ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.—Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?—Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.—Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken, hoeveel gij verdienen moet.—Waarmede, Heer?—Met ons naar Taschköj te brengen.—Heer, daarvoor wil ik niets hebben!—En ik wil het niet voor niets hebben.—Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!—Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet het een niet met het ander verwisselen.—Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.—Nu goed, dan zal ’t geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal het aan uw vader geven.—Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf van vreugde, en wilde mij het grootste deel van ’t geld terug geven.—Ik wil geen piaster terug hebben!—zeide ik beslist.—Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!—antwoordde hij. Moge het den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!—Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde dokter?—Zijn naam is Tschefatasch.—O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank ik voor zijn hulp!Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!—Gij behoeft niet bevreesd te zijn!—troostte mij de mandenmaker. Hij zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.—Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde, dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde, te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in de gelagkamer te willen blijven.Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me stevig aan Osko vasthouden.Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten, om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.—Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen op zij van mij staan en vroeg:—Zijt gij hier vreemd?Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.—Zijt gij hier vreemd?—herhaalde hij luider.—Ja,—antwoordde ik nu.—Slaapt gij hier?—Dat weet ik nog niet!—Waar komt gij vandaan?—Uit Stamboel!—O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den Padischa te wonen.—Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.—Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?—Evenals overal!—Wat zijt gij dan?—Een schrijver!—Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!—Maar ik niet met anderen.—Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het vergund was bij u te gaan zitten!—Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.—Waarom niet?—Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.—Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war, ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had om niet in lachen uit te barsten.—Heer,—Effendi,—wie—zijt gij?—vroeg hij.—Dat heb ik u reeds gezegd.—Hebt gij de waarheid gezegd?—Durft gij mij van liegen te verdenken?—Neen, om Allah’s wil, neen, want ik weet dat—dat gij—Hij kon niet verder komen van angst en twijfel.—Wat is er dan? Wat weet gij van mij?—Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en in Stamboel woont.—Wat praat ge dan voor dwaasheid?—Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van wien—O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war, maar die gelijkenis is dan ook al te groot.—Op wien gelijk ik dan zoo?—Op een dooden Effendi!—Zoo, en wanneer is die gestorven?—Vandaag... onderweg.—Dat is zeer treurig, wanneer een geloovige onderweg komt te sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem bidden. Waaraan is hij gestorven?—Hij is vermoord geworden!—Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?—Neen, Heer!—Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?—Zoo is het!—En wie heeft hem vermoord?—Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier en Ostromdscha.—Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?—Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!—Misschien een bloedwraak?—Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander opgestookt en ’s nachts zelfs de hut van een vromen man in brand gestoken.—Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!—O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen die varkensvleesch eet.—Dan wacht hem de hel.—Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.—Was hij alleen?—Neen, er waren er nog drie bij hem.—En waar zijn die dan gebleven?—Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.—En waar heeft men zijn lijk gelaten?—Dat weet ik niet!—Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?—Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft, alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!—Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff,althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie zijt gij eindelijk?—Een Bokadschi uit Ostromdscha!—Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar—hm, ik hoorde vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?—Ja, want wij boden hooren van alles!—En kent gij ze?—Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met hem aan de hand?—Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!—Dan zij Allah deze streek genadig!—Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:—Kent gij dien misschien?—Zeer goed. Hij is,—een kameraad van mij!—Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de politie zoekt dien man.—Allah, w’ Allah! en waarom dat?—Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen verraden—aan de beide Aladschy’s, de moordenaars. Hij heeft hun den tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.—Is——is dat waar? stotterde hij—De vermoorde heeft het zelf gezegd.—Kan een doode dan spreken?—Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!De bode sprong van schrik op.—Gij kent mij dus?—riep hij ontsteld.—Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.—Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.—Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?—vroeg hij op vriendelijken toon.—Omdat ik nog zooveel te doen heb!—Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?—Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!—Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!—Naar wien?—Dat zal ik wel voor je opschrijven.—Wat is het?—Een groet, alleen een groet!—Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!—Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.—Duurt het lang?—Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met hen mede.Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren, nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur, verdwijnen, die daarna werd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep in aanraking komt met de menschelijke huid.Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische uittocht maakte, want hij keek in ’t geheel niet om, maar ging stil zijns weegs.De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.—Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!—zei Halef, terwijl hij zich over zijn baard streek en tevreden glimlachte.—Wat zei de kerel wel, Sihdi, toen hij u zag?Ik vertelde het.—Zoó’n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien hij wil.—Verweerde hij zich niet?—Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij ’t met mij eens, Effendi?—Ditmaal, ja!—Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?—Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had moeten zoeken vóór hij dokter “Martelsteen” had gevonden. Dit heerschap had het erg druk, maar zou dadelijk komen.Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem toen naar huis gaan.Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht, bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een kleine misgreep kon me misschien noodzaken langerentijd hier te blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam, een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen, links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte de wandelende apotheek van den dokter.Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had kunnen noemen.Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen op mij toe.Daar ik met mijn voet in ’t water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:—Spreekt gij gaarne veel?—Neen!—antwoordde ik kortaf.—Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we spoedig klaar!Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek me van onder tot boven aan, en begon toen:—Gij zijt toch den man niet met een voet?—Neen, met twee voeten.—Wat! Alle twee gebroken?Hij had mijn grap niet begrepen.—Neen, een, den linker.—Dubbel gebroken?O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.—Alleen verstuiking,—antwoordde ik.—Steek uw tong uit!Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts, en merkte toen hoofschuddend op:—Een gevaarlijke verstuiking!—Neen, slechts een lichte!—Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?—Drie, hoogstens vier uur geleden!—Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging bij komen!Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging, ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.—Hebt gij pijn?—vroeg hij.—O, dat is wel uit te houden.—En eetlust?—Een uitstekende, dat verzeker ik u.—Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de vingertoppen, knikte en vroeg mij:—Schreeuwt gij gauw?—Neen.—Des te beter.Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten—toen keek hij mij glimlachend aan en vroeg:—Nu, hoe was dat?—Heerlijk.—Nu, dan zijn wij klaar!—Heelemaal?—Neen, nu nog verbinden.Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.—Waarmee verbinden?—Met planken. Waar is hout?—Daar houd ik niet van.—Waarom niet?—Dat deugt niet.—Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?—Neen, ik wil een gipsverband.—Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren, maar niet op een been.Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.—En met gips maakt men ook prachtige verbanden.—Dat zou ik wel eens willen zien.—Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.—En hoe zult gij dat aanleggen?—Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.—En als ge nu geen gips kunt krijgen?—Dan maakikeen verband uit klei.—Klei!—riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.—Volstrekt niet.—Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.—Als ik maar wilde!—riep ik lachend uit.—Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.—Ik ook.—Waarin hebt gij gestudeerd?—In alles,—antwoordde ik kortaf.—En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium van Sabur Ibu Saheli.—En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit het hoofd.—Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.—Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd,eerst moet ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de pijn minder is geworden. Begrijpt gij?—Allah, gij spreekt als een geneesheer!—Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.—Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?—Om u mijn tong te laten zien.—Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en betaalt dus dubbel. Begrepen?—Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en kom niet weer terug.—Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam met een emmer in de hand.De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:—Wat hebt gij daar?—Altschy—gips.—Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:—Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?—Ik ben de dokter! Begrepen?—Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los, alsof zijn longen met kruit waren geladen:—Wat—, wat—moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?—Daar dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en vulde de muts met aangemengd gips.—Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!
Achtste hoofdstuk.Een Hekim.De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy’s had bezeerd, begon mij pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets aarzelends in zijn manier van doen.Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig, vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.—Kent gij ons misschien, vadertje?—vroeg ik hem.—O neen, ik heb u nog nooit gezien!—antwoordde hij.—Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?—Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.—Zien wij er dan als Skipetaren uit?—Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de Skipetaren voor mij had.—Welke meent gij dan?—Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.—Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal schaden als gij het ons zegt.—Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zouhet den Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen nog maar vervolgen!—Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een Bakschisch.De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat in den schoot.De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:—Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij, want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.—Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?—Zoo is het, Heer!—En hoeveel Skipetaren zouden er komen?—Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook niet een Arabier?—Jawel!—Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!—Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?—Hm! dat mag ik niet verraden!—Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!—Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij zeer verdacht voorkomt.—Zoo, en wat is dat dan?—Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan——O, daar komt hij weer!Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.—Wie is dat? vroeg ik.—Mijn zoon, die den gids——O, maar daarover zou ik niet spreken!Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zijmeenden te mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy’s te ontkomen, hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou zijn dan de vader.Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude greep hem bij zijn kleeren en zeide:—Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?—Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen fooi,—antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!—Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?—vroeg ik hem.—Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?—O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u heeft gewaarschuwd.—Allah, Allah,—riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.Hij toonde mij zijn handen.—Wees maar gerust!—antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien, die den tulband van den Profeet dragen?—Neen, nooit!—Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt, en ik kan dus geen roover zijn!—Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.—Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!—Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?—Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil, niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot zijn vader wendende:—Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun paarden gezien?—Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want ’t was nog niet eens dag! De hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met mijn schoonzoon gebeurd?—Ze hebben hem bestolen!—Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze hem ontstolen?—Het beste van zijn twee paarden!—O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen, dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?—Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of den voornaamsten Scheriff niet!Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:—Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den tulband te dragen. Zie maar!Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.—Maar Heer!—riep hij verschrikt uit,—wat zijt gij onvoorzichtig. Gij waagt immers uw leven!—O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier, waar zooveel Christenen zijn!—Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?—Ik ben een Christen!—En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka kan krijgen?—Daar heb ik het ook vandaan!—En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!—En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?—Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!—Wanneer moet dat gebeurd zijn?—Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!—Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan zijt ge op de hoogte?—Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen genomen!—Ja, dat zijn wij!—Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers, en daarom zijt ge goede menschen.—En stelt gij nu vertrouwen in ons?—Ja, Heer!—Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt gekomen.—Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel plaats voor u maken en ik zal u vertellen.—Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!—Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen, die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.—Kenden zij u dan?—De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij mij hen daarheen tebrengen en beloofden mij een goede belooning van tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot gids te dienen.—Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?—Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had gebracht.—Dat was een leugen!—Dat heb ik later ook gemerkt.—En waar ligt dat Taschköj?De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:—Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm, en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet1te vernemen. Zou de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar het geheele nobele gezelschap bij elkaar!—En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij hen niet mocht verraden?—Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig, zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen.Voor dit stilzwijgen gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!—Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?—Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en stond hun het schuim op den bek!—Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen, moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!—Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat, zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:—Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.—Dat is het! Dat is ’t!—Dus die waard is uw zwager.—Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.—Dan ben ik bij hem geweest.—Gij hebt hem dus gezien en gesproken!—En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er, voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.—Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij- en een pakzadel.—Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?—Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.—In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!—Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!—Namelijk ons!—U Heer, en waarom?—Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen van roof leven!—Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!—Ja zeker!—En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?—Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden, en naar ons zoeken.—Misschien komen zij ook hierheen!—Best mogelijk!—En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?—Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.—Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!—Ga nu verder!—Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomenhaddenen daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet, daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd, was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik nu weet verloren!—Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!—O, als u dat eens mocht gelukken!—Waarom?—vroeg ik.—Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!—Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?—O, nog een heel eind verder.—Hoe ver is het daarheen?—Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!—En waar zijn zij toen heengegaan?—Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.—Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?—Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil, om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden, twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!—Troost u!—zeide zijn vader.—Ik heb van dezen Scheriff, die helaas geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch gaan, en brood koopen.—Heer, ik dank u!—zei de mandenmaker.—Ik heb u voor een slecht mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne een dienst bewijzen!Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen, beladen met de teenen die zij hadden gesneden.—Hebt gij honger, klein volkje?—vroeg hij.De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo’n kindje van twee jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.—Nu, haal dan maar eens een mand!—beval de kleine Hadschi aan den vader van deze hongerige schaar.—Maar hij moet niet al te klein zijn!—Waarvoor?—vroeg de man.—Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf, zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.—Zoo!—zeide hij.—Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!—Maar Heer!—riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.—Is dat alles voor ons?—Ja, zeker!—Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!—Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar goed en eet, als ’t je blieft, de mand niet mee op.—Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit over van lieflijkheid.—Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden, vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak, en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.—Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?—Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij niets mogen betalen!—Ga verder!—Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....—O jou ondeugd!—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.—Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!—Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht, ziet bijeengevoegd.—Gij hadt niets mogen aannemen!—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen, hadden wij nu ook niets kunnen geven.—Wij hadden toch wel wat kunnen geven!—Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken, maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij ’t niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart, en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.—Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb toegedacht,—dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.—O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:—Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?—Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.—En dat is?—Mij naar Taschköj te brengen!—Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?—Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik ’t u zeggen!—Waar kan ik u vinden?—Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men goed verblijven kan?—Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, “de Hooge poort”. Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.—Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.—O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm manben. Morgen vroeg zal ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.—Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?—Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.—Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken, hoeveel gij verdienen moet.—Waarmede, Heer?—Met ons naar Taschköj te brengen.—Heer, daarvoor wil ik niets hebben!—En ik wil het niet voor niets hebben.—Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!—Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet het een niet met het ander verwisselen.—Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.—Nu goed, dan zal ’t geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal het aan uw vader geven.—Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf van vreugde, en wilde mij het grootste deel van ’t geld terug geven.—Ik wil geen piaster terug hebben!—zeide ik beslist.—Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!—antwoordde hij. Moge het den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!—Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde dokter?—Zijn naam is Tschefatasch.—O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank ik voor zijn hulp!Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!—Gij behoeft niet bevreesd te zijn!—troostte mij de mandenmaker. Hij zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.—Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde, dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde, te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in de gelagkamer te willen blijven.Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me stevig aan Osko vasthouden.Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten, om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.—Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen op zij van mij staan en vroeg:—Zijt gij hier vreemd?Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.—Zijt gij hier vreemd?—herhaalde hij luider.—Ja,—antwoordde ik nu.—Slaapt gij hier?—Dat weet ik nog niet!—Waar komt gij vandaan?—Uit Stamboel!—O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den Padischa te wonen.—Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.—Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?—Evenals overal!—Wat zijt gij dan?—Een schrijver!—Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!—Maar ik niet met anderen.—Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het vergund was bij u te gaan zitten!—Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.—Waarom niet?—Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.—Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war, ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had om niet in lachen uit te barsten.—Heer,—Effendi,—wie—zijt gij?—vroeg hij.—Dat heb ik u reeds gezegd.—Hebt gij de waarheid gezegd?—Durft gij mij van liegen te verdenken?—Neen, om Allah’s wil, neen, want ik weet dat—dat gij—Hij kon niet verder komen van angst en twijfel.—Wat is er dan? Wat weet gij van mij?—Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en in Stamboel woont.—Wat praat ge dan voor dwaasheid?—Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van wien—O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war, maar die gelijkenis is dan ook al te groot.—Op wien gelijk ik dan zoo?—Op een dooden Effendi!—Zoo, en wanneer is die gestorven?—Vandaag... onderweg.—Dat is zeer treurig, wanneer een geloovige onderweg komt te sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem bidden. Waaraan is hij gestorven?—Hij is vermoord geworden!—Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?—Neen, Heer!—Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?—Zoo is het!—En wie heeft hem vermoord?—Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier en Ostromdscha.—Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?—Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!—Misschien een bloedwraak?—Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander opgestookt en ’s nachts zelfs de hut van een vromen man in brand gestoken.—Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!—O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen die varkensvleesch eet.—Dan wacht hem de hel.—Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.—Was hij alleen?—Neen, er waren er nog drie bij hem.—En waar zijn die dan gebleven?—Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.—En waar heeft men zijn lijk gelaten?—Dat weet ik niet!—Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?—Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft, alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!—Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff,althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie zijt gij eindelijk?—Een Bokadschi uit Ostromdscha!—Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar—hm, ik hoorde vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?—Ja, want wij boden hooren van alles!—En kent gij ze?—Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met hem aan de hand?—Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!—Dan zij Allah deze streek genadig!—Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:—Kent gij dien misschien?—Zeer goed. Hij is,—een kameraad van mij!—Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de politie zoekt dien man.—Allah, w’ Allah! en waarom dat?—Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen verraden—aan de beide Aladschy’s, de moordenaars. Hij heeft hun den tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.—Is——is dat waar? stotterde hij—De vermoorde heeft het zelf gezegd.—Kan een doode dan spreken?—Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!De bode sprong van schrik op.—Gij kent mij dus?—riep hij ontsteld.—Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.—Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.—Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?—vroeg hij op vriendelijken toon.—Omdat ik nog zooveel te doen heb!—Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?—Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!—Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!—Naar wien?—Dat zal ik wel voor je opschrijven.—Wat is het?—Een groet, alleen een groet!—Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!—Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.—Duurt het lang?—Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met hen mede.Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren, nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur, verdwijnen, die daarna werd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep in aanraking komt met de menschelijke huid.Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische uittocht maakte, want hij keek in ’t geheel niet om, maar ging stil zijns weegs.De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.—Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!—zei Halef, terwijl hij zich over zijn baard streek en tevreden glimlachte.—Wat zei de kerel wel, Sihdi, toen hij u zag?Ik vertelde het.—Zoó’n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien hij wil.—Verweerde hij zich niet?—Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij ’t met mij eens, Effendi?—Ditmaal, ja!—Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?—Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had moeten zoeken vóór hij dokter “Martelsteen” had gevonden. Dit heerschap had het erg druk, maar zou dadelijk komen.Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem toen naar huis gaan.Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht, bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een kleine misgreep kon me misschien noodzaken langerentijd hier te blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam, een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen, links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte de wandelende apotheek van den dokter.Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had kunnen noemen.Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen op mij toe.Daar ik met mijn voet in ’t water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:—Spreekt gij gaarne veel?—Neen!—antwoordde ik kortaf.—Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we spoedig klaar!Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek me van onder tot boven aan, en begon toen:—Gij zijt toch den man niet met een voet?—Neen, met twee voeten.—Wat! Alle twee gebroken?Hij had mijn grap niet begrepen.—Neen, een, den linker.—Dubbel gebroken?O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.—Alleen verstuiking,—antwoordde ik.—Steek uw tong uit!Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts, en merkte toen hoofschuddend op:—Een gevaarlijke verstuiking!—Neen, slechts een lichte!—Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?—Drie, hoogstens vier uur geleden!—Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging bij komen!Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging, ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.—Hebt gij pijn?—vroeg hij.—O, dat is wel uit te houden.—En eetlust?—Een uitstekende, dat verzeker ik u.—Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de vingertoppen, knikte en vroeg mij:—Schreeuwt gij gauw?—Neen.—Des te beter.Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten—toen keek hij mij glimlachend aan en vroeg:—Nu, hoe was dat?—Heerlijk.—Nu, dan zijn wij klaar!—Heelemaal?—Neen, nu nog verbinden.Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.—Waarmee verbinden?—Met planken. Waar is hout?—Daar houd ik niet van.—Waarom niet?—Dat deugt niet.—Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?—Neen, ik wil een gipsverband.—Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren, maar niet op een been.Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.—En met gips maakt men ook prachtige verbanden.—Dat zou ik wel eens willen zien.—Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.—En hoe zult gij dat aanleggen?—Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.—En als ge nu geen gips kunt krijgen?—Dan maakikeen verband uit klei.—Klei!—riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.—Volstrekt niet.—Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.—Als ik maar wilde!—riep ik lachend uit.—Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.—Ik ook.—Waarin hebt gij gestudeerd?—In alles,—antwoordde ik kortaf.—En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium van Sabur Ibu Saheli.—En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit het hoofd.—Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.—Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd,eerst moet ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de pijn minder is geworden. Begrijpt gij?—Allah, gij spreekt als een geneesheer!—Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.—Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?—Om u mijn tong te laten zien.—Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en betaalt dus dubbel. Begrepen?—Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en kom niet weer terug.—Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam met een emmer in de hand.De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:—Wat hebt gij daar?—Altschy—gips.—Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:—Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?—Ik ben de dokter! Begrepen?—Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los, alsof zijn longen met kruit waren geladen:—Wat—, wat—moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?—Daar dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en vulde de muts met aangemengd gips.—Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!
De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy’s had bezeerd, begon mij pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets aarzelends in zijn manier van doen.
Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig, vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.
—Kent gij ons misschien, vadertje?—vroeg ik hem.
—O neen, ik heb u nog nooit gezien!—antwoordde hij.
—Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?
—Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.
—Zien wij er dan als Skipetaren uit?
—Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de Skipetaren voor mij had.
—Welke meent gij dan?
—Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.
—Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal schaden als gij het ons zegt.
—Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zouhet den Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen nog maar vervolgen!
—Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een Bakschisch.
De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat in den schoot.
De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:
—Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij, want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.
—Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?
—Zoo is het, Heer!
—En hoeveel Skipetaren zouden er komen?
—Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook niet een Arabier?
—Jawel!
—Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!
—Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?
—Hm! dat mag ik niet verraden!
—Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!
—Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij zeer verdacht voorkomt.
—Zoo, en wat is dat dan?
—Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan——O, daar komt hij weer!
Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.
—Wie is dat? vroeg ik.
—Mijn zoon, die den gids——O, maar daarover zou ik niet spreken!
Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.
In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zijmeenden te mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy’s te ontkomen, hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou zijn dan de vader.
Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude greep hem bij zijn kleeren en zeide:
—Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?
—Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen fooi,—antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!
—Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?—vroeg ik hem.
—Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?
—O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u heeft gewaarschuwd.
—Allah, Allah,—riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.
Hij toonde mij zijn handen.
—Wees maar gerust!—antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien, die den tulband van den Profeet dragen?
—Neen, nooit!
—Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt, en ik kan dus geen roover zijn!
—Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.
—Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!
—Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?
—Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil, niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.
De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot zijn vader wendende:
—Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun paarden gezien?
—Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want ’t was nog niet eens dag! De hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met mijn schoonzoon gebeurd?
—Ze hebben hem bestolen!
—Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze hem ontstolen?
—Het beste van zijn twee paarden!
—O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen, dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?
—Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of den voornaamsten Scheriff niet!
Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:
—Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den tulband te dragen. Zie maar!
Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.
—Maar Heer!—riep hij verschrikt uit,—wat zijt gij onvoorzichtig. Gij waagt immers uw leven!
—O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier, waar zooveel Christenen zijn!
—Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?
—Ik ben een Christen!
—En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka kan krijgen?
—Daar heb ik het ook vandaan!
—En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!
—En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?
—Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!
—Wanneer moet dat gebeurd zijn?
—Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!
—Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan zijt ge op de hoogte?
—Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen genomen!
—Ja, dat zijn wij!
—Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers, en daarom zijt ge goede menschen.
—En stelt gij nu vertrouwen in ons?
—Ja, Heer!
—Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt gekomen.
—Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel plaats voor u maken en ik zal u vertellen.
—Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!
—Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen, die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.
—Kenden zij u dan?
—De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij mij hen daarheen tebrengen en beloofden mij een goede belooning van tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot gids te dienen.
—Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?
—Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had gebracht.
—Dat was een leugen!
—Dat heb ik later ook gemerkt.
—En waar ligt dat Taschköj?
De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:
—Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm, en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.
Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet1te vernemen. Zou de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar het geheele nobele gezelschap bij elkaar!
—En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij hen niet mocht verraden?
—Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig, zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen.Voor dit stilzwijgen gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!
—Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?
—Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en stond hun het schuim op den bek!
—Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen, moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!
—Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat, zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.
Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:
—Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.
—Dat is het! Dat is ’t!
—Dus die waard is uw zwager.
—Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.
—Dan ben ik bij hem geweest.
—Gij hebt hem dus gezien en gesproken!
—En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er, voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.
—Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij- en een pakzadel.
—Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?
—Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.
—In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!
—Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!
—Namelijk ons!
—U Heer, en waarom?
—Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen van roof leven!
—Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!
—Ja zeker!
—En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?
—Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden, en naar ons zoeken.
—Misschien komen zij ook hierheen!
—Best mogelijk!
—En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?
—Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.
—Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!
—Ga nu verder!
—Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomenhaddenen daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet, daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd, was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik nu weet verloren!
—Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!
—O, als u dat eens mocht gelukken!
—Waarom?—vroeg ik.
—Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!
—Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?
—O, nog een heel eind verder.
—Hoe ver is het daarheen?
—Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!
—En waar zijn zij toen heengegaan?
—Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.
—Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?
—Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil, om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden, twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!
—Troost u!—zeide zijn vader.—Ik heb van dezen Scheriff, die helaas geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch gaan, en brood koopen.
—Heer, ik dank u!—zei de mandenmaker.—Ik heb u voor een slecht mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne een dienst bewijzen!
Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.
Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen, beladen met de teenen die zij hadden gesneden.
—Hebt gij honger, klein volkje?—vroeg hij.
De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo’n kindje van twee jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.
—Nu, haal dan maar eens een mand!—beval de kleine Hadschi aan den vader van deze hongerige schaar.—Maar hij moet niet al te klein zijn!
—Waarvoor?—vroeg de man.
—Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.
De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf, zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.
—Zoo!—zeide hij.—Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!
—Maar Heer!—riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.—Is dat alles voor ons?
—Ja, zeker!
—Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!
—Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar goed en eet, als ’t je blieft, de mand niet mee op.
—Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit over van lieflijkheid.
—Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden, vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak, en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.
Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.
—Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?
—Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij niets mogen betalen!
—Ga verder!
—Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....
—O jou ondeugd!
—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.
—Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!
—Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht, ziet bijeengevoegd.
—Gij hadt niets mogen aannemen!
—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen, hadden wij nu ook niets kunnen geven.
—Wij hadden toch wel wat kunnen geven!
—Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken, maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij ’t niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart, en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!
Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.
—Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb toegedacht,—dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.
—O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!
De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.
De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:
—Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?
—Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.
—En dat is?
—Mij naar Taschköj te brengen!
—Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?
—Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik ’t u zeggen!
—Waar kan ik u vinden?
—Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men goed verblijven kan?
—Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, “de Hooge poort”. Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.
—Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.
—O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm manben. Morgen vroeg zal ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.
—Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?
—Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.
—Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken, hoeveel gij verdienen moet.
—Waarmede, Heer?
—Met ons naar Taschköj te brengen.
—Heer, daarvoor wil ik niets hebben!
—En ik wil het niet voor niets hebben.
—Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!
—Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet het een niet met het ander verwisselen.
—Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.
—Nu goed, dan zal ’t geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal het aan uw vader geven.—Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf van vreugde, en wilde mij het grootste deel van ’t geld terug geven.
—Ik wil geen piaster terug hebben!—zeide ik beslist.
—Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!—antwoordde hij. Moge het den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!
—Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde dokter?
—Zijn naam is Tschefatasch.
—O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank ik voor zijn hulp!
Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!
—Gij behoeft niet bevreesd te zijn!—troostte mij de mandenmaker. Hij zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.
—Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!
Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde, dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde, te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in de gelagkamer te willen blijven.
Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me stevig aan Osko vasthouden.
Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten, om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.
De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.
Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.
—Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen op zij van mij staan en vroeg:
—Zijt gij hier vreemd?
Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.
—Zijt gij hier vreemd?—herhaalde hij luider.
—Ja,—antwoordde ik nu.
—Slaapt gij hier?
—Dat weet ik nog niet!
—Waar komt gij vandaan?
—Uit Stamboel!
—O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den Padischa te wonen.
—Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.
—Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?
—Evenals overal!
—Wat zijt gij dan?
—Een schrijver!
—Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!
—Maar ik niet met anderen.
—Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het vergund was bij u te gaan zitten!
—Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.
—Waarom niet?
—Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.
—Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.
Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.
Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war, ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had om niet in lachen uit te barsten.
—Heer,—Effendi,—wie—zijt gij?—vroeg hij.
—Dat heb ik u reeds gezegd.
—Hebt gij de waarheid gezegd?
—Durft gij mij van liegen te verdenken?
—Neen, om Allah’s wil, neen, want ik weet dat—dat gij—Hij kon niet verder komen van angst en twijfel.
—Wat is er dan? Wat weet gij van mij?
—Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en in Stamboel woont.
—Wat praat ge dan voor dwaasheid?
—Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van wien—O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war, maar die gelijkenis is dan ook al te groot.
—Op wien gelijk ik dan zoo?
—Op een dooden Effendi!
—Zoo, en wanneer is die gestorven?
—Vandaag... onderweg.
—Dat is zeer treurig, wanneer een geloovige onderweg komt te sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem bidden. Waaraan is hij gestorven?
—Hij is vermoord geworden!
—Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?
—Neen, Heer!
—Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?
—Zoo is het!
—En wie heeft hem vermoord?
—Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier en Ostromdscha.
—Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?
—Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!
—Misschien een bloedwraak?
—Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander opgestookt en ’s nachts zelfs de hut van een vromen man in brand gestoken.
—Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!
—O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen die varkensvleesch eet.
—Dan wacht hem de hel.
—Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.
—Was hij alleen?
—Neen, er waren er nog drie bij hem.
—En waar zijn die dan gebleven?
—Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.
—En waar heeft men zijn lijk gelaten?
—Dat weet ik niet!
—Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?
—Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft, alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!
—Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff,althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie zijt gij eindelijk?
—Een Bokadschi uit Ostromdscha!
—Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar—hm, ik hoorde vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?
—Ja, want wij boden hooren van alles!
—En kent gij ze?
—Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met hem aan de hand?
—Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!
—Dan zij Allah deze streek genadig!
—Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.
De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:
—Kent gij dien misschien?
—Zeer goed. Hij is,—een kameraad van mij!
—Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de politie zoekt dien man.
—Allah, w’ Allah! en waarom dat?
—Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen verraden—aan de beide Aladschy’s, de moordenaars. Hij heeft hun den tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.
—Is——is dat waar? stotterde hij
—De vermoorde heeft het zelf gezegd.
—Kan een doode dan spreken?
—Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!
De bode sprong van schrik op.
—Gij kent mij dus?—riep hij ontsteld.
—Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!
Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.
—Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.
Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.
—Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?—vroeg hij op vriendelijken toon.
—Omdat ik nog zooveel te doen heb!
—Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?
—Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!
—Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!
—Naar wien?
—Dat zal ik wel voor je opschrijven.
—Wat is het?
—Een groet, alleen een groet!
—Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!
—Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.
—Duurt het lang?
—Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!
De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met hen mede.
Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren, nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur, verdwijnen, die daarna werd gesloten.
Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep in aanraking komt met de menschelijke huid.
Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.
Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische uittocht maakte, want hij keek in ’t geheel niet om, maar ging stil zijns weegs.
De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.
—Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!—zei Halef, terwijl hij zich over zijn baard streek en tevreden glimlachte.—Wat zei de kerel wel, Sihdi, toen hij u zag?
Ik vertelde het.
—Zoó’n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien hij wil.
—Verweerde hij zich niet?
—Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij ’t met mij eens, Effendi?
—Ditmaal, ja!
—Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?
—Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.
Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had moeten zoeken vóór hij dokter “Martelsteen” had gevonden. Dit heerschap had het erg druk, maar zou dadelijk komen.
Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem toen naar huis gaan.
Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht, bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een kleine misgreep kon me misschien noodzaken langerentijd hier te blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.
Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.
Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam, een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen, links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte de wandelende apotheek van den dokter.
Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.
Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had kunnen noemen.
Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen op mij toe.
Daar ik met mijn voet in ’t water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:
—Spreekt gij gaarne veel?
—Neen!—antwoordde ik kortaf.
—Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we spoedig klaar!
Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek me van onder tot boven aan, en begon toen:
—Gij zijt toch den man niet met een voet?
—Neen, met twee voeten.
—Wat! Alle twee gebroken?
Hij had mijn grap niet begrepen.
—Neen, een, den linker.
—Dubbel gebroken?
O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.
—Alleen verstuiking,—antwoordde ik.
—Steek uw tong uit!
Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts, en merkte toen hoofschuddend op:
—Een gevaarlijke verstuiking!
—Neen, slechts een lichte!
—Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?
—Drie, hoogstens vier uur geleden!
—Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging bij komen!
Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging, ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.
—Hebt gij pijn?—vroeg hij.
—O, dat is wel uit te houden.
—En eetlust?
—Een uitstekende, dat verzeker ik u.
—Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.
Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.
Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de vingertoppen, knikte en vroeg mij:
—Schreeuwt gij gauw?
—Neen.
—Des te beter.
Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten—toen keek hij mij glimlachend aan en vroeg:
—Nu, hoe was dat?
—Heerlijk.
—Nu, dan zijn wij klaar!
—Heelemaal?
—Neen, nu nog verbinden.
Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.
—Waarmee verbinden?
—Met planken. Waar is hout?
—Daar houd ik niet van.
—Waarom niet?
—Dat deugt niet.
—Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?
—Neen, ik wil een gipsverband.
—Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren, maar niet op een been.
Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.
—En met gips maakt men ook prachtige verbanden.
—Dat zou ik wel eens willen zien.
—Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.
—En hoe zult gij dat aanleggen?
—Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.
—En als ge nu geen gips kunt krijgen?
—Dan maakikeen verband uit klei.
—Klei!—riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.
—Volstrekt niet.
—Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.
—Als ik maar wilde!—riep ik lachend uit.
—Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.
—Ik ook.
—Waarin hebt gij gestudeerd?
—In alles,—antwoordde ik kortaf.
—En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium van Sabur Ibu Saheli.
—En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit het hoofd.
—Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.
—Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd,eerst moet ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de pijn minder is geworden. Begrijpt gij?
—Allah, gij spreekt als een geneesheer!
—Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.
—Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?
—Om u mijn tong te laten zien.
—Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en betaalt dus dubbel. Begrepen?
—Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en kom niet weer terug.
—Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!
Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam met een emmer in de hand.
De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:
—Wat hebt gij daar?
—Altschy—gips.
—Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!
Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:
—Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?
—Ik ben de dokter! Begrepen?
—Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!
Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los, alsof zijn longen met kruit waren geladen:
—Wat—, wat—moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?—Daar dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!
Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en vulde de muts met aangemengd gips.
—Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!