—Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen honderd!—Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den rechter voet.—Allah kerihm!—gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!—Twee!—kommandeerde Omar.De slag viel op den linker voet.—Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend piasters!Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken, den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:—Duizend? Heer, wat beveelt gij?—Dat zal van Habulam afhangen,—antwoordde ik. De vraag is, of hij duizend piasters baar heeft liggen.—Ik heb ze. Ze liggen daar!—lichtte de oude toe.—Dan kunnen wij er eens over denken.—Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk van leven.—Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.—Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!—Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.—Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?—Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst ontslaan zult.—Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!—Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!—Ze zullen alles hebben.—Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend getuigschrift!—Ook dat.—Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen, die ginds in de schuur staat.—Wai sana! Daar denk ik niet aan!—Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.—Halt, halt!—gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!—Waarom?—Zij zouden dien niet teruggeven.—Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door de rechtbank tot teruggeven dwingen.—Maar Uskub is te ver van hier!—Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe, dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden, waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.—Nu zijn wij het toch eindelijk eens?—vroeg hij met een diepen zucht.—Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat gij met ons hebt willen doen.—Wat wilt gij met die bekentenis doen?—Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.—Dat is mij te gevaarlijk!—Halef, neem den stok!—Wacht toch wat!—riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in ’t geheel niets tegen hem doe!—En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden, en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschenzullen u verachten en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.—Gij zult het papier hebben,—zeide Habulam. Maak mij dan nu los.Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het schrijfmateriaal.Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:—Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken, hem er toe te dwingen.—Dat kan ik niet.—Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!—Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij waart de gewillige dienaren van de moordenaars.—Dat is niet zoo, Effendi!—Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?—Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.—Wanneer zijn ze weggereden?—Toen het even begon te schemeren.—In wat richting?—Zij volgden den Uskuber straatweg.—Waar stonden hun paarden?—Buiten het dorp, bij deAiwa aghadschylar(kweeboomen).—Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.—Dan doe ik het graag.—Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met een zak en zeide:—Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.Ik stak den zak bij mij.Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld en zeide op grimmigen toon:—Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit te storten.Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld bij zich en antwoordde:—Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden, maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen door de dapperheid van den Effendi.—Laat hij hem maar zoeken!—zei Habulam hoonend.—O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!—Ah, weet hij dat werkelijk?—Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.—Kara—nor—man—Khan!—riep hij,—de beide lettergrepen, nor man afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?—Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.—Kara—norman—Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde, en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in lachen uit, en antwoordde:—Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet te Karanorman Khan bevond.Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid ergerde mij.—Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.—Zal ik onze paarden voorbrengen?—vroeg nu Halef.—Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien hebben wij ze nog noodig.De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide duidelijk:—Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen vriendelijken gastheer Habulam afnamen.—Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken; ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere en kleinere stukken,—voor een scheikundige onderzoeking meer dan voldoende.—Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?—vroeg Habulam, nu niet meer lachende.—Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.—Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!—Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd gegrinnik.—Wij hebben niet gelachen!—Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.—Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.—Waarom?—Omdat wij het in ’t geheel niet kennen.—Is dat een reden om zoo te grinniken?—Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.—Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?—Neen—antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte, toen ik dien naam noemde.—Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan gij hebt gesproken.—Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer en antwoordde:—Neen, ik ken er zoo geen een.—Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (—), dat Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit: ' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisselingvoorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.Toen ik van het briefje opzag, bemerkte ik tot mijn verwondering, dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.—Wat hebt gij daar, Heer?—vroeg hij.—Een briefje, zooals gij ziet.—Ja, maar wat staat er op dat papier?—Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.—Mag ik even zien?Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud immers kende!Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.—Hier hebt gij het,—zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog noodig.Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte, op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich te laten ontgaan.Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten, dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven, dan was het mij misschien mogelijk geweest, hunbetrekking tot den Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het hoofd en zeide:—Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!—Toch wel!—antwoordde ik.—Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!—Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze in een andere volgorde, dan krijgt men eenduidelijkenzin.—Kunt gij dat?—Zeker.—Doe het dan eens!—Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.—Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er geschreven is.Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende, zeide ik:—De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden:IN PRIPEH BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?—Slechts enkele woorden.Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:—Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.—Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van een enkele taal bediend?—Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet kan lezen.—Scheitan, duivel!—kwam zachtjes over Suefs lippen.Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.—Maar gij hebt het kunnen lezen!—wierp Habulam mij tegen terwijl zijn stem van innerlijke ontroering beefde.—Dat ziet ge.—Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?—Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.—Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?—Ja.—Heer, dat is nog al stout gesproken!—Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.—Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep, want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.—Ze zeggen: “Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de jaarmarkt in Menelik.”—Dus moet het heusch zoo gelezen worden?—vroeg hij met kinderlijke verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?—Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje te vinden.—Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman Khan?Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den strik en informeerde verder:—Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?—Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.—En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij dan uit?—Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet, bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.—Hoe weet gij dat?—Het briefje zegt het mij.—Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij bezit den boozen blik in ’t geheel niet. Uw scherpzinnigheidheeft u alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan vinden, dat gij zoekt.—Ik heb het al gevonden.—O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.—Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.—Ik zou niet weten, welke, Effendi!—Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.—Ah! geen woord heb ik gezegd.—Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware woonplaats weten.—Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde gevolgtrekking van u.—Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.—Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren, dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide:—Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u: ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam, en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid en laat u eenFihristi mekian(kaart van den omtrek) geven, en gij zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten en waar zij liggen.—Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen, want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in ’t geheel niet naar Karanorman Khan.—Waar dan heen, Effendi?—Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.—Scheitan, duivel,—hoorde ik Suef weer zacht sissen.Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.—Is er dan een plaats van dien naam?—vroeg Habulam langzaam en op gedempten toon.—Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, watLissan aramaki(taal-studie) is?—Neen, Effendi.—Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar genoemd is.—Misschien begrijp ik het nu toch wel!—Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan genoemd werd en nog heden zoo heet.—Scheitan,—duivel!—siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:—Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.—En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad of in een dorp gelegen is.—Waarom?—Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.—Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt eenvreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.—Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?—Neen.—Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft, te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus, al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar hij woonde of nog woont.—Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.—Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.—Waaruit maakt gij dat op?—Het briefje zegt het mij.—Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor woord, en daar toch niets van gezien.—O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer begaan.—Ik?—vroeg hij verschrikt.—Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe is dat te rijmen?—Heer,—zeide hij verlegen,—ik heb het gelezen, maar niet begrepen!—Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd, dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?—Neen, dat doen zij niet.—Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?—Zeker, Effendi!—Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari, en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn ’Sheitan’ zachtjes sissen. De pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.—Effendi,—bracht Habulam in,—wat gij zegt, klinkt allemaal heel mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt gij het toch laten blijven.—Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij, naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt, om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan den politie-apotheker.—Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.—En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.—Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen bewegen om van uw voornemen af te zien.—Hm!—bromde ik, alsof ik mij bezon.Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.—Bezin u eens!—herhaalde hij op dringenden toon.—Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is dienstpersoneel te krijgen.—Personen die in dienst willen komen, zijn er in overvloed,—antwoordde hij haastig.—Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes te krijgen?—Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.—Welnu, wil dan eens!—Hoe bedoelt gij dat?—Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:—Hoe weet gij dat?—Ze hebben het mij gezegd.—Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!—Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?—Omdat ik er geen zin in heb.—Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?—Ja, Effendi—antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.—Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!—Halt!—riep Habulam.—Wat zijt gij toch een opvliegend mensch, Effendi!—Maak het kort,—zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat ze gaan.—Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!—Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze door, om ze te onderteekenen.Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik te geven.—En....? Hoe nu met het andere volk?—vroeg ik.Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen, en driftig riep hij.—Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen,die niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe verder ze van hier gaan hoe beter!Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef, tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de brokken, en liet de paarden voorbrengen.Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich, dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.—Gij ondervindt nu,—zeide ik,—dat Allah zelfs de grootste leugen tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd, niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg, naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben; maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.—Maar wij zijn nog niet quitte!—krijschte Suef.—Mijn rekening van heden zult gij mij betalen.—Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!—Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!—Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet meer vergissen.—O, gij kent mij nog lang niet!—dreigde hij.—Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten na mij dit huis ook zult verlaten.—Kan ik soms gaan?—Neen, gij zult rijden.—Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt, als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.—De anderen achterna.—Waartoe?—Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker, in hun eigen bloed, zullen baden.Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden van vreugd.—Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn geweest, en komen u dan achterna!—riep ik ze toe.De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam, kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat, de oude Mubarek en de beide Aladschy’s waren het geweest. De gewonde Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk een nijlpaardennatuur bezitten.Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op, de vele hoef-indrukken te onderzoeken.—Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.—Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd het paard aan dat teeken herkennen.Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons wild dien bereden had.Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in, en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulamzelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen, maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt, en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij hadden doorleefd.De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig lachte boven ons een heldere hemel.Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:—Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?—Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat onze vijanden naar KaranormanbijWeicza gingen en dat dus ook onze weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist, weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.—In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?—Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik voor hoogst onwaarschijnlijk houd.—Is Uskub een groote stad?—Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.—Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.—Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft, reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet bedriegt,dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats, in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda zulke watermassa’s aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid, beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur, het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over, dan terug te rijden en navraag te doen.Het huis stond zoo dicht aan ’t water, dat dit bijna de deur bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer weinig vriendelijk, aan.—Dat is geen welkome gast, die u is komen bezoeken,—zeide ik op het water wijzende.—O, er zijn nog wel slimmer bezoekers,—antwoordde hij op stekelachtigen toon.—Wat kan erger zijn dan watersnood en brand?—Menschen!—Ik wil hopen, dat gij daar geen ervaring van hebt opgedaan.—Al meer dan mij lief is, en vandaag op nieuw.—Vandaag? Zijt gij de bewoner van dit huis?—Ja. Zoudt gij soms bij mij willen zijn? Ik heb u zien voorbij rijden. Waarom zijt gij teruggekeerd? Rij gerust door.Hij leunde op zijn houweel en keek mij van ter zijde wantrouwend aan. De man had een open, eerlijk gelaat, en zag er niet als een menschen-hater uit. Zijn afwijzende houding moest een bizondere reden hebben, die ik giste. Daarom vroeg ik:—Gij schijnt tegen mij ingenomen te zijn. Waarmede heb ik de onvriendelijkheid verdiend, waarmee gij mij antwoordt?—Tschelebilik duzen kischunun dir, (hoffelijkheid is een sieraad van den mensch), dat is waar, maar er zijn personen, voor wie dat spreekwoord niet geldt.—Meent gij, dat ik tot die menschen behoor?—Ja.—Dan zeg ik u, dat gij u grootelijks vergist. Men heeft mij bij u belasterd.—Van waar weet gij, dat men van u gesproken heeft?—Uit uw spreken leid ik dat af.—Juist die argwaan zegt mij, dat men mij niet belogen heeft. Rij dus door! Ik heb niets met u te maken.—Maar ik wel met u!—Geef u geen moeite, ik ken u,—zeide hij met een verachtelijke handbeweging. Indien gij verstandig zijt, dan verlaat gij ons dorp. Gij zijt hier in een afgelegen streek, waar men u en de uwen te vreezen heeft, omdat men op geen hulp kan rekenen. Maar, zie dien man eens. Gij ziet dat ik mannen van den Padischa bij mij heb.Een half en half als militair gekleede persoon was in de deurpost verschenen. Aan de gezichten was te zien, dat die twee broers waren. Ook hij leek mij iemand te zijn, dien men met geen vriendelijke praatjes moest aankomen.—Wat is er? Wat wil die vreemdeling?—vroeg hij den huisheer.—Ik weet het niet,—antwoordde deze. Ik begeer het ook niet te weten. Ik heb hem al gezegd, dat hij verder moest rijden.—Dat zal ik ook doen,—antwoordde ik. Maar ik zoek eenignaricht in te winnen, en ik hoop, dat gij een beleefde vraag wel zult willen beantwoorden.—Dat zullen wij doen, als uw vraag een zoodanige is, die men beantwoorden kan,—zeide de militair.—Ik benHekim askeri(officier van gezondheid) in Uskub en ben hier bij mijn broeder op bezoek. Dat wil ik u zeggen, voor gij iets vraagt.Nu was mij alles duidelijk. Daarom vroeg ik:—Er zijn van morgen vijf mannen te paard hier geweest?Hij stemde het toe.—De een was gewond en gij hebt hem verbonden?—Zoo is het! Weet gij misschien, wie hem zoo gewond heeft?—Ik zelf.—Dus is het waar, wat deze menschen ons hebben verteld.—Wat hebben zij dan verteld?—Dat zult gij zelf beter weten dan wij. Als gij verder niets te vragen hebt, kunnen wij het gesprek wel afbreken.Hij wendde zich van ons af.—Halt, wacht nog even!—zeide ik. Ik kan mij voorstellen, dat men u belogen heeft; maar hoe, weet ik niet. Daar gij echter een militaire arts zijt, moet gij kunnen lezen. Zie dit papier eens in.Ik haalde mijn Firman te voorschijn. Nauwelijks was zijn oog op het schrift en op het zegel gevallen, of hij maakte een diepe buiging en zei verbaasd:—Maar dat is het schrift en het zegel van den Grootvizier! Zulk een document wordt alleen met bizondere vergunning van den Padischa gegeven.—Juist! En ik ben blij dat gij dit zoo goed weet.—En gij zijt de rechtmatige bezitter van dezen Firman?—Ja; overtuig u door het signalement met mijn persoon te vergelijken.Hij deed het, schudde het hoofd en zei tot zijn broeder!—Het schijnt, dat wij dezen Effendi ten onrechte verdacht hebben. Hij is niet, wat men van hem gezegd heeft.—Ik ben overtuigd dat men grove onwaarheid over mij verteld heeft,—voegde ik er bij. Misschien hebt gij de goedheid mij te zeggen, wat men wel van mij gezegd heeft.—Gij zijt dus werkelijk een Effendi uit Alemanja, waar de groote Keizer Guillem regeert?Toen ik dat toegestemd had, vervolgde hij:—Hier hebt gij uw Firman terug. Men heeft ons werkelijk belogen; men heeft ons gezegd dat gij roovers waart.—Zoo iets heb ik vermoed. Maar juist zij, die hier bij u geweest zijn, waren dieven en moordenaars.—Zij gedroegen zich toch heel anders.—Wat wonder! Zij hadden uw hulp noodig, en moesten dus wel stil zijn.—En een was er bij, dien ik kende.—Manach el Barscha?—Ja. Hij was vroeger ontvanger van de personeele belasting in Uskub.—Moet gij hem nog ontzien? Hij is toch afgezet!—Ja, maar hij behoefde toch geen bandiet te worden!—Toch is hij het. Hebt gij wel eens van de beide Aladschy’s gehoord?—Heel dikwijls. Het zijn twee struikroovers, die het gansche gebied van de Kerubi- en Bastrik-bergen, tot aan Dovanitza Planina onveilig maken. Men heeft tevergeefs getracht hen te vangen. Waarom vraagt gij naar die menschen?—Omdat zij hier bij u zijn geweest. Hebt gij geen acht geslagen op de paarden van die vijf ruiters?—Ja. Er waren twee sjekken bij, twee prachtige paarden die—Hij zweeg op eens en keek verlegen mij aan. Zijn mond bleef open. Hij was tot besef van de waarheid gekomen.—Welnu, vertel verder!—drong ik.—Allah!—riep hij uit. Daar bedenk ik wat! Die twee struikroovers rijden sjek-paarden en worden daarom Aladschy genoemd.—Nu, en wat volgt daaruit?—Dat zij het waren, die hier in huis zijn geweest.—Juist! Gij hebt de beide Aladschy’s bij u ontvangen, en de drie anderen zijn even groote boeven.—Dat had ik niet gedacht! En die bandieten hebben u er van beschuldigd. Zij vertelden, gij waart bergroovers (Kimesneler daghlarde) en ze beweerden, u in het Konak van Kilissely aangetroffen te hebben. Naar aanleiding van een twist, hadt gij op hen geloerd en geschoten. Ik heb den oude, die twee kogels in zijn arm had, verbonden.In korte trekken vertelde ik, wat er voorgevallen was en vernam van hem, dat zij den weg naar Uskub waren opgegaan.—Maar op den weg zijn hun sporen niet te zien,—merkte ik aan.—Zij sloegen den weg naar Rumelia in. Naar hun meening was de groote weg te modderig. Tot Rumelia konden zij aldoor over grasvlakte rijden.—Maar zij maken een grooten omweg, wat voor een gewonde nog al iets beteekent. Ik zeg u, dat zij in ’t geheel niet naar Uskub willen gaan. Daar zouden zij gevaar loopen, opgepakt te worden. Zij vluchten voor ons. Daarom hebben zij u wat voorgelogen, opdat gij aan ons niet zoudt verraden, waarheen zij reden. Is de weg van hier naar Rumelia moeilijk te vinden?—In ’t geheel niet. Die loopt nog een klein eind langs de rivier en gaat dan rechtsaf. Gij zult de sporen van de vijf ruiters gemakkelijk vinden, want de weg is tamelijk zacht.Nu nam ik afscheid en ging naar mijn wachtende metgezellen terug.—Onze vluchtelingen gaan niet naar Uskub; zij zijn naar Rumelia gereden.—Naar Rumelia?—vroeg Janik. Zij hebben dus den grooten weg verlaten. Wilt gij hen soms volgen, Sihdi?—Ja. Wij zullen dus moeten scheiden.Het was een roerend afscheid, dat wij van het jonge bruidspaar namen.Toen wij nu, in plaats van noordwestelijk, precies westelijk reden en het dorp achter ons hadden, konden wij de sporen der vijf mannen duidelijk op den weeken grond zien. Een eigenlijke weg was er niet.—Kent gij dit Rumelia?—vroeg mij Halef, die zich weer naast mij bevond.—Neen. Ik weet alleen dat het een dorp is; ik ben hier nog nooit geweest. Vermoedelijk ligt deze plaats aan den weg, die van Köprili langs de Warder naar Uskub brengt. Aan den anderen kant loopt de spoorweg.—Ah! Wij konden dan misschien wel een eind per spoor gaan. Wanneer ik bij Hanneh, de mooiste van alle jonge dochters, terug ben, dan zal ik er trotsch op zijn, te kunnen vertellen, dat ik ook eens in een wagen gezeten heb, die door rook getrokken werd.—Zoo’n wagen wordt niet door rook maar door stoom gedreven.—Dat is toch hetzelfde?—Neen; rook kunt gij zien, maar stoom is onzichtbaar.—Als men stoom niet kan zien, hoe weet gij dan, dat er stoom is?—Kunt gij muziek zien?—Neen, Sihdi.—Dan is er volgens u ook geen muziek. Het is niet goed mogelijk u het wezen en de werking van den stoom te verklaren. Om mij daarbij te kunnen volgen, moet gij eerst meer elementaire kennis hebben.—Sihdi, wilt gij mij beleedigen? Heb ik niet menigmaal bewezen, dat het mij aan elementaire kennis niet ontbreekt?—Maar op het gebied der physica zijt gij een volkomen vreemdeling.—Wat is dat voor een gebied?—Daartoe behooren de krachten en wetten der natuur.—O, ik ken alle natuurlijke krachten en wetten. Als iemand mij beleedigt, dan is het toch niet moeielijk te begrijpen, dat de natuurwet zegt, hem daarvoor een oorvijg te geven. En als ik dan volgens de natuurwet dien klap geef, dan is het door de natuurkracht dat ’s mans oor tintelt. Of heb ik daarin ongelijk?—Gij hebt zeer dikwijls gelijk, ook als gij ongelijk hebt, mijn waarde Halef. Overigens spijt het mij, dat gij Hanneh, die bloem aller vrouwen, niet zult kunnen vertellen dat gij in een spoorwagen gereden hebt.—Waarom niet?—Eerstens weet ik niet, of de spoorweg al wel bereden wordt, en dan, wij moeten onze vijanden volgen. Die reizen niet per spoor, bij gevolg moeten wij ons dat genoegen ook ontzeggen.De weg was nu redelijk goed. Wij kwamen dus tamelijk vlug vooruit. Na een half uur zagen wij het dorp voor ons liggen. Rechts ging de weg naar Uskub, en die links ging naar Köprilie over Kapetanli Han.Toen ik mijn oog over den weg liet gaan, zag ik een ruiter in gestrekten galop van Kapetanli Han aankomen. Iemand die op zulk een drassigen weg zoo snel reed, moest wel veel haast hebben. Ik nam mijn verrekijker.—Nauwlijks had ik den man gezien, of ik gaf den kijker aan den Hadschi. Hij richtte hem, maar liet hem terstond weer zakken.—Allah!—riep hij uit.—Dat is Suef, die zich voor een kleermaker uitgaf!Ik had dus terecht tegen hem beweerd, dat hij Kilissely terstond na ons verlaten zou.—In den draf, Halef! Hij wil de anderen waarschuwen; dat mag niet gebeuren. Hij weet, waar zij heen gaan.—Maar wij kunnen hem niet vóór komen—meende Halef,—hij is al reeds te dicht bij het dorp. Maar aan gene zijde van het dorp kunnen wij hem inhalen.—Ja, als er ten minste een brug over de rivier ligt. Moeten wij ons laten overzetten, dan heeft hij den voorsprong. Ik rijd vooruit.—Ik raakte de flanken van mijn paard maar even met mijn sporen aan en op hetzelfde oogenblik schoot het met de snelheid van een expres vooruit. Suef had ons tot nu toe nog niet gezien. Maar nu bemerkte ik dat hij opschrikte; en zijn zweep uithalende, zette hij, met alle macht slaande, zijn paard aan. Hij had mij herkend en wilde mij voorkomen.Inderdaad was hij dichter bij het dorp dan ik; maar zijn paard kon het onmogelijk tegen mijn Arabier opnemen. Ik liet mijn gefluit hooren, en mijn volbloed verdubbelde de snelheid van zijn gang. In minder dan een minuut was ik op den weg, waarop Suef zich bevond en tusschen hem en het dorp. De vrees voor mij weerhield hem, mij voorbij te rijden. Een omweg bestond er voor hem niet, wijl links van ons de sterk stroomende rivier voorbij schoot.Ik bleef midden op den weg staan, om op mijn gezellen te wachten. Suef hield ook stand, ongeveer vierhonderd schreden van mij af.—Dat heeft uw Rih mooi gedaan Sihdi!—zei Halef, terwijl hij lachende aan kwam rijden. Men zou het voor onmogelijk houden, dat een paard zoo snel kon loopen. Maar wat doen wij nu? Zult gij met dien man spreken?—Geen woord, tenzij ik er toe gedwongen word.—Maar hij legt het toch, ook nu nog, op ons leven toe!—Wij hebben hem gestraft. Voor wij daarmede opnieuw beginnen, moet hij weer met vijandelijkheden tegen ons optreden. Wij zullen nu doen, alsof wij hem niet kennen.—Wij hebben toch een groote fout begaan.—Welke?—Dat wij hem de bastonnade hebben gegeven. Want nu kan hij altijd nog rijden. Hadden wij hem met de zweep gegeven, niet opzijn voetzolen, maar op dat lichaamsdeel, waarmee de Padischa zijn troon bedekt als hij er op gaat zitten, dan had hij noch kunnen loopen noch rijden.—Daar zouden wij niets mee gewonnen hebben, want de oude Mubarek zou een anderen bode gezonden hebben. Voorwaarts dus!Wij reden verder, en Suef volgde ons langzaam. Zeer zeker was hij grimmig boos over onze tusschenkomst.Rumelia scheen grooter dan Guriler te zijn. Het strekte zich van den weg af tot aan de rivier uit. De Wardar zag er gevaarlijk uit; het vuile water golfde onstuimig en hoog. De golven hadden zich ver over den oever geworpen en overstroomden de aangrenzende, in weiden afgedeelde grasvlakte. Aan de overzijde der rivier zagen wij de spoorbaan. Men scheen aan haar versterking bezig te zijn. Wij zagen een zandtrein langzaam aankomen, een massa arbeiders waren met spaden en houweelen aan het werk, en nabij den dam stonden lange loodsen, voor tijdelijke woning van het werkvolk.Een brug was er niet, maar een veer. Het was een breede zware praam, die op touwen liep, welk in de diepte verankerd waren. De praam zelve werd door de schippers met sterke stangen voortgestuwd.—Wat nu?—vroeg Halef, toen wij bij de eerste huizen van het dorp gekomen waren.—Laten wij ons terstond overzetten?—Neen,—antwoordde ik. Wij rijden op en neer, en wachten af, wat Suef zal doen, wij volgen hem, waar hij heen rijdt. Wij weten niet, waar Karanirwan ligt; hij zal nu, of hij wil of niet, onze gids zijn.—Neen, Effendi hij zal slim genoeg zijn, om ons op een dwaalspoor te leiden.—En wij zullen ons door hem niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet bedenken, dat zijn voeten hem ontzettend pijn doen. Hij houdt ze wel in de stijgbeugels en behoeft ze niet in te spannen; maar het rijden schudt en schokt ze toch onophoudelijk. Hij zal dus zijn doel zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken, en al zoekt hij ons op een verkeerd spoor te brengen, toch zal hij niet al te ver van zijn richting afwijken.—Maar hij zal toch al het mogelijke doen om uit ons gezicht te komen!—En wij zullen al het mogelijke doen om hem dit te beletten. Laten wij ons dus uit de voeten maken!Wij reden nog een eind verder, zoodat Suef op voldoenden afstand ons voorbij en naar het veer kon komen. Daar hielden wij stil, maar ik zorgde, dat ik hem aldoor in het oog hield. Wij deden echter alsof wij in ’t geheel niet op hem letten. Toch kon hij wel begrijpen, dat het tegendeel waar was.Tegen onze verwachting in, reed hij niet naar het veer. Hij dreef zijn paard nu eens vooruit en dan weer achterwaarts, met groote opmerkzaamheid naar de spoorbaan aan de overzij ziende, alsof het gindsche werk al zijn aandacht trok.—Hij wil niet bijten,—zeide Halef en lachte.—Hij is slimmer dan wij.—We zullen zien. Hij doet alsof hij alleen voor den spoorwegarbeid oogen had, maar ik bemerk toch, dat hij telkens zijwaarts kijkt, naar dat witgepleisterde huis ginds. Er is daar voor de deur een ijzeren stang, waarschijnlijk om er een paard aan vast te binden. Misschien is dat gebouw een Khan, en is hij van plan daar te verblijven. Laten wij nu doen, alsof wij wilden overvaren.Wij reden naar het veer. Er was van planken een pad gemaakt, om droogvoets over den overstroomden oever te komen. Daar dit pad slechts voor voetgangers bestemd was, moesten wij een eind door het water rijden, dat den paarden tot aan den buik kwam.De overvaart was niet ongevaarlijk. De oude praam scheen half vergaan te zijn. Het touw dat haar hield, was van twijfelachtige sterkte, en het bedienings-personeel, een oude man met drie halfwas jongens, kon geen groot vertrouwen inboezemen. Bovendien was de golfslag vrij sterk. De stroom voerde allerlei voorwerpen mee, die hij van den oever losgewerkt had. Er hadden zich maalstroomen gevormd, waarin men allicht terecht kon komen. Kort en goed, toen wij ons nu op de pont bevonden was ik weinig op mijn gemak.De oude veerman zat op den rand en rookte. Met aandacht nam hij ons op en knikte veelbeteekenend tegen zijn jonge helpers.Ik was zóó gaan staan, dat ik Suef in het oog hield. Nauwelijks bevonden wij ons op de praam, of hij draafde weg, naar het aangeduide witte huis toe, steeg af, bond zijn paard vast en strompelde met veel moeite door de deur.—Halef en Osko, vlug ook naar binnen! Wij moeten weten, wat hij doet en spreekt. Laat hem geen oogenblik alleen!De beiden drongen hun paarden terstond op den oever terugen reden naar het huis toe. Geen halve minuut, nadat Suef er in was gegaan, waren ook zij er binnen.Nu wendde ik mij tot den ouden veerman:—Hoeveel hebben vier ruiters te betalen, om overgezet te worden?—Twintig piasters,—antwoordde hij, de hand voor mij ophoudende.Ik gaf er met mijn zweep een tikje op, en zeide:—En ik betaal u niets.—Dan blijft gij aan den verkeerden kant!—Neen, gij zult ons overzetten. Maar gij hebt den vijfvoudigen prijs gevorderd. Dat moet bestraft worden. Nu zult gij eerst ons overvaren, en dan krijgt gij, aan den overkant, voor iederen piaster een slag op uw voetzolen. Kijk dezen Firman van den Padischa eens! Zoo ziet gij, dat ik geen man ben, die zich laat bedriegen.Hij zag het zegel, nam zijn pijp uit zijn mond, vouwde de handen over zijn borst, boog en zei op eerbiedigen toon:—Heer, wat Allah ons zendt, is goed. Ik zal u overvaren en daarvoor twintig zoolslagen ontvangen. Allah zegene den Padischa en zijn kindskinderen!Zoo gaat het daar achter in Turkije toe! Maar ik was geen Turk, nam twintig piasters, gaf ze hem en zeide:—De slagen zal ik u schenken, want ik heb medelijden met de dagen der jaren uws levens. De rivier is gezwollen en de overtocht moeilijk en niet zonder gevaar, daarom moogt gij wel iets meer dan gewoonlijk vragen; maar al te veel moogt gij toch niet vorderen.Hij aarzelde, het geld aan te nemen en met open mond keek hij mij vol verbazing aan.—Nu, hoe is het, moet ik het geld weer bij mij steken?—vroeg ik.Die vraag bracht hem weer tot zich zelf. Hij kwam met een sprong naar mij toe, greep mij het geld uit de hand en riep:—Hoe? Wat? Gij betaalt mij, ofschoon gij in de schaduw staat van den Grooten Heer en zijn Eersten Vizier?—Moeten niet juist die menschen rechtvaardig zijn?—O Heer, o Agha, o Effendi, o Emir, zij zijn het gewoonlijk niet! Maar uw oogen stralen vol genade en uw woorden vloeien over van barmhartigheid en vriendelijken zin. Daarom zegene Allah u in uw eigen persoon, in uw ouders en voorouders, ook in uw kinderen en kindskinderen! Ja, zooveel genade als gij mij bewijst,valt ons maar zelden ten deel, ofschoon wij een zuur verdiend en karig stuk brood gewinnen.—Maar ginds zijn toch tal van menschen aan het werk. Gij verdient door hun aanwezigheid toch meer dan vroeger, toen zij er niet waren.—Nog minder, nog veel minder verdien ik nu, want die menschen hebben hooger op, een tweede veer aangelegd en varen met een groote schuit. Dat doet mij natuurlijk veel afbreuk en mijn pacht blijft even hoog.—Wagen zich die menschen dan ook bij ongunstig getij in den fellen stroom?—Vandaag hebben zij het nog niet gedurfd, want het was al te gevaarlijk; men zou een dubbel getal roeiers noodig hebben.—Maar gij hebt heden toch al heel wat menschen overgezet. Waren daar ook vijf ruiters bij, waarvan er twee op sjek-paarden zaten?—Ja, Heer. Een scheen gewond te zijn. Zij kwamen uit de herberg daar ginds, waar zij een poos te voren afgestegen waren.Hij wees, dat zeggende, naar het door mij opgemerkte witgepleisterde huis.—Hoe lang is het geleden, dat gij hem zaagt?—Zeker al een paar uur. Beter was het voor mij geweest, indien ik ze nooit had gezien!—Waarom?—Omdat zij mij bedrogen hebben. Toen wij aan de overzij waren, en ik om het veergeld vroeg, kreeg ik zweepslagen in plaats van geld. En dan hadden zij mij nog wel een opdracht gegeven, die ik nu niet uitvoeren wil. Die mij niet betaalt, voor dien doe ik uit vriendelijkheid ook niets.
—Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen honderd!—Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den rechter voet.—Allah kerihm!—gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!—Twee!—kommandeerde Omar.De slag viel op den linker voet.—Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend piasters!Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken, den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:—Duizend? Heer, wat beveelt gij?—Dat zal van Habulam afhangen,—antwoordde ik. De vraag is, of hij duizend piasters baar heeft liggen.—Ik heb ze. Ze liggen daar!—lichtte de oude toe.—Dan kunnen wij er eens over denken.—Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk van leven.—Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.—Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!—Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.—Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?—Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst ontslaan zult.—Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!—Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!—Ze zullen alles hebben.—Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend getuigschrift!—Ook dat.—Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen, die ginds in de schuur staat.—Wai sana! Daar denk ik niet aan!—Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.—Halt, halt!—gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!—Waarom?—Zij zouden dien niet teruggeven.—Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door de rechtbank tot teruggeven dwingen.—Maar Uskub is te ver van hier!—Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe, dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden, waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.—Nu zijn wij het toch eindelijk eens?—vroeg hij met een diepen zucht.—Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat gij met ons hebt willen doen.—Wat wilt gij met die bekentenis doen?—Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.—Dat is mij te gevaarlijk!—Halef, neem den stok!—Wacht toch wat!—riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in ’t geheel niets tegen hem doe!—En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden, en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschenzullen u verachten en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.—Gij zult het papier hebben,—zeide Habulam. Maak mij dan nu los.Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het schrijfmateriaal.Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:—Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken, hem er toe te dwingen.—Dat kan ik niet.—Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!—Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij waart de gewillige dienaren van de moordenaars.—Dat is niet zoo, Effendi!—Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?—Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.—Wanneer zijn ze weggereden?—Toen het even begon te schemeren.—In wat richting?—Zij volgden den Uskuber straatweg.—Waar stonden hun paarden?—Buiten het dorp, bij deAiwa aghadschylar(kweeboomen).—Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.—Dan doe ik het graag.—Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met een zak en zeide:—Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.Ik stak den zak bij mij.Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld en zeide op grimmigen toon:—Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit te storten.Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld bij zich en antwoordde:—Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden, maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen door de dapperheid van den Effendi.—Laat hij hem maar zoeken!—zei Habulam hoonend.—O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!—Ah, weet hij dat werkelijk?—Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.—Kara—nor—man—Khan!—riep hij,—de beide lettergrepen, nor man afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?—Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.—Kara—norman—Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde, en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in lachen uit, en antwoordde:—Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet te Karanorman Khan bevond.Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid ergerde mij.—Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.—Zal ik onze paarden voorbrengen?—vroeg nu Halef.—Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien hebben wij ze nog noodig.De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide duidelijk:—Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen vriendelijken gastheer Habulam afnamen.—Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken; ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere en kleinere stukken,—voor een scheikundige onderzoeking meer dan voldoende.—Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?—vroeg Habulam, nu niet meer lachende.—Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.—Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!—Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd gegrinnik.—Wij hebben niet gelachen!—Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.—Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.—Waarom?—Omdat wij het in ’t geheel niet kennen.—Is dat een reden om zoo te grinniken?—Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.—Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?—Neen—antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte, toen ik dien naam noemde.—Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan gij hebt gesproken.—Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer en antwoordde:—Neen, ik ken er zoo geen een.—Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (—), dat Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit: ' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisselingvoorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.Toen ik van het briefje opzag, bemerkte ik tot mijn verwondering, dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.—Wat hebt gij daar, Heer?—vroeg hij.—Een briefje, zooals gij ziet.—Ja, maar wat staat er op dat papier?—Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.—Mag ik even zien?Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud immers kende!Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.—Hier hebt gij het,—zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog noodig.Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte, op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich te laten ontgaan.Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten, dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven, dan was het mij misschien mogelijk geweest, hunbetrekking tot den Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het hoofd en zeide:—Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!—Toch wel!—antwoordde ik.—Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!—Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze in een andere volgorde, dan krijgt men eenduidelijkenzin.—Kunt gij dat?—Zeker.—Doe het dan eens!—Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.—Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er geschreven is.Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende, zeide ik:—De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden:IN PRIPEH BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?—Slechts enkele woorden.Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:—Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.—Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van een enkele taal bediend?—Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet kan lezen.—Scheitan, duivel!—kwam zachtjes over Suefs lippen.Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.—Maar gij hebt het kunnen lezen!—wierp Habulam mij tegen terwijl zijn stem van innerlijke ontroering beefde.—Dat ziet ge.—Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?—Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.—Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?—Ja.—Heer, dat is nog al stout gesproken!—Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.—Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep, want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.—Ze zeggen: “Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de jaarmarkt in Menelik.”—Dus moet het heusch zoo gelezen worden?—vroeg hij met kinderlijke verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?—Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje te vinden.—Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman Khan?Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den strik en informeerde verder:—Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?—Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.—En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij dan uit?—Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet, bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.—Hoe weet gij dat?—Het briefje zegt het mij.—Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij bezit den boozen blik in ’t geheel niet. Uw scherpzinnigheidheeft u alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan vinden, dat gij zoekt.—Ik heb het al gevonden.—O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.—Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.—Ik zou niet weten, welke, Effendi!—Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.—Ah! geen woord heb ik gezegd.—Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware woonplaats weten.—Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde gevolgtrekking van u.—Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.—Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren, dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide:—Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u: ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam, en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid en laat u eenFihristi mekian(kaart van den omtrek) geven, en gij zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten en waar zij liggen.—Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen, want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in ’t geheel niet naar Karanorman Khan.—Waar dan heen, Effendi?—Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.—Scheitan, duivel,—hoorde ik Suef weer zacht sissen.Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.—Is er dan een plaats van dien naam?—vroeg Habulam langzaam en op gedempten toon.—Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, watLissan aramaki(taal-studie) is?—Neen, Effendi.—Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar genoemd is.—Misschien begrijp ik het nu toch wel!—Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan genoemd werd en nog heden zoo heet.—Scheitan,—duivel!—siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:—Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.—En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad of in een dorp gelegen is.—Waarom?—Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.—Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt eenvreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.—Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?—Neen.—Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft, te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus, al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar hij woonde of nog woont.—Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.—Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.—Waaruit maakt gij dat op?—Het briefje zegt het mij.—Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor woord, en daar toch niets van gezien.—O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer begaan.—Ik?—vroeg hij verschrikt.—Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe is dat te rijmen?—Heer,—zeide hij verlegen,—ik heb het gelezen, maar niet begrepen!—Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd, dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?—Neen, dat doen zij niet.—Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?—Zeker, Effendi!—Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari, en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn ’Sheitan’ zachtjes sissen. De pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.—Effendi,—bracht Habulam in,—wat gij zegt, klinkt allemaal heel mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt gij het toch laten blijven.—Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij, naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt, om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan den politie-apotheker.—Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.—En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.—Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen bewegen om van uw voornemen af te zien.—Hm!—bromde ik, alsof ik mij bezon.Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.—Bezin u eens!—herhaalde hij op dringenden toon.—Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is dienstpersoneel te krijgen.—Personen die in dienst willen komen, zijn er in overvloed,—antwoordde hij haastig.—Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes te krijgen?—Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.—Welnu, wil dan eens!—Hoe bedoelt gij dat?—Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:—Hoe weet gij dat?—Ze hebben het mij gezegd.—Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!—Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?—Omdat ik er geen zin in heb.—Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?—Ja, Effendi—antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.—Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!—Halt!—riep Habulam.—Wat zijt gij toch een opvliegend mensch, Effendi!—Maak het kort,—zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat ze gaan.—Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!—Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze door, om ze te onderteekenen.Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik te geven.—En....? Hoe nu met het andere volk?—vroeg ik.Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen, en driftig riep hij.—Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen,die niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe verder ze van hier gaan hoe beter!Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef, tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de brokken, en liet de paarden voorbrengen.Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich, dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.—Gij ondervindt nu,—zeide ik,—dat Allah zelfs de grootste leugen tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd, niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg, naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben; maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.—Maar wij zijn nog niet quitte!—krijschte Suef.—Mijn rekening van heden zult gij mij betalen.—Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!—Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!—Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet meer vergissen.—O, gij kent mij nog lang niet!—dreigde hij.—Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten na mij dit huis ook zult verlaten.—Kan ik soms gaan?—Neen, gij zult rijden.—Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt, als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.—De anderen achterna.—Waartoe?—Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker, in hun eigen bloed, zullen baden.Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden van vreugd.—Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn geweest, en komen u dan achterna!—riep ik ze toe.De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam, kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat, de oude Mubarek en de beide Aladschy’s waren het geweest. De gewonde Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk een nijlpaardennatuur bezitten.Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op, de vele hoef-indrukken te onderzoeken.—Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.—Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd het paard aan dat teeken herkennen.Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons wild dien bereden had.Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in, en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulamzelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen, maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt, en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij hadden doorleefd.De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig lachte boven ons een heldere hemel.Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:—Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?—Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat onze vijanden naar KaranormanbijWeicza gingen en dat dus ook onze weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist, weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.—In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?—Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik voor hoogst onwaarschijnlijk houd.—Is Uskub een groote stad?—Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.—Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.—Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft, reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet bedriegt,dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats, in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda zulke watermassa’s aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid, beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur, het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over, dan terug te rijden en navraag te doen.Het huis stond zoo dicht aan ’t water, dat dit bijna de deur bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer weinig vriendelijk, aan.—Dat is geen welkome gast, die u is komen bezoeken,—zeide ik op het water wijzende.—O, er zijn nog wel slimmer bezoekers,—antwoordde hij op stekelachtigen toon.—Wat kan erger zijn dan watersnood en brand?—Menschen!—Ik wil hopen, dat gij daar geen ervaring van hebt opgedaan.—Al meer dan mij lief is, en vandaag op nieuw.—Vandaag? Zijt gij de bewoner van dit huis?—Ja. Zoudt gij soms bij mij willen zijn? Ik heb u zien voorbij rijden. Waarom zijt gij teruggekeerd? Rij gerust door.Hij leunde op zijn houweel en keek mij van ter zijde wantrouwend aan. De man had een open, eerlijk gelaat, en zag er niet als een menschen-hater uit. Zijn afwijzende houding moest een bizondere reden hebben, die ik giste. Daarom vroeg ik:—Gij schijnt tegen mij ingenomen te zijn. Waarmede heb ik de onvriendelijkheid verdiend, waarmee gij mij antwoordt?—Tschelebilik duzen kischunun dir, (hoffelijkheid is een sieraad van den mensch), dat is waar, maar er zijn personen, voor wie dat spreekwoord niet geldt.—Meent gij, dat ik tot die menschen behoor?—Ja.—Dan zeg ik u, dat gij u grootelijks vergist. Men heeft mij bij u belasterd.—Van waar weet gij, dat men van u gesproken heeft?—Uit uw spreken leid ik dat af.—Juist die argwaan zegt mij, dat men mij niet belogen heeft. Rij dus door! Ik heb niets met u te maken.—Maar ik wel met u!—Geef u geen moeite, ik ken u,—zeide hij met een verachtelijke handbeweging. Indien gij verstandig zijt, dan verlaat gij ons dorp. Gij zijt hier in een afgelegen streek, waar men u en de uwen te vreezen heeft, omdat men op geen hulp kan rekenen. Maar, zie dien man eens. Gij ziet dat ik mannen van den Padischa bij mij heb.Een half en half als militair gekleede persoon was in de deurpost verschenen. Aan de gezichten was te zien, dat die twee broers waren. Ook hij leek mij iemand te zijn, dien men met geen vriendelijke praatjes moest aankomen.—Wat is er? Wat wil die vreemdeling?—vroeg hij den huisheer.—Ik weet het niet,—antwoordde deze. Ik begeer het ook niet te weten. Ik heb hem al gezegd, dat hij verder moest rijden.—Dat zal ik ook doen,—antwoordde ik. Maar ik zoek eenignaricht in te winnen, en ik hoop, dat gij een beleefde vraag wel zult willen beantwoorden.—Dat zullen wij doen, als uw vraag een zoodanige is, die men beantwoorden kan,—zeide de militair.—Ik benHekim askeri(officier van gezondheid) in Uskub en ben hier bij mijn broeder op bezoek. Dat wil ik u zeggen, voor gij iets vraagt.Nu was mij alles duidelijk. Daarom vroeg ik:—Er zijn van morgen vijf mannen te paard hier geweest?Hij stemde het toe.—De een was gewond en gij hebt hem verbonden?—Zoo is het! Weet gij misschien, wie hem zoo gewond heeft?—Ik zelf.—Dus is het waar, wat deze menschen ons hebben verteld.—Wat hebben zij dan verteld?—Dat zult gij zelf beter weten dan wij. Als gij verder niets te vragen hebt, kunnen wij het gesprek wel afbreken.Hij wendde zich van ons af.—Halt, wacht nog even!—zeide ik. Ik kan mij voorstellen, dat men u belogen heeft; maar hoe, weet ik niet. Daar gij echter een militaire arts zijt, moet gij kunnen lezen. Zie dit papier eens in.Ik haalde mijn Firman te voorschijn. Nauwelijks was zijn oog op het schrift en op het zegel gevallen, of hij maakte een diepe buiging en zei verbaasd:—Maar dat is het schrift en het zegel van den Grootvizier! Zulk een document wordt alleen met bizondere vergunning van den Padischa gegeven.—Juist! En ik ben blij dat gij dit zoo goed weet.—En gij zijt de rechtmatige bezitter van dezen Firman?—Ja; overtuig u door het signalement met mijn persoon te vergelijken.Hij deed het, schudde het hoofd en zei tot zijn broeder!—Het schijnt, dat wij dezen Effendi ten onrechte verdacht hebben. Hij is niet, wat men van hem gezegd heeft.—Ik ben overtuigd dat men grove onwaarheid over mij verteld heeft,—voegde ik er bij. Misschien hebt gij de goedheid mij te zeggen, wat men wel van mij gezegd heeft.—Gij zijt dus werkelijk een Effendi uit Alemanja, waar de groote Keizer Guillem regeert?Toen ik dat toegestemd had, vervolgde hij:—Hier hebt gij uw Firman terug. Men heeft ons werkelijk belogen; men heeft ons gezegd dat gij roovers waart.—Zoo iets heb ik vermoed. Maar juist zij, die hier bij u geweest zijn, waren dieven en moordenaars.—Zij gedroegen zich toch heel anders.—Wat wonder! Zij hadden uw hulp noodig, en moesten dus wel stil zijn.—En een was er bij, dien ik kende.—Manach el Barscha?—Ja. Hij was vroeger ontvanger van de personeele belasting in Uskub.—Moet gij hem nog ontzien? Hij is toch afgezet!—Ja, maar hij behoefde toch geen bandiet te worden!—Toch is hij het. Hebt gij wel eens van de beide Aladschy’s gehoord?—Heel dikwijls. Het zijn twee struikroovers, die het gansche gebied van de Kerubi- en Bastrik-bergen, tot aan Dovanitza Planina onveilig maken. Men heeft tevergeefs getracht hen te vangen. Waarom vraagt gij naar die menschen?—Omdat zij hier bij u zijn geweest. Hebt gij geen acht geslagen op de paarden van die vijf ruiters?—Ja. Er waren twee sjekken bij, twee prachtige paarden die—Hij zweeg op eens en keek verlegen mij aan. Zijn mond bleef open. Hij was tot besef van de waarheid gekomen.—Welnu, vertel verder!—drong ik.—Allah!—riep hij uit. Daar bedenk ik wat! Die twee struikroovers rijden sjek-paarden en worden daarom Aladschy genoemd.—Nu, en wat volgt daaruit?—Dat zij het waren, die hier in huis zijn geweest.—Juist! Gij hebt de beide Aladschy’s bij u ontvangen, en de drie anderen zijn even groote boeven.—Dat had ik niet gedacht! En die bandieten hebben u er van beschuldigd. Zij vertelden, gij waart bergroovers (Kimesneler daghlarde) en ze beweerden, u in het Konak van Kilissely aangetroffen te hebben. Naar aanleiding van een twist, hadt gij op hen geloerd en geschoten. Ik heb den oude, die twee kogels in zijn arm had, verbonden.In korte trekken vertelde ik, wat er voorgevallen was en vernam van hem, dat zij den weg naar Uskub waren opgegaan.—Maar op den weg zijn hun sporen niet te zien,—merkte ik aan.—Zij sloegen den weg naar Rumelia in. Naar hun meening was de groote weg te modderig. Tot Rumelia konden zij aldoor over grasvlakte rijden.—Maar zij maken een grooten omweg, wat voor een gewonde nog al iets beteekent. Ik zeg u, dat zij in ’t geheel niet naar Uskub willen gaan. Daar zouden zij gevaar loopen, opgepakt te worden. Zij vluchten voor ons. Daarom hebben zij u wat voorgelogen, opdat gij aan ons niet zoudt verraden, waarheen zij reden. Is de weg van hier naar Rumelia moeilijk te vinden?—In ’t geheel niet. Die loopt nog een klein eind langs de rivier en gaat dan rechtsaf. Gij zult de sporen van de vijf ruiters gemakkelijk vinden, want de weg is tamelijk zacht.Nu nam ik afscheid en ging naar mijn wachtende metgezellen terug.—Onze vluchtelingen gaan niet naar Uskub; zij zijn naar Rumelia gereden.—Naar Rumelia?—vroeg Janik. Zij hebben dus den grooten weg verlaten. Wilt gij hen soms volgen, Sihdi?—Ja. Wij zullen dus moeten scheiden.Het was een roerend afscheid, dat wij van het jonge bruidspaar namen.Toen wij nu, in plaats van noordwestelijk, precies westelijk reden en het dorp achter ons hadden, konden wij de sporen der vijf mannen duidelijk op den weeken grond zien. Een eigenlijke weg was er niet.—Kent gij dit Rumelia?—vroeg mij Halef, die zich weer naast mij bevond.—Neen. Ik weet alleen dat het een dorp is; ik ben hier nog nooit geweest. Vermoedelijk ligt deze plaats aan den weg, die van Köprili langs de Warder naar Uskub brengt. Aan den anderen kant loopt de spoorweg.—Ah! Wij konden dan misschien wel een eind per spoor gaan. Wanneer ik bij Hanneh, de mooiste van alle jonge dochters, terug ben, dan zal ik er trotsch op zijn, te kunnen vertellen, dat ik ook eens in een wagen gezeten heb, die door rook getrokken werd.—Zoo’n wagen wordt niet door rook maar door stoom gedreven.—Dat is toch hetzelfde?—Neen; rook kunt gij zien, maar stoom is onzichtbaar.—Als men stoom niet kan zien, hoe weet gij dan, dat er stoom is?—Kunt gij muziek zien?—Neen, Sihdi.—Dan is er volgens u ook geen muziek. Het is niet goed mogelijk u het wezen en de werking van den stoom te verklaren. Om mij daarbij te kunnen volgen, moet gij eerst meer elementaire kennis hebben.—Sihdi, wilt gij mij beleedigen? Heb ik niet menigmaal bewezen, dat het mij aan elementaire kennis niet ontbreekt?—Maar op het gebied der physica zijt gij een volkomen vreemdeling.—Wat is dat voor een gebied?—Daartoe behooren de krachten en wetten der natuur.—O, ik ken alle natuurlijke krachten en wetten. Als iemand mij beleedigt, dan is het toch niet moeielijk te begrijpen, dat de natuurwet zegt, hem daarvoor een oorvijg te geven. En als ik dan volgens de natuurwet dien klap geef, dan is het door de natuurkracht dat ’s mans oor tintelt. Of heb ik daarin ongelijk?—Gij hebt zeer dikwijls gelijk, ook als gij ongelijk hebt, mijn waarde Halef. Overigens spijt het mij, dat gij Hanneh, die bloem aller vrouwen, niet zult kunnen vertellen dat gij in een spoorwagen gereden hebt.—Waarom niet?—Eerstens weet ik niet, of de spoorweg al wel bereden wordt, en dan, wij moeten onze vijanden volgen. Die reizen niet per spoor, bij gevolg moeten wij ons dat genoegen ook ontzeggen.De weg was nu redelijk goed. Wij kwamen dus tamelijk vlug vooruit. Na een half uur zagen wij het dorp voor ons liggen. Rechts ging de weg naar Uskub, en die links ging naar Köprilie over Kapetanli Han.Toen ik mijn oog over den weg liet gaan, zag ik een ruiter in gestrekten galop van Kapetanli Han aankomen. Iemand die op zulk een drassigen weg zoo snel reed, moest wel veel haast hebben. Ik nam mijn verrekijker.—Nauwlijks had ik den man gezien, of ik gaf den kijker aan den Hadschi. Hij richtte hem, maar liet hem terstond weer zakken.—Allah!—riep hij uit.—Dat is Suef, die zich voor een kleermaker uitgaf!Ik had dus terecht tegen hem beweerd, dat hij Kilissely terstond na ons verlaten zou.—In den draf, Halef! Hij wil de anderen waarschuwen; dat mag niet gebeuren. Hij weet, waar zij heen gaan.—Maar wij kunnen hem niet vóór komen—meende Halef,—hij is al reeds te dicht bij het dorp. Maar aan gene zijde van het dorp kunnen wij hem inhalen.—Ja, als er ten minste een brug over de rivier ligt. Moeten wij ons laten overzetten, dan heeft hij den voorsprong. Ik rijd vooruit.—Ik raakte de flanken van mijn paard maar even met mijn sporen aan en op hetzelfde oogenblik schoot het met de snelheid van een expres vooruit. Suef had ons tot nu toe nog niet gezien. Maar nu bemerkte ik dat hij opschrikte; en zijn zweep uithalende, zette hij, met alle macht slaande, zijn paard aan. Hij had mij herkend en wilde mij voorkomen.Inderdaad was hij dichter bij het dorp dan ik; maar zijn paard kon het onmogelijk tegen mijn Arabier opnemen. Ik liet mijn gefluit hooren, en mijn volbloed verdubbelde de snelheid van zijn gang. In minder dan een minuut was ik op den weg, waarop Suef zich bevond en tusschen hem en het dorp. De vrees voor mij weerhield hem, mij voorbij te rijden. Een omweg bestond er voor hem niet, wijl links van ons de sterk stroomende rivier voorbij schoot.Ik bleef midden op den weg staan, om op mijn gezellen te wachten. Suef hield ook stand, ongeveer vierhonderd schreden van mij af.—Dat heeft uw Rih mooi gedaan Sihdi!—zei Halef, terwijl hij lachende aan kwam rijden. Men zou het voor onmogelijk houden, dat een paard zoo snel kon loopen. Maar wat doen wij nu? Zult gij met dien man spreken?—Geen woord, tenzij ik er toe gedwongen word.—Maar hij legt het toch, ook nu nog, op ons leven toe!—Wij hebben hem gestraft. Voor wij daarmede opnieuw beginnen, moet hij weer met vijandelijkheden tegen ons optreden. Wij zullen nu doen, alsof wij hem niet kennen.—Wij hebben toch een groote fout begaan.—Welke?—Dat wij hem de bastonnade hebben gegeven. Want nu kan hij altijd nog rijden. Hadden wij hem met de zweep gegeven, niet opzijn voetzolen, maar op dat lichaamsdeel, waarmee de Padischa zijn troon bedekt als hij er op gaat zitten, dan had hij noch kunnen loopen noch rijden.—Daar zouden wij niets mee gewonnen hebben, want de oude Mubarek zou een anderen bode gezonden hebben. Voorwaarts dus!Wij reden verder, en Suef volgde ons langzaam. Zeer zeker was hij grimmig boos over onze tusschenkomst.Rumelia scheen grooter dan Guriler te zijn. Het strekte zich van den weg af tot aan de rivier uit. De Wardar zag er gevaarlijk uit; het vuile water golfde onstuimig en hoog. De golven hadden zich ver over den oever geworpen en overstroomden de aangrenzende, in weiden afgedeelde grasvlakte. Aan de overzijde der rivier zagen wij de spoorbaan. Men scheen aan haar versterking bezig te zijn. Wij zagen een zandtrein langzaam aankomen, een massa arbeiders waren met spaden en houweelen aan het werk, en nabij den dam stonden lange loodsen, voor tijdelijke woning van het werkvolk.Een brug was er niet, maar een veer. Het was een breede zware praam, die op touwen liep, welk in de diepte verankerd waren. De praam zelve werd door de schippers met sterke stangen voortgestuwd.—Wat nu?—vroeg Halef, toen wij bij de eerste huizen van het dorp gekomen waren.—Laten wij ons terstond overzetten?—Neen,—antwoordde ik. Wij rijden op en neer, en wachten af, wat Suef zal doen, wij volgen hem, waar hij heen rijdt. Wij weten niet, waar Karanirwan ligt; hij zal nu, of hij wil of niet, onze gids zijn.—Neen, Effendi hij zal slim genoeg zijn, om ons op een dwaalspoor te leiden.—En wij zullen ons door hem niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet bedenken, dat zijn voeten hem ontzettend pijn doen. Hij houdt ze wel in de stijgbeugels en behoeft ze niet in te spannen; maar het rijden schudt en schokt ze toch onophoudelijk. Hij zal dus zijn doel zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken, en al zoekt hij ons op een verkeerd spoor te brengen, toch zal hij niet al te ver van zijn richting afwijken.—Maar hij zal toch al het mogelijke doen om uit ons gezicht te komen!—En wij zullen al het mogelijke doen om hem dit te beletten. Laten wij ons dus uit de voeten maken!Wij reden nog een eind verder, zoodat Suef op voldoenden afstand ons voorbij en naar het veer kon komen. Daar hielden wij stil, maar ik zorgde, dat ik hem aldoor in het oog hield. Wij deden echter alsof wij in ’t geheel niet op hem letten. Toch kon hij wel begrijpen, dat het tegendeel waar was.Tegen onze verwachting in, reed hij niet naar het veer. Hij dreef zijn paard nu eens vooruit en dan weer achterwaarts, met groote opmerkzaamheid naar de spoorbaan aan de overzij ziende, alsof het gindsche werk al zijn aandacht trok.—Hij wil niet bijten,—zeide Halef en lachte.—Hij is slimmer dan wij.—We zullen zien. Hij doet alsof hij alleen voor den spoorwegarbeid oogen had, maar ik bemerk toch, dat hij telkens zijwaarts kijkt, naar dat witgepleisterde huis ginds. Er is daar voor de deur een ijzeren stang, waarschijnlijk om er een paard aan vast te binden. Misschien is dat gebouw een Khan, en is hij van plan daar te verblijven. Laten wij nu doen, alsof wij wilden overvaren.Wij reden naar het veer. Er was van planken een pad gemaakt, om droogvoets over den overstroomden oever te komen. Daar dit pad slechts voor voetgangers bestemd was, moesten wij een eind door het water rijden, dat den paarden tot aan den buik kwam.De overvaart was niet ongevaarlijk. De oude praam scheen half vergaan te zijn. Het touw dat haar hield, was van twijfelachtige sterkte, en het bedienings-personeel, een oude man met drie halfwas jongens, kon geen groot vertrouwen inboezemen. Bovendien was de golfslag vrij sterk. De stroom voerde allerlei voorwerpen mee, die hij van den oever losgewerkt had. Er hadden zich maalstroomen gevormd, waarin men allicht terecht kon komen. Kort en goed, toen wij ons nu op de pont bevonden was ik weinig op mijn gemak.De oude veerman zat op den rand en rookte. Met aandacht nam hij ons op en knikte veelbeteekenend tegen zijn jonge helpers.Ik was zóó gaan staan, dat ik Suef in het oog hield. Nauwelijks bevonden wij ons op de praam, of hij draafde weg, naar het aangeduide witte huis toe, steeg af, bond zijn paard vast en strompelde met veel moeite door de deur.—Halef en Osko, vlug ook naar binnen! Wij moeten weten, wat hij doet en spreekt. Laat hem geen oogenblik alleen!De beiden drongen hun paarden terstond op den oever terugen reden naar het huis toe. Geen halve minuut, nadat Suef er in was gegaan, waren ook zij er binnen.Nu wendde ik mij tot den ouden veerman:—Hoeveel hebben vier ruiters te betalen, om overgezet te worden?—Twintig piasters,—antwoordde hij, de hand voor mij ophoudende.Ik gaf er met mijn zweep een tikje op, en zeide:—En ik betaal u niets.—Dan blijft gij aan den verkeerden kant!—Neen, gij zult ons overzetten. Maar gij hebt den vijfvoudigen prijs gevorderd. Dat moet bestraft worden. Nu zult gij eerst ons overvaren, en dan krijgt gij, aan den overkant, voor iederen piaster een slag op uw voetzolen. Kijk dezen Firman van den Padischa eens! Zoo ziet gij, dat ik geen man ben, die zich laat bedriegen.Hij zag het zegel, nam zijn pijp uit zijn mond, vouwde de handen over zijn borst, boog en zei op eerbiedigen toon:—Heer, wat Allah ons zendt, is goed. Ik zal u overvaren en daarvoor twintig zoolslagen ontvangen. Allah zegene den Padischa en zijn kindskinderen!Zoo gaat het daar achter in Turkije toe! Maar ik was geen Turk, nam twintig piasters, gaf ze hem en zeide:—De slagen zal ik u schenken, want ik heb medelijden met de dagen der jaren uws levens. De rivier is gezwollen en de overtocht moeilijk en niet zonder gevaar, daarom moogt gij wel iets meer dan gewoonlijk vragen; maar al te veel moogt gij toch niet vorderen.Hij aarzelde, het geld aan te nemen en met open mond keek hij mij vol verbazing aan.—Nu, hoe is het, moet ik het geld weer bij mij steken?—vroeg ik.Die vraag bracht hem weer tot zich zelf. Hij kwam met een sprong naar mij toe, greep mij het geld uit de hand en riep:—Hoe? Wat? Gij betaalt mij, ofschoon gij in de schaduw staat van den Grooten Heer en zijn Eersten Vizier?—Moeten niet juist die menschen rechtvaardig zijn?—O Heer, o Agha, o Effendi, o Emir, zij zijn het gewoonlijk niet! Maar uw oogen stralen vol genade en uw woorden vloeien over van barmhartigheid en vriendelijken zin. Daarom zegene Allah u in uw eigen persoon, in uw ouders en voorouders, ook in uw kinderen en kindskinderen! Ja, zooveel genade als gij mij bewijst,valt ons maar zelden ten deel, ofschoon wij een zuur verdiend en karig stuk brood gewinnen.—Maar ginds zijn toch tal van menschen aan het werk. Gij verdient door hun aanwezigheid toch meer dan vroeger, toen zij er niet waren.—Nog minder, nog veel minder verdien ik nu, want die menschen hebben hooger op, een tweede veer aangelegd en varen met een groote schuit. Dat doet mij natuurlijk veel afbreuk en mijn pacht blijft even hoog.—Wagen zich die menschen dan ook bij ongunstig getij in den fellen stroom?—Vandaag hebben zij het nog niet gedurfd, want het was al te gevaarlijk; men zou een dubbel getal roeiers noodig hebben.—Maar gij hebt heden toch al heel wat menschen overgezet. Waren daar ook vijf ruiters bij, waarvan er twee op sjek-paarden zaten?—Ja, Heer. Een scheen gewond te zijn. Zij kwamen uit de herberg daar ginds, waar zij een poos te voren afgestegen waren.Hij wees, dat zeggende, naar het door mij opgemerkte witgepleisterde huis.—Hoe lang is het geleden, dat gij hem zaagt?—Zeker al een paar uur. Beter was het voor mij geweest, indien ik ze nooit had gezien!—Waarom?—Omdat zij mij bedrogen hebben. Toen wij aan de overzij waren, en ik om het veergeld vroeg, kreeg ik zweepslagen in plaats van geld. En dan hadden zij mij nog wel een opdracht gegeven, die ik nu niet uitvoeren wil. Die mij niet betaalt, voor dien doe ik uit vriendelijkheid ook niets.
—Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen honderd!
—Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.
Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den rechter voet.
—Allah kerihm!—gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!
—Twee!—kommandeerde Omar.
De slag viel op den linker voet.
—Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend piasters!
Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken, den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:
—Duizend? Heer, wat beveelt gij?
—Dat zal van Habulam afhangen,—antwoordde ik. De vraag is, of hij duizend piasters baar heeft liggen.
—Ik heb ze. Ze liggen daar!—lichtte de oude toe.
—Dan kunnen wij er eens over denken.
—Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk van leven.
—Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.
—Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!
—Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.
—Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?
—Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst ontslaan zult.
—Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!
—Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!
—Ze zullen alles hebben.
—Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend getuigschrift!
—Ook dat.
—Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen, die ginds in de schuur staat.
—Wai sana! Daar denk ik niet aan!
—Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.
—Halt, halt!—gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!
—Waarom?
—Zij zouden dien niet teruggeven.
—Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door de rechtbank tot teruggeven dwingen.
—Maar Uskub is te ver van hier!
—Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?
Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe, dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden, waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.
—Nu zijn wij het toch eindelijk eens?—vroeg hij met een diepen zucht.
—Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat gij met ons hebt willen doen.
—Wat wilt gij met die bekentenis doen?
—Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.
—Dat is mij te gevaarlijk!
—Halef, neem den stok!
—Wacht toch wat!—riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in ’t geheel niets tegen hem doe!
—En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden, en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschenzullen u verachten en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.
Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.
—Gij zult het papier hebben,—zeide Habulam. Maak mij dan nu los.
Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het schrijfmateriaal.
Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:
—Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken, hem er toe te dwingen.
—Dat kan ik niet.
—Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!
—Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij waart de gewillige dienaren van de moordenaars.
—Dat is niet zoo, Effendi!
—Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?
—Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.
—Wanneer zijn ze weggereden?
—Toen het even begon te schemeren.
—In wat richting?
—Zij volgden den Uskuber straatweg.
—Waar stonden hun paarden?
—Buiten het dorp, bij deAiwa aghadschylar(kweeboomen).
—Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.
—Dan doe ik het graag.—Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met een zak en zeide:
—Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.
Ik stak den zak bij mij.
Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld en zeide op grimmigen toon:
—Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit te storten.
Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld bij zich en antwoordde:
—Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden, maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen door de dapperheid van den Effendi.
—Laat hij hem maar zoeken!—zei Habulam hoonend.
—O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!
—Ah, weet hij dat werkelijk?
—Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.
Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!
Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.
—Kara—nor—man—Khan!—riep hij,—de beide lettergrepen, nor man afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?
—Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.
—Kara—norman—Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?
Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.
De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde, en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in lachen uit, en antwoordde:
—Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.
Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet te Karanorman Khan bevond.
Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?
Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.
Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid ergerde mij.
—Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.
—Zal ik onze paarden voorbrengen?—vroeg nu Halef.
—Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien hebben wij ze nog noodig.
De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide duidelijk:
—Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen vriendelijken gastheer Habulam afnamen.
—Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken; ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.
Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere en kleinere stukken,—voor een scheikundige onderzoeking meer dan voldoende.
—Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?—vroeg Habulam, nu niet meer lachende.
—Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.
—Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!
—Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd gegrinnik.
—Wij hebben niet gelachen!
—Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.
—Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.
—Waarom?
—Omdat wij het in ’t geheel niet kennen.
—Is dat een reden om zoo te grinniken?
—Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.
—Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?
—Neen—antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte, toen ik dien naam noemde.—Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan gij hebt gesproken.
—Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?
Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer en antwoordde:
—Neen, ik ken er zoo geen een.
—Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.
Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.
Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.
Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (—), dat Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit: ' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisselingvoorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.
Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.
Toen ik van het briefje opzag, bemerkte ik tot mijn verwondering, dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.
—Wat hebt gij daar, Heer?—vroeg hij.
—Een briefje, zooals gij ziet.
—Ja, maar wat staat er op dat papier?
—Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.
—Mag ik even zien?
Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud immers kende!
Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.
—Hier hebt gij het,—zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog noodig.
Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte, op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich te laten ontgaan.
Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten, dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven, dan was het mij misschien mogelijk geweest, hunbetrekking tot den Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.
Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het hoofd en zeide:
—Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!
—Toch wel!—antwoordde ik.
—Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!
—Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze in een andere volgorde, dan krijgt men eenduidelijkenzin.
—Kunt gij dat?
—Zeker.
—Doe het dan eens!
—Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.
—Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er geschreven is.
Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende, zeide ik:
—De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden:IN PRIPEH BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?
—Slechts enkele woorden.
Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:
—Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.
—Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van een enkele taal bediend?
—Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet kan lezen.
—Scheitan, duivel!—kwam zachtjes over Suefs lippen.
Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.
—Maar gij hebt het kunnen lezen!—wierp Habulam mij tegen terwijl zijn stem van innerlijke ontroering beefde.
—Dat ziet ge.
—Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?
—Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.
—Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?
—Ja.
—Heer, dat is nog al stout gesproken!
—Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.
—Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?
Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep, want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.
—Ze zeggen: “Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de jaarmarkt in Menelik.”
—Dus moet het heusch zoo gelezen worden?—vroeg hij met kinderlijke verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?
—Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje te vinden.
—Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman Khan?
Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den strik en informeerde verder:
—Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?
—Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.
—En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij dan uit?
—Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet, bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.
—Hoe weet gij dat?
—Het briefje zegt het mij.
—Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij bezit den boozen blik in ’t geheel niet. Uw scherpzinnigheidheeft u alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan vinden, dat gij zoekt.
—Ik heb het al gevonden.
—O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.
—Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.
—Ik zou niet weten, welke, Effendi!
—Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.
—Ah! geen woord heb ik gezegd.
—Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware woonplaats weten.
—Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde gevolgtrekking van u.
—Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.
—Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren, dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.
Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide:
—Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u: ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam, en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid en laat u eenFihristi mekian(kaart van den omtrek) geven, en gij zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten en waar zij liggen.
—Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen, want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in ’t geheel niet naar Karanorman Khan.
—Waar dan heen, Effendi?
—Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.
Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.
—Scheitan, duivel,—hoorde ik Suef weer zacht sissen.
Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.
—Is er dan een plaats van dien naam?—vroeg Habulam langzaam en op gedempten toon.
—Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, watLissan aramaki(taal-studie) is?
—Neen, Effendi.
—Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar genoemd is.
—Misschien begrijp ik het nu toch wel!
—Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan genoemd werd en nog heden zoo heet.
—Scheitan,—duivel!—siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.
Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:
—Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.
—En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad of in een dorp gelegen is.
—Waarom?
—Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.
—Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt eenvreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.
—Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?
—Neen.
—Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft, te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus, al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar hij woonde of nog woont.
—Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.
—Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.
—Waaruit maakt gij dat op?
—Het briefje zegt het mij.
—Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor woord, en daar toch niets van gezien.
—O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer begaan.
—Ik?—vroeg hij verschrikt.
—Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe is dat te rijmen?
—Heer,—zeide hij verlegen,—ik heb het gelezen, maar niet begrepen!
—Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd, dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?
—Neen, dat doen zij niet.
—Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?
—Zeker, Effendi!
—Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari, en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.
Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn ’Sheitan’ zachtjes sissen. De pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.
—Effendi,—bracht Habulam in,—wat gij zegt, klinkt allemaal heel mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt gij het toch laten blijven.
—Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij, naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt, om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan den politie-apotheker.
—Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.
—En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.
—Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen bewegen om van uw voornemen af te zien.
—Hm!—bromde ik, alsof ik mij bezon.
Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.
—Bezin u eens!—herhaalde hij op dringenden toon.
—Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is dienstpersoneel te krijgen.
—Personen die in dienst willen komen, zijn er in overvloed,—antwoordde hij haastig.
—Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes te krijgen?
—Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.
—Welnu, wil dan eens!
—Hoe bedoelt gij dat?
—Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.
Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:
—Hoe weet gij dat?
—Ze hebben het mij gezegd.
—Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!
—Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?
—Omdat ik er geen zin in heb.
—Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?
—Ja, Effendi—antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.
—Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!
—Halt!—riep Habulam.—Wat zijt gij toch een opvliegend mensch, Effendi!
—Maak het kort,—zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat ze gaan.
—Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!
—Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze door, om ze te onderteekenen.
Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik te geven.
—En....? Hoe nu met het andere volk?—vroeg ik.
Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen, en driftig riep hij.
—Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen,die niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe verder ze van hier gaan hoe beter!
Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef, tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de brokken, en liet de paarden voorbrengen.
Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich, dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.
—Gij ondervindt nu,—zeide ik,—dat Allah zelfs de grootste leugen tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd, niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg, naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben; maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.
—Maar wij zijn nog niet quitte!—krijschte Suef.—Mijn rekening van heden zult gij mij betalen.
—Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!
—Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!
—Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet meer vergissen.
—O, gij kent mij nog lang niet!—dreigde hij.
—Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten na mij dit huis ook zult verlaten.
—Kan ik soms gaan?
—Neen, gij zult rijden.
—Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt, als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.
—De anderen achterna.
—Waartoe?
—Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker, in hun eigen bloed, zullen baden.
Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.
Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden van vreugd.
—Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn geweest, en komen u dan achterna!—riep ik ze toe.
De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam, kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat, de oude Mubarek en de beide Aladschy’s waren het geweest. De gewonde Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk een nijlpaardennatuur bezitten.
Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op, de vele hoef-indrukken te onderzoeken.
—Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.
—Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd het paard aan dat teeken herkennen.
Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.
De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons wild dien bereden had.
Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in, en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulamzelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen, maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt, en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij hadden doorleefd.
De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig lachte boven ons een heldere hemel.
Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:
—Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?
—Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat onze vijanden naar KaranormanbijWeicza gingen en dat dus ook onze weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist, weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.
—In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?
—Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik voor hoogst onwaarschijnlijk houd.
—Is Uskub een groote stad?
—Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.
—Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.
—Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft, reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet bedriegt,dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats, in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.
Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda zulke watermassa’s aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.
Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid, beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur, het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.
Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.
Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.
Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.
Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over, dan terug te rijden en navraag te doen.
Het huis stond zoo dicht aan ’t water, dat dit bijna de deur bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer weinig vriendelijk, aan.
—Dat is geen welkome gast, die u is komen bezoeken,—zeide ik op het water wijzende.
—O, er zijn nog wel slimmer bezoekers,—antwoordde hij op stekelachtigen toon.
—Wat kan erger zijn dan watersnood en brand?
—Menschen!
—Ik wil hopen, dat gij daar geen ervaring van hebt opgedaan.
—Al meer dan mij lief is, en vandaag op nieuw.
—Vandaag? Zijt gij de bewoner van dit huis?
—Ja. Zoudt gij soms bij mij willen zijn? Ik heb u zien voorbij rijden. Waarom zijt gij teruggekeerd? Rij gerust door.
Hij leunde op zijn houweel en keek mij van ter zijde wantrouwend aan. De man had een open, eerlijk gelaat, en zag er niet als een menschen-hater uit. Zijn afwijzende houding moest een bizondere reden hebben, die ik giste. Daarom vroeg ik:
—Gij schijnt tegen mij ingenomen te zijn. Waarmede heb ik de onvriendelijkheid verdiend, waarmee gij mij antwoordt?
—Tschelebilik duzen kischunun dir, (hoffelijkheid is een sieraad van den mensch), dat is waar, maar er zijn personen, voor wie dat spreekwoord niet geldt.
—Meent gij, dat ik tot die menschen behoor?
—Ja.
—Dan zeg ik u, dat gij u grootelijks vergist. Men heeft mij bij u belasterd.
—Van waar weet gij, dat men van u gesproken heeft?
—Uit uw spreken leid ik dat af.
—Juist die argwaan zegt mij, dat men mij niet belogen heeft. Rij dus door! Ik heb niets met u te maken.
—Maar ik wel met u!
—Geef u geen moeite, ik ken u,—zeide hij met een verachtelijke handbeweging. Indien gij verstandig zijt, dan verlaat gij ons dorp. Gij zijt hier in een afgelegen streek, waar men u en de uwen te vreezen heeft, omdat men op geen hulp kan rekenen. Maar, zie dien man eens. Gij ziet dat ik mannen van den Padischa bij mij heb.
Een half en half als militair gekleede persoon was in de deurpost verschenen. Aan de gezichten was te zien, dat die twee broers waren. Ook hij leek mij iemand te zijn, dien men met geen vriendelijke praatjes moest aankomen.
—Wat is er? Wat wil die vreemdeling?—vroeg hij den huisheer.
—Ik weet het niet,—antwoordde deze. Ik begeer het ook niet te weten. Ik heb hem al gezegd, dat hij verder moest rijden.
—Dat zal ik ook doen,—antwoordde ik. Maar ik zoek eenignaricht in te winnen, en ik hoop, dat gij een beleefde vraag wel zult willen beantwoorden.
—Dat zullen wij doen, als uw vraag een zoodanige is, die men beantwoorden kan,—zeide de militair.—Ik benHekim askeri(officier van gezondheid) in Uskub en ben hier bij mijn broeder op bezoek. Dat wil ik u zeggen, voor gij iets vraagt.
Nu was mij alles duidelijk. Daarom vroeg ik:
—Er zijn van morgen vijf mannen te paard hier geweest?
Hij stemde het toe.
—De een was gewond en gij hebt hem verbonden?
—Zoo is het! Weet gij misschien, wie hem zoo gewond heeft?
—Ik zelf.
—Dus is het waar, wat deze menschen ons hebben verteld.
—Wat hebben zij dan verteld?
—Dat zult gij zelf beter weten dan wij. Als gij verder niets te vragen hebt, kunnen wij het gesprek wel afbreken.
Hij wendde zich van ons af.
—Halt, wacht nog even!—zeide ik. Ik kan mij voorstellen, dat men u belogen heeft; maar hoe, weet ik niet. Daar gij echter een militaire arts zijt, moet gij kunnen lezen. Zie dit papier eens in.
Ik haalde mijn Firman te voorschijn. Nauwelijks was zijn oog op het schrift en op het zegel gevallen, of hij maakte een diepe buiging en zei verbaasd:
—Maar dat is het schrift en het zegel van den Grootvizier! Zulk een document wordt alleen met bizondere vergunning van den Padischa gegeven.
—Juist! En ik ben blij dat gij dit zoo goed weet.
—En gij zijt de rechtmatige bezitter van dezen Firman?
—Ja; overtuig u door het signalement met mijn persoon te vergelijken.
Hij deed het, schudde het hoofd en zei tot zijn broeder!
—Het schijnt, dat wij dezen Effendi ten onrechte verdacht hebben. Hij is niet, wat men van hem gezegd heeft.
—Ik ben overtuigd dat men grove onwaarheid over mij verteld heeft,—voegde ik er bij. Misschien hebt gij de goedheid mij te zeggen, wat men wel van mij gezegd heeft.
—Gij zijt dus werkelijk een Effendi uit Alemanja, waar de groote Keizer Guillem regeert?
Toen ik dat toegestemd had, vervolgde hij:
—Hier hebt gij uw Firman terug. Men heeft ons werkelijk belogen; men heeft ons gezegd dat gij roovers waart.
—Zoo iets heb ik vermoed. Maar juist zij, die hier bij u geweest zijn, waren dieven en moordenaars.
—Zij gedroegen zich toch heel anders.
—Wat wonder! Zij hadden uw hulp noodig, en moesten dus wel stil zijn.
—En een was er bij, dien ik kende.
—Manach el Barscha?
—Ja. Hij was vroeger ontvanger van de personeele belasting in Uskub.
—Moet gij hem nog ontzien? Hij is toch afgezet!
—Ja, maar hij behoefde toch geen bandiet te worden!
—Toch is hij het. Hebt gij wel eens van de beide Aladschy’s gehoord?
—Heel dikwijls. Het zijn twee struikroovers, die het gansche gebied van de Kerubi- en Bastrik-bergen, tot aan Dovanitza Planina onveilig maken. Men heeft tevergeefs getracht hen te vangen. Waarom vraagt gij naar die menschen?
—Omdat zij hier bij u zijn geweest. Hebt gij geen acht geslagen op de paarden van die vijf ruiters?
—Ja. Er waren twee sjekken bij, twee prachtige paarden die—
Hij zweeg op eens en keek verlegen mij aan. Zijn mond bleef open. Hij was tot besef van de waarheid gekomen.
—Welnu, vertel verder!—drong ik.
—Allah!—riep hij uit. Daar bedenk ik wat! Die twee struikroovers rijden sjek-paarden en worden daarom Aladschy genoemd.
—Nu, en wat volgt daaruit?
—Dat zij het waren, die hier in huis zijn geweest.
—Juist! Gij hebt de beide Aladschy’s bij u ontvangen, en de drie anderen zijn even groote boeven.
—Dat had ik niet gedacht! En die bandieten hebben u er van beschuldigd. Zij vertelden, gij waart bergroovers (Kimesneler daghlarde) en ze beweerden, u in het Konak van Kilissely aangetroffen te hebben. Naar aanleiding van een twist, hadt gij op hen geloerd en geschoten. Ik heb den oude, die twee kogels in zijn arm had, verbonden.
In korte trekken vertelde ik, wat er voorgevallen was en vernam van hem, dat zij den weg naar Uskub waren opgegaan.
—Maar op den weg zijn hun sporen niet te zien,—merkte ik aan.
—Zij sloegen den weg naar Rumelia in. Naar hun meening was de groote weg te modderig. Tot Rumelia konden zij aldoor over grasvlakte rijden.
—Maar zij maken een grooten omweg, wat voor een gewonde nog al iets beteekent. Ik zeg u, dat zij in ’t geheel niet naar Uskub willen gaan. Daar zouden zij gevaar loopen, opgepakt te worden. Zij vluchten voor ons. Daarom hebben zij u wat voorgelogen, opdat gij aan ons niet zoudt verraden, waarheen zij reden. Is de weg van hier naar Rumelia moeilijk te vinden?
—In ’t geheel niet. Die loopt nog een klein eind langs de rivier en gaat dan rechtsaf. Gij zult de sporen van de vijf ruiters gemakkelijk vinden, want de weg is tamelijk zacht.
Nu nam ik afscheid en ging naar mijn wachtende metgezellen terug.
—Onze vluchtelingen gaan niet naar Uskub; zij zijn naar Rumelia gereden.
—Naar Rumelia?—vroeg Janik. Zij hebben dus den grooten weg verlaten. Wilt gij hen soms volgen, Sihdi?
—Ja. Wij zullen dus moeten scheiden.
Het was een roerend afscheid, dat wij van het jonge bruidspaar namen.
Toen wij nu, in plaats van noordwestelijk, precies westelijk reden en het dorp achter ons hadden, konden wij de sporen der vijf mannen duidelijk op den weeken grond zien. Een eigenlijke weg was er niet.
—Kent gij dit Rumelia?—vroeg mij Halef, die zich weer naast mij bevond.
—Neen. Ik weet alleen dat het een dorp is; ik ben hier nog nooit geweest. Vermoedelijk ligt deze plaats aan den weg, die van Köprili langs de Warder naar Uskub brengt. Aan den anderen kant loopt de spoorweg.
—Ah! Wij konden dan misschien wel een eind per spoor gaan. Wanneer ik bij Hanneh, de mooiste van alle jonge dochters, terug ben, dan zal ik er trotsch op zijn, te kunnen vertellen, dat ik ook eens in een wagen gezeten heb, die door rook getrokken werd.
—Zoo’n wagen wordt niet door rook maar door stoom gedreven.
—Dat is toch hetzelfde?
—Neen; rook kunt gij zien, maar stoom is onzichtbaar.
—Als men stoom niet kan zien, hoe weet gij dan, dat er stoom is?
—Kunt gij muziek zien?
—Neen, Sihdi.
—Dan is er volgens u ook geen muziek. Het is niet goed mogelijk u het wezen en de werking van den stoom te verklaren. Om mij daarbij te kunnen volgen, moet gij eerst meer elementaire kennis hebben.
—Sihdi, wilt gij mij beleedigen? Heb ik niet menigmaal bewezen, dat het mij aan elementaire kennis niet ontbreekt?
—Maar op het gebied der physica zijt gij een volkomen vreemdeling.
—Wat is dat voor een gebied?
—Daartoe behooren de krachten en wetten der natuur.
—O, ik ken alle natuurlijke krachten en wetten. Als iemand mij beleedigt, dan is het toch niet moeielijk te begrijpen, dat de natuurwet zegt, hem daarvoor een oorvijg te geven. En als ik dan volgens de natuurwet dien klap geef, dan is het door de natuurkracht dat ’s mans oor tintelt. Of heb ik daarin ongelijk?
—Gij hebt zeer dikwijls gelijk, ook als gij ongelijk hebt, mijn waarde Halef. Overigens spijt het mij, dat gij Hanneh, die bloem aller vrouwen, niet zult kunnen vertellen dat gij in een spoorwagen gereden hebt.
—Waarom niet?
—Eerstens weet ik niet, of de spoorweg al wel bereden wordt, en dan, wij moeten onze vijanden volgen. Die reizen niet per spoor, bij gevolg moeten wij ons dat genoegen ook ontzeggen.
De weg was nu redelijk goed. Wij kwamen dus tamelijk vlug vooruit. Na een half uur zagen wij het dorp voor ons liggen. Rechts ging de weg naar Uskub, en die links ging naar Köprilie over Kapetanli Han.
Toen ik mijn oog over den weg liet gaan, zag ik een ruiter in gestrekten galop van Kapetanli Han aankomen. Iemand die op zulk een drassigen weg zoo snel reed, moest wel veel haast hebben. Ik nam mijn verrekijker.
—Nauwlijks had ik den man gezien, of ik gaf den kijker aan den Hadschi. Hij richtte hem, maar liet hem terstond weer zakken.
—Allah!—riep hij uit.—Dat is Suef, die zich voor een kleermaker uitgaf!
Ik had dus terecht tegen hem beweerd, dat hij Kilissely terstond na ons verlaten zou.
—In den draf, Halef! Hij wil de anderen waarschuwen; dat mag niet gebeuren. Hij weet, waar zij heen gaan.
—Maar wij kunnen hem niet vóór komen—meende Halef,—hij is al reeds te dicht bij het dorp. Maar aan gene zijde van het dorp kunnen wij hem inhalen.
—Ja, als er ten minste een brug over de rivier ligt. Moeten wij ons laten overzetten, dan heeft hij den voorsprong. Ik rijd vooruit.
—Ik raakte de flanken van mijn paard maar even met mijn sporen aan en op hetzelfde oogenblik schoot het met de snelheid van een expres vooruit. Suef had ons tot nu toe nog niet gezien. Maar nu bemerkte ik dat hij opschrikte; en zijn zweep uithalende, zette hij, met alle macht slaande, zijn paard aan. Hij had mij herkend en wilde mij voorkomen.
Inderdaad was hij dichter bij het dorp dan ik; maar zijn paard kon het onmogelijk tegen mijn Arabier opnemen. Ik liet mijn gefluit hooren, en mijn volbloed verdubbelde de snelheid van zijn gang. In minder dan een minuut was ik op den weg, waarop Suef zich bevond en tusschen hem en het dorp. De vrees voor mij weerhield hem, mij voorbij te rijden. Een omweg bestond er voor hem niet, wijl links van ons de sterk stroomende rivier voorbij schoot.
Ik bleef midden op den weg staan, om op mijn gezellen te wachten. Suef hield ook stand, ongeveer vierhonderd schreden van mij af.
—Dat heeft uw Rih mooi gedaan Sihdi!—zei Halef, terwijl hij lachende aan kwam rijden. Men zou het voor onmogelijk houden, dat een paard zoo snel kon loopen. Maar wat doen wij nu? Zult gij met dien man spreken?
—Geen woord, tenzij ik er toe gedwongen word.
—Maar hij legt het toch, ook nu nog, op ons leven toe!
—Wij hebben hem gestraft. Voor wij daarmede opnieuw beginnen, moet hij weer met vijandelijkheden tegen ons optreden. Wij zullen nu doen, alsof wij hem niet kennen.
—Wij hebben toch een groote fout begaan.
—Welke?
—Dat wij hem de bastonnade hebben gegeven. Want nu kan hij altijd nog rijden. Hadden wij hem met de zweep gegeven, niet opzijn voetzolen, maar op dat lichaamsdeel, waarmee de Padischa zijn troon bedekt als hij er op gaat zitten, dan had hij noch kunnen loopen noch rijden.
—Daar zouden wij niets mee gewonnen hebben, want de oude Mubarek zou een anderen bode gezonden hebben. Voorwaarts dus!
Wij reden verder, en Suef volgde ons langzaam. Zeer zeker was hij grimmig boos over onze tusschenkomst.
Rumelia scheen grooter dan Guriler te zijn. Het strekte zich van den weg af tot aan de rivier uit. De Wardar zag er gevaarlijk uit; het vuile water golfde onstuimig en hoog. De golven hadden zich ver over den oever geworpen en overstroomden de aangrenzende, in weiden afgedeelde grasvlakte. Aan de overzijde der rivier zagen wij de spoorbaan. Men scheen aan haar versterking bezig te zijn. Wij zagen een zandtrein langzaam aankomen, een massa arbeiders waren met spaden en houweelen aan het werk, en nabij den dam stonden lange loodsen, voor tijdelijke woning van het werkvolk.
Een brug was er niet, maar een veer. Het was een breede zware praam, die op touwen liep, welk in de diepte verankerd waren. De praam zelve werd door de schippers met sterke stangen voortgestuwd.
—Wat nu?—vroeg Halef, toen wij bij de eerste huizen van het dorp gekomen waren.—Laten wij ons terstond overzetten?
—Neen,—antwoordde ik. Wij rijden op en neer, en wachten af, wat Suef zal doen, wij volgen hem, waar hij heen rijdt. Wij weten niet, waar Karanirwan ligt; hij zal nu, of hij wil of niet, onze gids zijn.
—Neen, Effendi hij zal slim genoeg zijn, om ons op een dwaalspoor te leiden.
—En wij zullen ons door hem niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet bedenken, dat zijn voeten hem ontzettend pijn doen. Hij houdt ze wel in de stijgbeugels en behoeft ze niet in te spannen; maar het rijden schudt en schokt ze toch onophoudelijk. Hij zal dus zijn doel zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken, en al zoekt hij ons op een verkeerd spoor te brengen, toch zal hij niet al te ver van zijn richting afwijken.
—Maar hij zal toch al het mogelijke doen om uit ons gezicht te komen!
—En wij zullen al het mogelijke doen om hem dit te beletten. Laten wij ons dus uit de voeten maken!
Wij reden nog een eind verder, zoodat Suef op voldoenden afstand ons voorbij en naar het veer kon komen. Daar hielden wij stil, maar ik zorgde, dat ik hem aldoor in het oog hield. Wij deden echter alsof wij in ’t geheel niet op hem letten. Toch kon hij wel begrijpen, dat het tegendeel waar was.
Tegen onze verwachting in, reed hij niet naar het veer. Hij dreef zijn paard nu eens vooruit en dan weer achterwaarts, met groote opmerkzaamheid naar de spoorbaan aan de overzij ziende, alsof het gindsche werk al zijn aandacht trok.
—Hij wil niet bijten,—zeide Halef en lachte.—Hij is slimmer dan wij.
—We zullen zien. Hij doet alsof hij alleen voor den spoorwegarbeid oogen had, maar ik bemerk toch, dat hij telkens zijwaarts kijkt, naar dat witgepleisterde huis ginds. Er is daar voor de deur een ijzeren stang, waarschijnlijk om er een paard aan vast te binden. Misschien is dat gebouw een Khan, en is hij van plan daar te verblijven. Laten wij nu doen, alsof wij wilden overvaren.
Wij reden naar het veer. Er was van planken een pad gemaakt, om droogvoets over den overstroomden oever te komen. Daar dit pad slechts voor voetgangers bestemd was, moesten wij een eind door het water rijden, dat den paarden tot aan den buik kwam.
De overvaart was niet ongevaarlijk. De oude praam scheen half vergaan te zijn. Het touw dat haar hield, was van twijfelachtige sterkte, en het bedienings-personeel, een oude man met drie halfwas jongens, kon geen groot vertrouwen inboezemen. Bovendien was de golfslag vrij sterk. De stroom voerde allerlei voorwerpen mee, die hij van den oever losgewerkt had. Er hadden zich maalstroomen gevormd, waarin men allicht terecht kon komen. Kort en goed, toen wij ons nu op de pont bevonden was ik weinig op mijn gemak.
De oude veerman zat op den rand en rookte. Met aandacht nam hij ons op en knikte veelbeteekenend tegen zijn jonge helpers.
Ik was zóó gaan staan, dat ik Suef in het oog hield. Nauwelijks bevonden wij ons op de praam, of hij draafde weg, naar het aangeduide witte huis toe, steeg af, bond zijn paard vast en strompelde met veel moeite door de deur.
—Halef en Osko, vlug ook naar binnen! Wij moeten weten, wat hij doet en spreekt. Laat hem geen oogenblik alleen!
De beiden drongen hun paarden terstond op den oever terugen reden naar het huis toe. Geen halve minuut, nadat Suef er in was gegaan, waren ook zij er binnen.
Nu wendde ik mij tot den ouden veerman:
—Hoeveel hebben vier ruiters te betalen, om overgezet te worden?
—Twintig piasters,—antwoordde hij, de hand voor mij ophoudende.
Ik gaf er met mijn zweep een tikje op, en zeide:
—En ik betaal u niets.
—Dan blijft gij aan den verkeerden kant!
—Neen, gij zult ons overzetten. Maar gij hebt den vijfvoudigen prijs gevorderd. Dat moet bestraft worden. Nu zult gij eerst ons overvaren, en dan krijgt gij, aan den overkant, voor iederen piaster een slag op uw voetzolen. Kijk dezen Firman van den Padischa eens! Zoo ziet gij, dat ik geen man ben, die zich laat bedriegen.
Hij zag het zegel, nam zijn pijp uit zijn mond, vouwde de handen over zijn borst, boog en zei op eerbiedigen toon:
—Heer, wat Allah ons zendt, is goed. Ik zal u overvaren en daarvoor twintig zoolslagen ontvangen. Allah zegene den Padischa en zijn kindskinderen!
Zoo gaat het daar achter in Turkije toe! Maar ik was geen Turk, nam twintig piasters, gaf ze hem en zeide:
—De slagen zal ik u schenken, want ik heb medelijden met de dagen der jaren uws levens. De rivier is gezwollen en de overtocht moeilijk en niet zonder gevaar, daarom moogt gij wel iets meer dan gewoonlijk vragen; maar al te veel moogt gij toch niet vorderen.
Hij aarzelde, het geld aan te nemen en met open mond keek hij mij vol verbazing aan.
—Nu, hoe is het, moet ik het geld weer bij mij steken?—vroeg ik.
Die vraag bracht hem weer tot zich zelf. Hij kwam met een sprong naar mij toe, greep mij het geld uit de hand en riep:
—Hoe? Wat? Gij betaalt mij, ofschoon gij in de schaduw staat van den Grooten Heer en zijn Eersten Vizier?
—Moeten niet juist die menschen rechtvaardig zijn?
—O Heer, o Agha, o Effendi, o Emir, zij zijn het gewoonlijk niet! Maar uw oogen stralen vol genade en uw woorden vloeien over van barmhartigheid en vriendelijken zin. Daarom zegene Allah u in uw eigen persoon, in uw ouders en voorouders, ook in uw kinderen en kindskinderen! Ja, zooveel genade als gij mij bewijst,valt ons maar zelden ten deel, ofschoon wij een zuur verdiend en karig stuk brood gewinnen.
—Maar ginds zijn toch tal van menschen aan het werk. Gij verdient door hun aanwezigheid toch meer dan vroeger, toen zij er niet waren.
—Nog minder, nog veel minder verdien ik nu, want die menschen hebben hooger op, een tweede veer aangelegd en varen met een groote schuit. Dat doet mij natuurlijk veel afbreuk en mijn pacht blijft even hoog.
—Wagen zich die menschen dan ook bij ongunstig getij in den fellen stroom?
—Vandaag hebben zij het nog niet gedurfd, want het was al te gevaarlijk; men zou een dubbel getal roeiers noodig hebben.
—Maar gij hebt heden toch al heel wat menschen overgezet. Waren daar ook vijf ruiters bij, waarvan er twee op sjek-paarden zaten?
—Ja, Heer. Een scheen gewond te zijn. Zij kwamen uit de herberg daar ginds, waar zij een poos te voren afgestegen waren.
Hij wees, dat zeggende, naar het door mij opgemerkte witgepleisterde huis.
—Hoe lang is het geleden, dat gij hem zaagt?
—Zeker al een paar uur. Beter was het voor mij geweest, indien ik ze nooit had gezien!
—Waarom?
—Omdat zij mij bedrogen hebben. Toen wij aan de overzij waren, en ik om het veergeld vroeg, kreeg ik zweepslagen in plaats van geld. En dan hadden zij mij nog wel een opdracht gegeven, die ik nu niet uitvoeren wil. Die mij niet betaalt, voor dien doe ik uit vriendelijkheid ook niets.