Zevende hoofdstuk.

Zevende hoofdstuk.De twee Aladschy’s.Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich, zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:—Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.—Sihdi!—deelde hij mij mede.—Gij hadt gelijk, de kerel is weg!—Wanneer gegaan?—Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.—Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?—Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten zadelen!—Welke dieren had hij bij zich?—Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens, was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier gebonden was.—Reed hij langzaam?—Neen, het had er alles van of hij groote haast had.—Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen verlaat Ostromdscha tegen den middag?—En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan hebt gezegd?—Natuurlijk!—En ik rijd Rih?—Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in, maar neem uw gebedspantoffels mede.—Waarom, Sihdi?—Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet achterlaten.—Moet ik die soms aantrekken?—Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En dan ga ik afscheid nemen.Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, eenbehoorlijkpak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de man er den moed toe heeft gehad.Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed, maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede te deelen.Even buiten de stad stond Halef en naast hem—Nebatja.—Heer!—zeide zij,—ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waarniemand het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige oogen niet best zien.Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar steeg ik af en ging de struiken in.De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en baard strijken.—Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.—Dat zult gij gauw genoeg zien!—Zou uw haar er inderdaad door veranderen?—Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.—Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?—Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de “zalving” van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek, sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:—O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond te worden.—Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?—Op sommige plaatsen ten minste.—Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een kam om het vocht te verdeelen!Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.—Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!—zeide hij verlegen. Alleen de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, denbijbel). Zal ik deze ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle brug des doods moet gaan?—Zeker!—Maar ik twijfel er aan.—Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.—Dan hebt gij het aangenamer engemakkelijkerdan wij. Maar een zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt, behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe, een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.—Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.—En in mijn plaats branden in de hel?—Ja.—Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan dan gij.—Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?—Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij geen pijn doen!De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op, en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan zijn Serape draagt.—Müdschüzat allahi! Wonder Gods!—riep Halef uit.—Sihdi, gij zijt geheel en al veranderd!—Inderdaad?—Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien, dat gij het waart.—O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens noodig, want de Aladschy’s hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg hen te misleiden.—Maar de bode kent u!—Dien zal ik wel niet meer aantreffen!—Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.—Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen en dan verder gaan.—En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult klaarspelen?—Ja zeker!—Maar de Aladschy’s zijn berucht. Misschien was het beter als ik met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?—Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik aan uw zorgen toe.Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:—Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets—totaal niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt mij zeer veel toe, Sihdi!—Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben afgesproken?—Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.—Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!—Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man, een held, en weet wat ik te doen heb.Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en misschien noodlottige samenkomst tegemoet.Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy’s mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen, dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerstnaverloop van een uur kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in Allah’s hemel te slaan.Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:—Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?—Ik kom van Radowitsch!—En waar gaat gij heen?—Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen op mij rust.—Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen gekomen?—Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen nadenken over Allah’s zegeningen.—Hebt gij dus niemand gezien?—Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit Ostromdscha.—Kent gij dien man?—Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen deze beide plaatsen.—Hebt gij hem gesproken!—Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht, dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.—Hebt gij daar ook vertoefd?—Daar had ik geen tijd voor.—Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar Radowitsch gaat?—Wenscht gij hem te treffen?—Misschien.—Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg, maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in Radowitsch nog maar eens na te vragen.—Ik dank u. Allah zij met u!—En u opene hij zijn hemel!Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden de beide Aladschy’s zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval, en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld, dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder door hen te worden lastig gevallen.Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee gezadeld waren en—-wit en donkerbruin gevlekt.Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.Zouden dat de twee paarden der Aladschy’s zijn; en zouden die twee zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbijmoest.Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun argwaan werd opgewekt.Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven een paar pas voor mij staan.—Dür—halt!—begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt gij niet een glaasje Raki met ons drinken?Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?—Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.—Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.—Daar weet ik niets van!—Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u onderwijzen.—Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever zelf doen?—Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt dadelijk een plaats in den vijfden.—Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er inte helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als gij zijt!Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.—Uw eene been sleept achter u aan!—merkte de een op.—Hebt gij u bezeerd?—Neen! Het is mijn kismet!—antwoordde ik kortaf.—Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad, want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars ook uw heiligen naam zeggen?—Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.—Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.—Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar Chatid esch Schonahar!De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren, had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet al heel weinig bekommerden.—Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand kan onthouden?—vroeg de een verder.Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins verwijtend aan en antwoordde:—Dien niemand onthouden kan?!—Heb ik u dan zooeven mijn naam niet genoemd?—Zeker!—Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.Beiden begonnen weer te lachen.—Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naamniet meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.—Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek des levens!—Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen dat de Raki verboden is.—Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!—En dat staat in den Koran?—Wis en zeker!—Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf en openbaringen deed?—Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis iets te lezen!—En dus kan die ook niet verboden zijn!—O zeker wel! Het bewuste woord luidt:Kullu muskürüm haram!—alles wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki vervloekt.—Maar die maakt ons niet dronken!—Nu, dan is die u ook niet verboden!—En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!—Geniet dien dan met verstand en met mate!—Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?—Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!—En wat noemt gij weinig?—Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,—antwoordde ik naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.—Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit, waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het woord en vroeg al heel spoedig:—Dus, waar komt gij vandaan?—Eigenlijk van Avret Hissar.—En waar wilt gij heen?—Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en regels van den Koran.—In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!—Waarom?—vroeg ik in onnoozele verbazing.—Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.—Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.—Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen, maar iemand bekeeren, dat niet!—Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens opgeteekend.—Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.—Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.—Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die deugen niet.—Dat heb ik helaas ook gehoord!—Dat de Skipetaren niet deugen?—Ja!—Hoe zoo?—De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed voor hen wezen.—Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?—Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te ontmoeten,—antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te vermaken.—Maar zijt gij dan niet bang voor hen?—vroeg hij verder.—Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen doen, dat wat over mij beslist geworden is.—Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg eens door een dier roovers werd overvallen?—Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren had gegeven.—Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch reisgeld hebben?—Geld? Waarvoor?—Wel om te kunnen leven.—Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij te zijn?—Dus gij bedelt!—Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een nachtverblijf krijg ik overal.—Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?—In Ostromdscha!—O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien niet bemerkte.—Waarom? Hoort gij daar soms thuis?—Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een hevige brand heeft gewoed.—Hevig? Volstrekt niet.—De halve stad moet afgebrand zijn.—Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.—Waar dan?—Boven op den berg.—Maar daar staat toch geen huis?—Neen, wel een hut.—Misschien die van den ouden Mubarek?—Juist.—Kent men den brandstichter?—Dat is de Mubarek zelf geweest.—Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.—Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!—Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!—Wat hebt gij dan gehoord?—Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.—Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.—Weet gij dat zeker?—Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook bij den brand en overal.—Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat alles hebben veroorzaakt?—Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.—Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?—Met alle vier.—Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?—Op staanden voet!—Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons dan waarschuwen, wanneer zij komen?—Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.—Gij hebt toch den tijd?—Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.—Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.—Dat is mij veel te lang.—Wij zullen er u voor betalen.—Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij wel uitleggen.—Vijf piasters, totdat zij komen.—Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder meer kan rijden, omdat het donker is.—Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.—Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk uitbetalen.—Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!—Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak zou hebben.Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek, zeide hij:—Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels ons niet hadden getroffen.Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna deSkipetaarvroeg:—En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?—Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen den middag weer op weg te gaan.—Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen komen.—Waarom niet?—Omdat zij bang zullen zijn.—Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En voor wie zouden zij dan moeten vreezen?—Voor de Skipetaren.—Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.—Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij door de Skipetaren zal worden opgewacht.—Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren spreken.—Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?—De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier vreemdelingen onder weg te vermoorden!—Hoe wist men dat?—Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.—Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?—Neen, ik geloof niet dat men die weet.—En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?—Zij lachten!—Allah w’ Allah! Zij lachten!—stoof hij op.—Zij lachten om degenen door wie zij zouden worden overvallen.—Ja, over wie anders!—Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren, het lachen die heeren wel zal vergaan.—Dat geloof ik niet.—Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens zijn?—Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!—Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon maken. Hebt gij het goed gezien?—Zeer goed, want ik stond er vlak bij.—En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?—Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel werd geschoten, doorboorde die de plank.—Het is bijna niet te gelooven.—Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer en de kogels betast hebben.—Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.—Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel meer geheimen aan zijn verbonden.—Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat geheim te weten te komen.—Dat zal natuurlijk niemand verraden.—Nu misschien toch wel!—Dat geloof ik niet.—En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen komen.—En dat zijn?—De twee roovers, die op hen loeren!—Die natuurlijk het allerminst.—Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.—Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!—merkte ik op.—En dat is?—vroeg hij haastig.—Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.—Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand tegen mes en dolksteken?—Hm! dat weet ik niet.—Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen hengst rijdt?—Bij het worstelen geenszins!—Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.—Zoudt gij dat werkelijk doen?—vroeg ik.—Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en wee degeen die hen een haar durft krenken.—Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen, voor zij hier zijn.—O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!—Weet gij dat zoo precies?—vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk trachtte te kijken.—Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos verloren.Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun, dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.—Wie kreunt daar zoo?—vroeg ik.—Dat weten wij niet.—Is dit huis een logement?—Alleen een kleine herberg.—Waar is de waard?—Daar in de kamer!—Dan zal ik eens gaan kijken!—zeide ik, opstaande, en ging naar de deur.—Halt!—waar gaat ge heen? vroeg de een.—Naar binnen, naar den waard.—Ga dan naar het raam.Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar binnen en riep:—Konakdschy ... waard!—Hier!—antwoordde een mannelijke stem.—Wie kreunt daar binnen zoo?—Mijn dochtertje.—Waarom?—Zij heeft kiespijn.—Hoe oud is zij?—Twaalf jaar.—Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?—Neen daar ben ik te arm voor.—Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!De beide Aladschy’s hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die maar steeds doorkreunde.De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, en keek ons in ’t geheel niet aan.—Dus zijt gij de waard?—vroeg ik hem.—En waar is de waardin?—Dood,—antwoordde hij zonder op te kijken.—Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?—Ja, nog drie kleinere.—Waar zijn die?—Buiten aan de rivier.—Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij water laten!Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat hij zooveel deelname niet had verwacht.—Waarom haalt gij hen niet hierheen?—vroeg ik verder.—Ik kan niet.—Waarom niet?—Ik mag niet naar buiten!—Wie zal u dat beletten?Hij wierp een somberen blik op de Aladschy’s, en dadelijk bemerkte ik dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.—Kom eens hier!—zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.—Ik zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat mij den tand maar eens zien.Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er een eind komen aan het schreien.—Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met knikjes,—zeide ik.—Hebt gij nog pijn?Zij knikte toestemmend.—Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen en dan is de pijn weg.Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand, maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats zachtkens streelt.—En nu is de pijn weg?—vroeg ik na eenige oogenblikken.Wederom knikte ze toestemmend.—Heelemaal weg?—Ja, heelemaal!—antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk dankbaar aankijkende.—Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de pijn niet terug.Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte mijn hand en zei:—Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid; het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!—Neen, ’t is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel, dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.—Gij, Heer, gij?—vroeg hij.—Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!De beide Aladschy’s wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:—Neem u in acht, het zijn de Aladschy’s.—Wat was dat daar?—schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister had vernomen.—Wat hebt ge daar gezegd?—Ik? Niets!—antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.—Ik heb het toch gehoord!—Dan vergist ge u!—Hond, lieg niet of ik sla je dood!De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:—Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?—Wat gaat mij uw profeet aan!—Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:—Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te twijfelen of de Aladschy’s beschouwden mij zoo half en half als hungevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al kende ik hen in ’t geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen, daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op, klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy’s aan, dat zij een besluit hadden genomen.Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:—Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?—Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij immers niets gedaan!—Dus vriendschappelijk?—Ja.—Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het oog houden.—Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.—Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden overvallen?—Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!—Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij daartoe bereid?—Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.—Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen,zullen ze ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen, als ge te Skopia komt.—Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!—Stijg dan op!—Hebt ge den Raki betaald?—Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik hem zou weerzien.Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden, daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij een dicht bosch in.Er werd geen woord gesproken.De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier dan ook werkelijk halt.—Hier is ’t!—zeide de een.—Hier moeten we ons verbergen. Laten we links rijden in de richting van dat boschje!Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende, dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet onmiddellijk te doorzien.Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden; toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoopmoesthet dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.Intusschen hadden de Aladschy’s een geschikt plekje opgezocht, van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen dooden.Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens, en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad, het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid bezat in het werpen met den tomahawk.Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestondnatuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn, en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig te worden, het snoof en sloeg om zich heen.—Wat heeft uw paard?—vroegen ze mij.—O niets!—antwoordde ik kalm.—Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!—Hoezoo?—Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn wij verloren.Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden aangespoord.—O, dat zal nog wel erger worden!—zeide ik.—Waarom?—Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!—Breng hem dan weg!Ik stond op.—Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!—Waarom?—Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw tulband af!Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:—Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih1en deberoemde Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan2op mijn duimpje. Ik weet heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?—Laat ’t dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:—Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal gitir, ileri icki bin ademler tahminen—Rijdt een voor een voorbij, Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend pas ver.Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder oogenblik wordentegemoetgezien.Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed, toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij kwam zoeken.—Waar blijft ge zoo lang?—vroeg hij op barschen toon.—Hier bij het paard!—antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd aankeek.—Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!—Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!—Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te schikken!—Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?—Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt, waar wij zitten.—Als ik er zin in heb!—hernam ik, want in weerwil van mijn rol als Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.—Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!Ik trad op hem toe, en zeide:—Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff, dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.Dat had hij niet van mij verwacht.—Welk een brutaliteit!—riep hij uit.—Mensch, wat verbeeldt ge je wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht, dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!—Gij moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte, dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.—Wat is er gebeurd, Sandar?—Taury hakky—Bij God, dat begrijp ik niet!—antwoordde hij terwijl hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.—Heb jelui dan gevochten en waarom dat?—Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.—Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol vanScheriff, maar ’t was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst, trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig, hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij op en balde beide vuisten tegen mij.—Nog eens?—vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:—Mensch, gij zijt een reus!Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:—Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.Beiden barstten in lachen uit.—Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,—zeide Sandar.Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan en hernam:—Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij dien geleerd?—Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd worstelden wij wel.—Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt, ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten voorzichtig met je zijn.Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mijmaar voor mijn vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.—Luister, daar komt iemand,—zei Sandar, en greep naar zijn bijl. Misschien zijn zij het wel!—Neen,—antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk, daar komt hij den hoek om.Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam, het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts noch links.—Zullen wij?—vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.—Neen,—antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo wel zien.Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid over hun eigenlijk handwerk te spreken.Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het allerbeste was.Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:—Daar komt er weer een.—Alweer zoo’n kale jakhals!—Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?—Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.—Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,—merkte ik onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in de uitoefening van hun bedrijf te storen.—Domkop,—grijnsde Sandar mij aan.Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen mensch.Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken voorbij.Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komenen had ik hun beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam hij in ’t zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet—ik stond op.—Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.—Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?—Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!—Ge hebt mij niets te bevelen,—antwoordde ik barsch en deed alsof ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.—Blijf of ik geef je....Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons gekeken, doch werd nu Halef gewaar.—Stil, een vierde ruiter!—riep bij uit.Sandar keek naar den straatweg,—Júk gúrúltú—Duizend donders!—riep hij uit. Wat een prachtig paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!—Neen, de ruiter is te klein!—Maar het paard is eenvolbloedArabier. Echt onvervalscht ras. O Allah! Hij vliegt als de wind.Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit talloozemoeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld, of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.—Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!—riep Sander, terwijl bij naar zijn geweer greep.Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen,wie weet hoever, achter Halef terecht.—Hem achterna!—riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte dat het kostbare beest hem zou ontgaan.—Daar ginds houdt het bosch op, en kunnen wij beter mikken!Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was, hen te beletten weg te rijden.Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan hun teugels moesten blijven hangen.Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe: Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden niet in den steek laten.—Bindt ze dan weer vast!—riep Sandar terug.—Maar ze zijn weggeloopen!—Hel en duivel, waarheen dan?—Weet ik het, vraag het ze zelf!—O jou domkop!Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt, maar mij toch van het paard meester gemaakt.Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:—Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?—Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter gekeken!—Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!—Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien, ’t waren niet mijn, maar ’t waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet en behoef er niet op te passen!—Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt en viel daardoor op den grond.Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.Toen werd ik van achteren beetgepakt.—Schoft! daar zult ge voor boeten!—riep Sandar die intusschen naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om mezwaar te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst—ik had dien bij mijn val zeker bezeerd.De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer, door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gildeknarsetandend:—Zoo, steek je, dan zal ik schieten!Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus, die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen, zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen, en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden zucht het bewustzijn verloor.Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy’s de baas zou blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt, kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij—ik was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen had geleerd.Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet—ze zouden weldra weer tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken, nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen, en sloeg hun geweren stuk.Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen aanmerkelijk verergerd.Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan, wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen, wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.—O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!—riep Halef mij al uit de verte toe.—Waar hebt ge toch gezeten?—Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik kom er uit.—Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.—Gij hebt dat toch weggenomen?—Ja, maar ook weer op z’n plaats gestoken!—Waarom?—Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?—Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken, dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren bij hen was.—Wat! Zijt gij bij hen geweest!—Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen zij bewusteloos in het bosch.—Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik ook een woordje met hen spreken kan.—Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik heb door mijn vuist met hen gesproken!—Toe, vertel ons dat dan toch!—Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.—Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!—Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch, als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!—Hebt gij mij dan gezien?—Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!—En zat ik goed in den zadel?—Prachtig, nog beter dan ik!—Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek houden!—Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?—Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.—Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy’s hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te kunnen bemachtigen!Hij hield zijn paard in en riep:—Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.—Bah! kom, kleintje! Die Aladschy’s zijn geen personen om mee te spotten. ’t Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.—Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen hoe wij met dergelijke lui omspringen.Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoetingmet de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik zweeg, zeide Halef:—En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog daarginds te Radowitsch bevindt.—Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.—Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen, dat ik niet weet, hoe het hoort!—Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt met uw zweep!—Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?—Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist alsof we hem niet kennen.—Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste, hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!—Dat weet ik helaas nog niet precies! ’t Was in ieder geval het allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.—Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!—Wie waren dat dan?—De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de ruïne zouden melden!—Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?—Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.—Waar hebt gij hen gezien?—Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijknaar boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden, kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er was geschied?—Hebt gij met hen gesproken?—Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!—Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij hen weer terug!1Beide beroemde rechtsgeleerde werken.2Een theologisch kommentaar in 24 deelen.

Zevende hoofdstuk.De twee Aladschy’s.Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich, zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:—Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.—Sihdi!—deelde hij mij mede.—Gij hadt gelijk, de kerel is weg!—Wanneer gegaan?—Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.—Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?—Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten zadelen!—Welke dieren had hij bij zich?—Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens, was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier gebonden was.—Reed hij langzaam?—Neen, het had er alles van of hij groote haast had.—Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen verlaat Ostromdscha tegen den middag?—En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan hebt gezegd?—Natuurlijk!—En ik rijd Rih?—Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in, maar neem uw gebedspantoffels mede.—Waarom, Sihdi?—Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet achterlaten.—Moet ik die soms aantrekken?—Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En dan ga ik afscheid nemen.Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, eenbehoorlijkpak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de man er den moed toe heeft gehad.Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed, maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede te deelen.Even buiten de stad stond Halef en naast hem—Nebatja.—Heer!—zeide zij,—ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waarniemand het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige oogen niet best zien.Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar steeg ik af en ging de struiken in.De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en baard strijken.—Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.—Dat zult gij gauw genoeg zien!—Zou uw haar er inderdaad door veranderen?—Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.—Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?—Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de “zalving” van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek, sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:—O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond te worden.—Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?—Op sommige plaatsen ten minste.—Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een kam om het vocht te verdeelen!Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.—Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!—zeide hij verlegen. Alleen de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, denbijbel). Zal ik deze ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle brug des doods moet gaan?—Zeker!—Maar ik twijfel er aan.—Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.—Dan hebt gij het aangenamer engemakkelijkerdan wij. Maar een zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt, behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe, een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.—Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.—En in mijn plaats branden in de hel?—Ja.—Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan dan gij.—Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?—Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij geen pijn doen!De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op, en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan zijn Serape draagt.—Müdschüzat allahi! Wonder Gods!—riep Halef uit.—Sihdi, gij zijt geheel en al veranderd!—Inderdaad?—Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien, dat gij het waart.—O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens noodig, want de Aladschy’s hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg hen te misleiden.—Maar de bode kent u!—Dien zal ik wel niet meer aantreffen!—Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.—Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen en dan verder gaan.—En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult klaarspelen?—Ja zeker!—Maar de Aladschy’s zijn berucht. Misschien was het beter als ik met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?—Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik aan uw zorgen toe.Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:—Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets—totaal niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt mij zeer veel toe, Sihdi!—Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben afgesproken?—Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.—Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!—Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man, een held, en weet wat ik te doen heb.Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en misschien noodlottige samenkomst tegemoet.Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy’s mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen, dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerstnaverloop van een uur kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in Allah’s hemel te slaan.Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:—Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?—Ik kom van Radowitsch!—En waar gaat gij heen?—Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen op mij rust.—Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen gekomen?—Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen nadenken over Allah’s zegeningen.—Hebt gij dus niemand gezien?—Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit Ostromdscha.—Kent gij dien man?—Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen deze beide plaatsen.—Hebt gij hem gesproken!—Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht, dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.—Hebt gij daar ook vertoefd?—Daar had ik geen tijd voor.—Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar Radowitsch gaat?—Wenscht gij hem te treffen?—Misschien.—Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg, maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in Radowitsch nog maar eens na te vragen.—Ik dank u. Allah zij met u!—En u opene hij zijn hemel!Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden de beide Aladschy’s zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval, en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld, dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder door hen te worden lastig gevallen.Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee gezadeld waren en—-wit en donkerbruin gevlekt.Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.Zouden dat de twee paarden der Aladschy’s zijn; en zouden die twee zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbijmoest.Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun argwaan werd opgewekt.Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven een paar pas voor mij staan.—Dür—halt!—begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt gij niet een glaasje Raki met ons drinken?Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?—Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.—Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.—Daar weet ik niets van!—Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u onderwijzen.—Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever zelf doen?—Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt dadelijk een plaats in den vijfden.—Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er inte helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als gij zijt!Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.—Uw eene been sleept achter u aan!—merkte de een op.—Hebt gij u bezeerd?—Neen! Het is mijn kismet!—antwoordde ik kortaf.—Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad, want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars ook uw heiligen naam zeggen?—Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.—Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.—Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar Chatid esch Schonahar!De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren, had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet al heel weinig bekommerden.—Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand kan onthouden?—vroeg de een verder.Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins verwijtend aan en antwoordde:—Dien niemand onthouden kan?!—Heb ik u dan zooeven mijn naam niet genoemd?—Zeker!—Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.Beiden begonnen weer te lachen.—Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naamniet meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.—Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek des levens!—Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen dat de Raki verboden is.—Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!—En dat staat in den Koran?—Wis en zeker!—Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf en openbaringen deed?—Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis iets te lezen!—En dus kan die ook niet verboden zijn!—O zeker wel! Het bewuste woord luidt:Kullu muskürüm haram!—alles wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki vervloekt.—Maar die maakt ons niet dronken!—Nu, dan is die u ook niet verboden!—En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!—Geniet dien dan met verstand en met mate!—Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?—Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!—En wat noemt gij weinig?—Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,—antwoordde ik naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.—Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit, waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het woord en vroeg al heel spoedig:—Dus, waar komt gij vandaan?—Eigenlijk van Avret Hissar.—En waar wilt gij heen?—Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en regels van den Koran.—In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!—Waarom?—vroeg ik in onnoozele verbazing.—Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.—Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.—Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen, maar iemand bekeeren, dat niet!—Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens opgeteekend.—Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.—Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.—Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die deugen niet.—Dat heb ik helaas ook gehoord!—Dat de Skipetaren niet deugen?—Ja!—Hoe zoo?—De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed voor hen wezen.—Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?—Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te ontmoeten,—antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te vermaken.—Maar zijt gij dan niet bang voor hen?—vroeg hij verder.—Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen doen, dat wat over mij beslist geworden is.—Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg eens door een dier roovers werd overvallen?—Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren had gegeven.—Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch reisgeld hebben?—Geld? Waarvoor?—Wel om te kunnen leven.—Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij te zijn?—Dus gij bedelt!—Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een nachtverblijf krijg ik overal.—Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?—In Ostromdscha!—O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien niet bemerkte.—Waarom? Hoort gij daar soms thuis?—Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een hevige brand heeft gewoed.—Hevig? Volstrekt niet.—De halve stad moet afgebrand zijn.—Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.—Waar dan?—Boven op den berg.—Maar daar staat toch geen huis?—Neen, wel een hut.—Misschien die van den ouden Mubarek?—Juist.—Kent men den brandstichter?—Dat is de Mubarek zelf geweest.—Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.—Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!—Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!—Wat hebt gij dan gehoord?—Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.—Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.—Weet gij dat zeker?—Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook bij den brand en overal.—Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat alles hebben veroorzaakt?—Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.—Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?—Met alle vier.—Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?—Op staanden voet!—Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons dan waarschuwen, wanneer zij komen?—Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.—Gij hebt toch den tijd?—Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.—Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.—Dat is mij veel te lang.—Wij zullen er u voor betalen.—Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij wel uitleggen.—Vijf piasters, totdat zij komen.—Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder meer kan rijden, omdat het donker is.—Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.—Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk uitbetalen.—Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!—Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak zou hebben.Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek, zeide hij:—Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels ons niet hadden getroffen.Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna deSkipetaarvroeg:—En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?—Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen den middag weer op weg te gaan.—Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen komen.—Waarom niet?—Omdat zij bang zullen zijn.—Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En voor wie zouden zij dan moeten vreezen?—Voor de Skipetaren.—Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.—Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij door de Skipetaren zal worden opgewacht.—Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren spreken.—Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?—De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier vreemdelingen onder weg te vermoorden!—Hoe wist men dat?—Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.—Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?—Neen, ik geloof niet dat men die weet.—En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?—Zij lachten!—Allah w’ Allah! Zij lachten!—stoof hij op.—Zij lachten om degenen door wie zij zouden worden overvallen.—Ja, over wie anders!—Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren, het lachen die heeren wel zal vergaan.—Dat geloof ik niet.—Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens zijn?—Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!—Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon maken. Hebt gij het goed gezien?—Zeer goed, want ik stond er vlak bij.—En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?—Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel werd geschoten, doorboorde die de plank.—Het is bijna niet te gelooven.—Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer en de kogels betast hebben.—Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.—Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel meer geheimen aan zijn verbonden.—Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat geheim te weten te komen.—Dat zal natuurlijk niemand verraden.—Nu misschien toch wel!—Dat geloof ik niet.—En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen komen.—En dat zijn?—De twee roovers, die op hen loeren!—Die natuurlijk het allerminst.—Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.—Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!—merkte ik op.—En dat is?—vroeg hij haastig.—Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.—Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand tegen mes en dolksteken?—Hm! dat weet ik niet.—Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen hengst rijdt?—Bij het worstelen geenszins!—Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.—Zoudt gij dat werkelijk doen?—vroeg ik.—Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en wee degeen die hen een haar durft krenken.—Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen, voor zij hier zijn.—O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!—Weet gij dat zoo precies?—vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk trachtte te kijken.—Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos verloren.Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun, dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.—Wie kreunt daar zoo?—vroeg ik.—Dat weten wij niet.—Is dit huis een logement?—Alleen een kleine herberg.—Waar is de waard?—Daar in de kamer!—Dan zal ik eens gaan kijken!—zeide ik, opstaande, en ging naar de deur.—Halt!—waar gaat ge heen? vroeg de een.—Naar binnen, naar den waard.—Ga dan naar het raam.Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar binnen en riep:—Konakdschy ... waard!—Hier!—antwoordde een mannelijke stem.—Wie kreunt daar binnen zoo?—Mijn dochtertje.—Waarom?—Zij heeft kiespijn.—Hoe oud is zij?—Twaalf jaar.—Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?—Neen daar ben ik te arm voor.—Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!De beide Aladschy’s hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die maar steeds doorkreunde.De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, en keek ons in ’t geheel niet aan.—Dus zijt gij de waard?—vroeg ik hem.—En waar is de waardin?—Dood,—antwoordde hij zonder op te kijken.—Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?—Ja, nog drie kleinere.—Waar zijn die?—Buiten aan de rivier.—Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij water laten!Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat hij zooveel deelname niet had verwacht.—Waarom haalt gij hen niet hierheen?—vroeg ik verder.—Ik kan niet.—Waarom niet?—Ik mag niet naar buiten!—Wie zal u dat beletten?Hij wierp een somberen blik op de Aladschy’s, en dadelijk bemerkte ik dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.—Kom eens hier!—zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.—Ik zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat mij den tand maar eens zien.Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er een eind komen aan het schreien.—Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met knikjes,—zeide ik.—Hebt gij nog pijn?Zij knikte toestemmend.—Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen en dan is de pijn weg.Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand, maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats zachtkens streelt.—En nu is de pijn weg?—vroeg ik na eenige oogenblikken.Wederom knikte ze toestemmend.—Heelemaal weg?—Ja, heelemaal!—antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk dankbaar aankijkende.—Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de pijn niet terug.Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte mijn hand en zei:—Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid; het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!—Neen, ’t is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel, dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.—Gij, Heer, gij?—vroeg hij.—Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!De beide Aladschy’s wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:—Neem u in acht, het zijn de Aladschy’s.—Wat was dat daar?—schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister had vernomen.—Wat hebt ge daar gezegd?—Ik? Niets!—antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.—Ik heb het toch gehoord!—Dan vergist ge u!—Hond, lieg niet of ik sla je dood!De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:—Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?—Wat gaat mij uw profeet aan!—Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:—Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te twijfelen of de Aladschy’s beschouwden mij zoo half en half als hungevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al kende ik hen in ’t geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen, daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op, klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy’s aan, dat zij een besluit hadden genomen.Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:—Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?—Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij immers niets gedaan!—Dus vriendschappelijk?—Ja.—Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het oog houden.—Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.—Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden overvallen?—Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!—Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij daartoe bereid?—Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.—Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen,zullen ze ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen, als ge te Skopia komt.—Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!—Stijg dan op!—Hebt ge den Raki betaald?—Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik hem zou weerzien.Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden, daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij een dicht bosch in.Er werd geen woord gesproken.De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier dan ook werkelijk halt.—Hier is ’t!—zeide de een.—Hier moeten we ons verbergen. Laten we links rijden in de richting van dat boschje!Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende, dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet onmiddellijk te doorzien.Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden; toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoopmoesthet dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.Intusschen hadden de Aladschy’s een geschikt plekje opgezocht, van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen dooden.Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens, en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad, het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid bezat in het werpen met den tomahawk.Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestondnatuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn, en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig te worden, het snoof en sloeg om zich heen.—Wat heeft uw paard?—vroegen ze mij.—O niets!—antwoordde ik kalm.—Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!—Hoezoo?—Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn wij verloren.Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden aangespoord.—O, dat zal nog wel erger worden!—zeide ik.—Waarom?—Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!—Breng hem dan weg!Ik stond op.—Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!—Waarom?—Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw tulband af!Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:—Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih1en deberoemde Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan2op mijn duimpje. Ik weet heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?—Laat ’t dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:—Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal gitir, ileri icki bin ademler tahminen—Rijdt een voor een voorbij, Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend pas ver.Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder oogenblik wordentegemoetgezien.Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed, toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij kwam zoeken.—Waar blijft ge zoo lang?—vroeg hij op barschen toon.—Hier bij het paard!—antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd aankeek.—Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!—Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!—Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te schikken!—Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?—Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt, waar wij zitten.—Als ik er zin in heb!—hernam ik, want in weerwil van mijn rol als Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.—Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!Ik trad op hem toe, en zeide:—Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff, dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.Dat had hij niet van mij verwacht.—Welk een brutaliteit!—riep hij uit.—Mensch, wat verbeeldt ge je wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht, dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!—Gij moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte, dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.—Wat is er gebeurd, Sandar?—Taury hakky—Bij God, dat begrijp ik niet!—antwoordde hij terwijl hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.—Heb jelui dan gevochten en waarom dat?—Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.—Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol vanScheriff, maar ’t was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst, trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig, hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij op en balde beide vuisten tegen mij.—Nog eens?—vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:—Mensch, gij zijt een reus!Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:—Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.Beiden barstten in lachen uit.—Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,—zeide Sandar.Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan en hernam:—Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij dien geleerd?—Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd worstelden wij wel.—Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt, ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten voorzichtig met je zijn.Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mijmaar voor mijn vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.—Luister, daar komt iemand,—zei Sandar, en greep naar zijn bijl. Misschien zijn zij het wel!—Neen,—antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk, daar komt hij den hoek om.Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam, het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts noch links.—Zullen wij?—vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.—Neen,—antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo wel zien.Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid over hun eigenlijk handwerk te spreken.Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het allerbeste was.Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:—Daar komt er weer een.—Alweer zoo’n kale jakhals!—Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?—Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.—Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,—merkte ik onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in de uitoefening van hun bedrijf te storen.—Domkop,—grijnsde Sandar mij aan.Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen mensch.Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken voorbij.Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komenen had ik hun beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam hij in ’t zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet—ik stond op.—Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.—Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?—Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!—Ge hebt mij niets te bevelen,—antwoordde ik barsch en deed alsof ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.—Blijf of ik geef je....Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons gekeken, doch werd nu Halef gewaar.—Stil, een vierde ruiter!—riep bij uit.Sandar keek naar den straatweg,—Júk gúrúltú—Duizend donders!—riep hij uit. Wat een prachtig paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!—Neen, de ruiter is te klein!—Maar het paard is eenvolbloedArabier. Echt onvervalscht ras. O Allah! Hij vliegt als de wind.Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit talloozemoeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld, of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.—Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!—riep Sander, terwijl bij naar zijn geweer greep.Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen,wie weet hoever, achter Halef terecht.—Hem achterna!—riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte dat het kostbare beest hem zou ontgaan.—Daar ginds houdt het bosch op, en kunnen wij beter mikken!Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was, hen te beletten weg te rijden.Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan hun teugels moesten blijven hangen.Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe: Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden niet in den steek laten.—Bindt ze dan weer vast!—riep Sandar terug.—Maar ze zijn weggeloopen!—Hel en duivel, waarheen dan?—Weet ik het, vraag het ze zelf!—O jou domkop!Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt, maar mij toch van het paard meester gemaakt.Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:—Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?—Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter gekeken!—Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!—Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien, ’t waren niet mijn, maar ’t waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet en behoef er niet op te passen!—Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt en viel daardoor op den grond.Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.Toen werd ik van achteren beetgepakt.—Schoft! daar zult ge voor boeten!—riep Sandar die intusschen naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om mezwaar te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst—ik had dien bij mijn val zeker bezeerd.De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer, door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gildeknarsetandend:—Zoo, steek je, dan zal ik schieten!Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus, die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen, zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen, en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden zucht het bewustzijn verloor.Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy’s de baas zou blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt, kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij—ik was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen had geleerd.Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet—ze zouden weldra weer tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken, nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen, en sloeg hun geweren stuk.Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen aanmerkelijk verergerd.Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan, wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen, wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.—O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!—riep Halef mij al uit de verte toe.—Waar hebt ge toch gezeten?—Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik kom er uit.—Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.—Gij hebt dat toch weggenomen?—Ja, maar ook weer op z’n plaats gestoken!—Waarom?—Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?—Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken, dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren bij hen was.—Wat! Zijt gij bij hen geweest!—Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen zij bewusteloos in het bosch.—Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik ook een woordje met hen spreken kan.—Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik heb door mijn vuist met hen gesproken!—Toe, vertel ons dat dan toch!—Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.—Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!—Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch, als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!—Hebt gij mij dan gezien?—Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!—En zat ik goed in den zadel?—Prachtig, nog beter dan ik!—Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek houden!—Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?—Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.—Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy’s hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te kunnen bemachtigen!Hij hield zijn paard in en riep:—Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.—Bah! kom, kleintje! Die Aladschy’s zijn geen personen om mee te spotten. ’t Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.—Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen hoe wij met dergelijke lui omspringen.Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoetingmet de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik zweeg, zeide Halef:—En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog daarginds te Radowitsch bevindt.—Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.—Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen, dat ik niet weet, hoe het hoort!—Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt met uw zweep!—Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?—Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist alsof we hem niet kennen.—Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste, hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!—Dat weet ik helaas nog niet precies! ’t Was in ieder geval het allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.—Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!—Wie waren dat dan?—De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de ruïne zouden melden!—Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?—Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.—Waar hebt gij hen gezien?—Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijknaar boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden, kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er was geschied?—Hebt gij met hen gesproken?—Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!—Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij hen weer terug!1Beide beroemde rechtsgeleerde werken.2Een theologisch kommentaar in 24 deelen.

Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.

Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich, zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.

Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:

—Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!

Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.

In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.

—Sihdi!—deelde hij mij mede.—Gij hadt gelijk, de kerel is weg!

—Wanneer gegaan?

—Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.

—Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?

—Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten zadelen!

—Welke dieren had hij bij zich?

—Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens, was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier gebonden was.

—Reed hij langzaam?

—Neen, het had er alles van of hij groote haast had.

—Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen verlaat Ostromdscha tegen den middag?

—En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan hebt gezegd?

—Natuurlijk!

—En ik rijd Rih?

—Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in, maar neem uw gebedspantoffels mede.

—Waarom, Sihdi?

—Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet achterlaten.

—Moet ik die soms aantrekken?

—Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En dan ga ik afscheid nemen.

Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, eenbehoorlijkpak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de man er den moed toe heeft gehad.

Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.

De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed, maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede te deelen.

Even buiten de stad stond Halef en naast hem—Nebatja.

—Heer!—zeide zij,—ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waarniemand het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.

Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige oogen niet best zien.

Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar steeg ik af en ging de struiken in.

De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en baard strijken.

—Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.

—Dat zult gij gauw genoeg zien!

—Zou uw haar er inderdaad door veranderen?

—Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.

—Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?

—Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.

De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de “zalving” van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek, sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:

—O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond te worden.

—Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?

—Op sommige plaatsen ten minste.

—Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een kam om het vocht te verdeelen!

Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.

—Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!—zeide hij verlegen. Alleen de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, denbijbel). Zal ik deze ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle brug des doods moet gaan?

—Zeker!

—Maar ik twijfel er aan.

—Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.

—Dan hebt gij het aangenamer engemakkelijkerdan wij. Maar een zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt, behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe, een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.

—Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.

—En in mijn plaats branden in de hel?

—Ja.

—Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan dan gij.

—Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?

—Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij geen pijn doen!

De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op, en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan zijn Serape draagt.

—Müdschüzat allahi! Wonder Gods!—riep Halef uit.—Sihdi, gij zijt geheel en al veranderd!

—Inderdaad?

—Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien, dat gij het waart.

—O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens noodig, want de Aladschy’s hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg hen te misleiden.

—Maar de bode kent u!

—Dien zal ik wel niet meer aantreffen!

—Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.

—Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen en dan verder gaan.

—En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult klaarspelen?

—Ja zeker!

—Maar de Aladschy’s zijn berucht. Misschien was het beter als ik met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?

—Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik aan uw zorgen toe.

Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:

—Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets—totaal niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt mij zeer veel toe, Sihdi!

—Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben afgesproken?

—Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.

—Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!

—Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man, een held, en weet wat ik te doen heb.

Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en misschien noodlottige samenkomst tegemoet.

Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy’s mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.

Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen, dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.

Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerstnaverloop van een uur kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in Allah’s hemel te slaan.

Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:

—Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?

—Ik kom van Radowitsch!

—En waar gaat gij heen?

—Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen op mij rust.

—Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen gekomen?

—Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen nadenken over Allah’s zegeningen.

—Hebt gij dus niemand gezien?

—Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit Ostromdscha.

—Kent gij dien man?

—Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen deze beide plaatsen.

—Hebt gij hem gesproken!

—Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht, dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.

—Hebt gij daar ook vertoefd?

—Daar had ik geen tijd voor.

—Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar Radowitsch gaat?

—Wenscht gij hem te treffen?

—Misschien.

—Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg, maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in Radowitsch nog maar eens na te vragen.

—Ik dank u. Allah zij met u!

—En u opene hij zijn hemel!

Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.

Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden de beide Aladschy’s zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval, en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.

Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld, dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder door hen te worden lastig gevallen.

Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee gezadeld waren en—-wit en donkerbruin gevlekt.

Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.

Zouden dat de twee paarden der Aladschy’s zijn; en zouden die twee zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbijmoest.

Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun argwaan werd opgewekt.

Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.

Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven een paar pas voor mij staan.

—Dür—halt!—begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt gij niet een glaasje Raki met ons drinken?

Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.

Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:

—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?

—Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.

—Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.

—Daar weet ik niets van!

—Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u onderwijzen.

—Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever zelf doen?

—Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt dadelijk een plaats in den vijfden.

—Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er inte helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als gij zijt!

Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.

—Uw eene been sleept achter u aan!—merkte de een op.—Hebt gij u bezeerd?

—Neen! Het is mijn kismet!—antwoordde ik kortaf.

—Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad, want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars ook uw heiligen naam zeggen?

—Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.

—Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.

—Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar Chatid esch Schonahar!

De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren, had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet al heel weinig bekommerden.

—Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand kan onthouden?—vroeg de een verder.

Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins verwijtend aan en antwoordde:

—Dien niemand onthouden kan?!—Heb ik u dan zooeven mijn naam niet genoemd?

—Zeker!

—Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.

Beiden begonnen weer te lachen.

—Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naamniet meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.

—Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek des levens!

—Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen dat de Raki verboden is.

—Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!

—En dat staat in den Koran?

—Wis en zeker!

—Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf en openbaringen deed?

—Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis iets te lezen!

—En dus kan die ook niet verboden zijn!

—O zeker wel! Het bewuste woord luidt:Kullu muskürüm haram!—alles wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki vervloekt.

—Maar die maakt ons niet dronken!

—Nu, dan is die u ook niet verboden!

—En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!

—Geniet dien dan met verstand en met mate!

—Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?

—Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!

—En wat noemt gij weinig?

—Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,—antwoordde ik naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.

—Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!

Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit, waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.

Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het woord en vroeg al heel spoedig:

—Dus, waar komt gij vandaan?

—Eigenlijk van Avret Hissar.

—En waar wilt gij heen?

—Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en regels van den Koran.

—In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!

—Waarom?—vroeg ik in onnoozele verbazing.

—Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.

—Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.

—Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen, maar iemand bekeeren, dat niet!

—Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens opgeteekend.

—Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.

—Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.

—Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die deugen niet.

—Dat heb ik helaas ook gehoord!

—Dat de Skipetaren niet deugen?

—Ja!

—Hoe zoo?

—De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed voor hen wezen.

—Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?

—Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te ontmoeten,—antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te vermaken.

—Maar zijt gij dan niet bang voor hen?—vroeg hij verder.

—Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen doen, dat wat over mij beslist geworden is.

—Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg eens door een dier roovers werd overvallen?

—Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!

Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren had gegeven.

—Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch reisgeld hebben?

—Geld? Waarvoor?

—Wel om te kunnen leven.

—Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij te zijn?

—Dus gij bedelt!

—Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een nachtverblijf krijg ik overal.

—Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?

—In Ostromdscha!

—O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.

Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien niet bemerkte.

—Waarom? Hoort gij daar soms thuis?

—Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een hevige brand heeft gewoed.

—Hevig? Volstrekt niet.

—De halve stad moet afgebrand zijn.

—Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.

—Waar dan?

—Boven op den berg.

—Maar daar staat toch geen huis?

—Neen, wel een hut.

—Misschien die van den ouden Mubarek?

—Juist.

—Kent men den brandstichter?

—Dat is de Mubarek zelf geweest.

—Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.

—Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!

—Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!

—Wat hebt gij dan gehoord?

—Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.

—Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.

—Weet gij dat zeker?

—Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook bij den brand en overal.

—Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat alles hebben veroorzaakt?

—Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.

—Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?

—Met alle vier.

—Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?

—Op staanden voet!

—Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons dan waarschuwen, wanneer zij komen?

—Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.

—Gij hebt toch den tijd?

—Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.

—Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.

—Dat is mij veel te lang.

—Wij zullen er u voor betalen.

—Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij wel uitleggen.

—Vijf piasters, totdat zij komen.

—Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder meer kan rijden, omdat het donker is.

—Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.

—Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk uitbetalen.

—Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!

—Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak zou hebben.

Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.

Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek, zeide hij:

—Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!

Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels ons niet hadden getroffen.

Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna deSkipetaarvroeg:

—En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?

—Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen den middag weer op weg te gaan.

—Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen komen.

—Waarom niet?

—Omdat zij bang zullen zijn.

—Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En voor wie zouden zij dan moeten vreezen?

—Voor de Skipetaren.

—Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.

—Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij door de Skipetaren zal worden opgewacht.

—Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren spreken.

—Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?

—De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier vreemdelingen onder weg te vermoorden!

—Hoe wist men dat?

—Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.

—Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?

—Neen, ik geloof niet dat men die weet.

—En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?

—Zij lachten!

—Allah w’ Allah! Zij lachten!—stoof hij op.—Zij lachten om degenen door wie zij zouden worden overvallen.

—Ja, over wie anders!

—Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren, het lachen die heeren wel zal vergaan.

—Dat geloof ik niet.

—Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens zijn?

—Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!

—Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon maken. Hebt gij het goed gezien?

—Zeer goed, want ik stond er vlak bij.

—En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?

—Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel werd geschoten, doorboorde die de plank.

—Het is bijna niet te gelooven.

—Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer en de kogels betast hebben.

—Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.

—Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel meer geheimen aan zijn verbonden.

—Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat geheim te weten te komen.

—Dat zal natuurlijk niemand verraden.

—Nu misschien toch wel!

—Dat geloof ik niet.

—En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen komen.

—En dat zijn?

—De twee roovers, die op hen loeren!

—Die natuurlijk het allerminst.

—Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.

—Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!—merkte ik op.

—En dat is?—vroeg hij haastig.

—Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.

—Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand tegen mes en dolksteken?

—Hm! dat weet ik niet.

—Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen hengst rijdt?

—Bij het worstelen geenszins!

—Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.

—Zoudt gij dat werkelijk doen?—vroeg ik.

—Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en wee degeen die hen een haar durft krenken.

—Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen, voor zij hier zijn.

—O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!

—Weet gij dat zoo precies?—vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk trachtte te kijken.

—Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos verloren.

Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun, dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.

—Wie kreunt daar zoo?—vroeg ik.

—Dat weten wij niet.

—Is dit huis een logement?

—Alleen een kleine herberg.

—Waar is de waard?

—Daar in de kamer!

—Dan zal ik eens gaan kijken!—zeide ik, opstaande, en ging naar de deur.

—Halt!—waar gaat ge heen? vroeg de een.

—Naar binnen, naar den waard.

—Ga dan naar het raam.

Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar binnen en riep:

—Konakdschy ... waard!

—Hier!—antwoordde een mannelijke stem.

—Wie kreunt daar binnen zoo?

—Mijn dochtertje.

—Waarom?

—Zij heeft kiespijn.

—Hoe oud is zij?

—Twaalf jaar.

—Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?

—Neen daar ben ik te arm voor.

—Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!

De beide Aladschy’s hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.

De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die maar steeds doorkreunde.

De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, en keek ons in ’t geheel niet aan.

—Dus zijt gij de waard?—vroeg ik hem.—En waar is de waardin?

—Dood,—antwoordde hij zonder op te kijken.

—Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?

—Ja, nog drie kleinere.

—Waar zijn die?

—Buiten aan de rivier.

—Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij water laten!

Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat hij zooveel deelname niet had verwacht.

—Waarom haalt gij hen niet hierheen?—vroeg ik verder.

—Ik kan niet.

—Waarom niet?

—Ik mag niet naar buiten!

—Wie zal u dat beletten?

Hij wierp een somberen blik op de Aladschy’s, en dadelijk bemerkte ik dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.

—Kom eens hier!—zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.—Ik zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat mij den tand maar eens zien.

Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er een eind komen aan het schreien.

—Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met knikjes,—zeide ik.

—Hebt gij nog pijn?

Zij knikte toestemmend.

—Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen en dan is de pijn weg.

Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand, maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats zachtkens streelt.

—En nu is de pijn weg?—vroeg ik na eenige oogenblikken.

Wederom knikte ze toestemmend.

—Heelemaal weg?

—Ja, heelemaal!—antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk dankbaar aankijkende.

—Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de pijn niet terug.

Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte mijn hand en zei:

—Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid; het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!

—Neen, ’t is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel, dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.

—Gij, Heer, gij?—vroeg hij.

—Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!

De beide Aladschy’s wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:

—Neem u in acht, het zijn de Aladschy’s.

—Wat was dat daar?—schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister had vernomen.—Wat hebt ge daar gezegd?

—Ik? Niets!—antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.

—Ik heb het toch gehoord!

—Dan vergist ge u!

—Hond, lieg niet of ik sla je dood!

De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:

—Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?

—Wat gaat mij uw profeet aan!

—Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!

Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:

—Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!

Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te twijfelen of de Aladschy’s beschouwden mij zoo half en half als hungevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al kende ik hen in ’t geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen, daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op, klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy’s aan, dat zij een besluit hadden genomen.

Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:

—Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?

—Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij immers niets gedaan!

—Dus vriendschappelijk?

—Ja.

—Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het oog houden.

—Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.

—Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden overvallen?

—Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!

—Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij daartoe bereid?

—Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.

—Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen,zullen ze ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen, als ge te Skopia komt.

—Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!

—Stijg dan op!

—Hebt ge den Raki betaald?

—Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!

Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik hem zou weerzien.

Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden, daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij een dicht bosch in.

Er werd geen woord gesproken.

De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.

Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.

Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier dan ook werkelijk halt.

—Hier is ’t!—zeide de een.—Hier moeten we ons verbergen. Laten we links rijden in de richting van dat boschje!

Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende, dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet onmiddellijk te doorzien.

Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden; toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.

Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoopmoesthet dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.

Intusschen hadden de Aladschy’s een geschikt plekje opgezocht, van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.

Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen dooden.

Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens, en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad, het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid bezat in het werpen met den tomahawk.

Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestondnatuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn, en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.

Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig te worden, het snoof en sloeg om zich heen.

—Wat heeft uw paard?—vroegen ze mij.

—O niets!—antwoordde ik kalm.

—Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!

—Hoezoo?

—Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn wij verloren.

Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden aangespoord.

—O, dat zal nog wel erger worden!—zeide ik.

—Waarom?

—Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!

—Breng hem dan weg!

Ik stond op.

—Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!

—Waarom?

—Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw tulband af!

Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:

—Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih1en deberoemde Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan2op mijn duimpje. Ik weet heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?

—Laat ’t dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!

Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:

—Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal gitir, ileri icki bin ademler tahminen—Rijdt een voor een voorbij, Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend pas ver.

Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder oogenblik wordentegemoetgezien.

Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed, toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij kwam zoeken.

—Waar blijft ge zoo lang?—vroeg hij op barschen toon.

—Hier bij het paard!—antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd aankeek.

—Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!

—Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!

—Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te schikken!

—Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?

—Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt, waar wij zitten.

—Als ik er zin in heb!—hernam ik, want in weerwil van mijn rol als Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.

—Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!

Ik trad op hem toe, en zeide:

—Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff, dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.

Dat had hij niet van mij verwacht.

—Welk een brutaliteit!—riep hij uit.—Mensch, wat verbeeldt ge je wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.

Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht, dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!—Gij moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte, dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.

Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.

—Wat is er gebeurd, Sandar?

—Taury hakky—Bij God, dat begrijp ik niet!—antwoordde hij terwijl hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.

—Heb jelui dan gevochten en waarom dat?

—Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.

—Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?

Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol vanScheriff, maar ’t was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst, trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig, hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.

Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij op en balde beide vuisten tegen mij.

—Nog eens?—vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.

Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:

—Mensch, gij zijt een reus!

Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:

—Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.

Beiden barstten in lachen uit.

—Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,—zeide Sandar.

Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan en hernam:

—Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij dien geleerd?

—Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd worstelden wij wel.

—Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt, ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten voorzichtig met je zijn.

Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.

Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mijmaar voor mijn vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.

—Luister, daar komt iemand,—zei Sandar, en greep naar zijn bijl. Misschien zijn zij het wel!

—Neen,—antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk, daar komt hij den hoek om.

Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam, het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts noch links.

—Zullen wij?—vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.

—Neen,—antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo wel zien.

Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid over hun eigenlijk handwerk te spreken.

Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het allerbeste was.

Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:

—Daar komt er weer een.

—Alweer zoo’n kale jakhals!

—Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?

—Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.

—Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,—merkte ik onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in de uitoefening van hun bedrijf te storen.

—Domkop,—grijnsde Sandar mij aan.

Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen mensch.

Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken voorbij.

Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komenen had ik hun beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam hij in ’t zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet—ik stond op.

—Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.

—Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?

—Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!

—Ge hebt mij niets te bevelen,—antwoordde ik barsch en deed alsof ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.

—Blijf of ik geef je....

Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons gekeken, doch werd nu Halef gewaar.

—Stil, een vierde ruiter!—riep bij uit.

Sandar keek naar den straatweg,

—Júk gúrúltú—Duizend donders!—riep hij uit. Wat een prachtig paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!

—Neen, de ruiter is te klein!

—Maar het paard is eenvolbloedArabier. Echt onvervalscht ras. O Allah! Hij vliegt als de wind.

Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.

Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.

Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit talloozemoeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.

En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld, of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.

—Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!—riep Sander, terwijl bij naar zijn geweer greep.

Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen,wie weet hoever, achter Halef terecht.

—Hem achterna!—riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte dat het kostbare beest hem zou ontgaan.—Daar ginds houdt het bosch op, en kunnen wij beter mikken!

Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was, hen te beletten weg te rijden.

Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan hun teugels moesten blijven hangen.

Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe: Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!

Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden niet in den steek laten.

—Bindt ze dan weer vast!—riep Sandar terug.

—Maar ze zijn weggeloopen!

—Hel en duivel, waarheen dan?

—Weet ik het, vraag het ze zelf!

—O jou domkop!

Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt, maar mij toch van het paard meester gemaakt.

Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:

—Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?

—Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter gekeken!

—Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!

—Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien, ’t waren niet mijn, maar ’t waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet en behoef er niet op te passen!

—Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!

Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt en viel daardoor op den grond.

Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.

Toen werd ik van achteren beetgepakt.

—Schoft! daar zult ge voor boeten!—riep Sandar die intusschen naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om mezwaar te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst—ik had dien bij mijn val zeker bezeerd.

De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer, door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.

Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gildeknarsetandend:

—Zoo, steek je, dan zal ik schieten!

Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.

Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus, die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen, zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen, en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden zucht het bewustzijn verloor.

Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy’s de baas zou blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt, kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij—ik was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen had geleerd.

Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet—ze zouden weldra weer tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken, nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen, en sloeg hun geweren stuk.

Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen aanmerkelijk verergerd.

Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan, wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen, wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.

Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.

—O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!—riep Halef mij al uit de verte toe.—Waar hebt ge toch gezeten?

—Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik kom er uit.

—Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.

—Gij hebt dat toch weggenomen?

—Ja, maar ook weer op z’n plaats gestoken!

—Waarom?

—Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?

—Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken, dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren bij hen was.

—Wat! Zijt gij bij hen geweest!

—Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen zij bewusteloos in het bosch.

—Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik ook een woordje met hen spreken kan.

—Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik heb door mijn vuist met hen gesproken!

—Toe, vertel ons dat dan toch!

—Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.

—Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!

—Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch, als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!

—Hebt gij mij dan gezien?

—Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!

—En zat ik goed in den zadel?

—Prachtig, nog beter dan ik!

—Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek houden!

—Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?

—Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.

—Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy’s hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te kunnen bemachtigen!

Hij hield zijn paard in en riep:

—Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.

—Bah! kom, kleintje! Die Aladschy’s zijn geen personen om mee te spotten. ’t Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.

—Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen hoe wij met dergelijke lui omspringen.

Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoetingmet de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik zweeg, zeide Halef:

—En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog daarginds te Radowitsch bevindt.

—Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.

—Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen, dat ik niet weet, hoe het hoort!

—Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt met uw zweep!

—Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?

—Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist alsof we hem niet kennen.

—Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste, hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!

—Dat weet ik helaas nog niet precies! ’t Was in ieder geval het allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.

—Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!

—Wie waren dat dan?

—De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de ruïne zouden melden!

—Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?

—Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.

—Waar hebt gij hen gezien?

—Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijknaar boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden, kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er was geschied?

—Hebt gij met hen gesproken?

—Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!

—Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij hen weer terug!

1Beide beroemde rechtsgeleerde werken.2Een theologisch kommentaar in 24 deelen.

1Beide beroemde rechtsgeleerde werken.

2Een theologisch kommentaar in 24 deelen.


Back to IndexNext