Tiende hoofdstuk.De Miridiet.Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben kunnen storen.De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de waarschuwing:—Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen, en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is op u gemunt.—Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.—Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!—Hoe ziet zijn paard er uit?—Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in den heelen omtrek niet. Als het ’s mans bedoeling is, u tevervolgen, dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.—Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!—Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.—Wat zou mij doen schrikken?—Dat zult gij wel zien en hooren ook.Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag, alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond, met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan, en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met zijn instrument, een teeken en—alles was stil.—Effendi,—zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek, in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar uit naar Jerzely moesten rijden.Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik tot Halef:—Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug, maar ik kom u spoedig achterop.Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om hem te vertrouwen.De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles, had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende, mismaakte zijn gezicht,Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska, tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het plateau van Jersely dragen.Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook van mij af, steeds in het oog hield.Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes, als met eilandjes, begroeid was.Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen, maar dat was duidelijk genoeg.Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs de steenachtige helling gegaan.Op eens—ik trok mijn hengst terstond achterwaarts—hoorde ik dicht voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een struik vastgebonden. Er zat niemand op.Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging ook niet, omdat ik niet loopen kon.Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:—zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen, indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand, om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan, nam ik een speld uit mijn vest—waarin ik er altijd eenige heb—en stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik paardengetrappel en naderende stemmen.—Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,—hoorde ik zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.—Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,—hoorde ik zeggen door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een eind aan maken.—Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.—Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn geweer met gehakt lood geladen.—Neem u in acht. Hij is kogelvrij.—Gehakt lood is wat anders dan kogels.—Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder om moeten denken.—Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!—Oho!—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel, zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde, volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.—Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling, namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg, bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.—Ik wel, hij is kogelvrij.—Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet, dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste; en die Frank heeft nog nooit zoo’n wapen in zijn handen gehad. Ik wil hem niet van achteren overvallen.—Waag niet te veel.—Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!—Maar zijn makkers!—Om die geef ik niets!—Die vliegen terstond op u aan.—Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik terstond verdwijn.—Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?—Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!—Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.—Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond betaald kunnen zetten.—Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dushet recht op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden, en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar Uskub gaan.—Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?—Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn er dus eerder dan zij.—Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy’s op hun sjekken, den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm in een hangband.Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan hield hij zijn adem als het ware in.Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in het geheel niet aandeed.Ik kende den omtrek in ’t geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch, in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al spoedig had ik hen dan ook ingehaald.—Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,—zeide Halef. Wat hadt u vergeten?Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.—Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.—Wat gaat ons die Miridiet aan?—Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of met zijn heidukkenbijl treffen.—Weet u dat?—Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen laten doodhongeren.Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:—Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke goddelooze menschen?—Zooals gij hoort.—O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?—Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen en Prisrendi.—Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch toch bang en angstig maken.—Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.—Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik nog voorbij Uskub ook uw gids.—Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel rondgezworven hebt.—Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.—Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren spreken, dien men den ’Shoet’ noemde. Wie is dat toch?—vroeg ik zoo onverschillig mogelijk.De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:—Hij is een berucht roover.—Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter iederen boom kan er een staan.—Is zijn aanhang dan zoo groot?—Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien lid van zijn bende.—Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?—Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn, dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.—Dat is, helaas, maar al te waar!—Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan, waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal, een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.—Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?—Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben ooren, en de wind voert alles mee.—Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.—Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?—Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar spoedig een eind aan.—Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen list is macht niet bestand.—Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.—Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou er dan gebeuren?Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?—Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij inschieten,—antwoordde ik,—maar anderen kwamen hem vervangen.—Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste is dat men in ’t geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen, mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen koopen voor mijn genezing.—Is die wonderman beroemd?—Wijd en zijd.—Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?—Zeker, iedereen kent het.—Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.—Een Khan...,hoenoemde men die?—Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje ’Kara’ was er bij.Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:—Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.—Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.—Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...—Halef gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?—Karanorman?—antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed begreep.—Ja, juist, dat was ’ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:—Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan, een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor de grenswacht, en nu is ’t een bouwval, meer niet. Wat heeft men ervan gezegd?—Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige gezicht van daareven en antwoordde:—Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.—Inderdaad?—Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over den Shoet spreekt.—Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet tegen zich in te nemen.—Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?—Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?—Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.—Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.—Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politiemanhouden, en wel voor zoo’n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.—Dat ben ik toch niet.—Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.—Waarom niet?—Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.—Dat wacht ik bedaard af.—Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.—Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.—Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.Deze laatste woorden werden op bevelenden toon gezegd. Zijn stem trilde en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die zich Afrit—dat is: reus—noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij wel die Suef, die mij ’leveren’ moest.Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem ’Suef’ noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:—Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy’s en die anderen mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.—Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.—Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik omver, al was ’t de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte hij zich en zeide op waarschuwenden toon:—Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover hem, zelfs demilitairemacht moet onderdoen voor de zijne. En gij, die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?—Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.—Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.—Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.—En gij wilt beslist met hem vechten?—Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet, een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....—Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?—Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief, en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is er geen Shoet meer.Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:—Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend Shoeten hadt te vreezen.—Dat is ook zoo,—antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een enkele handbeweging in het stof bijten.Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij knipoogde vroolijk en zei:—Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwdeik u. Maar gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.—Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.—Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.—Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den Shoet bekend waart.—Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met zich spelen laat.—Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te schertsen.—Heer, wie heeft u dat verraden?—vloog hem uit den mond.Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken, want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit hem halen.—Dat heeft hij me zelf gezegd,—antwoordde ik.Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!—Dat was zeer onvoorzichtig van hem,—zei hij op goedmoedigen toon. En zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:—Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de Shoet is?Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.—Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,—zeide ik.—Hoe hebt gij hem dat ontlokt?—Door een list.—Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet, gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mijdat er ook slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.—Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt lood doodschieten of met zijn bijl treffen.—Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna te rijden?—Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!—Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!—Neen, hij.—Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!—En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen, verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht of ik in de zijne?—Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.—Ik geloof er niets van.—O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt, zijt ge een lijk.—En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij verloren!—Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid is!—riep hij toornig uit.—Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!—En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met een heidukken-bijl geworpen?—Neen.—Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen, dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.—Dat is onmogelijk!—Waarom?—Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.—Ik herhaal, zeide hij,—gij zijt niet te helpen. Naar wat onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen te spreken.—Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij zich ook nog zooveel moeite.—Kunt gij dan werkelijk tooveren?—Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet, hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt, laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.—Zooals gij wilt, Sihdi,—antwoordde de kleine, zonder meer.De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor, dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.—Wat zoekt u?—vroeg de zoogenaamde kleermaker.—Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.—Waaruit wilt gij dat opmaken?—Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al, dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij hier langs gekomen.—Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.—Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodater niet aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit, en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids afgesproken teekens gaf.Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting die de verrader ons te voeren had.Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij zoo’n omgebogen takje waren en zeide:—Halef, ziet ge dat takje?—Ja, Heer.—Wie kan dat omgebroken hebben?—Het een of ander wild.—Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de sporen van moeten zien.—Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer te zien is.—In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht, dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.—Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom stelt gij zooveel belang in dien tak?—Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.—Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zagmij aan met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.—Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze gids Afrit scherpzinniger dan gij,—zeide ik.De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:—Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen vertellen?—Heel wat.—Zeker, zoo’n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken en verdorren.—Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.—Hoezoo? Ik begrijp u niet.—Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken heeft.—Waarom?—Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes gezien, die omgebroken waren?—Neen, Heer.—Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.—Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.—Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen, maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een bepaalde bedoeling geschied zijn.—Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.—Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.—Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.—Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.—Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook, om wat reden hij ze zal gebroken hebben.—Kent gij misschien een man, die Suef heet.Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik gedacht dat ik mij vergiste.—Suef?—antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen, maar den man zelf ken ik niet.—Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook den man kennen, dien ik bedoel.—Ik ken hem niet. Wat voor man is het?—Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet mij op zijn gemak kon doodschieten.—Maar Heer, hoe komt dat in u op?Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.—Wat ik zeg, weet ik,—ging ik voort. Gisteren is er afgesproken, dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou laten loopen.—Heer, gij schijnt alwetend te zijn!—Opmerkzaam ben ik, meer niet.—Maar hoe weet gij dat dan?—Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken kunnen zien.—Is die Suef bij u geweest?—Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde aan te komen.—Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?—Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.—De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij ons is?—Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweestons onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien, dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter ons aan.Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over, om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.—Maar ik meen toch, dat gij u vergist,—begon hij weer. Uw redeneering klopt niet.—Hoezoo?—Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere teekens noodig.—Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien, en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.—Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.—Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige verrader, en ook de Miridiet hebben zoo’n takkenaanwijzing noodzakelijk geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.—Er steekt dus nog meer in?—Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting Suef ons leiden moest.—Komt dat niet op hetzelfde neer?—Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.—Allah, Allah!Wat een hoofd hebt gij?Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn zwak getast en antwoordde:—Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding zie ik hem komen, onder leiding van denverrader Suef. Als de eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?—O ja?—Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg vinden. Laten we nu verder rijden.Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:—Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.—En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen uit elkaar gaan,wordik overvallen. En zooals ik u bewezen heb, dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet een zeer ongevaarlijk persoon.Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds vlak langs die struiken was gegaan.Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.—Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,—zeide ik. De Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook niet uw meening?—Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn verstand te boven.—Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.—Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch dat gij u vergist.—Ik vergis me niet.—Wat wilt gij nu doen?—Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.—Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij niet hier is.—In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben, om hem op te wachten.—Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.—Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen, en dan krijgt hij zijn loon.—Dat begrijp ik, Heer.—Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?—Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.—Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.—Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.—Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik hebben wij voor ons zelf te zorgen.—Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,—zeide Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.—Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschenhemen ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar zien, schiet hem dan terstond voor den grond.—U kunt er op rekenen, Sihdi.—En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan weet ge wat gij te doen hebt.—Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik, is hij er geweest ook.De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:—Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!—Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand vanonze vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers, anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.—En gij rijdt niet met ons mee?—Ik blijf een poosje achter.—Waarom?—Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen langzaam aan het spoor volgende.Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet willende, week ik naar links af en volgde een weg dieparallelmet het spoor liep.De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte, hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking, rond te zien.Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen, hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo’n sein, bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te laten hooren.Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon het woord “el hassil”—eindelijk!—uitsprak. Terstond ook hoorde ik hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond, en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien, waarachter ik was.Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in de stijgbeugels en keek naar ons rond.Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken, ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem, zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt, die echter minder goed was.Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen, als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid, waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men het pareerende geweer metbeide handen vasthouden, omdat de kracht waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den door hem aangegeven weg niet was gegaan.Had ik Halef niet meer rechts laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht te pas kwam.Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor, dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom te kijken.De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar, en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij achter zich te hooren.Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij miktezelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van toornendeteleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.—Wel, man, wat wilt gij van ons?—vroeg hij. Gij trekt een gezicht alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!—Hondegebroed!—siste de Miridiet.—Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel, kijk dan eens achter u.Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.—Zoekt gij mij?—vroeg ik.Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:—Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.—Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man, voor in de borst.—Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.—Dat wil ik zien! Vaar ter helle!Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.—Ziet ge wel?—zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij in mijn macht!Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:—Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven, wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.
Tiende hoofdstuk.De Miridiet.Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben kunnen storen.De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de waarschuwing:—Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen, en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is op u gemunt.—Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.—Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!—Hoe ziet zijn paard er uit?—Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in den heelen omtrek niet. Als het ’s mans bedoeling is, u tevervolgen, dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.—Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!—Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.—Wat zou mij doen schrikken?—Dat zult gij wel zien en hooren ook.Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag, alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond, met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan, en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met zijn instrument, een teeken en—alles was stil.—Effendi,—zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek, in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar uit naar Jerzely moesten rijden.Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik tot Halef:—Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug, maar ik kom u spoedig achterop.Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om hem te vertrouwen.De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles, had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende, mismaakte zijn gezicht,Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska, tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het plateau van Jersely dragen.Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook van mij af, steeds in het oog hield.Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes, als met eilandjes, begroeid was.Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen, maar dat was duidelijk genoeg.Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs de steenachtige helling gegaan.Op eens—ik trok mijn hengst terstond achterwaarts—hoorde ik dicht voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een struik vastgebonden. Er zat niemand op.Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging ook niet, omdat ik niet loopen kon.Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:—zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen, indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand, om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan, nam ik een speld uit mijn vest—waarin ik er altijd eenige heb—en stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik paardengetrappel en naderende stemmen.—Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,—hoorde ik zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.—Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,—hoorde ik zeggen door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een eind aan maken.—Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.—Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn geweer met gehakt lood geladen.—Neem u in acht. Hij is kogelvrij.—Gehakt lood is wat anders dan kogels.—Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder om moeten denken.—Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!—Oho!—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel, zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde, volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.—Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling, namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg, bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.—Ik wel, hij is kogelvrij.—Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet, dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste; en die Frank heeft nog nooit zoo’n wapen in zijn handen gehad. Ik wil hem niet van achteren overvallen.—Waag niet te veel.—Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!—Maar zijn makkers!—Om die geef ik niets!—Die vliegen terstond op u aan.—Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik terstond verdwijn.—Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?—Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!—Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.—Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond betaald kunnen zetten.—Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dushet recht op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden, en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar Uskub gaan.—Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?—Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn er dus eerder dan zij.—Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy’s op hun sjekken, den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm in een hangband.Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan hield hij zijn adem als het ware in.Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in het geheel niet aandeed.Ik kende den omtrek in ’t geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch, in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al spoedig had ik hen dan ook ingehaald.—Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,—zeide Halef. Wat hadt u vergeten?Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.—Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.—Wat gaat ons die Miridiet aan?—Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of met zijn heidukkenbijl treffen.—Weet u dat?—Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen laten doodhongeren.Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:—Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke goddelooze menschen?—Zooals gij hoort.—O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?—Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen en Prisrendi.—Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch toch bang en angstig maken.—Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.—Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik nog voorbij Uskub ook uw gids.—Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel rondgezworven hebt.—Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.—Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren spreken, dien men den ’Shoet’ noemde. Wie is dat toch?—vroeg ik zoo onverschillig mogelijk.De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:—Hij is een berucht roover.—Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter iederen boom kan er een staan.—Is zijn aanhang dan zoo groot?—Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien lid van zijn bende.—Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?—Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn, dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.—Dat is, helaas, maar al te waar!—Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan, waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal, een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.—Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?—Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben ooren, en de wind voert alles mee.—Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.—Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?—Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar spoedig een eind aan.—Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen list is macht niet bestand.—Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.—Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou er dan gebeuren?Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?—Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij inschieten,—antwoordde ik,—maar anderen kwamen hem vervangen.—Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste is dat men in ’t geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen, mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen koopen voor mijn genezing.—Is die wonderman beroemd?—Wijd en zijd.—Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?—Zeker, iedereen kent het.—Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.—Een Khan...,hoenoemde men die?—Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje ’Kara’ was er bij.Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:—Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.—Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.—Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...—Halef gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?—Karanorman?—antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed begreep.—Ja, juist, dat was ’ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:—Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan, een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor de grenswacht, en nu is ’t een bouwval, meer niet. Wat heeft men ervan gezegd?—Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige gezicht van daareven en antwoordde:—Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.—Inderdaad?—Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over den Shoet spreekt.—Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet tegen zich in te nemen.—Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?—Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?—Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.—Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.—Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politiemanhouden, en wel voor zoo’n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.—Dat ben ik toch niet.—Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.—Waarom niet?—Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.—Dat wacht ik bedaard af.—Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.—Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.—Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.Deze laatste woorden werden op bevelenden toon gezegd. Zijn stem trilde en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die zich Afrit—dat is: reus—noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij wel die Suef, die mij ’leveren’ moest.Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem ’Suef’ noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:—Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy’s en die anderen mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.—Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.—Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik omver, al was ’t de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte hij zich en zeide op waarschuwenden toon:—Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover hem, zelfs demilitairemacht moet onderdoen voor de zijne. En gij, die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?—Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.—Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.—Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.—En gij wilt beslist met hem vechten?—Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet, een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....—Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?—Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief, en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is er geen Shoet meer.Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:—Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend Shoeten hadt te vreezen.—Dat is ook zoo,—antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een enkele handbeweging in het stof bijten.Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij knipoogde vroolijk en zei:—Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwdeik u. Maar gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.—Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.—Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.—Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den Shoet bekend waart.—Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met zich spelen laat.—Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te schertsen.—Heer, wie heeft u dat verraden?—vloog hem uit den mond.Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken, want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit hem halen.—Dat heeft hij me zelf gezegd,—antwoordde ik.Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!—Dat was zeer onvoorzichtig van hem,—zei hij op goedmoedigen toon. En zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:—Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de Shoet is?Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.—Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,—zeide ik.—Hoe hebt gij hem dat ontlokt?—Door een list.—Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet, gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mijdat er ook slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.—Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt lood doodschieten of met zijn bijl treffen.—Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna te rijden?—Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!—Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!—Neen, hij.—Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!—En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen, verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht of ik in de zijne?—Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.—Ik geloof er niets van.—O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt, zijt ge een lijk.—En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij verloren!—Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid is!—riep hij toornig uit.—Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!—En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met een heidukken-bijl geworpen?—Neen.—Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen, dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.—Dat is onmogelijk!—Waarom?—Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.—Ik herhaal, zeide hij,—gij zijt niet te helpen. Naar wat onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen te spreken.—Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij zich ook nog zooveel moeite.—Kunt gij dan werkelijk tooveren?—Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet, hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt, laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.—Zooals gij wilt, Sihdi,—antwoordde de kleine, zonder meer.De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor, dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.—Wat zoekt u?—vroeg de zoogenaamde kleermaker.—Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.—Waaruit wilt gij dat opmaken?—Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al, dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij hier langs gekomen.—Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.—Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodater niet aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit, en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids afgesproken teekens gaf.Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting die de verrader ons te voeren had.Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij zoo’n omgebogen takje waren en zeide:—Halef, ziet ge dat takje?—Ja, Heer.—Wie kan dat omgebroken hebben?—Het een of ander wild.—Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de sporen van moeten zien.—Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer te zien is.—In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht, dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.—Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom stelt gij zooveel belang in dien tak?—Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.—Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zagmij aan met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.—Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze gids Afrit scherpzinniger dan gij,—zeide ik.De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:—Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen vertellen?—Heel wat.—Zeker, zoo’n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken en verdorren.—Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.—Hoezoo? Ik begrijp u niet.—Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken heeft.—Waarom?—Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes gezien, die omgebroken waren?—Neen, Heer.—Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.—Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.—Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen, maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een bepaalde bedoeling geschied zijn.—Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.—Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.—Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.—Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.—Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook, om wat reden hij ze zal gebroken hebben.—Kent gij misschien een man, die Suef heet.Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik gedacht dat ik mij vergiste.—Suef?—antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen, maar den man zelf ken ik niet.—Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook den man kennen, dien ik bedoel.—Ik ken hem niet. Wat voor man is het?—Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet mij op zijn gemak kon doodschieten.—Maar Heer, hoe komt dat in u op?Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.—Wat ik zeg, weet ik,—ging ik voort. Gisteren is er afgesproken, dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou laten loopen.—Heer, gij schijnt alwetend te zijn!—Opmerkzaam ben ik, meer niet.—Maar hoe weet gij dat dan?—Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken kunnen zien.—Is die Suef bij u geweest?—Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde aan te komen.—Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?—Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.—De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij ons is?—Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweestons onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien, dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter ons aan.Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over, om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.—Maar ik meen toch, dat gij u vergist,—begon hij weer. Uw redeneering klopt niet.—Hoezoo?—Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere teekens noodig.—Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien, en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.—Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.—Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige verrader, en ook de Miridiet hebben zoo’n takkenaanwijzing noodzakelijk geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.—Er steekt dus nog meer in?—Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting Suef ons leiden moest.—Komt dat niet op hetzelfde neer?—Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.—Allah, Allah!Wat een hoofd hebt gij?Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn zwak getast en antwoordde:—Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding zie ik hem komen, onder leiding van denverrader Suef. Als de eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?—O ja?—Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg vinden. Laten we nu verder rijden.Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:—Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.—En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen uit elkaar gaan,wordik overvallen. En zooals ik u bewezen heb, dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet een zeer ongevaarlijk persoon.Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds vlak langs die struiken was gegaan.Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.—Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,—zeide ik. De Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook niet uw meening?—Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn verstand te boven.—Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.—Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch dat gij u vergist.—Ik vergis me niet.—Wat wilt gij nu doen?—Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.—Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij niet hier is.—In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben, om hem op te wachten.—Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.—Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen, en dan krijgt hij zijn loon.—Dat begrijp ik, Heer.—Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?—Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.—Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.—Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.—Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik hebben wij voor ons zelf te zorgen.—Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,—zeide Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.—Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschenhemen ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar zien, schiet hem dan terstond voor den grond.—U kunt er op rekenen, Sihdi.—En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan weet ge wat gij te doen hebt.—Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik, is hij er geweest ook.De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:—Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!—Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand vanonze vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers, anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.—En gij rijdt niet met ons mee?—Ik blijf een poosje achter.—Waarom?—Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen langzaam aan het spoor volgende.Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet willende, week ik naar links af en volgde een weg dieparallelmet het spoor liep.De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte, hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking, rond te zien.Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen, hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo’n sein, bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te laten hooren.Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon het woord “el hassil”—eindelijk!—uitsprak. Terstond ook hoorde ik hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond, en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien, waarachter ik was.Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in de stijgbeugels en keek naar ons rond.Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken, ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem, zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt, die echter minder goed was.Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen, als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid, waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men het pareerende geweer metbeide handen vasthouden, omdat de kracht waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den door hem aangegeven weg niet was gegaan.Had ik Halef niet meer rechts laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht te pas kwam.Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor, dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom te kijken.De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar, en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij achter zich te hooren.Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij miktezelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van toornendeteleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.—Wel, man, wat wilt gij van ons?—vroeg hij. Gij trekt een gezicht alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!—Hondegebroed!—siste de Miridiet.—Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel, kijk dan eens achter u.Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.—Zoekt gij mij?—vroeg ik.Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:—Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.—Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man, voor in de borst.—Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.—Dat wil ik zien! Vaar ter helle!Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.—Ziet ge wel?—zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij in mijn macht!Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:—Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven, wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.
Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben kunnen storen.
De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.
De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de waarschuwing:
—Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen, en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is op u gemunt.
—Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.
—Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!
—Hoe ziet zijn paard er uit?
—Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in den heelen omtrek niet. Als het ’s mans bedoeling is, u tevervolgen, dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.
—Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!
—Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.
—Wat zou mij doen schrikken?
—Dat zult gij wel zien en hooren ook.
Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag, alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.
Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.
En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond, met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan, en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met zijn instrument, een teeken en—alles was stil.
—Effendi,—zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.
En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek, in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar uit naar Jerzely moesten rijden.
Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik tot Halef:
—Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug, maar ik kom u spoedig achterop.
Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om hem te vertrouwen.
De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.
Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.
Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles, had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende, mismaakte zijn gezicht,
Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska, tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het plateau van Jersely dragen.
Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook van mij af, steeds in het oog hield.
Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes, als met eilandjes, begroeid was.
Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen, maar dat was duidelijk genoeg.
Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs de steenachtige helling gegaan.
Op eens—ik trok mijn hengst terstond achterwaarts—hoorde ik dicht voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een struik vastgebonden. Er zat niemand op.
Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.
Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging ook niet, omdat ik niet loopen kon.
Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:
—zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen, indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.
Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand, om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan, nam ik een speld uit mijn vest—waarin ik er altijd eenige heb—en stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.
Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik paardengetrappel en naderende stemmen.
—Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,—hoorde ik zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.
—Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,—hoorde ik zeggen door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een eind aan maken.
—Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.
—Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn geweer met gehakt lood geladen.
—Neem u in acht. Hij is kogelvrij.
—Gehakt lood is wat anders dan kogels.
—Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder om moeten denken.
—Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!
—Oho!—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel, zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde, volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.
—Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling, namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg, bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.
—Ik wel, hij is kogelvrij.
—Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet, dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste; en die Frank heeft nog nooit zoo’n wapen in zijn handen gehad. Ik wil hem niet van achteren overvallen.
—Waag niet te veel.
—Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!
—Maar zijn makkers!
—Om die geef ik niets!
—Die vliegen terstond op u aan.
—Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik terstond verdwijn.
—Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?
—Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!
—Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.
—Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond betaald kunnen zetten.
—Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dushet recht op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden, en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar Uskub gaan.
—Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?
—Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn er dus eerder dan zij.
—Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!
Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.
Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy’s op hun sjekken, den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm in een hangband.
Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan hield hij zijn adem als het ware in.
Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in het geheel niet aandeed.
Ik kende den omtrek in ’t geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch, in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al spoedig had ik hen dan ook ingehaald.
—Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,—zeide Halef. Wat hadt u vergeten?
Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.
—Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.
—Wat gaat ons die Miridiet aan?
—Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of met zijn heidukkenbijl treffen.
—Weet u dat?
—Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen laten doodhongeren.
Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:
—Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke goddelooze menschen?
—Zooals gij hoort.
—O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?
—Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen en Prisrendi.
—Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch toch bang en angstig maken.
—Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.
—Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik nog voorbij Uskub ook uw gids.
—Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel rondgezworven hebt.
—Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.
—Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren spreken, dien men den ’Shoet’ noemde. Wie is dat toch?—vroeg ik zoo onverschillig mogelijk.
De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:
—Hij is een berucht roover.—Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter iederen boom kan er een staan.
—Is zijn aanhang dan zoo groot?
—Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien lid van zijn bende.
—Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?
—Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn, dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.
—Dat is, helaas, maar al te waar!
—Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan, waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal, een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.
—Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?
—Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben ooren, en de wind voert alles mee.
—Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.
—Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?
—Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar spoedig een eind aan.
—Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen list is macht niet bestand.
—Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.
—Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou er dan gebeuren?
Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?
—Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij inschieten,—antwoordde ik,—maar anderen kwamen hem vervangen.
—Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste is dat men in ’t geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen, mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen koopen voor mijn genezing.
—Is die wonderman beroemd?
—Wijd en zijd.
—Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?
—Zeker, iedereen kent het.
—Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.
—Een Khan...,hoenoemde men die?
—Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje ’Kara’ was er bij.
Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:
—Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.
—Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.
—Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...—Halef gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?
—Karanorman?—antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed begreep.
—Ja, juist, dat was ’ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?
Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:
—Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan, een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor de grenswacht, en nu is ’t een bouwval, meer niet. Wat heeft men ervan gezegd?
—Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.
Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige gezicht van daareven en antwoordde:
—Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.
—Inderdaad?
—Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over den Shoet spreekt.
—Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet tegen zich in te nemen.
—Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?
—Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?
—Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.
—Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.
—Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politiemanhouden, en wel voor zoo’n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.
—Dat ben ik toch niet.
—Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.
—Waarom niet?
—Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.
—Dat wacht ik bedaard af.
—Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.
—Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.
—Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.
Deze laatste woorden werden op bevelenden toon gezegd. Zijn stem trilde en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die zich Afrit—dat is: reus—noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij wel die Suef, die mij ’leveren’ moest.
Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem ’Suef’ noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:
—Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy’s en die anderen mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.
—Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.
—Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik omver, al was ’t de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.
Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte hij zich en zeide op waarschuwenden toon:
—Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover hem, zelfs demilitairemacht moet onderdoen voor de zijne. En gij, die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?
—Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.
—Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.
—Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.
—En gij wilt beslist met hem vechten?
—Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet, een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....
—Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?
—Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief, en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is er geen Shoet meer.
Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:
—Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend Shoeten hadt te vreezen.
—Dat is ook zoo,—antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een enkele handbeweging in het stof bijten.
Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij knipoogde vroolijk en zei:
—Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwdeik u. Maar gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.
—Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.
—Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.
—Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den Shoet bekend waart.
—Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met zich spelen laat.
—Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te schertsen.
—Heer, wie heeft u dat verraden?—vloog hem uit den mond.
Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken, want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit hem halen.
—Dat heeft hij me zelf gezegd,—antwoordde ik.
Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!
—Dat was zeer onvoorzichtig van hem,—zei hij op goedmoedigen toon. En zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:
—Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de Shoet is?
Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.
—Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,—zeide ik.
—Hoe hebt gij hem dat ontlokt?
—Door een list.
—Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet, gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mijdat er ook slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.
—Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt lood doodschieten of met zijn bijl treffen.
—Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna te rijden?
—Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!
—Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!
—Neen, hij.
—Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!
—En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen, verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht of ik in de zijne?
—Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.
—Ik geloof er niets van.
—O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt, zijt ge een lijk.
—En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij verloren!
—Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid is!—riep hij toornig uit.
—Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!
—En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met een heidukken-bijl geworpen?
—Neen.
—Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen, dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.
—Dat is onmogelijk!
—Waarom?
—Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.
Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.
—Ik herhaal, zeide hij,—gij zijt niet te helpen. Naar wat onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen te spreken.
—Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij zich ook nog zooveel moeite.
—Kunt gij dan werkelijk tooveren?
—Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet, hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt, laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.
—Zooals gij wilt, Sihdi,—antwoordde de kleine, zonder meer.
De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.
Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor, dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.
—Wat zoekt u?—vroeg de zoogenaamde kleermaker.
—Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.
—Waaruit wilt gij dat opmaken?
—Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al, dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij hier langs gekomen.
—Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.
—Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodater niet aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.
Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit, en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.
Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids afgesproken teekens gaf.
Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting die de verrader ons te voeren had.
Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij zoo’n omgebogen takje waren en zeide:
—Halef, ziet ge dat takje?
—Ja, Heer.
—Wie kan dat omgebroken hebben?
—Het een of ander wild.
—Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de sporen van moeten zien.
—Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer te zien is.
—In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht, dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.
—Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom stelt gij zooveel belang in dien tak?
—Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.
—Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?
De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zagmij aan met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.
—Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze gids Afrit scherpzinniger dan gij,—zeide ik.
De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:
—Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen vertellen?
—Heel wat.
—Zeker, zoo’n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken en verdorren.
—Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.
—Hoezoo? Ik begrijp u niet.
—Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken heeft.
—Waarom?
—Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes gezien, die omgebroken waren?
—Neen, Heer.
—Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.
—Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.
—Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen, maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een bepaalde bedoeling geschied zijn.
—Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.
—Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.
—Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.
—Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.
—Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook, om wat reden hij ze zal gebroken hebben.
—Kent gij misschien een man, die Suef heet.
Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik gedacht dat ik mij vergiste.
—Suef?—antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen, maar den man zelf ken ik niet.
—Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook den man kennen, dien ik bedoel.
—Ik ken hem niet. Wat voor man is het?
—Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet mij op zijn gemak kon doodschieten.
—Maar Heer, hoe komt dat in u op?
Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.
—Wat ik zeg, weet ik,—ging ik voort. Gisteren is er afgesproken, dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou laten loopen.
—Heer, gij schijnt alwetend te zijn!
—Opmerkzaam ben ik, meer niet.
—Maar hoe weet gij dat dan?
—Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken kunnen zien.
—Is die Suef bij u geweest?
—Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde aan te komen.
—Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?
—Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.
—De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij ons is?
—Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweestons onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien, dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter ons aan.
Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over, om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.
—Maar ik meen toch, dat gij u vergist,—begon hij weer. Uw redeneering klopt niet.
—Hoezoo?
—Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere teekens noodig.
—Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien, en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.
—Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.
—Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige verrader, en ook de Miridiet hebben zoo’n takkenaanwijzing noodzakelijk geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.
—Er steekt dus nog meer in?
—Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting Suef ons leiden moest.
—Komt dat niet op hetzelfde neer?
—Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.
—Allah, Allah!Wat een hoofd hebt gij?
Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn zwak getast en antwoordde:
—Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding zie ik hem komen, onder leiding van denverrader Suef. Als de eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?
—O ja?
—Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg vinden. Laten we nu verder rijden.
Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:
—Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.
—En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen uit elkaar gaan,wordik overvallen. En zooals ik u bewezen heb, dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet een zeer ongevaarlijk persoon.
Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds vlak langs die struiken was gegaan.
Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.
—Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,—zeide ik. De Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook niet uw meening?
—Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn verstand te boven.
—Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.
—Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch dat gij u vergist.
—Ik vergis me niet.
—Wat wilt gij nu doen?
—Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.
—Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij niet hier is.
—In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben, om hem op te wachten.
—Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.
—Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen, en dan krijgt hij zijn loon.
—Dat begrijp ik, Heer.
—Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?
—Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.
—Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.
—Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.
—Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik hebben wij voor ons zelf te zorgen.
—Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,—zeide Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.
—Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschenhemen ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar zien, schiet hem dan terstond voor den grond.
—U kunt er op rekenen, Sihdi.
—En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan weet ge wat gij te doen hebt.
—Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik, is hij er geweest ook.
De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:
—Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!
—Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand vanonze vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers, anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.
—En gij rijdt niet met ons mee?
—Ik blijf een poosje achter.
—Waarom?
—Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!
Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.
Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen langzaam aan het spoor volgende.
Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet willende, week ik naar links af en volgde een weg dieparallelmet het spoor liep.
De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte, hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking, rond te zien.
Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen, hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo’n sein, bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te laten hooren.
Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon het woord “el hassil”—eindelijk!—uitsprak. Terstond ook hoorde ik hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond, en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien, waarachter ik was.
Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in de stijgbeugels en keek naar ons rond.
Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.
Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.
Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken, ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.
Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem, zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt, die echter minder goed was.
Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen, als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid, waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men het pareerende geweer metbeide handen vasthouden, omdat de kracht waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.
De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.
Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den door hem aangegeven weg niet was gegaan.Had ik Halef niet meer rechts laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht te pas kwam.
Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.
Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor, dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom te kijken.
De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar, en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij achter zich te hooren.
Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.
Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij miktezelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van toornendeteleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.
Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.
—Wel, man, wat wilt gij van ons?—vroeg hij. Gij trekt een gezicht alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!
—Hondegebroed!—siste de Miridiet.
—Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel, kijk dan eens achter u.
Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.
—Zoekt gij mij?—vroeg ik.
Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:
—Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?
Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.
—Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man, voor in de borst.
—Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.
—Dat wil ik zien! Vaar ter helle!
Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.
—Ziet ge wel?—zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij in mijn macht!
Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:
—Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!
Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven, wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.