Chapter 20

—Mag ik soms weten, voor wien zij u iets hebben opgedragen?—Met alle liefde. Zij gaven mij een boodschap voor den man, die straks zoo dicht bij u was, en daarna in de herberg ging.—Dus kent gij hem?—Wel ja! Iedereen kent den kleermaker.—Is hij werkelijk een kleermaker?—Men zegt het, maar ik ken hier niemand, voor wien hij een kleedingstuk gemaakt heeft.—Hm! En hoe luidde de boodschap?—Hij moest zich haasten, want dat zij maar tot morgen op hem konden wachten.Waar? Dat wist hij niet, en van de vijf ruiters kende hij alleen den vroegeren ontvanger uit Uskub, die de menschen het bloed uitgezogen had.—Allah zegene hem met ontelbare lichaams-kwalen, en voege er dubbel zooveel ziele-ellende aan toe!—voegde hij er bij.Hij wilde nog meer zeggen, maar er was iets, dat zijn bizondere aandacht trok. Uit de herberg kwamen twee mannen naar buiten, die ieder twee riemen droegen. Zij gingen naar het water en liepen toen stroomopwaarts verder.—O Allah,—riep hij uit.—Zullen die onvoorzichtigen het werkelijk wagen, met de schuit over te varen?—Waar is die schuit?—Ginds, hooger op, waar die vrouw staat. Gij kunt de schuit niet zien, want ze ligt achter de biezen.De beide mannen kwamen bij de aangeduide plek, wisselden met de vrouw enkele woorden en verdwenen toen achter de biezen.—Werkelijk, zij wagen het!—zei de oude. Wel, als Allah ze in zijn hoede neemt, dan kan het hun gelukken. Maar zonder hulp varen zij in geen geval over, en hun passagier zal hun heel wat geld moeten betalen. Hij kon bij mij goedkooper terecht.—Dat zal die vrouw betalen.Ik zei dat, omdat de vrouw insgelijks achter de biezen verdween; zij was dus mee in de schuit gegaan. De oude schudde van neen en zei:—Die geeft geen duit. Zij behoort tot de arbeiders van het werk en gaat voor niet mee. Die vrouw heeft daar al van den vroegen morgen af gewacht, maar er voer niemand over. Maar wat is dat? Zou die kleermaker——Terwijl de oude veerman met mij had staan praten, was Suef uit de herberg gekomen en opgestegen. Zonder opzettelijk naar ons te kijken, had hij toch zijn oog over ons laten gaan en was toen naar de plek gereden, waar de schuit lag. Daar ging hij er in.—Allah il Allah! De kleermaker in de schuit!—riep de oude. Hij mag ter dege oppassen, of hij krijgt meer water te slikken dan hij verdragen kan. Ik weet, dat hij zeer arm is en zou hem voor een kleinigheid, of ook wel voor niet meegenomen hebben. Waarom komt hij niet bij mij?Ik vond het niet noodig, aan den oude de reden te zeggen, waaromSuef ditmaal niet in zijn praam kwam. Ik vermoedde dat Suef mijn doel had doorzien en met de schuit eerder hoopte aan te komen dan wij dit met de praam zouden kunnen. Als hij dan vlug te paard steeg, kon hij in vollen galop rijdende, ons nog uit het gezicht komen. Aan de sporen, die hij zou achterlaten, dacht hij niet.Intusschen kwamen ook Halef en Osko ijlings naar mij toe.—Sihdi, de schurk vaart met een schuit over,—meldde Halef. Hij heeft dertig piasters geboden, als zij hem wilden overzetten.—Hebt gij nog iets meer gezien of gehoord?—Ja, maar niet veel. Juist toen wij binnen kwamen, sprak hij met den waard over de vijf ruiters. Hij gaf hem terstond een wenk, om te zwijgen, maar deze was midden in een zin en voleindigde dien, met wat wij hoorden.—En wat hebt gij gehoord!—Dat die vijf den kleermaker in Treska-Konak zouden opwachten.—Waar ligt die plaats?—Dat weet ik niet, en wij konden het ook van den waard niet te weten komen. Die man houdt het beslist met den kleermaker.—Werd er verder niets gezegd?—Zij spraken alleen nog over het veer.—Zoo, dat gij het kondt hooren?—Ja. En die Suef keek ons daarbij zoo boosaardig lachende aan, alsof hij er in groeide ons te kunnen ergeren. Het liefst had ik hem met mijn zweep wat gegeven. Hij verkneukelt zich in de gedachte, dat hij nu vóór ons zal aankomen.—En gij hebt hem niets gezegd?—Geen woord.—Best! Kijk, hij heeft zijn paard aan den teugel, achter zich aan. Hij zelf gaat in de schuit en de merrie mag hem nazwemmen. Die zal het kwaad te verantwoorden hebben.—O Sihdi, ik heb het dier gisteren bij de vervolging, nauwkeurig gade geslagen. Het is veel, veel beter dan het er uitziet. Dat paard heeft den Scheitan in zijn bloed.—Welnu, ondanks alles wat er gebeurd is, zou het mij toch spijten, als er een ongeluk gebeurde, vooral om de vrouw, die mee in de schuit is gegaan. Laten wij nu overvaren, liefst zoo gauw mogelijk. Voorwaarts!Dit laatste gold den veerlui.De oude had juist zijn pijp leeggeklopt en haalde zijn tabak te voorschijn, om opnieuw te stoppen. Ondanks mijn bevel ging hij bedaard zijn gang.—Hebt gij mij begrepen?—vroeg ik hem. Leg die pijp weg! Het zal een enkelen keer ook wel eens zonder rooken gaan.—Neen, Heer,—antwoordde hij kalm. Bij mijn werk behoort een Tschibuk; zonder dat gaat het niet. Mijn leven lang is dat zoo geweest en zal het ook zoo blijven tot ik zelf overgezet word.—Maar ik wil eerder aan den overkant zijn dan de schuit.—Heb daar geen zorg over, Heer. De schuit komt waarschijnlijk in ’t geheel niet aan de overzij.Met de grootste bedaardheid stopte de oude zijn pijp verder, en nam toen met zijn bloote vingers een kooltje uit een klein vuurtje, dat op een steen lag te gloren, alleen om den baas te dienen, bij het aansteken. Toen hij eenige trekken gedaan had, riep hij op den toon van een generaal-veldmaarschalk: Op! Vat aan, dappere jongens! Wij moeten de piasters verdienen, die wij gekregen hebben.Te zelfder tijd zagen wij, hooger op, de schuit uit de biezen vooruit schieten. Voorop zat de vrouw; in het midden spanden de twee roeiers alle krachten in, en achter aan hurkte Suef, met de teugels in de hand. De kop van het paard stak boven het water uit. Een roer was er aan het vaartuig niet.Toen Suef ons zag, hief hij den arm op en maakte een spottende handbeweging. Als hij die vaart behield, dan was hij zeer zeker over, voor wij halverwege waren, want de drie dappere jongens van onzen veerman schenen geen merg in zich te hebben. Ze maakten de praam hoogst voorzichtig van den ketting los, namen toen de boomen ter hand en staken daarmee in het water rond, alsof zij een speld op den bodem wilden vinden. Tot overmaat van ramp waren onze paarden aan zulk overgezet-worden niet gewoon. Wij moesten dus in den zadel blijven om ze rustig te houden; anders had ik mijn gezellen gezegd de handen mee aan het werk te slaan.Halef kwam op een goede gedachte om onzen overtocht te bespoedigen. Hij haalde zijn zweep uit zijn gordel en zeide tot den bij hem staanden veerknecht:—Wat vlugger!Te gelijkertijd gaf hij hem een slag over zijn rug, en nauwelijks was die gevallen, of de oude schreeuwde:—O Allah, o weemoed, o noodlot! Pakt aan, gij jongelingen! Duwt, stoot, gij mannen! Met alle kracht er op, gij sterken! Hoe eer wij over komen, des te grooter de bakschisch, die wij van die vier beroemde Scheiks en Emirs ontvangen.Dit heerlijke vooruitzicht wond de drie jongens zóó op, dat zij zich bovenmate inspanden. Het tempo hunner handbeweging verdubbelde in snelheid. Natuurlijk verloren wij de schuit niet uit het oog. Om recht tegenover de plek van afvaart aan te komen, moesten de roeiers de schuit richten alsof zij stroomop wilden varen. Hoe meer zij echter het midden der rivier naderden, des te meer moesten zij zich inspannen. En toch dreef de schuit zóó beduidend af, dat het landingspunt, in plaats van hen te naderen, des te meer van hen afweek. Dit afdrijven maakte Suef ongerust. Uit de gebaren, die hij maakte, zagen wij, dat hij zijn roeiers tot nog grootere kracht-inspanning aanvuurde.Ook onze mannen moesten trekken wat zij konden. De kracht van den stroom was zoo groot, dat de spantouwen doffe tonen lieten hooren. Wanneer een van deze knapte, waren wij aan het geweld van den stroom overgegeven. De oude veerman zocht zijn ganschen woordenschat bijeen, om zijn helpers tot verdubbelde inspanning van krachten op te winden.De roeiers van Suef’s schuit hadden zich in den aanvang wel door den stroom laten meesleepen, maar ook zij hadden alle krachten ingespannen en naderden al meer en meer de lijn, waarop de praam, aan het ankertouw verbonden, zich bewoog. Reeds kon men Suef en zijn helpers duidelijk onderscheiden. De oude veerman volgde met een zaakkundigen blik den gang der schuit.—Zij halen den overkant niet,—zeide hij. Of de riemen breken, of—-ah, Allah, Allah, zij halen het toch! Bij den Scheitan, er zit kracht in die kerels! Het gelukt ze toch nog, want—-wee, o wee! Nu zijn ze verloren!Hij had goed gezien. De rechter riem van een der roeiers was uit den dol geglipt en uit ’s mans hand gevlogen. Door de pijn van zijn eigen val had hij ook den linker riem laten gaan, zoodat zij beide door den stroom meegevoerd werden. Er bleef dus maar één roeier over en.... die kon de schuit onmogelijk alleen regeeren.De spoorwegwerkers waren allen toegesneld, om den afloop te zien. In de grootste spanning hadden zij den strijd tusschen praamen schuit gevolgd. Ook wij waren nu midden op de rivier, waar deze het onstuimigst en dus het gevaarlijkst was. Onze praam helde zóó naar een zijde over, dat zij allicht vol loopen kon, en dan waren ook wij verloren. Het waren oogenblikken van de grootste spanning en doodsgevaar.De overgebleven roeier van de schuit moest den strijd opgeven. De krachten begaven hem. Hij haalde zijn riemen in, en legde de handen in zijn schoot. De stroom pakte de schuit en stuwde haar recht op onze praam af. In woeste vaart schoot zij op ons af. Van de overzijde klonk de angstige kreet:—Vrouw, vrouw, houd u vast!Op hetzelfde oogenblik was het gevreesde gebeurd. Een enkele krak, en de schuit botste tegen onze praam. Op hetzelfde oogenblik weerklonk er een hartverscheurende gil. Het was een eenstemmige kreet van de arbeiders aan den kant, van de vier opvarenden der schuit en van ons, die in de praam waren. Die krijtende gil kwam van zoo vele lippen en was een eenparige uiting van den grootsten schrik.In zulke oogenblikken handelen velen naar een instinctieven drang, die ons dan tot het juiste beweegt, buiten alle overlegging om. Oogenblikkelijk doen zij wat gedaan moet worden, en weten dan later niet te zeggen, waarom zij zoo en niet anders hebben gehandeld.Sommige menschen handelen volgens helder scherp overleg. Men zegge mij niet, dat er in zulke oogenblikken van gevaar geen tijd is om in minder dan een seconde te overdenken en een besluit te nemen. Het is veel meer te bewonderen, hoe de algoede Schepper den mensch begiftigd heeft met vermogens die desnoods tijd en ruimte beheerschen. In den droom, bij voorbeeld, doorleeft men in enkele minuten de gebeurtenissen van een geheelen dag, ja! van vele dagen te zamen. Ik droomde eens, dat ik een examen moest doen. Een geheelen dag hadden wij voor ons schriftelijk werk. Ik ging zitten, was er het eerst mee klaar, mocht het gebouw verlaten en maakte een wandeling van vele uren in het gebergte. De twee volgende dagen deed ik het mondeling examen—altijd in denzelfden droom. Aan den avond van den tweeden dag, toen het examen ten einde liep, brak er een bank, waarop vele toehoorders zaten en.... ik ontwaakte. Mijn contubernaal had het venster dicht geslagen. Informeerende naar wat er van mijn droom waar konzijn, zeide hij dat ik, voor hoogstens drie minuten, hem gezegd had, dat hij mij met vragen niet meer moest ophouden, want dat ik doodmoe was en wilde slapen. Ik had dus in drie minuten die examen-dagen doorgemaakt en dat met zooveel zelfbewustheid, dat ik mij volkomen goed herinnerde wat ik op de vele pagina’s van den eersten dag had geschreven en wat ik de twee volgende dagen bij het mondeling examen had geantwoord. Ja, ik wist zelfs, welke personen ik op mijn berg-wandeling had ontmoet en waarover ik met hen had gesproken. Van het in dien droom-nacht doorleefde herinnerde ik mij des anderen daags echter maar bitter weinig.Wanneer men dus droomende in drie minuten doorleven kan, waarvoor men wakende drie dagen, dat zijn 1400 minuten noodig heeft, dan openbaart zich hierin een vermogen van onzen geest, dat mijne nu volgende handelingen moet beheerscht hebben.Ik heb mij in omstandigheden bevonden, dat mijn of anderer leven aan een seconde hing, en als dit moment voorbij en het gevaar afgewend was, heb ik altijd geweten, dat ik in deze ééne seconde het gevaar volkomen had doorzien, alle middelen tot afwering mij door het hoofd waren gegaan, en het zekerste door mij gekozen en uitgevoerd was. Dat lijkt onbegrijpelijk, ja een wonder, maar in het dagelijksche leven komen duizenden van zulke wonderen voor, zonder dat men er zich van bewust is. Niet alleen leven wij en bewegen wij ons te midden van wat enkel wonderen Gods zijn, maar wij zelf zijn van al die wonderen ongetwijfeld het grootste. De godloochenaar moge over dit zeggen de schouders ophalen, ik beklaag hem.Iets dergelijks deed zich hier op de hoog gezwollen rivier voor.De vrouw, die in den voorsteven van de schuit hurkte, klemde zich, van angst jammerende, aan den boeg van het vaartuig vast, maar de botsing was zóó geweldig, dat zij er uit geslingerd werd. Zij verdween in den wilden drabbigen vloed en—ik met haar.Hoe ik van mijn paard af ben gekomen, hoeveel tellen ik gebruikt heb, om mij van de geweren, van den inhoud mijner zakken en mijn gordel te ontdoen, kan ik onmogelijk zeggen. Halef beweerde later, dat ik mij reeds vóór de aanvaring van het paard had laten glijden, in het zekere vooruitzicht, dat de vrouw zich niet zou kunnen houden. Hij zou ook getracht hebben mij te weerhouden, maar daar herinner ik mij niets van. Al mijn denken concentreerde zich op een enkel punt.Zeker weet ik alleen, dat ik de vrouw met één hand greep en mee in de diepte trok, om met haar van onder de schuit èn de praam weg te komen. Die konden voor ons gevaarlijk worden.Toen ik weer opdook zag ik, dat wij een tamelijk eind afgedreven waren. Ik hield de vrouw bij de mouw van haar blauw-katoenen Zuava (van voren open geborduurd jakje); zij was bewusteloos, wat voor mij niet anders dan gemakkelijk kon zijn. Ik bevond mij over de halve breedte der rivier, dus voorbij het midden, waar de strooming het ergst was en aan de zijde van de spoorwerkers, en moest nu trachten den oever te bereiken, zonder in den strijd tegen de golven mijn krachten te verspillen. In zulke toestanden mag men niet voorover, maar moet men op zijn rug zwemmen, wat weer dit nadeel heeft, dat men niet voor zich uit kan zien. Maar het heeft dit voordeel, dat men veel meer dragen kan, en het niet zoo vermoeit. Ik lei de vrouw dwars over mij heen, zoo dat haar hoofd boven water bleef, en ik liet mij op den stroom drijven.Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).Daar ik het lichaam der drenkelinge te dragen had, kwam het mijne diep te liggen. Wat moeite ik mij ook gaf, het gelukte mij slechts nu en dan mond en neus boven water te krijgen om adem te kunnen halen. Tevens deed ik al wat mogelijk was, om den oever te naderen.Dat was bij lange na zoo gemakkelijk niet, als mijn lezers wellicht zullen denken. De oever brak de strooming en dreef haar in breede golvingen naar het midden der rivier terug. Ik kon alleen naar omhoog en een weinig ter zijde zien, maar in ’t geheel niet voor mij uit, en toch moest ik mij in acht nemen voor de vele voorwerpen, die in de rivier dreven of er uit staken. De menschen aan den oever liepen stroom-afwaarts, in dezelfde richting als ik, maar brachten mij door hun schreeuwen in de war. De reden van dat schreeuwen was, dat zij mij moeilijk bij konden houden, want de vloed dreef mij met zoo’n ontzettende vaart voort, dat ik er duizelig van dreigde te worden. En—ik moest al mijn bedaardheid bewaren. Als ik in de vele maalstroomen en draaiïngen, armen of beenen verkeerd uitsloeg, wanneer ik ook maar een oogenblik mijn zelfvertrouwen verloor, dan was het gedaan, èn met mij èn met de vrouw. Met alle kleeren aan te zwemmen, is in stilstaand water al moeilijk, maar in dit onstuimig element, met een drenkeling op mij en met de vroeger zoo welkome maar nu zoo fatale jichtlaarzen aan vanden arts van Radowitsch, dat was toch nog iets anders. Zooals later uitkwam, was ik in ’t geheel niet lang in het water geweest, maar er in liggende leek het mij een eeuwigheid toe.Eindelijk was het mij gelukt, uit den mij met geweld meesleurenden stroom, en over de zich aan den oever vormende draaiingen, heen te komen. Ik bevond mij in het meer stilstaande water van het overstroomde land, maar kon, tot mijn verwondering, geen grond voelen. Dat bracht mij in de war; want als ik mij liet zakken om vasten grond te krijgen, zonk ik al dieper en dieper weg. Op eens hoorde ik iemand toeroepen:—Allahy sewersin! Daha uzak, daha uzak jüz. Orada tschukurlur. Schurada gel!—Om Godswil! Zwem verder, verder! Daar zijn groeven. Kom hierheen!Men had, bij het ophoogen van den dam, den nabij liggenden grond gebruikt, waardoor natuurlijk diepten en groeven waren ontstaan, boven welke ik mij bevond. Ik kon den roepende niet zien, omdat het water mij over de oogen stroomde; maar ik vermoedde, dat hij op den dam stond, en zwom op het geluid af, naar hem toe. De dam vlakte boven het water, dat, tot bij hem, diep-water was.Toen ik daar aankwam, strekten tien, twintig handen zich naar mij en naar de drenkelinge uit. Men nam de bewustelooze van mij over. Ik zelf kroop half tegen den dam op, half werd ik er tegen opgetrokken. Eerst nu voelde ik, dat mijn kleeren als lood aan mij kleefden.Rondom mij was alles een en al gejubel; slechts twee hieven klaagtonen aan. Zij, die dat deden, meenden dat de vrouw dood was. Ik zei hun echter dat zij onmogelijk verdronken kon zijn, ofschoon het kon zijn dat de botsing haar gedood had. Zij werd stroomopwaarts naar de planken-huizen gedragen.Nu hoorde ik den hoefslag der mijnen. Mijn drie vrienden kwamen in galop langs de spoorbaan aanrijden. Halef was de voorste.—Sihdi, Sihdi!—riep hij al van de verte.—Zijt gij dood of leeft gij nog?—Ik ben springlevend!—antwoordde ik. Ik ben zoo frisch als een hoentje.—Allah zij geloofd, geprezen en gedankt!Hij sprong van zijn paard, wierp zich naast mij op den grond, greep beide mijn handen en zeide:—Maar hoe kan iemand in zulk vuil water springen! En hebt gij daarvan moeten inslikken?—Ja, en het smaakte bijna als het bier van den waard te Radowitsch.—Ik zou er liever niet van proeven. Allah, Allah, wat schrikte ik, toen ik u in het water zag verdwijnen! Is dan een vrouw het waard, dat men er zijn leven voor waagt?—Natuurlijk! Zoudt gij voor Hanneh, de lieflijkste van alle dochters en vrouwen, uw leven niet wagen?—Voor Hanneh? Zeer zeker en gewis! Maar wat was die vrouw? Uw verloofde of zuster? Had zij u lief, en zou zij uw vrouw worden?—Zij was een menschenkind, dat in doodsnood verkeerde, en voor water behoefde ik geen vrees te hebben.—Neen, maar het is vandaag woest onstuimig. Zie maar eens hoe wild het te keer gaat, uit kwaadaardigheid dat die vrouw ontkomen is. Ik heb Rih voor u meegebracht, omdat gij niet loopen kunt. Stijg op. Wij moeten een gelegenheid zoeken, waar gij uw kleeren kunt drogen.—Waar zijn mijn geweren en verdere zaken?—Ik heb alles. De geweren hangen ginds aan uw zadel.—En hoe is het met de andere opvarenden van de schuit gegaan?—De twee roeiers hebben wij op de praam getrokken; maar de kleermaker was over boord geslagen.—En is hij verdronken?—Neen. De Scheitan heeft nog niets van hem willen weten. Ik heb hem met zijn merrie zien zwemmen; we willen eens zien, waar hij te land is gekomen.Hij stond weer op en keek naar Suef rond. Na een oogenblik wees hij naar het lager einde der rivier.—Daar zijn de twee beesten, hij en zijn paard.Ik keek in de aangeduide richting en zag, ver van ons, den bedoelde, die den staart van zijn paard had gegrepen en zich door de merrie liet slepen. Die oude merrie was werkelijk een kostbaar dier.—Zal ik er heen rijden en hem achterover slaan, als hij uit het water komt?—vroeg Hadschi.—Neen, hij zal genoeg angst uitgestaan hebben. Dat is voldoende voor hem.—Maar hij alleen is de schuld, dat gij in het water hebt moeten springen!—Dat is geen reden om hem dood te slaan.—Maar hij zal ons ontsnappen! In uw toestand kunt gij hem toch niet volgen.—Laat hem loopen! Wij halen hem toch nog wel in.Natuurlijk betuigden Osko en Omar mij hun groote vreugde over het welgelukken van mijn waterexpeditie, die in ’t geheel niet op ons programma had gestaan.Tal van spoorwerkers omringden ons, die met de vreugde-kreten instemden en mij drongen, mee te gaan naar een der hutten, waar een Soba (haard) stond, waarbij ik mijn kleeren spoedig kon drogen. Dat had ik stellig het meeste noodig. Daarom steeg ik te paard en reed terug, juist toen ook de kleermaker den oever bereikt had. Wat hij nu verder ging doen, kon mij voorloopig onverschillig zijn.Ik behoefde mijn paard niet te mennen; daar zorgden de arbeiders voor. Zij grepen de teugels, ja zelfs de stijgbeugels. De anderen liepen voor, naast en achter mij, en zoo werd ik in triomf weggeleid, een natte triomftocht, want het water sijpelde door mijn kleeren tot in mijn jicht-laarzen. Even omziende, zag ik, dat Suef dwars door het veld heen, weggaloppeerde. Paard en ruiter schenen dus heelhuids er af gekomen te zijn.Ook nu had Halef mijn voorbeeld gevolgd en omgekeken. Suef ziende, hief de kleine Hadschi zich op in den zadel, balde toornend de vuist en zeide:—Kem lahana uzuw ümri war; lakin Allah war eder, Allah jog eder.—Onkruid houdt het lang, maar Allah geeft en neemt het leven.Hij wilde in zijn toorn zeggen, dat de kleermaker, dat onkruid, uitgeroeid moest worden en het ons, zoodra Allah het wilde, gelukken zou.Daar, waar de veerschuit, dat wil zeggen de praam, op den rechter oever was geland, stond de oude veerman met zijn drie helpers. Toen hij mij zag komen, verhief hij zijn stem en riep op pathetischen toon:—Duizendmaal dank den heiligen Khalifen, tienduizendmaal geloofd zij de Profeet en honderdduizendmaal geprezen zij Allah, de Almachtige, die u behoed heeft in de ure des gevaars. Toen ik u in den stroom zag verdwijnen, versteende mij het hart van denschrik en schreide mijn ziel bloedige tranen. Maar nu ik u behouden mag weerzien, is mijn geest vol jubel en gejuich, want gij zult uw woord gestand doen en ons de bakschisch geven, ons door u beloofd.De bakschisch was het dus, waartoe de lange rede moest dienen. Ik schudde het hoofd en antwoordde:—Ik weet van geen belofte, die ik u zou hebben gedaan.—Dan heeft het water u in de war gebracht. Bedenk, wat gesproken is, toen uw begeleider ons met zijn zweep vermaande, om vlugger te zijn.—Mijn geheugen heeft niet geleden; ik herinner mij ieder woord. Gij hebt een fooi verlangd, maar ik heb niets gezegd.—O Emir, wat beklaag ik u! Uw hoofd is verzwakt! Juist uw zwijgen bewees uw toestemming van wat ik vroeg. Hadt gij de bakschisch willen weigeren, dan hadt gij dat duidelijk moeten zeggen. Omdat gij gezwegen hebt, daarom hebben wij er recht op.—En als ik nu blijf weigeren?—Dan dwingt gij ons u te straffen, en u te houden voor een man, die zijn woord geeft en het niet lost.Met die bedreiging kwam hij verkeerd uit, niet bij mij, maar bij de spoorwerkers. Dat hij om een fooi dwong, die ik hem in ’t geheel niet had beloofd, en dat in bewoordingen deed, die mij moesten kwetsen, maakte hen boos. Zij hadden hem terstond bij de kladden en twintig vuisten sloegen op hem los.—Halt! Laat hem los!—riep ik boven het rumoer uit, dat de mannen maakten. Ik wil hem zijn bakschisch geven.—Dat is niet noodig,—riep een hunner,—wij geven die al, zooals gij ziet.—Houdt op, houdt op!—gilde de oude. Ik wil geen betaling, ik heb de fooi al!Hij rukte zich los en vloog naar zijn praam, waarheen zijn drie helpers reeds waren gevlucht. Hijzelf ontwikkelde daarbij een vlugheid, die het tegenovergestelde was van de flegmatieke bedaardheid, die hij vroeger getoond had. Hij vergat zoowaar er aan te denken, dat het zijn stelregel was, om niets te doen zonder zijn pijp. Dat onmisbare voorwerp had hij laten vallen, en hij liet het in den steek. Een van de arbeiders raapte het op en wierp het hem op de praam achterna. En hij greep.... niet naar zijn pijp, maar naar den ketting, om de veerschuit zoo spoedig mogelijk van den oever loste maken. Zoodra er echter een streepje water was tusschen hem en ons, begon hij te schelden en mij voor een vrek en woordbreker uit te maken.Halef ging naar den oever, legde zijn geweer aan en dreigde:—Sekiut dur, joksa atarim—zwijg, of ik schiet!Maar de oude bleef schelden. Hij kon zich niet voorstellen, dat de Hadschi zijn bedreiging zou uitvoeren. Hij had den duwboom in de hand zonder dien te gebruiken. Op eens drukte Halef los. Hij had op den boom gemikt, en de kogel trof dien dicht bij de hand van den oude, zoodat de splinters er afvlogen. De veerman gaf een gil, liet den duwboom over boord vallen, en plofte plat op den bodem van de praam neer, waarschijnlijk denkende daar veilig te zijn voor een tweeden kogel.Er brak een algemeen gelach van de arbeiders los, om de behendigheid waarmee de anders zoo langzame veerman nu wegdook.Nu kwamen wij al spoedig bij de planken-woningen, waar wij stilhielden. Ik steeg af en werd er binnengebracht.Het was een groot, ruim vertrek. Aan de wanden hingen de weinige eigendommen der arbeiders. Rondom waren planken aangebracht, die dienden om er op te zitten en op te slapen. In den achtersten hoek stond een groote kookkachel van een constructie zooals ik nog nooit had gezien.Er waren vier kookketels op, en de vuurhaard was allergeschiktst om natte kleeren te drogen.Ik was nauwelijks binnen gekomen, of uit een andere hut kwam een jonge krachtvolle man naar mij toe, die mij terstond toeriep:—Heer, gij hadt gelijk. Zij is niet dood, maar zij leeft! Zij haalt weer adem. Ik heb mij gehaast om het u te komen zeggen en u mijn dank te betuigen.—Is zij een verwante van u?—Ze is mijn vrouw. Ik ben deBaschi ischdshiji(Opzichter). Zij heeft den overtocht gewaagd, omdat ik haar gezegd had, dat zij van morgen vroeg hier moest zijn. Maar gij moet u uitkleeden. Ik zal terstond mijnZiaset esbaby(Zondagskleeren) halen.Hij ging en kwam terstond terug met een broek, buis, vest en een paar pantoffels. Ik trok mij achter een beschotje terug, om mij te verkleeden. Halef hielp mij daarbij. Onderwijl hij mij de natte kleeren uittrok, jammerde hij:—Effendi, nu is het uit met de waardigheid van uw rang en de bekoorlijkheid uwer figuur. Dit mooie pak heeft u in Stambul over de zeshonderd piasters gekost, en nu heeft het water er al den glans aan ontnomen. Zie eens, wat een ontzettende scheur gij met zwemmen, in de pijp van uw broek hebt gemaakt. Die moet dicht gemaakt worden, opdat de liefelijkheid uwer leden niet lijde. Garen en naalden heb ik wel altijd bij mij, maar of hier een ütü (strijkijzer) zal zijn, om uw pak weer op te fleuren, dat betwijfel ik.Men moet zich van mijn voorkomen en gestalte geen voorstelling maken uit wat mijn Hadschi er van zegt. Het was nu eenmaal zijn gewoonte zich zoo uit te drukken.—Vraag eens rond, misschien is er wel een kleermaker onder de arbeiders.Hij ging met mijn kleeren weg, en ik hoorde hem luide vragen:—Hoort, gij zonen en kleinzonen van den spoorweg, is er onder u ook een die kleermaker is?—Hier!—riep een stem.—Allah zegene u, mijn vriend, dat gij in de jaren uwer jeugd op de gedachte gekomen zijt, de producten van het weefgetouw met garen aaneen te naaien, zoodat de mannen van uw volk hun armen en beenen er kunnen insteken! Maar kunt gij ook scheuren dicht naaien?—Zóó netjes, dat het kleedingstuk er nog mooier uitziet dan vroeger!—Dus zijt gij een groote Ustaljnenün (ridder van de naald). Maar hebt gij ook een strijkijzer bij u?—Twee zelfs!—Dan geef ik aan uw verantwoording de kleeren over, van mijn vriend en gebieder. Gij moet ze drogen en opstrijken, en de scheur onzichtbaar maken. Als gij dat zoo doet, dat niemand die zien kan, dan krijgt gij een bakschisch, en de geloovigen van alle landen zullen zich verblijden in uw kunstvaardigheid, en uw roem verbreiden tot waar het heelal ten einde loopt. Hier, neem de kleeren in uw armen, en de geest van den Profeet verlichte u!Ik moest lachen, want ik kon mij zoo voorstellen met wat ernstig gezicht hij deze tirade voorgedragen had. Toen hij bij mij terugkwam, vond hij mij met het onderzoeken van het gipsverband bezig.—Men behoeft ook niet te vragen of die in het water geweest is!—zeide hij.—Is het losgeweekt?—Neen, maar ik zou het wel willen afdoen. Het zit er, weliswaar, nog maar enkele dagen om, maar ik geloof, het wel te kunnen wagen.Met onze messen verwijderden wij het verband, zonder er eenige pijn van te hebben. Dat was een gunstig verschijnsel. Toen de voet geheel buiten alle gipsverband was, beproefde ik er op te staan. Het ging boven alle verwachting goed. Ik ging eenige passen op en neer, en voelde, dat ik er gerust op kon loopen. De verstuiking was minder erg geweest dan ik had gedacht.—Nu trekt gij toch zeker die jichtlaarzen niet meer aan?—vroeg de Hadschi op de genoemde voetbekleeding wijzende, die door het water er hoogst treurig uitzagen.—Neen; ik laat ze hier.—Dan willen wij ze aan de arbeiders present doen, die ze als koffietrechters kunnen gebruiken, want in deze streek laten de menschen de koffie door een zak loopen, omdat die anders hun te goed zou smaken. Allah heeft wonderlijke kostgangers in zijn rijk. Nu kunt gij weer uw hooge laarzen dragen en ziet gij er weer heel anders uit. Met de jichtlaarzen zaagt gij er uit als een Noachiet, die reeds voor den zondvloed zijn tanden verloor. Zal ik de hooge leeren halen? Ze hangen aan mijn zadelknop!Ik gaf mijn toestemming en vond dat mijn voet in deze laarzen voldoenden steun had. Daar ik het grootste gedeelte van den dag te paard zat, behoefde ik van mijn voet niet veel te vorderen.De mij geleende kleeren pasten mij vrij goed, daar de eigenaar van mijn grootte was. Hij vond dat grappig en prettig, tevens verzocht hij mij met hem naar zijn woning te gaan, waar zijn vrouw mij zelf wilde bedanken.De spoorwegwerkers zaten samen te eten. Hun middagmaal bestond uit een dikke brij van maïsmeel in enkel water gekookt. Daarmee zijn die luidjes dag aan dag tevreden.De vrouw wilde, toen wij binnen kwamen, mij met een stroom van dankbetuigingen ontvangen; ik verzocht haar dit liever niet te doen. Naast haar zat haar man, en die was zoo innig gelukkig met haar redding, dat ik niet behoefde te vragen of ze elkaar ook liefhadden. In den loop van het gesprek bleek mij dat zij Christenen waren.—Ik ben blij dat ook gij een Christen zijt,—zeide mij de man.—Hoe weet gij dat?—vroeg ik hem.—Uw twee gezellen zeiden het mij, onderwijl gij u verkleeddet. Ik heb ook gehoord dat gij geen onderdaan van den Sultan zijt, maar tot het volk behoort dat den roemrijken oorlog tegen de Fransyler gevoerd heeft.—Zijt gij uit deze streken?—vroeg ik hem.—O neen! Wij zijn bijna allemaal uit het gebergte, waar zoo veel arme menschen zijn. De mannen van hier hebben geen zin om aan den spoorweg te werken. Toen het bekend werd, dat bij dezen aanleg brood te verdienen was, trokken vele mannen van bij ons, hier heen. En daar ik voor architect geleerd heb, nam ik de leiding op mij en ben nog altijd hun opzichter.—Gij hebt dus een hoogere burgerschool bezocht?—vroeg ik hem.—Neen. Ik ben de tweede zoon van mijn vader. Mijn oudste broer erft de ouderlijke woning, en dat maakte bij mij den zin wakker om er voor mijzelf een te bouwen. Daarom heb ik dan ook mijzelf lezen, schrijven en teekenen geleerd, en ben naar een bouwkundige in Uskub gegaan, om daar verder te leeren. Mijn vader is scheper (tschoban), ongeveer acht uur van hier.—Waar?—Het is geen dorp, niet eens een vlek. Daar zijn maar twee huizen, die aan een zijtakje van de Treska liggen, en omdat onze buurman een konak houdt, zoo wordt die kleine nederzetting Treska-Konak genoemd.—Neen maar! Die is goed! Het kon niet beter!—riep ik uit.—Waarom?—Omdat ik dezen Treska-Konak zoek.—Wilt gij er soms naar toe rijden? Naar mijn vader of naar den Konakdischi?—Naar den laatste, geloof ik.—Gelooft gij? Gij weet het dus zelf niet?—vroeg hij verwonderd.—Neen. De man die met uw vrouw in de schuit overvoer, wil er heen, en dien wil ik achterna. Hij gaat daar personen bezoeken, met wie ik ook nog een woordje te verhandelen heb.—Dat klinkt alsof dat minder vriendelijke woordjes zullen zijn.—Goed geraden. Er zijn heden vijf mannen heen gereden, die iets misdadigs in hun schild voeren, wat wij verhinderen willen. Ze moeten met de veerpraam overgevaren zijn.—Ah! Kan er ook een zekere Manach el Barscha bij geweest zijn, die vroeger ontvanger in Uskub was?—Juist.—Dan heb ik ze gezien. Ik stond bij het veer, toen zij kwamen. Ze hadden ruzie met den veerman, dien zij zweepslagen gaven in plaats van zijn geld. Toen Manach mij voorbij reed, dreigde hij ook mij.—Waarom?—Omdat hij mij haat. Hij had den hoofdelijken omslag der Christenen te innen en vorderde van mij het tien- en twaalfvoud van wat ik schuldig was, en dat wilde ik niet meer betalen. Anderen ging het evenzoo, en wij overlegden en klaagden hem aan. Hij heeft de Christenen voor een groot bedrag opgelicht.—Wat straf is hem opgelegd?—Geen. Hij vluchtte, en men zegt dat hij de heele ontvang-kas meegenomen heeft. Hij durft zich in Uskub niet meer laten zien. Dus die menschen zoekt gij? Hij is altijd met onzen Konakdischi bevriend geweest en zal ook nu wel bij hem thuis zijn.—Kunt gij mij den weg zeggen, dien ik te nemen heb om naar Treska-Konak te komen?—Men moet de streek goed kennen, om zonder af te dwalen, er te komen. Een beschrijving van den te volgen weg bracht u zeker in de war. Als het u aangenaam is, geef ik u gaarne een volkomen betrouwbaren man mee, die den weg even goed kent als ik. Hij zal het een groote eer achten, u naar mijn vader te mogen geleiden, en daar hij dezen vertellen zal, hoe gij mijn vrouw gered hebt, kunt gij zeker zijn van een hartelijke ontvangst.Zeer gaarne nam ik dat voorstel aan en vroeg:—Ligt uw ouderlijk huis ver van den Konak?—Ternauwernood twee minuten gaans.—De bewoners van den Konak zullen ons dus zien aankomen?—Wanneer gij dat niet wilt, zal mijn zwager u zoo leiden, dat niemand u ziet. Overigens zal het stikdonker zijn, wanneer gij er aankomt. Mijn zwager is nog eenigen tijd op het werk. Zoodra hij thuis komt, zal ik hem uw geleide opdragen. Maar nu verzoek ik u mijn gasten te willen zijn. Het is middag, en wij moeten eten. Wij kunnen u iets voorzetten, dat gij in het land der Mahomedanen wel zelden zult zien.Hij opende een met hooi gevulde kast en haalde er uit.... een ham en een partij gerookte worsten.—O Allah, Allah! Wat denkt gij, dat wij het achterdeel van een varken en het in den rook gaar gemaakte bloed en vleesch er van zullen eten?—riep Halef uit.—De Profeet heeft ons verboden dat te doen, en wij zouden ons zeer bezondigen, wanneer wij ons met het lijk van een zwijn voor eeuwig en altijd verontreinigden!—Zoo iets slechts denkt niemand van u, Halef,—zeide ik. Wat mij betreft, ik zal er aan smullen.—Maar er zijn lintwormen (Dschild kurtlar) in!—Daar zijn wij niet bang voor.—Ik mag het ook niet zien eten, want zelfs het zien van varkensvleesch moet ons een gruwel zijn; maar nu Omar en Osko niet hier zijn, heb ik ook geen verwijt te vreezen, als ik uit verkleefdheid aan u, Sihdi, hier stil blijf zitten. Als gij van den ham in uw mond steekt, zal ik mijn oogen dicht doen, of minstens ter zijde kijken.Onze gastheer bracht ham, worst, brood, peper en zout. Hij nam het mes uit zijn gordel, en ik volgde dit prachtig voorbeeld. Nadat hij voor zich een duchtig stuk had afgesneden, deed ik eveneens, en het gesmul begon. Nooit heeft mij een ham lekkerder gesmaakt dan toen te Rumelia.Halef zat zijwaarts achter mij; ik kon niet zien of hij mij gadesloeg, maar ik kende mijn kleinen Hadschi te goed, om niet te weten dat de lust om mee te genieten hem brandde tot in het puntje van zijn tong. Hij zag, hoe het mij smaakte, en dat ik een tweede stuk afsneed.—Hajde scheitani,—Weg duivel!—riep hij uit. Sihdi, wilt gij dan, dat ik alle achting en eerbied voor u zal verliezen! Wanneer ik het gebod van den Profeet opvolgde, zou ik u nooit weer mogen aanraken!—Dat zou mij werkelijk spijten, mijn waarde Halef, maar nu gehoorzaam ik aan den prikkel van wat onbeschrijfelijk lekker is, en niet aan den Koran.—Is het dan werkelijk zoo verbazend lekker?—Er bestaat niets dat lekkerder is.—Allah! Waarom heeft dan toch de Profeet ham verboden?—Omdat hij zeker nooit er van geproefd heeft; anders zou hij het de geloovigen ten sterkste aanbevolen hebben.—Misschien toch ook wel om de lintwormen.—Maar die zijn er niet in; daar kan ik een eed op doen.—Dus gij meent, dat men het er op wagen kan?—Gerust!Ik hoorde het aan den toon van zijn stem dat hij watertandde. Ook onze gastheer kreeg er schik in. Hij liet echter niets merken, maar at ijverig door, zich alle moeite gevende om dat met klimmende verrukking te doen.Halef stond op en ging buiten de deur kijken. Ik begreep zeer goed, dat hij rondzag, of Omar en Osko ook in de buurt waren. Toen hij weer binnen kwam, trok hij een zeer vergenoegd gezicht. Hij had die twee dus niet gezien. Zij stonden op de spoorbaan, een locomotief te bewonderen, die juist een zandtrein voortsleepte. Zij hadden geen tijd zich om ons te bekommeren.De Hadschi ging weer zitten en zeide:—Sihdi, ik weet dat gij niet graag over ons geloof spreekt; maar is het niet ook uw gevoelen, dat de Profeet soms wel een klein beetje ongelijk heeft?—Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar hij heeft toch den geheelen Koran van den aartsengel Gabriël ontvangen.—Maar kan een engel ook wel niet eens zich vergissen?—Dat zal toch wel niet waar zijn, mijn lieve Halef.—Of zou de Profeet den engel ook verkeerd hebben kunnen verstaan? Als ik zoo nadenk, dan komt het mij voor, dat Allah de varkens niet zou geschapen hebben, als Hij wilde dat wij ze niet zouden eten.—Met die redeneering van u ben ik het geheel eens.Hij haalde diep adem. Mijn tweede stuk ham was op, en in navolging van mijn gastheer begon ik nu aan de worst. Halef begon te begrijpen, dat wij klaar zouden zijn, voor hij zijn bezwaren zou overwonnen hebben.—Zeg eens in alle oprechtheid, Sihdi, smaakt het vleesch werkelijk zoo lekker als op uw gezicht te lezen staat?—Nog oneindig beter dan mijn gezicht uitdrukken kan.—Laat het mij dan eens ruiken.—Wilt gij dan uw neus verontreinigen?—O neen! Ik zal hem dicht houden.Dat was zeker nog al dwaas, maar ik sneed een stukje ham af, stak het op de punt van mijn mes en reikte het hem toe, zonderhem aan te kijken. Ook de opzichter was zoo verstandig, niet naar hem te kijken.—Ah! Oh! Dat is als een geur van het Paradijs!—riep de kleine. Zoo krachtgevend, geurig, tandtergend! Hoe jammer, dat de Profeet het verboden heeft! Hier hebt gij uw mes weer, Effendi.Hij reikte het mij toe, het stukje ham was verdwenen.—Neen maar, waar is de ham?—vroeg ik verwonderd.—Wel aan het mes!—Het is er af.—Dan moet het er afgevallen zijn.—Dat zou zonde zijn. Maar, Halef, ik geloof, ik zie u kauwen. Ik keek hem scherp aan. Hij trok een grappig gezicht en antwoordde:—Ik moet wel kauwen, want het stuk was van uw mes in mijn mond gevallen, of dacht gij dat ik het zoo maar zou doorslikken?—Neen. Hoe smaakt het?—Zoo verbazend lekker, dat ik u wel iets zou willen vragen.—Vraag op.—Mag ik.... de deur sluiten?—Gelooft gij dat men ons zou kunnen overvallen?—Neen. Maar Omar en Osko hebben de wetten van den Profeet niet zoo diepzinnig bestudeerd als ik. Zij zouden in verzoeking kunnen komen, als zij nu binnen kwamen; dat wilde ik voorkomen. Zij moeten zich niet te verwijten hebben, dat zij hun zielen verontreinigden met de lucht van vleesch en bloed, dat in de darmen gestopt en daarin gerookt werd.Hij stond op, grendelde de deur van binnen, ging toen bij ons zitten, nam zijn mes en... sneed voor zich een stuk van een half pond, van de ham af, dat verbazend gauw onder zijn snorretje—van rechts zes en links zeven haren,—verdween. Daarna streek hij, met innig welgevallen over zijn buik en zeide:—Gij ziet, Effendi, hoe groot het vertrouwen is, dat ik in u stel.—Wat ik gezien heb, Halef, dat was vooral uw smakelijk eten.—Dat was een gevolg van mijn goed vertrouwen in uw voorgaan. Wat mijn Effendi eet, dat kan mij niet buiten den zevenden hemel houden, en ik vertrouw op uw stilzwijgendheid, dat gij aanOmar en Osko niet zult vertellen, dat uw oordeel bij mij even hoog staat als de wetten der heilige Khalifen.—Ik zie niet in, waarom ik zou uitbazuinen, dat gij ook wel iets lust dat lekker is.—Goed, dan wil ik ook nog wat van dezeSudschuk(worst) nemen, nu deDomuz pastyrmassy(ham) zoo heerlijk was. Onze gastheer zal het mij vergunnen, want wat de herbergzaamheid iemand geeft, geeft Allah honderdvoudig terug.De opzichter knikte aanmoedigend hem toe, en Halef gaf zich alle moeite om te bewijzen dat hij vandaag om het gebod van den Profeet niets gaf. Toen hij volop genoten had, veegde hij zijn mes aan zijn broek af, stak het in zijn gordel en zeide:—Er zijn creaturen, die van de ondankbaarheid der menschen veel te lijden hebben. Het varken heeft gewis niets gedaan, om de verachting te verdienen, waarmede de geloovigen het aanzien. Was ik in de plaats van den Profeet geweest, toen hem voorgezegd werd wat hij in den Koran moest schrijven, ik zou beter opgelet hebben. Dan zouden juist die dieren het meest in aanzien zijn, die de aangenaamste spijs opleverden. En nu onze maaltijd geëindigd is, kan ik de deur weer open doen, zonder te moeten vreezen dat onze vrienden schade zullen lijden aan hun ziel.Hij stond op en schoof den grendel weg, juist toen een flink, welgebouwd jonkman op het punt stond binnen te komen.—Israd,—riep de opzichter hem tegemoet, zoodra hij hem zag,—gij hebt vandaag niet meer te arbeiden; ik geef u vrij. Deze Effendi wil naar Treska-Konak rijden, en gij zult hem langs den kortsten weg, er heen brengen.De jonkman was de broer van de vrouw, die ik had mogen redden. En deze nam die gelegenheid waar, om mij voor wat ik gedaan had, allerhartelijkst te bedanken, en was blij dat hij mij een wederdienst kon bewijzen.—Maar hebt gij wel een paard?—vroeg ik hem. Gij kunt toch niet loopen, terwijl wij hard rijden.—Ik leen er ginds in het dorp een,—zeide hij. Wanneer wilt gij op weg gaan, Effendi?—Zoo spoedig mogelijk.—Gij zult nog een heelen tijd moeten wachten, want uw kleeren zijn nog lang niet droog. Intusschen zorg ik voor een paard.Hij ging terstond weer weg.—Gij zult aan hem een goeden gids hebben,—zeide zijn zwager, en hij kan u omtrent alles inlichten.—Dan is hij mij dubbel welkom, want ik zal hem omtrent een en ander nog al wat te vragen hebben.—Kunt gij mij dat niet vragen?—Voor alles wilde ik gaarne weten, waar Karanirwan Khan ligt.—Karanirwan Khan? Hm! Waarom wilt gij dat weten?—Omdat de vijf mannen, die wij vervolgen, daar heen willen rijden.—Ik ken helaas, geen plaats van dien naam. Er bestaat wel een Karanorman Khan; dat ligt bij Weicza in de Schar Dagh.—Dat weet ik, maar dat is de plaats niet, die ik zoek. Karanirwan Khan moet een alleen-staand huis zijn, een Konak, het eigendom van een Pers.—Perzen vindt men hier maar zeldzaam.—Kent gij er niet een?—Eén, ja.—Hoe heet hij?—Zijn waren naam ken ik niet. Hij heeft een grooten zwarten volbaard, en daarom noemen wij hem altijd Kara Adschemt, den zwarten Perziër.—Ah! Dat is misschien juist de man, dien ik zoek. Een zwaren zwarten volbaard moet hij hebben, omdat hij juist Kara Nirwan heet. Vanwaar is hij, dien gij bedoelt?—Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Hij moet achter in de bergstreek van Jalicza of Luma thuis hooren. Ik herinner mij, dat hij ons van een beer vertelde, die hem bij den Zsalezs-berg tegemoet kwam. Deze berg ligt echter bij de genoemde plaatsen.—Zijn er dan ook beren in de Schar Dagh?—Nog maar hoogst zelden. Vroeger kwamen zij meer voor, zooals mijn vader dikwijls vertelt. Nu duurt het soms jaren, voor er weer zoo’n dier hierheen verdwaalt.—Weet gij niet zoo eenigermate, wat die Perziër is?—Paardenhandelaar is hij, en wel een zeer beduidende. Ook moet hij rijk zijn. Ik heb hem dikwijls, met meer dan tien knechten en een ware kudde van paarden bij onzen buurman zien komen, bij wien hij gewoonlijk zijn intrek neemt.—Wat gij mij daar vertelt, is voor mij hoogst belangrijk, want ik kan er allerlei gevolgtrekkingen uit maken. Deze paardenkoopman is een Perziër, en hij heet Kara. Hij neemt zijn intrek bij den Konakdschi, bij wien ook Manach el Barscha en de vier anderen willen zijn. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze man de persoon is, dien wij zoeken.—Ik zou heel blij zijn, als ik u op het spoor had gebracht.—Zou uw zwager nog iets meer weten?—Hiervan niet. Hij is, even als ik, in langen tijd niet bij ons thuis geweest. Maar als gij van avond bij mijn vader komt, dan kunt gij hem en mijn broeder nadere inlichtingen vragen. Die twee kunnen u misschien beter inlichten.—Is uw vader met zijn buurman bevriend?—Vrienden zijn ze niet, maar ook geen vijanden. Ze zijn buren, door den nood gedwongen, het met elkaar te kunnen vinden. De Konakdschi heeft iets valsch en geheimzinnigs over zich.—Weet gij soms of hij ook in betrekking staat tot personen te slechter naam en faam bekend?—In een zoo eenzaam gelegen Konak komen allerlei menschen. Ik kan dus geen stellig antwoord op uw vraag geven. Alleen weet ik dat hij met den ouden Scharka omgaat. En dat is geen goed teeken.—En wie is deze Scharka?—Een kolenhandelaar, die met eenige helpers boven in de bergen huist. Hij moet in een diep en donker hol wonen en men fluistert, dat er dicht bij, menigeen begraven ligt, die geen natuurlijken dood is gestorven. Het eenzame pad door het gebergte loopt over zijn gronden, en het is eigenaardig, dat zoo veel reizigers het wel opgaan maar nooit terugkeeren. En altijd zijn het personen, die veel geld of geldswaardige zaken bij zich hadden.—Dan is het een waar moordenaarshol! Heeft men dan de misdaden van dezen man nooit kunnen naspeuren?—Neen; want men waagt zich liefst niet in zijn nabijheid. Zijn helpers zijn ruwe ijzersterke kerels, tegen wie men niet bestand is. Eens is er een afdeeling van dertig soldaten heen gezonden, om de Aladschy’s te vangen, die zich bij hen ophielden. De soldaten zijn onverrichter zake teruggekomen, nadat zij het zwaar te verantwoorden hadden gehad.—Wie waren hun aanvallers?—Dat wisten zij niet. Zij werden altijd bij nacht overvallen, door menschen die zij nooit goed te zien kregen.—De Aladschy’s waren dus ook bij den kolenhandelaar! Kent gij hen?—Neen,—antwoordde hij.—En toch hebt gij ze vandaag nog gezien. Die twee kerels op gevlekte paarden, die Manach el Barscha vergezelden, waren het. De naam dier twee beruchte broeders, stemt met de kleur hunner paarden.—Neen maar! Wie had dat kunnen denken! Dat waren dus de Aladschy’s! Nu verwondert het mij ook niet, dat de veerman door hen met zweepslagen betaald is geworden. Zij rijden naar Treska-Khan; daar blijven zij in allen gevalle niet. Misschien willen zij den kolenhandelaar weer bezoeken.—Dat is hoogstwaarschijnlijk.—Dan bid ik u, rijd ze in Godsnaam niet achterna! De kolenhandelaar en zijn gezellen moeten halve wilden zijn, die den sterksten wolf met de hand wurgen.—Ik ken menschen, die dat ook kunnen, ofschoon zij geen halve en ook geen heele wilden zijn.—Maar het is toch beter, zulke sujetten te vermijden!—Dat kan ik niet. Ik heb u reeds gezegd, dat ik een misdaad moet voorkomen. En ook heb ik een gruwelijke misdaad te wreken. Die wraak geldt personen, die vrienden van mijn vrienden zijn.—Kunt gij dat niet aan anderen opdragen?—Neen, die zouden bang zijn.—Maar laat dan de politie het doen!—O wee! Die zou nog banger zijn. Neen, ik moet die vijf mannen achtervolgen, al kwam ik ook in conflict met alle kolenhandelaars van de wereld.—Dan ben ik angstig en bang om uwentwille. Die Scharka is een ware duivel. Hij moet behaard zijn als een aap en het gebit hebben van een panter.—Dat zal toch wel wat overdreven zijn.—Neen. Ik weet het van menschen, die hem hebben gezien. Gij zijt werkelijk niet tegen hem bestand.—List en moed gaan alle lichaamskracht te boven,—bracht ik daartegen in.—Maar als het u gerust kan stellen, doe mij dan dit eens na.Er lag een spoorstaaf op den grond. Ik nam die op, niet in het midden, en reikte hem die met uitgestrekten arm toe. Hij sprong achteruit en riep:—Effendi, zijt gij—zijt gij... alle drommels, ja, als het zoo is, dan knijpt gij ook gemakkelijk een wolf dood!—Pah! Die zich op zijn kracht verlaat, vindt allicht een sterkere. Een weinig nadenken is beter dan de grootste lichaamskracht. Overigens zijn wij zoo goed gewapend, dat wij voor niemand bevreesd behoeven te zijn.—En—voegde Halef er op hoogen toon bij, op zichzelf wijzende,—mijn Effendi is niet alleen, maar hij heeft mij, zijn trouwen vriend en beschermer, bij zich. Laten ontelbare vijanden het wagen, ons aan te vallen! Wij vermorzelen ze, zooals het wilde zwijn de muggen vertreedt.Dat klonk al te potsierlijk. Zijn kleine figuur kwam allerminst overeen met de zelfverheffing, die uit zijn hooge woorden sprak.Ik bleef ernstig, omdat ik mijn kleinen Hadschi kende, maar de opzichter moest, zijns ondanks, lachen.—Lacht gij?—vroeg Halef.—Ik duld geen beleediging! Zelfs niet van hen, wiens ham en worst ik gegeten heb. Als gij mij nader kendet, zoudt gij voor mijn toorn sidderen en voor mijn grimmigheid beven!—Ik beef bijna al,—verzekerde de opzichter, zoo ernstig mogelijk kijkende.—O, zulk beven, als gij nu doet, beteekent niets! Gij moet beven, dat uw hart tegen de wanden van uw lichaam klappert en trilt. Gij weet niet, met welke dieren en menschen wij al gestreden hebben. Wij hebben den leeuw, den koning der woestijn, gedood en met vijanden gestreden, bij wier verschijning gij, in de kast bij de gerookte achterdeelen van het zwijn, wegkruipen zoudt. Wij hebben daden verricht, die ons onsterfelijk maken. Onze namen zullen geschreven staan in het boek der helden en op het perkament der onoverwinnelijken. Wij laten niet om ons lachen, vergeet dat niet! Weet gij misschien hoe mijn naam luidt?—Neen; maar ik heb den Effendi u als Halef hooren aanspreken.—Halef!—zei de kleine op minachtenden toon. Wat is Halef? Niets niemendal. Hoeveel menschen heeten niet zoo. Maar zijn die Halefs ook Hadschi’s? Kunnen zij op tallooze voorouders bogen, dieallen Hadschi waren? Ik zeg u, ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn voorouders behoorden tot de helden, die voor zóó langen tijd leefden, dat geen mensch meer iets van hen weet; ik zelf ook niet. Kunt gij dat soms ook van uw voorouders zeggen?—Ja.—Wat?—Dat ik ook niets van hen weet.De opzichter zei dat met ironischen ernst. Halef keek hem zwijgend en toornig aan, maakte een minachtende handbeweging, keerde zich om en ging weg met de woorden:—Zwijg dan! Die van zijn voorouders niets weet, kan zich dan ook met mij niet vergelijken!—Maar,—riep de ander lachend hem achterna,—gij hebt zelf, daar straks nog, ook bekend, dat gij evenmin van de uwe iets weet!—Dat zijn de mijnen, maar de uwen niet. Van hen behoef ik niets te weten, want zij zijn zóó beroemd, dat het onnoodig is iets van hen te weten!—schreeuwde de Hadschi in grooten toorn.—Dat is een zonderling ventje, dat gij bij u hebt,—zei de opzichter hartelijk lachende.—Een eerlijk mensch, trouw, bij de hand en zonder vrees, antwoordde ik. Voor dien kolenhandelaar is hij werkelijk niet bang. Dat heeft hij u willen zeggen, en hij deed het op zijn manier. Hij is eigenlijk een woestijnbewoner en die menschen houden er van, zich zoo uit te drukken. Nu zou ik wel eens willen gaan zien, hoe het met mijn kleeren gesteld is. Misschien is de kleermaker-spoorwegwerker er wel mee klaar.—En ik moet den arbeiders hun werk aanwijzen. Gij zult mij dus toestaan, dat ik mij verwijder, Effendi!Wij verlieten zijn woning. Juist toen ik de andere binnen wilde gaan, hoorde ik achter de deur een heftig gekijf, en met zooveel geweld werd de deur open gestooten, dat ze mij bijna tegen het gezicht sloeg. Er kwamen twee mannen uit, die tegen mij aanbonsden, en wel Halef, die in de eene hand mijn broek had en in de andere den man, die zijn kleermakerstalent er op vertoonen zou. Halef sleepte hem achter zich aan, zoodat hij met zijn rug naar mij gekeerd was, en dus niet zag, tegen wien hij aankwam. Zich half omwendende, riep hij driftig:—Stommerik, heb je dan geen oogen in je hoofd!—Zeker heb ik oogen, Halef!Hij beerde zich nu om, en toen hij mij zag, zeide hij:—Ah, Sihdi, ik wilde juist naar u toe!Hij was buiten zichzelf van opgewondenheid, trok den armen drommel naar mij toe, hield mij de broek voor en vroeg:—Sihdi, hoeveel hebt gij voor deze broek betaald?—Honderd dertig piasters.—Dat is dom geweest, zóó dom, dat ik medelijden met u heb!—Waarom?—Omdat gij honderd dertig piasters betaald hebt, voor iets dat een broek moet zijn, maar het niet is!—Wat is het dan?—Een zak, een heel gewone zak, waarin gij alles kunt doen, wat gij maar wilt: erwten, maïs, aardappelen, voor mijn part ook hagedissen en kikvorschen. Gelooft gij het soms niet?Zóó grimmig keek hij mij daarbij aan, dat ik bijna bang zou geworden zijn. Ik werd het echter niet, maar antwoordde bedaard:—Hoe komt gij er toe, mijn broek een zak te noemen?—Hoe ik daar toe kom? Zie eens hier!Hij stak zijn vuist in de pijp, die opengescheurd was geweest maar kon er zijn hand niet door krijgen. De kleermaker had de scheur te stevig willen hechten en daarom de voor- en achterzijde vastgenaaid.—Ziet gij het? Ziet gij de verrassing, de oorzaak van mijn zielsverdriet?—Ja, Halef, ik zie het!—Steek er uw been eens in!—Dat zal ik wel laten.—Maar er in wilt gij toch, er in moet gij toch, daar is de broek voor, waaruit nu zoo’n ellendigen zak is gemaakt. Nu blijft u niets anders over, dan met één bloot en met één bekleed been de wereld rond te reizen. Wat zullen de menschen zeggen, als ze u zien, u, den beroemden Effendi en Emir! En waar zult gij hier in dit ellendige dorp een andere broek krijgen!—Maar heb ik dan een andere noodig?—Wel, natuurlijk. Gij kunt deze toch niet aantrekken!—Zeker kan ik de broek aantrekken.—Hoe dan? Toch maar met één been.—Neen, met beide beenen. Onze handige kleermaker mag zijn naaisel weer lostornen en dan de scheur eenvoudiger dichtnaaien.—Het naaisel lostornen!—stamelde Halef, mij verbaasd aanstarende. Daarna barstte hij in luid gelach los en zei:—Sihdi, gij hebt gelijk. Daar had ik in mijn boosheid niet aan gedacht, lostornen, dat is het ware!Het angstige en verlegen gezicht van den kleermaker helderde weer op; maar hij kwam er toch niet zoo goed af, als hij gedacht had, want de Hadschi viel tegen hem uit:—Kerel, ziet ge dan eindelijk in, wat ongehoorde domheid gij begaan hebt! Eerst naait gij de broek dicht, en dan weet gij geen manier om die weer open te krijgen!—Daar had ik wel raad op geweten, maar gij liet mij niet aan het woord komen,—verdedigde zich de arme schelm.—O Allah, Allah, wat onbeschaamde menschen zijn er toch! Ik heb u in alle bedaardheid gevraagd, hoe die fout te verhelpen was; ik heb met engelengeduld op uw antwoord gewacht; maar gij stondt daar alsof gij een kameel hadt ingeslikt wiens hals in uw keel was blijven steken, en toen heb ik u bij uw eigen keel gepakt om u naar den Effendi te brengen. Zoo zit de zaak in elkaar. En hoe is het nu, kunt gij dien naad weer lostornen?—Ja,—antwoorde de kleermaker op bedeesden toon.—En hoeveel tijd hebt gij daarvoor noodig?—Twee of drie uren.—O Allah! Wij zullen dus, voor uw geknoei, tot van avond moeten wachten? Dat gaat niet, zooveel tijd kunnen wij u niet geven.—Zoolang zal het niet duren, want ik zelf zal hem er bij helpen,—zei ik.—Maar dat komt niet overeen met de waardigheid van uw roeping en met de majesteit van uw persoon!—Dat zal zich best schikken. Ik ga met dezen goeden man, die een bedroefde kleermaker is, hier in huis. Onderwijl hij mijn andere kleeren uitstrijkt en waarschijnlijk verbrandt, zal ik mijn broek in orde brengen. Zeg eens, gij ridder van de naald, zijt gij werkelijk een kleermaker?De man krabde zich achter zijn oor, en antwoordde eindelijk:—Effendi, eigenlijk niet.—Zoo! Wat zijt gij dan eigenlijk wel?—EenDürger doghramadschy(schrijnwerker).—Maar hoe komt gij op de dolle gedachte om u voor een kleermaker uit te geven?—Omdat ik twee strijkijzers heb.—Hoe komt gij daar aan?—Die heb ik van mijn grootvader, die werkelijk kleermaker was. Die zijn het eenige, dat ik van hem heb geërfd. Nu heb ik er wat naalden en garen bij gekocht, en als de gelegenheid zich voordoet, dan herstel ik de kleeren van de menschen, omdat er voor mij als schrijnwerker niets te verdienen valt. Uit armoe werk ik dan ook hier aan den spoorweg.—Gij zijt dus een veelzijdig man. Uw hoofdvak is echter hersteller van kleeren, Doet gij dat altijd zoo, als nu met mijn broek?—Neen, Effendi! Dat was een vergissing.—Gij hebt dus inderdaad twee strijkijzers? Kunt gij strijken?—Uitstekend!—Welnu, dan willen wij allebei aan ’t werk gaan. Maar kijk, wat is dat?Ik trok het door hem genaaide van elkaar en liet het hem zien. Hij begreep echter niet wat ik bedoelde, en zagmij vragendaan.

—Mag ik soms weten, voor wien zij u iets hebben opgedragen?—Met alle liefde. Zij gaven mij een boodschap voor den man, die straks zoo dicht bij u was, en daarna in de herberg ging.—Dus kent gij hem?—Wel ja! Iedereen kent den kleermaker.—Is hij werkelijk een kleermaker?—Men zegt het, maar ik ken hier niemand, voor wien hij een kleedingstuk gemaakt heeft.—Hm! En hoe luidde de boodschap?—Hij moest zich haasten, want dat zij maar tot morgen op hem konden wachten.Waar? Dat wist hij niet, en van de vijf ruiters kende hij alleen den vroegeren ontvanger uit Uskub, die de menschen het bloed uitgezogen had.—Allah zegene hem met ontelbare lichaams-kwalen, en voege er dubbel zooveel ziele-ellende aan toe!—voegde hij er bij.Hij wilde nog meer zeggen, maar er was iets, dat zijn bizondere aandacht trok. Uit de herberg kwamen twee mannen naar buiten, die ieder twee riemen droegen. Zij gingen naar het water en liepen toen stroomopwaarts verder.—O Allah,—riep hij uit.—Zullen die onvoorzichtigen het werkelijk wagen, met de schuit over te varen?—Waar is die schuit?—Ginds, hooger op, waar die vrouw staat. Gij kunt de schuit niet zien, want ze ligt achter de biezen.De beide mannen kwamen bij de aangeduide plek, wisselden met de vrouw enkele woorden en verdwenen toen achter de biezen.—Werkelijk, zij wagen het!—zei de oude. Wel, als Allah ze in zijn hoede neemt, dan kan het hun gelukken. Maar zonder hulp varen zij in geen geval over, en hun passagier zal hun heel wat geld moeten betalen. Hij kon bij mij goedkooper terecht.—Dat zal die vrouw betalen.Ik zei dat, omdat de vrouw insgelijks achter de biezen verdween; zij was dus mee in de schuit gegaan. De oude schudde van neen en zei:—Die geeft geen duit. Zij behoort tot de arbeiders van het werk en gaat voor niet mee. Die vrouw heeft daar al van den vroegen morgen af gewacht, maar er voer niemand over. Maar wat is dat? Zou die kleermaker——Terwijl de oude veerman met mij had staan praten, was Suef uit de herberg gekomen en opgestegen. Zonder opzettelijk naar ons te kijken, had hij toch zijn oog over ons laten gaan en was toen naar de plek gereden, waar de schuit lag. Daar ging hij er in.—Allah il Allah! De kleermaker in de schuit!—riep de oude. Hij mag ter dege oppassen, of hij krijgt meer water te slikken dan hij verdragen kan. Ik weet, dat hij zeer arm is en zou hem voor een kleinigheid, of ook wel voor niet meegenomen hebben. Waarom komt hij niet bij mij?Ik vond het niet noodig, aan den oude de reden te zeggen, waaromSuef ditmaal niet in zijn praam kwam. Ik vermoedde dat Suef mijn doel had doorzien en met de schuit eerder hoopte aan te komen dan wij dit met de praam zouden kunnen. Als hij dan vlug te paard steeg, kon hij in vollen galop rijdende, ons nog uit het gezicht komen. Aan de sporen, die hij zou achterlaten, dacht hij niet.Intusschen kwamen ook Halef en Osko ijlings naar mij toe.—Sihdi, de schurk vaart met een schuit over,—meldde Halef. Hij heeft dertig piasters geboden, als zij hem wilden overzetten.—Hebt gij nog iets meer gezien of gehoord?—Ja, maar niet veel. Juist toen wij binnen kwamen, sprak hij met den waard over de vijf ruiters. Hij gaf hem terstond een wenk, om te zwijgen, maar deze was midden in een zin en voleindigde dien, met wat wij hoorden.—En wat hebt gij gehoord!—Dat die vijf den kleermaker in Treska-Konak zouden opwachten.—Waar ligt die plaats?—Dat weet ik niet, en wij konden het ook van den waard niet te weten komen. Die man houdt het beslist met den kleermaker.—Werd er verder niets gezegd?—Zij spraken alleen nog over het veer.—Zoo, dat gij het kondt hooren?—Ja. En die Suef keek ons daarbij zoo boosaardig lachende aan, alsof hij er in groeide ons te kunnen ergeren. Het liefst had ik hem met mijn zweep wat gegeven. Hij verkneukelt zich in de gedachte, dat hij nu vóór ons zal aankomen.—En gij hebt hem niets gezegd?—Geen woord.—Best! Kijk, hij heeft zijn paard aan den teugel, achter zich aan. Hij zelf gaat in de schuit en de merrie mag hem nazwemmen. Die zal het kwaad te verantwoorden hebben.—O Sihdi, ik heb het dier gisteren bij de vervolging, nauwkeurig gade geslagen. Het is veel, veel beter dan het er uitziet. Dat paard heeft den Scheitan in zijn bloed.—Welnu, ondanks alles wat er gebeurd is, zou het mij toch spijten, als er een ongeluk gebeurde, vooral om de vrouw, die mee in de schuit is gegaan. Laten wij nu overvaren, liefst zoo gauw mogelijk. Voorwaarts!Dit laatste gold den veerlui.De oude had juist zijn pijp leeggeklopt en haalde zijn tabak te voorschijn, om opnieuw te stoppen. Ondanks mijn bevel ging hij bedaard zijn gang.—Hebt gij mij begrepen?—vroeg ik hem. Leg die pijp weg! Het zal een enkelen keer ook wel eens zonder rooken gaan.—Neen, Heer,—antwoordde hij kalm. Bij mijn werk behoort een Tschibuk; zonder dat gaat het niet. Mijn leven lang is dat zoo geweest en zal het ook zoo blijven tot ik zelf overgezet word.—Maar ik wil eerder aan den overkant zijn dan de schuit.—Heb daar geen zorg over, Heer. De schuit komt waarschijnlijk in ’t geheel niet aan de overzij.Met de grootste bedaardheid stopte de oude zijn pijp verder, en nam toen met zijn bloote vingers een kooltje uit een klein vuurtje, dat op een steen lag te gloren, alleen om den baas te dienen, bij het aansteken. Toen hij eenige trekken gedaan had, riep hij op den toon van een generaal-veldmaarschalk: Op! Vat aan, dappere jongens! Wij moeten de piasters verdienen, die wij gekregen hebben.Te zelfder tijd zagen wij, hooger op, de schuit uit de biezen vooruit schieten. Voorop zat de vrouw; in het midden spanden de twee roeiers alle krachten in, en achter aan hurkte Suef, met de teugels in de hand. De kop van het paard stak boven het water uit. Een roer was er aan het vaartuig niet.Toen Suef ons zag, hief hij den arm op en maakte een spottende handbeweging. Als hij die vaart behield, dan was hij zeer zeker over, voor wij halverwege waren, want de drie dappere jongens van onzen veerman schenen geen merg in zich te hebben. Ze maakten de praam hoogst voorzichtig van den ketting los, namen toen de boomen ter hand en staken daarmee in het water rond, alsof zij een speld op den bodem wilden vinden. Tot overmaat van ramp waren onze paarden aan zulk overgezet-worden niet gewoon. Wij moesten dus in den zadel blijven om ze rustig te houden; anders had ik mijn gezellen gezegd de handen mee aan het werk te slaan.Halef kwam op een goede gedachte om onzen overtocht te bespoedigen. Hij haalde zijn zweep uit zijn gordel en zeide tot den bij hem staanden veerknecht:—Wat vlugger!Te gelijkertijd gaf hij hem een slag over zijn rug, en nauwelijks was die gevallen, of de oude schreeuwde:—O Allah, o weemoed, o noodlot! Pakt aan, gij jongelingen! Duwt, stoot, gij mannen! Met alle kracht er op, gij sterken! Hoe eer wij over komen, des te grooter de bakschisch, die wij van die vier beroemde Scheiks en Emirs ontvangen.Dit heerlijke vooruitzicht wond de drie jongens zóó op, dat zij zich bovenmate inspanden. Het tempo hunner handbeweging verdubbelde in snelheid. Natuurlijk verloren wij de schuit niet uit het oog. Om recht tegenover de plek van afvaart aan te komen, moesten de roeiers de schuit richten alsof zij stroomop wilden varen. Hoe meer zij echter het midden der rivier naderden, des te meer moesten zij zich inspannen. En toch dreef de schuit zóó beduidend af, dat het landingspunt, in plaats van hen te naderen, des te meer van hen afweek. Dit afdrijven maakte Suef ongerust. Uit de gebaren, die hij maakte, zagen wij, dat hij zijn roeiers tot nog grootere kracht-inspanning aanvuurde.Ook onze mannen moesten trekken wat zij konden. De kracht van den stroom was zoo groot, dat de spantouwen doffe tonen lieten hooren. Wanneer een van deze knapte, waren wij aan het geweld van den stroom overgegeven. De oude veerman zocht zijn ganschen woordenschat bijeen, om zijn helpers tot verdubbelde inspanning van krachten op te winden.De roeiers van Suef’s schuit hadden zich in den aanvang wel door den stroom laten meesleepen, maar ook zij hadden alle krachten ingespannen en naderden al meer en meer de lijn, waarop de praam, aan het ankertouw verbonden, zich bewoog. Reeds kon men Suef en zijn helpers duidelijk onderscheiden. De oude veerman volgde met een zaakkundigen blik den gang der schuit.—Zij halen den overkant niet,—zeide hij. Of de riemen breken, of—-ah, Allah, Allah, zij halen het toch! Bij den Scheitan, er zit kracht in die kerels! Het gelukt ze toch nog, want—-wee, o wee! Nu zijn ze verloren!Hij had goed gezien. De rechter riem van een der roeiers was uit den dol geglipt en uit ’s mans hand gevlogen. Door de pijn van zijn eigen val had hij ook den linker riem laten gaan, zoodat zij beide door den stroom meegevoerd werden. Er bleef dus maar één roeier over en.... die kon de schuit onmogelijk alleen regeeren.De spoorwegwerkers waren allen toegesneld, om den afloop te zien. In de grootste spanning hadden zij den strijd tusschen praamen schuit gevolgd. Ook wij waren nu midden op de rivier, waar deze het onstuimigst en dus het gevaarlijkst was. Onze praam helde zóó naar een zijde over, dat zij allicht vol loopen kon, en dan waren ook wij verloren. Het waren oogenblikken van de grootste spanning en doodsgevaar.De overgebleven roeier van de schuit moest den strijd opgeven. De krachten begaven hem. Hij haalde zijn riemen in, en legde de handen in zijn schoot. De stroom pakte de schuit en stuwde haar recht op onze praam af. In woeste vaart schoot zij op ons af. Van de overzijde klonk de angstige kreet:—Vrouw, vrouw, houd u vast!Op hetzelfde oogenblik was het gevreesde gebeurd. Een enkele krak, en de schuit botste tegen onze praam. Op hetzelfde oogenblik weerklonk er een hartverscheurende gil. Het was een eenstemmige kreet van de arbeiders aan den kant, van de vier opvarenden der schuit en van ons, die in de praam waren. Die krijtende gil kwam van zoo vele lippen en was een eenparige uiting van den grootsten schrik.In zulke oogenblikken handelen velen naar een instinctieven drang, die ons dan tot het juiste beweegt, buiten alle overlegging om. Oogenblikkelijk doen zij wat gedaan moet worden, en weten dan later niet te zeggen, waarom zij zoo en niet anders hebben gehandeld.Sommige menschen handelen volgens helder scherp overleg. Men zegge mij niet, dat er in zulke oogenblikken van gevaar geen tijd is om in minder dan een seconde te overdenken en een besluit te nemen. Het is veel meer te bewonderen, hoe de algoede Schepper den mensch begiftigd heeft met vermogens die desnoods tijd en ruimte beheerschen. In den droom, bij voorbeeld, doorleeft men in enkele minuten de gebeurtenissen van een geheelen dag, ja! van vele dagen te zamen. Ik droomde eens, dat ik een examen moest doen. Een geheelen dag hadden wij voor ons schriftelijk werk. Ik ging zitten, was er het eerst mee klaar, mocht het gebouw verlaten en maakte een wandeling van vele uren in het gebergte. De twee volgende dagen deed ik het mondeling examen—altijd in denzelfden droom. Aan den avond van den tweeden dag, toen het examen ten einde liep, brak er een bank, waarop vele toehoorders zaten en.... ik ontwaakte. Mijn contubernaal had het venster dicht geslagen. Informeerende naar wat er van mijn droom waar konzijn, zeide hij dat ik, voor hoogstens drie minuten, hem gezegd had, dat hij mij met vragen niet meer moest ophouden, want dat ik doodmoe was en wilde slapen. Ik had dus in drie minuten die examen-dagen doorgemaakt en dat met zooveel zelfbewustheid, dat ik mij volkomen goed herinnerde wat ik op de vele pagina’s van den eersten dag had geschreven en wat ik de twee volgende dagen bij het mondeling examen had geantwoord. Ja, ik wist zelfs, welke personen ik op mijn berg-wandeling had ontmoet en waarover ik met hen had gesproken. Van het in dien droom-nacht doorleefde herinnerde ik mij des anderen daags echter maar bitter weinig.Wanneer men dus droomende in drie minuten doorleven kan, waarvoor men wakende drie dagen, dat zijn 1400 minuten noodig heeft, dan openbaart zich hierin een vermogen van onzen geest, dat mijne nu volgende handelingen moet beheerscht hebben.Ik heb mij in omstandigheden bevonden, dat mijn of anderer leven aan een seconde hing, en als dit moment voorbij en het gevaar afgewend was, heb ik altijd geweten, dat ik in deze ééne seconde het gevaar volkomen had doorzien, alle middelen tot afwering mij door het hoofd waren gegaan, en het zekerste door mij gekozen en uitgevoerd was. Dat lijkt onbegrijpelijk, ja een wonder, maar in het dagelijksche leven komen duizenden van zulke wonderen voor, zonder dat men er zich van bewust is. Niet alleen leven wij en bewegen wij ons te midden van wat enkel wonderen Gods zijn, maar wij zelf zijn van al die wonderen ongetwijfeld het grootste. De godloochenaar moge over dit zeggen de schouders ophalen, ik beklaag hem.Iets dergelijks deed zich hier op de hoog gezwollen rivier voor.De vrouw, die in den voorsteven van de schuit hurkte, klemde zich, van angst jammerende, aan den boeg van het vaartuig vast, maar de botsing was zóó geweldig, dat zij er uit geslingerd werd. Zij verdween in den wilden drabbigen vloed en—ik met haar.Hoe ik van mijn paard af ben gekomen, hoeveel tellen ik gebruikt heb, om mij van de geweren, van den inhoud mijner zakken en mijn gordel te ontdoen, kan ik onmogelijk zeggen. Halef beweerde later, dat ik mij reeds vóór de aanvaring van het paard had laten glijden, in het zekere vooruitzicht, dat de vrouw zich niet zou kunnen houden. Hij zou ook getracht hebben mij te weerhouden, maar daar herinner ik mij niets van. Al mijn denken concentreerde zich op een enkel punt.Zeker weet ik alleen, dat ik de vrouw met één hand greep en mee in de diepte trok, om met haar van onder de schuit èn de praam weg te komen. Die konden voor ons gevaarlijk worden.Toen ik weer opdook zag ik, dat wij een tamelijk eind afgedreven waren. Ik hield de vrouw bij de mouw van haar blauw-katoenen Zuava (van voren open geborduurd jakje); zij was bewusteloos, wat voor mij niet anders dan gemakkelijk kon zijn. Ik bevond mij over de halve breedte der rivier, dus voorbij het midden, waar de strooming het ergst was en aan de zijde van de spoorwerkers, en moest nu trachten den oever te bereiken, zonder in den strijd tegen de golven mijn krachten te verspillen. In zulke toestanden mag men niet voorover, maar moet men op zijn rug zwemmen, wat weer dit nadeel heeft, dat men niet voor zich uit kan zien. Maar het heeft dit voordeel, dat men veel meer dragen kan, en het niet zoo vermoeit. Ik lei de vrouw dwars over mij heen, zoo dat haar hoofd boven water bleef, en ik liet mij op den stroom drijven.Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).Daar ik het lichaam der drenkelinge te dragen had, kwam het mijne diep te liggen. Wat moeite ik mij ook gaf, het gelukte mij slechts nu en dan mond en neus boven water te krijgen om adem te kunnen halen. Tevens deed ik al wat mogelijk was, om den oever te naderen.Dat was bij lange na zoo gemakkelijk niet, als mijn lezers wellicht zullen denken. De oever brak de strooming en dreef haar in breede golvingen naar het midden der rivier terug. Ik kon alleen naar omhoog en een weinig ter zijde zien, maar in ’t geheel niet voor mij uit, en toch moest ik mij in acht nemen voor de vele voorwerpen, die in de rivier dreven of er uit staken. De menschen aan den oever liepen stroom-afwaarts, in dezelfde richting als ik, maar brachten mij door hun schreeuwen in de war. De reden van dat schreeuwen was, dat zij mij moeilijk bij konden houden, want de vloed dreef mij met zoo’n ontzettende vaart voort, dat ik er duizelig van dreigde te worden. En—ik moest al mijn bedaardheid bewaren. Als ik in de vele maalstroomen en draaiïngen, armen of beenen verkeerd uitsloeg, wanneer ik ook maar een oogenblik mijn zelfvertrouwen verloor, dan was het gedaan, èn met mij èn met de vrouw. Met alle kleeren aan te zwemmen, is in stilstaand water al moeilijk, maar in dit onstuimig element, met een drenkeling op mij en met de vroeger zoo welkome maar nu zoo fatale jichtlaarzen aan vanden arts van Radowitsch, dat was toch nog iets anders. Zooals later uitkwam, was ik in ’t geheel niet lang in het water geweest, maar er in liggende leek het mij een eeuwigheid toe.Eindelijk was het mij gelukt, uit den mij met geweld meesleurenden stroom, en over de zich aan den oever vormende draaiingen, heen te komen. Ik bevond mij in het meer stilstaande water van het overstroomde land, maar kon, tot mijn verwondering, geen grond voelen. Dat bracht mij in de war; want als ik mij liet zakken om vasten grond te krijgen, zonk ik al dieper en dieper weg. Op eens hoorde ik iemand toeroepen:—Allahy sewersin! Daha uzak, daha uzak jüz. Orada tschukurlur. Schurada gel!—Om Godswil! Zwem verder, verder! Daar zijn groeven. Kom hierheen!Men had, bij het ophoogen van den dam, den nabij liggenden grond gebruikt, waardoor natuurlijk diepten en groeven waren ontstaan, boven welke ik mij bevond. Ik kon den roepende niet zien, omdat het water mij over de oogen stroomde; maar ik vermoedde, dat hij op den dam stond, en zwom op het geluid af, naar hem toe. De dam vlakte boven het water, dat, tot bij hem, diep-water was.Toen ik daar aankwam, strekten tien, twintig handen zich naar mij en naar de drenkelinge uit. Men nam de bewustelooze van mij over. Ik zelf kroop half tegen den dam op, half werd ik er tegen opgetrokken. Eerst nu voelde ik, dat mijn kleeren als lood aan mij kleefden.Rondom mij was alles een en al gejubel; slechts twee hieven klaagtonen aan. Zij, die dat deden, meenden dat de vrouw dood was. Ik zei hun echter dat zij onmogelijk verdronken kon zijn, ofschoon het kon zijn dat de botsing haar gedood had. Zij werd stroomopwaarts naar de planken-huizen gedragen.Nu hoorde ik den hoefslag der mijnen. Mijn drie vrienden kwamen in galop langs de spoorbaan aanrijden. Halef was de voorste.—Sihdi, Sihdi!—riep hij al van de verte.—Zijt gij dood of leeft gij nog?—Ik ben springlevend!—antwoordde ik. Ik ben zoo frisch als een hoentje.—Allah zij geloofd, geprezen en gedankt!Hij sprong van zijn paard, wierp zich naast mij op den grond, greep beide mijn handen en zeide:—Maar hoe kan iemand in zulk vuil water springen! En hebt gij daarvan moeten inslikken?—Ja, en het smaakte bijna als het bier van den waard te Radowitsch.—Ik zou er liever niet van proeven. Allah, Allah, wat schrikte ik, toen ik u in het water zag verdwijnen! Is dan een vrouw het waard, dat men er zijn leven voor waagt?—Natuurlijk! Zoudt gij voor Hanneh, de lieflijkste van alle dochters en vrouwen, uw leven niet wagen?—Voor Hanneh? Zeer zeker en gewis! Maar wat was die vrouw? Uw verloofde of zuster? Had zij u lief, en zou zij uw vrouw worden?—Zij was een menschenkind, dat in doodsnood verkeerde, en voor water behoefde ik geen vrees te hebben.—Neen, maar het is vandaag woest onstuimig. Zie maar eens hoe wild het te keer gaat, uit kwaadaardigheid dat die vrouw ontkomen is. Ik heb Rih voor u meegebracht, omdat gij niet loopen kunt. Stijg op. Wij moeten een gelegenheid zoeken, waar gij uw kleeren kunt drogen.—Waar zijn mijn geweren en verdere zaken?—Ik heb alles. De geweren hangen ginds aan uw zadel.—En hoe is het met de andere opvarenden van de schuit gegaan?—De twee roeiers hebben wij op de praam getrokken; maar de kleermaker was over boord geslagen.—En is hij verdronken?—Neen. De Scheitan heeft nog niets van hem willen weten. Ik heb hem met zijn merrie zien zwemmen; we willen eens zien, waar hij te land is gekomen.Hij stond weer op en keek naar Suef rond. Na een oogenblik wees hij naar het lager einde der rivier.—Daar zijn de twee beesten, hij en zijn paard.Ik keek in de aangeduide richting en zag, ver van ons, den bedoelde, die den staart van zijn paard had gegrepen en zich door de merrie liet slepen. Die oude merrie was werkelijk een kostbaar dier.—Zal ik er heen rijden en hem achterover slaan, als hij uit het water komt?—vroeg Hadschi.—Neen, hij zal genoeg angst uitgestaan hebben. Dat is voldoende voor hem.—Maar hij alleen is de schuld, dat gij in het water hebt moeten springen!—Dat is geen reden om hem dood te slaan.—Maar hij zal ons ontsnappen! In uw toestand kunt gij hem toch niet volgen.—Laat hem loopen! Wij halen hem toch nog wel in.Natuurlijk betuigden Osko en Omar mij hun groote vreugde over het welgelukken van mijn waterexpeditie, die in ’t geheel niet op ons programma had gestaan.Tal van spoorwerkers omringden ons, die met de vreugde-kreten instemden en mij drongen, mee te gaan naar een der hutten, waar een Soba (haard) stond, waarbij ik mijn kleeren spoedig kon drogen. Dat had ik stellig het meeste noodig. Daarom steeg ik te paard en reed terug, juist toen ook de kleermaker den oever bereikt had. Wat hij nu verder ging doen, kon mij voorloopig onverschillig zijn.Ik behoefde mijn paard niet te mennen; daar zorgden de arbeiders voor. Zij grepen de teugels, ja zelfs de stijgbeugels. De anderen liepen voor, naast en achter mij, en zoo werd ik in triomf weggeleid, een natte triomftocht, want het water sijpelde door mijn kleeren tot in mijn jicht-laarzen. Even omziende, zag ik, dat Suef dwars door het veld heen, weggaloppeerde. Paard en ruiter schenen dus heelhuids er af gekomen te zijn.Ook nu had Halef mijn voorbeeld gevolgd en omgekeken. Suef ziende, hief de kleine Hadschi zich op in den zadel, balde toornend de vuist en zeide:—Kem lahana uzuw ümri war; lakin Allah war eder, Allah jog eder.—Onkruid houdt het lang, maar Allah geeft en neemt het leven.Hij wilde in zijn toorn zeggen, dat de kleermaker, dat onkruid, uitgeroeid moest worden en het ons, zoodra Allah het wilde, gelukken zou.Daar, waar de veerschuit, dat wil zeggen de praam, op den rechter oever was geland, stond de oude veerman met zijn drie helpers. Toen hij mij zag komen, verhief hij zijn stem en riep op pathetischen toon:—Duizendmaal dank den heiligen Khalifen, tienduizendmaal geloofd zij de Profeet en honderdduizendmaal geprezen zij Allah, de Almachtige, die u behoed heeft in de ure des gevaars. Toen ik u in den stroom zag verdwijnen, versteende mij het hart van denschrik en schreide mijn ziel bloedige tranen. Maar nu ik u behouden mag weerzien, is mijn geest vol jubel en gejuich, want gij zult uw woord gestand doen en ons de bakschisch geven, ons door u beloofd.De bakschisch was het dus, waartoe de lange rede moest dienen. Ik schudde het hoofd en antwoordde:—Ik weet van geen belofte, die ik u zou hebben gedaan.—Dan heeft het water u in de war gebracht. Bedenk, wat gesproken is, toen uw begeleider ons met zijn zweep vermaande, om vlugger te zijn.—Mijn geheugen heeft niet geleden; ik herinner mij ieder woord. Gij hebt een fooi verlangd, maar ik heb niets gezegd.—O Emir, wat beklaag ik u! Uw hoofd is verzwakt! Juist uw zwijgen bewees uw toestemming van wat ik vroeg. Hadt gij de bakschisch willen weigeren, dan hadt gij dat duidelijk moeten zeggen. Omdat gij gezwegen hebt, daarom hebben wij er recht op.—En als ik nu blijf weigeren?—Dan dwingt gij ons u te straffen, en u te houden voor een man, die zijn woord geeft en het niet lost.Met die bedreiging kwam hij verkeerd uit, niet bij mij, maar bij de spoorwerkers. Dat hij om een fooi dwong, die ik hem in ’t geheel niet had beloofd, en dat in bewoordingen deed, die mij moesten kwetsen, maakte hen boos. Zij hadden hem terstond bij de kladden en twintig vuisten sloegen op hem los.—Halt! Laat hem los!—riep ik boven het rumoer uit, dat de mannen maakten. Ik wil hem zijn bakschisch geven.—Dat is niet noodig,—riep een hunner,—wij geven die al, zooals gij ziet.—Houdt op, houdt op!—gilde de oude. Ik wil geen betaling, ik heb de fooi al!Hij rukte zich los en vloog naar zijn praam, waarheen zijn drie helpers reeds waren gevlucht. Hijzelf ontwikkelde daarbij een vlugheid, die het tegenovergestelde was van de flegmatieke bedaardheid, die hij vroeger getoond had. Hij vergat zoowaar er aan te denken, dat het zijn stelregel was, om niets te doen zonder zijn pijp. Dat onmisbare voorwerp had hij laten vallen, en hij liet het in den steek. Een van de arbeiders raapte het op en wierp het hem op de praam achterna. En hij greep.... niet naar zijn pijp, maar naar den ketting, om de veerschuit zoo spoedig mogelijk van den oever loste maken. Zoodra er echter een streepje water was tusschen hem en ons, begon hij te schelden en mij voor een vrek en woordbreker uit te maken.Halef ging naar den oever, legde zijn geweer aan en dreigde:—Sekiut dur, joksa atarim—zwijg, of ik schiet!Maar de oude bleef schelden. Hij kon zich niet voorstellen, dat de Hadschi zijn bedreiging zou uitvoeren. Hij had den duwboom in de hand zonder dien te gebruiken. Op eens drukte Halef los. Hij had op den boom gemikt, en de kogel trof dien dicht bij de hand van den oude, zoodat de splinters er afvlogen. De veerman gaf een gil, liet den duwboom over boord vallen, en plofte plat op den bodem van de praam neer, waarschijnlijk denkende daar veilig te zijn voor een tweeden kogel.Er brak een algemeen gelach van de arbeiders los, om de behendigheid waarmee de anders zoo langzame veerman nu wegdook.Nu kwamen wij al spoedig bij de planken-woningen, waar wij stilhielden. Ik steeg af en werd er binnengebracht.Het was een groot, ruim vertrek. Aan de wanden hingen de weinige eigendommen der arbeiders. Rondom waren planken aangebracht, die dienden om er op te zitten en op te slapen. In den achtersten hoek stond een groote kookkachel van een constructie zooals ik nog nooit had gezien.Er waren vier kookketels op, en de vuurhaard was allergeschiktst om natte kleeren te drogen.Ik was nauwelijks binnen gekomen, of uit een andere hut kwam een jonge krachtvolle man naar mij toe, die mij terstond toeriep:—Heer, gij hadt gelijk. Zij is niet dood, maar zij leeft! Zij haalt weer adem. Ik heb mij gehaast om het u te komen zeggen en u mijn dank te betuigen.—Is zij een verwante van u?—Ze is mijn vrouw. Ik ben deBaschi ischdshiji(Opzichter). Zij heeft den overtocht gewaagd, omdat ik haar gezegd had, dat zij van morgen vroeg hier moest zijn. Maar gij moet u uitkleeden. Ik zal terstond mijnZiaset esbaby(Zondagskleeren) halen.Hij ging en kwam terstond terug met een broek, buis, vest en een paar pantoffels. Ik trok mij achter een beschotje terug, om mij te verkleeden. Halef hielp mij daarbij. Onderwijl hij mij de natte kleeren uittrok, jammerde hij:—Effendi, nu is het uit met de waardigheid van uw rang en de bekoorlijkheid uwer figuur. Dit mooie pak heeft u in Stambul over de zeshonderd piasters gekost, en nu heeft het water er al den glans aan ontnomen. Zie eens, wat een ontzettende scheur gij met zwemmen, in de pijp van uw broek hebt gemaakt. Die moet dicht gemaakt worden, opdat de liefelijkheid uwer leden niet lijde. Garen en naalden heb ik wel altijd bij mij, maar of hier een ütü (strijkijzer) zal zijn, om uw pak weer op te fleuren, dat betwijfel ik.Men moet zich van mijn voorkomen en gestalte geen voorstelling maken uit wat mijn Hadschi er van zegt. Het was nu eenmaal zijn gewoonte zich zoo uit te drukken.—Vraag eens rond, misschien is er wel een kleermaker onder de arbeiders.Hij ging met mijn kleeren weg, en ik hoorde hem luide vragen:—Hoort, gij zonen en kleinzonen van den spoorweg, is er onder u ook een die kleermaker is?—Hier!—riep een stem.—Allah zegene u, mijn vriend, dat gij in de jaren uwer jeugd op de gedachte gekomen zijt, de producten van het weefgetouw met garen aaneen te naaien, zoodat de mannen van uw volk hun armen en beenen er kunnen insteken! Maar kunt gij ook scheuren dicht naaien?—Zóó netjes, dat het kleedingstuk er nog mooier uitziet dan vroeger!—Dus zijt gij een groote Ustaljnenün (ridder van de naald). Maar hebt gij ook een strijkijzer bij u?—Twee zelfs!—Dan geef ik aan uw verantwoording de kleeren over, van mijn vriend en gebieder. Gij moet ze drogen en opstrijken, en de scheur onzichtbaar maken. Als gij dat zoo doet, dat niemand die zien kan, dan krijgt gij een bakschisch, en de geloovigen van alle landen zullen zich verblijden in uw kunstvaardigheid, en uw roem verbreiden tot waar het heelal ten einde loopt. Hier, neem de kleeren in uw armen, en de geest van den Profeet verlichte u!Ik moest lachen, want ik kon mij zoo voorstellen met wat ernstig gezicht hij deze tirade voorgedragen had. Toen hij bij mij terugkwam, vond hij mij met het onderzoeken van het gipsverband bezig.—Men behoeft ook niet te vragen of die in het water geweest is!—zeide hij.—Is het losgeweekt?—Neen, maar ik zou het wel willen afdoen. Het zit er, weliswaar, nog maar enkele dagen om, maar ik geloof, het wel te kunnen wagen.Met onze messen verwijderden wij het verband, zonder er eenige pijn van te hebben. Dat was een gunstig verschijnsel. Toen de voet geheel buiten alle gipsverband was, beproefde ik er op te staan. Het ging boven alle verwachting goed. Ik ging eenige passen op en neer, en voelde, dat ik er gerust op kon loopen. De verstuiking was minder erg geweest dan ik had gedacht.—Nu trekt gij toch zeker die jichtlaarzen niet meer aan?—vroeg de Hadschi op de genoemde voetbekleeding wijzende, die door het water er hoogst treurig uitzagen.—Neen; ik laat ze hier.—Dan willen wij ze aan de arbeiders present doen, die ze als koffietrechters kunnen gebruiken, want in deze streek laten de menschen de koffie door een zak loopen, omdat die anders hun te goed zou smaken. Allah heeft wonderlijke kostgangers in zijn rijk. Nu kunt gij weer uw hooge laarzen dragen en ziet gij er weer heel anders uit. Met de jichtlaarzen zaagt gij er uit als een Noachiet, die reeds voor den zondvloed zijn tanden verloor. Zal ik de hooge leeren halen? Ze hangen aan mijn zadelknop!Ik gaf mijn toestemming en vond dat mijn voet in deze laarzen voldoenden steun had. Daar ik het grootste gedeelte van den dag te paard zat, behoefde ik van mijn voet niet veel te vorderen.De mij geleende kleeren pasten mij vrij goed, daar de eigenaar van mijn grootte was. Hij vond dat grappig en prettig, tevens verzocht hij mij met hem naar zijn woning te gaan, waar zijn vrouw mij zelf wilde bedanken.De spoorwegwerkers zaten samen te eten. Hun middagmaal bestond uit een dikke brij van maïsmeel in enkel water gekookt. Daarmee zijn die luidjes dag aan dag tevreden.De vrouw wilde, toen wij binnen kwamen, mij met een stroom van dankbetuigingen ontvangen; ik verzocht haar dit liever niet te doen. Naast haar zat haar man, en die was zoo innig gelukkig met haar redding, dat ik niet behoefde te vragen of ze elkaar ook liefhadden. In den loop van het gesprek bleek mij dat zij Christenen waren.—Ik ben blij dat ook gij een Christen zijt,—zeide mij de man.—Hoe weet gij dat?—vroeg ik hem.—Uw twee gezellen zeiden het mij, onderwijl gij u verkleeddet. Ik heb ook gehoord dat gij geen onderdaan van den Sultan zijt, maar tot het volk behoort dat den roemrijken oorlog tegen de Fransyler gevoerd heeft.—Zijt gij uit deze streken?—vroeg ik hem.—O neen! Wij zijn bijna allemaal uit het gebergte, waar zoo veel arme menschen zijn. De mannen van hier hebben geen zin om aan den spoorweg te werken. Toen het bekend werd, dat bij dezen aanleg brood te verdienen was, trokken vele mannen van bij ons, hier heen. En daar ik voor architect geleerd heb, nam ik de leiding op mij en ben nog altijd hun opzichter.—Gij hebt dus een hoogere burgerschool bezocht?—vroeg ik hem.—Neen. Ik ben de tweede zoon van mijn vader. Mijn oudste broer erft de ouderlijke woning, en dat maakte bij mij den zin wakker om er voor mijzelf een te bouwen. Daarom heb ik dan ook mijzelf lezen, schrijven en teekenen geleerd, en ben naar een bouwkundige in Uskub gegaan, om daar verder te leeren. Mijn vader is scheper (tschoban), ongeveer acht uur van hier.—Waar?—Het is geen dorp, niet eens een vlek. Daar zijn maar twee huizen, die aan een zijtakje van de Treska liggen, en omdat onze buurman een konak houdt, zoo wordt die kleine nederzetting Treska-Konak genoemd.—Neen maar! Die is goed! Het kon niet beter!—riep ik uit.—Waarom?—Omdat ik dezen Treska-Konak zoek.—Wilt gij er soms naar toe rijden? Naar mijn vader of naar den Konakdischi?—Naar den laatste, geloof ik.—Gelooft gij? Gij weet het dus zelf niet?—vroeg hij verwonderd.—Neen. De man die met uw vrouw in de schuit overvoer, wil er heen, en dien wil ik achterna. Hij gaat daar personen bezoeken, met wie ik ook nog een woordje te verhandelen heb.—Dat klinkt alsof dat minder vriendelijke woordjes zullen zijn.—Goed geraden. Er zijn heden vijf mannen heen gereden, die iets misdadigs in hun schild voeren, wat wij verhinderen willen. Ze moeten met de veerpraam overgevaren zijn.—Ah! Kan er ook een zekere Manach el Barscha bij geweest zijn, die vroeger ontvanger in Uskub was?—Juist.—Dan heb ik ze gezien. Ik stond bij het veer, toen zij kwamen. Ze hadden ruzie met den veerman, dien zij zweepslagen gaven in plaats van zijn geld. Toen Manach mij voorbij reed, dreigde hij ook mij.—Waarom?—Omdat hij mij haat. Hij had den hoofdelijken omslag der Christenen te innen en vorderde van mij het tien- en twaalfvoud van wat ik schuldig was, en dat wilde ik niet meer betalen. Anderen ging het evenzoo, en wij overlegden en klaagden hem aan. Hij heeft de Christenen voor een groot bedrag opgelicht.—Wat straf is hem opgelegd?—Geen. Hij vluchtte, en men zegt dat hij de heele ontvang-kas meegenomen heeft. Hij durft zich in Uskub niet meer laten zien. Dus die menschen zoekt gij? Hij is altijd met onzen Konakdischi bevriend geweest en zal ook nu wel bij hem thuis zijn.—Kunt gij mij den weg zeggen, dien ik te nemen heb om naar Treska-Konak te komen?—Men moet de streek goed kennen, om zonder af te dwalen, er te komen. Een beschrijving van den te volgen weg bracht u zeker in de war. Als het u aangenaam is, geef ik u gaarne een volkomen betrouwbaren man mee, die den weg even goed kent als ik. Hij zal het een groote eer achten, u naar mijn vader te mogen geleiden, en daar hij dezen vertellen zal, hoe gij mijn vrouw gered hebt, kunt gij zeker zijn van een hartelijke ontvangst.Zeer gaarne nam ik dat voorstel aan en vroeg:—Ligt uw ouderlijk huis ver van den Konak?—Ternauwernood twee minuten gaans.—De bewoners van den Konak zullen ons dus zien aankomen?—Wanneer gij dat niet wilt, zal mijn zwager u zoo leiden, dat niemand u ziet. Overigens zal het stikdonker zijn, wanneer gij er aankomt. Mijn zwager is nog eenigen tijd op het werk. Zoodra hij thuis komt, zal ik hem uw geleide opdragen. Maar nu verzoek ik u mijn gasten te willen zijn. Het is middag, en wij moeten eten. Wij kunnen u iets voorzetten, dat gij in het land der Mahomedanen wel zelden zult zien.Hij opende een met hooi gevulde kast en haalde er uit.... een ham en een partij gerookte worsten.—O Allah, Allah! Wat denkt gij, dat wij het achterdeel van een varken en het in den rook gaar gemaakte bloed en vleesch er van zullen eten?—riep Halef uit.—De Profeet heeft ons verboden dat te doen, en wij zouden ons zeer bezondigen, wanneer wij ons met het lijk van een zwijn voor eeuwig en altijd verontreinigden!—Zoo iets slechts denkt niemand van u, Halef,—zeide ik. Wat mij betreft, ik zal er aan smullen.—Maar er zijn lintwormen (Dschild kurtlar) in!—Daar zijn wij niet bang voor.—Ik mag het ook niet zien eten, want zelfs het zien van varkensvleesch moet ons een gruwel zijn; maar nu Omar en Osko niet hier zijn, heb ik ook geen verwijt te vreezen, als ik uit verkleefdheid aan u, Sihdi, hier stil blijf zitten. Als gij van den ham in uw mond steekt, zal ik mijn oogen dicht doen, of minstens ter zijde kijken.Onze gastheer bracht ham, worst, brood, peper en zout. Hij nam het mes uit zijn gordel, en ik volgde dit prachtig voorbeeld. Nadat hij voor zich een duchtig stuk had afgesneden, deed ik eveneens, en het gesmul begon. Nooit heeft mij een ham lekkerder gesmaakt dan toen te Rumelia.Halef zat zijwaarts achter mij; ik kon niet zien of hij mij gadesloeg, maar ik kende mijn kleinen Hadschi te goed, om niet te weten dat de lust om mee te genieten hem brandde tot in het puntje van zijn tong. Hij zag, hoe het mij smaakte, en dat ik een tweede stuk afsneed.—Hajde scheitani,—Weg duivel!—riep hij uit. Sihdi, wilt gij dan, dat ik alle achting en eerbied voor u zal verliezen! Wanneer ik het gebod van den Profeet opvolgde, zou ik u nooit weer mogen aanraken!—Dat zou mij werkelijk spijten, mijn waarde Halef, maar nu gehoorzaam ik aan den prikkel van wat onbeschrijfelijk lekker is, en niet aan den Koran.—Is het dan werkelijk zoo verbazend lekker?—Er bestaat niets dat lekkerder is.—Allah! Waarom heeft dan toch de Profeet ham verboden?—Omdat hij zeker nooit er van geproefd heeft; anders zou hij het de geloovigen ten sterkste aanbevolen hebben.—Misschien toch ook wel om de lintwormen.—Maar die zijn er niet in; daar kan ik een eed op doen.—Dus gij meent, dat men het er op wagen kan?—Gerust!Ik hoorde het aan den toon van zijn stem dat hij watertandde. Ook onze gastheer kreeg er schik in. Hij liet echter niets merken, maar at ijverig door, zich alle moeite gevende om dat met klimmende verrukking te doen.Halef stond op en ging buiten de deur kijken. Ik begreep zeer goed, dat hij rondzag, of Omar en Osko ook in de buurt waren. Toen hij weer binnen kwam, trok hij een zeer vergenoegd gezicht. Hij had die twee dus niet gezien. Zij stonden op de spoorbaan, een locomotief te bewonderen, die juist een zandtrein voortsleepte. Zij hadden geen tijd zich om ons te bekommeren.De Hadschi ging weer zitten en zeide:—Sihdi, ik weet dat gij niet graag over ons geloof spreekt; maar is het niet ook uw gevoelen, dat de Profeet soms wel een klein beetje ongelijk heeft?—Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar hij heeft toch den geheelen Koran van den aartsengel Gabriël ontvangen.—Maar kan een engel ook wel niet eens zich vergissen?—Dat zal toch wel niet waar zijn, mijn lieve Halef.—Of zou de Profeet den engel ook verkeerd hebben kunnen verstaan? Als ik zoo nadenk, dan komt het mij voor, dat Allah de varkens niet zou geschapen hebben, als Hij wilde dat wij ze niet zouden eten.—Met die redeneering van u ben ik het geheel eens.Hij haalde diep adem. Mijn tweede stuk ham was op, en in navolging van mijn gastheer begon ik nu aan de worst. Halef begon te begrijpen, dat wij klaar zouden zijn, voor hij zijn bezwaren zou overwonnen hebben.—Zeg eens in alle oprechtheid, Sihdi, smaakt het vleesch werkelijk zoo lekker als op uw gezicht te lezen staat?—Nog oneindig beter dan mijn gezicht uitdrukken kan.—Laat het mij dan eens ruiken.—Wilt gij dan uw neus verontreinigen?—O neen! Ik zal hem dicht houden.Dat was zeker nog al dwaas, maar ik sneed een stukje ham af, stak het op de punt van mijn mes en reikte het hem toe, zonderhem aan te kijken. Ook de opzichter was zoo verstandig, niet naar hem te kijken.—Ah! Oh! Dat is als een geur van het Paradijs!—riep de kleine. Zoo krachtgevend, geurig, tandtergend! Hoe jammer, dat de Profeet het verboden heeft! Hier hebt gij uw mes weer, Effendi.Hij reikte het mij toe, het stukje ham was verdwenen.—Neen maar, waar is de ham?—vroeg ik verwonderd.—Wel aan het mes!—Het is er af.—Dan moet het er afgevallen zijn.—Dat zou zonde zijn. Maar, Halef, ik geloof, ik zie u kauwen. Ik keek hem scherp aan. Hij trok een grappig gezicht en antwoordde:—Ik moet wel kauwen, want het stuk was van uw mes in mijn mond gevallen, of dacht gij dat ik het zoo maar zou doorslikken?—Neen. Hoe smaakt het?—Zoo verbazend lekker, dat ik u wel iets zou willen vragen.—Vraag op.—Mag ik.... de deur sluiten?—Gelooft gij dat men ons zou kunnen overvallen?—Neen. Maar Omar en Osko hebben de wetten van den Profeet niet zoo diepzinnig bestudeerd als ik. Zij zouden in verzoeking kunnen komen, als zij nu binnen kwamen; dat wilde ik voorkomen. Zij moeten zich niet te verwijten hebben, dat zij hun zielen verontreinigden met de lucht van vleesch en bloed, dat in de darmen gestopt en daarin gerookt werd.Hij stond op, grendelde de deur van binnen, ging toen bij ons zitten, nam zijn mes en... sneed voor zich een stuk van een half pond, van de ham af, dat verbazend gauw onder zijn snorretje—van rechts zes en links zeven haren,—verdween. Daarna streek hij, met innig welgevallen over zijn buik en zeide:—Gij ziet, Effendi, hoe groot het vertrouwen is, dat ik in u stel.—Wat ik gezien heb, Halef, dat was vooral uw smakelijk eten.—Dat was een gevolg van mijn goed vertrouwen in uw voorgaan. Wat mijn Effendi eet, dat kan mij niet buiten den zevenden hemel houden, en ik vertrouw op uw stilzwijgendheid, dat gij aanOmar en Osko niet zult vertellen, dat uw oordeel bij mij even hoog staat als de wetten der heilige Khalifen.—Ik zie niet in, waarom ik zou uitbazuinen, dat gij ook wel iets lust dat lekker is.—Goed, dan wil ik ook nog wat van dezeSudschuk(worst) nemen, nu deDomuz pastyrmassy(ham) zoo heerlijk was. Onze gastheer zal het mij vergunnen, want wat de herbergzaamheid iemand geeft, geeft Allah honderdvoudig terug.De opzichter knikte aanmoedigend hem toe, en Halef gaf zich alle moeite om te bewijzen dat hij vandaag om het gebod van den Profeet niets gaf. Toen hij volop genoten had, veegde hij zijn mes aan zijn broek af, stak het in zijn gordel en zeide:—Er zijn creaturen, die van de ondankbaarheid der menschen veel te lijden hebben. Het varken heeft gewis niets gedaan, om de verachting te verdienen, waarmede de geloovigen het aanzien. Was ik in de plaats van den Profeet geweest, toen hem voorgezegd werd wat hij in den Koran moest schrijven, ik zou beter opgelet hebben. Dan zouden juist die dieren het meest in aanzien zijn, die de aangenaamste spijs opleverden. En nu onze maaltijd geëindigd is, kan ik de deur weer open doen, zonder te moeten vreezen dat onze vrienden schade zullen lijden aan hun ziel.Hij stond op en schoof den grendel weg, juist toen een flink, welgebouwd jonkman op het punt stond binnen te komen.—Israd,—riep de opzichter hem tegemoet, zoodra hij hem zag,—gij hebt vandaag niet meer te arbeiden; ik geef u vrij. Deze Effendi wil naar Treska-Konak rijden, en gij zult hem langs den kortsten weg, er heen brengen.De jonkman was de broer van de vrouw, die ik had mogen redden. En deze nam die gelegenheid waar, om mij voor wat ik gedaan had, allerhartelijkst te bedanken, en was blij dat hij mij een wederdienst kon bewijzen.—Maar hebt gij wel een paard?—vroeg ik hem. Gij kunt toch niet loopen, terwijl wij hard rijden.—Ik leen er ginds in het dorp een,—zeide hij. Wanneer wilt gij op weg gaan, Effendi?—Zoo spoedig mogelijk.—Gij zult nog een heelen tijd moeten wachten, want uw kleeren zijn nog lang niet droog. Intusschen zorg ik voor een paard.Hij ging terstond weer weg.—Gij zult aan hem een goeden gids hebben,—zeide zijn zwager, en hij kan u omtrent alles inlichten.—Dan is hij mij dubbel welkom, want ik zal hem omtrent een en ander nog al wat te vragen hebben.—Kunt gij mij dat niet vragen?—Voor alles wilde ik gaarne weten, waar Karanirwan Khan ligt.—Karanirwan Khan? Hm! Waarom wilt gij dat weten?—Omdat de vijf mannen, die wij vervolgen, daar heen willen rijden.—Ik ken helaas, geen plaats van dien naam. Er bestaat wel een Karanorman Khan; dat ligt bij Weicza in de Schar Dagh.—Dat weet ik, maar dat is de plaats niet, die ik zoek. Karanirwan Khan moet een alleen-staand huis zijn, een Konak, het eigendom van een Pers.—Perzen vindt men hier maar zeldzaam.—Kent gij er niet een?—Eén, ja.—Hoe heet hij?—Zijn waren naam ken ik niet. Hij heeft een grooten zwarten volbaard, en daarom noemen wij hem altijd Kara Adschemt, den zwarten Perziër.—Ah! Dat is misschien juist de man, dien ik zoek. Een zwaren zwarten volbaard moet hij hebben, omdat hij juist Kara Nirwan heet. Vanwaar is hij, dien gij bedoelt?—Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Hij moet achter in de bergstreek van Jalicza of Luma thuis hooren. Ik herinner mij, dat hij ons van een beer vertelde, die hem bij den Zsalezs-berg tegemoet kwam. Deze berg ligt echter bij de genoemde plaatsen.—Zijn er dan ook beren in de Schar Dagh?—Nog maar hoogst zelden. Vroeger kwamen zij meer voor, zooals mijn vader dikwijls vertelt. Nu duurt het soms jaren, voor er weer zoo’n dier hierheen verdwaalt.—Weet gij niet zoo eenigermate, wat die Perziër is?—Paardenhandelaar is hij, en wel een zeer beduidende. Ook moet hij rijk zijn. Ik heb hem dikwijls, met meer dan tien knechten en een ware kudde van paarden bij onzen buurman zien komen, bij wien hij gewoonlijk zijn intrek neemt.—Wat gij mij daar vertelt, is voor mij hoogst belangrijk, want ik kan er allerlei gevolgtrekkingen uit maken. Deze paardenkoopman is een Perziër, en hij heet Kara. Hij neemt zijn intrek bij den Konakdschi, bij wien ook Manach el Barscha en de vier anderen willen zijn. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze man de persoon is, dien wij zoeken.—Ik zou heel blij zijn, als ik u op het spoor had gebracht.—Zou uw zwager nog iets meer weten?—Hiervan niet. Hij is, even als ik, in langen tijd niet bij ons thuis geweest. Maar als gij van avond bij mijn vader komt, dan kunt gij hem en mijn broeder nadere inlichtingen vragen. Die twee kunnen u misschien beter inlichten.—Is uw vader met zijn buurman bevriend?—Vrienden zijn ze niet, maar ook geen vijanden. Ze zijn buren, door den nood gedwongen, het met elkaar te kunnen vinden. De Konakdschi heeft iets valsch en geheimzinnigs over zich.—Weet gij soms of hij ook in betrekking staat tot personen te slechter naam en faam bekend?—In een zoo eenzaam gelegen Konak komen allerlei menschen. Ik kan dus geen stellig antwoord op uw vraag geven. Alleen weet ik dat hij met den ouden Scharka omgaat. En dat is geen goed teeken.—En wie is deze Scharka?—Een kolenhandelaar, die met eenige helpers boven in de bergen huist. Hij moet in een diep en donker hol wonen en men fluistert, dat er dicht bij, menigeen begraven ligt, die geen natuurlijken dood is gestorven. Het eenzame pad door het gebergte loopt over zijn gronden, en het is eigenaardig, dat zoo veel reizigers het wel opgaan maar nooit terugkeeren. En altijd zijn het personen, die veel geld of geldswaardige zaken bij zich hadden.—Dan is het een waar moordenaarshol! Heeft men dan de misdaden van dezen man nooit kunnen naspeuren?—Neen; want men waagt zich liefst niet in zijn nabijheid. Zijn helpers zijn ruwe ijzersterke kerels, tegen wie men niet bestand is. Eens is er een afdeeling van dertig soldaten heen gezonden, om de Aladschy’s te vangen, die zich bij hen ophielden. De soldaten zijn onverrichter zake teruggekomen, nadat zij het zwaar te verantwoorden hadden gehad.—Wie waren hun aanvallers?—Dat wisten zij niet. Zij werden altijd bij nacht overvallen, door menschen die zij nooit goed te zien kregen.—De Aladschy’s waren dus ook bij den kolenhandelaar! Kent gij hen?—Neen,—antwoordde hij.—En toch hebt gij ze vandaag nog gezien. Die twee kerels op gevlekte paarden, die Manach el Barscha vergezelden, waren het. De naam dier twee beruchte broeders, stemt met de kleur hunner paarden.—Neen maar! Wie had dat kunnen denken! Dat waren dus de Aladschy’s! Nu verwondert het mij ook niet, dat de veerman door hen met zweepslagen betaald is geworden. Zij rijden naar Treska-Khan; daar blijven zij in allen gevalle niet. Misschien willen zij den kolenhandelaar weer bezoeken.—Dat is hoogstwaarschijnlijk.—Dan bid ik u, rijd ze in Godsnaam niet achterna! De kolenhandelaar en zijn gezellen moeten halve wilden zijn, die den sterksten wolf met de hand wurgen.—Ik ken menschen, die dat ook kunnen, ofschoon zij geen halve en ook geen heele wilden zijn.—Maar het is toch beter, zulke sujetten te vermijden!—Dat kan ik niet. Ik heb u reeds gezegd, dat ik een misdaad moet voorkomen. En ook heb ik een gruwelijke misdaad te wreken. Die wraak geldt personen, die vrienden van mijn vrienden zijn.—Kunt gij dat niet aan anderen opdragen?—Neen, die zouden bang zijn.—Maar laat dan de politie het doen!—O wee! Die zou nog banger zijn. Neen, ik moet die vijf mannen achtervolgen, al kwam ik ook in conflict met alle kolenhandelaars van de wereld.—Dan ben ik angstig en bang om uwentwille. Die Scharka is een ware duivel. Hij moet behaard zijn als een aap en het gebit hebben van een panter.—Dat zal toch wel wat overdreven zijn.—Neen. Ik weet het van menschen, die hem hebben gezien. Gij zijt werkelijk niet tegen hem bestand.—List en moed gaan alle lichaamskracht te boven,—bracht ik daartegen in.—Maar als het u gerust kan stellen, doe mij dan dit eens na.Er lag een spoorstaaf op den grond. Ik nam die op, niet in het midden, en reikte hem die met uitgestrekten arm toe. Hij sprong achteruit en riep:—Effendi, zijt gij—zijt gij... alle drommels, ja, als het zoo is, dan knijpt gij ook gemakkelijk een wolf dood!—Pah! Die zich op zijn kracht verlaat, vindt allicht een sterkere. Een weinig nadenken is beter dan de grootste lichaamskracht. Overigens zijn wij zoo goed gewapend, dat wij voor niemand bevreesd behoeven te zijn.—En—voegde Halef er op hoogen toon bij, op zichzelf wijzende,—mijn Effendi is niet alleen, maar hij heeft mij, zijn trouwen vriend en beschermer, bij zich. Laten ontelbare vijanden het wagen, ons aan te vallen! Wij vermorzelen ze, zooals het wilde zwijn de muggen vertreedt.Dat klonk al te potsierlijk. Zijn kleine figuur kwam allerminst overeen met de zelfverheffing, die uit zijn hooge woorden sprak.Ik bleef ernstig, omdat ik mijn kleinen Hadschi kende, maar de opzichter moest, zijns ondanks, lachen.—Lacht gij?—vroeg Halef.—Ik duld geen beleediging! Zelfs niet van hen, wiens ham en worst ik gegeten heb. Als gij mij nader kendet, zoudt gij voor mijn toorn sidderen en voor mijn grimmigheid beven!—Ik beef bijna al,—verzekerde de opzichter, zoo ernstig mogelijk kijkende.—O, zulk beven, als gij nu doet, beteekent niets! Gij moet beven, dat uw hart tegen de wanden van uw lichaam klappert en trilt. Gij weet niet, met welke dieren en menschen wij al gestreden hebben. Wij hebben den leeuw, den koning der woestijn, gedood en met vijanden gestreden, bij wier verschijning gij, in de kast bij de gerookte achterdeelen van het zwijn, wegkruipen zoudt. Wij hebben daden verricht, die ons onsterfelijk maken. Onze namen zullen geschreven staan in het boek der helden en op het perkament der onoverwinnelijken. Wij laten niet om ons lachen, vergeet dat niet! Weet gij misschien hoe mijn naam luidt?—Neen; maar ik heb den Effendi u als Halef hooren aanspreken.—Halef!—zei de kleine op minachtenden toon. Wat is Halef? Niets niemendal. Hoeveel menschen heeten niet zoo. Maar zijn die Halefs ook Hadschi’s? Kunnen zij op tallooze voorouders bogen, dieallen Hadschi waren? Ik zeg u, ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn voorouders behoorden tot de helden, die voor zóó langen tijd leefden, dat geen mensch meer iets van hen weet; ik zelf ook niet. Kunt gij dat soms ook van uw voorouders zeggen?—Ja.—Wat?—Dat ik ook niets van hen weet.De opzichter zei dat met ironischen ernst. Halef keek hem zwijgend en toornig aan, maakte een minachtende handbeweging, keerde zich om en ging weg met de woorden:—Zwijg dan! Die van zijn voorouders niets weet, kan zich dan ook met mij niet vergelijken!—Maar,—riep de ander lachend hem achterna,—gij hebt zelf, daar straks nog, ook bekend, dat gij evenmin van de uwe iets weet!—Dat zijn de mijnen, maar de uwen niet. Van hen behoef ik niets te weten, want zij zijn zóó beroemd, dat het onnoodig is iets van hen te weten!—schreeuwde de Hadschi in grooten toorn.—Dat is een zonderling ventje, dat gij bij u hebt,—zei de opzichter hartelijk lachende.—Een eerlijk mensch, trouw, bij de hand en zonder vrees, antwoordde ik. Voor dien kolenhandelaar is hij werkelijk niet bang. Dat heeft hij u willen zeggen, en hij deed het op zijn manier. Hij is eigenlijk een woestijnbewoner en die menschen houden er van, zich zoo uit te drukken. Nu zou ik wel eens willen gaan zien, hoe het met mijn kleeren gesteld is. Misschien is de kleermaker-spoorwegwerker er wel mee klaar.—En ik moet den arbeiders hun werk aanwijzen. Gij zult mij dus toestaan, dat ik mij verwijder, Effendi!Wij verlieten zijn woning. Juist toen ik de andere binnen wilde gaan, hoorde ik achter de deur een heftig gekijf, en met zooveel geweld werd de deur open gestooten, dat ze mij bijna tegen het gezicht sloeg. Er kwamen twee mannen uit, die tegen mij aanbonsden, en wel Halef, die in de eene hand mijn broek had en in de andere den man, die zijn kleermakerstalent er op vertoonen zou. Halef sleepte hem achter zich aan, zoodat hij met zijn rug naar mij gekeerd was, en dus niet zag, tegen wien hij aankwam. Zich half omwendende, riep hij driftig:—Stommerik, heb je dan geen oogen in je hoofd!—Zeker heb ik oogen, Halef!Hij beerde zich nu om, en toen hij mij zag, zeide hij:—Ah, Sihdi, ik wilde juist naar u toe!Hij was buiten zichzelf van opgewondenheid, trok den armen drommel naar mij toe, hield mij de broek voor en vroeg:—Sihdi, hoeveel hebt gij voor deze broek betaald?—Honderd dertig piasters.—Dat is dom geweest, zóó dom, dat ik medelijden met u heb!—Waarom?—Omdat gij honderd dertig piasters betaald hebt, voor iets dat een broek moet zijn, maar het niet is!—Wat is het dan?—Een zak, een heel gewone zak, waarin gij alles kunt doen, wat gij maar wilt: erwten, maïs, aardappelen, voor mijn part ook hagedissen en kikvorschen. Gelooft gij het soms niet?Zóó grimmig keek hij mij daarbij aan, dat ik bijna bang zou geworden zijn. Ik werd het echter niet, maar antwoordde bedaard:—Hoe komt gij er toe, mijn broek een zak te noemen?—Hoe ik daar toe kom? Zie eens hier!Hij stak zijn vuist in de pijp, die opengescheurd was geweest maar kon er zijn hand niet door krijgen. De kleermaker had de scheur te stevig willen hechten en daarom de voor- en achterzijde vastgenaaid.—Ziet gij het? Ziet gij de verrassing, de oorzaak van mijn zielsverdriet?—Ja, Halef, ik zie het!—Steek er uw been eens in!—Dat zal ik wel laten.—Maar er in wilt gij toch, er in moet gij toch, daar is de broek voor, waaruit nu zoo’n ellendigen zak is gemaakt. Nu blijft u niets anders over, dan met één bloot en met één bekleed been de wereld rond te reizen. Wat zullen de menschen zeggen, als ze u zien, u, den beroemden Effendi en Emir! En waar zult gij hier in dit ellendige dorp een andere broek krijgen!—Maar heb ik dan een andere noodig?—Wel, natuurlijk. Gij kunt deze toch niet aantrekken!—Zeker kan ik de broek aantrekken.—Hoe dan? Toch maar met één been.—Neen, met beide beenen. Onze handige kleermaker mag zijn naaisel weer lostornen en dan de scheur eenvoudiger dichtnaaien.—Het naaisel lostornen!—stamelde Halef, mij verbaasd aanstarende. Daarna barstte hij in luid gelach los en zei:—Sihdi, gij hebt gelijk. Daar had ik in mijn boosheid niet aan gedacht, lostornen, dat is het ware!Het angstige en verlegen gezicht van den kleermaker helderde weer op; maar hij kwam er toch niet zoo goed af, als hij gedacht had, want de Hadschi viel tegen hem uit:—Kerel, ziet ge dan eindelijk in, wat ongehoorde domheid gij begaan hebt! Eerst naait gij de broek dicht, en dan weet gij geen manier om die weer open te krijgen!—Daar had ik wel raad op geweten, maar gij liet mij niet aan het woord komen,—verdedigde zich de arme schelm.—O Allah, Allah, wat onbeschaamde menschen zijn er toch! Ik heb u in alle bedaardheid gevraagd, hoe die fout te verhelpen was; ik heb met engelengeduld op uw antwoord gewacht; maar gij stondt daar alsof gij een kameel hadt ingeslikt wiens hals in uw keel was blijven steken, en toen heb ik u bij uw eigen keel gepakt om u naar den Effendi te brengen. Zoo zit de zaak in elkaar. En hoe is het nu, kunt gij dien naad weer lostornen?—Ja,—antwoorde de kleermaker op bedeesden toon.—En hoeveel tijd hebt gij daarvoor noodig?—Twee of drie uren.—O Allah! Wij zullen dus, voor uw geknoei, tot van avond moeten wachten? Dat gaat niet, zooveel tijd kunnen wij u niet geven.—Zoolang zal het niet duren, want ik zelf zal hem er bij helpen,—zei ik.—Maar dat komt niet overeen met de waardigheid van uw roeping en met de majesteit van uw persoon!—Dat zal zich best schikken. Ik ga met dezen goeden man, die een bedroefde kleermaker is, hier in huis. Onderwijl hij mijn andere kleeren uitstrijkt en waarschijnlijk verbrandt, zal ik mijn broek in orde brengen. Zeg eens, gij ridder van de naald, zijt gij werkelijk een kleermaker?De man krabde zich achter zijn oor, en antwoordde eindelijk:—Effendi, eigenlijk niet.—Zoo! Wat zijt gij dan eigenlijk wel?—EenDürger doghramadschy(schrijnwerker).—Maar hoe komt gij op de dolle gedachte om u voor een kleermaker uit te geven?—Omdat ik twee strijkijzers heb.—Hoe komt gij daar aan?—Die heb ik van mijn grootvader, die werkelijk kleermaker was. Die zijn het eenige, dat ik van hem heb geërfd. Nu heb ik er wat naalden en garen bij gekocht, en als de gelegenheid zich voordoet, dan herstel ik de kleeren van de menschen, omdat er voor mij als schrijnwerker niets te verdienen valt. Uit armoe werk ik dan ook hier aan den spoorweg.—Gij zijt dus een veelzijdig man. Uw hoofdvak is echter hersteller van kleeren, Doet gij dat altijd zoo, als nu met mijn broek?—Neen, Effendi! Dat was een vergissing.—Gij hebt dus inderdaad twee strijkijzers? Kunt gij strijken?—Uitstekend!—Welnu, dan willen wij allebei aan ’t werk gaan. Maar kijk, wat is dat?Ik trok het door hem genaaide van elkaar en liet het hem zien. Hij begreep echter niet wat ik bedoelde, en zagmij vragendaan.

—Mag ik soms weten, voor wien zij u iets hebben opgedragen?

—Met alle liefde. Zij gaven mij een boodschap voor den man, die straks zoo dicht bij u was, en daarna in de herberg ging.

—Dus kent gij hem?

—Wel ja! Iedereen kent den kleermaker.

—Is hij werkelijk een kleermaker?

—Men zegt het, maar ik ken hier niemand, voor wien hij een kleedingstuk gemaakt heeft.

—Hm! En hoe luidde de boodschap?

—Hij moest zich haasten, want dat zij maar tot morgen op hem konden wachten.

Waar? Dat wist hij niet, en van de vijf ruiters kende hij alleen den vroegeren ontvanger uit Uskub, die de menschen het bloed uitgezogen had.

—Allah zegene hem met ontelbare lichaams-kwalen, en voege er dubbel zooveel ziele-ellende aan toe!—voegde hij er bij.

Hij wilde nog meer zeggen, maar er was iets, dat zijn bizondere aandacht trok. Uit de herberg kwamen twee mannen naar buiten, die ieder twee riemen droegen. Zij gingen naar het water en liepen toen stroomopwaarts verder.

—O Allah,—riep hij uit.—Zullen die onvoorzichtigen het werkelijk wagen, met de schuit over te varen?

—Waar is die schuit?

—Ginds, hooger op, waar die vrouw staat. Gij kunt de schuit niet zien, want ze ligt achter de biezen.

De beide mannen kwamen bij de aangeduide plek, wisselden met de vrouw enkele woorden en verdwenen toen achter de biezen.

—Werkelijk, zij wagen het!—zei de oude. Wel, als Allah ze in zijn hoede neemt, dan kan het hun gelukken. Maar zonder hulp varen zij in geen geval over, en hun passagier zal hun heel wat geld moeten betalen. Hij kon bij mij goedkooper terecht.

—Dat zal die vrouw betalen.

Ik zei dat, omdat de vrouw insgelijks achter de biezen verdween; zij was dus mee in de schuit gegaan. De oude schudde van neen en zei:

—Die geeft geen duit. Zij behoort tot de arbeiders van het werk en gaat voor niet mee. Die vrouw heeft daar al van den vroegen morgen af gewacht, maar er voer niemand over. Maar wat is dat? Zou die kleermaker——

Terwijl de oude veerman met mij had staan praten, was Suef uit de herberg gekomen en opgestegen. Zonder opzettelijk naar ons te kijken, had hij toch zijn oog over ons laten gaan en was toen naar de plek gereden, waar de schuit lag. Daar ging hij er in.

—Allah il Allah! De kleermaker in de schuit!—riep de oude. Hij mag ter dege oppassen, of hij krijgt meer water te slikken dan hij verdragen kan. Ik weet, dat hij zeer arm is en zou hem voor een kleinigheid, of ook wel voor niet meegenomen hebben. Waarom komt hij niet bij mij?

Ik vond het niet noodig, aan den oude de reden te zeggen, waaromSuef ditmaal niet in zijn praam kwam. Ik vermoedde dat Suef mijn doel had doorzien en met de schuit eerder hoopte aan te komen dan wij dit met de praam zouden kunnen. Als hij dan vlug te paard steeg, kon hij in vollen galop rijdende, ons nog uit het gezicht komen. Aan de sporen, die hij zou achterlaten, dacht hij niet.

Intusschen kwamen ook Halef en Osko ijlings naar mij toe.

—Sihdi, de schurk vaart met een schuit over,—meldde Halef. Hij heeft dertig piasters geboden, als zij hem wilden overzetten.

—Hebt gij nog iets meer gezien of gehoord?

—Ja, maar niet veel. Juist toen wij binnen kwamen, sprak hij met den waard over de vijf ruiters. Hij gaf hem terstond een wenk, om te zwijgen, maar deze was midden in een zin en voleindigde dien, met wat wij hoorden.

—En wat hebt gij gehoord!

—Dat die vijf den kleermaker in Treska-Konak zouden opwachten.

—Waar ligt die plaats?

—Dat weet ik niet, en wij konden het ook van den waard niet te weten komen. Die man houdt het beslist met den kleermaker.

—Werd er verder niets gezegd?

—Zij spraken alleen nog over het veer.

—Zoo, dat gij het kondt hooren?

—Ja. En die Suef keek ons daarbij zoo boosaardig lachende aan, alsof hij er in groeide ons te kunnen ergeren. Het liefst had ik hem met mijn zweep wat gegeven. Hij verkneukelt zich in de gedachte, dat hij nu vóór ons zal aankomen.

—En gij hebt hem niets gezegd?

—Geen woord.

—Best! Kijk, hij heeft zijn paard aan den teugel, achter zich aan. Hij zelf gaat in de schuit en de merrie mag hem nazwemmen. Die zal het kwaad te verantwoorden hebben.

—O Sihdi, ik heb het dier gisteren bij de vervolging, nauwkeurig gade geslagen. Het is veel, veel beter dan het er uitziet. Dat paard heeft den Scheitan in zijn bloed.

—Welnu, ondanks alles wat er gebeurd is, zou het mij toch spijten, als er een ongeluk gebeurde, vooral om de vrouw, die mee in de schuit is gegaan. Laten wij nu overvaren, liefst zoo gauw mogelijk. Voorwaarts!

Dit laatste gold den veerlui.

De oude had juist zijn pijp leeggeklopt en haalde zijn tabak te voorschijn, om opnieuw te stoppen. Ondanks mijn bevel ging hij bedaard zijn gang.

—Hebt gij mij begrepen?—vroeg ik hem. Leg die pijp weg! Het zal een enkelen keer ook wel eens zonder rooken gaan.

—Neen, Heer,—antwoordde hij kalm. Bij mijn werk behoort een Tschibuk; zonder dat gaat het niet. Mijn leven lang is dat zoo geweest en zal het ook zoo blijven tot ik zelf overgezet word.

—Maar ik wil eerder aan den overkant zijn dan de schuit.

—Heb daar geen zorg over, Heer. De schuit komt waarschijnlijk in ’t geheel niet aan de overzij.

Met de grootste bedaardheid stopte de oude zijn pijp verder, en nam toen met zijn bloote vingers een kooltje uit een klein vuurtje, dat op een steen lag te gloren, alleen om den baas te dienen, bij het aansteken. Toen hij eenige trekken gedaan had, riep hij op den toon van een generaal-veldmaarschalk: Op! Vat aan, dappere jongens! Wij moeten de piasters verdienen, die wij gekregen hebben.

Te zelfder tijd zagen wij, hooger op, de schuit uit de biezen vooruit schieten. Voorop zat de vrouw; in het midden spanden de twee roeiers alle krachten in, en achter aan hurkte Suef, met de teugels in de hand. De kop van het paard stak boven het water uit. Een roer was er aan het vaartuig niet.

Toen Suef ons zag, hief hij den arm op en maakte een spottende handbeweging. Als hij die vaart behield, dan was hij zeer zeker over, voor wij halverwege waren, want de drie dappere jongens van onzen veerman schenen geen merg in zich te hebben. Ze maakten de praam hoogst voorzichtig van den ketting los, namen toen de boomen ter hand en staken daarmee in het water rond, alsof zij een speld op den bodem wilden vinden. Tot overmaat van ramp waren onze paarden aan zulk overgezet-worden niet gewoon. Wij moesten dus in den zadel blijven om ze rustig te houden; anders had ik mijn gezellen gezegd de handen mee aan het werk te slaan.

Halef kwam op een goede gedachte om onzen overtocht te bespoedigen. Hij haalde zijn zweep uit zijn gordel en zeide tot den bij hem staanden veerknecht:

—Wat vlugger!

Te gelijkertijd gaf hij hem een slag over zijn rug, en nauwelijks was die gevallen, of de oude schreeuwde:

—O Allah, o weemoed, o noodlot! Pakt aan, gij jongelingen! Duwt, stoot, gij mannen! Met alle kracht er op, gij sterken! Hoe eer wij over komen, des te grooter de bakschisch, die wij van die vier beroemde Scheiks en Emirs ontvangen.

Dit heerlijke vooruitzicht wond de drie jongens zóó op, dat zij zich bovenmate inspanden. Het tempo hunner handbeweging verdubbelde in snelheid. Natuurlijk verloren wij de schuit niet uit het oog. Om recht tegenover de plek van afvaart aan te komen, moesten de roeiers de schuit richten alsof zij stroomop wilden varen. Hoe meer zij echter het midden der rivier naderden, des te meer moesten zij zich inspannen. En toch dreef de schuit zóó beduidend af, dat het landingspunt, in plaats van hen te naderen, des te meer van hen afweek. Dit afdrijven maakte Suef ongerust. Uit de gebaren, die hij maakte, zagen wij, dat hij zijn roeiers tot nog grootere kracht-inspanning aanvuurde.

Ook onze mannen moesten trekken wat zij konden. De kracht van den stroom was zoo groot, dat de spantouwen doffe tonen lieten hooren. Wanneer een van deze knapte, waren wij aan het geweld van den stroom overgegeven. De oude veerman zocht zijn ganschen woordenschat bijeen, om zijn helpers tot verdubbelde inspanning van krachten op te winden.

De roeiers van Suef’s schuit hadden zich in den aanvang wel door den stroom laten meesleepen, maar ook zij hadden alle krachten ingespannen en naderden al meer en meer de lijn, waarop de praam, aan het ankertouw verbonden, zich bewoog. Reeds kon men Suef en zijn helpers duidelijk onderscheiden. De oude veerman volgde met een zaakkundigen blik den gang der schuit.

—Zij halen den overkant niet,—zeide hij. Of de riemen breken, of—-ah, Allah, Allah, zij halen het toch! Bij den Scheitan, er zit kracht in die kerels! Het gelukt ze toch nog, want—-wee, o wee! Nu zijn ze verloren!

Hij had goed gezien. De rechter riem van een der roeiers was uit den dol geglipt en uit ’s mans hand gevlogen. Door de pijn van zijn eigen val had hij ook den linker riem laten gaan, zoodat zij beide door den stroom meegevoerd werden. Er bleef dus maar één roeier over en.... die kon de schuit onmogelijk alleen regeeren.

De spoorwegwerkers waren allen toegesneld, om den afloop te zien. In de grootste spanning hadden zij den strijd tusschen praamen schuit gevolgd. Ook wij waren nu midden op de rivier, waar deze het onstuimigst en dus het gevaarlijkst was. Onze praam helde zóó naar een zijde over, dat zij allicht vol loopen kon, en dan waren ook wij verloren. Het waren oogenblikken van de grootste spanning en doodsgevaar.

De overgebleven roeier van de schuit moest den strijd opgeven. De krachten begaven hem. Hij haalde zijn riemen in, en legde de handen in zijn schoot. De stroom pakte de schuit en stuwde haar recht op onze praam af. In woeste vaart schoot zij op ons af. Van de overzijde klonk de angstige kreet:

—Vrouw, vrouw, houd u vast!

Op hetzelfde oogenblik was het gevreesde gebeurd. Een enkele krak, en de schuit botste tegen onze praam. Op hetzelfde oogenblik weerklonk er een hartverscheurende gil. Het was een eenstemmige kreet van de arbeiders aan den kant, van de vier opvarenden der schuit en van ons, die in de praam waren. Die krijtende gil kwam van zoo vele lippen en was een eenparige uiting van den grootsten schrik.

In zulke oogenblikken handelen velen naar een instinctieven drang, die ons dan tot het juiste beweegt, buiten alle overlegging om. Oogenblikkelijk doen zij wat gedaan moet worden, en weten dan later niet te zeggen, waarom zij zoo en niet anders hebben gehandeld.

Sommige menschen handelen volgens helder scherp overleg. Men zegge mij niet, dat er in zulke oogenblikken van gevaar geen tijd is om in minder dan een seconde te overdenken en een besluit te nemen. Het is veel meer te bewonderen, hoe de algoede Schepper den mensch begiftigd heeft met vermogens die desnoods tijd en ruimte beheerschen. In den droom, bij voorbeeld, doorleeft men in enkele minuten de gebeurtenissen van een geheelen dag, ja! van vele dagen te zamen. Ik droomde eens, dat ik een examen moest doen. Een geheelen dag hadden wij voor ons schriftelijk werk. Ik ging zitten, was er het eerst mee klaar, mocht het gebouw verlaten en maakte een wandeling van vele uren in het gebergte. De twee volgende dagen deed ik het mondeling examen—altijd in denzelfden droom. Aan den avond van den tweeden dag, toen het examen ten einde liep, brak er een bank, waarop vele toehoorders zaten en.... ik ontwaakte. Mijn contubernaal had het venster dicht geslagen. Informeerende naar wat er van mijn droom waar konzijn, zeide hij dat ik, voor hoogstens drie minuten, hem gezegd had, dat hij mij met vragen niet meer moest ophouden, want dat ik doodmoe was en wilde slapen. Ik had dus in drie minuten die examen-dagen doorgemaakt en dat met zooveel zelfbewustheid, dat ik mij volkomen goed herinnerde wat ik op de vele pagina’s van den eersten dag had geschreven en wat ik de twee volgende dagen bij het mondeling examen had geantwoord. Ja, ik wist zelfs, welke personen ik op mijn berg-wandeling had ontmoet en waarover ik met hen had gesproken. Van het in dien droom-nacht doorleefde herinnerde ik mij des anderen daags echter maar bitter weinig.

Wanneer men dus droomende in drie minuten doorleven kan, waarvoor men wakende drie dagen, dat zijn 1400 minuten noodig heeft, dan openbaart zich hierin een vermogen van onzen geest, dat mijne nu volgende handelingen moet beheerscht hebben.

Ik heb mij in omstandigheden bevonden, dat mijn of anderer leven aan een seconde hing, en als dit moment voorbij en het gevaar afgewend was, heb ik altijd geweten, dat ik in deze ééne seconde het gevaar volkomen had doorzien, alle middelen tot afwering mij door het hoofd waren gegaan, en het zekerste door mij gekozen en uitgevoerd was. Dat lijkt onbegrijpelijk, ja een wonder, maar in het dagelijksche leven komen duizenden van zulke wonderen voor, zonder dat men er zich van bewust is. Niet alleen leven wij en bewegen wij ons te midden van wat enkel wonderen Gods zijn, maar wij zelf zijn van al die wonderen ongetwijfeld het grootste. De godloochenaar moge over dit zeggen de schouders ophalen, ik beklaag hem.

Iets dergelijks deed zich hier op de hoog gezwollen rivier voor.

De vrouw, die in den voorsteven van de schuit hurkte, klemde zich, van angst jammerende, aan den boeg van het vaartuig vast, maar de botsing was zóó geweldig, dat zij er uit geslingerd werd. Zij verdween in den wilden drabbigen vloed en—ik met haar.

Hoe ik van mijn paard af ben gekomen, hoeveel tellen ik gebruikt heb, om mij van de geweren, van den inhoud mijner zakken en mijn gordel te ontdoen, kan ik onmogelijk zeggen. Halef beweerde later, dat ik mij reeds vóór de aanvaring van het paard had laten glijden, in het zekere vooruitzicht, dat de vrouw zich niet zou kunnen houden. Hij zou ook getracht hebben mij te weerhouden, maar daar herinner ik mij niets van. Al mijn denken concentreerde zich op een enkel punt.

Zeker weet ik alleen, dat ik de vrouw met één hand greep en mee in de diepte trok, om met haar van onder de schuit èn de praam weg te komen. Die konden voor ons gevaarlijk worden.

Toen ik weer opdook zag ik, dat wij een tamelijk eind afgedreven waren. Ik hield de vrouw bij de mouw van haar blauw-katoenen Zuava (van voren open geborduurd jakje); zij was bewusteloos, wat voor mij niet anders dan gemakkelijk kon zijn. Ik bevond mij over de halve breedte der rivier, dus voorbij het midden, waar de strooming het ergst was en aan de zijde van de spoorwerkers, en moest nu trachten den oever te bereiken, zonder in den strijd tegen de golven mijn krachten te verspillen. In zulke toestanden mag men niet voorover, maar moet men op zijn rug zwemmen, wat weer dit nadeel heeft, dat men niet voor zich uit kan zien. Maar het heeft dit voordeel, dat men veel meer dragen kan, en het niet zoo vermoeit. Ik lei de vrouw dwars over mij heen, zoo dat haar hoofd boven water bleef, en ik liet mij op den stroom drijven.

Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).

Ik legde de vrouw dwars over mij heen. (Bladz. 389).

Daar ik het lichaam der drenkelinge te dragen had, kwam het mijne diep te liggen. Wat moeite ik mij ook gaf, het gelukte mij slechts nu en dan mond en neus boven water te krijgen om adem te kunnen halen. Tevens deed ik al wat mogelijk was, om den oever te naderen.

Dat was bij lange na zoo gemakkelijk niet, als mijn lezers wellicht zullen denken. De oever brak de strooming en dreef haar in breede golvingen naar het midden der rivier terug. Ik kon alleen naar omhoog en een weinig ter zijde zien, maar in ’t geheel niet voor mij uit, en toch moest ik mij in acht nemen voor de vele voorwerpen, die in de rivier dreven of er uit staken. De menschen aan den oever liepen stroom-afwaarts, in dezelfde richting als ik, maar brachten mij door hun schreeuwen in de war. De reden van dat schreeuwen was, dat zij mij moeilijk bij konden houden, want de vloed dreef mij met zoo’n ontzettende vaart voort, dat ik er duizelig van dreigde te worden. En—ik moest al mijn bedaardheid bewaren. Als ik in de vele maalstroomen en draaiïngen, armen of beenen verkeerd uitsloeg, wanneer ik ook maar een oogenblik mijn zelfvertrouwen verloor, dan was het gedaan, èn met mij èn met de vrouw. Met alle kleeren aan te zwemmen, is in stilstaand water al moeilijk, maar in dit onstuimig element, met een drenkeling op mij en met de vroeger zoo welkome maar nu zoo fatale jichtlaarzen aan vanden arts van Radowitsch, dat was toch nog iets anders. Zooals later uitkwam, was ik in ’t geheel niet lang in het water geweest, maar er in liggende leek het mij een eeuwigheid toe.

Eindelijk was het mij gelukt, uit den mij met geweld meesleurenden stroom, en over de zich aan den oever vormende draaiingen, heen te komen. Ik bevond mij in het meer stilstaande water van het overstroomde land, maar kon, tot mijn verwondering, geen grond voelen. Dat bracht mij in de war; want als ik mij liet zakken om vasten grond te krijgen, zonk ik al dieper en dieper weg. Op eens hoorde ik iemand toeroepen:

—Allahy sewersin! Daha uzak, daha uzak jüz. Orada tschukurlur. Schurada gel!—Om Godswil! Zwem verder, verder! Daar zijn groeven. Kom hierheen!

Men had, bij het ophoogen van den dam, den nabij liggenden grond gebruikt, waardoor natuurlijk diepten en groeven waren ontstaan, boven welke ik mij bevond. Ik kon den roepende niet zien, omdat het water mij over de oogen stroomde; maar ik vermoedde, dat hij op den dam stond, en zwom op het geluid af, naar hem toe. De dam vlakte boven het water, dat, tot bij hem, diep-water was.

Toen ik daar aankwam, strekten tien, twintig handen zich naar mij en naar de drenkelinge uit. Men nam de bewustelooze van mij over. Ik zelf kroop half tegen den dam op, half werd ik er tegen opgetrokken. Eerst nu voelde ik, dat mijn kleeren als lood aan mij kleefden.

Rondom mij was alles een en al gejubel; slechts twee hieven klaagtonen aan. Zij, die dat deden, meenden dat de vrouw dood was. Ik zei hun echter dat zij onmogelijk verdronken kon zijn, ofschoon het kon zijn dat de botsing haar gedood had. Zij werd stroomopwaarts naar de planken-huizen gedragen.

Nu hoorde ik den hoefslag der mijnen. Mijn drie vrienden kwamen in galop langs de spoorbaan aanrijden. Halef was de voorste.

—Sihdi, Sihdi!—riep hij al van de verte.—Zijt gij dood of leeft gij nog?

—Ik ben springlevend!—antwoordde ik. Ik ben zoo frisch als een hoentje.

—Allah zij geloofd, geprezen en gedankt!

Hij sprong van zijn paard, wierp zich naast mij op den grond, greep beide mijn handen en zeide:

—Maar hoe kan iemand in zulk vuil water springen! En hebt gij daarvan moeten inslikken?

—Ja, en het smaakte bijna als het bier van den waard te Radowitsch.

—Ik zou er liever niet van proeven. Allah, Allah, wat schrikte ik, toen ik u in het water zag verdwijnen! Is dan een vrouw het waard, dat men er zijn leven voor waagt?

—Natuurlijk! Zoudt gij voor Hanneh, de lieflijkste van alle dochters en vrouwen, uw leven niet wagen?

—Voor Hanneh? Zeer zeker en gewis! Maar wat was die vrouw? Uw verloofde of zuster? Had zij u lief, en zou zij uw vrouw worden?

—Zij was een menschenkind, dat in doodsnood verkeerde, en voor water behoefde ik geen vrees te hebben.

—Neen, maar het is vandaag woest onstuimig. Zie maar eens hoe wild het te keer gaat, uit kwaadaardigheid dat die vrouw ontkomen is. Ik heb Rih voor u meegebracht, omdat gij niet loopen kunt. Stijg op. Wij moeten een gelegenheid zoeken, waar gij uw kleeren kunt drogen.

—Waar zijn mijn geweren en verdere zaken?

—Ik heb alles. De geweren hangen ginds aan uw zadel.

—En hoe is het met de andere opvarenden van de schuit gegaan?

—De twee roeiers hebben wij op de praam getrokken; maar de kleermaker was over boord geslagen.

—En is hij verdronken?

—Neen. De Scheitan heeft nog niets van hem willen weten. Ik heb hem met zijn merrie zien zwemmen; we willen eens zien, waar hij te land is gekomen.

Hij stond weer op en keek naar Suef rond. Na een oogenblik wees hij naar het lager einde der rivier.

—Daar zijn de twee beesten, hij en zijn paard.

Ik keek in de aangeduide richting en zag, ver van ons, den bedoelde, die den staart van zijn paard had gegrepen en zich door de merrie liet slepen. Die oude merrie was werkelijk een kostbaar dier.

—Zal ik er heen rijden en hem achterover slaan, als hij uit het water komt?—vroeg Hadschi.

—Neen, hij zal genoeg angst uitgestaan hebben. Dat is voldoende voor hem.

—Maar hij alleen is de schuld, dat gij in het water hebt moeten springen!

—Dat is geen reden om hem dood te slaan.

—Maar hij zal ons ontsnappen! In uw toestand kunt gij hem toch niet volgen.

—Laat hem loopen! Wij halen hem toch nog wel in.

Natuurlijk betuigden Osko en Omar mij hun groote vreugde over het welgelukken van mijn waterexpeditie, die in ’t geheel niet op ons programma had gestaan.

Tal van spoorwerkers omringden ons, die met de vreugde-kreten instemden en mij drongen, mee te gaan naar een der hutten, waar een Soba (haard) stond, waarbij ik mijn kleeren spoedig kon drogen. Dat had ik stellig het meeste noodig. Daarom steeg ik te paard en reed terug, juist toen ook de kleermaker den oever bereikt had. Wat hij nu verder ging doen, kon mij voorloopig onverschillig zijn.

Ik behoefde mijn paard niet te mennen; daar zorgden de arbeiders voor. Zij grepen de teugels, ja zelfs de stijgbeugels. De anderen liepen voor, naast en achter mij, en zoo werd ik in triomf weggeleid, een natte triomftocht, want het water sijpelde door mijn kleeren tot in mijn jicht-laarzen. Even omziende, zag ik, dat Suef dwars door het veld heen, weggaloppeerde. Paard en ruiter schenen dus heelhuids er af gekomen te zijn.

Ook nu had Halef mijn voorbeeld gevolgd en omgekeken. Suef ziende, hief de kleine Hadschi zich op in den zadel, balde toornend de vuist en zeide:

—Kem lahana uzuw ümri war; lakin Allah war eder, Allah jog eder.—Onkruid houdt het lang, maar Allah geeft en neemt het leven.

Hij wilde in zijn toorn zeggen, dat de kleermaker, dat onkruid, uitgeroeid moest worden en het ons, zoodra Allah het wilde, gelukken zou.

Daar, waar de veerschuit, dat wil zeggen de praam, op den rechter oever was geland, stond de oude veerman met zijn drie helpers. Toen hij mij zag komen, verhief hij zijn stem en riep op pathetischen toon:

—Duizendmaal dank den heiligen Khalifen, tienduizendmaal geloofd zij de Profeet en honderdduizendmaal geprezen zij Allah, de Almachtige, die u behoed heeft in de ure des gevaars. Toen ik u in den stroom zag verdwijnen, versteende mij het hart van denschrik en schreide mijn ziel bloedige tranen. Maar nu ik u behouden mag weerzien, is mijn geest vol jubel en gejuich, want gij zult uw woord gestand doen en ons de bakschisch geven, ons door u beloofd.

De bakschisch was het dus, waartoe de lange rede moest dienen. Ik schudde het hoofd en antwoordde:

—Ik weet van geen belofte, die ik u zou hebben gedaan.

—Dan heeft het water u in de war gebracht. Bedenk, wat gesproken is, toen uw begeleider ons met zijn zweep vermaande, om vlugger te zijn.

—Mijn geheugen heeft niet geleden; ik herinner mij ieder woord. Gij hebt een fooi verlangd, maar ik heb niets gezegd.

—O Emir, wat beklaag ik u! Uw hoofd is verzwakt! Juist uw zwijgen bewees uw toestemming van wat ik vroeg. Hadt gij de bakschisch willen weigeren, dan hadt gij dat duidelijk moeten zeggen. Omdat gij gezwegen hebt, daarom hebben wij er recht op.

—En als ik nu blijf weigeren?

—Dan dwingt gij ons u te straffen, en u te houden voor een man, die zijn woord geeft en het niet lost.

Met die bedreiging kwam hij verkeerd uit, niet bij mij, maar bij de spoorwerkers. Dat hij om een fooi dwong, die ik hem in ’t geheel niet had beloofd, en dat in bewoordingen deed, die mij moesten kwetsen, maakte hen boos. Zij hadden hem terstond bij de kladden en twintig vuisten sloegen op hem los.

—Halt! Laat hem los!—riep ik boven het rumoer uit, dat de mannen maakten. Ik wil hem zijn bakschisch geven.

—Dat is niet noodig,—riep een hunner,—wij geven die al, zooals gij ziet.

—Houdt op, houdt op!—gilde de oude. Ik wil geen betaling, ik heb de fooi al!

Hij rukte zich los en vloog naar zijn praam, waarheen zijn drie helpers reeds waren gevlucht. Hijzelf ontwikkelde daarbij een vlugheid, die het tegenovergestelde was van de flegmatieke bedaardheid, die hij vroeger getoond had. Hij vergat zoowaar er aan te denken, dat het zijn stelregel was, om niets te doen zonder zijn pijp. Dat onmisbare voorwerp had hij laten vallen, en hij liet het in den steek. Een van de arbeiders raapte het op en wierp het hem op de praam achterna. En hij greep.... niet naar zijn pijp, maar naar den ketting, om de veerschuit zoo spoedig mogelijk van den oever loste maken. Zoodra er echter een streepje water was tusschen hem en ons, begon hij te schelden en mij voor een vrek en woordbreker uit te maken.

Halef ging naar den oever, legde zijn geweer aan en dreigde:

—Sekiut dur, joksa atarim—zwijg, of ik schiet!

Maar de oude bleef schelden. Hij kon zich niet voorstellen, dat de Hadschi zijn bedreiging zou uitvoeren. Hij had den duwboom in de hand zonder dien te gebruiken. Op eens drukte Halef los. Hij had op den boom gemikt, en de kogel trof dien dicht bij de hand van den oude, zoodat de splinters er afvlogen. De veerman gaf een gil, liet den duwboom over boord vallen, en plofte plat op den bodem van de praam neer, waarschijnlijk denkende daar veilig te zijn voor een tweeden kogel.

Er brak een algemeen gelach van de arbeiders los, om de behendigheid waarmee de anders zoo langzame veerman nu wegdook.

Nu kwamen wij al spoedig bij de planken-woningen, waar wij stilhielden. Ik steeg af en werd er binnengebracht.

Het was een groot, ruim vertrek. Aan de wanden hingen de weinige eigendommen der arbeiders. Rondom waren planken aangebracht, die dienden om er op te zitten en op te slapen. In den achtersten hoek stond een groote kookkachel van een constructie zooals ik nog nooit had gezien.

Er waren vier kookketels op, en de vuurhaard was allergeschiktst om natte kleeren te drogen.

Ik was nauwelijks binnen gekomen, of uit een andere hut kwam een jonge krachtvolle man naar mij toe, die mij terstond toeriep:

—Heer, gij hadt gelijk. Zij is niet dood, maar zij leeft! Zij haalt weer adem. Ik heb mij gehaast om het u te komen zeggen en u mijn dank te betuigen.

—Is zij een verwante van u?

—Ze is mijn vrouw. Ik ben deBaschi ischdshiji(Opzichter). Zij heeft den overtocht gewaagd, omdat ik haar gezegd had, dat zij van morgen vroeg hier moest zijn. Maar gij moet u uitkleeden. Ik zal terstond mijnZiaset esbaby(Zondagskleeren) halen.

Hij ging en kwam terstond terug met een broek, buis, vest en een paar pantoffels. Ik trok mij achter een beschotje terug, om mij te verkleeden. Halef hielp mij daarbij. Onderwijl hij mij de natte kleeren uittrok, jammerde hij:

—Effendi, nu is het uit met de waardigheid van uw rang en de bekoorlijkheid uwer figuur. Dit mooie pak heeft u in Stambul over de zeshonderd piasters gekost, en nu heeft het water er al den glans aan ontnomen. Zie eens, wat een ontzettende scheur gij met zwemmen, in de pijp van uw broek hebt gemaakt. Die moet dicht gemaakt worden, opdat de liefelijkheid uwer leden niet lijde. Garen en naalden heb ik wel altijd bij mij, maar of hier een ütü (strijkijzer) zal zijn, om uw pak weer op te fleuren, dat betwijfel ik.

Men moet zich van mijn voorkomen en gestalte geen voorstelling maken uit wat mijn Hadschi er van zegt. Het was nu eenmaal zijn gewoonte zich zoo uit te drukken.

—Vraag eens rond, misschien is er wel een kleermaker onder de arbeiders.

Hij ging met mijn kleeren weg, en ik hoorde hem luide vragen:

—Hoort, gij zonen en kleinzonen van den spoorweg, is er onder u ook een die kleermaker is?

—Hier!—riep een stem.

—Allah zegene u, mijn vriend, dat gij in de jaren uwer jeugd op de gedachte gekomen zijt, de producten van het weefgetouw met garen aaneen te naaien, zoodat de mannen van uw volk hun armen en beenen er kunnen insteken! Maar kunt gij ook scheuren dicht naaien?

—Zóó netjes, dat het kleedingstuk er nog mooier uitziet dan vroeger!

—Dus zijt gij een groote Ustaljnenün (ridder van de naald). Maar hebt gij ook een strijkijzer bij u?

—Twee zelfs!

—Dan geef ik aan uw verantwoording de kleeren over, van mijn vriend en gebieder. Gij moet ze drogen en opstrijken, en de scheur onzichtbaar maken. Als gij dat zoo doet, dat niemand die zien kan, dan krijgt gij een bakschisch, en de geloovigen van alle landen zullen zich verblijden in uw kunstvaardigheid, en uw roem verbreiden tot waar het heelal ten einde loopt. Hier, neem de kleeren in uw armen, en de geest van den Profeet verlichte u!

Ik moest lachen, want ik kon mij zoo voorstellen met wat ernstig gezicht hij deze tirade voorgedragen had. Toen hij bij mij terugkwam, vond hij mij met het onderzoeken van het gipsverband bezig.

—Men behoeft ook niet te vragen of die in het water geweest is!—zeide hij.—Is het losgeweekt?

—Neen, maar ik zou het wel willen afdoen. Het zit er, weliswaar, nog maar enkele dagen om, maar ik geloof, het wel te kunnen wagen.

Met onze messen verwijderden wij het verband, zonder er eenige pijn van te hebben. Dat was een gunstig verschijnsel. Toen de voet geheel buiten alle gipsverband was, beproefde ik er op te staan. Het ging boven alle verwachting goed. Ik ging eenige passen op en neer, en voelde, dat ik er gerust op kon loopen. De verstuiking was minder erg geweest dan ik had gedacht.

—Nu trekt gij toch zeker die jichtlaarzen niet meer aan?—vroeg de Hadschi op de genoemde voetbekleeding wijzende, die door het water er hoogst treurig uitzagen.

—Neen; ik laat ze hier.

—Dan willen wij ze aan de arbeiders present doen, die ze als koffietrechters kunnen gebruiken, want in deze streek laten de menschen de koffie door een zak loopen, omdat die anders hun te goed zou smaken. Allah heeft wonderlijke kostgangers in zijn rijk. Nu kunt gij weer uw hooge laarzen dragen en ziet gij er weer heel anders uit. Met de jichtlaarzen zaagt gij er uit als een Noachiet, die reeds voor den zondvloed zijn tanden verloor. Zal ik de hooge leeren halen? Ze hangen aan mijn zadelknop!

Ik gaf mijn toestemming en vond dat mijn voet in deze laarzen voldoenden steun had. Daar ik het grootste gedeelte van den dag te paard zat, behoefde ik van mijn voet niet veel te vorderen.

De mij geleende kleeren pasten mij vrij goed, daar de eigenaar van mijn grootte was. Hij vond dat grappig en prettig, tevens verzocht hij mij met hem naar zijn woning te gaan, waar zijn vrouw mij zelf wilde bedanken.

De spoorwegwerkers zaten samen te eten. Hun middagmaal bestond uit een dikke brij van maïsmeel in enkel water gekookt. Daarmee zijn die luidjes dag aan dag tevreden.

De vrouw wilde, toen wij binnen kwamen, mij met een stroom van dankbetuigingen ontvangen; ik verzocht haar dit liever niet te doen. Naast haar zat haar man, en die was zoo innig gelukkig met haar redding, dat ik niet behoefde te vragen of ze elkaar ook liefhadden. In den loop van het gesprek bleek mij dat zij Christenen waren.

—Ik ben blij dat ook gij een Christen zijt,—zeide mij de man.

—Hoe weet gij dat?—vroeg ik hem.

—Uw twee gezellen zeiden het mij, onderwijl gij u verkleeddet. Ik heb ook gehoord dat gij geen onderdaan van den Sultan zijt, maar tot het volk behoort dat den roemrijken oorlog tegen de Fransyler gevoerd heeft.

—Zijt gij uit deze streken?—vroeg ik hem.

—O neen! Wij zijn bijna allemaal uit het gebergte, waar zoo veel arme menschen zijn. De mannen van hier hebben geen zin om aan den spoorweg te werken. Toen het bekend werd, dat bij dezen aanleg brood te verdienen was, trokken vele mannen van bij ons, hier heen. En daar ik voor architect geleerd heb, nam ik de leiding op mij en ben nog altijd hun opzichter.

—Gij hebt dus een hoogere burgerschool bezocht?—vroeg ik hem.

—Neen. Ik ben de tweede zoon van mijn vader. Mijn oudste broer erft de ouderlijke woning, en dat maakte bij mij den zin wakker om er voor mijzelf een te bouwen. Daarom heb ik dan ook mijzelf lezen, schrijven en teekenen geleerd, en ben naar een bouwkundige in Uskub gegaan, om daar verder te leeren. Mijn vader is scheper (tschoban), ongeveer acht uur van hier.

—Waar?

—Het is geen dorp, niet eens een vlek. Daar zijn maar twee huizen, die aan een zijtakje van de Treska liggen, en omdat onze buurman een konak houdt, zoo wordt die kleine nederzetting Treska-Konak genoemd.

—Neen maar! Die is goed! Het kon niet beter!—riep ik uit.

—Waarom?

—Omdat ik dezen Treska-Konak zoek.

—Wilt gij er soms naar toe rijden? Naar mijn vader of naar den Konakdischi?

—Naar den laatste, geloof ik.

—Gelooft gij? Gij weet het dus zelf niet?—vroeg hij verwonderd.

—Neen. De man die met uw vrouw in de schuit overvoer, wil er heen, en dien wil ik achterna. Hij gaat daar personen bezoeken, met wie ik ook nog een woordje te verhandelen heb.

—Dat klinkt alsof dat minder vriendelijke woordjes zullen zijn.

—Goed geraden. Er zijn heden vijf mannen heen gereden, die iets misdadigs in hun schild voeren, wat wij verhinderen willen. Ze moeten met de veerpraam overgevaren zijn.

—Ah! Kan er ook een zekere Manach el Barscha bij geweest zijn, die vroeger ontvanger in Uskub was?

—Juist.

—Dan heb ik ze gezien. Ik stond bij het veer, toen zij kwamen. Ze hadden ruzie met den veerman, dien zij zweepslagen gaven in plaats van zijn geld. Toen Manach mij voorbij reed, dreigde hij ook mij.

—Waarom?

—Omdat hij mij haat. Hij had den hoofdelijken omslag der Christenen te innen en vorderde van mij het tien- en twaalfvoud van wat ik schuldig was, en dat wilde ik niet meer betalen. Anderen ging het evenzoo, en wij overlegden en klaagden hem aan. Hij heeft de Christenen voor een groot bedrag opgelicht.

—Wat straf is hem opgelegd?

—Geen. Hij vluchtte, en men zegt dat hij de heele ontvang-kas meegenomen heeft. Hij durft zich in Uskub niet meer laten zien. Dus die menschen zoekt gij? Hij is altijd met onzen Konakdischi bevriend geweest en zal ook nu wel bij hem thuis zijn.

—Kunt gij mij den weg zeggen, dien ik te nemen heb om naar Treska-Konak te komen?

—Men moet de streek goed kennen, om zonder af te dwalen, er te komen. Een beschrijving van den te volgen weg bracht u zeker in de war. Als het u aangenaam is, geef ik u gaarne een volkomen betrouwbaren man mee, die den weg even goed kent als ik. Hij zal het een groote eer achten, u naar mijn vader te mogen geleiden, en daar hij dezen vertellen zal, hoe gij mijn vrouw gered hebt, kunt gij zeker zijn van een hartelijke ontvangst.

Zeer gaarne nam ik dat voorstel aan en vroeg:

—Ligt uw ouderlijk huis ver van den Konak?

—Ternauwernood twee minuten gaans.

—De bewoners van den Konak zullen ons dus zien aankomen?

—Wanneer gij dat niet wilt, zal mijn zwager u zoo leiden, dat niemand u ziet. Overigens zal het stikdonker zijn, wanneer gij er aankomt. Mijn zwager is nog eenigen tijd op het werk. Zoodra hij thuis komt, zal ik hem uw geleide opdragen. Maar nu verzoek ik u mijn gasten te willen zijn. Het is middag, en wij moeten eten. Wij kunnen u iets voorzetten, dat gij in het land der Mahomedanen wel zelden zult zien.

Hij opende een met hooi gevulde kast en haalde er uit.... een ham en een partij gerookte worsten.

—O Allah, Allah! Wat denkt gij, dat wij het achterdeel van een varken en het in den rook gaar gemaakte bloed en vleesch er van zullen eten?—riep Halef uit.—De Profeet heeft ons verboden dat te doen, en wij zouden ons zeer bezondigen, wanneer wij ons met het lijk van een zwijn voor eeuwig en altijd verontreinigden!

—Zoo iets slechts denkt niemand van u, Halef,—zeide ik. Wat mij betreft, ik zal er aan smullen.

—Maar er zijn lintwormen (Dschild kurtlar) in!

—Daar zijn wij niet bang voor.

—Ik mag het ook niet zien eten, want zelfs het zien van varkensvleesch moet ons een gruwel zijn; maar nu Omar en Osko niet hier zijn, heb ik ook geen verwijt te vreezen, als ik uit verkleefdheid aan u, Sihdi, hier stil blijf zitten. Als gij van den ham in uw mond steekt, zal ik mijn oogen dicht doen, of minstens ter zijde kijken.

Onze gastheer bracht ham, worst, brood, peper en zout. Hij nam het mes uit zijn gordel, en ik volgde dit prachtig voorbeeld. Nadat hij voor zich een duchtig stuk had afgesneden, deed ik eveneens, en het gesmul begon. Nooit heeft mij een ham lekkerder gesmaakt dan toen te Rumelia.

Halef zat zijwaarts achter mij; ik kon niet zien of hij mij gadesloeg, maar ik kende mijn kleinen Hadschi te goed, om niet te weten dat de lust om mee te genieten hem brandde tot in het puntje van zijn tong. Hij zag, hoe het mij smaakte, en dat ik een tweede stuk afsneed.

—Hajde scheitani,—Weg duivel!—riep hij uit. Sihdi, wilt gij dan, dat ik alle achting en eerbied voor u zal verliezen! Wanneer ik het gebod van den Profeet opvolgde, zou ik u nooit weer mogen aanraken!

—Dat zou mij werkelijk spijten, mijn waarde Halef, maar nu gehoorzaam ik aan den prikkel van wat onbeschrijfelijk lekker is, en niet aan den Koran.

—Is het dan werkelijk zoo verbazend lekker?

—Er bestaat niets dat lekkerder is.

—Allah! Waarom heeft dan toch de Profeet ham verboden?

—Omdat hij zeker nooit er van geproefd heeft; anders zou hij het de geloovigen ten sterkste aanbevolen hebben.

—Misschien toch ook wel om de lintwormen.

—Maar die zijn er niet in; daar kan ik een eed op doen.

—Dus gij meent, dat men het er op wagen kan?

—Gerust!

Ik hoorde het aan den toon van zijn stem dat hij watertandde. Ook onze gastheer kreeg er schik in. Hij liet echter niets merken, maar at ijverig door, zich alle moeite gevende om dat met klimmende verrukking te doen.

Halef stond op en ging buiten de deur kijken. Ik begreep zeer goed, dat hij rondzag, of Omar en Osko ook in de buurt waren. Toen hij weer binnen kwam, trok hij een zeer vergenoegd gezicht. Hij had die twee dus niet gezien. Zij stonden op de spoorbaan, een locomotief te bewonderen, die juist een zandtrein voortsleepte. Zij hadden geen tijd zich om ons te bekommeren.

De Hadschi ging weer zitten en zeide:

—Sihdi, ik weet dat gij niet graag over ons geloof spreekt; maar is het niet ook uw gevoelen, dat de Profeet soms wel een klein beetje ongelijk heeft?

—Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar hij heeft toch den geheelen Koran van den aartsengel Gabriël ontvangen.

—Maar kan een engel ook wel niet eens zich vergissen?

—Dat zal toch wel niet waar zijn, mijn lieve Halef.

—Of zou de Profeet den engel ook verkeerd hebben kunnen verstaan? Als ik zoo nadenk, dan komt het mij voor, dat Allah de varkens niet zou geschapen hebben, als Hij wilde dat wij ze niet zouden eten.

—Met die redeneering van u ben ik het geheel eens.

Hij haalde diep adem. Mijn tweede stuk ham was op, en in navolging van mijn gastheer begon ik nu aan de worst. Halef begon te begrijpen, dat wij klaar zouden zijn, voor hij zijn bezwaren zou overwonnen hebben.

—Zeg eens in alle oprechtheid, Sihdi, smaakt het vleesch werkelijk zoo lekker als op uw gezicht te lezen staat?

—Nog oneindig beter dan mijn gezicht uitdrukken kan.

—Laat het mij dan eens ruiken.

—Wilt gij dan uw neus verontreinigen?

—O neen! Ik zal hem dicht houden.

Dat was zeker nog al dwaas, maar ik sneed een stukje ham af, stak het op de punt van mijn mes en reikte het hem toe, zonderhem aan te kijken. Ook de opzichter was zoo verstandig, niet naar hem te kijken.

—Ah! Oh! Dat is als een geur van het Paradijs!—riep de kleine. Zoo krachtgevend, geurig, tandtergend! Hoe jammer, dat de Profeet het verboden heeft! Hier hebt gij uw mes weer, Effendi.

Hij reikte het mij toe, het stukje ham was verdwenen.

—Neen maar, waar is de ham?—vroeg ik verwonderd.

—Wel aan het mes!

—Het is er af.

—Dan moet het er afgevallen zijn.

—Dat zou zonde zijn. Maar, Halef, ik geloof, ik zie u kauwen. Ik keek hem scherp aan. Hij trok een grappig gezicht en antwoordde:

—Ik moet wel kauwen, want het stuk was van uw mes in mijn mond gevallen, of dacht gij dat ik het zoo maar zou doorslikken?

—Neen. Hoe smaakt het?

—Zoo verbazend lekker, dat ik u wel iets zou willen vragen.

—Vraag op.

—Mag ik.... de deur sluiten?

—Gelooft gij dat men ons zou kunnen overvallen?

—Neen. Maar Omar en Osko hebben de wetten van den Profeet niet zoo diepzinnig bestudeerd als ik. Zij zouden in verzoeking kunnen komen, als zij nu binnen kwamen; dat wilde ik voorkomen. Zij moeten zich niet te verwijten hebben, dat zij hun zielen verontreinigden met de lucht van vleesch en bloed, dat in de darmen gestopt en daarin gerookt werd.

Hij stond op, grendelde de deur van binnen, ging toen bij ons zitten, nam zijn mes en... sneed voor zich een stuk van een half pond, van de ham af, dat verbazend gauw onder zijn snorretje—van rechts zes en links zeven haren,—verdween. Daarna streek hij, met innig welgevallen over zijn buik en zeide:

—Gij ziet, Effendi, hoe groot het vertrouwen is, dat ik in u stel.

—Wat ik gezien heb, Halef, dat was vooral uw smakelijk eten.

—Dat was een gevolg van mijn goed vertrouwen in uw voorgaan. Wat mijn Effendi eet, dat kan mij niet buiten den zevenden hemel houden, en ik vertrouw op uw stilzwijgendheid, dat gij aanOmar en Osko niet zult vertellen, dat uw oordeel bij mij even hoog staat als de wetten der heilige Khalifen.

—Ik zie niet in, waarom ik zou uitbazuinen, dat gij ook wel iets lust dat lekker is.

—Goed, dan wil ik ook nog wat van dezeSudschuk(worst) nemen, nu deDomuz pastyrmassy(ham) zoo heerlijk was. Onze gastheer zal het mij vergunnen, want wat de herbergzaamheid iemand geeft, geeft Allah honderdvoudig terug.

De opzichter knikte aanmoedigend hem toe, en Halef gaf zich alle moeite om te bewijzen dat hij vandaag om het gebod van den Profeet niets gaf. Toen hij volop genoten had, veegde hij zijn mes aan zijn broek af, stak het in zijn gordel en zeide:

—Er zijn creaturen, die van de ondankbaarheid der menschen veel te lijden hebben. Het varken heeft gewis niets gedaan, om de verachting te verdienen, waarmede de geloovigen het aanzien. Was ik in de plaats van den Profeet geweest, toen hem voorgezegd werd wat hij in den Koran moest schrijven, ik zou beter opgelet hebben. Dan zouden juist die dieren het meest in aanzien zijn, die de aangenaamste spijs opleverden. En nu onze maaltijd geëindigd is, kan ik de deur weer open doen, zonder te moeten vreezen dat onze vrienden schade zullen lijden aan hun ziel.

Hij stond op en schoof den grendel weg, juist toen een flink, welgebouwd jonkman op het punt stond binnen te komen.

—Israd,—riep de opzichter hem tegemoet, zoodra hij hem zag,—gij hebt vandaag niet meer te arbeiden; ik geef u vrij. Deze Effendi wil naar Treska-Konak rijden, en gij zult hem langs den kortsten weg, er heen brengen.

De jonkman was de broer van de vrouw, die ik had mogen redden. En deze nam die gelegenheid waar, om mij voor wat ik gedaan had, allerhartelijkst te bedanken, en was blij dat hij mij een wederdienst kon bewijzen.

—Maar hebt gij wel een paard?—vroeg ik hem. Gij kunt toch niet loopen, terwijl wij hard rijden.

—Ik leen er ginds in het dorp een,—zeide hij. Wanneer wilt gij op weg gaan, Effendi?

—Zoo spoedig mogelijk.

—Gij zult nog een heelen tijd moeten wachten, want uw kleeren zijn nog lang niet droog. Intusschen zorg ik voor een paard.

Hij ging terstond weer weg.

—Gij zult aan hem een goeden gids hebben,—zeide zijn zwager, en hij kan u omtrent alles inlichten.

—Dan is hij mij dubbel welkom, want ik zal hem omtrent een en ander nog al wat te vragen hebben.

—Kunt gij mij dat niet vragen?

—Voor alles wilde ik gaarne weten, waar Karanirwan Khan ligt.

—Karanirwan Khan? Hm! Waarom wilt gij dat weten?

—Omdat de vijf mannen, die wij vervolgen, daar heen willen rijden.

—Ik ken helaas, geen plaats van dien naam. Er bestaat wel een Karanorman Khan; dat ligt bij Weicza in de Schar Dagh.

—Dat weet ik, maar dat is de plaats niet, die ik zoek. Karanirwan Khan moet een alleen-staand huis zijn, een Konak, het eigendom van een Pers.

—Perzen vindt men hier maar zeldzaam.

—Kent gij er niet een?

—Eén, ja.

—Hoe heet hij?

—Zijn waren naam ken ik niet. Hij heeft een grooten zwarten volbaard, en daarom noemen wij hem altijd Kara Adschemt, den zwarten Perziër.

—Ah! Dat is misschien juist de man, dien ik zoek. Een zwaren zwarten volbaard moet hij hebben, omdat hij juist Kara Nirwan heet. Vanwaar is hij, dien gij bedoelt?

—Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Hij moet achter in de bergstreek van Jalicza of Luma thuis hooren. Ik herinner mij, dat hij ons van een beer vertelde, die hem bij den Zsalezs-berg tegemoet kwam. Deze berg ligt echter bij de genoemde plaatsen.

—Zijn er dan ook beren in de Schar Dagh?

—Nog maar hoogst zelden. Vroeger kwamen zij meer voor, zooals mijn vader dikwijls vertelt. Nu duurt het soms jaren, voor er weer zoo’n dier hierheen verdwaalt.

—Weet gij niet zoo eenigermate, wat die Perziër is?

—Paardenhandelaar is hij, en wel een zeer beduidende. Ook moet hij rijk zijn. Ik heb hem dikwijls, met meer dan tien knechten en een ware kudde van paarden bij onzen buurman zien komen, bij wien hij gewoonlijk zijn intrek neemt.

—Wat gij mij daar vertelt, is voor mij hoogst belangrijk, want ik kan er allerlei gevolgtrekkingen uit maken. Deze paardenkoopman is een Perziër, en hij heet Kara. Hij neemt zijn intrek bij den Konakdschi, bij wien ook Manach el Barscha en de vier anderen willen zijn. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze man de persoon is, dien wij zoeken.

—Ik zou heel blij zijn, als ik u op het spoor had gebracht.

—Zou uw zwager nog iets meer weten?

—Hiervan niet. Hij is, even als ik, in langen tijd niet bij ons thuis geweest. Maar als gij van avond bij mijn vader komt, dan kunt gij hem en mijn broeder nadere inlichtingen vragen. Die twee kunnen u misschien beter inlichten.

—Is uw vader met zijn buurman bevriend?

—Vrienden zijn ze niet, maar ook geen vijanden. Ze zijn buren, door den nood gedwongen, het met elkaar te kunnen vinden. De Konakdschi heeft iets valsch en geheimzinnigs over zich.

—Weet gij soms of hij ook in betrekking staat tot personen te slechter naam en faam bekend?

—In een zoo eenzaam gelegen Konak komen allerlei menschen. Ik kan dus geen stellig antwoord op uw vraag geven. Alleen weet ik dat hij met den ouden Scharka omgaat. En dat is geen goed teeken.

—En wie is deze Scharka?

—Een kolenhandelaar, die met eenige helpers boven in de bergen huist. Hij moet in een diep en donker hol wonen en men fluistert, dat er dicht bij, menigeen begraven ligt, die geen natuurlijken dood is gestorven. Het eenzame pad door het gebergte loopt over zijn gronden, en het is eigenaardig, dat zoo veel reizigers het wel opgaan maar nooit terugkeeren. En altijd zijn het personen, die veel geld of geldswaardige zaken bij zich hadden.

—Dan is het een waar moordenaarshol! Heeft men dan de misdaden van dezen man nooit kunnen naspeuren?

—Neen; want men waagt zich liefst niet in zijn nabijheid. Zijn helpers zijn ruwe ijzersterke kerels, tegen wie men niet bestand is. Eens is er een afdeeling van dertig soldaten heen gezonden, om de Aladschy’s te vangen, die zich bij hen ophielden. De soldaten zijn onverrichter zake teruggekomen, nadat zij het zwaar te verantwoorden hadden gehad.

—Wie waren hun aanvallers?

—Dat wisten zij niet. Zij werden altijd bij nacht overvallen, door menschen die zij nooit goed te zien kregen.

—De Aladschy’s waren dus ook bij den kolenhandelaar! Kent gij hen?

—Neen,—antwoordde hij.

—En toch hebt gij ze vandaag nog gezien. Die twee kerels op gevlekte paarden, die Manach el Barscha vergezelden, waren het. De naam dier twee beruchte broeders, stemt met de kleur hunner paarden.

—Neen maar! Wie had dat kunnen denken! Dat waren dus de Aladschy’s! Nu verwondert het mij ook niet, dat de veerman door hen met zweepslagen betaald is geworden. Zij rijden naar Treska-Khan; daar blijven zij in allen gevalle niet. Misschien willen zij den kolenhandelaar weer bezoeken.

—Dat is hoogstwaarschijnlijk.

—Dan bid ik u, rijd ze in Godsnaam niet achterna! De kolenhandelaar en zijn gezellen moeten halve wilden zijn, die den sterksten wolf met de hand wurgen.

—Ik ken menschen, die dat ook kunnen, ofschoon zij geen halve en ook geen heele wilden zijn.

—Maar het is toch beter, zulke sujetten te vermijden!

—Dat kan ik niet. Ik heb u reeds gezegd, dat ik een misdaad moet voorkomen. En ook heb ik een gruwelijke misdaad te wreken. Die wraak geldt personen, die vrienden van mijn vrienden zijn.

—Kunt gij dat niet aan anderen opdragen?

—Neen, die zouden bang zijn.

—Maar laat dan de politie het doen!

—O wee! Die zou nog banger zijn. Neen, ik moet die vijf mannen achtervolgen, al kwam ik ook in conflict met alle kolenhandelaars van de wereld.

—Dan ben ik angstig en bang om uwentwille. Die Scharka is een ware duivel. Hij moet behaard zijn als een aap en het gebit hebben van een panter.

—Dat zal toch wel wat overdreven zijn.

—Neen. Ik weet het van menschen, die hem hebben gezien. Gij zijt werkelijk niet tegen hem bestand.

—List en moed gaan alle lichaamskracht te boven,—bracht ik daartegen in.—Maar als het u gerust kan stellen, doe mij dan dit eens na.

Er lag een spoorstaaf op den grond. Ik nam die op, niet in het midden, en reikte hem die met uitgestrekten arm toe. Hij sprong achteruit en riep:

—Effendi, zijt gij—zijt gij... alle drommels, ja, als het zoo is, dan knijpt gij ook gemakkelijk een wolf dood!

—Pah! Die zich op zijn kracht verlaat, vindt allicht een sterkere. Een weinig nadenken is beter dan de grootste lichaamskracht. Overigens zijn wij zoo goed gewapend, dat wij voor niemand bevreesd behoeven te zijn.

—En—voegde Halef er op hoogen toon bij, op zichzelf wijzende,—mijn Effendi is niet alleen, maar hij heeft mij, zijn trouwen vriend en beschermer, bij zich. Laten ontelbare vijanden het wagen, ons aan te vallen! Wij vermorzelen ze, zooals het wilde zwijn de muggen vertreedt.

Dat klonk al te potsierlijk. Zijn kleine figuur kwam allerminst overeen met de zelfverheffing, die uit zijn hooge woorden sprak.

Ik bleef ernstig, omdat ik mijn kleinen Hadschi kende, maar de opzichter moest, zijns ondanks, lachen.

—Lacht gij?—vroeg Halef.—Ik duld geen beleediging! Zelfs niet van hen, wiens ham en worst ik gegeten heb. Als gij mij nader kendet, zoudt gij voor mijn toorn sidderen en voor mijn grimmigheid beven!

—Ik beef bijna al,—verzekerde de opzichter, zoo ernstig mogelijk kijkende.

—O, zulk beven, als gij nu doet, beteekent niets! Gij moet beven, dat uw hart tegen de wanden van uw lichaam klappert en trilt. Gij weet niet, met welke dieren en menschen wij al gestreden hebben. Wij hebben den leeuw, den koning der woestijn, gedood en met vijanden gestreden, bij wier verschijning gij, in de kast bij de gerookte achterdeelen van het zwijn, wegkruipen zoudt. Wij hebben daden verricht, die ons onsterfelijk maken. Onze namen zullen geschreven staan in het boek der helden en op het perkament der onoverwinnelijken. Wij laten niet om ons lachen, vergeet dat niet! Weet gij misschien hoe mijn naam luidt?

—Neen; maar ik heb den Effendi u als Halef hooren aanspreken.

—Halef!—zei de kleine op minachtenden toon. Wat is Halef? Niets niemendal. Hoeveel menschen heeten niet zoo. Maar zijn die Halefs ook Hadschi’s? Kunnen zij op tallooze voorouders bogen, dieallen Hadschi waren? Ik zeg u, ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn voorouders behoorden tot de helden, die voor zóó langen tijd leefden, dat geen mensch meer iets van hen weet; ik zelf ook niet. Kunt gij dat soms ook van uw voorouders zeggen?

—Ja.

—Wat?

—Dat ik ook niets van hen weet.

De opzichter zei dat met ironischen ernst. Halef keek hem zwijgend en toornig aan, maakte een minachtende handbeweging, keerde zich om en ging weg met de woorden:

—Zwijg dan! Die van zijn voorouders niets weet, kan zich dan ook met mij niet vergelijken!

—Maar,—riep de ander lachend hem achterna,—gij hebt zelf, daar straks nog, ook bekend, dat gij evenmin van de uwe iets weet!

—Dat zijn de mijnen, maar de uwen niet. Van hen behoef ik niets te weten, want zij zijn zóó beroemd, dat het onnoodig is iets van hen te weten!—schreeuwde de Hadschi in grooten toorn.

—Dat is een zonderling ventje, dat gij bij u hebt,—zei de opzichter hartelijk lachende.

—Een eerlijk mensch, trouw, bij de hand en zonder vrees, antwoordde ik. Voor dien kolenhandelaar is hij werkelijk niet bang. Dat heeft hij u willen zeggen, en hij deed het op zijn manier. Hij is eigenlijk een woestijnbewoner en die menschen houden er van, zich zoo uit te drukken. Nu zou ik wel eens willen gaan zien, hoe het met mijn kleeren gesteld is. Misschien is de kleermaker-spoorwegwerker er wel mee klaar.

—En ik moet den arbeiders hun werk aanwijzen. Gij zult mij dus toestaan, dat ik mij verwijder, Effendi!

Wij verlieten zijn woning. Juist toen ik de andere binnen wilde gaan, hoorde ik achter de deur een heftig gekijf, en met zooveel geweld werd de deur open gestooten, dat ze mij bijna tegen het gezicht sloeg. Er kwamen twee mannen uit, die tegen mij aanbonsden, en wel Halef, die in de eene hand mijn broek had en in de andere den man, die zijn kleermakerstalent er op vertoonen zou. Halef sleepte hem achter zich aan, zoodat hij met zijn rug naar mij gekeerd was, en dus niet zag, tegen wien hij aankwam. Zich half omwendende, riep hij driftig:

—Stommerik, heb je dan geen oogen in je hoofd!

—Zeker heb ik oogen, Halef!

Hij beerde zich nu om, en toen hij mij zag, zeide hij:

—Ah, Sihdi, ik wilde juist naar u toe!

Hij was buiten zichzelf van opgewondenheid, trok den armen drommel naar mij toe, hield mij de broek voor en vroeg:

—Sihdi, hoeveel hebt gij voor deze broek betaald?

—Honderd dertig piasters.

—Dat is dom geweest, zóó dom, dat ik medelijden met u heb!

—Waarom?

—Omdat gij honderd dertig piasters betaald hebt, voor iets dat een broek moet zijn, maar het niet is!

—Wat is het dan?

—Een zak, een heel gewone zak, waarin gij alles kunt doen, wat gij maar wilt: erwten, maïs, aardappelen, voor mijn part ook hagedissen en kikvorschen. Gelooft gij het soms niet?

Zóó grimmig keek hij mij daarbij aan, dat ik bijna bang zou geworden zijn. Ik werd het echter niet, maar antwoordde bedaard:

—Hoe komt gij er toe, mijn broek een zak te noemen?

—Hoe ik daar toe kom? Zie eens hier!

Hij stak zijn vuist in de pijp, die opengescheurd was geweest maar kon er zijn hand niet door krijgen. De kleermaker had de scheur te stevig willen hechten en daarom de voor- en achterzijde vastgenaaid.

—Ziet gij het? Ziet gij de verrassing, de oorzaak van mijn zielsverdriet?

—Ja, Halef, ik zie het!

—Steek er uw been eens in!

—Dat zal ik wel laten.

—Maar er in wilt gij toch, er in moet gij toch, daar is de broek voor, waaruit nu zoo’n ellendigen zak is gemaakt. Nu blijft u niets anders over, dan met één bloot en met één bekleed been de wereld rond te reizen. Wat zullen de menschen zeggen, als ze u zien, u, den beroemden Effendi en Emir! En waar zult gij hier in dit ellendige dorp een andere broek krijgen!

—Maar heb ik dan een andere noodig?

—Wel, natuurlijk. Gij kunt deze toch niet aantrekken!

—Zeker kan ik de broek aantrekken.

—Hoe dan? Toch maar met één been.

—Neen, met beide beenen. Onze handige kleermaker mag zijn naaisel weer lostornen en dan de scheur eenvoudiger dichtnaaien.

—Het naaisel lostornen!—stamelde Halef, mij verbaasd aanstarende. Daarna barstte hij in luid gelach los en zei:

—Sihdi, gij hebt gelijk. Daar had ik in mijn boosheid niet aan gedacht, lostornen, dat is het ware!

Het angstige en verlegen gezicht van den kleermaker helderde weer op; maar hij kwam er toch niet zoo goed af, als hij gedacht had, want de Hadschi viel tegen hem uit:

—Kerel, ziet ge dan eindelijk in, wat ongehoorde domheid gij begaan hebt! Eerst naait gij de broek dicht, en dan weet gij geen manier om die weer open te krijgen!

—Daar had ik wel raad op geweten, maar gij liet mij niet aan het woord komen,—verdedigde zich de arme schelm.

—O Allah, Allah, wat onbeschaamde menschen zijn er toch! Ik heb u in alle bedaardheid gevraagd, hoe die fout te verhelpen was; ik heb met engelengeduld op uw antwoord gewacht; maar gij stondt daar alsof gij een kameel hadt ingeslikt wiens hals in uw keel was blijven steken, en toen heb ik u bij uw eigen keel gepakt om u naar den Effendi te brengen. Zoo zit de zaak in elkaar. En hoe is het nu, kunt gij dien naad weer lostornen?

—Ja,—antwoorde de kleermaker op bedeesden toon.

—En hoeveel tijd hebt gij daarvoor noodig?

—Twee of drie uren.

—O Allah! Wij zullen dus, voor uw geknoei, tot van avond moeten wachten? Dat gaat niet, zooveel tijd kunnen wij u niet geven.

—Zoolang zal het niet duren, want ik zelf zal hem er bij helpen,—zei ik.

—Maar dat komt niet overeen met de waardigheid van uw roeping en met de majesteit van uw persoon!

—Dat zal zich best schikken. Ik ga met dezen goeden man, die een bedroefde kleermaker is, hier in huis. Onderwijl hij mijn andere kleeren uitstrijkt en waarschijnlijk verbrandt, zal ik mijn broek in orde brengen. Zeg eens, gij ridder van de naald, zijt gij werkelijk een kleermaker?

De man krabde zich achter zijn oor, en antwoordde eindelijk:

—Effendi, eigenlijk niet.

—Zoo! Wat zijt gij dan eigenlijk wel?

—EenDürger doghramadschy(schrijnwerker).

—Maar hoe komt gij op de dolle gedachte om u voor een kleermaker uit te geven?

—Omdat ik twee strijkijzers heb.

—Hoe komt gij daar aan?

—Die heb ik van mijn grootvader, die werkelijk kleermaker was. Die zijn het eenige, dat ik van hem heb geërfd. Nu heb ik er wat naalden en garen bij gekocht, en als de gelegenheid zich voordoet, dan herstel ik de kleeren van de menschen, omdat er voor mij als schrijnwerker niets te verdienen valt. Uit armoe werk ik dan ook hier aan den spoorweg.

—Gij zijt dus een veelzijdig man. Uw hoofdvak is echter hersteller van kleeren, Doet gij dat altijd zoo, als nu met mijn broek?

—Neen, Effendi! Dat was een vergissing.

—Gij hebt dus inderdaad twee strijkijzers? Kunt gij strijken?

—Uitstekend!

—Welnu, dan willen wij allebei aan ’t werk gaan. Maar kijk, wat is dat?

Ik trok het door hem genaaide van elkaar en liet het hem zien. Hij begreep echter niet wat ik bedoelde, en zagmij vragendaan.


Back to IndexNext