Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.Brand.Weg, weg van hier!De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.Brand.Op welke wijze?Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …Brand.Verviel? Waartoe?Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.Brand.Zoo.Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.Brand.En later?Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …Brand.Waarheen?Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?Ejnar.Waarnaar?Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …Ejnar.Heeft geen beteeknis.Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?Brand.Onwrikbaar.Ejnar.Onwrikbaar.In wien?Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!Brand.Wat zeg je daar?Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.Brand(kalm).Loop heen, lummel!Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.Brand.Schaam je!Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …Brand.Laat hen komen.De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?Brand.Uw weg is voor mij te smal.De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).Enkele stemmen.Brand!Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!De Baljuw.Maak dan open!De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.Brand.Weg, weg van hier!De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.Brand.Op welke wijze?Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …Brand.Verviel? Waartoe?Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.Brand.Zoo.Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.Brand.En later?Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …Brand.Waarheen?Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?Ejnar.Waarnaar?Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …Ejnar.Heeft geen beteeknis.Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?Brand.Onwrikbaar.Ejnar.Onwrikbaar.In wien?Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!Brand.Wat zeg je daar?Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.Brand(kalm).Loop heen, lummel!Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.Brand.Schaam je!Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …Brand.Laat hen komen.De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?Brand.Uw weg is voor mij te smal.De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).Enkele stemmen.Brand!Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!De Baljuw.Maak dan open!De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.Brand.Weg, weg van hier!De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.Brand.Op welke wijze?Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …Brand.Verviel? Waartoe?Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.Brand.Zoo.Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.Brand.En later?Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …Brand.Waarheen?Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?Ejnar.Waarnaar?Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …Ejnar.Heeft geen beteeknis.Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?Brand.Onwrikbaar.Ejnar.Onwrikbaar.In wien?Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!Brand.Wat zeg je daar?Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.Brand(kalm).Loop heen, lummel!Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.Brand.Schaam je!Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …Brand.Laat hen komen.De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?Brand.Uw weg is voor mij te smal.De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).Enkele stemmen.Brand!Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!De Baljuw.Maak dan open!De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.Brand.Weg, weg van hier!De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.Brand.Op welke wijze?Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …Brand.Verviel? Waartoe?Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.Brand.Zoo.Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.Brand.En later?Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …Brand.Waarheen?Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?Ejnar.Waarnaar?Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …Ejnar.Heeft geen beteeknis.Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?Brand.Onwrikbaar.Ejnar.Onwrikbaar.In wien?Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!Brand.Wat zeg je daar?Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.Brand(kalm).Loop heen, lummel!Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.Brand.Schaam je!Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …Brand.Laat hen komen.De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?Brand.Uw weg is voor mij te smal.De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).Enkele stemmen.Brand!Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!De Baljuw.Maak dan open!De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.Brand.Weg, weg van hier!De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.Brand.Op welke wijze?Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …Brand.Verviel? Waartoe?Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.Brand.Zoo.Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.Brand.En later?Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …Brand.Waarheen?Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?Ejnar.Waarnaar?Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …Ejnar.Heeft geen beteeknis.Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?Brand.Onwrikbaar.Ejnar.Onwrikbaar.In wien?Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!Brand.Wat zeg je daar?Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.Brand(kalm).Loop heen, lummel!Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.Brand.Schaam je!Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …Brand.Laat hen komen.De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?Brand.Uw weg is voor mij te smal.De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).Enkele stemmen.Brand!Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!De Baljuw.Maak dan open!De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
Brand.Bij God, zoo was het niet bedoeld!
Brand.
Bij God, zoo was het niet bedoeld!
De Proost.Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …
De Proost.
Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …
Brand.Te laat? Dat zullen wij eens zien!
Brand.
Te laat? Dat zullen wij eens zien!
De Proost.’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!Waarover maakt u nu zoo’n drukte?Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!Geen enkle ziel die schade lijdtAls tevens u den Staat wil dienen;Twee vliegen kan u in één klap slaan,Als u het maar verstandig aanlegt.’t Is niet uw werk om Jan en PietTe redden van het vuur der hel,Maar de gemeenteleden àllenAan de genadebron te laven.Wordt ’t heele kerspel dan verlost,Heeft dus ook ieder deel daaraan.De Staat is, u zal ’t vast niet weten,Precies republikeinsch ten halve;Hij haat de vrijheid als den dood,Maar ziet gelijkheid graag genoeg;Gelijkheid vindt men echter nooitVóór, wat oneven is, geslecht wordt,…En dàt is ’t juist wat u niet doet!Integendeel u heeft bevorderdWat ongelijk en ongewoon is.Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.Een ieder was lid van de Kerk.Nu heeft elk een persoonlijkheid;En dat komt niet den Staat ten goede.En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijkGelijkheidsbijdragen te innen,En andere gemeente-goedren,Omdat de Kerk niet meer de hoed isDie passen moet op alle hoofden.
De Proost.
’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!
Waarover maakt u nu zoo’n drukte?
Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!
Geen enkle ziel die schade lijdt
Als tevens u den Staat wil dienen;
Twee vliegen kan u in één klap slaan,
Als u het maar verstandig aanlegt.
’t Is niet uw werk om Jan en Piet
Te redden van het vuur der hel,
Maar de gemeenteleden àllen
Aan de genadebron te laven.
Wordt ’t heele kerspel dan verlost,
Heeft dus ook ieder deel daaraan.
De Staat is, u zal ’t vast niet weten,
Precies republikeinsch ten halve;
Hij haat de vrijheid als den dood,
Maar ziet gelijkheid graag genoeg;
Gelijkheid vindt men echter nooit
Vóór, wat oneven is, geslecht wordt,…
En dàt is ’t juist wat u niet doet!
Integendeel u heeft bevorderd
Wat ongelijk en ongewoon is.
Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.
Een ieder was lid van de Kerk.
Nu heeft elk een persoonlijkheid;
En dat komt niet den Staat ten goede.
En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijk
Gelijkheidsbijdragen te innen,
En andere gemeente-goedren,
Omdat de Kerk niet meer de hoed is
Die passen moet op alle hoofden.
Brand.Welk een vooruitzicht opent zich!
Brand.
Welk een vooruitzicht opent zich!
De Proost.Niet moedloos zijn; dat baat u niets;Hoewel onloochenbaar hier heerschtEen warboel, die een gruwel is.Maar waar nog leven is, is hoop.En door de schenking komt te meerUw plicht uit, naamlijk om te werkenVoor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.Bij alles hoort toch regelmaat,Zal niet verspreider krachten spelDol, als een ongetemd wild veulen,Vernielen griend en haag en grenspaalVan overleev’ring en gewoonte.In iedre orde heerscht één wet,Al draagt die ook een andren naam.Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;Bij de soldaten, als ik mijNog goed herinner is ’t “de pas”.Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!Daar moet het heen, zoo meent de Staat.Hij acht den “looppas” veel te snel;“Markeert den pas”, niet snel genoeg;Maar ieder in denzelfden pas,En ieder even groote passen,…Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!
De Proost.
Niet moedloos zijn; dat baat u niets;
Hoewel onloochenbaar hier heerscht
Een warboel, die een gruwel is.
Maar waar nog leven is, is hoop.
En door de schenking komt te meer
Uw plicht uit, naamlijk om te werken
Voor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.
Bij alles hoort toch regelmaat,
Zal niet verspreider krachten spel
Dol, als een ongetemd wild veulen,
Vernielen griend en haag en grenspaal
Van overleev’ring en gewoonte.
In iedre orde heerscht één wet,
Al draagt die ook een andren naam.
Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;
Bij de soldaten, als ik mij
Nog goed herinner is ’t “de pas”.
Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!
Daar moet het heen, zoo meent de Staat.
Hij acht den “looppas” veel te snel;
“Markeert den pas”, niet snel genoeg;
Maar ieder in denzelfden pas,
En ieder even groote passen,…
Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!
Brand.De goot voor d’adelaar;… hoog bovenDe wolken zweven, voor de ganzen!
Brand.
De goot voor d’adelaar;… hoog boven
De wolken zweven, voor de ganzen!
De Proost.Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…Maar wil u poëzie en fabels,Die vindt men in den bijbel wel.Die is er vol van; wemelt zelfsVan Genesis tot de OpenbaringVan vele leerrijke parabels.Ik wijs bijvoorbeeld enkel opHet bouwen van den Babeltoren!Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?En dat waardoor? Licht te verklaren,Zij bleven niet in de geleed’ren,Zij spraken elk hun eigen taal,Niet samen trokken ze onder ’t juk …Zij werden tot persoonlijkheden.Ditis de ééne helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Wie zich van andren houdt gescheiden,Blijft eenzaam en komt licht ten val.Wien God in ’s levens strijd wil neerslaanDien maakt hij tot individu.En eertijds zeiden de Romeinen:De goden roofden hem ’t verstand.Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,En daarom moet wie eenzaam staatTen slotte ’t zelfde lot verwachtenAls hem,… dien David zond ten strijdeIn ’t heetst gevecht,… Uria, trof.
De Proost.
Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…
Maar wil u poëzie en fabels,
Die vindt men in den bijbel wel.
Die is er vol van; wemelt zelfs
Van Genesis tot de Openbaring
Van vele leerrijke parabels.
Ik wijs bijvoorbeeld enkel op
Het bouwen van den Babeltoren!
Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?
En dat waardoor? Licht te verklaren,
Zij bleven niet in de geleed’ren,
Zij spraken elk hun eigen taal,
Niet samen trokken ze onder ’t juk …
Zij werden tot persoonlijkheden.
Ditis de ééne helft der kernen
Verborgen in der fabel schaal:
Wie zich van andren houdt gescheiden,
Blijft eenzaam en komt licht ten val.
Wien God in ’s levens strijd wil neerslaan
Dien maakt hij tot individu.
En eertijds zeiden de Romeinen:
De goden roofden hem ’t verstand.
Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,
En daarom moet wie eenzaam staat
Ten slotte ’t zelfde lot verwachten
Als hem,… dien David zond ten strijde
In ’t heetst gevecht,… Uria, trof.
Brand.Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?’k Zie in den dood geen ondergang.En is u er zoo zeker vanDat waren zij die bouwden éénVan taal geweest, en één van zin,Het hun gelukt zou zijn den torenTot in den hemel op te trekken?
Brand.
Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?
’k Zie in den dood geen ondergang.
En is u er zoo zeker van
Dat waren zij die bouwden één
Van taal geweest, en één van zin,
Het hun gelukt zou zijn den toren
Tot in den hemel op te trekken?
De Proost.Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;Tot in den hemel reikt er niemand.Dàt is de andre helft der kernenVerborgen in der fabel schaal:Dat ieder bouwwerk komt ten valDat streven wil naar ’s hemels sterren.
De Proost.
Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;
Tot in den hemel reikt er niemand.
Dàt is de andre helft der kernen
Verborgen in der fabel schaal:
Dat ieder bouwwerk komt ten val
Dat streven wil naar ’s hemels sterren.
Brand.De Jacobsladder rees zoo hoog toch,En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!
Brand.
De Jacobsladder rees zoo hoog toch,
En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!
De Proost.Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!Daarover valt niets meer te zeggen.Natuurlijk is de hemel ’t loonVoor ’n leven welbesteed en vroom.Maar g’loof en leven te vermengenSchaadt beiden; ’t één is niet het ander;…Zes dagen zijn er om te werken,De zevende is voor zielezorgen;Stond heel de week het Godshuis open,Wie zou er dan nog Zondags komen?’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,Zoo u niet met verstand het spaart;Want godsdienst, evenals de kunstMoet niet zich oplossen in damp.U mag uw idealen zienVan ’s kansels heilig toevluchtsoord …Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,Zoodra u weer in ’t leven staat.Zoo ’k zei, er is een wet in alles,Die strenge zelfbeperking eischt,En ’t is om dit in ’t licht te stellen …Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.
De Proost.
Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!
Daarover valt niets meer te zeggen.
Natuurlijk is de hemel ’t loon
Voor ’n leven welbesteed en vroom.
Maar g’loof en leven te vermengen
Schaadt beiden; ’t één is niet het ander;…
Zes dagen zijn er om te werken,
De zevende is voor zielezorgen;
Stond heel de week het Godshuis open,
Wie zou er dan nog Zondags komen?
’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,
Zoo u niet met verstand het spaart;
Want godsdienst, evenals de kunst
Moet niet zich oplossen in damp.
U mag uw idealen zien
Van ’s kansels heilig toevluchtsoord …
Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,
Zoodra u weer in ’t leven staat.
Zoo ’k zei, er is een wet in alles,
Die strenge zelfbeperking eischt,
En ’t is om dit in ’t licht te stellen …
Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.
Brand.Eén ding begrijp ik: voor mij passenDe staatsbegrippen van mijn ambt niet.
Brand.
Eén ding begrijp ik: voor mij passen
De staatsbegrippen van mijn ambt niet.
De Proost.Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…Maar niet hier … u moet hooger op;…In andre sfeer …
De Proost.
Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…
Maar niet hier … u moet hooger op;…
In andre sfeer …
Brand.In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodigDat ’k eerst gesleurd word door het slijk?
Brand.
In andre sfeer …Is ’t daarvoor noodig
Dat ’k eerst gesleurd word door het slijk?
De Proost.Wie zich vernedert wordt verhoogd.Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.
De Proost.
Wie zich vernedert wordt verhoogd.
Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.
Brand.U moet, wien u gebruikt eerst dooden!
Brand.
U moet, wien u gebruikt eerst dooden!
De Proost.God sta mij bij! Wat denkt u nu,Dat ik zoo iets …?
De Proost.
God sta mij bij! Wat denkt u nu,
Dat ik zoo iets …?
Brand.Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!Eerst iemand langzaam doen verbloeden!Als een geraamte past men eerstIn jullie bloedloos bleek bestaan!
Brand.
Dat ik zoo iets …?Jawel! Zoo is ’t!
Eerst iemand langzaam doen verbloeden!
Als een geraamte past men eerst
In jullie bloedloos bleek bestaan!
De Proost.Ik zou geen kat nog ader laten,Veel minder u, begrijp mij toch!Ik dacht alleen dat het geen kwaad konAls ik u even wees den weg,Waar langsikben vooruit gekomen.
De Proost.
Ik zou geen kat nog ader laten,
Veel minder u, begrijp mij toch!
Ik dacht alleen dat het geen kwaad kon
Als ik u even wees den weg,
Waar langsikben vooruit gekomen.
Brand.Beseft u ook wàt u verlangd heeft?Dat ik bij ’t eerste haangekraaiVan ’t Rijk, verloochnen zal ál watMijn ideaal was waar ’k voor leefde!
Brand.
Beseft u ook wàt u verlangd heeft?
Dat ik bij ’t eerste haangekraai
Van ’t Rijk, verloochnen zal ál wat
Mijn ideaal was waar ’k voor leefde!
De Proost.Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?Ik wees alleen maar op uw plicht;Ik wil dat u op zij zal zettenWat uw gemeente niet tot nut is.Bewaar het alles, als u wil,…Maar hoû ’t hermetisch achter slot.Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,Niet voor het volk, in ’t openbaar.G’loof mij: het wreekt zich op den duur,Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.
De Proost.
Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?
Ik wees alleen maar op uw plicht;
Ik wil dat u op zij zal zetten
Wat uw gemeente niet tot nut is.
Bewaar het alles, als u wil,…
Maar hoû ’t hermetisch achter slot.
Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,
Niet voor het volk, in ’t openbaar.
G’loof mij: het wreekt zich op den duur,
Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.
Brand.Ja, angst voor straf, hoop op belooning,Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jijDen Abel in je ziel gedood hebt!
Brand.
Ja, angst voor straf, hoop op belooning,
Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;
En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jij
Den Abel in je ziel gedood hebt!
De Proost(in zichzelf).Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu nietDen strijd doen duren, maar ik moetU nogmaals vragen in te zien,…Gesteld dat u vooruit wil komen …In wat voor land, in welk een tijdU leeft; want niemand wint den strijdAls hij niet meegaat met de strooming.Kijk naar de artisten, naar de dichters:Verachten die der tijden plichten?Zie de soldaten, dragen zij nogEen scherpe sabel in de schede?Welneen! Omdat een wet gebiedt:Voeg u naar wat uw land behoeft.Zijn eigen ik moet ieder temmen,Nietuitstekenen niet vooròp gaan,Zich in de massa stil verbergen.Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.Als u ’t nu maar humaan aanlegdeKon u nog mooi carrière maken.Maar eerst de kantjes afgeslepen,En afgeschaafd wat hobb’lig is;Glad moet u wezen als de andren,En niet op eigen wegen wandlenZal, wat u doet, ook duurzaam zijn.
De Proost(in zichzelf).
Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;
Dat gaat te ver!(luid)Ik wil nu niet
Den strijd doen duren, maar ik moet
U nogmaals vragen in te zien,…
Gesteld dat u vooruit wil komen …
In wat voor land, in welk een tijd
U leeft; want niemand wint den strijd
Als hij niet meegaat met de strooming.
Kijk naar de artisten, naar de dichters:
Verachten die der tijden plichten?
Zie de soldaten, dragen zij nog
Een scherpe sabel in de schede?
Welneen! Omdat een wet gebiedt:
Voeg u naar wat uw land behoeft.
Zijn eigen ik moet ieder temmen,
Nietuitstekenen niet vooròp gaan,
Zich in de massa stil verbergen.
Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.
Als u ’t nu maar humaan aanlegde
Kon u nog mooi carrière maken.
Maar eerst de kantjes afgeslepen,
En afgeschaafd wat hobb’lig is;
Glad moet u wezen als de andren,
En niet op eigen wegen wandlen
Zal, wat u doet, ook duurzaam zijn.
Brand.Weg, weg van hier!
Brand.
Weg, weg van hier!
De Proost.Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;Een man als u, ’k begrijp het goed,Verlangt een beetren arbeidskring;Maar, zal u ooit tevreden zijnIn ruimen of in kleinen kring,Moet u de tijdslivrei aantrekken.De korporaal moet met den stokDe maat er in slaan bij het volk.Want ’t ideaal van een die vóórgaatIs thans bij ons, een korporaal.Zooals de korporaal zijn menschenTer kerke leidt, in het gelid,Zoo moet u de gemeente leidenAls herder naar het Paradijs,’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloofHeeft u, als leeraar, het gezag;En daar dat weer op studie steuntNeemt men ’t ook blindelings wel aan.En hoe de leer u moet verkond’genDat toont u wet en ritueel wel.Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,Om na te denken is ’t nog tijd;Begrijp den toestand, wees niet angstig!…’k Wil in de kerk nog eens beproevenOf ik met luider stem kan spreken;’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…Die komt hier maar zoo zelden voor.Tot weerziens; straks zal ’k preeken overDe tweespalt in der menschen ziel,En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijdOm ’n kleine hartsterking te nemen(af).
De Proost.
Weg, weg van hier!Ja, dat is waar;
Een man als u, ’k begrijp het goed,
Verlangt een beetren arbeidskring;
Maar, zal u ooit tevreden zijn
In ruimen of in kleinen kring,
Moet u de tijdslivrei aantrekken.
De korporaal moet met den stok
De maat er in slaan bij het volk.
Want ’t ideaal van een die vóórgaat
Is thans bij ons, een korporaal.
Zooals de korporaal zijn menschen
Ter kerke leidt, in het gelid,
Zoo moet u de gemeente leiden
Als herder naar het Paradijs,
’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloof
Heeft u, als leeraar, het gezag;
En daar dat weer op studie steunt
Neemt men ’t ook blindelings wel aan.
En hoe de leer u moet verkond’gen
Dat toont u wet en ritueel wel.
Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,
Om na te denken is ’t nog tijd;
Begrijp den toestand, wees niet angstig!…
’k Wil in de kerk nog eens beproeven
Of ik met luider stem kan spreken;
’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…
Die komt hier maar zoo zelden voor.
Tot weerziens; straks zal ’k preeken over
De tweespalt in der menschen ziel,
En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…
Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijd
Om ’n kleine hartsterking te nemen(af).
Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;Daar klonk ééndaags-trompetgeschalEn wees mij welken geest ik diende.Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!Ontzettend is ’t alleen te staan,…Waarheen ik zie den dood te ontwaren;Ontzettend, zóó naar brood te hongren,Als men u niets dan steenen reikt.Wat sprak hij angstverwekkend waar,…Doch welk een afgrond werd onthuld!Gods heil’ge duive zit verborgen,Bracht nooit nog klaarheid over mij!…O, stond in ’t g’loof maar één mij na …Die mij weer kalmte gaf en rust!
Brand(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).
’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,
Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;
Daar klonk ééndaags-trompetgeschal
En wees mij welken geest ik diende.
Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!
Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;
Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;
Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!
Ontzettend is ’t alleen te staan,…
Waarheen ik zie den dood te ontwaren;
Ontzettend, zóó naar brood te hongren,
Als men u niets dan steenen reikt.
Wat sprak hij angstverwekkend waar,…
Doch welk een afgrond werd onthuld!
Gods heil’ge duive zit verborgen,
Bracht nooit nog klaarheid over mij!…
O, stond in ’t g’loof maar één mij na …
Die mij weer kalmte gaf en rust!
(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).
Brand(uitroepend:)Jij, Ejnar!
Brand(uitroepend:)
Jij, Ejnar!
Ejnar.Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.
Ejnar.
Jij, Ejnar!Ja, zoo is mijn naam.
Brand.Juist nu ’k naar iemand zoo verlangWiens hart niet is van hout of steen!O, Ejnar, kom hier in mijn armen!
Brand.
Juist nu ’k naar iemand zoo verlang
Wiens hart niet is van hout of steen!
O, Ejnar, kom hier in mijn armen!
Ejnar.Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.
Ejnar.
Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.
Brand.Je koestert wrok na zooveel jaren,Om wat er eens gebeurd is?
Brand.
Je koestert wrok na zooveel jaren,
Om wat er eens gebeurd is?
Ejnar.Om wat er eens gebeurd is?Neen;Jij hebt geen schuld. Ik zie in jouHet blinde werktuig, dat Gods liefdeMij toezond, toen ik was verdwaald.
Ejnar.
Om wat er eens gebeurd is?Neen;
Jij hebt geen schuld. Ik zie in jou
Het blinde werktuig, dat Gods liefde
Mij toezond, toen ik was verdwaald.
Brand(wijkt terug).Wat ’s dat voor taal?
Brand(wijkt terug).
Wat ’s dat voor taal?
Ejnar.Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…Die iemand leert, als hij der zondeGewaad aflegt, en wordt herboren.
Ejnar.
Wat ’s dat voor taal?De taal der ruste,…
Die iemand leert, als hij der zonde
Gewaad aflegt, en wordt herboren.
Brand.Verwonderlijk! Ik had gehoordDat jij toenmaals heel andre wegenHad ingeslagen …
Brand.
Verwonderlijk! Ik had gehoord
Dat jij toenmaals heel andre wegen
Had ingeslagen …
Ejnar.Had ingeslagen …’k Was verleidDoor hoogmoed, trotsch op eigen krachten.De gaven, die de wereld aankweekt,’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,Die mij in Satans netten trokken.Maar God zij dank; hij had mij lief,Hij liet zijn zwakke lam niet los;Hij hielp mij, toen het noodig was.
Ejnar.
Had ingeslagen …’k Was verleid
Door hoogmoed, trotsch op eigen krachten.
De gaven, die de wereld aankweekt,
’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,
Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,
Die mij in Satans netten trokken.
Maar God zij dank; hij had mij lief,
Hij liet zijn zwakke lam niet los;
Hij hielp mij, toen het noodig was.
Brand.Op welke wijze?
Brand.
Op welke wijze?
Ejnar.Op welke wijze?Ik verviel …
Ejnar.
Op welke wijze?Ik verviel …
Brand.Verviel? Waartoe?
Brand.
Verviel? Waartoe?
Ejnar.Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …
Ejnar.
Verviel? Waartoe?Tot drank en spel;
Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …
Brand.En noem je dàt een daad des Heeren?
Brand.
En noem je dàt een daad des Heeren?
Ejnar.’t Was tot verlossing de eerste stap.Daarna werd ik een tijdlang ziek.’k Verloor mijn werklust, mijn talent,En al mijn vroolijkheid verdween.Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;Lang lag ik ziek, in heete koortsen …Ik meende dat ’k in alle kamersZag duizenden heel groote vliegen,…Kwam er weer uit en maakte kennisMet zusters, die in ’s hemels dienst staan,Verloren zielen zoekend rondgaan;En dezen, met een theoloog,Verlosten mij van ’s werelds juk,Bevrijdden mij uit ’t net der zondeEn maakten mij tot ’n kind des Heeren.
Ejnar.
’t Was tot verlossing de eerste stap.
Daarna werd ik een tijdlang ziek.
’k Verloor mijn werklust, mijn talent,
En al mijn vroolijkheid verdween.
Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;
Lang lag ik ziek, in heete koortsen …
Ik meende dat ’k in alle kamers
Zag duizenden heel groote vliegen,…
Kwam er weer uit en maakte kennis
Met zusters, die in ’s hemels dienst staan,
Verloren zielen zoekend rondgaan;
En dezen, met een theoloog,
Verlosten mij van ’s werelds juk,
Bevrijdden mij uit ’t net der zonde
En maakten mij tot ’n kind des Heeren.
Brand.Zoo.
Brand.
Zoo.
Ejnar.Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;Het andere langs een steile helling.
Ejnar.
Zoo.Ja. Eén pad leidt door het dal;
Het andere langs een steile helling.
Brand.En later?
Brand.
En later?
Ejnar.En later?Later? Ja, dat ’s waar;Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.Maar daarbij loopt men groot gevaarWeer in verzoeking te geraken;Ik zocht daarom iets anders weer,Ik ga nu weg als zendeling …
Ejnar.
En later?Later? Ja, dat ’s waar;
Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.
Maar daarbij loopt men groot gevaar
Weer in verzoeking te geraken;
Ik zocht daarom iets anders weer,
Ik ga nu weg als zendeling …
Brand.Waarheen?
Brand.
Waarheen?
Ejnar.Waarheen?Naar ’t land der woeste negersMaar ’t best is dat wij nu maar scheiden!Mijn tijd is kostbaar …
Ejnar.
Waarheen?Naar ’t land der woeste negers
Maar ’t best is dat wij nu maar scheiden!
Mijn tijd is kostbaar …
Brand.Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?’t Is feest van daag hier.
Brand.
Mijn tijd is kostbaar …Blijf je niet?
’t Is feest van daag hier.
Ejnar.’t Is feest van daag hier.Dank je wel;Mijn plaats is bij de zwarte zielen.Vaarwel!(wil gaan).
Ejnar.
’t Is feest van daag hier.Dank je wel;
Mijn plaats is bij de zwarte zielen.
Vaarwel!(wil gaan).
Brand.Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinneringJe te verwijlen en te vragen …?
Brand.
Vaarwel!(wil gaan).Dringt geen herinnering
Je te verwijlen en te vragen …?
Ejnar.Waarnaar?
Ejnar.
Waarnaar?
Brand.Waarnaar?Naar een, die zou betreurenDen afgrond tusschen nu en toen …
Brand.
Waarnaar?Naar een, die zou betreuren
Den afgrond tusschen nu en toen …
Ejnar.Ja, ik begrijp, je denkt wellichtNog aan die jonge vrouw van toen,Die me in haar netten hield gevangen,Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.Wel, hoe is het met haar gesteld?
Ejnar.
Ja, ik begrijp, je denkt wellicht
Nog aan die jonge vrouw van toen,
Die me in haar netten hield gevangen,
Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.
Wel, hoe is het met haar gesteld?
Brand.Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.
Brand.
Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.
Ejnar.Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó ietsSchenk ik volstrekt geen aandacht meer?Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.
Ejnar.
Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó iets
Schenk ik volstrekt geen aandacht meer?
Dat waar ’t opaankomtzeg me alleen.
Brand.Ons leven was gezegend rijkMet vreugd en leed; ons kindje stierf …
Brand.
Ons leven was gezegend rijk
Met vreugd en leed; ons kindje stierf …
Ejnar.Heeft geen beteeknis.
Ejnar.
Heeft geen beteeknis.
Brand.Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?
Brand.
Heeft geen beteeknis.Dat óók niet?
Ejnar.Naar zulke dingen vraag ik niet;’k Wil wetenhoezij is gestorven.
Ejnar.
Naar zulke dingen vraag ik niet;
’k Wil wetenhoezij is gestorven.
Brand.Met blijde hoop op ’t morgenrood,Met heel den rijkdom van haar hart,Met vasten wil tot ’t laatste toe;…Met dank voor al wat ’t leven gafEn nam, zoo ging zij in haar graf.
Brand.
Met blijde hoop op ’t morgenrood,
Met heel den rijkdom van haar hart,
Met vasten wil tot ’t laatste toe;…
Met dank voor al wat ’t leven gaf
En nam, zoo ging zij in haar graf.
Ejnar.Dat alles is maar woordenpraal;Zeg hoe het stond met haar geloof?
Ejnar.
Dat alles is maar woordenpraal;
Zeg hoe het stond met haar geloof?
Brand.Onwrikbaar.
Brand.
Onwrikbaar.
Ejnar.Onwrikbaar.In wien?
Ejnar.
Onwrikbaar.In wien?
Brand.Onwrikbaar. In wien?In haar God!
Brand.
Onwrikbaar. In wien?In haar God!
Ejnar.Alleen in hem? Dat is haar oordeel!
Ejnar.
Alleen in hem? Dat is haar oordeel!
Brand.Wat zeg je daar?
Brand.
Wat zeg je daar?
Ejnar.Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.
Ejnar.
Wat zeg je daar?Verdoemd, helaas.
Brand(kalm).Loop heen, lummel!
Brand(kalm).
Loop heen, lummel!
Ejnar.Loop heen, lummel!De Heer der helleHeeft in zijn greep ook jou te pakken;…Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.
Ejnar.
Loop heen, lummel!De Heer der helle
Heeft in zijn greep ook jou te pakken;…
Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.
Brand.Ellendeling, durf jij verdoemen!Die zelf lag in een poel van zonden …
Brand.
Ellendeling, durf jij verdoemen!
Die zelf lag in een poel van zonden …
Ejnar.Op mij kleeft nu geen enkle smet;Ik ben gereinigd door het g’loof;En alles wat er onrein wasWies ware heiligheid mij af;Gereinigd is mijn AdamskleedDoor der ontwaking klophout-slag;En als een koorhemd ben ik blank,Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.
Ejnar.
Op mij kleeft nu geen enkle smet;
Ik ben gereinigd door het g’loof;
En alles wat er onrein was
Wies ware heiligheid mij af;
Gereinigd is mijn Adamskleed
Door der ontwaking klophout-slag;
En als een koorhemd ben ik blank,
Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.
Brand.Schaam je!
Brand.
Schaam je!
Ejnar.Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,En ’k zie den duivel om den hoek staan.Ikben een korrel hemelsch koren,…Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).
Ejnar.
Schaam je!Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,
En ’k zie den duivel om den hoek staan.
Ikben een korrel hemelsch koren,…
Jijin de zeef van ’t oordeel … kaf.(af).
Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)Naardienman moest ik verlangen!Nu zijn alle banden los;Eigen vlag zal ik ontplooien,Al ging niemand met mij mee!
Brand(kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)
Naardienman moest ik verlangen!
Nu zijn alle banden los;
Eigen vlag zal ik ontplooien,
Al ging niemand met mij mee!
De Baljuw(komt haastig op).Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!Heel de schare voor den optochtStaat gereed om uit te trekken …
De Baljuw(komt haastig op).
Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!
Heel de schare voor den optocht
Staat gereed om uit te trekken …
Brand.Laat hen komen.
Brand.
Laat hen komen.
De Baljuw.Laat hen komen.Zonder u!Denk eens na, spoed u naar huis!’t Volk wil al niet langer wachten;Al die goede menschen dringenAls een bergrivier in ’t voorjaar,Naar de pastorie opstuwend,Roepen dat ze u willen zien.Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!Haast u, want ik vrees zij mochtenNiet humaan te werk eens gaan.
De Baljuw.
Laat hen komen.Zonder u!
Denk eens na, spoed u naar huis!
’t Volk wil al niet langer wachten;
Al die goede menschen dringen
Als een bergrivier in ’t voorjaar,
Naar de pastorie opstuwend,
Roepen dat ze u willen zien.
Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!
Haast u, want ik vrees zij mochten
Niet humaan te werk eens gaan.
Brand.Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigenIn hun midden, met u gaan;Ik blijf hier.
Brand.
Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigen
In hun midden, met u gaan;
Ik blijf hier.
De Baljuw.Ik blijf hier.Is u krankzinnig?
De Baljuw.
Ik blijf hier.Is u krankzinnig?
Brand.Uw weg is voor mij te smal.
Brand.
Uw weg is voor mij te smal.
De Baljuw.Die wordt smaller nog hoe langerMeer en meer het volk gaat dringen;Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!Proost en priesters, ambtenaarsAllemaal op zij gedrongen …;Kom toch, kom toch, sla d’r op los!Laat uw invloed zich doen gelden!Al te laat! de rijen breken;Heel de optocht loopt in ’t honderd!
De Baljuw.
Die wordt smaller nog hoe langer
Meer en meer het volk gaat dringen;
Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!
Proost en priesters, ambtenaars
Allemaal op zij gedrongen …;
Kom toch, kom toch, sla d’r op los!
Laat uw invloed zich doen gelden!
Al te laat! de rijen breken;
Heel de optocht loopt in ’t honderd!
(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).
Enkele stemmen.Brand!
Enkele stemmen.
Brand!
Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)Brand!Kijk daar!
Andere(wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)
Brand!Kijk daar!
Weer andere.Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!
Weer andere.
Brand! Kijk daar!Geef nu het teeken!
De Proost(in het gedrang).Baljuw, hoû het volk toch tegen!
De Proost(in het gedrang).
Baljuw, hoû het volk toch tegen!
De Baljuw.Ik heb heden niets te zeggen!
De Baljuw.
Ik heb heden niets te zeggen!
De Schoolmeester.Spreek een enkel woord tot hen,Dat hen tot bedaren brengt!Is ’t iets slechts of is ’t iets goedsWat er hier gebeuren moet?
De Schoolmeester.
Spreek een enkel woord tot hen,
Dat hen tot bedaren brengt!
Is ’t iets slechts of is ’t iets goeds
Wat er hier gebeuren moet?
Brand.O, er gaat dus nog een stroomingDoor hun drukkend loome kalmte!Menschen, gij staat aan den kruisweg,’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…Vóór de tempel, hoog en grootOprijst tot een bedehuis!
Brand.
O, er gaat dus nog een strooming
Door hun drukkend loome kalmte!
Menschen, gij staat aan den kruisweg,
’t Nieuwe moetgeheelgij willen,…
Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…
Vóór de tempel, hoog en groot
Oprijst tot een bedehuis!
De Ambtenaren.Hoor, hij raaskalt!
De Ambtenaren.
Hoor, hij raaskalt!
De Geestelijken.Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!
De Geestelijken.
Hoor, hij raaskalt!Hij is gek!
Brand.Ja, dat wàs ik, toen ik meendeDat gij, hoe dan ook, toch diendeHem, die geest en waarheid wil!En ik was het, toen ik dacht,Dat ik hem u nader brachtLonkend, dingend, met den Heer;Klein was maar het oude kerkje,En ik redeneerde zoo:Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!En ik zag niet hoe ’t weer gold’t Oudeallesof welniets.Transigeerend dwaalde ik af.Maar op heden sprak de Heer.De bazuin des Oordeels heeft erOver ’t huis zoo juist geklonken,…En ik, luistrend, angstig, bevend,Klein, als David stond voor Nathan,Was verslagen, stom van schrik;…Nu is alle twijfel weg.Schipp’ren blijft een werk des Duivels!
Brand.
Ja, dat wàs ik, toen ik meende
Dat gij, hoe dan ook, toch diende
Hem, die geest en waarheid wil!
En ik was het, toen ik dacht,
Dat ik hem u nader bracht
Lonkend, dingend, met den Heer;
Klein was maar het oude kerkje,
En ik redeneerde zoo:
Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;
Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!
En ik zag niet hoe ’t weer gold
’t Oudeallesof welniets.
Transigeerend dwaalde ik af.
Maar op heden sprak de Heer.
De bazuin des Oordeels heeft er
Over ’t huis zoo juist geklonken,…
En ik, luistrend, angstig, bevend,
Klein, als David stond voor Nathan,
Was verslagen, stom van schrik;…
Nu is alle twijfel weg.
Schipp’ren blijft een werk des Duivels!
De Menigte(in stijgende opwinding).Weg met hen die ons verblindden!Doodt, wie stalen onze krachten!
De Menigte(in stijgende opwinding).
Weg met hen die ons verblindden!
Doodt, wie stalen onze krachten!
Brand.Gij liet door den Booze u’n Blinddoek voor de oogen binden,Klein verdeeld hebt gij uw krachten,U verbrokkeld en gekloofd;Daardoor zijt gij zwak en hol nu,Niemand krachtig, sterk en heel.Wat zoekt gij hier in de kerk?’t Is de praal maar die u lokt,Orgelspel en klokgelui …Het genot van heerlijk huivrenBij een preek vol vuur en gloed,Die daar lispelt, die daar fluistert,Wast en overvloeit en dondert,Naar de regels van de kunst!
Brand.
Gij liet door den Booze u
’n Blinddoek voor de oogen binden,
Klein verdeeld hebt gij uw krachten,
U verbrokkeld en gekloofd;
Daardoor zijt gij zwak en hol nu,
Niemand krachtig, sterk en heel.
Wat zoekt gij hier in de kerk?
’t Is de praal maar die u lokt,
Orgelspel en klokgelui …
Het genot van heerlijk huivren
Bij een preek vol vuur en gloed,
Die daar lispelt, die daar fluistert,
Wast en overvloeit en dondert,
Naar de regels van de kunst!
De Proost(in zichzelf).Daarmee doelt hij op den baljuw!
De Proost(in zichzelf).
Daarmee doelt hij op den baljuw!
De Baljuw(evenzoo).Dat is op den proost gemunt!
De Baljuw(evenzoo).
Dat is op den proost gemunt!
Brand.’t Is de glans der nieuwe kaarsen,’t Uiterlijke dat gij wilt.En dan weer naar huis in stompheid,Weer terug in sleur en dufheid,Lijf en ziel in werkdags-kleeren;En diep in de kist verborgen,Goed bezorgd, het boek des levens,Tot er weer een Zondag komt!O, dat was ’t niet wat ik droomde,Toen ik al die offers bracht!Hoog en groot wilde ik de kerk,Dat zij overwelven zouNiet alleen geloof en leer,Maar àl wat God in het levenRecht van leven heeft gegeven …Zweet en stof van ’t zware dagwerk,Avondrust en bange nachten,Levenslust van jonge menschen,Alles wat van vreugd en leed’n Menschenziel maar kan bevatten.’t Bruisend neerstorten van beek enWaterval in donkren afgrond,Tonen gierend uit den storm,Klanken uit de zee òpklinkend,Moesten met het orgelspelEn met ’t lied van menschenstemmenAls bezworen, samen smelten!Weg met ’t werk dat hier gedaan is!’t Is alleen in leugens groot;Rijp alweder om te vallen,Is het uw klein-willen waardig.Gij wilt allen wasdom doodenDoor uw werk van God te scheiden …Zes der dagen van de weekHaalt gij Gods banier naar binnen.En den zevenden alleen,Ziet men haar ten hemel wapp’ren!
Brand.
’t Is de glans der nieuwe kaarsen,
’t Uiterlijke dat gij wilt.
En dan weer naar huis in stompheid,
Weer terug in sleur en dufheid,
Lijf en ziel in werkdags-kleeren;
En diep in de kist verborgen,
Goed bezorgd, het boek des levens,
Tot er weer een Zondag komt!
O, dat was ’t niet wat ik droomde,
Toen ik al die offers bracht!
Hoog en groot wilde ik de kerk,
Dat zij overwelven zou
Niet alleen geloof en leer,
Maar àl wat God in het leven
Recht van leven heeft gegeven …
Zweet en stof van ’t zware dagwerk,
Avondrust en bange nachten,
Levenslust van jonge menschen,
Alles wat van vreugd en leed
’n Menschenziel maar kan bevatten.
’t Bruisend neerstorten van beek en
Waterval in donkren afgrond,
Tonen gierend uit den storm,
Klanken uit de zee òpklinkend,
Moesten met het orgelspel
En met ’t lied van menschenstemmen
Als bezworen, samen smelten!
Weg met ’t werk dat hier gedaan is!
’t Is alleen in leugens groot;
Rijp alweder om te vallen,
Is het uw klein-willen waardig.
Gij wilt allen wasdom dooden
Door uw werk van God te scheiden …
Zes der dagen van de week
Haalt gij Gods banier naar binnen.
En den zevenden alleen,
Ziet men haar ten hemel wapp’ren!
Stemmen uit de menigte.Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!Met u zullen we overwinnen!
Stemmen uit de menigte.
Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!
Met u zullen we overwinnen!
De Proost.Luistert niet! Hij is geen Christen,Hij bezit niet ’t ware g’loof.
De Proost.
Luistert niet! Hij is geen Christen,
Hij bezit niet ’t ware g’loof.
Brand.Ha! Daar noemt gij juist het punt …Voor ons beiden het geschilpunt,En voor de verbroken éénheid!Zonder ziel kan niemand g’looven!Wijs mij hier één ènkle ziel!Wijs mij iemand die niet wegwierp’t Beste wat er in hem is.Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,Onder ’t jagen naar genoegens,…Lokkend fluitend goochelspel …Wordt gij stomp voor levensvreugd.Uitgebrand pas en gebrokenKomen zij voor de arke dansen!Hebben kreup’len dan en doovenEerst den beker leeg gedronken,…Ja, dàn is het tijd voor boete,Tijd voor hopen en voor bidden,Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,Wordt als ’t redelooze dier,Kruipt gij naar de hemelpoort,Zoekend God … als invaliden!Daarom moet zijn rijk vervallen.Waarom zou hij aan zijn voetenDie verlepte zielen dulden?Heeft hij zelf het niet verkondigd …Enkel zij, die rein van zin zijnAls een kind, en onbedorven,Zullen ’t hemelrijk eens erven!Kinderzin alléén bereikt dat!Transigeert niet met u zelven.Komt dan allen, mannen, vrouwen,…Komt met frissche kinderwangen,In de groote kerk des levens!
Brand.
Ha! Daar noemt gij juist het punt …
Voor ons beiden het geschilpunt,
En voor de verbroken éénheid!
Zonder ziel kan niemand g’looven!
Wijs mij hier één ènkle ziel!
Wijs mij iemand die niet wegwierp
’t Beste wat er in hem is.
Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,
Onder ’t jagen naar genoegens,…
Lokkend fluitend goochelspel …
Wordt gij stomp voor levensvreugd.
Uitgebrand pas en gebroken
Komen zij voor de arke dansen!
Hebben kreup’len dan en dooven
Eerst den beker leeg gedronken,…
Ja, dàn is het tijd voor boete,
Tijd voor hopen en voor bidden,
Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,
Wordt als ’t redelooze dier,
Kruipt gij naar de hemelpoort,
Zoekend God … als invaliden!
Daarom moet zijn rijk vervallen.
Waarom zou hij aan zijn voeten
Die verlepte zielen dulden?
Heeft hij zelf het niet verkondigd …
Enkel zij, die rein van zin zijn
Als een kind, en onbedorven,
Zullen ’t hemelrijk eens erven!
Kinderzin alléén bereikt dat!
Transigeert niet met u zelven.
Komt dan allen, mannen, vrouwen,…
Komt met frissche kinderwangen,
In de groote kerk des levens!
De Baljuw.Maak dan open!
De Baljuw.
Maak dan open!
De Menigte(gilt angstig).Maak dan open!Neen! Niet deze!
De Menigte(gilt angstig).
Maak dan open!Neen! Niet deze!
Brand.Onze kerk heeft paal noch perken,’t Groene aardrijk is haar vloer,Weide of akker, zee of fjord;’s Hemels blauw is het gewelfDat haar ruimte overspant.Daar zal al uw werk gebeuren,Dat een ieder ’t moge hooren;Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,Haar daarmede te ontwijden.Zij zal alles dekken, evenAls de bast den heelen stam:Dáár wordt g’loof en leven één.Daar zal ’t daaglijksch werken wordenEén geheel met wet en g’loofsleer.Daar zal ’t dagwerk voor u één zijnMet verlangen naar het hoog’re,’t Spel der kinderen om den kerstboom,En den feestdans vóór de arke!
Brand.
Onze kerk heeft paal noch perken,
’t Groene aardrijk is haar vloer,
Weide of akker, zee of fjord;
’s Hemels blauw is het gewelf
Dat haar ruimte overspant.
Daar zal al uw werk gebeuren,
Dat een ieder ’t moge hooren;
Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,
Haar daarmede te ontwijden.
Zij zal alles dekken, even
Als de bast den heelen stam:
Dáár wordt g’loof en leven één.
Daar zal ’t daaglijksch werken worden
Eén geheel met wet en g’loofsleer.
Daar zal ’t dagwerk voor u één zijn
Met verlangen naar het hoog’re,
’t Spel der kinderen om den kerstboom,
En den feestdans vóór de arke!
(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).
Duizend Stemmen.Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…Eén is ’t:leven… en God dienen!
Duizend Stemmen.
Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…
Eén is ’t:leven… en God dienen!
De Proost.Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!Helpt politie, baljuw, koster!
De Proost.
Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!
Helpt politie, baljuw, koster!
De Baljuw(gedempt).Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaanVechten met een dollen stier?Wacht tot hij is uitgeraasd.
De Baljuw(gedempt).
Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaan
Vechten met een dollen stier?
Wacht tot hij is uitgeraasd.
Brand(tegen de menigte).Weg van hier! Hier is God niet!Kàn hij zijn hier bij dezulken?Vrij en heerlijk is zijn rijk.(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).Hier ben ik geen priester meer.Ik herroep wat ’k heb geschonken;…Uit mijn hand zal niemand krijgenDeze sleutels voor uw feest!(gooit de sleutels in de rivier).Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…Kruip dan door het keldergat;Krom uw slappen rug, en buk;Laat in ’t donker uw verpesteZuchten sluipen langs den grond,Krachtloos als uw rotte longen!
Brand(tegen de menigte).
Weg van hier! Hier is God niet!
Kàn hij zijn hier bij dezulken?
Vrij en heerlijk is zijn rijk.
(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).
Hier ben ik geen priester meer.
Ik herroep wat ’k heb geschonken;…
Uit mijn hand zal niemand krijgen
Deze sleutels voor uw feest!
(gooit de sleutels in de rivier).
Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…
Kruip dan door het keldergat;
Krom uw slappen rug, en buk;
Laat in ’t donker uw verpeste
Zuchten sluipen langs den grond,
Krachtloos als uw rotte longen!
De Baljuw(zachtjes en verlicht).Ha, daar gaat de ridderorde!
De Baljuw(zachtjes en verlicht).
Ha, daar gaat de ridderorde!
De Proost(evenzoo).Zoo, die wordt geen bisschop meer!
De Proost(evenzoo).
Zoo, die wordt geen bisschop meer!
Brand.Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,Laat van u, door ’s levens adem,Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.Volg mij op mijn zegetocht!Eénmaal moet gij toch ontwaken,Eénmaal moet gij toch, geadeld,Breken met wat schipp’ren heet;…Uit de ellende van uw lafheid,Uit al wat er zwak en laag is.Sla in ’t aangezicht uw vijand!Strijd met hem op dood en leven!
Brand.
Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,
Laat van u, door ’s levens adem,
Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.
Volg mij op mijn zegetocht!
Eénmaal moet gij toch ontwaken,
Eénmaal moet gij toch, geadeld,
Breken met wat schipp’ren heet;…
Uit de ellende van uw lafheid,
Uit al wat er zwak en laag is.
Sla in ’t aangezicht uw vijand!
Strijd met hem op dood en leven!
De Baljuw.Halt! Ik lees de oproersakte!
De Baljuw.
Halt! Ik lees de oproersakte!
Brand.Lees maar! Ik breek nu met alles!
Brand.
Lees maar! Ik breek nu met alles!
De Menigte.Wijs den weg, wij zullen volgen!
De Menigte.
Wijs den weg, wij zullen volgen!