Chapter 10

—Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.—Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.—Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.—Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de noodige kogels begroet worden.—Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.—zei Halef.—Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar ophet dak hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte positie veilig op ons schieten.—O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?—Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.—Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?—Wij u soms?—Wat is er aan mij verbeurd!—antwoordde de trouwe Hadschi.—Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.—Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.—Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen, voor ik u roep.Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:—Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?—Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.—Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!—Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?—Donker?—Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben, mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen, als ik het zeg.Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.—Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,—fluisterde ik hem toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg op de krampunten aan. Vooruit!—Een!—Twee!De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.—Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,—zeide ik. Dat is voor ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij insgelijks ons.—Hoe staat het met de kram?—vroeg Halef.—Dat willen wij zien.Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had zijn plicht gedaan.—Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast allebei! Ik moet opOmar’sschouders knielen.Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken, want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en—het sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de rotswanden opflikkerde.Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar boven werkte.Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit de handen vloog.In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een mensch—het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde, op mijn tulband hadden geschoten.Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk, dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden, dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden, en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd, maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog,dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen, gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.—Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!—brulde hij. Gij zit in het licht, zij schieten u neer!Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij, wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.Daarover denkende, hoorde ik achter mij:—Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?—Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.—O, wij zijn kogelvrij.—Geen gekheid! Kom!Hij kroop door de opening.—Oho, wie ligt hier?—De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.—Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij hem genadig!Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.—Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.—Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzethier aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben, ook al met anderen gespeeld zijn?—Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die rotsholte van dorst omgekomen!—Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch gevluchten te ontdekken.Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.—Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden, ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?—vroeg Halef.—Ja,—zeide ik,—want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer, zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een mooi mikpunt.Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten te verleiden. Niets bewoog zich.—Ik ga nu het eerst naar omlaag,—zeide ik. Ik kruip terstond tusschen het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn, moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch, eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar blijft staan tot ik kom.—Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!—Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om, greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn armbloedde, en het bleek mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij mocht wezen.Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden bij elkaar, zacht sprekende.De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een ongeoefende hen benaderen kon.Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder dan drie pas van mij af.—Mubarek is er geweest,—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude was een ezel om daar te gaan staan.—Dan was ik er ook een?—vroeg de Aladschy.—Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.—Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen had gezet.—Maar wie heeft geschoten?—Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.—Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?—Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij wel degelijk kwetsbaar is.—Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is een leugen.—Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo’n kogel heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.—Wonderlijk! Om bang van te worden!—Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga, maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij van daag hebben.—Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?—vroeg Manach el Barscha.—Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!—Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik zou er de proef wel eens van willen nemen.—Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen, toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.—Mubarek verbood het ons.—Dat was dom van hem.—Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizonderebescherming genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.—Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen heeft een ellendigen dood gehad.—Om zijn dood zal ik niet treuren,—zei Barud el Amasat. Hij stond mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken waren toch echte galgebrokken.—Laten we nu een besluit nemen, voor de tijd verloopt!—stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken, waar zij nu nog zijn?—Neen,—antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in ’t donker overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken, en zij zijn er geweest.—Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?—Natuurlijk in het bosch.—Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is, dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.—Goed zoo,—stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi: gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.—Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet, niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo dat gij geen vin meer verroert.—Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dienstoel iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht, dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.—En als u dat niet gelukt?—Het zal, het moet gelukken!—Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij kunnen gestoord worden, wat dan?—Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy vertrekken!—Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom niet talmen met ons te volgen.—Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken: wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij gerust aan hem overlaten.—Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder weggingen, dan wij.Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk vertrokken.Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de vrienden mij.—Komt maar hier! riep ik ze toe.Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan zitten.—Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.—Van den slager neemt gij niets,—gebood ik. Wat er in zijn zakken is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek bij zich heeft, dat nemen wij.Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.—Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!—Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven, moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten vreezen, onrecht te doen.—Natuurlijk nemen wij het!—Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?—Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor ons Allah’s zegen verkrijgen.—Dat antwoord had ik van u gewacht!—Sihdi, steek dat geld bij u!—Neen gij steekt het bij u;gijzult onze aalmoezenier zijn beste Halef!—Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.—Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.—Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?—Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.—Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!—Pak aan, gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoordeik erbarmelijk steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken het aan.Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde ons met starre oogen aan.—Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.—Kent gij ons?—vroeg ik.Hij maakte een toestemmende beweging.—Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?—Barud el Amasat,—fluisterde hij.—Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij: is de oude Murabek de Shoet?—Neen.—Wie is dan de Shoet!—Ik weet het niet.—Weet gij ook niet, waar hij is?—Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan2ontmoeten.—En waar ligt dat plaatsje?—In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.—Achter Kakandelen?Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven, dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.—Sihdi, hij sterft!—zei Halef medelijdend.—Haal water!Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.—Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte brengen—zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.—Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos meer,—zeide Osko,—terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp, zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.—Leeft ge nog, oude skelet?—vroeg Halef hem. Het zou ook doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel, heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier, dat een hellekind wacht.—Hond!—siste de oude booswicht.—Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan, nadat wij het vuur hadden uitgedaan.Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn metgezellenliepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet gedood, dan toch gewond konden worden.Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer gedragen werd.Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.—Wat, gij, Heer!—riep hij uit. En ge waart vertrokken!—En dat waarheen?—Naar Karatowa.—Wie heeft dat gezegd?—De slager.—Hij is dus hier geweest?—Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw paarden vinden bij uw aankomst.—Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester maken, en mij vermoorden bovendien.—Vermoorden!—Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.—Heeft hij een ongeluk gehad?—Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem doodgeschoten heb.—Doodgeschoten!—riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk, niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.—In hoeverre voor mij?—Hebt gij het met opzet gedaan?—Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem zou raken!—Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als zijn moordenaar gevangen nemen.—Daartegen protesteer ik ernstig.—Dat zal u niet veel helpen!—Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de Aladschy’s struikroovers en moordenaars waren?—Ja, want dat weet toch iedereen.—En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe rijmt zich dat?—Heer, het is mijn plicht,—antwoordde hij verlegen.—Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.—Oho!—riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.—Dank, Halef, voor dat woord,—zeide ik. Wij vertrouwen dat uw tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien, dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.En mij tot den waard wendende, zeide ik:—Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?—Ja. Hij is zelfs een Miridiet.—Dus hoort hij hier in ’t geheel niet thuis?—Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.—Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder toezicht van den Padischa?—Neen, het zijn vrije Arnauten.—Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?—Stellig weet ik dat.—Gij hebt u dus in ’t geheel niet met den dood van den slager te bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat isbij die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets mee te maken.—Ah!—zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat ik wenschte!—Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.—Wie?—Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden, wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.—Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!—Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken stonden, kon ik niet anders handelen.—Wat was er dan gebeurd?—Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.—Zou men zoo iets voor mogelijk houden!—zeide hij. Gij zijt inderdaad menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden te beloonen.—O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan; zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:—Geef mij een goeden raad.—Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn raad hebt gij niet noodig.—Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren wij voor goed van hem af geweest.—Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!—Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.—Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw plicht volbracht.—Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet ook mee—als getuige en aanklager.—Dat doen wij gaarne.—Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.—Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen, en dat was misschien nog zoo kwaad niet.—Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik ook dat nog verantwoorden!—Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?—Ja, een broer, en die moet u dooden.—Weet gij niet, of hij nu thuis is?—Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan en niet aan Tschurak zelf.—Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer, dan mag ik wel voor hem oppassen.—Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker, zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden gids meegeven.—Daar willen wij volstrekt niet heen.—De slager zei het toch!—Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen vervoert.—God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!—Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.—Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk het beste.—En ook het beste voor u, niet waar?Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.—In hoe verre voor mij?—vroeg hij.—Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te verwachten.Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij zeide evenwel:—Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.—Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden; ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist, dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak, dat wij zoo in gevaar zijn geweest.—Hoe zoo?—vroeg hij.—Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.—Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.—Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die door ons achter slot zijn gezet?Weder krabde hij zich achter de ooren.—Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!—Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.—Maar wat moet ik met hem beginnen?—Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.—Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy’s van nacht mijn huis!—Wij helpen u het te verdedigen.—Dan treft mij later hun wraak!—Hoe laf!—Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.—De Aladschy’s kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.—Hebt gij ze dan?—Neen, maar wij halen hen terstond.—Hoe wilt gij dat doen?—Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen op te trekken.—Die zullen u lekker danken!—Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming van den Grooten Heer sta?—Ja, dat is, helaas! waar.—Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het, dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.—Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?—Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.—Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.—Wat zou dat?Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.—Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?—riep de Kiaja uit. Als zij ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel, dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.—Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen, dat zij er niet toe komen om zich te verweren.—Maar, hoe dat te doen?—Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.—Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen moeten doen.—Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare mannen op te roepen?—Ja, het recht heb ik.—En zij moeten u gehoorzamen?—Dat zal waar zijn!—Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn, zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit te trekken.—Dat doen zij nooit!—Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen, zoodat hij eindelijk zei:—Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid gelasten, wat hij te doen heeft.Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:—Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?—Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking van hier eens bij elkaar zien, om te wetenwat geest hen onderling beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden landstorm, die zou opkomen, te zien.Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder, en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid, van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan was ’t een hoogst gevaarlijk ding.—Heer, hier is mijn politie-agent,—zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen, wat hij te doen heeft?—Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.—Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,—antwoordde hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg aan hebben.—Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?—Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?—De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen, wat van hen verlangd wordt.Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:—Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de ongeloovigen op.—Gij weet dus wat wij gaan doen?—Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen waardig geacht en het mij gezegd.—Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen niet oververtellen!—Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen, waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de sleutel verloren is.—Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!—Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde om de aarde loopt!Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de deur uit.—Dat is nog nooit gebeurd,—zei de waard. Geen mensch zal alle mannen van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!—Wat moet het bier kosten?—Vijftig piasters.Dat was zooveel als zes gulden.—En hoeveel mannen zullen er komen?—Misschien wel twintig.—En wat kost hier een vette hamel?—O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.—Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.—Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen zullen———Nu ja,—viel ik hem in de rede,—maar gij zelf hebt vette hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten krijgen.—Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de Khalif zelf bij mij te gast was!Hij spoedde zich weg.—Nu is hij in zijn schik!—zei Osko en lachte hartelijk.—Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun leven er bij kunnen inschieten, is hij in ’t geheel niet meer. Dat komt mij verdacht voor.—Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn, dat zij geen gevaar loopen.—Hij zal er ons toch niet laten inloopen?—Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is het eenige wat hij zal doen.Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden verscheen.Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:—Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?—Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur, die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij, die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en dergelijke werktuigen.Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen nog een muziekinstrument bij zich.Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.—Heer, meldde hij,—deze strijdvaardige mannen zijn present en wachten op uw bevelen.—Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?—Dat zijn deTschalgydschylar(muzikanten), die eerst deTschenk makami(krijgsmuziek) en daarna deMakam er raks en nagmeh(dans-en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste dapperheid opwinden.—Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?—Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen wordt getrompet.Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken in de handen had, bij de borst, plaatstehem voor mij en zeide:—Deze slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.—Deze laat deDawuldschuk(tamboerijn) rinkelen en die daar blaast op deDüdük(fluit).Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze tokkelt deKytarn(gitaar), en gene zaagt op deKeman(viool). Maar nu komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast deZurna(bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze muziek tevreden zijn.Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man in zijn hand had, moest de hars vervangen!Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen, en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had, want hij haastte zich mij te verzekeren:—Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.—Dat wil ik hopen.—Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de beide Aladschy’s dood!—Ezel!—beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!—Ach zoo!—zei debazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!—Maar gehoord heb ik ze toch,—zei ik lachende. Dus gij weet al, wat wij gaan doen?—Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun zei,—verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot, dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen had.—Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.—Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.—Die aanspraak zal ik houden. Is ’t niet, Sihdi?—stelde Halef voor.Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe, en vroeg:—Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?De politie-man antwoordde:—Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.—Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?—Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de beleefdheid vordert.—Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?—O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen en dochters van de vrouwen.—Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.—Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?—Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.—Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna niet meer in toom te houden.Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang, om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht zijn, antwoordde de waard:—Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren, bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat zijn voorradige lucht uitlaat.Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren, waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons ietsmeer dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk een weelde wel veroorloven.De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier, of wel niet een.Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.—Maar als zij nu geen geluk hebben,—zeide hij,—wat dan?—Dan brengen zij ons de schurken niet.—Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.—Dat wordt dan toch opgedronken.—En de hamels?—Die worden toch opgegeten.—Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy’s weg zijn, dan baat alle dapperheid onze mannen niet.—De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd hebben?—Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?—Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier bij u zijn.Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst meende.—Effendi, wat denkt gij toch!—Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging, de dappere bevolking op te roepen.—Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd met zijn plicht zijn!—Maar als gij het hem nu bevolen hadt?Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden toon:—En dat kunt gij van mij gelooven!—Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorgvoor uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in ’t geheel niet kwalijk. Ik hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:—Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk een kaliber gezien.Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand, en woog het.—Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?—Neen, ik ben er aan gewoon.—Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen is reeds een pijnlijke inspanning.—Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders, omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren, die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men hem neer zoodat hij het opstaan vergat.—Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?—Ja. Waarom zou ik anders zoo’n geweer hebben?—Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?—Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren, maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag nog bewezen.—Is het nu geladen?—Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat is jagers-gewoonte.—Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is dat andere geweer van u?Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig, zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van Osko, die mij schrikken deed.—Effendi! Om Allah’s wil! Help!—riep hij met grooten schrik.Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was werkelijk verlamd van den schrik.Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij gemunt was, begreep ik terstond.Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik, onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen: maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt, waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd, het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik den berendooder.Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.Tusschen Osko’s geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig, één tiende seconde na mij.

—Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.—Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.—Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.—Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de noodige kogels begroet worden.—Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.—zei Halef.—Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar ophet dak hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte positie veilig op ons schieten.—O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?—Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.—Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?—Wij u soms?—Wat is er aan mij verbeurd!—antwoordde de trouwe Hadschi.—Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.—Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.—Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen, voor ik u roep.Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:—Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?—Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.—Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!—Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?—Donker?—Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben, mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen, als ik het zeg.Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.—Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,—fluisterde ik hem toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg op de krampunten aan. Vooruit!—Een!—Twee!De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.—Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,—zeide ik. Dat is voor ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij insgelijks ons.—Hoe staat het met de kram?—vroeg Halef.—Dat willen wij zien.Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had zijn plicht gedaan.—Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast allebei! Ik moet opOmar’sschouders knielen.Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken, want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en—het sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de rotswanden opflikkerde.Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar boven werkte.Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit de handen vloog.In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een mensch—het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde, op mijn tulband hadden geschoten.Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk, dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden, dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden, en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd, maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog,dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen, gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.—Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!—brulde hij. Gij zit in het licht, zij schieten u neer!Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij, wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.Daarover denkende, hoorde ik achter mij:—Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?—Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.—O, wij zijn kogelvrij.—Geen gekheid! Kom!Hij kroop door de opening.—Oho, wie ligt hier?—De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.—Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij hem genadig!Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.—Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.—Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzethier aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben, ook al met anderen gespeeld zijn?—Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die rotsholte van dorst omgekomen!—Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch gevluchten te ontdekken.Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.—Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden, ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?—vroeg Halef.—Ja,—zeide ik,—want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer, zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een mooi mikpunt.Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten te verleiden. Niets bewoog zich.—Ik ga nu het eerst naar omlaag,—zeide ik. Ik kruip terstond tusschen het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn, moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch, eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar blijft staan tot ik kom.—Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!—Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om, greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn armbloedde, en het bleek mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij mocht wezen.Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden bij elkaar, zacht sprekende.De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een ongeoefende hen benaderen kon.Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder dan drie pas van mij af.—Mubarek is er geweest,—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude was een ezel om daar te gaan staan.—Dan was ik er ook een?—vroeg de Aladschy.—Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.—Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen had gezet.—Maar wie heeft geschoten?—Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.—Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?—Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij wel degelijk kwetsbaar is.—Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is een leugen.—Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo’n kogel heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.—Wonderlijk! Om bang van te worden!—Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga, maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij van daag hebben.—Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?—vroeg Manach el Barscha.—Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!—Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik zou er de proef wel eens van willen nemen.—Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen, toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.—Mubarek verbood het ons.—Dat was dom van hem.—Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizonderebescherming genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.—Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen heeft een ellendigen dood gehad.—Om zijn dood zal ik niet treuren,—zei Barud el Amasat. Hij stond mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken waren toch echte galgebrokken.—Laten we nu een besluit nemen, voor de tijd verloopt!—stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken, waar zij nu nog zijn?—Neen,—antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in ’t donker overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken, en zij zijn er geweest.—Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?—Natuurlijk in het bosch.—Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is, dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.—Goed zoo,—stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi: gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.—Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet, niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo dat gij geen vin meer verroert.—Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dienstoel iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht, dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.—En als u dat niet gelukt?—Het zal, het moet gelukken!—Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij kunnen gestoord worden, wat dan?—Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy vertrekken!—Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom niet talmen met ons te volgen.—Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken: wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij gerust aan hem overlaten.—Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder weggingen, dan wij.Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk vertrokken.Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de vrienden mij.—Komt maar hier! riep ik ze toe.Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan zitten.—Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.—Van den slager neemt gij niets,—gebood ik. Wat er in zijn zakken is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek bij zich heeft, dat nemen wij.Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.—Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!—Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven, moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten vreezen, onrecht te doen.—Natuurlijk nemen wij het!—Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?—Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor ons Allah’s zegen verkrijgen.—Dat antwoord had ik van u gewacht!—Sihdi, steek dat geld bij u!—Neen gij steekt het bij u;gijzult onze aalmoezenier zijn beste Halef!—Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.—Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.—Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?—Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.—Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!—Pak aan, gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoordeik erbarmelijk steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken het aan.Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde ons met starre oogen aan.—Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.—Kent gij ons?—vroeg ik.Hij maakte een toestemmende beweging.—Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?—Barud el Amasat,—fluisterde hij.—Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij: is de oude Murabek de Shoet?—Neen.—Wie is dan de Shoet!—Ik weet het niet.—Weet gij ook niet, waar hij is?—Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan2ontmoeten.—En waar ligt dat plaatsje?—In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.—Achter Kakandelen?Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven, dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.—Sihdi, hij sterft!—zei Halef medelijdend.—Haal water!Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.—Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte brengen—zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.—Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos meer,—zeide Osko,—terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp, zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.—Leeft ge nog, oude skelet?—vroeg Halef hem. Het zou ook doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel, heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier, dat een hellekind wacht.—Hond!—siste de oude booswicht.—Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan, nadat wij het vuur hadden uitgedaan.Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn metgezellenliepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet gedood, dan toch gewond konden worden.Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer gedragen werd.Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.—Wat, gij, Heer!—riep hij uit. En ge waart vertrokken!—En dat waarheen?—Naar Karatowa.—Wie heeft dat gezegd?—De slager.—Hij is dus hier geweest?—Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw paarden vinden bij uw aankomst.—Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester maken, en mij vermoorden bovendien.—Vermoorden!—Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.—Heeft hij een ongeluk gehad?—Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem doodgeschoten heb.—Doodgeschoten!—riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk, niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.—In hoeverre voor mij?—Hebt gij het met opzet gedaan?—Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem zou raken!—Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als zijn moordenaar gevangen nemen.—Daartegen protesteer ik ernstig.—Dat zal u niet veel helpen!—Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de Aladschy’s struikroovers en moordenaars waren?—Ja, want dat weet toch iedereen.—En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe rijmt zich dat?—Heer, het is mijn plicht,—antwoordde hij verlegen.—Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.—Oho!—riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.—Dank, Halef, voor dat woord,—zeide ik. Wij vertrouwen dat uw tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien, dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.En mij tot den waard wendende, zeide ik:—Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?—Ja. Hij is zelfs een Miridiet.—Dus hoort hij hier in ’t geheel niet thuis?—Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.—Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder toezicht van den Padischa?—Neen, het zijn vrije Arnauten.—Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?—Stellig weet ik dat.—Gij hebt u dus in ’t geheel niet met den dood van den slager te bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat isbij die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets mee te maken.—Ah!—zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat ik wenschte!—Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.—Wie?—Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden, wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.—Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!—Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken stonden, kon ik niet anders handelen.—Wat was er dan gebeurd?—Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.—Zou men zoo iets voor mogelijk houden!—zeide hij. Gij zijt inderdaad menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden te beloonen.—O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan; zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:—Geef mij een goeden raad.—Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn raad hebt gij niet noodig.—Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren wij voor goed van hem af geweest.—Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!—Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.—Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw plicht volbracht.—Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet ook mee—als getuige en aanklager.—Dat doen wij gaarne.—Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.—Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen, en dat was misschien nog zoo kwaad niet.—Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik ook dat nog verantwoorden!—Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?—Ja, een broer, en die moet u dooden.—Weet gij niet, of hij nu thuis is?—Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan en niet aan Tschurak zelf.—Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer, dan mag ik wel voor hem oppassen.—Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker, zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden gids meegeven.—Daar willen wij volstrekt niet heen.—De slager zei het toch!—Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen vervoert.—God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!—Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.—Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk het beste.—En ook het beste voor u, niet waar?Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.—In hoe verre voor mij?—vroeg hij.—Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te verwachten.Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij zeide evenwel:—Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.—Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden; ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist, dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak, dat wij zoo in gevaar zijn geweest.—Hoe zoo?—vroeg hij.—Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.—Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.—Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die door ons achter slot zijn gezet?Weder krabde hij zich achter de ooren.—Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!—Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.—Maar wat moet ik met hem beginnen?—Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.—Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy’s van nacht mijn huis!—Wij helpen u het te verdedigen.—Dan treft mij later hun wraak!—Hoe laf!—Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.—De Aladschy’s kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.—Hebt gij ze dan?—Neen, maar wij halen hen terstond.—Hoe wilt gij dat doen?—Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen op te trekken.—Die zullen u lekker danken!—Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming van den Grooten Heer sta?—Ja, dat is, helaas! waar.—Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het, dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.—Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?—Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.—Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.—Wat zou dat?Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.—Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?—riep de Kiaja uit. Als zij ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel, dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.—Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen, dat zij er niet toe komen om zich te verweren.—Maar, hoe dat te doen?—Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.—Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen moeten doen.—Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare mannen op te roepen?—Ja, het recht heb ik.—En zij moeten u gehoorzamen?—Dat zal waar zijn!—Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn, zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit te trekken.—Dat doen zij nooit!—Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen, zoodat hij eindelijk zei:—Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid gelasten, wat hij te doen heeft.Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:—Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?—Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking van hier eens bij elkaar zien, om te wetenwat geest hen onderling beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden landstorm, die zou opkomen, te zien.Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder, en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid, van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan was ’t een hoogst gevaarlijk ding.—Heer, hier is mijn politie-agent,—zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen, wat hij te doen heeft?—Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.—Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,—antwoordde hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg aan hebben.—Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?—Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?—De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen, wat van hen verlangd wordt.Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:—Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de ongeloovigen op.—Gij weet dus wat wij gaan doen?—Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen waardig geacht en het mij gezegd.—Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen niet oververtellen!—Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen, waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de sleutel verloren is.—Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!—Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde om de aarde loopt!Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de deur uit.—Dat is nog nooit gebeurd,—zei de waard. Geen mensch zal alle mannen van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!—Wat moet het bier kosten?—Vijftig piasters.Dat was zooveel als zes gulden.—En hoeveel mannen zullen er komen?—Misschien wel twintig.—En wat kost hier een vette hamel?—O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.—Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.—Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen zullen———Nu ja,—viel ik hem in de rede,—maar gij zelf hebt vette hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten krijgen.—Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de Khalif zelf bij mij te gast was!Hij spoedde zich weg.—Nu is hij in zijn schik!—zei Osko en lachte hartelijk.—Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun leven er bij kunnen inschieten, is hij in ’t geheel niet meer. Dat komt mij verdacht voor.—Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn, dat zij geen gevaar loopen.—Hij zal er ons toch niet laten inloopen?—Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is het eenige wat hij zal doen.Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden verscheen.Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:—Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?—Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur, die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij, die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en dergelijke werktuigen.Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen nog een muziekinstrument bij zich.Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.—Heer, meldde hij,—deze strijdvaardige mannen zijn present en wachten op uw bevelen.—Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?—Dat zijn deTschalgydschylar(muzikanten), die eerst deTschenk makami(krijgsmuziek) en daarna deMakam er raks en nagmeh(dans-en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste dapperheid opwinden.—Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?—Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen wordt getrompet.Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken in de handen had, bij de borst, plaatstehem voor mij en zeide:—Deze slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.—Deze laat deDawuldschuk(tamboerijn) rinkelen en die daar blaast op deDüdük(fluit).Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze tokkelt deKytarn(gitaar), en gene zaagt op deKeman(viool). Maar nu komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast deZurna(bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze muziek tevreden zijn.Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man in zijn hand had, moest de hars vervangen!Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen, en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had, want hij haastte zich mij te verzekeren:—Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.—Dat wil ik hopen.—Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de beide Aladschy’s dood!—Ezel!—beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!—Ach zoo!—zei debazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!—Maar gehoord heb ik ze toch,—zei ik lachende. Dus gij weet al, wat wij gaan doen?—Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun zei,—verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot, dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen had.—Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.—Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.—Die aanspraak zal ik houden. Is ’t niet, Sihdi?—stelde Halef voor.Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe, en vroeg:—Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?De politie-man antwoordde:—Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.—Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?—Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de beleefdheid vordert.—Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?—O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen en dochters van de vrouwen.—Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.—Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?—Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.—Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna niet meer in toom te houden.Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang, om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht zijn, antwoordde de waard:—Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren, bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat zijn voorradige lucht uitlaat.Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren, waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons ietsmeer dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk een weelde wel veroorloven.De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier, of wel niet een.Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.—Maar als zij nu geen geluk hebben,—zeide hij,—wat dan?—Dan brengen zij ons de schurken niet.—Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.—Dat wordt dan toch opgedronken.—En de hamels?—Die worden toch opgegeten.—Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy’s weg zijn, dan baat alle dapperheid onze mannen niet.—De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd hebben?—Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?—Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier bij u zijn.Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst meende.—Effendi, wat denkt gij toch!—Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging, de dappere bevolking op te roepen.—Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd met zijn plicht zijn!—Maar als gij het hem nu bevolen hadt?Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden toon:—En dat kunt gij van mij gelooven!—Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorgvoor uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in ’t geheel niet kwalijk. Ik hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:—Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk een kaliber gezien.Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand, en woog het.—Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?—Neen, ik ben er aan gewoon.—Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen is reeds een pijnlijke inspanning.—Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders, omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren, die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men hem neer zoodat hij het opstaan vergat.—Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?—Ja. Waarom zou ik anders zoo’n geweer hebben?—Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?—Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren, maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag nog bewezen.—Is het nu geladen?—Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat is jagers-gewoonte.—Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is dat andere geweer van u?Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig, zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van Osko, die mij schrikken deed.—Effendi! Om Allah’s wil! Help!—riep hij met grooten schrik.Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was werkelijk verlamd van den schrik.Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij gemunt was, begreep ik terstond.Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik, onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen: maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt, waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd, het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik den berendooder.Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.Tusschen Osko’s geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig, één tiende seconde na mij.

—Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.

—Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.

—Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.

—Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de noodige kogels begroet worden.

—Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.—zei Halef.

—Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar ophet dak hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte positie veilig op ons schieten.

—O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?

—Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.

—Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?

—Wij u soms?

—Wat is er aan mij verbeurd!—antwoordde de trouwe Hadschi.

—Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.

—Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.

—Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen, voor ik u roep.

Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:

—Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?

—Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.

—Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!

—Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?

—Donker?

—Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben, mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen, als ik het zeg.

Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.

—Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,—fluisterde ik hem toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg op de krampunten aan. Vooruit!—Een!—Twee!

De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.

—Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,—zeide ik. Dat is voor ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij insgelijks ons.

—Hoe staat het met de kram?—vroeg Halef.

—Dat willen wij zien.

Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had zijn plicht gedaan.

—Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast allebei! Ik moet opOmar’sschouders knielen.

Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken, want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en—het sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de rotswanden opflikkerde.

Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar boven werkte.

Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).

Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).

Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit de handen vloog.

In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een mensch—het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde, op mijn tulband hadden geschoten.

Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk, dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden, dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden, en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.

Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd, maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog,dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen, gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.

—Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!—brulde hij. Gij zit in het licht, zij schieten u neer!

Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij, wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.

Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.

Daarover denkende, hoorde ik achter mij:

—Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?

—Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.

—O, wij zijn kogelvrij.

—Geen gekheid! Kom!

Hij kroop door de opening.

—Oho, wie ligt hier?

—De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.

—Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij hem genadig!

Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.

—Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.

—Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzethier aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben, ook al met anderen gespeeld zijn?

—Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die rotsholte van dorst omgekomen!

—Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch gevluchten te ontdekken.

Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.

—Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden, ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?—vroeg Halef.

—Ja,—zeide ik,—want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer, zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een mooi mikpunt.

Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten te verleiden. Niets bewoog zich.

—Ik ga nu het eerst naar omlaag,—zeide ik. Ik kruip terstond tusschen het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn, moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch, eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar blijft staan tot ik kom.

—Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!

—Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.

De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om, greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.

Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn armbloedde, en het bleek mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.

Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij mocht wezen.

Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.

Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden bij elkaar, zacht sprekende.

De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een ongeoefende hen benaderen kon.

Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder dan drie pas van mij af.

—Mubarek is er geweest,—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude was een ezel om daar te gaan staan.

—Dan was ik er ook een?—vroeg de Aladschy.

—Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.

—Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen had gezet.

—Maar wie heeft geschoten?

—Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.

—Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?

—Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij wel degelijk kwetsbaar is.

—Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is een leugen.

—Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo’n kogel heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.

—Wonderlijk! Om bang van te worden!

—Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga, maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij van daag hebben.

—Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?—vroeg Manach el Barscha.

—Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!

—Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik zou er de proef wel eens van willen nemen.

—Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen, toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.

—Mubarek verbood het ons.

—Dat was dom van hem.

—Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizonderebescherming genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.

—Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen heeft een ellendigen dood gehad.

—Om zijn dood zal ik niet treuren,—zei Barud el Amasat. Hij stond mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.

Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken waren toch echte galgebrokken.—Laten we nu een besluit nemen, voor de tijd verloopt!—stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken, waar zij nu nog zijn?

—Neen,—antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in ’t donker overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken, en zij zijn er geweest.

—Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?

—Natuurlijk in het bosch.

—Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is, dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.

—Goed zoo,—stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi: gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.

—Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet, niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo dat gij geen vin meer verroert.

—Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dienstoel iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht, dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.

—En als u dat niet gelukt?

—Het zal, het moet gelukken!

—Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij kunnen gestoord worden, wat dan?

—Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy vertrekken!

—Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom niet talmen met ons te volgen.

—Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken: wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij gerust aan hem overlaten.

—Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder weggingen, dan wij.

Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk vertrokken.

Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de vrienden mij.

—Komt maar hier! riep ik ze toe.

Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan zitten.

—Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.

—Van den slager neemt gij niets,—gebood ik. Wat er in zijn zakken is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek bij zich heeft, dat nemen wij.

Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.

—Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!

—Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven, moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten vreezen, onrecht te doen.

—Natuurlijk nemen wij het!

—Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?

—Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor ons Allah’s zegen verkrijgen.

—Dat antwoord had ik van u gewacht!

—Sihdi, steek dat geld bij u!

—Neen gij steekt het bij u;gijzult onze aalmoezenier zijn beste Halef!

—Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.

—Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.

—Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?

—Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.

—Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!—Pak aan, gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.

Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoordeik erbarmelijk steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken het aan.

Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde ons met starre oogen aan.

—Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!

Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.

—Kent gij ons?—vroeg ik.

Hij maakte een toestemmende beweging.

—Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?

—Barud el Amasat,—fluisterde hij.

—Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij: is de oude Murabek de Shoet?

—Neen.

—Wie is dan de Shoet!

—Ik weet het niet.

—Weet gij ook niet, waar hij is?

—Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan2ontmoeten.

—En waar ligt dat plaatsje?

—In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.

—Achter Kakandelen?

Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven, dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.

—Sihdi, hij sterft!—zei Halef medelijdend.

—Haal water!

Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.

—Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte brengen—zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.

—Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos meer,—zeide Osko,—terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.

Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp, zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.

—Leeft ge nog, oude skelet?—vroeg Halef hem. Het zou ook doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel, heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier, dat een hellekind wacht.

—Hond!—siste de oude booswicht.

—Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.

Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.

Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan, nadat wij het vuur hadden uitgedaan.

Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.

Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn metgezellenliepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.

Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet gedood, dan toch gewond konden worden.

Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer gedragen werd.

Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.

—Wat, gij, Heer!—riep hij uit. En ge waart vertrokken!

—En dat waarheen?

—Naar Karatowa.

—Wie heeft dat gezegd?

—De slager.

—Hij is dus hier geweest?

—Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw paarden vinden bij uw aankomst.

—Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester maken, en mij vermoorden bovendien.

—Vermoorden!

—Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.

—Heeft hij een ongeluk gehad?

—Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem doodgeschoten heb.

—Doodgeschoten!—riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk, niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.

—In hoeverre voor mij?

—Hebt gij het met opzet gedaan?

—Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem zou raken!

—Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als zijn moordenaar gevangen nemen.

—Daartegen protesteer ik ernstig.

—Dat zal u niet veel helpen!

—Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de Aladschy’s struikroovers en moordenaars waren?

—Ja, want dat weet toch iedereen.

—En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe rijmt zich dat?

—Heer, het is mijn plicht,—antwoordde hij verlegen.

—Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.

—Oho!—riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!

Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.

—Dank, Halef, voor dat woord,—zeide ik. Wij vertrouwen dat uw tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien, dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.

En mij tot den waard wendende, zeide ik:

—Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?

—Ja. Hij is zelfs een Miridiet.

—Dus hoort hij hier in ’t geheel niet thuis?

—Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.

—Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder toezicht van den Padischa?

—Neen, het zijn vrije Arnauten.

—Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?

—Stellig weet ik dat.

—Gij hebt u dus in ’t geheel niet met den dood van den slager te bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat isbij die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets mee te maken.

—Ah!—zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat ik wenschte!

—Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.

—Wie?

—Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden, wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.

—Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!

—Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken stonden, kon ik niet anders handelen.

—Wat was er dan gebeurd?

—Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.

Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.

—Zou men zoo iets voor mogelijk houden!—zeide hij. Gij zijt inderdaad menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden te beloonen.

—O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan; zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?

Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:

—Geef mij een goeden raad.

—Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn raad hebt gij niet noodig.

—Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren wij voor goed van hem af geweest.

—Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!

—Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.

—Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw plicht volbracht.

—Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet ook mee—als getuige en aanklager.

—Dat doen wij gaarne.

—Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.

—Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen, en dat was misschien nog zoo kwaad niet.

—Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik ook dat nog verantwoorden!

—Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?

—Ja, een broer, en die moet u dooden.

—Weet gij niet, of hij nu thuis is?

—Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan en niet aan Tschurak zelf.

—Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer, dan mag ik wel voor hem oppassen.

—Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker, zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden gids meegeven.

—Daar willen wij volstrekt niet heen.

—De slager zei het toch!

—Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen vervoert.

—God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!

—Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.

—Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk het beste.

—En ook het beste voor u, niet waar?

Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.

—In hoe verre voor mij?—vroeg hij.

—Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te verwachten.

Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij zeide evenwel:

—Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.

—Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden; ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist, dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak, dat wij zoo in gevaar zijn geweest.

—Hoe zoo?—vroeg hij.

—Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.

—Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.

—Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die door ons achter slot zijn gezet?

Weder krabde hij zich achter de ooren.

—Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!

—Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.

—Maar wat moet ik met hem beginnen?

—Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.

—Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy’s van nacht mijn huis!

—Wij helpen u het te verdedigen.

—Dan treft mij later hun wraak!

—Hoe laf!

—Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.

—De Aladschy’s kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.

—Hebt gij ze dan?

—Neen, maar wij halen hen terstond.

—Hoe wilt gij dat doen?

—Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen op te trekken.

—Die zullen u lekker danken!

—Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming van den Grooten Heer sta?

—Ja, dat is, helaas! waar.

—Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het, dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.

—Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?

—Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.

—Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.

—Wat zou dat?

Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.

—Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?—riep de Kiaja uit. Als zij ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel, dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.

—Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen, dat zij er niet toe komen om zich te verweren.

—Maar, hoe dat te doen?

—Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.

—Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen moeten doen.

—Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare mannen op te roepen?

—Ja, het recht heb ik.

—En zij moeten u gehoorzamen?

—Dat zal waar zijn!

—Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn, zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit te trekken.

—Dat doen zij nooit!

—Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.

Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen, zoodat hij eindelijk zei:

—Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid gelasten, wat hij te doen heeft.

Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:

—Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?

—Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking van hier eens bij elkaar zien, om te wetenwat geest hen onderling beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.

Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden landstorm, die zou opkomen, te zien.

Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder, en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid, van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan was ’t een hoogst gevaarlijk ding.

—Heer, hier is mijn politie-agent,—zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen, wat hij te doen heeft?

—Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.

Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.

—Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,—antwoordde hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg aan hebben.

—Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?

—Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?

—De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen, wat van hen verlangd wordt.

Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:

—Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de ongeloovigen op.

—Gij weet dus wat wij gaan doen?

—Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen waardig geacht en het mij gezegd.

—Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen niet oververtellen!

—Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen, waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de sleutel verloren is.

—Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!

—Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde om de aarde loopt!

Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de deur uit.

—Dat is nog nooit gebeurd,—zei de waard. Geen mensch zal alle mannen van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!

—Wat moet het bier kosten?

—Vijftig piasters.

Dat was zooveel als zes gulden.

—En hoeveel mannen zullen er komen?

—Misschien wel twintig.

—En wat kost hier een vette hamel?

—O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.

—Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.

—Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen zullen——

—Nu ja,—viel ik hem in de rede,—maar gij zelf hebt vette hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten krijgen.

—Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de Khalif zelf bij mij te gast was!

Hij spoedde zich weg.

—Nu is hij in zijn schik!—zei Osko en lachte hartelijk.

—Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun leven er bij kunnen inschieten, is hij in ’t geheel niet meer. Dat komt mij verdacht voor.

—Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn, dat zij geen gevaar loopen.

—Hij zal er ons toch niet laten inloopen?

—Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is het eenige wat hij zal doen.

Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden verscheen.

Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:

—Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?

—Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.

Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur, die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij, die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en dergelijke werktuigen.

Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen nog een muziekinstrument bij zich.

Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.

—Heer, meldde hij,—deze strijdvaardige mannen zijn present en wachten op uw bevelen.

—Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?

—Dat zijn deTschalgydschylar(muzikanten), die eerst deTschenk makami(krijgsmuziek) en daarna deMakam er raks en nagmeh(dans-en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste dapperheid opwinden.

—Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?

—Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen wordt getrompet.

Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken in de handen had, bij de borst, plaatstehem voor mij en zeide:—Deze slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.

Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.

—Deze laat deDawuldschuk(tamboerijn) rinkelen en die daar blaast op deDüdük(fluit).

Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze tokkelt deKytarn(gitaar), en gene zaagt op deKeman(viool). Maar nu komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast deZurna(bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze muziek tevreden zijn.

Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man in zijn hand had, moest de hars vervangen!

Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen, en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.

De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had, want hij haastte zich mij te verzekeren:

—Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.

—Dat wil ik hopen.

—Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de beide Aladschy’s dood!

—Ezel!—beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!

—Ach zoo!—zei debazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!

—Maar gehoord heb ik ze toch,—zei ik lachende. Dus gij weet al, wat wij gaan doen?

—Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun zei,—verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot, dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen had.

—Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.

—Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.

—Die aanspraak zal ik houden. Is ’t niet, Sihdi?—stelde Halef voor.

Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe, en vroeg:

—Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?

De politie-man antwoordde:

—Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.

—Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?

—Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de beleefdheid vordert.

—Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?

—O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen en dochters van de vrouwen.

—Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.

—Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?

—Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.

—Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna niet meer in toom te houden.

Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang, om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.

Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht zijn, antwoordde de waard:

—Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.

De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren, bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.

Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat zijn voorradige lucht uitlaat.

Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren, waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons ietsmeer dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk een weelde wel veroorloven.

De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier, of wel niet een.

Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.

—Maar als zij nu geen geluk hebben,—zeide hij,—wat dan?

—Dan brengen zij ons de schurken niet.

—Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.

—Dat wordt dan toch opgedronken.

—En de hamels?

—Die worden toch opgegeten.

—Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy’s weg zijn, dan baat alle dapperheid onze mannen niet.

—De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd hebben?

—Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?

—Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier bij u zijn.

Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst meende.

—Effendi, wat denkt gij toch!

—Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging, de dappere bevolking op te roepen.

—Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd met zijn plicht zijn!

—Maar als gij het hem nu bevolen hadt?

Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden toon:

—En dat kunt gij van mij gelooven!

—Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorgvoor uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in ’t geheel niet kwalijk. Ik hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.

Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:

—Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk een kaliber gezien.

Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand, en woog het.

—Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?

—Neen, ik ben er aan gewoon.

—Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen is reeds een pijnlijke inspanning.

—Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders, omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren, die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men hem neer zoodat hij het opstaan vergat.

—Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?

—Ja. Waarom zou ik anders zoo’n geweer hebben?

—Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?

—Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren, maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag nog bewezen.

—Is het nu geladen?

—Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat is jagers-gewoonte.

—Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is dat andere geweer van u?

Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig, zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van Osko, die mij schrikken deed.

—Effendi! Om Allah’s wil! Help!—riep hij met grooten schrik.

Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was werkelijk verlamd van den schrik.

Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij gemunt was, begreep ik terstond.

Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik, onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen: maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt, waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.

Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd, het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik den berendooder.

Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.

Tusschen Osko’s geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig, één tiende seconde na mij.


Back to IndexNext