Negende hoofdstuk.In de rotsholte.Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen, die welvarendheid der inwoners verried.Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.En dat was ook zoo.Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels, omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde ons uit, bij hem binnen te komen.De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig wilde ontvangen.Twee knechten moesten mij van ’t paard tillen en in het mooie vertrek binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond, waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna een canapé kunnen noemen.Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:—Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult eenRahat Otturmak(woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ikzie dat gij een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.—Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,—luidde mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.—En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!—Is dat verboden?—Ja, zeer streng.—Door wien?—Door de Khalifen.—Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.—Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa, dan hoort gij wel ver van hier thuis?—Ik ben uit Alemania.—O, dat ken ik heel goed!—Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.—Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naastIswitschera(Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in denAk Deniz Adalary(Middellandschen archipel) mondt.—Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.—Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te merken,—antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet nog meer, nog veel meer van uw vaderland.—Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.—Uw Sultan heetGillem musafer(Willem de overwinnaar), maar toch ookGillem baryschdyrydschy(Willem de vredevorst). Zijn grootvizier isIsmark bilasatschly(Bismark zonder haar), en uw geweren heetenJakma ijneleri(zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het besteArpa suju(bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt, zooveel gij maar wilt.—Arpa sujuhebt gij?—viel ik in. Dat brouwt gij zelf?Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn bierrecept vrije vertering te krijgen.—Ja,—antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken, vooral in den zomer.—En waar maakt gij het uit?—Heer, dat moet gij mij niet vragen.—Waarom niet?—Het is een groot geheim.—O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het zware en het dunne, ook het heldere, dat menAk arpa(eiwitbier) noemt.—Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die het mij heeft geleerd.—Van waar was die man?—Uit Stambul.Aha! ’t moest mijn Beier zijn.—En waar wilde hij heen?—Naar zijn geboorteland.—Maar van hier uit, langs welken weg?—Naar de Tuna.Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.—Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,—zei ik.—Hoe was het, Heer?—Zeer..... warm!—Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er een kruik van halen?—Zeer zeker.—Een groote kruik?—Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met gejuich begroeten.De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter inhield.Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn neus prikkelen.—Waarin bewaart gij deze Arpa suju?—vroeg ik.—In groote kruiken, die ik goed dicht maak.—Waarom sluit gij ze?—Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.—Wie heeft u dat gewezen?—De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef het gerust!—Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.—Later, nu nog niet!—antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen hier?—Allen.—Ook den slager Tschurak?—Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist overal heen.Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.—In wat omstandigheden bevindt zich die man?—In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.—Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?—Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een eerlijk man leeren kennen.—Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.—Is het nog al van belang?—Ja.—Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult bij hem uw intrek nemen?—Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de omgeving is mij als zeer mooi beschreven.—Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen, die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt, het is overal even heerlijk om er te wandelen.—Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de Derekulibe zijn.Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.—Naar de Derekulibe?—vroeg hij. Die ken ik nog in ’t geheel niet.—Het is dus geen algemeen bekende plek?—Ik heb er nog nooit van gehoord.—Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam draagt.—Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.—Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats gegeven.—Dat moet dan wel zoo zijn.—Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?—Woont daar iemand?—Dat weet ik niet.—Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt, zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld was. Daarom vroeg ik verder:—Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?—Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en andere dingen.—En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?—Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in ’t geheel niet gebruikt, ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.—Is dat gebouw gesloten?—Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is, in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt gij zoo bijzonder naar die hut?—Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar toe een zeer romantische was.—Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte ontspringt. Mooi kan men het daar in ’t geheel niet noemen.Toen maakte Halef de opmerking:—Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij gingen er ons misschien door zou brengen.—Meent gij Karaorman?—Ja, dat was de naam.—Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.—Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht een schrijffout.—Misschien.—Zijt gij in Karaorman bekend?—vroeg ik onzen waard.—Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze weg naar Istib gaat er doorheen.—En is daar een groote Khan?1—Neen, er is in ’t geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib, dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten, dan in dat dorp te vertoeven.—Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan moet heeten.—Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het tevergeefs.—Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy met het oppergezag bekleed?—Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.—Gij spreekt hier dus recht en vonnist?—Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere Overheid meer steun vinden dan wij.—Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.—Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en—die heb ik. Ik ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken geleden had het mij bijna het leven gekost.—Hoe zoo?—Hebt gij wel eens van de twee Aladschy’s gehoord?—Zeker.—Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens, de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt lood en kruit van mij.—Van u, den Kiaja? Dat is sterk!—Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.—De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen, die u moesten helpen.—O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de wraak der Aladschy’s. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder, en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben, als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu met z’n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.—Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!—Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met hem beginnen?—Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van uw Vilajet is.—Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik hem op kunnen sluiten?—In de dorpsgevangenis.—Maar die hebben wij hier niet.—Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor dienen kan.—Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen, had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?—Gebonden op een wagen.—Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.—En wat deedt gij toen?—Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.—En hebt gij hem nog weer ontmoet?—Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.—Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog wel zien.—Wat? Vandaag nog?—Ik weet dat de beide Aladschy’s heden of op zijn laatst morgen naar Sbiganzy zullen komen.—Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet gij dat?Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.—En gij zijt er levend afgekomen!—riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat is een wonder, een mirakel!—Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen voor u zitten.—Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?—Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen, dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich te wreken.—O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!—Wilt gij me daar een verwijt van maken?—O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het kan mij misschien zelf het leven kosten.—Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn, want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.—Wie kan dat zijn?—De slager Tschurak.—Heer, dat is niet mogelijk!—Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een diepe buiging terug en zei:—Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel, en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.—Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?—Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.—Ik zoek hem.—Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als geheim-agent in deze streek?—Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.—Maar gij vindt hem nooit uit.—Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde van hem.—Dat kan niet waar zijn, Heer!—Toch is het zoo!—Hier wonen alleen eerlijke menschen.—Waarschijnlijk vergist gij u.—Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?—Wel, niemand anders dan Tschurak.—Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!—Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.—Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.—Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.—Geef me bewijzen, Effendi!—Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem heb gesproken.—Ik zal zwijgen.—Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?—Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen kunnen doen.—Gelooft gij dat?—Neen, want ik ben geen Moslem.—Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een onderaanvoerder van den Shoet te zijn.—Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.—O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy’s, die zijn makkers zijn, op weg naar hier.—Dan behoede ons God!—Zij willen den slager Tschurak bezoeken.—Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?—Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets in den weg legt.—Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.—Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.—Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis, hij kwam eerst een uur geleden thuis.—Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?—Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?—Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken; wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waardDeselim afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek niet meer droeg.Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen, dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek, een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten, waar de schachten de broekspijpen omsloten.Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:—Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?—Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.—Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.—Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms daarom zoo’n haast, omdat gij gasten hebt?—Ik heb geen gasten.—En gij verwacht er ook geen?—Neen,—antwoordde hij kortaf.—Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo beleefd zijt tot mij te komen.Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon tochniets ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van een arglistig mensch of van een geheimen heler.—Kent gij dit?—vroeg ik, op de Koptscha wijzende.—Neen,—antwoordde hij.Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik, toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.—Bezie dit teeken eens nauwkeurig!Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:—Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?—Ja,—zeide ik kortaf.—Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,—luidde zijn wederwoord.—Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.—Van wien?—vroeg hij koel.—Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking, en werd zijn gezicht minder ernstig.—Kent gij ze allebei?—vroeg hij nu.—Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.—Natuurlijk? Hoezoo?—Omdat wij broeders zijn.—Van waar komt gij?—Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord zult hebben.—Tot wien heeft hij u gezonden?—Tot den Shoet.—Zult gij dien kunnen vinden?—Dat geloof ik wel.—Hm! Dat is niet gemakkelijk.—Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.—Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?—Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.—Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha,die gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.—Welke?—vroeg ik bedaard.—Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u daarmede legitimeeren.—Bedoelt gij de woorden?—Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij den Shoet?—In Derekulibe.—Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?Ik had helaas geen aanleiding om te vermoeden, welk woord het zou zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. ’Bir Syrdasch’—een vertrouwde—had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:—Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir syrdasch—een vertrouwde.Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op een bijna hartelijken toon:—Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten en mijn gast zijn?—Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.—Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?—Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.—Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en neer. Eindelijk vroeg hij:—Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?—Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.—En wat verlangt gij van mij?—Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.—Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?—Ik wil het hopen.—Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal, wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt gij zoo lang geduld?—Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.—Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:—Wie zijn die mannen?—Mijn vrienden en mijn metgezel.—Komen zij voor dezelfde zaak?Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:—Willen ook zij den Shoet zien?—Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen met hem spreek.Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:—Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat zij met u hier gekomen zijn.—Ook dat is mij goed.—Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat hebt gij aan uw beenen?—Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.—Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?—Te paard.—Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk door het struikhout komen.—Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij te komen?—Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed het niet.—Dat wil ik best gelooven!—Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!—Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?—Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het niet volhouden.—Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder te veel van haar voeten te moeten vergen.—Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen bestellen?—Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen mannen moeten uw dragen.—Goed; laten zij den draagstoel dan halen.—Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.—Waarom?—Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.—Ook daartoe ben ik bereid,—zeide ik.—Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter dat men ons niet samen ziet.Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en riep den waard, wien hij zeide:—Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag het hem zelf.De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een oogenblik later weer verliet.—Heer, ik begrijp u niet,—begon nu de waard, die was blijven staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slechtmensch, en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik dan doen wat hij zegt?—Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord “Allah†zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij zoo’n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.—Dan zal hij boos worden.—Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt gij een stal, die afgesloten kan worden?—Ja, Heer.—Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken; ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden af. Begrepen?—Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder aangenaam is.—Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij zoudt ons de schade moeten vergoeden.—In ’s hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.—Doe dat, en breng ons nu iets te eten.Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan en wachtte ons op.Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:—Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!—De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.—Maar hier hebt gij ze niet noodig!—Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.—Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.—Ik geef mijn wapens niet af,—zei ik met beslistheid,—en als de Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig vallen.Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten vloek hooren en zeide:—Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen, en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.—Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!—Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.Het beviel mij in ’t geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En er uit springen kon ik in ’t geheel niet van wege mijn voet. Een schot van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwenniet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en hield mijn revolver gereed.Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.—Hier zijn wij er,—zeide de slager, toen de beide dragers den stoel neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen, een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De deur scheen slechts aan te staan.—Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,—antwoordde ik.Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten, voorwereldlijke banken aangebracht waren.Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken worden, die nu er bij, op den grond lag.Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk tal van personen verborgen zijn.De slager kwam bij ons terug en zeide:—Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.—Dat doen wij niet.—Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.—O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat wij dat niet gewoon zijn.—Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem zal staan.—Werkelijk niet?—Neen, nooit!—En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen in uw gordel!Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:—Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.—Dan geven wij het op,—zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:—Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen, of de Shoet toegeven kan.Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel, maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur kijken en fluisterde mij in:—Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt gezicht!—Zijn er deuren daarbinnen?—Geen enkele.Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint, maar spelde geen gevaar.De Shoet begon:—Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze gedachte bracht.—Zijt gij de Shoet?—vroeg ik.—Ja,—antwoordde hij langzaam.—Dan heb ik u groeten over te brengen.—Van wien?—Allereerst van den Usta in Stambul.—Maar die leeft niet meer!—Wat zegt gij?—Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata afgeworpen.—Scheitan!—ontviel Omar, die er hem afgegooid had.Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen als wij.—Weet gij het nog niet?—vroeg hij.—Ik weet het,—antwoordde ik.—En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?—Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood kan opgedragen hebben?—Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere groeten te brengen?—Ja, van Deselim uit Ismilan.—Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van den Usta. Verder!—Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide Aladschy’s.—Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet meer te doen.—Ah! Zijn zij hier?—Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?—Ja, de Shoet.—Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen, nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik ben....Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden, dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.De lantaarn was uit.—Ik ben.... de oude Mubarek zelf,—klonk het boven ons. Gij blijft hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve te verslinden!Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.—Allah!—riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!—Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!—zeide Osko.—Ja,—viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.—Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,—stemde ik toe. Maar hoor eens!Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten, om den hongerdood te sterven.—Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!—verzekerde Halef.—Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met mijn zweep!—Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.—Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?—Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door de deur of boven uit.—Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje, waarin olie is, met phosphor?—vroeg Halef.—Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet, dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet, omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder helderen glans.Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het, eerst een anderen uitgang te zoeken.En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen, konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar klom op Osko’s schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons hadden gevangen!Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken, geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur open te krijgen, dan—en dit hadden wij moeten bedenken—dan zouden wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelfnog een schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen, maar het werk vorderde niet. Osko’s mes brak, en ik gaf hem mijn deugdelijk Amerikaansch bowiemes.Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput hadden, en—ook Omar’s mes brak.—Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.—Wij zullen onze krachten nog wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken, als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.—Maar hij weet niet waarheen!—viel Halef in.—Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.—Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy’s. Als hij die hier ziet, loopt hij weg.—Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!—Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt achterlaten.—Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de bewaking ook wel opgeven.Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.—Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader onderzoeken,—zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet hadden gesloten.—Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond, ging het nog niet,—bracht Osko tegen mijn voorstel in.—Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar’s schouders gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg, om ze allebei te houden.Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar’s schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd, stapte nu op Osko’s rug en hield zich aan de rotswanden in evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:—Sihdi, ik voel de zoldering!—Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.—Zij bestaat uit sterke boomstammen,—fluisterde hij. Het valluik is van planken gemaakt.—Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens tegen, om uit den klank te weten,’ hoe dik dat luik is.—Maar dan hoort men mij!—Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde; maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht wordt, gehouden.Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en uitroepen:—Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!Buiten bij de deur klonk de vraag:—Zit de grendel er goed op?—Natuurlijk!—Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars schouders geklommen zijn.—Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin hebben om het luik open te doen.—In geen geval!—Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.—Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!—Hebt gij het gehoord, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij ons met hun kolven laten doodslaan?—Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.—En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?—Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug af en daarna sprong Halef van Omar’s schouders.—Rust nu eerst wat uit,—zeide ik,—want een inspanning is het toch altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten blijven staan, dan hij.Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.—Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,—waarschuwde ik.—Met mijn verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.—Weest maar niet bang, Heer,—antwoordde Osko. Ik zal staan, als een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op mijn getik volgde ook nu een beantwoording:—Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee moeten optillen, als zij het luik al openbraken.Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid, die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna hoorde ik de woorden:—Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de val.—Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.—Hoort gij wel?—vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat zult aanleggen.—Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.—Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?—Den berendooder.Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer aan Osko, die het Omar toereikte.—Let nu goed op,—Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik zeg ’een’ en ’twee’. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij ’een’ schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb, dus bij twee, den linker. Begrepen?—Ja, Heer!Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden van het luik, waar de slager moest zitten.—Nu!—Eén!Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.—Allah! Zij schieten!Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de basten had te doorboren.—Twee!Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna als een kanonschot.—O Allah, Allah!—kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord, maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.—Osko, worden wij u te zwaar?—vroeg ik.—Zoo langzamerhand, ja.—Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide Halef:—Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan.Hebt gij raak geschoten?—Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De andere is maar alleen gewond.—Wie kan dat zijn?—Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.—Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de zoldering zal wagen?—Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het hem het leven kan kosten.—Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!—Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze er uit.—Ah, als u dat gelukte!—Dat gelukt zeker.—Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!—Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?—Wij klimmen op de schouders van Omar.—En hoe komen Osko en Omar er uit?—Wel, wij trekken ze omhoog er uit.—Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.
Negende hoofdstuk.In de rotsholte.Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen, die welvarendheid der inwoners verried.Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.En dat was ook zoo.Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels, omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde ons uit, bij hem binnen te komen.De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig wilde ontvangen.Twee knechten moesten mij van ’t paard tillen en in het mooie vertrek binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond, waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna een canapé kunnen noemen.Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:—Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult eenRahat Otturmak(woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ikzie dat gij een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.—Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,—luidde mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.—En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!—Is dat verboden?—Ja, zeer streng.—Door wien?—Door de Khalifen.—Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.—Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa, dan hoort gij wel ver van hier thuis?—Ik ben uit Alemania.—O, dat ken ik heel goed!—Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.—Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naastIswitschera(Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in denAk Deniz Adalary(Middellandschen archipel) mondt.—Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.—Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te merken,—antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet nog meer, nog veel meer van uw vaderland.—Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.—Uw Sultan heetGillem musafer(Willem de overwinnaar), maar toch ookGillem baryschdyrydschy(Willem de vredevorst). Zijn grootvizier isIsmark bilasatschly(Bismark zonder haar), en uw geweren heetenJakma ijneleri(zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het besteArpa suju(bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt, zooveel gij maar wilt.—Arpa sujuhebt gij?—viel ik in. Dat brouwt gij zelf?Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn bierrecept vrije vertering te krijgen.—Ja,—antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken, vooral in den zomer.—En waar maakt gij het uit?—Heer, dat moet gij mij niet vragen.—Waarom niet?—Het is een groot geheim.—O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het zware en het dunne, ook het heldere, dat menAk arpa(eiwitbier) noemt.—Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die het mij heeft geleerd.—Van waar was die man?—Uit Stambul.Aha! ’t moest mijn Beier zijn.—En waar wilde hij heen?—Naar zijn geboorteland.—Maar van hier uit, langs welken weg?—Naar de Tuna.Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.—Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,—zei ik.—Hoe was het, Heer?—Zeer..... warm!—Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er een kruik van halen?—Zeer zeker.—Een groote kruik?—Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met gejuich begroeten.De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter inhield.Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn neus prikkelen.—Waarin bewaart gij deze Arpa suju?—vroeg ik.—In groote kruiken, die ik goed dicht maak.—Waarom sluit gij ze?—Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.—Wie heeft u dat gewezen?—De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef het gerust!—Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.—Later, nu nog niet!—antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen hier?—Allen.—Ook den slager Tschurak?—Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist overal heen.Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.—In wat omstandigheden bevindt zich die man?—In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.—Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?—Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een eerlijk man leeren kennen.—Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.—Is het nog al van belang?—Ja.—Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult bij hem uw intrek nemen?—Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de omgeving is mij als zeer mooi beschreven.—Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen, die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt, het is overal even heerlijk om er te wandelen.—Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de Derekulibe zijn.Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.—Naar de Derekulibe?—vroeg hij. Die ken ik nog in ’t geheel niet.—Het is dus geen algemeen bekende plek?—Ik heb er nog nooit van gehoord.—Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam draagt.—Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.—Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats gegeven.—Dat moet dan wel zoo zijn.—Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?—Woont daar iemand?—Dat weet ik niet.—Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt, zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld was. Daarom vroeg ik verder:—Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?—Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en andere dingen.—En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?—Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in ’t geheel niet gebruikt, ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.—Is dat gebouw gesloten?—Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is, in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt gij zoo bijzonder naar die hut?—Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar toe een zeer romantische was.—Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte ontspringt. Mooi kan men het daar in ’t geheel niet noemen.Toen maakte Halef de opmerking:—Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij gingen er ons misschien door zou brengen.—Meent gij Karaorman?—Ja, dat was de naam.—Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.—Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht een schrijffout.—Misschien.—Zijt gij in Karaorman bekend?—vroeg ik onzen waard.—Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze weg naar Istib gaat er doorheen.—En is daar een groote Khan?1—Neen, er is in ’t geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib, dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten, dan in dat dorp te vertoeven.—Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan moet heeten.—Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het tevergeefs.—Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy met het oppergezag bekleed?—Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.—Gij spreekt hier dus recht en vonnist?—Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere Overheid meer steun vinden dan wij.—Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.—Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en—die heb ik. Ik ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken geleden had het mij bijna het leven gekost.—Hoe zoo?—Hebt gij wel eens van de twee Aladschy’s gehoord?—Zeker.—Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens, de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt lood en kruit van mij.—Van u, den Kiaja? Dat is sterk!—Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.—De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen, die u moesten helpen.—O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de wraak der Aladschy’s. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder, en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben, als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu met z’n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.—Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!—Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met hem beginnen?—Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van uw Vilajet is.—Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik hem op kunnen sluiten?—In de dorpsgevangenis.—Maar die hebben wij hier niet.—Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor dienen kan.—Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen, had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?—Gebonden op een wagen.—Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.—En wat deedt gij toen?—Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.—En hebt gij hem nog weer ontmoet?—Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.—Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog wel zien.—Wat? Vandaag nog?—Ik weet dat de beide Aladschy’s heden of op zijn laatst morgen naar Sbiganzy zullen komen.—Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet gij dat?Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.—En gij zijt er levend afgekomen!—riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat is een wonder, een mirakel!—Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen voor u zitten.—Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?—Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen, dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich te wreken.—O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!—Wilt gij me daar een verwijt van maken?—O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het kan mij misschien zelf het leven kosten.—Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn, want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.—Wie kan dat zijn?—De slager Tschurak.—Heer, dat is niet mogelijk!—Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een diepe buiging terug en zei:—Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel, en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.—Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?—Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.—Ik zoek hem.—Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als geheim-agent in deze streek?—Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.—Maar gij vindt hem nooit uit.—Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde van hem.—Dat kan niet waar zijn, Heer!—Toch is het zoo!—Hier wonen alleen eerlijke menschen.—Waarschijnlijk vergist gij u.—Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?—Wel, niemand anders dan Tschurak.—Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!—Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.—Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.—Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.—Geef me bewijzen, Effendi!—Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem heb gesproken.—Ik zal zwijgen.—Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?—Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen kunnen doen.—Gelooft gij dat?—Neen, want ik ben geen Moslem.—Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een onderaanvoerder van den Shoet te zijn.—Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.—O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy’s, die zijn makkers zijn, op weg naar hier.—Dan behoede ons God!—Zij willen den slager Tschurak bezoeken.—Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?—Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets in den weg legt.—Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.—Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.—Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis, hij kwam eerst een uur geleden thuis.—Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?—Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?—Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken; wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waardDeselim afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek niet meer droeg.Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen, dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek, een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten, waar de schachten de broekspijpen omsloten.Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:—Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?—Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.—Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.—Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms daarom zoo’n haast, omdat gij gasten hebt?—Ik heb geen gasten.—En gij verwacht er ook geen?—Neen,—antwoordde hij kortaf.—Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo beleefd zijt tot mij te komen.Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon tochniets ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van een arglistig mensch of van een geheimen heler.—Kent gij dit?—vroeg ik, op de Koptscha wijzende.—Neen,—antwoordde hij.Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik, toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.—Bezie dit teeken eens nauwkeurig!Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:—Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?—Ja,—zeide ik kortaf.—Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,—luidde zijn wederwoord.—Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.—Van wien?—vroeg hij koel.—Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking, en werd zijn gezicht minder ernstig.—Kent gij ze allebei?—vroeg hij nu.—Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.—Natuurlijk? Hoezoo?—Omdat wij broeders zijn.—Van waar komt gij?—Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord zult hebben.—Tot wien heeft hij u gezonden?—Tot den Shoet.—Zult gij dien kunnen vinden?—Dat geloof ik wel.—Hm! Dat is niet gemakkelijk.—Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.—Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?—Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.—Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha,die gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.—Welke?—vroeg ik bedaard.—Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u daarmede legitimeeren.—Bedoelt gij de woorden?—Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij den Shoet?—In Derekulibe.—Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?Ik had helaas geen aanleiding om te vermoeden, welk woord het zou zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. ’Bir Syrdasch’—een vertrouwde—had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:—Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir syrdasch—een vertrouwde.Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op een bijna hartelijken toon:—Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten en mijn gast zijn?—Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.—Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?—Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.—Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en neer. Eindelijk vroeg hij:—Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?—Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.—En wat verlangt gij van mij?—Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.—Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?—Ik wil het hopen.—Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal, wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt gij zoo lang geduld?—Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.—Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:—Wie zijn die mannen?—Mijn vrienden en mijn metgezel.—Komen zij voor dezelfde zaak?Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:—Willen ook zij den Shoet zien?—Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen met hem spreek.Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:—Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat zij met u hier gekomen zijn.—Ook dat is mij goed.—Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat hebt gij aan uw beenen?—Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.—Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?—Te paard.—Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk door het struikhout komen.—Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij te komen?—Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed het niet.—Dat wil ik best gelooven!—Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!—Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?—Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het niet volhouden.—Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder te veel van haar voeten te moeten vergen.—Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen bestellen?—Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen mannen moeten uw dragen.—Goed; laten zij den draagstoel dan halen.—Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.—Waarom?—Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.—Ook daartoe ben ik bereid,—zeide ik.—Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter dat men ons niet samen ziet.Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en riep den waard, wien hij zeide:—Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag het hem zelf.De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een oogenblik later weer verliet.—Heer, ik begrijp u niet,—begon nu de waard, die was blijven staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slechtmensch, en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik dan doen wat hij zegt?—Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord “Allah†zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij zoo’n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.—Dan zal hij boos worden.—Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt gij een stal, die afgesloten kan worden?—Ja, Heer.—Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken; ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden af. Begrepen?—Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder aangenaam is.—Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij zoudt ons de schade moeten vergoeden.—In ’s hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.—Doe dat, en breng ons nu iets te eten.Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan en wachtte ons op.Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:—Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!—De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.—Maar hier hebt gij ze niet noodig!—Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.—Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.—Ik geef mijn wapens niet af,—zei ik met beslistheid,—en als de Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig vallen.Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten vloek hooren en zeide:—Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen, en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.—Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!—Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.Het beviel mij in ’t geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En er uit springen kon ik in ’t geheel niet van wege mijn voet. Een schot van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwenniet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en hield mijn revolver gereed.Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.—Hier zijn wij er,—zeide de slager, toen de beide dragers den stoel neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen, een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De deur scheen slechts aan te staan.—Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,—antwoordde ik.Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten, voorwereldlijke banken aangebracht waren.Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken worden, die nu er bij, op den grond lag.Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk tal van personen verborgen zijn.De slager kwam bij ons terug en zeide:—Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.—Dat doen wij niet.—Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.—O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat wij dat niet gewoon zijn.—Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem zal staan.—Werkelijk niet?—Neen, nooit!—En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen in uw gordel!Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:—Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.—Dan geven wij het op,—zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:—Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen, of de Shoet toegeven kan.Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel, maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur kijken en fluisterde mij in:—Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt gezicht!—Zijn er deuren daarbinnen?—Geen enkele.Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint, maar spelde geen gevaar.De Shoet begon:—Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze gedachte bracht.—Zijt gij de Shoet?—vroeg ik.—Ja,—antwoordde hij langzaam.—Dan heb ik u groeten over te brengen.—Van wien?—Allereerst van den Usta in Stambul.—Maar die leeft niet meer!—Wat zegt gij?—Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata afgeworpen.—Scheitan!—ontviel Omar, die er hem afgegooid had.Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen als wij.—Weet gij het nog niet?—vroeg hij.—Ik weet het,—antwoordde ik.—En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?—Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood kan opgedragen hebben?—Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere groeten te brengen?—Ja, van Deselim uit Ismilan.—Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van den Usta. Verder!—Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide Aladschy’s.—Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet meer te doen.—Ah! Zijn zij hier?—Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?—Ja, de Shoet.—Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen, nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik ben....Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden, dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.De lantaarn was uit.—Ik ben.... de oude Mubarek zelf,—klonk het boven ons. Gij blijft hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve te verslinden!Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.—Allah!—riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!—Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!—zeide Osko.—Ja,—viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.—Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,—stemde ik toe. Maar hoor eens!Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten, om den hongerdood te sterven.—Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!—verzekerde Halef.—Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met mijn zweep!—Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.—Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?—Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door de deur of boven uit.—Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje, waarin olie is, met phosphor?—vroeg Halef.—Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet, dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet, omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder helderen glans.Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het, eerst een anderen uitgang te zoeken.En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen, konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar klom op Osko’s schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons hadden gevangen!Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken, geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur open te krijgen, dan—en dit hadden wij moeten bedenken—dan zouden wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelfnog een schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen, maar het werk vorderde niet. Osko’s mes brak, en ik gaf hem mijn deugdelijk Amerikaansch bowiemes.Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput hadden, en—ook Omar’s mes brak.—Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.—Wij zullen onze krachten nog wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken, als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.—Maar hij weet niet waarheen!—viel Halef in.—Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.—Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy’s. Als hij die hier ziet, loopt hij weg.—Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!—Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt achterlaten.—Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de bewaking ook wel opgeven.Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.—Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader onderzoeken,—zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet hadden gesloten.—Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond, ging het nog niet,—bracht Osko tegen mijn voorstel in.—Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar’s schouders gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg, om ze allebei te houden.Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar’s schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd, stapte nu op Osko’s rug en hield zich aan de rotswanden in evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:—Sihdi, ik voel de zoldering!—Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.—Zij bestaat uit sterke boomstammen,—fluisterde hij. Het valluik is van planken gemaakt.—Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens tegen, om uit den klank te weten,’ hoe dik dat luik is.—Maar dan hoort men mij!—Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde; maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht wordt, gehouden.Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en uitroepen:—Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!Buiten bij de deur klonk de vraag:—Zit de grendel er goed op?—Natuurlijk!—Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars schouders geklommen zijn.—Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin hebben om het luik open te doen.—In geen geval!—Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.—Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!—Hebt gij het gehoord, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij ons met hun kolven laten doodslaan?—Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.—En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?—Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug af en daarna sprong Halef van Omar’s schouders.—Rust nu eerst wat uit,—zeide ik,—want een inspanning is het toch altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten blijven staan, dan hij.Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.—Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,—waarschuwde ik.—Met mijn verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.—Weest maar niet bang, Heer,—antwoordde Osko. Ik zal staan, als een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op mijn getik volgde ook nu een beantwoording:—Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee moeten optillen, als zij het luik al openbraken.Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid, die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna hoorde ik de woorden:—Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de val.—Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.—Hoort gij wel?—vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat zult aanleggen.—Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.—Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?—Den berendooder.Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer aan Osko, die het Omar toereikte.—Let nu goed op,—Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik zeg ’een’ en ’twee’. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij ’een’ schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb, dus bij twee, den linker. Begrepen?—Ja, Heer!Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden van het luik, waar de slager moest zitten.—Nu!—Eén!Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.—Allah! Zij schieten!Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de basten had te doorboren.—Twee!Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna als een kanonschot.—O Allah, Allah!—kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord, maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.—Osko, worden wij u te zwaar?—vroeg ik.—Zoo langzamerhand, ja.—Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide Halef:—Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan.Hebt gij raak geschoten?—Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De andere is maar alleen gewond.—Wie kan dat zijn?—Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.—Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de zoldering zal wagen?—Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het hem het leven kan kosten.—Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!—Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze er uit.—Ah, als u dat gelukte!—Dat gelukt zeker.—Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!—Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?—Wij klimmen op de schouders van Omar.—En hoe komen Osko en Omar er uit?—Wel, wij trekken ze omhoog er uit.—Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.
Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen, die welvarendheid der inwoners verried.
Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.
En dat was ook zoo.
Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels, omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde ons uit, bij hem binnen te komen.
De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig wilde ontvangen.
Twee knechten moesten mij van ’t paard tillen en in het mooie vertrek binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond, waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna een canapé kunnen noemen.
Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:
—Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult eenRahat Otturmak(woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ikzie dat gij een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.
—Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,—luidde mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.
—En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!
—Is dat verboden?
—Ja, zeer streng.
—Door wien?
—Door de Khalifen.
—Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.
—Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa, dan hoort gij wel ver van hier thuis?
—Ik ben uit Alemania.
—O, dat ken ik heel goed!
—Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.
—Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naastIswitschera(Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in denAk Deniz Adalary(Middellandschen archipel) mondt.
—Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.
—Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te merken,—antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet nog meer, nog veel meer van uw vaderland.
—Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.
—Uw Sultan heetGillem musafer(Willem de overwinnaar), maar toch ookGillem baryschdyrydschy(Willem de vredevorst). Zijn grootvizier isIsmark bilasatschly(Bismark zonder haar), en uw geweren heetenJakma ijneleri(zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het besteArpa suju(bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt, zooveel gij maar wilt.
—Arpa sujuhebt gij?—viel ik in. Dat brouwt gij zelf?
Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn bierrecept vrije vertering te krijgen.
—Ja,—antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken, vooral in den zomer.
—En waar maakt gij het uit?
—Heer, dat moet gij mij niet vragen.
—Waarom niet?
—Het is een groot geheim.
—O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het zware en het dunne, ook het heldere, dat menAk arpa(eiwitbier) noemt.
—Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die het mij heeft geleerd.
—Van waar was die man?
—Uit Stambul.
Aha! ’t moest mijn Beier zijn.
—En waar wilde hij heen?
—Naar zijn geboorteland.
—Maar van hier uit, langs welken weg?
—Naar de Tuna.
Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.
—Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,—zei ik.
—Hoe was het, Heer?
—Zeer..... warm!
—Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er een kruik van halen?
—Zeer zeker.
—Een groote kruik?
—Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.
Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met gejuich begroeten.
De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter inhield.Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn neus prikkelen.
—Waarin bewaart gij deze Arpa suju?—vroeg ik.
—In groote kruiken, die ik goed dicht maak.
—Waarom sluit gij ze?
—Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.
—Wie heeft u dat gewezen?
—De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef het gerust!
—Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.
Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.
—Later, nu nog niet!—antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen hier?
—Allen.
—Ook den slager Tschurak?
—Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist overal heen.
Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.
—In wat omstandigheden bevindt zich die man?
—In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.
—Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?
—Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een eerlijk man leeren kennen.
—Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.
—Is het nog al van belang?
—Ja.
—Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult bij hem uw intrek nemen?
—Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de omgeving is mij als zeer mooi beschreven.
—Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen, die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt, het is overal even heerlijk om er te wandelen.
—Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de Derekulibe zijn.
Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.
—Naar de Derekulibe?—vroeg hij. Die ken ik nog in ’t geheel niet.
—Het is dus geen algemeen bekende plek?
—Ik heb er nog nooit van gehoord.
—Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam draagt.
—Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.
—Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats gegeven.
—Dat moet dan wel zoo zijn.
—Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?
—Woont daar iemand?
—Dat weet ik niet.
—Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt, zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.
Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld was. Daarom vroeg ik verder:
—Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?
—Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en andere dingen.
—En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?
—Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in ’t geheel niet gebruikt, ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.
—Is dat gebouw gesloten?
—Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is, in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt gij zoo bijzonder naar die hut?
—Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar toe een zeer romantische was.
—Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte ontspringt. Mooi kan men het daar in ’t geheel niet noemen.
Toen maakte Halef de opmerking:
—Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij gingen er ons misschien door zou brengen.
—Meent gij Karaorman?
—Ja, dat was de naam.
—Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.
—Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht een schrijffout.
—Misschien.—Zijt gij in Karaorman bekend?—vroeg ik onzen waard.
—Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze weg naar Istib gaat er doorheen.
—En is daar een groote Khan?1
—Neen, er is in ’t geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib, dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten, dan in dat dorp te vertoeven.
—Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan moet heeten.
—Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het tevergeefs.
—Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy met het oppergezag bekleed?
—Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.
—Gij spreekt hier dus recht en vonnist?
—Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere Overheid meer steun vinden dan wij.
—Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.
—Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en—die heb ik. Ik ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken geleden had het mij bijna het leven gekost.
—Hoe zoo?
—Hebt gij wel eens van de twee Aladschy’s gehoord?
—Zeker.
—Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens, de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt lood en kruit van mij.
—Van u, den Kiaja? Dat is sterk!
—Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.
—De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen, die u moesten helpen.
—O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de wraak der Aladschy’s. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder, en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben, als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu met z’n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.
—Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!
—Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met hem beginnen?
—Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van uw Vilajet is.
—Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik hem op kunnen sluiten?
—In de dorpsgevangenis.
—Maar die hebben wij hier niet.
—Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor dienen kan.
—Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen, had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?
—Gebonden op een wagen.
—Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.
—En wat deedt gij toen?
—Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.
—En hebt gij hem nog weer ontmoet?
—Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.
—Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog wel zien.
—Wat? Vandaag nog?
—Ik weet dat de beide Aladschy’s heden of op zijn laatst morgen naar Sbiganzy zullen komen.
—Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet gij dat?
Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.
—En gij zijt er levend afgekomen!—riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat is een wonder, een mirakel!
—Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen voor u zitten.
—Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?
—Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen, dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich te wreken.
—O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!
—Wilt gij me daar een verwijt van maken?
—O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het kan mij misschien zelf het leven kosten.
—Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn, want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.
—Wie kan dat zijn?
—De slager Tschurak.
—Heer, dat is niet mogelijk!
—Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.
Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een diepe buiging terug en zei:
—Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel, en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.
—Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?
—Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.
—Ik zoek hem.
—Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als geheim-agent in deze streek?
—Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.
—Maar gij vindt hem nooit uit.
—Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde van hem.
—Dat kan niet waar zijn, Heer!
—Toch is het zoo!
—Hier wonen alleen eerlijke menschen.
—Waarschijnlijk vergist gij u.
—Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?
—Wel, niemand anders dan Tschurak.
—Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!
—Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.
—Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.
—Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.
—Geef me bewijzen, Effendi!
—Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem heb gesproken.
—Ik zal zwijgen.
—Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?
—Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen kunnen doen.
—Gelooft gij dat?
—Neen, want ik ben geen Moslem.
—Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een onderaanvoerder van den Shoet te zijn.
—Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.
—O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy’s, die zijn makkers zijn, op weg naar hier.
—Dan behoede ons God!
—Zij willen den slager Tschurak bezoeken.
—Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?
—Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets in den weg legt.
—Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.
—Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.
—Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis, hij kwam eerst een uur geleden thuis.
—Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?
—Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?
—Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken; wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.
Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.
Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waardDeselim afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek niet meer droeg.
Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen, dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek, een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten, waar de schachten de broekspijpen omsloten.
Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.
Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:
—Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?
—Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.
—Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.
—Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms daarom zoo’n haast, omdat gij gasten hebt?
—Ik heb geen gasten.
—En gij verwacht er ook geen?
—Neen,—antwoordde hij kortaf.
—Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo beleefd zijt tot mij te komen.
Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon tochniets ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van een arglistig mensch of van een geheimen heler.
—Kent gij dit?—vroeg ik, op de Koptscha wijzende.
—Neen,—antwoordde hij.
Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik, toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.
—Bezie dit teeken eens nauwkeurig!
Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:
—Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?
—Ja,—zeide ik kortaf.
—Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,—luidde zijn wederwoord.
—Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.
—Van wien?—vroeg hij koel.
—Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.
Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking, en werd zijn gezicht minder ernstig.
—Kent gij ze allebei?—vroeg hij nu.
—Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.
—Natuurlijk? Hoezoo?
—Omdat wij broeders zijn.
—Van waar komt gij?
—Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord zult hebben.
—Tot wien heeft hij u gezonden?
—Tot den Shoet.
—Zult gij dien kunnen vinden?
—Dat geloof ik wel.
—Hm! Dat is niet gemakkelijk.
—Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.
—Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?
—Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.
—Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha,die gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.
—Welke?—vroeg ik bedaard.
—Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u daarmede legitimeeren.
—Bedoelt gij de woorden?
—Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij den Shoet?
—In Derekulibe.
—Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?
Ik had helaas geen aanleiding om te vermoeden, welk woord het zou zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. ’Bir Syrdasch’—een vertrouwde—had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:
—Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir syrdasch—een vertrouwde.
Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op een bijna hartelijken toon:
—Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten en mijn gast zijn?
—Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.
—Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?
—Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.
—Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?
Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en neer. Eindelijk vroeg hij:
—Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?
—Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.
Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.
—En wat verlangt gij van mij?
—Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.
—Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?
—Ik wil het hopen.
—Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal, wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt gij zoo lang geduld?
—Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.
Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.
—Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:
—Wie zijn die mannen?
—Mijn vrienden en mijn metgezel.
—Komen zij voor dezelfde zaak?
Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:
—Willen ook zij den Shoet zien?
—Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen met hem spreek.
Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:
—Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat zij met u hier gekomen zijn.
—Ook dat is mij goed.
—Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat hebt gij aan uw beenen?
—Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.
—Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?
—Te paard.
—Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk door het struikhout komen.
—Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij te komen?
—Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed het niet.
—Dat wil ik best gelooven!
—Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!
—Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?
—Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.
—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het niet volhouden.
—Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder te veel van haar voeten te moeten vergen.
—Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen bestellen?
—Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen mannen moeten uw dragen.
—Goed; laten zij den draagstoel dan halen.
—Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.
—Waarom?
—Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.
—Ook daartoe ben ik bereid,—zeide ik.
—Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter dat men ons niet samen ziet.
Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en riep den waard, wien hij zeide:
—Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag het hem zelf.
De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een oogenblik later weer verliet.
—Heer, ik begrijp u niet,—begon nu de waard, die was blijven staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slechtmensch, en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik dan doen wat hij zegt?
—Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord “Allah†zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij zoo’n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.
—Dan zal hij boos worden.
—Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt gij een stal, die afgesloten kan worden?
—Ja, Heer.
—Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken; ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden af. Begrepen?
—Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder aangenaam is.
—Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij zoudt ons de schade moeten vergoeden.
—In ’s hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.
—Doe dat, en breng ons nu iets te eten.
Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.
De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan en wachtte ons op.
Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:
—Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!
—De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.
—Maar hier hebt gij ze niet noodig!
—Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.
—Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.
—Ik geef mijn wapens niet af,—zei ik met beslistheid,—en als de Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig vallen.
Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten vloek hooren en zeide:
—Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen, en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.
—Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!
—Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.
Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.
Het beviel mij in ’t geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En er uit springen kon ik in ’t geheel niet van wege mijn voet. Een schot van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.
Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwenniet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en hield mijn revolver gereed.
Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.
—Hier zijn wij er,—zeide de slager, toen de beide dragers den stoel neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!
Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen, een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.
Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De deur scheen slechts aan te staan.
—Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,—antwoordde ik.
Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten, voorwereldlijke banken aangebracht waren.
Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken worden, die nu er bij, op den grond lag.
Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.
Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk tal van personen verborgen zijn.
De slager kwam bij ons terug en zeide:
—Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.
—Dat doen wij niet.
—Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.
—O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat wij dat niet gewoon zijn.
—Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem zal staan.
—Werkelijk niet?
—Neen, nooit!
—En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen in uw gordel!
Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:
—Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.
—Dan geven wij het op,—zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.
Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:
—Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen, of de Shoet toegeven kan.
Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel, maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur kijken en fluisterde mij in:
—Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt gezicht!
—Zijn er deuren daarbinnen?
—Geen enkele.
Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint, maar spelde geen gevaar.
De Shoet begon:
—Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?
Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?
Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze gedachte bracht.
—Zijt gij de Shoet?—vroeg ik.
—Ja,—antwoordde hij langzaam.
—Dan heb ik u groeten over te brengen.
—Van wien?
—Allereerst van den Usta in Stambul.
—Maar die leeft niet meer!
—Wat zegt gij?
—Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata afgeworpen.
—Scheitan!—ontviel Omar, die er hem afgegooid had.
Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen als wij.
—Weet gij het nog niet?—vroeg hij.
—Ik weet het,—antwoordde ik.
—En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?
—Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood kan opgedragen hebben?
—Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere groeten te brengen?
—Ja, van Deselim uit Ismilan.
—Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van den Usta. Verder!
—Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide Aladschy’s.
—Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet meer te doen.
—Ah! Zijn zij hier?
—Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?
—Ja, de Shoet.
—Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen, nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik ben....
Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden, dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.
De lantaarn was uit.
—Ik ben.... de oude Mubarek zelf,—klonk het boven ons. Gij blijft hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve te verslinden!
Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.
Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.
—Allah!—riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!
—Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!—zeide Osko.
—Ja,—viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.
—Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,—stemde ik toe. Maar hoor eens!
Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten, om den hongerdood te sterven.
—Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!—verzekerde Halef.
—Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met mijn zweep!
—Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.
—Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?
—Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door de deur of boven uit.
—Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje, waarin olie is, met phosphor?—vroeg Halef.
—Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.
Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet, dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet, omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder helderen glans.
Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.
Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het, eerst een anderen uitgang te zoeken.
En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen, konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar klom op Osko’s schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons hadden gevangen!
Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken, geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur open te krijgen, dan—en dit hadden wij moeten bedenken—dan zouden wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelfnog een schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen, maar het werk vorderde niet. Osko’s mes brak, en ik gaf hem mijn deugdelijk Amerikaansch bowiemes.
Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput hadden, en—ook Omar’s mes brak.
—Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.—Wij zullen onze krachten nog wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken, als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.
—Maar hij weet niet waarheen!—viel Halef in.
—Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.
—Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy’s. Als hij die hier ziet, loopt hij weg.
—Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!
—Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt achterlaten.
—Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de bewaking ook wel opgeven.
Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.
—Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader onderzoeken,—zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet hadden gesloten.
—Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond, ging het nog niet,—bracht Osko tegen mijn voorstel in.
—Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar’s schouders gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg, om ze allebei te houden.
Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar’s schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd, stapte nu op Osko’s rug en hield zich aan de rotswanden in evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:
—Sihdi, ik voel de zoldering!
—Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!
Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.
—Zij bestaat uit sterke boomstammen,—fluisterde hij. Het valluik is van planken gemaakt.
—Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens tegen, om uit den klank te weten,’ hoe dik dat luik is.
—Maar dan hoort men mij!
—Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde; maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht wordt, gehouden.
Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en uitroepen:
—Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!
Buiten bij de deur klonk de vraag:
—Zit de grendel er goed op?
—Natuurlijk!
—Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars schouders geklommen zijn.
—Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin hebben om het luik open te doen.
—In geen geval!
—Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.
—Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!
—Hebt gij het gehoord, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij ons met hun kolven laten doodslaan?
—Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.
—En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?
—Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.
Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug af en daarna sprong Halef van Omar’s schouders.
—Rust nu eerst wat uit,—zeide ik,—want een inspanning is het toch altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten blijven staan, dan hij.
Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.
—Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,—waarschuwde ik.—Met mijn verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.
—Weest maar niet bang, Heer,—antwoordde Osko. Ik zal staan, als een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.
Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.
Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op mijn getik volgde ook nu een beantwoording:
—Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee moeten optillen, als zij het luik al openbraken.
Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid, die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.
Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna hoorde ik de woorden:
—Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de val.—Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.
—Hoort gij wel?—vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat zult aanleggen.
—Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.
—Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?
—Den berendooder.
Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer aan Osko, die het Omar toereikte.
—Let nu goed op,—Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik zeg ’een’ en ’twee’. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij ’een’ schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb, dus bij twee, den linker. Begrepen?
—Ja, Heer!
Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden van het luik, waar de slager moest zitten.
—Nu!—Eén!
Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.
—Allah! Zij schieten!
Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de basten had te doorboren.
—Twee!
Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna als een kanonschot.
—O Allah, Allah!—kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!
De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord, maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.
—Osko, worden wij u te zwaar?—vroeg ik.
—Zoo langzamerhand, ja.
—Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.
Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide Halef:
—Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan.Hebt gij raak geschoten?
—Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De andere is maar alleen gewond.
—Wie kan dat zijn?
—Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.
—Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de zoldering zal wagen?
—Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het hem het leven kan kosten.
—Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!
—Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze er uit.
—Ah, als u dat gelukte!
—Dat gelukt zeker.
—Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!
—Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?
—Wij klimmen op de schouders van Omar.
—En hoe komen Osko en Omar er uit?
—Wel, wij trekken ze omhoog er uit.
—Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.