Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten, het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn voorhoofd getroffen zijn.De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.—Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,—riep ik hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg, zooals ik had gedacht.Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!—Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet opgewassen is. Komt mij in galop achter na!Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in de rechterhand.Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt, dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd, reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere, die hem tegen mijn schot moesten dekken.Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord, die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière, slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt, als alleen zoo’n groote snelheid den ruiter redden kan.Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet, maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste inspanning aanspoort, noemt men het ’geheim-woord’, omdat de eigenaar het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe, om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.Toen ’Rih’ mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam ’Rih’ noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten, altijd met ongelooflijk succes.Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen, als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde, gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet opeen paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals, gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.—Halt! Terstond!—beval ik.Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde, en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw—Rih stond, de bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen den grond gesmakt.Ik zag, dat hij zich niet verroerde, en haastte mij niet met afstijgen.Stapvoets naar hem toerijdende, zag ik, dat hij zijn oogen dicht had. Hij was bewusteloos. Ik bleef in den zadel en liefkoosde mijn paard, tot dank voor zijn ren. De hengst was voor dergelijk liefdebetoon zeer gevoelig. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en wilde mij likken, maar kon mij niet bereiken. Toen dat niet ging, trachtte hij mij ten minste met zijn staart te waaien. Om hem dat genoegen te gunnen, boog ik mij achterover en strekte mijn hand uit, waarin hij wel tienmaal met zijn prachtigen staart sloeg, onderwijl hij van plezier aldoor hinnikte.Na eenigen tijd kwamen ook mijn begeleiders naar mij toe. Metverwondering zag ik, dat het oude magere paard van den kleermaker keurig en krachtig met de andere meegaloppeerde. Het leek mij, alsof het oude dier blij was te mogen toonen wat er wel in hem stak.En de kleine magere snijder zat te paard als de beste van ons! Ik geloof dat het paard een even groote huichelaar was als zijn meester.—Is hij dood?—vroeg Halef, toen hij wat dichterbij gekomen was.—Ik weet het niet. Kijk maar eens.Hij sprong van zijn paard en onderzocht den gevangene.—Heer, de kwant dommelt maar een beetje. Hier is zijn bijl, zijn Czakan.Halef gaf mij dat heerlijke wapen, dat hij opgeraapt had. De slangvormige steel was overtrokken met gepereld visch-leer; de bijl zelf was van ouderwetsch prachtig geciseleerd staal. Op de eene zijde stond in Arabisch schrift:‘Lima’ ak kelimet—ik heb een woordje met u te verhakstukken,—en op den anderen kant:Awasi, chatrak—wel bekome het u, vaarwel! De kunstenaar, van wien dit prachtstuk afkomstig was, moet van een eenigszins stekeligen aard geweest zijn.—Welnu, Halef, wat zegt ge van onzen Rih?—vroeg ik.De Hadschi haalde diep adem en antwoordde met schitterende oogen, buiten zichzelf van opgewondenheid:—Wat zal ik zeggen, Sihdi! Gij hebt hem het geheim-woord ingefluisterd.—Juist geraden.—Dat dacht ik wel. Hij vloog eerst als een pijl uit een boog en daarna met de snelheid eener gedachte. Hij zag er in de verte uit alsof hij alleen een lijf had, want beenen zag men niet. Nog voor ik dacht: Daar is hij! was hij den ander vooruit en bij het boschje. En kijk nu eens, hoe hij daar staat! Ziet u ook maar het minste zweet op zijn lijf?—Neen.—Of ook maar een vlokje schuim op zijn lippen?—Ook niet.—Of ziet u hem hijgen? Ziet u zijn borst gaan of zijn flanken?—Niets van dat alles.—Juist alsof hij eens lekker geslapen had, zoo rustig en vergenoegd staat hij daar. Het was een heerlijk prachtig gezicht! Zelfs de Profeet heeft zoo’n paard niet gehad. Jammer, dat het geen merrie is. Dat is zijn eenig, zijn allereenigste gebrek. Ik geef hem vanavond, tot belooning, een grooten maïskoek, met raki overgoten, want dat is zijn lievelingskost; hij is een lekkerbek.En zich tot den kleermaker wendende, vroeg hij:—Welnu, Afrit, gij reuzekind, hebt gij ook soms respect voor dat paard?—Het is onvergelijkelijk mooi. Ik heb nog nooit zoo iets gezien,—antwoordde de gevraagde.Hij bekeek den hengst met het oog van een kenner. Kon een arme kleermaker, een zoo goed paardenkenner, een zoo groot paardenliefhebber zijn? Neen! En zijn begeerte om het paard te bezitten was in hem zoo sterk, dat zijns ondanks zijn blik het verried.—Goed gezegd,—zeide Halef, met die lofspraak tevreden. Maar wat zegt gij van zijn meester?—Hij verdient zulk een paard te bezitten. Hij rijdt goed!—Goed...? Mensch, hoe kunt ge dat zeggen: Ook gij rijdt goed.Maar bij hem vergeleken, zijt gij een kikvorsch, die op den rug van een os zit. En wie heeft uw oordeel over zijn rijden gevraagd? Ik bedoelde, of hij niet mooi zijn woord heeft gehouden.—Ja, dat kan ik niet ontkennen.—Neen, dat kunt gij niet ontkennen. Alles dwingt er u toe. Of heeft hij niet zonneklaar bewezen, dat de Miridiet, hij hem vergeleken, een kwajongen is, die zijn broek nog niet opbinden kan? Hoe mooi is hij hem te vlug af geweest! Hadt gij gedacht, dat mijn Heer hem ging besluipen?—Neen.—Ik begreep het terstond. Maar uw hersens zijn verdroogd en kunnen niets bedenken. Hoe verwonderd keek de Miridiet op, toen hij hem niet bij ons zag; en wat schrikte hij, toen hij hem opeens achter zich zag staan. En wat mikte hij mooi op hem. En weet gij wel, waarom zijn geweer niet afging?—Omdat het ketste.—Mis, omdat wij kogelvrij zijn. Begrepen, snijdertje? En dan, die bijl-worp? Hadt gij hem kunnen pareeren?—Bij Allah, neen!—Dat loopt met bijlen en weet er niet mee om te gaan. En wat zegt gij van die eenvoudige manier om iemand gevangen te nemen? Hadt gij al eens gezien, hoe men een ruiter, met een riem van zijn paard haalt?—Nog nooit!—Dat wil ik wel gelooven. Gij hebt trouwens nog zoo veel, nog zoo oneindig veel niet gezien van wat wij weten en kunnen. Wat zou de Shoet tegen onzen Effendi vermogen? Ons overleg en onze dapperheid zijn schroeven, die op zijn lichaam inwerken en het doorboren.—Zeg dat toch niet van mijn Shoet!—Gij neemt het dus voor hem tegen ons op?—Dat is niet in mij opgekomen.—Hebt gij dan niet gezegd, dat hij sterker is dan wij, en hij ons verpletteren zou?—Ik wilde vriendelijk u waarschuwen.—Dan waarschuw ik u even vriendelijk om voortaan uw mond te houden. We hebben geen waarschuwingen noodig, zelf weten wij wat wij doen en laten moeten, want wij kennen ons volkje en onze vijanden. Gij staat tegenover ons als dorre grashalmen, terwijl wij palmen zijn, die hun kronen in de wolken baden. Deze Shoet zal aan onze voeten kruipen, zooals hier de Miridiet. En allen, die hem aanhangen, zullen wij verteren als de tabak, die men in den mond steekt en uitspuwt.—Hadschi, wat heb ik toch gedaan, dat gij zoo streng en toornig tegen mij spreekt?—Gij hebt den Shoet onzen meerdere genoemd. Is dat niet genoeg? Gij hebt nog geen enkelen beroemden held gezien. Maar hier zijn beroemde en dappere mannen, die uw Shoet als een vlieg wegslaan.Om den kleinen Hadschi, die zich als een kikvorsch opblies, niet te laten bersten, viel ik hem in de rede:—Toen ik den Miridiet volgde, hoorde ik fluiten. Wie deed dat?—Hier, de kleermaker.—Waarom floot hij?—Hij zei, dat hij een hond zag loopen in het hout.—Ja, Heer, ik zag hem duidelijk,—verzekerde de verrader.—Wat ging dat beest u aan?—Hij was zeker verdwaald, en wij konden hem meenemen naar het naburige dorp, waar hij waarschijnlijk zijn thuis heeft.—Zoo? De Miridiet scheen dat gefluit te kennen.—Toch niet.—Toch wel, want hij sprong terstond op van den grond en steeg te paard.—Dat trof dan toevallig samen.—Wel toevallig, want hij scheen met dien Suef afgesproken te hebben, dat deze hem, door gefluit, kennis zou geven van zijn komst. Dat was een groote domheid van die twee, want daardoor moest uitkomen, dat Suef ons verried. Ik wil hopen dat die knaap óók nog in mijn handen zal vallen, en dan zal ik hem dat aan zijn verstand brengen, zóó dat hij het nooit vergeet.—Zoudt gij niet eens naar den Miridiet zien? Hij beweegt zich.De genoemde had, om wat anders te liggen, een beweging met zijn beenen gemaakt. Ik zag, dat hij mij kwaadaardig aankeek.—Wel, vroeg ik hem, hoe bevalt u de afloop van uw grap?—Verrek!—antwoordde hij.—Uw mond loopt niet over van zegenwenschen, en toch heb ik het goed met u gemeend.—Hoe goed gij het met mij meent, dat begrijp ik!—Wat denkt gij dan wel?—Dat gij mij dooden zult.—Mis geraden! Had ik u willen dooden, dan had ik dat van daag meer dan eens kunnen doen.—Hebt gij dan nog wat ergers met mij voor?—Hoe komt ge op die gedachte?—O, er zijn allerlei manieren, om een, die een bloedschuld moet wreken, onschadelijk te maken, zonder hem terstond te dooden.—Men laat hem, bij voorbeeld, verhongeren, zooals gijlieden met ons van zins waart.—Daar heeft de Satan je uitgeholpen!—Had alleen die ons kunnen helpen, dan waren wij liever in dat hol gebleven.—En toch is die uw helper, want anders waart gij niet kogelvrij.—Meent gij werkelijk dat men daarvoor de hulp van den Satan behoeft? Daarvoor heeft men geen vreemde hulp noodig. Men moet daarvoor een beetje slim zijn en wat geleerd hebben. Wij zijn in allen gevalle niet bang voor uw kogels en evenmin voor het gehakte lood, waarmee gij van daag uw geweer zoo zorgvuldig geladen hadt.—Gij hebt dus mijn geweer?—Neen, dat hangt aan uw zadel, en uw paard is er mee van door.—Hoe kunt gij dan weten, dat ik met gehakt lood geladen had?—Ik weet altijd alles, wat ik weten moet. Nu kunt gij niet naar Sbiganzy terug gaan, maar gij moet naar uw bondgenooten, zooals gij met hen afgesproken hebt.—Ik? Waarheen?—Dat weet gij even goed als ik. Zijn ze u niet vooruit gereden, den weg naar Engely op?—Heer, wie heeft u dat gezegd?—Mijn droom. In mijn droom heb ik hen gezien, op u wachtende, aan gene zijde van Warzy, op de hoogte die daar is. Gij kwaamt, sprongt van uw paard en zocht ze, om hen te zeggen, dat wij te laat waren weggereden. Gij zijt toen een eind met hen opgereden maar al spoedig zijt ge van hen weggegaan, om hierheen te rijden, waar Suef ons u leveren moest.—Suef?—riep hij verschrikt uit.Hij keek rond naar den kleermaker en zag hem. Ik deed alsof ik den waarschuwenden oogwenk van den kleine niet zag. Diens wenk scheen hem gerust te stellen, want hij vroeg:—Wie is Suef?—Uw vriend.—Ik ken geen Suef.—Nu, misschien zult gij hem wel kennen, als ik hem, zooals mijn plan is, vijftig slagen op zijn voetzolen laat geven waar gij bij staat. Gij hadt met uw makkers afgesproken, dat gij niet zoudt komen als ik dood was, maar van avond hen zoudt vinden, als de aanslag mislukt zou zijn. Wel, die is niet gelukt. Wilt gij nu weg?Hij wist niet, wat van mij te denken, maar zeide op somberen toon:—Hoe gij dat alles weet, begrijp ik niet en behoef ik ook niet te weten. Maak het kort en dood mij.—Waarom zou ik u dooden?—Omdat ik het u heb willen doen.—Dat is voor mij geen reden, want ik ben een Christen en vergeld geen kwaad met wraak.—Gij kent dus de wet van de bloedwraak niet?—Zeker ken ik die.—Gij weet dus, dat ik mijn leven lang er op uit moet zijn om u te dooden?—Dat weet ik.—En toch doodt gij mij niet?—Neen. Ik heb mij tegen u verweerd, en gij hebt niets tegen mij kunnen uitrichten. Dat is mij genoeg. Wij Christenen erkennen de verplichting der bloedwraak niet. Daarom straft onze wet den bloedwreker met den dood. Maar het gebod van uw land dwingt u, als bloedwreker van uw broeder op te treden en... ik mag toch geen wrok tegen u hebben, omdat gij uw wet gehoorzamen wilt.Hij keek mij aan alsof hij droomde. Wat ik zeide ging zijn verstand te boven.—Maar,—zoo ging ik door,—denk eens na, of ik uw bloedwraak werkelijk verdien. Ik was opgesloten, ik moest mij er uit redden. Daarvoor was ’t noodig dat ik schoot, maar wist niet dat uw broeder op het luik zat. Het was zijn schuld dat mijn kogel hem trof. Hij wist dat wij onze wapens bij ons hadden. Het was een groote onbezonnenheid, dat hij op het luik ging zitten.—Heer, er is veel waars in wat gij zegt.—En waarom wilde hij mij laten doodhongeren? Wat had ik gedaan? Had ik hem beleedigd, gekrenkt, bestolen of beroofd? Neen. Ik kwam, om naar den Shoet te vragen. Het stond aan hem, om mij dat, al dan niet, te zeggen. Had hij geweigerd mij te zeggen, waar ik hem vinden kon, ik zou in vrede weg zijn gegaan. Waarom behandelde hij mij als zijn vijand?—Omdat zijn vrienden uw vijanden zijn, en gij den Shoet kwaad wilt doen.—Maar dat wil ik niet!—Gij spoort hem na en hebt zijn zwager Deselim gedood. Bloed roept om wraak, en aan u zullen de dooden gewroken worden.—Ik heb Deselim niet gedood. Hij stal mijn paard, viel er af en brak zijn hals. Ben ik zijn moordenaar?—Had hem laten vluchten. Gij hebt hem integendeel opgejaagd en vervolgd!—Ik val dus onder de wet der bloedwraak, omdat ik mijn paard niet wilde laten stelen? Hoor eens, ik had achting voor u gekregen, want ik meende dat gij dappere en openhartige mannen waart. Maar nu zie ik dat gij lafhartige valsche schoften zijt. Dieven zijt gij, ellendige dieven, en wanneer men u nazit om het gestolene weer terug te krijgen, dan zegt gij, dat bloedwraak op ons moet genomen worden. Dat is om te spuwen. Bah, Satansgebroed,dat gij zijt! Nu is uw Shoet in mijn oog een ellendeling, en allen die hem dienen zijn schurken, waar ik niet mee te maken wil hebben. Voort, ga weg uit mijn oogen. Voor zulk tuig als gij zijt, ben ik allerminst bang. Schiet op mij, zooveel gij wilt. Halef, maak de lasso los en jaag hem weg!—Sihdi,—riep de kleine,—zijt gij dol?—Neen. Maak den riem los!—Dat doe ik niet!—Moet ik het soms zelf doen? Hij heeft mij niet van achteren willen overvallen, maar heeft zich moedig tegenover mij gesteld. Hij heeft ook, voordat hij schoot, een mooie redeneering gehouden waardoor hij mij tijd gaf voor het eerste schot, als ik daar lust in had. Een sluipmoordenaar is hij niet, en daarom wil ik hem ook niet als zoodanig behandelen. Maak de lasso los!Halef gehoorzaamde en maakte den riem los. De Miridiet stond van den grond op. Als wij gedacht hadden, dat de man terstond zou weggeloopen zijn, hadden wij ons vergist. Hij strekte en rekte zijn armen, die strak gebonden waren geweest, langzaam uit en kwam naar mij toe.—Effendi,—zeide hij,—ik weet niet, wat dat losmaken beteekenen moet?—Dat heb ik duidelijk genoeg gezegd.—Gij laat mij dus vrij?—Ja, gij kunt gaan, waarheen gij wilt.—En gij eischt niets, in het geheel niets van mij?—Neen.—Ook niet de belofte van u te zullen sparen?—Ook dat niet.—Maar ik moet u toch dooden!—Probeer het!—En gij weet toch, dat ik heden avond met mijn makkers mee moet.—Ik weet het en heb er niets op tegen, dat gij het doet.—Weet gij ook, waar ze op mij wachten?Ik zag aan zijn gezicht, dat hij het met zichzelf niet eens kon worden.Trots en zachtmoedigheid, haat en achting streden in hem. Ten laatste zeide hij:—Zult gij mij voor een lafaard houden, als ik mijn leven, dat ik verbeurd heb, en mijn vrijheid, van u aanneem?—Neen. Ik zou het ook doen en houd mij toch voor een moedig man.—Goed, ik neem het van u aan. Maar geen mensch zou iets met mij te doen willen hebben, wanneer ik, dat doende, mijn plicht om mijn broeder te wreken, opgaf. Die bloedwraak blijft tusschen ons bestaan, maar mag opgeschort worden. Ik zie mijn Czakan daar liggen. Ik neem die en geef u de bijl, ofschoon zij uw eigendom is, eerlijk door u veroverd. Weet gij wat dat beteekent?—Neen.—Mijn bijl in uw bezit, bewijst dat de bloedwraak tusschen ons opgeschort is. Zoodra gij mij de bijl teruggeeft, begint de wraakneming op nieuw.—Dus, zoolang ik uw bijl niet teruggeef, slaapt de wraak, en is het vrede?—Ja. Neemt gij de Czakan van mij aan?—Dat doe ik.—Waar is mijn paard gebleven?—Daar ginds bij het boschje graast het.—Ik ga dus, Effendi! Ik zou u tot afscheid gaarne de hand geven maar aan de uwe kleeft het bloed van mijn broeder. Ik mag u dus niet aanraken, tenzij om u te dooden. Vaarwel!—Vaarwel!Hij ging. Op eenigen afstand van ons wendde hij zich om en groette nogmaals. Toen ging hij naar zijn paard en reed weg.Ik heb den Czakan nog altijd. De bloedwraak slaapt en zal wel blijven slapen.De kleine kleermaker had met de grootste opmerkzaamheid alles gevolgd. Het was hem aan te zien, dat hij, ofschoon ik het tegendeel beweerd had, nog was blijven gelooven dat ik den Miridiet zou laten dooden. Of hij met den afloop al dan niet tevreden was, kon men hem in ’t geheel niet aanzien. Zijn gelaat toonde alleen de grootste verwondering.Halef was kennelijk ontevreden. Hij had niets liever gehad, dan dat ik hem had opgedragen, den man er vijftig op de voetzolen toe te tellen en dan te laten loopen. Maar behalve het laaghartige, om dat een dapper man aan te doen, zou ik mij den Miridiet daardoortot mijn doodvijand gemaakt hebben, terwijl ik nu niets meer van hem te vreezen had.Daar Halef mij zijn ongenoegen niet durfde toonen, liet hij het den kleermaker misgelden.—Wel, gij ridder van naald en garen, wat staat gij daar en kijkt naar de lucht, alsof het kameelen regende? Wat reden is er om zoo verwonderd te zijn?—Wat de Effendi gedaan heeft.—Daarover verwonder ik mij ook.—Hij had hem kunnen laten dood maken.—Juist, en u er bij.—Mij? Waarom?—Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens zeggen, zoodra ik het u ook op uw voetzolen schrijven mag.—Maar als gij dat deedt, hadt gij geen gids meer.—Dat zou jammer zijn, als wij u moesten verliezen.—En wie weet, wat u dan onderweg nog zoo overkomen.—Wel, iets ergers dan met u, kan ons moeilijk overkomen. Kent gij de wetten der bloedwraak, die in deze streken gelden?—Die ken ik.—Is het nu waar, dat de Miridiet ons ongemoeid moet laten?—Als bloedwreker mag hij zeker niet tegen u optreden, zoolang de Czakan niet weer in zijn bezit is.—Wat bedoelt gij daarmee?—Hij kan u, bij voorbeeld, op den weg overvallen om u uit te plunderen en u daarbij dooden. Dat doet hij dan niet uit bloedwraak, maar als struikroover.—Allah is groot, maar met uw eerlijkheid is het treurig gesteld. Wat helpt het mijn buurman of ik hem beloof, zijn pompoenen niet te zullen stelen, maar in den nacht zijn meloenen wegneem? Schurken zijt gij, allemaal!Ik maakte een eind aan dat gesprek, door te vragen:—Hoever zijn wij nog van Jersely af?—Ongeveer een uur.—Dan kunnen wij daar wat rusten en ons verfrisschen. Is daar ook een Khan?—Ja, ik ken den waard.—En waar raadt gij ons te overnachten?—In Kilissely; daar vinden wij een gastvrij onderdak.—Hoelang hebben wij te rijden om daar te komen?—Van Jersely af, ruim vier uren.—Waarom kiest gij juist dat dorp?—Het is een bizonder mooie streek, midden in de vlakte van Mustafa, waar alles goedkoop en in overvloed te krijgen is.—Hoe ver is het van daar tot Uskub?—Acht uren.—Goed, dan blijven wij in Kilissely.De kleermaker reed als gids voorop en scheen zich om ons niet te bekommeren. Daar Osko en Omar achter hem reden, kon ik vrijuit over hem met Halef praten, zonder door hem gehoord te worden.—Sihdi, gij zijt toch ook van oordeel, dat hij Suef is?—vroeg de Hadschi.Ik knikte toestemmend, en Halef vroeg verder, terwijl hij mij van ter zijde aankeek:—Sihdi, gij houdt toch uw woord van die vijftig, u weet wel?—Hij zal ze hebben, maar nu niet.—En verdiend heeft hij ze, dubbel en dwars. Ik heb nooit begrepen, waarom gij hem zooveel meegedeeld hebt, ofschoon gij wist, dat hij het met onze vijanden hield.—Dat deed ik met opzet.—Ja, gij hebt altijd uw geheime bedoelingen. Gij ziet verder vooruit dan wij, en houdt u alsof gij den kleermaker volkomen vertrouwt. Maar ik zou hem halfdood slaan en dan laten liggen.—En bij slot van rekening, van een slechte markt thuis komen. Zoolang hij bij ons is, komen wij alles te weten wat zijn bondgenooten tegen ons van zins zijn. Van avond vallen zij ons aan, voor het laatst, naar zij meenen, want wij moeten daarbij onvermijdelijk omkomen. Hoe zij dat zullen aanleggen, weet ik nog niet.—Wij zullen het toch wel te weten komen?—Natuurlijk! En wel door den kleermaker. Wij moeten hem heimelijk gadeslaan; hij mag er niets van bemerken, anders zou hij zich te veel in acht nemen. Uit wat hij doet, kunnen wij dan goed en wel opmaken, wat zij van plan zijn.—Dan zal ik mijn oogen maar goed open houden.—Dat is juist wat ik noodig heb, want ik zelf kan mij onmogelijk nu met alles bemoeien. Ik zal om mijn voet wel weer mijnkamer moeten houden. Wat daarbuiten omgaat, moet door u drieën nagegaan worden. Vóór alles moeten wij te weten komen, waar de Aladschy’s, Barud en de anderen zijn, wanneer en waar zij met den kleermaker een samenkomst willen hebben, en wanneer, waar en hoe wij vermoord zullen worden.—Sihdi, dat is nog al iets om er achter te komen. Maar zullen de Aladschy’s er dan ook bij zijn? Zij zijn toch immers over Engely gereden.—Van Engely naar Kilissely kunnen zij den Istib-Uskuberweg nemen, en zijn dan vóór ons daar. Het komt er nu maar op aan, om te weten, waar zij zich schuil houden. Overigens kunnen wij nu nog geen vast plan maken, en moeten wij eerst zien welke de plaatselijke gesteldheid is, die wij zullen vinden. Maar denk er vooral om, dat wij den kleermaker geen oogenblik uit het oog verliezen.—Die gluiperd! Hij leek zoo’n trouwe eerlijke vent te zijn. Waarom zou hij toch hier in deze streken gekomen zijn, Sihdi?—Ik geloof dat hij een bizondere vertrouweling van den Shoet is, en van dezen een voor hem belangrijke opdracht heeft ontvangen.—Nu, dat zullen wij wel te weten komen. Voor het oogenblik, mogen wij blij zijn, dat wij ons onzen ergsten vijand van den hals hebben geschoven.—Gij bedoelt den Miridiet?—Ja. Die komt van avond ten minste niet.—En ik geloof, dat hij juist wel zal komen.—Om de Aladschy’s te helpen?—Integendeel, om ons tegen hen bij te staan.—Neen maar, dat geloof ik niet!—Ik wel. Hij is een Miridiet, een dapper man, en alleen dáárom mijn vijand, omdat mijn kogel toevallig zijn broeder getroffen heeft, en niet om den Shoet. Ik geloof dat hij achting voor ons heeft en al die valsche giftige streken van de anderen verafschuwt. Hij is overtuigd, dat ik hem het leven geschonken heb. Welk mensch hecht niet aan zijn leven! Daarom acht hij zich tot dank verplicht.—Hebt gij het leven van de anderen ook niet gespaard, en zijn zij u daarvoor dankbaar geweest?—Neen, maar dat zijn ellendige schurken. Waren het mannen, eerlijk en oprecht als hij, dan hadden wij met hen geen moeite meer. Ik ben vast overtuigd dat hij hier komt, en misschien is zijn tegenwoordigheid ons van nut.Zooals de kleermaker ons gezegd had, waren wij binnen het uur te Jersely, Het was een hooggelegen dorp, waarvan verder niets te zeggen valt. Bij den Khan hielden wij stil en lieten ons wat eten geven: zure melk en maïs-brood. Ook voor onze paarden zorgden wij. Het viel ons op, dat de kleermaker, zoodra het dorp in ’t zicht was, zich er, ons vooruit, naar toe begaf om, zooals hij zeide, wat eten voor ons te bestellen. Halef haalde de schouders op en zag mij vragend aan.—Sihdi, begrijpt gij wat zijn eigenlijke bedoeling is?—Hij wil den waard zeggen hem niet Suef, maar Afrit te noemen.—Dat geloof ik ook. Maar dan had hij onzen waard te Sbiganzy ook van te voren moeten waarschuwen.—Misschien is hij daar onder den naam Afrit bekend.—Het kán zijn, maar ik geloof het niet.Nadat wij een en ander gebruikt hadden, reden wij verder en gingen wij al spoedig, langs den westelijken kant van het plateau naar de reeds genoemde vlakte van Mustafa, die vele uren lang en breed is. Door welige velden, waarvan de oogst reeds binnen gehaald was, reden wij den weg, die van Engely naar Domanova loopt, en na vier uren zagen wij Kilissely voor ons liggen.Het was geen romantische, maar een echt mooie streek. Bergen waren er niet; des te aangenamer vonden wij aan weerszijden van den weg de lommerrijke bosschen, waaronder enkele met nimmer dorrend loof. Wij kwamen door prachtige boomgaarden, waar de zuid-vruchten welig tierden. Rijke nu afgemaaide koornvelden breidden zich naar alle zijden uit, en toen wij nabij het dorp kwamen, zagen wij een grooten vischvijver, in welks kristalhelder water zich de boomen van een grooten tuin spiegelden. De tuin behoorde bij een gebouw, dat iets van een kasteel had en daardoor, in deze omgeving van armoedige gebouwen, nog al vertooning maakte.—Wat is dat voor een gebouw?—vroeg ik den kleermaker.—Het is een slot,—antwoordde hij.—Aan wien behoort het?—Aan den gastheer, bij wien wij zullen overnachten.—Maar dit slot is, naar ’t mij toeschijnt, toch geen herberg?—Neen, zeker niet.—En gij hebt toch van een Khan gesproken?—Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ikvan een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.—Wie is hij dan?—Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven, van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.—Hoe ziet hij er uit?—Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder baard.Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:—Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?—Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk, ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.—Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.—Dat is wat nieuws!—De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat hij zich over hen niet behoeft te schamen.En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:—Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en alles wat een rijk man maar hebben kan.—Heeft bij ook boeken?—Een groote verzameling!Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons aan te dienen.Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy’s onze komstmisschien al wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig en schuw.Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in, dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken, sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed Halef’s paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit van angst.—Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!—riep ik.De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en—zij kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:—Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging zij barrevoets. Halef’s paard scheen haar pijn gedaan te hebben, want zij trok den eenen voet omhoog.—Anka, is mijn naam,—antwoordde zij.—Zijn uw ouders nog in leven?—Ja.—Broers en zusters?—Veel.—Ook een hartedief?Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde zij niet met te zeggen:—Ja, een pracht-exemplaar!—En wat is zijn naam?—Janik. Hij is knecht.—Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?—O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.—Hoeveel wel?—Ik, duizend piasters en hij duizend.—En wat gaat gij dan beginnen?—Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.—Nu, en hoe staat het met den spaarpot?—Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar pachter is.Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en kinderlijk aan.—Hebt gij u pijn gedaan?—vroeg ik.—Het paard heeft mij geraakt.Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.—Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond weer terug, zeggende:—Maar dat mag ik niet aannemen.—Waarom niet?—Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en dan mag ik dat geld ook niet aannemen.—Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:—Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.—Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.—Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een Moslem zijt.—Ik ben geen Moslem, maar een Christen.—Daar ben ik te meer blij om. Ik ben eenKyzyr Elma katolika, (Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.—Welnu, ik ben in Rome geweest en heb denBaba mukkades, (den Heiligen Vader) gezien, omgeven van de hoogeKardnalalar(de Kardinalen).—O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende oogen.—Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk niet weer.—Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?—Bij Murad Habulam.—Tanry walideji aziza—Heilige moeder Gods!—riep zij verschrikt uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg fluisterend:—Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?—Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik verwacht word, dat weet ik niet.—Komt gij van Sbiganzy?—Ja.—Dan zijt gij het.En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog zachter toe:—Neem u in acht!—Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?—Voor Murad Habulam, Heeren!—Aha, gij zijt bij hem in dienst?—Ja, en Janik ook.—Hebt gij reden om mij te waarschuwen?—Men staat u naar het leven.—Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van plan is?—Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord, wat ons deed vermoeden dat men ietsverschrikkelijksmet u voorhad.—Wilt gij mij beschermen?—Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij ook om weg.—Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.—Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?—Ik geef u mijn woord.—En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor ’t oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd, zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende, die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik liefheb en niet hem. Gij zult in den torenKulle Jaschly anaja(de toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden, dien gij volkomen vertrouwen kunt.Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.—Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?—zeide Osko. Wat verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen, met naar de gewone herberg te gaan?—Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.—De Sihdi heeft gelijk,—verzekerde Halef. Allah heeft ons deze vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben, kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria’s Zoon). Zie, daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om ons binnen te leiden.—Komt, komt!—riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des huizes wacht u.—Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?—Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.—Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in zijn zoo noodige rust.—In ’t geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling is de groote schaduwzijde van deze krankheid.—Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.
Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten, het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn voorhoofd getroffen zijn.De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.—Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,—riep ik hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg, zooals ik had gedacht.Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!—Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet opgewassen is. Komt mij in galop achter na!Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in de rechterhand.Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt, dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd, reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere, die hem tegen mijn schot moesten dekken.Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord, die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière, slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt, als alleen zoo’n groote snelheid den ruiter redden kan.Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet, maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste inspanning aanspoort, noemt men het ’geheim-woord’, omdat de eigenaar het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe, om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.Toen ’Rih’ mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam ’Rih’ noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten, altijd met ongelooflijk succes.Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen, als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde, gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet opeen paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals, gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.—Halt! Terstond!—beval ik.Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde, en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw—Rih stond, de bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen den grond gesmakt.Ik zag, dat hij zich niet verroerde, en haastte mij niet met afstijgen.Stapvoets naar hem toerijdende, zag ik, dat hij zijn oogen dicht had. Hij was bewusteloos. Ik bleef in den zadel en liefkoosde mijn paard, tot dank voor zijn ren. De hengst was voor dergelijk liefdebetoon zeer gevoelig. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en wilde mij likken, maar kon mij niet bereiken. Toen dat niet ging, trachtte hij mij ten minste met zijn staart te waaien. Om hem dat genoegen te gunnen, boog ik mij achterover en strekte mijn hand uit, waarin hij wel tienmaal met zijn prachtigen staart sloeg, onderwijl hij van plezier aldoor hinnikte.Na eenigen tijd kwamen ook mijn begeleiders naar mij toe. Metverwondering zag ik, dat het oude magere paard van den kleermaker keurig en krachtig met de andere meegaloppeerde. Het leek mij, alsof het oude dier blij was te mogen toonen wat er wel in hem stak.En de kleine magere snijder zat te paard als de beste van ons! Ik geloof dat het paard een even groote huichelaar was als zijn meester.—Is hij dood?—vroeg Halef, toen hij wat dichterbij gekomen was.—Ik weet het niet. Kijk maar eens.Hij sprong van zijn paard en onderzocht den gevangene.—Heer, de kwant dommelt maar een beetje. Hier is zijn bijl, zijn Czakan.Halef gaf mij dat heerlijke wapen, dat hij opgeraapt had. De slangvormige steel was overtrokken met gepereld visch-leer; de bijl zelf was van ouderwetsch prachtig geciseleerd staal. Op de eene zijde stond in Arabisch schrift:‘Lima’ ak kelimet—ik heb een woordje met u te verhakstukken,—en op den anderen kant:Awasi, chatrak—wel bekome het u, vaarwel! De kunstenaar, van wien dit prachtstuk afkomstig was, moet van een eenigszins stekeligen aard geweest zijn.—Welnu, Halef, wat zegt ge van onzen Rih?—vroeg ik.De Hadschi haalde diep adem en antwoordde met schitterende oogen, buiten zichzelf van opgewondenheid:—Wat zal ik zeggen, Sihdi! Gij hebt hem het geheim-woord ingefluisterd.—Juist geraden.—Dat dacht ik wel. Hij vloog eerst als een pijl uit een boog en daarna met de snelheid eener gedachte. Hij zag er in de verte uit alsof hij alleen een lijf had, want beenen zag men niet. Nog voor ik dacht: Daar is hij! was hij den ander vooruit en bij het boschje. En kijk nu eens, hoe hij daar staat! Ziet u ook maar het minste zweet op zijn lijf?—Neen.—Of ook maar een vlokje schuim op zijn lippen?—Ook niet.—Of ziet u hem hijgen? Ziet u zijn borst gaan of zijn flanken?—Niets van dat alles.—Juist alsof hij eens lekker geslapen had, zoo rustig en vergenoegd staat hij daar. Het was een heerlijk prachtig gezicht! Zelfs de Profeet heeft zoo’n paard niet gehad. Jammer, dat het geen merrie is. Dat is zijn eenig, zijn allereenigste gebrek. Ik geef hem vanavond, tot belooning, een grooten maïskoek, met raki overgoten, want dat is zijn lievelingskost; hij is een lekkerbek.En zich tot den kleermaker wendende, vroeg hij:—Welnu, Afrit, gij reuzekind, hebt gij ook soms respect voor dat paard?—Het is onvergelijkelijk mooi. Ik heb nog nooit zoo iets gezien,—antwoordde de gevraagde.Hij bekeek den hengst met het oog van een kenner. Kon een arme kleermaker, een zoo goed paardenkenner, een zoo groot paardenliefhebber zijn? Neen! En zijn begeerte om het paard te bezitten was in hem zoo sterk, dat zijns ondanks zijn blik het verried.—Goed gezegd,—zeide Halef, met die lofspraak tevreden. Maar wat zegt gij van zijn meester?—Hij verdient zulk een paard te bezitten. Hij rijdt goed!—Goed...? Mensch, hoe kunt ge dat zeggen: Ook gij rijdt goed.Maar bij hem vergeleken, zijt gij een kikvorsch, die op den rug van een os zit. En wie heeft uw oordeel over zijn rijden gevraagd? Ik bedoelde, of hij niet mooi zijn woord heeft gehouden.—Ja, dat kan ik niet ontkennen.—Neen, dat kunt gij niet ontkennen. Alles dwingt er u toe. Of heeft hij niet zonneklaar bewezen, dat de Miridiet, hij hem vergeleken, een kwajongen is, die zijn broek nog niet opbinden kan? Hoe mooi is hij hem te vlug af geweest! Hadt gij gedacht, dat mijn Heer hem ging besluipen?—Neen.—Ik begreep het terstond. Maar uw hersens zijn verdroogd en kunnen niets bedenken. Hoe verwonderd keek de Miridiet op, toen hij hem niet bij ons zag; en wat schrikte hij, toen hij hem opeens achter zich zag staan. En wat mikte hij mooi op hem. En weet gij wel, waarom zijn geweer niet afging?—Omdat het ketste.—Mis, omdat wij kogelvrij zijn. Begrepen, snijdertje? En dan, die bijl-worp? Hadt gij hem kunnen pareeren?—Bij Allah, neen!—Dat loopt met bijlen en weet er niet mee om te gaan. En wat zegt gij van die eenvoudige manier om iemand gevangen te nemen? Hadt gij al eens gezien, hoe men een ruiter, met een riem van zijn paard haalt?—Nog nooit!—Dat wil ik wel gelooven. Gij hebt trouwens nog zoo veel, nog zoo oneindig veel niet gezien van wat wij weten en kunnen. Wat zou de Shoet tegen onzen Effendi vermogen? Ons overleg en onze dapperheid zijn schroeven, die op zijn lichaam inwerken en het doorboren.—Zeg dat toch niet van mijn Shoet!—Gij neemt het dus voor hem tegen ons op?—Dat is niet in mij opgekomen.—Hebt gij dan niet gezegd, dat hij sterker is dan wij, en hij ons verpletteren zou?—Ik wilde vriendelijk u waarschuwen.—Dan waarschuw ik u even vriendelijk om voortaan uw mond te houden. We hebben geen waarschuwingen noodig, zelf weten wij wat wij doen en laten moeten, want wij kennen ons volkje en onze vijanden. Gij staat tegenover ons als dorre grashalmen, terwijl wij palmen zijn, die hun kronen in de wolken baden. Deze Shoet zal aan onze voeten kruipen, zooals hier de Miridiet. En allen, die hem aanhangen, zullen wij verteren als de tabak, die men in den mond steekt en uitspuwt.—Hadschi, wat heb ik toch gedaan, dat gij zoo streng en toornig tegen mij spreekt?—Gij hebt den Shoet onzen meerdere genoemd. Is dat niet genoeg? Gij hebt nog geen enkelen beroemden held gezien. Maar hier zijn beroemde en dappere mannen, die uw Shoet als een vlieg wegslaan.Om den kleinen Hadschi, die zich als een kikvorsch opblies, niet te laten bersten, viel ik hem in de rede:—Toen ik den Miridiet volgde, hoorde ik fluiten. Wie deed dat?—Hier, de kleermaker.—Waarom floot hij?—Hij zei, dat hij een hond zag loopen in het hout.—Ja, Heer, ik zag hem duidelijk,—verzekerde de verrader.—Wat ging dat beest u aan?—Hij was zeker verdwaald, en wij konden hem meenemen naar het naburige dorp, waar hij waarschijnlijk zijn thuis heeft.—Zoo? De Miridiet scheen dat gefluit te kennen.—Toch niet.—Toch wel, want hij sprong terstond op van den grond en steeg te paard.—Dat trof dan toevallig samen.—Wel toevallig, want hij scheen met dien Suef afgesproken te hebben, dat deze hem, door gefluit, kennis zou geven van zijn komst. Dat was een groote domheid van die twee, want daardoor moest uitkomen, dat Suef ons verried. Ik wil hopen dat die knaap óók nog in mijn handen zal vallen, en dan zal ik hem dat aan zijn verstand brengen, zóó dat hij het nooit vergeet.—Zoudt gij niet eens naar den Miridiet zien? Hij beweegt zich.De genoemde had, om wat anders te liggen, een beweging met zijn beenen gemaakt. Ik zag, dat hij mij kwaadaardig aankeek.—Wel, vroeg ik hem, hoe bevalt u de afloop van uw grap?—Verrek!—antwoordde hij.—Uw mond loopt niet over van zegenwenschen, en toch heb ik het goed met u gemeend.—Hoe goed gij het met mij meent, dat begrijp ik!—Wat denkt gij dan wel?—Dat gij mij dooden zult.—Mis geraden! Had ik u willen dooden, dan had ik dat van daag meer dan eens kunnen doen.—Hebt gij dan nog wat ergers met mij voor?—Hoe komt ge op die gedachte?—O, er zijn allerlei manieren, om een, die een bloedschuld moet wreken, onschadelijk te maken, zonder hem terstond te dooden.—Men laat hem, bij voorbeeld, verhongeren, zooals gijlieden met ons van zins waart.—Daar heeft de Satan je uitgeholpen!—Had alleen die ons kunnen helpen, dan waren wij liever in dat hol gebleven.—En toch is die uw helper, want anders waart gij niet kogelvrij.—Meent gij werkelijk dat men daarvoor de hulp van den Satan behoeft? Daarvoor heeft men geen vreemde hulp noodig. Men moet daarvoor een beetje slim zijn en wat geleerd hebben. Wij zijn in allen gevalle niet bang voor uw kogels en evenmin voor het gehakte lood, waarmee gij van daag uw geweer zoo zorgvuldig geladen hadt.—Gij hebt dus mijn geweer?—Neen, dat hangt aan uw zadel, en uw paard is er mee van door.—Hoe kunt gij dan weten, dat ik met gehakt lood geladen had?—Ik weet altijd alles, wat ik weten moet. Nu kunt gij niet naar Sbiganzy terug gaan, maar gij moet naar uw bondgenooten, zooals gij met hen afgesproken hebt.—Ik? Waarheen?—Dat weet gij even goed als ik. Zijn ze u niet vooruit gereden, den weg naar Engely op?—Heer, wie heeft u dat gezegd?—Mijn droom. In mijn droom heb ik hen gezien, op u wachtende, aan gene zijde van Warzy, op de hoogte die daar is. Gij kwaamt, sprongt van uw paard en zocht ze, om hen te zeggen, dat wij te laat waren weggereden. Gij zijt toen een eind met hen opgereden maar al spoedig zijt ge van hen weggegaan, om hierheen te rijden, waar Suef ons u leveren moest.—Suef?—riep hij verschrikt uit.Hij keek rond naar den kleermaker en zag hem. Ik deed alsof ik den waarschuwenden oogwenk van den kleine niet zag. Diens wenk scheen hem gerust te stellen, want hij vroeg:—Wie is Suef?—Uw vriend.—Ik ken geen Suef.—Nu, misschien zult gij hem wel kennen, als ik hem, zooals mijn plan is, vijftig slagen op zijn voetzolen laat geven waar gij bij staat. Gij hadt met uw makkers afgesproken, dat gij niet zoudt komen als ik dood was, maar van avond hen zoudt vinden, als de aanslag mislukt zou zijn. Wel, die is niet gelukt. Wilt gij nu weg?Hij wist niet, wat van mij te denken, maar zeide op somberen toon:—Hoe gij dat alles weet, begrijp ik niet en behoef ik ook niet te weten. Maak het kort en dood mij.—Waarom zou ik u dooden?—Omdat ik het u heb willen doen.—Dat is voor mij geen reden, want ik ben een Christen en vergeld geen kwaad met wraak.—Gij kent dus de wet van de bloedwraak niet?—Zeker ken ik die.—Gij weet dus, dat ik mijn leven lang er op uit moet zijn om u te dooden?—Dat weet ik.—En toch doodt gij mij niet?—Neen. Ik heb mij tegen u verweerd, en gij hebt niets tegen mij kunnen uitrichten. Dat is mij genoeg. Wij Christenen erkennen de verplichting der bloedwraak niet. Daarom straft onze wet den bloedwreker met den dood. Maar het gebod van uw land dwingt u, als bloedwreker van uw broeder op te treden en... ik mag toch geen wrok tegen u hebben, omdat gij uw wet gehoorzamen wilt.Hij keek mij aan alsof hij droomde. Wat ik zeide ging zijn verstand te boven.—Maar,—zoo ging ik door,—denk eens na, of ik uw bloedwraak werkelijk verdien. Ik was opgesloten, ik moest mij er uit redden. Daarvoor was ’t noodig dat ik schoot, maar wist niet dat uw broeder op het luik zat. Het was zijn schuld dat mijn kogel hem trof. Hij wist dat wij onze wapens bij ons hadden. Het was een groote onbezonnenheid, dat hij op het luik ging zitten.—Heer, er is veel waars in wat gij zegt.—En waarom wilde hij mij laten doodhongeren? Wat had ik gedaan? Had ik hem beleedigd, gekrenkt, bestolen of beroofd? Neen. Ik kwam, om naar den Shoet te vragen. Het stond aan hem, om mij dat, al dan niet, te zeggen. Had hij geweigerd mij te zeggen, waar ik hem vinden kon, ik zou in vrede weg zijn gegaan. Waarom behandelde hij mij als zijn vijand?—Omdat zijn vrienden uw vijanden zijn, en gij den Shoet kwaad wilt doen.—Maar dat wil ik niet!—Gij spoort hem na en hebt zijn zwager Deselim gedood. Bloed roept om wraak, en aan u zullen de dooden gewroken worden.—Ik heb Deselim niet gedood. Hij stal mijn paard, viel er af en brak zijn hals. Ben ik zijn moordenaar?—Had hem laten vluchten. Gij hebt hem integendeel opgejaagd en vervolgd!—Ik val dus onder de wet der bloedwraak, omdat ik mijn paard niet wilde laten stelen? Hoor eens, ik had achting voor u gekregen, want ik meende dat gij dappere en openhartige mannen waart. Maar nu zie ik dat gij lafhartige valsche schoften zijt. Dieven zijt gij, ellendige dieven, en wanneer men u nazit om het gestolene weer terug te krijgen, dan zegt gij, dat bloedwraak op ons moet genomen worden. Dat is om te spuwen. Bah, Satansgebroed,dat gij zijt! Nu is uw Shoet in mijn oog een ellendeling, en allen die hem dienen zijn schurken, waar ik niet mee te maken wil hebben. Voort, ga weg uit mijn oogen. Voor zulk tuig als gij zijt, ben ik allerminst bang. Schiet op mij, zooveel gij wilt. Halef, maak de lasso los en jaag hem weg!—Sihdi,—riep de kleine,—zijt gij dol?—Neen. Maak den riem los!—Dat doe ik niet!—Moet ik het soms zelf doen? Hij heeft mij niet van achteren willen overvallen, maar heeft zich moedig tegenover mij gesteld. Hij heeft ook, voordat hij schoot, een mooie redeneering gehouden waardoor hij mij tijd gaf voor het eerste schot, als ik daar lust in had. Een sluipmoordenaar is hij niet, en daarom wil ik hem ook niet als zoodanig behandelen. Maak de lasso los!Halef gehoorzaamde en maakte den riem los. De Miridiet stond van den grond op. Als wij gedacht hadden, dat de man terstond zou weggeloopen zijn, hadden wij ons vergist. Hij strekte en rekte zijn armen, die strak gebonden waren geweest, langzaam uit en kwam naar mij toe.—Effendi,—zeide hij,—ik weet niet, wat dat losmaken beteekenen moet?—Dat heb ik duidelijk genoeg gezegd.—Gij laat mij dus vrij?—Ja, gij kunt gaan, waarheen gij wilt.—En gij eischt niets, in het geheel niets van mij?—Neen.—Ook niet de belofte van u te zullen sparen?—Ook dat niet.—Maar ik moet u toch dooden!—Probeer het!—En gij weet toch, dat ik heden avond met mijn makkers mee moet.—Ik weet het en heb er niets op tegen, dat gij het doet.—Weet gij ook, waar ze op mij wachten?Ik zag aan zijn gezicht, dat hij het met zichzelf niet eens kon worden.Trots en zachtmoedigheid, haat en achting streden in hem. Ten laatste zeide hij:—Zult gij mij voor een lafaard houden, als ik mijn leven, dat ik verbeurd heb, en mijn vrijheid, van u aanneem?—Neen. Ik zou het ook doen en houd mij toch voor een moedig man.—Goed, ik neem het van u aan. Maar geen mensch zou iets met mij te doen willen hebben, wanneer ik, dat doende, mijn plicht om mijn broeder te wreken, opgaf. Die bloedwraak blijft tusschen ons bestaan, maar mag opgeschort worden. Ik zie mijn Czakan daar liggen. Ik neem die en geef u de bijl, ofschoon zij uw eigendom is, eerlijk door u veroverd. Weet gij wat dat beteekent?—Neen.—Mijn bijl in uw bezit, bewijst dat de bloedwraak tusschen ons opgeschort is. Zoodra gij mij de bijl teruggeeft, begint de wraakneming op nieuw.—Dus, zoolang ik uw bijl niet teruggeef, slaapt de wraak, en is het vrede?—Ja. Neemt gij de Czakan van mij aan?—Dat doe ik.—Waar is mijn paard gebleven?—Daar ginds bij het boschje graast het.—Ik ga dus, Effendi! Ik zou u tot afscheid gaarne de hand geven maar aan de uwe kleeft het bloed van mijn broeder. Ik mag u dus niet aanraken, tenzij om u te dooden. Vaarwel!—Vaarwel!Hij ging. Op eenigen afstand van ons wendde hij zich om en groette nogmaals. Toen ging hij naar zijn paard en reed weg.Ik heb den Czakan nog altijd. De bloedwraak slaapt en zal wel blijven slapen.De kleine kleermaker had met de grootste opmerkzaamheid alles gevolgd. Het was hem aan te zien, dat hij, ofschoon ik het tegendeel beweerd had, nog was blijven gelooven dat ik den Miridiet zou laten dooden. Of hij met den afloop al dan niet tevreden was, kon men hem in ’t geheel niet aanzien. Zijn gelaat toonde alleen de grootste verwondering.Halef was kennelijk ontevreden. Hij had niets liever gehad, dan dat ik hem had opgedragen, den man er vijftig op de voetzolen toe te tellen en dan te laten loopen. Maar behalve het laaghartige, om dat een dapper man aan te doen, zou ik mij den Miridiet daardoortot mijn doodvijand gemaakt hebben, terwijl ik nu niets meer van hem te vreezen had.Daar Halef mij zijn ongenoegen niet durfde toonen, liet hij het den kleermaker misgelden.—Wel, gij ridder van naald en garen, wat staat gij daar en kijkt naar de lucht, alsof het kameelen regende? Wat reden is er om zoo verwonderd te zijn?—Wat de Effendi gedaan heeft.—Daarover verwonder ik mij ook.—Hij had hem kunnen laten dood maken.—Juist, en u er bij.—Mij? Waarom?—Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens zeggen, zoodra ik het u ook op uw voetzolen schrijven mag.—Maar als gij dat deedt, hadt gij geen gids meer.—Dat zou jammer zijn, als wij u moesten verliezen.—En wie weet, wat u dan onderweg nog zoo overkomen.—Wel, iets ergers dan met u, kan ons moeilijk overkomen. Kent gij de wetten der bloedwraak, die in deze streken gelden?—Die ken ik.—Is het nu waar, dat de Miridiet ons ongemoeid moet laten?—Als bloedwreker mag hij zeker niet tegen u optreden, zoolang de Czakan niet weer in zijn bezit is.—Wat bedoelt gij daarmee?—Hij kan u, bij voorbeeld, op den weg overvallen om u uit te plunderen en u daarbij dooden. Dat doet hij dan niet uit bloedwraak, maar als struikroover.—Allah is groot, maar met uw eerlijkheid is het treurig gesteld. Wat helpt het mijn buurman of ik hem beloof, zijn pompoenen niet te zullen stelen, maar in den nacht zijn meloenen wegneem? Schurken zijt gij, allemaal!Ik maakte een eind aan dat gesprek, door te vragen:—Hoever zijn wij nog van Jersely af?—Ongeveer een uur.—Dan kunnen wij daar wat rusten en ons verfrisschen. Is daar ook een Khan?—Ja, ik ken den waard.—En waar raadt gij ons te overnachten?—In Kilissely; daar vinden wij een gastvrij onderdak.—Hoelang hebben wij te rijden om daar te komen?—Van Jersely af, ruim vier uren.—Waarom kiest gij juist dat dorp?—Het is een bizonder mooie streek, midden in de vlakte van Mustafa, waar alles goedkoop en in overvloed te krijgen is.—Hoe ver is het van daar tot Uskub?—Acht uren.—Goed, dan blijven wij in Kilissely.De kleermaker reed als gids voorop en scheen zich om ons niet te bekommeren. Daar Osko en Omar achter hem reden, kon ik vrijuit over hem met Halef praten, zonder door hem gehoord te worden.—Sihdi, gij zijt toch ook van oordeel, dat hij Suef is?—vroeg de Hadschi.Ik knikte toestemmend, en Halef vroeg verder, terwijl hij mij van ter zijde aankeek:—Sihdi, gij houdt toch uw woord van die vijftig, u weet wel?—Hij zal ze hebben, maar nu niet.—En verdiend heeft hij ze, dubbel en dwars. Ik heb nooit begrepen, waarom gij hem zooveel meegedeeld hebt, ofschoon gij wist, dat hij het met onze vijanden hield.—Dat deed ik met opzet.—Ja, gij hebt altijd uw geheime bedoelingen. Gij ziet verder vooruit dan wij, en houdt u alsof gij den kleermaker volkomen vertrouwt. Maar ik zou hem halfdood slaan en dan laten liggen.—En bij slot van rekening, van een slechte markt thuis komen. Zoolang hij bij ons is, komen wij alles te weten wat zijn bondgenooten tegen ons van zins zijn. Van avond vallen zij ons aan, voor het laatst, naar zij meenen, want wij moeten daarbij onvermijdelijk omkomen. Hoe zij dat zullen aanleggen, weet ik nog niet.—Wij zullen het toch wel te weten komen?—Natuurlijk! En wel door den kleermaker. Wij moeten hem heimelijk gadeslaan; hij mag er niets van bemerken, anders zou hij zich te veel in acht nemen. Uit wat hij doet, kunnen wij dan goed en wel opmaken, wat zij van plan zijn.—Dan zal ik mijn oogen maar goed open houden.—Dat is juist wat ik noodig heb, want ik zelf kan mij onmogelijk nu met alles bemoeien. Ik zal om mijn voet wel weer mijnkamer moeten houden. Wat daarbuiten omgaat, moet door u drieën nagegaan worden. Vóór alles moeten wij te weten komen, waar de Aladschy’s, Barud en de anderen zijn, wanneer en waar zij met den kleermaker een samenkomst willen hebben, en wanneer, waar en hoe wij vermoord zullen worden.—Sihdi, dat is nog al iets om er achter te komen. Maar zullen de Aladschy’s er dan ook bij zijn? Zij zijn toch immers over Engely gereden.—Van Engely naar Kilissely kunnen zij den Istib-Uskuberweg nemen, en zijn dan vóór ons daar. Het komt er nu maar op aan, om te weten, waar zij zich schuil houden. Overigens kunnen wij nu nog geen vast plan maken, en moeten wij eerst zien welke de plaatselijke gesteldheid is, die wij zullen vinden. Maar denk er vooral om, dat wij den kleermaker geen oogenblik uit het oog verliezen.—Die gluiperd! Hij leek zoo’n trouwe eerlijke vent te zijn. Waarom zou hij toch hier in deze streken gekomen zijn, Sihdi?—Ik geloof dat hij een bizondere vertrouweling van den Shoet is, en van dezen een voor hem belangrijke opdracht heeft ontvangen.—Nu, dat zullen wij wel te weten komen. Voor het oogenblik, mogen wij blij zijn, dat wij ons onzen ergsten vijand van den hals hebben geschoven.—Gij bedoelt den Miridiet?—Ja. Die komt van avond ten minste niet.—En ik geloof, dat hij juist wel zal komen.—Om de Aladschy’s te helpen?—Integendeel, om ons tegen hen bij te staan.—Neen maar, dat geloof ik niet!—Ik wel. Hij is een Miridiet, een dapper man, en alleen dáárom mijn vijand, omdat mijn kogel toevallig zijn broeder getroffen heeft, en niet om den Shoet. Ik geloof dat hij achting voor ons heeft en al die valsche giftige streken van de anderen verafschuwt. Hij is overtuigd, dat ik hem het leven geschonken heb. Welk mensch hecht niet aan zijn leven! Daarom acht hij zich tot dank verplicht.—Hebt gij het leven van de anderen ook niet gespaard, en zijn zij u daarvoor dankbaar geweest?—Neen, maar dat zijn ellendige schurken. Waren het mannen, eerlijk en oprecht als hij, dan hadden wij met hen geen moeite meer. Ik ben vast overtuigd dat hij hier komt, en misschien is zijn tegenwoordigheid ons van nut.Zooals de kleermaker ons gezegd had, waren wij binnen het uur te Jersely, Het was een hooggelegen dorp, waarvan verder niets te zeggen valt. Bij den Khan hielden wij stil en lieten ons wat eten geven: zure melk en maïs-brood. Ook voor onze paarden zorgden wij. Het viel ons op, dat de kleermaker, zoodra het dorp in ’t zicht was, zich er, ons vooruit, naar toe begaf om, zooals hij zeide, wat eten voor ons te bestellen. Halef haalde de schouders op en zag mij vragend aan.—Sihdi, begrijpt gij wat zijn eigenlijke bedoeling is?—Hij wil den waard zeggen hem niet Suef, maar Afrit te noemen.—Dat geloof ik ook. Maar dan had hij onzen waard te Sbiganzy ook van te voren moeten waarschuwen.—Misschien is hij daar onder den naam Afrit bekend.—Het kán zijn, maar ik geloof het niet.Nadat wij een en ander gebruikt hadden, reden wij verder en gingen wij al spoedig, langs den westelijken kant van het plateau naar de reeds genoemde vlakte van Mustafa, die vele uren lang en breed is. Door welige velden, waarvan de oogst reeds binnen gehaald was, reden wij den weg, die van Engely naar Domanova loopt, en na vier uren zagen wij Kilissely voor ons liggen.Het was geen romantische, maar een echt mooie streek. Bergen waren er niet; des te aangenamer vonden wij aan weerszijden van den weg de lommerrijke bosschen, waaronder enkele met nimmer dorrend loof. Wij kwamen door prachtige boomgaarden, waar de zuid-vruchten welig tierden. Rijke nu afgemaaide koornvelden breidden zich naar alle zijden uit, en toen wij nabij het dorp kwamen, zagen wij een grooten vischvijver, in welks kristalhelder water zich de boomen van een grooten tuin spiegelden. De tuin behoorde bij een gebouw, dat iets van een kasteel had en daardoor, in deze omgeving van armoedige gebouwen, nog al vertooning maakte.—Wat is dat voor een gebouw?—vroeg ik den kleermaker.—Het is een slot,—antwoordde hij.—Aan wien behoort het?—Aan den gastheer, bij wien wij zullen overnachten.—Maar dit slot is, naar ’t mij toeschijnt, toch geen herberg?—Neen, zeker niet.—En gij hebt toch van een Khan gesproken?—Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ikvan een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.—Wie is hij dan?—Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven, van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.—Hoe ziet hij er uit?—Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder baard.Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:—Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?—Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk, ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.—Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.—Dat is wat nieuws!—De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat hij zich over hen niet behoeft te schamen.En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:—Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en alles wat een rijk man maar hebben kan.—Heeft bij ook boeken?—Een groote verzameling!Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons aan te dienen.Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy’s onze komstmisschien al wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig en schuw.Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in, dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken, sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed Halef’s paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit van angst.—Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!—riep ik.De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en—zij kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:—Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging zij barrevoets. Halef’s paard scheen haar pijn gedaan te hebben, want zij trok den eenen voet omhoog.—Anka, is mijn naam,—antwoordde zij.—Zijn uw ouders nog in leven?—Ja.—Broers en zusters?—Veel.—Ook een hartedief?Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde zij niet met te zeggen:—Ja, een pracht-exemplaar!—En wat is zijn naam?—Janik. Hij is knecht.—Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?—O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.—Hoeveel wel?—Ik, duizend piasters en hij duizend.—En wat gaat gij dan beginnen?—Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.—Nu, en hoe staat het met den spaarpot?—Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar pachter is.Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en kinderlijk aan.—Hebt gij u pijn gedaan?—vroeg ik.—Het paard heeft mij geraakt.Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.—Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond weer terug, zeggende:—Maar dat mag ik niet aannemen.—Waarom niet?—Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en dan mag ik dat geld ook niet aannemen.—Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:—Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.—Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.—Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een Moslem zijt.—Ik ben geen Moslem, maar een Christen.—Daar ben ik te meer blij om. Ik ben eenKyzyr Elma katolika, (Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.—Welnu, ik ben in Rome geweest en heb denBaba mukkades, (den Heiligen Vader) gezien, omgeven van de hoogeKardnalalar(de Kardinalen).—O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende oogen.—Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk niet weer.—Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?—Bij Murad Habulam.—Tanry walideji aziza—Heilige moeder Gods!—riep zij verschrikt uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg fluisterend:—Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?—Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik verwacht word, dat weet ik niet.—Komt gij van Sbiganzy?—Ja.—Dan zijt gij het.En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog zachter toe:—Neem u in acht!—Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?—Voor Murad Habulam, Heeren!—Aha, gij zijt bij hem in dienst?—Ja, en Janik ook.—Hebt gij reden om mij te waarschuwen?—Men staat u naar het leven.—Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van plan is?—Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord, wat ons deed vermoeden dat men ietsverschrikkelijksmet u voorhad.—Wilt gij mij beschermen?—Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij ook om weg.—Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.—Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?—Ik geef u mijn woord.—En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor ’t oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd, zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende, die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik liefheb en niet hem. Gij zult in den torenKulle Jaschly anaja(de toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden, dien gij volkomen vertrouwen kunt.Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.—Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?—zeide Osko. Wat verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen, met naar de gewone herberg te gaan?—Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.—De Sihdi heeft gelijk,—verzekerde Halef. Allah heeft ons deze vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben, kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria’s Zoon). Zie, daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om ons binnen te leiden.—Komt, komt!—riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des huizes wacht u.—Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?—Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.—Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in zijn zoo noodige rust.—In ’t geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling is de groote schaduwzijde van deze krankheid.—Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.
Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).
Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).
Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten, het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn voorhoofd getroffen zijn.
De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.
—Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,—riep ik hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!
Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg, zooals ik had gedacht.
Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.
Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!
—Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet opgewassen is. Komt mij in galop achter na!
Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.
Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.
Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in de rechterhand.
Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.
De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt, dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.
Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd, reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere, die hem tegen mijn schot moesten dekken.
Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.
Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.
Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord, die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.
De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière, slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt, als alleen zoo’n groote snelheid den ruiter redden kan.
Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet, maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.
Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste inspanning aanspoort, noemt men het ’geheim-woord’, omdat de eigenaar het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe, om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.
Toen ’Rih’ mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam ’Rih’ noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten, altijd met ongelooflijk succes.
Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen, als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.
Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!
Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde, gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet opeen paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.
Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals, gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.
—Halt! Terstond!—beval ik.
Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.
De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde, en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!
Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw—Rih stond, de bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen den grond gesmakt.
Ik zag, dat hij zich niet verroerde, en haastte mij niet met afstijgen.
Stapvoets naar hem toerijdende, zag ik, dat hij zijn oogen dicht had. Hij was bewusteloos. Ik bleef in den zadel en liefkoosde mijn paard, tot dank voor zijn ren. De hengst was voor dergelijk liefdebetoon zeer gevoelig. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en wilde mij likken, maar kon mij niet bereiken. Toen dat niet ging, trachtte hij mij ten minste met zijn staart te waaien. Om hem dat genoegen te gunnen, boog ik mij achterover en strekte mijn hand uit, waarin hij wel tienmaal met zijn prachtigen staart sloeg, onderwijl hij van plezier aldoor hinnikte.
Na eenigen tijd kwamen ook mijn begeleiders naar mij toe. Metverwondering zag ik, dat het oude magere paard van den kleermaker keurig en krachtig met de andere meegaloppeerde. Het leek mij, alsof het oude dier blij was te mogen toonen wat er wel in hem stak.
En de kleine magere snijder zat te paard als de beste van ons! Ik geloof dat het paard een even groote huichelaar was als zijn meester.
—Is hij dood?—vroeg Halef, toen hij wat dichterbij gekomen was.
—Ik weet het niet. Kijk maar eens.
Hij sprong van zijn paard en onderzocht den gevangene.
—Heer, de kwant dommelt maar een beetje. Hier is zijn bijl, zijn Czakan.
Halef gaf mij dat heerlijke wapen, dat hij opgeraapt had. De slangvormige steel was overtrokken met gepereld visch-leer; de bijl zelf was van ouderwetsch prachtig geciseleerd staal. Op de eene zijde stond in Arabisch schrift:‘Lima’ ak kelimet—ik heb een woordje met u te verhakstukken,—en op den anderen kant:Awasi, chatrak—wel bekome het u, vaarwel! De kunstenaar, van wien dit prachtstuk afkomstig was, moet van een eenigszins stekeligen aard geweest zijn.
—Welnu, Halef, wat zegt ge van onzen Rih?—vroeg ik.
De Hadschi haalde diep adem en antwoordde met schitterende oogen, buiten zichzelf van opgewondenheid:
—Wat zal ik zeggen, Sihdi! Gij hebt hem het geheim-woord ingefluisterd.
—Juist geraden.
—Dat dacht ik wel. Hij vloog eerst als een pijl uit een boog en daarna met de snelheid eener gedachte. Hij zag er in de verte uit alsof hij alleen een lijf had, want beenen zag men niet. Nog voor ik dacht: Daar is hij! was hij den ander vooruit en bij het boschje. En kijk nu eens, hoe hij daar staat! Ziet u ook maar het minste zweet op zijn lijf?
—Neen.
—Of ook maar een vlokje schuim op zijn lippen?
—Ook niet.
—Of ziet u hem hijgen? Ziet u zijn borst gaan of zijn flanken?
—Niets van dat alles.
—Juist alsof hij eens lekker geslapen had, zoo rustig en vergenoegd staat hij daar. Het was een heerlijk prachtig gezicht! Zelfs de Profeet heeft zoo’n paard niet gehad. Jammer, dat het geen merrie is. Dat is zijn eenig, zijn allereenigste gebrek. Ik geef hem vanavond, tot belooning, een grooten maïskoek, met raki overgoten, want dat is zijn lievelingskost; hij is een lekkerbek.
En zich tot den kleermaker wendende, vroeg hij:
—Welnu, Afrit, gij reuzekind, hebt gij ook soms respect voor dat paard?
—Het is onvergelijkelijk mooi. Ik heb nog nooit zoo iets gezien,—antwoordde de gevraagde.
Hij bekeek den hengst met het oog van een kenner. Kon een arme kleermaker, een zoo goed paardenkenner, een zoo groot paardenliefhebber zijn? Neen! En zijn begeerte om het paard te bezitten was in hem zoo sterk, dat zijns ondanks zijn blik het verried.
—Goed gezegd,—zeide Halef, met die lofspraak tevreden. Maar wat zegt gij van zijn meester?
—Hij verdient zulk een paard te bezitten. Hij rijdt goed!
—Goed...? Mensch, hoe kunt ge dat zeggen: Ook gij rijdt goed.Maar bij hem vergeleken, zijt gij een kikvorsch, die op den rug van een os zit. En wie heeft uw oordeel over zijn rijden gevraagd? Ik bedoelde, of hij niet mooi zijn woord heeft gehouden.
—Ja, dat kan ik niet ontkennen.
—Neen, dat kunt gij niet ontkennen. Alles dwingt er u toe. Of heeft hij niet zonneklaar bewezen, dat de Miridiet, hij hem vergeleken, een kwajongen is, die zijn broek nog niet opbinden kan? Hoe mooi is hij hem te vlug af geweest! Hadt gij gedacht, dat mijn Heer hem ging besluipen?
—Neen.
—Ik begreep het terstond. Maar uw hersens zijn verdroogd en kunnen niets bedenken. Hoe verwonderd keek de Miridiet op, toen hij hem niet bij ons zag; en wat schrikte hij, toen hij hem opeens achter zich zag staan. En wat mikte hij mooi op hem. En weet gij wel, waarom zijn geweer niet afging?
—Omdat het ketste.
—Mis, omdat wij kogelvrij zijn. Begrepen, snijdertje? En dan, die bijl-worp? Hadt gij hem kunnen pareeren?
—Bij Allah, neen!
—Dat loopt met bijlen en weet er niet mee om te gaan. En wat zegt gij van die eenvoudige manier om iemand gevangen te nemen? Hadt gij al eens gezien, hoe men een ruiter, met een riem van zijn paard haalt?
—Nog nooit!
—Dat wil ik wel gelooven. Gij hebt trouwens nog zoo veel, nog zoo oneindig veel niet gezien van wat wij weten en kunnen. Wat zou de Shoet tegen onzen Effendi vermogen? Ons overleg en onze dapperheid zijn schroeven, die op zijn lichaam inwerken en het doorboren.
—Zeg dat toch niet van mijn Shoet!
—Gij neemt het dus voor hem tegen ons op?
—Dat is niet in mij opgekomen.
—Hebt gij dan niet gezegd, dat hij sterker is dan wij, en hij ons verpletteren zou?
—Ik wilde vriendelijk u waarschuwen.
—Dan waarschuw ik u even vriendelijk om voortaan uw mond te houden. We hebben geen waarschuwingen noodig, zelf weten wij wat wij doen en laten moeten, want wij kennen ons volkje en onze vijanden. Gij staat tegenover ons als dorre grashalmen, terwijl wij palmen zijn, die hun kronen in de wolken baden. Deze Shoet zal aan onze voeten kruipen, zooals hier de Miridiet. En allen, die hem aanhangen, zullen wij verteren als de tabak, die men in den mond steekt en uitspuwt.
—Hadschi, wat heb ik toch gedaan, dat gij zoo streng en toornig tegen mij spreekt?
—Gij hebt den Shoet onzen meerdere genoemd. Is dat niet genoeg? Gij hebt nog geen enkelen beroemden held gezien. Maar hier zijn beroemde en dappere mannen, die uw Shoet als een vlieg wegslaan.
Om den kleinen Hadschi, die zich als een kikvorsch opblies, niet te laten bersten, viel ik hem in de rede:
—Toen ik den Miridiet volgde, hoorde ik fluiten. Wie deed dat?
—Hier, de kleermaker.
—Waarom floot hij?
—Hij zei, dat hij een hond zag loopen in het hout.
—Ja, Heer, ik zag hem duidelijk,—verzekerde de verrader.
—Wat ging dat beest u aan?
—Hij was zeker verdwaald, en wij konden hem meenemen naar het naburige dorp, waar hij waarschijnlijk zijn thuis heeft.
—Zoo? De Miridiet scheen dat gefluit te kennen.
—Toch niet.
—Toch wel, want hij sprong terstond op van den grond en steeg te paard.
—Dat trof dan toevallig samen.
—Wel toevallig, want hij scheen met dien Suef afgesproken te hebben, dat deze hem, door gefluit, kennis zou geven van zijn komst. Dat was een groote domheid van die twee, want daardoor moest uitkomen, dat Suef ons verried. Ik wil hopen dat die knaap óók nog in mijn handen zal vallen, en dan zal ik hem dat aan zijn verstand brengen, zóó dat hij het nooit vergeet.
—Zoudt gij niet eens naar den Miridiet zien? Hij beweegt zich.
De genoemde had, om wat anders te liggen, een beweging met zijn beenen gemaakt. Ik zag, dat hij mij kwaadaardig aankeek.
—Wel, vroeg ik hem, hoe bevalt u de afloop van uw grap?
—Verrek!—antwoordde hij.
—Uw mond loopt niet over van zegenwenschen, en toch heb ik het goed met u gemeend.
—Hoe goed gij het met mij meent, dat begrijp ik!
—Wat denkt gij dan wel?
—Dat gij mij dooden zult.
—Mis geraden! Had ik u willen dooden, dan had ik dat van daag meer dan eens kunnen doen.
—Hebt gij dan nog wat ergers met mij voor?
—Hoe komt ge op die gedachte?
—O, er zijn allerlei manieren, om een, die een bloedschuld moet wreken, onschadelijk te maken, zonder hem terstond te dooden.
—Men laat hem, bij voorbeeld, verhongeren, zooals gijlieden met ons van zins waart.
—Daar heeft de Satan je uitgeholpen!
—Had alleen die ons kunnen helpen, dan waren wij liever in dat hol gebleven.
—En toch is die uw helper, want anders waart gij niet kogelvrij.
—Meent gij werkelijk dat men daarvoor de hulp van den Satan behoeft? Daarvoor heeft men geen vreemde hulp noodig. Men moet daarvoor een beetje slim zijn en wat geleerd hebben. Wij zijn in allen gevalle niet bang voor uw kogels en evenmin voor het gehakte lood, waarmee gij van daag uw geweer zoo zorgvuldig geladen hadt.
—Gij hebt dus mijn geweer?
—Neen, dat hangt aan uw zadel, en uw paard is er mee van door.
—Hoe kunt gij dan weten, dat ik met gehakt lood geladen had?
—Ik weet altijd alles, wat ik weten moet. Nu kunt gij niet naar Sbiganzy terug gaan, maar gij moet naar uw bondgenooten, zooals gij met hen afgesproken hebt.
—Ik? Waarheen?
—Dat weet gij even goed als ik. Zijn ze u niet vooruit gereden, den weg naar Engely op?
—Heer, wie heeft u dat gezegd?
—Mijn droom. In mijn droom heb ik hen gezien, op u wachtende, aan gene zijde van Warzy, op de hoogte die daar is. Gij kwaamt, sprongt van uw paard en zocht ze, om hen te zeggen, dat wij te laat waren weggereden. Gij zijt toen een eind met hen opgereden maar al spoedig zijt ge van hen weggegaan, om hierheen te rijden, waar Suef ons u leveren moest.
—Suef?—riep hij verschrikt uit.
Hij keek rond naar den kleermaker en zag hem. Ik deed alsof ik den waarschuwenden oogwenk van den kleine niet zag. Diens wenk scheen hem gerust te stellen, want hij vroeg:
—Wie is Suef?
—Uw vriend.
—Ik ken geen Suef.
—Nu, misschien zult gij hem wel kennen, als ik hem, zooals mijn plan is, vijftig slagen op zijn voetzolen laat geven waar gij bij staat. Gij hadt met uw makkers afgesproken, dat gij niet zoudt komen als ik dood was, maar van avond hen zoudt vinden, als de aanslag mislukt zou zijn. Wel, die is niet gelukt. Wilt gij nu weg?
Hij wist niet, wat van mij te denken, maar zeide op somberen toon:
—Hoe gij dat alles weet, begrijp ik niet en behoef ik ook niet te weten. Maak het kort en dood mij.
—Waarom zou ik u dooden?
—Omdat ik het u heb willen doen.
—Dat is voor mij geen reden, want ik ben een Christen en vergeld geen kwaad met wraak.
—Gij kent dus de wet van de bloedwraak niet?
—Zeker ken ik die.
—Gij weet dus, dat ik mijn leven lang er op uit moet zijn om u te dooden?
—Dat weet ik.
—En toch doodt gij mij niet?
—Neen. Ik heb mij tegen u verweerd, en gij hebt niets tegen mij kunnen uitrichten. Dat is mij genoeg. Wij Christenen erkennen de verplichting der bloedwraak niet. Daarom straft onze wet den bloedwreker met den dood. Maar het gebod van uw land dwingt u, als bloedwreker van uw broeder op te treden en... ik mag toch geen wrok tegen u hebben, omdat gij uw wet gehoorzamen wilt.
Hij keek mij aan alsof hij droomde. Wat ik zeide ging zijn verstand te boven.
—Maar,—zoo ging ik door,—denk eens na, of ik uw bloedwraak werkelijk verdien. Ik was opgesloten, ik moest mij er uit redden. Daarvoor was ’t noodig dat ik schoot, maar wist niet dat uw broeder op het luik zat. Het was zijn schuld dat mijn kogel hem trof. Hij wist dat wij onze wapens bij ons hadden. Het was een groote onbezonnenheid, dat hij op het luik ging zitten.
—Heer, er is veel waars in wat gij zegt.
—En waarom wilde hij mij laten doodhongeren? Wat had ik gedaan? Had ik hem beleedigd, gekrenkt, bestolen of beroofd? Neen. Ik kwam, om naar den Shoet te vragen. Het stond aan hem, om mij dat, al dan niet, te zeggen. Had hij geweigerd mij te zeggen, waar ik hem vinden kon, ik zou in vrede weg zijn gegaan. Waarom behandelde hij mij als zijn vijand?
—Omdat zijn vrienden uw vijanden zijn, en gij den Shoet kwaad wilt doen.
—Maar dat wil ik niet!
—Gij spoort hem na en hebt zijn zwager Deselim gedood. Bloed roept om wraak, en aan u zullen de dooden gewroken worden.
—Ik heb Deselim niet gedood. Hij stal mijn paard, viel er af en brak zijn hals. Ben ik zijn moordenaar?
—Had hem laten vluchten. Gij hebt hem integendeel opgejaagd en vervolgd!
—Ik val dus onder de wet der bloedwraak, omdat ik mijn paard niet wilde laten stelen? Hoor eens, ik had achting voor u gekregen, want ik meende dat gij dappere en openhartige mannen waart. Maar nu zie ik dat gij lafhartige valsche schoften zijt. Dieven zijt gij, ellendige dieven, en wanneer men u nazit om het gestolene weer terug te krijgen, dan zegt gij, dat bloedwraak op ons moet genomen worden. Dat is om te spuwen. Bah, Satansgebroed,dat gij zijt! Nu is uw Shoet in mijn oog een ellendeling, en allen die hem dienen zijn schurken, waar ik niet mee te maken wil hebben. Voort, ga weg uit mijn oogen. Voor zulk tuig als gij zijt, ben ik allerminst bang. Schiet op mij, zooveel gij wilt. Halef, maak de lasso los en jaag hem weg!
—Sihdi,—riep de kleine,—zijt gij dol?
—Neen. Maak den riem los!
—Dat doe ik niet!
—Moet ik het soms zelf doen? Hij heeft mij niet van achteren willen overvallen, maar heeft zich moedig tegenover mij gesteld. Hij heeft ook, voordat hij schoot, een mooie redeneering gehouden waardoor hij mij tijd gaf voor het eerste schot, als ik daar lust in had. Een sluipmoordenaar is hij niet, en daarom wil ik hem ook niet als zoodanig behandelen. Maak de lasso los!
Halef gehoorzaamde en maakte den riem los. De Miridiet stond van den grond op. Als wij gedacht hadden, dat de man terstond zou weggeloopen zijn, hadden wij ons vergist. Hij strekte en rekte zijn armen, die strak gebonden waren geweest, langzaam uit en kwam naar mij toe.
—Effendi,—zeide hij,—ik weet niet, wat dat losmaken beteekenen moet?
—Dat heb ik duidelijk genoeg gezegd.
—Gij laat mij dus vrij?
—Ja, gij kunt gaan, waarheen gij wilt.
—En gij eischt niets, in het geheel niets van mij?
—Neen.
—Ook niet de belofte van u te zullen sparen?
—Ook dat niet.
—Maar ik moet u toch dooden!
—Probeer het!
—En gij weet toch, dat ik heden avond met mijn makkers mee moet.
—Ik weet het en heb er niets op tegen, dat gij het doet.
—Weet gij ook, waar ze op mij wachten?
Ik zag aan zijn gezicht, dat hij het met zichzelf niet eens kon worden.
Trots en zachtmoedigheid, haat en achting streden in hem. Ten laatste zeide hij:
—Zult gij mij voor een lafaard houden, als ik mijn leven, dat ik verbeurd heb, en mijn vrijheid, van u aanneem?
—Neen. Ik zou het ook doen en houd mij toch voor een moedig man.
—Goed, ik neem het van u aan. Maar geen mensch zou iets met mij te doen willen hebben, wanneer ik, dat doende, mijn plicht om mijn broeder te wreken, opgaf. Die bloedwraak blijft tusschen ons bestaan, maar mag opgeschort worden. Ik zie mijn Czakan daar liggen. Ik neem die en geef u de bijl, ofschoon zij uw eigendom is, eerlijk door u veroverd. Weet gij wat dat beteekent?
—Neen.
—Mijn bijl in uw bezit, bewijst dat de bloedwraak tusschen ons opgeschort is. Zoodra gij mij de bijl teruggeeft, begint de wraakneming op nieuw.
—Dus, zoolang ik uw bijl niet teruggeef, slaapt de wraak, en is het vrede?
—Ja. Neemt gij de Czakan van mij aan?
—Dat doe ik.
—Waar is mijn paard gebleven?
—Daar ginds bij het boschje graast het.
—Ik ga dus, Effendi! Ik zou u tot afscheid gaarne de hand geven maar aan de uwe kleeft het bloed van mijn broeder. Ik mag u dus niet aanraken, tenzij om u te dooden. Vaarwel!
—Vaarwel!
Hij ging. Op eenigen afstand van ons wendde hij zich om en groette nogmaals. Toen ging hij naar zijn paard en reed weg.
Ik heb den Czakan nog altijd. De bloedwraak slaapt en zal wel blijven slapen.
De kleine kleermaker had met de grootste opmerkzaamheid alles gevolgd. Het was hem aan te zien, dat hij, ofschoon ik het tegendeel beweerd had, nog was blijven gelooven dat ik den Miridiet zou laten dooden. Of hij met den afloop al dan niet tevreden was, kon men hem in ’t geheel niet aanzien. Zijn gelaat toonde alleen de grootste verwondering.
Halef was kennelijk ontevreden. Hij had niets liever gehad, dan dat ik hem had opgedragen, den man er vijftig op de voetzolen toe te tellen en dan te laten loopen. Maar behalve het laaghartige, om dat een dapper man aan te doen, zou ik mij den Miridiet daardoortot mijn doodvijand gemaakt hebben, terwijl ik nu niets meer van hem te vreezen had.
Daar Halef mij zijn ongenoegen niet durfde toonen, liet hij het den kleermaker misgelden.
—Wel, gij ridder van naald en garen, wat staat gij daar en kijkt naar de lucht, alsof het kameelen regende? Wat reden is er om zoo verwonderd te zijn?
—Wat de Effendi gedaan heeft.
—Daarover verwonder ik mij ook.
—Hij had hem kunnen laten dood maken.
—Juist, en u er bij.
—Mij? Waarom?
—Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens zeggen, zoodra ik het u ook op uw voetzolen schrijven mag.
—Maar als gij dat deedt, hadt gij geen gids meer.
—Dat zou jammer zijn, als wij u moesten verliezen.
—En wie weet, wat u dan onderweg nog zoo overkomen.
—Wel, iets ergers dan met u, kan ons moeilijk overkomen. Kent gij de wetten der bloedwraak, die in deze streken gelden?
—Die ken ik.
—Is het nu waar, dat de Miridiet ons ongemoeid moet laten?
—Als bloedwreker mag hij zeker niet tegen u optreden, zoolang de Czakan niet weer in zijn bezit is.
—Wat bedoelt gij daarmee?
—Hij kan u, bij voorbeeld, op den weg overvallen om u uit te plunderen en u daarbij dooden. Dat doet hij dan niet uit bloedwraak, maar als struikroover.
—Allah is groot, maar met uw eerlijkheid is het treurig gesteld. Wat helpt het mijn buurman of ik hem beloof, zijn pompoenen niet te zullen stelen, maar in den nacht zijn meloenen wegneem? Schurken zijt gij, allemaal!
Ik maakte een eind aan dat gesprek, door te vragen:
—Hoever zijn wij nog van Jersely af?
—Ongeveer een uur.
—Dan kunnen wij daar wat rusten en ons verfrisschen. Is daar ook een Khan?
—Ja, ik ken den waard.
—En waar raadt gij ons te overnachten?
—In Kilissely; daar vinden wij een gastvrij onderdak.
—Hoelang hebben wij te rijden om daar te komen?
—Van Jersely af, ruim vier uren.
—Waarom kiest gij juist dat dorp?
—Het is een bizonder mooie streek, midden in de vlakte van Mustafa, waar alles goedkoop en in overvloed te krijgen is.
—Hoe ver is het van daar tot Uskub?
—Acht uren.
—Goed, dan blijven wij in Kilissely.
De kleermaker reed als gids voorop en scheen zich om ons niet te bekommeren. Daar Osko en Omar achter hem reden, kon ik vrijuit over hem met Halef praten, zonder door hem gehoord te worden.
—Sihdi, gij zijt toch ook van oordeel, dat hij Suef is?—vroeg de Hadschi.
Ik knikte toestemmend, en Halef vroeg verder, terwijl hij mij van ter zijde aankeek:
—Sihdi, gij houdt toch uw woord van die vijftig, u weet wel?
—Hij zal ze hebben, maar nu niet.
—En verdiend heeft hij ze, dubbel en dwars. Ik heb nooit begrepen, waarom gij hem zooveel meegedeeld hebt, ofschoon gij wist, dat hij het met onze vijanden hield.
—Dat deed ik met opzet.
—Ja, gij hebt altijd uw geheime bedoelingen. Gij ziet verder vooruit dan wij, en houdt u alsof gij den kleermaker volkomen vertrouwt. Maar ik zou hem halfdood slaan en dan laten liggen.
—En bij slot van rekening, van een slechte markt thuis komen. Zoolang hij bij ons is, komen wij alles te weten wat zijn bondgenooten tegen ons van zins zijn. Van avond vallen zij ons aan, voor het laatst, naar zij meenen, want wij moeten daarbij onvermijdelijk omkomen. Hoe zij dat zullen aanleggen, weet ik nog niet.
—Wij zullen het toch wel te weten komen?
—Natuurlijk! En wel door den kleermaker. Wij moeten hem heimelijk gadeslaan; hij mag er niets van bemerken, anders zou hij zich te veel in acht nemen. Uit wat hij doet, kunnen wij dan goed en wel opmaken, wat zij van plan zijn.
—Dan zal ik mijn oogen maar goed open houden.
—Dat is juist wat ik noodig heb, want ik zelf kan mij onmogelijk nu met alles bemoeien. Ik zal om mijn voet wel weer mijnkamer moeten houden. Wat daarbuiten omgaat, moet door u drieën nagegaan worden. Vóór alles moeten wij te weten komen, waar de Aladschy’s, Barud en de anderen zijn, wanneer en waar zij met den kleermaker een samenkomst willen hebben, en wanneer, waar en hoe wij vermoord zullen worden.
—Sihdi, dat is nog al iets om er achter te komen. Maar zullen de Aladschy’s er dan ook bij zijn? Zij zijn toch immers over Engely gereden.
—Van Engely naar Kilissely kunnen zij den Istib-Uskuberweg nemen, en zijn dan vóór ons daar. Het komt er nu maar op aan, om te weten, waar zij zich schuil houden. Overigens kunnen wij nu nog geen vast plan maken, en moeten wij eerst zien welke de plaatselijke gesteldheid is, die wij zullen vinden. Maar denk er vooral om, dat wij den kleermaker geen oogenblik uit het oog verliezen.
—Die gluiperd! Hij leek zoo’n trouwe eerlijke vent te zijn. Waarom zou hij toch hier in deze streken gekomen zijn, Sihdi?
—Ik geloof dat hij een bizondere vertrouweling van den Shoet is, en van dezen een voor hem belangrijke opdracht heeft ontvangen.
—Nu, dat zullen wij wel te weten komen. Voor het oogenblik, mogen wij blij zijn, dat wij ons onzen ergsten vijand van den hals hebben geschoven.
—Gij bedoelt den Miridiet?
—Ja. Die komt van avond ten minste niet.
—En ik geloof, dat hij juist wel zal komen.
—Om de Aladschy’s te helpen?
—Integendeel, om ons tegen hen bij te staan.
—Neen maar, dat geloof ik niet!
—Ik wel. Hij is een Miridiet, een dapper man, en alleen dáárom mijn vijand, omdat mijn kogel toevallig zijn broeder getroffen heeft, en niet om den Shoet. Ik geloof dat hij achting voor ons heeft en al die valsche giftige streken van de anderen verafschuwt. Hij is overtuigd, dat ik hem het leven geschonken heb. Welk mensch hecht niet aan zijn leven! Daarom acht hij zich tot dank verplicht.
—Hebt gij het leven van de anderen ook niet gespaard, en zijn zij u daarvoor dankbaar geweest?
—Neen, maar dat zijn ellendige schurken. Waren het mannen, eerlijk en oprecht als hij, dan hadden wij met hen geen moeite meer. Ik ben vast overtuigd dat hij hier komt, en misschien is zijn tegenwoordigheid ons van nut.
Zooals de kleermaker ons gezegd had, waren wij binnen het uur te Jersely, Het was een hooggelegen dorp, waarvan verder niets te zeggen valt. Bij den Khan hielden wij stil en lieten ons wat eten geven: zure melk en maïs-brood. Ook voor onze paarden zorgden wij. Het viel ons op, dat de kleermaker, zoodra het dorp in ’t zicht was, zich er, ons vooruit, naar toe begaf om, zooals hij zeide, wat eten voor ons te bestellen. Halef haalde de schouders op en zag mij vragend aan.
—Sihdi, begrijpt gij wat zijn eigenlijke bedoeling is?
—Hij wil den waard zeggen hem niet Suef, maar Afrit te noemen.
—Dat geloof ik ook. Maar dan had hij onzen waard te Sbiganzy ook van te voren moeten waarschuwen.
—Misschien is hij daar onder den naam Afrit bekend.
—Het kán zijn, maar ik geloof het niet.
Nadat wij een en ander gebruikt hadden, reden wij verder en gingen wij al spoedig, langs den westelijken kant van het plateau naar de reeds genoemde vlakte van Mustafa, die vele uren lang en breed is. Door welige velden, waarvan de oogst reeds binnen gehaald was, reden wij den weg, die van Engely naar Domanova loopt, en na vier uren zagen wij Kilissely voor ons liggen.
Het was geen romantische, maar een echt mooie streek. Bergen waren er niet; des te aangenamer vonden wij aan weerszijden van den weg de lommerrijke bosschen, waaronder enkele met nimmer dorrend loof. Wij kwamen door prachtige boomgaarden, waar de zuid-vruchten welig tierden. Rijke nu afgemaaide koornvelden breidden zich naar alle zijden uit, en toen wij nabij het dorp kwamen, zagen wij een grooten vischvijver, in welks kristalhelder water zich de boomen van een grooten tuin spiegelden. De tuin behoorde bij een gebouw, dat iets van een kasteel had en daardoor, in deze omgeving van armoedige gebouwen, nog al vertooning maakte.
—Wat is dat voor een gebouw?—vroeg ik den kleermaker.
—Het is een slot,—antwoordde hij.
—Aan wien behoort het?
—Aan den gastheer, bij wien wij zullen overnachten.
—Maar dit slot is, naar ’t mij toeschijnt, toch geen herberg?
—Neen, zeker niet.
—En gij hebt toch van een Khan gesproken?
—Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ikvan een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.
—Wie is hij dan?
—Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven, van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.
—Hoe ziet hij er uit?
—Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder baard.
Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:
—Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?
—Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk, ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.
—Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.
—Dat is wat nieuws!
—De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat hij zich over hen niet behoeft te schamen.
En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:
—Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en alles wat een rijk man maar hebben kan.
—Heeft bij ook boeken?
—Een groote verzameling!
Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons aan te dienen.
Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy’s onze komstmisschien al wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig en schuw.
Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in, dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.
Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.
Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken, sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed Halef’s paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit van angst.
—Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!—riep ik.
De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en—zij kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:
—Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?
Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging zij barrevoets. Halef’s paard scheen haar pijn gedaan te hebben, want zij trok den eenen voet omhoog.
—Anka, is mijn naam,—antwoordde zij.
—Zijn uw ouders nog in leven?
—Ja.
—Broers en zusters?
—Veel.
—Ook een hartedief?
Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde zij niet met te zeggen:—Ja, een pracht-exemplaar!
—En wat is zijn naam?
—Janik. Hij is knecht.
—Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?
—O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.
—Hoeveel wel?
—Ik, duizend piasters en hij duizend.
—En wat gaat gij dan beginnen?
—Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.
—Nu, en hoe staat het met den spaarpot?
—Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar pachter is.
Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en kinderlijk aan.
—Hebt gij u pijn gedaan?—vroeg ik.
—Het paard heeft mij geraakt.
Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.
—Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.
Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond weer terug, zeggende:
—Maar dat mag ik niet aannemen.
—Waarom niet?
—Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en dan mag ik dat geld ook niet aannemen.
—Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.
Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:
—Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.
—Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.
—Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een Moslem zijt.
—Ik ben geen Moslem, maar een Christen.
—Daar ben ik te meer blij om. Ik ben eenKyzyr Elma katolika, (Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.
—Welnu, ik ben in Rome geweest en heb denBaba mukkades, (den Heiligen Vader) gezien, omgeven van de hoogeKardnalalar(de Kardinalen).
—O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!
Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende oogen.
—Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk niet weer.
—Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?
—Bij Murad Habulam.
—Tanry walideji aziza—Heilige moeder Gods!—riep zij verschrikt uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg fluisterend:
—Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?
—Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik verwacht word, dat weet ik niet.
—Komt gij van Sbiganzy?
—Ja.
—Dan zijt gij het.
En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog zachter toe:
—Neem u in acht!
—Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?
—Voor Murad Habulam, Heeren!
—Aha, gij zijt bij hem in dienst?
—Ja, en Janik ook.
—Hebt gij reden om mij te waarschuwen?
—Men staat u naar het leven.
—Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van plan is?
—Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord, wat ons deed vermoeden dat men ietsverschrikkelijksmet u voorhad.
—Wilt gij mij beschermen?
—Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij ook om weg.
—Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.
—Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?
—Ik geef u mijn woord.
—En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor ’t oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd, zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende, die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik liefheb en niet hem. Gij zult in den torenKulle Jaschly anaja(de toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden, dien gij volkomen vertrouwen kunt.
Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.
—Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?—zeide Osko. Wat verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen, met naar de gewone herberg te gaan?
—Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.
—De Sihdi heeft gelijk,—verzekerde Halef. Allah heeft ons deze vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben, kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria’s Zoon). Zie, daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!
Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om ons binnen te leiden.
—Komt, komt!—riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des huizes wacht u.
—Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?
—Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.
—Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in zijn zoo noodige rust.
—In ’t geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling is de groote schaduwzijde van deze krankheid.
—Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.