Chapter 24

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!De Proost.Kindren klagen: weg is vader!De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!(allen af).(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!De Schoolmeester..Langs welken weg?Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.Brand.De steilste weg is ook de kortste.Een Vrouw.Mijn kind is ziek!Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!Eenigen.Slaat hem maar dood!De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.Brand.Kiest menschen!Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!Verscheidenen.Hoe zoo?De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!De Menigte.Wat zegt hij daar!De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!Velen.Een vischschool!De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!Eenigen.Maar Brand dan?…De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …Verscheidenen.Hij loog ons voor.De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!Enkelen.Wàt heeft hij?De Baljuw.Een gemeen karakter!De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!De Koster.En ook zijn vrouw!De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!De Koster.Die vorderen geen levensoffers.De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.(De menigte daalt den berg af).De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.De Baljuw.Wat voor mirakel?De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!De Proost.Och kom? Een leugen?De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!De Proost.Kindren klagen: weg is vader!De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!(allen af).(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!De Schoolmeester..Langs welken weg?Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.Brand.De steilste weg is ook de kortste.Een Vrouw.Mijn kind is ziek!Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!Eenigen.Slaat hem maar dood!De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.Brand.Kiest menschen!Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!Verscheidenen.Hoe zoo?De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!De Menigte.Wat zegt hij daar!De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!Velen.Een vischschool!De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!Eenigen.Maar Brand dan?…De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …Verscheidenen.Hij loog ons voor.De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!Enkelen.Wàt heeft hij?De Baljuw.Een gemeen karakter!De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!De Koster.En ook zijn vrouw!De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!De Koster.Die vorderen geen levensoffers.De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.(De menigte daalt den berg af).De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.De Baljuw.Wat voor mirakel?De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!De Proost.Och kom? Een leugen?De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!De Proost.Kindren klagen: weg is vader!De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!(allen af).(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!De Schoolmeester..Langs welken weg?Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.Brand.De steilste weg is ook de kortste.Een Vrouw.Mijn kind is ziek!Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!Eenigen.Slaat hem maar dood!De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.Brand.Kiest menschen!Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!Verscheidenen.Hoe zoo?De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!De Menigte.Wat zegt hij daar!De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!Velen.Een vischschool!De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!Eenigen.Maar Brand dan?…De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …Verscheidenen.Hij loog ons voor.De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!Enkelen.Wàt heeft hij?De Baljuw.Een gemeen karakter!De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!De Koster.En ook zijn vrouw!De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!De Koster.Die vorderen geen levensoffers.De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.(De menigte daalt den berg af).De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.De Baljuw.Wat voor mirakel?De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!De Proost.Och kom? Een leugen?De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!De Proost.Kindren klagen: weg is vader!De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!(allen af).(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!De Schoolmeester..Langs welken weg?Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.Brand.De steilste weg is ook de kortste.Een Vrouw.Mijn kind is ziek!Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!Eenigen.Slaat hem maar dood!De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.Brand.Kiest menschen!Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!Verscheidenen.Hoe zoo?De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!De Menigte.Wat zegt hij daar!De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!Velen.Een vischschool!De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!Eenigen.Maar Brand dan?…De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …Verscheidenen.Hij loog ons voor.De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!Enkelen.Wàt heeft hij?De Baljuw.Een gemeen karakter!De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!De Koster.En ook zijn vrouw!De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!De Koster.Die vorderen geen levensoffers.De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.(De menigte daalt den berg af).De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.De Baljuw.Wat voor mirakel?De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!De Proost.Och kom? Een leugen?De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!De Proost.Kindren klagen: weg is vader!De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!(allen af).(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!De Schoolmeester..Langs welken weg?Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.Brand.De steilste weg is ook de kortste.Een Vrouw.Mijn kind is ziek!Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!Eenigen.Slaat hem maar dood!De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.Brand.Kiest menschen!Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!Verscheidenen.Hoe zoo?De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!De Menigte.Wat zegt hij daar!De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!Velen.Een vischschool!De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!Eenigen.Maar Brand dan?…De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …Verscheidenen.Hij loog ons voor.De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!Enkelen.Wàt heeft hij?De Baljuw.Een gemeen karakter!De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!De Koster.En ook zijn vrouw!De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!De Koster.Die vorderen geen levensoffers.De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.(De menigte daalt den berg af).De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.De Baljuw.Wat voor mirakel?De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!De Proost.Och kom? Een leugen?De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand.Over ’t ijs der steile gletschers!Heel het land door, gaan wij trekken,Iedren zieleband ontknoopendDie het volk gevangen houdt,…Dan gelouterd, hoog en vrij,Al wat traag en stomp is wegdoen,Mannen wordend, priesters wordend,Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,Welvend ’t Godsrijk als een tempel!

Brand.

Over ’t ijs der steile gletschers!

Heel het land door, gaan wij trekken,

Iedren zieleband ontknoopend

Die het volk gevangen houdt,…

Dan gelouterd, hoog en vrij,

Al wat traag en stomp is wegdoen,

Mannen wordend, priesters wordend,

Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,

Welvend ’t Godsrijk als een tempel!

(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).

Vele Stemmen.Groot zijn deze dagen! grooteDingen zal men zien gebeuren!

Vele Stemmen.

Groot zijn deze dagen! groote

Dingen zal men zien gebeuren!

(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).

De Proost(tegen de weggaanden).O, verblinden toch! Wat wilt gij?Ziet gij niet dat Satans geest uitAl wat hij verkondigt, spreekt?

De Proost(tegen de weggaanden).

O, verblinden toch! Wat wilt gij?

Ziet gij niet dat Satans geest uit

Al wat hij verkondigt, spreekt?

De Baljuw.Hei! Keert om, je past veel beterIn het dorp hier, kalm en stil.Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…Hm, geen antwoord zelfs, die honden!

De Baljuw.

Hei! Keert om, je past veel beter

In het dorp hier, kalm en stil.

Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…

Hm, geen antwoord zelfs, die honden!

De Proost.Denkt toch aan je huis en haard!

De Proost.

Denkt toch aan je huis en haard!

Stemmen uit de menigte.’n Grooter huis rijst voor ons op!

Stemmen uit de menigte.

’n Grooter huis rijst voor ons op!

De Baljuw.Denkt aan jullie veld en akker,Denkt aan ’t onverzorgde vee!

De Baljuw.

Denkt aan jullie veld en akker,

Denkt aan ’t onverzorgde vee!

Stemmen.Van den hemel daalde mannaToen zijn volk eens honger leed!

Stemmen.

Van den hemel daalde manna

Toen zijn volk eens honger leed!

De Proost.Hoort je vrouwen om je jamren!

De Proost.

Hoort je vrouwen om je jamren!

Stemmen(ver weg).Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!

Stemmen(ver weg).

Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!

De Proost.Kindren klagen: weg is vader!

De Proost.

Kindren klagen: weg is vader!

De heele Schare.Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!

De heele Schare.

Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!

De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)Zonder kudde, angstig vragend,Staat nu de oude zieleherder,Uitgekleed tot op het hemd!

De Proost(kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)

Zonder kudde, angstig vragend,

Staat nu de oude zieleherder,

Uitgekleed tot op het hemd!

De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).Hèm zal het er naar vergaan!Overwinnen zullen wij!

De Baljuw(maakt een dreigend gebaar).

Hèm zal het er naar vergaan!

Overwinnen zullen wij!

De Proost.Overwinnen?… Zij zijn weg!

De Proost.

Overwinnen?… Zij zijn weg!

De Baljuw.Ja, maar wij zijn er toch nog …En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).

De Baljuw.

Ja, maar wij zijn er toch nog …

En … ik ken mijn schaapjes wel!(loopt hen na).

De Proost.Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,Achterna loopt hij de bende!Hè, ik voel mijn moed herleven …Dan wil ik ook mee den berg op!…Mooglijk vang ik er wel enklen!Leg het zadel op mijn klepper!…Haal me een paard, vertrouwd en mak!

De Proost.

Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,

Achterna loopt hij de bende!

Hè, ik voel mijn moed herleven …

Dan wil ik ook mee den berg op!…

Mooglijk vang ik er wel enklen!

Leg het zadel op mijn klepper!…

Haal me een paard, vertrouwd en mak!

(allen af).

(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).

Brand.Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!Het dorp ligt achter ons, beneden.Van berg tot berg spant dicht de mistEr overheen haar neveltent.Vergeet het duf bestaan daarginds,Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!

Brand.

Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!

Het dorp ligt achter ons, beneden.

Van berg tot berg spant dicht de mist

Er overheen haar neveltent.

Vergeet het duf bestaan daarginds,

Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!

Een Man.Mijn oude vader kan niet meer.

Een Man.

Mijn oude vader kan niet meer.

Een andere.Ik at sinds gisteren niemendal …

Een andere.

Ik at sinds gisteren niemendal …

Verscheidenen.Wij hebben honger! hebben dorst!

Verscheidenen.

Wij hebben honger! hebben dorst!

Brand.Eerst over dezen berg; vooruit!

Brand.

Eerst over dezen berg; vooruit!

De Schoolmeester..Langs welken weg?

De Schoolmeester..

Langs welken weg?

Brand.Langs welken weg?Dat is hetzelfde,Als wij maar ’t doel er mee bereiken.Komt, volgt …

Brand.

Langs welken weg?Dat is hetzelfde,

Als wij maar ’t doel er mee bereiken.

Komt, volgt …

Een man.Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,Dat halen wij niet vóór den nacht!

Een man.

Komt, volgt …Neen, hier gaat het te steil,

Dat halen wij niet vóór den nacht!

De Koster.Daarginder moet de ijskerk liggen.

De Koster.

Daarginder moet de ijskerk liggen.

Brand.De steilste weg is ook de kortste.

Brand.

De steilste weg is ook de kortste.

Een Vrouw.Mijn kind is ziek!

Een Vrouw.

Mijn kind is ziek!

Een andere.Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.

Een andere.

Mijn kind is ziek!Mijn voet gewond.

Een derde.Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?

Een derde.

Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?

De Schoolmeester.Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.

De Schoolmeester.

Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.

Vele Stemmen.Brand, doe een wonder! Doe een wonder!

Vele Stemmen.

Brand, doe een wonder! Doe een wonder!

Brand.Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…Gij wilt uw loon al vóór de werken.Op, schudt die loomheid van u af,…Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!

Brand.

Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…

Gij wilt uw loon al vóór de werken.

Op, schudt die loomheid van u af,…

Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!

De Schoolmeester.Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,Wij weten ’t toch, ons loon komt later!

De Schoolmeester.

Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,

Wij weten ’t toch, ons loon komt later!

Brand.Dàt krijgt gij, zoo waar er een GodNu uit den hemel op u neerziet!

Brand.

Dàt krijgt gij, zoo waar er een God

Nu uit den hemel op u neerziet!

Vele Stemmen.Hij profeteert! Hij profeteert!

Vele Stemmen.

Hij profeteert! Hij profeteert!

Velen tegelijk.Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?

Velen tegelijk.

Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?

Anderen.En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?

Anderen.

En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?

Een Man.Zeg, wordt er op veel moed gerekend?

Een Man.

Zeg, wordt er op veel moed gerekend?

De Schoolmeester(gedempt).Er is toch geen gevaar voor ’t leven?

De Schoolmeester(gedempt).

Er is toch geen gevaar voor ’t leven?

Een andere Man.Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?

Een andere Man.

Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?

Een Vrouw.’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?

Een Vrouw.

’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?

De Koster.Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?

De Koster.

Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?

Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).Dat vraagt gij mij?

Brand(kijkt wanhopig rond in de massa).

Dat vraagt gij mij?

De Schoolmeester.Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregenBeneden daarop niet recht antwoord.

De Schoolmeester.

Dat vraagt gij mij?Ja juist; wij kregen

Beneden daarop niet recht antwoord.

Brand(verontwaardigd).Dan zult gij ’t hebben nù!

Brand(verontwaardigd).

Dan zult gij ’t hebben nù!

De Menigte(sluit zich dichter aaneen).Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!

De Menigte(sluit zich dichter aaneen).

Dan zult gij ’t hebben nù!Spreek! Spreek!

Brand.Hoe lang er duren zal de strijd?Die duurt tot aan uw levenseinde,Tot gij alle offers hebt gebracht,Los zijt van al uw transigeeren,…Tot gij uw wil hebt in uw macht,Tot alle zwakke twijfel wijktVoor het gebod: alles of niets!En de verliezen? Al uw goden,De geest der halfheid, gouden ketensDie u aan de aarde slaafs nog binden,Al wat uw slapheid loom bevordert!En wat de buit is? Rein van wil zijn,Een sterk geloof, der ziele éénheid,…Een offervaardigheid, die geeftMet jubel zelfs, tot in den dood,…Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!

Brand.

Hoe lang er duren zal de strijd?

Die duurt tot aan uw levenseinde,

Tot gij alle offers hebt gebracht,

Los zijt van al uw transigeeren,…

Tot gij uw wil hebt in uw macht,

Tot alle zwakke twijfel wijkt

Voor het gebod: alles of niets!

En de verliezen? Al uw goden,

De geest der halfheid, gouden ketens

Die u aan de aarde slaafs nog binden,

Al wat uw slapheid loom bevordert!

En wat de buit is? Rein van wil zijn,

Een sterk geloof, der ziele éénheid,…

Een offervaardigheid, die geeft

Met jubel zelfs, tot in den dood,…

Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…

Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!

De Menigte(onder razend getier).Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!

De Menigte(onder razend getier).

Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!

Brand.’k Ben van mijn woord niet afgeweken.

Brand.

’k Ben van mijn woord niet afgeweken.

Enkelen.Hij heeft ons eer en overwinningBeloofd … nu zullen ’t offers worden!

Enkelen.

Hij heeft ons eer en overwinning

Beloofd … nu zullen ’t offers worden!

Brand.’k Beloofde zege,… en ik zweerDie wordt ook eens door u behaald.Maar wie vooraan staat in de rijenMoet kunnen vallen voor zijn zaak.Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoenZijn wapen, vóór de strijd begint.In ’s vijands macht toch valt de vlagAls haar een zwakkeling verweert.Wie er door offerangst verlamd wordt,Is met het doodsmerk al geteekend!

Brand.

’k Beloofde zege,… en ik zweer

Die wordt ook eens door u behaald.

Maar wie vooraan staat in de rijen

Moet kunnen vallen voor zijn zaak.

Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoen

Zijn wapen, vóór de strijd begint.

In ’s vijands macht toch valt de vlag

Als haar een zwakkeling verweert.

Wie er door offerangst verlamd wordt,

Is met het doodsmerk al geteekend!

De Menigte.Hij eischt ons eigen levensrechtVoor een nog ongeboren volk!

De Menigte.

Hij eischt ons eigen levensrecht

Voor een nog ongeboren volk!

Brand.Door offer-woestenijen leidenDe wegen naar ons Kanaän.Ter overwinning door den dood,Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!

Brand.

Door offer-woestenijen leiden

De wegen naar ons Kanaän.

Ter overwinning door den dood,

Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!

De Koster.Hier zitten wij nu mooi geschoren!In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …

De Koster.

Hier zitten wij nu mooi geschoren!

In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …

De Schoolmeester.Daarheen terug … dat gaat niet aan!

De Schoolmeester.

Daarheen terug … dat gaat niet aan!

De Koster.En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!

De Koster.

En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!

Eenigen.Slaat hem maar dood!

Eenigen.

Slaat hem maar dood!

De Schoolmeester.Slaat hem maar dood!Wie moet ons danAanvoeren als ons opperhoofd?

De Schoolmeester.

Slaat hem maar dood!Wie moet ons dan

Aanvoeren als ons opperhoofd?

De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).De Proost!

De Vrouwen(wijzen verschrikt naar den weg beneden).

De Proost!

De Schoolmeester.Laat je maar niet verschrikken!

De Schoolmeester.

Laat je maar niet verschrikken!

De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).O mijne kindren! O mijn lamren!Hoort naar de stem uws ouden herders!

De Proost(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).

O mijne kindren! O mijn lamren!

Hoort naar de stem uws ouden herders!

De Schoolmeester(tegen het volk).Wij hebben ginder nu geen thuis meer;Laat ons den berg maar overgaan!

De Schoolmeester(tegen het volk).

Wij hebben ginder nu geen thuis meer;

Laat ons den berg maar overgaan!

De Proost.O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,Mijn hart zoo diepe wonden slaan!

De Proost.

O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,

Mijn hart zoo diepe wonden slaan!

Brand.Gij wondde zielen jaar op jaar!

Brand.

Gij wondde zielen jaar op jaar!

De Proost.Hoort niet naar hem! Hij wil u lokkenMet holle woorden.

De Proost.

Hoort niet naar hem! Hij wil u lokken

Met holle woorden.

Verscheidenen.Met holle woorden.Dat is waar!

Verscheidenen.

Met holle woorden.Dat is waar!

De Proost.Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,Waar wij oprecht berouw maar zien.O, keert toch tot u zelven in,En ziet met welke hellelistHij alle menschen tot zich lokt!

De Proost.

Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,

Waar wij oprecht berouw maar zien.

O, keert toch tot u zelven in,

En ziet met welke hellelist

Hij alle menschen tot zich lokt!

Velen.Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!

Velen.

Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!

De Proost.Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,Een troepje in dezen hoek geboren?Zijt gij tot iets groots uitverkoren?Komt één gevang’ne door u vrij?Gij hebt uw kleine daagsche taak,En wat daarbuiten gaat is zonde.Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?Beschermt gij maar uw nedrig hutje.Wat moet gij doen bij valk en arend?Wat moet gij doen bij wolf en beer?Gij wordt maar buit van de overmacht,…O, mijne lamren,… o mijn kindren!

De Proost.

Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,

Een troepje in dezen hoek geboren?

Zijt gij tot iets groots uitverkoren?

Komt één gevang’ne door u vrij?

Gij hebt uw kleine daagsche taak,

En wat daarbuiten gaat is zonde.

Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?

Beschermt gij maar uw nedrig hutje.

Wat moet gij doen bij valk en arend?

Wat moet gij doen bij wolf en beer?

Gij wordt maar buit van de overmacht,…

O, mijne lamren,… o mijn kindren!

De Menigte.Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!

De Menigte.

Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!

De Koster.Toch sloten wij, het dorp verlatend,Voor goed de huisdeur achter ons;…Daar is geen thuis meer voor ons nu.

De Koster.

Toch sloten wij, het dorp verlatend,

Voor goed de huisdeur achter ons;…

Daar is geen thuis meer voor ons nu.

De Schoolmeester.Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;Niet langer slaapt nu de gemeente;En wat daarginder leven heetGeen leven is ’t voor wie ontwaakte.

De Schoolmeester.

Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,

Hij wees opvalschheid, schijn en leugens;

Niet langer slaapt nu de gemeente;

En wat daarginder leven heet

Geen leven is ’t voor wie ontwaakte.

De Proost.Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,En alles komt in ’t oude spoor;Houdt u maar eerst een poosje stil!Ik sta u borg dat de gemeenteWeldra weer leven zal in vrede.

De Proost.

Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,

En alles komt in ’t oude spoor;

Houdt u maar eerst een poosje stil!

Ik sta u borg dat de gemeente

Weldra weer leven zal in vrede.

Brand.Kiest menschen!

Brand.

Kiest menschen!

Eenigen.Kiest menschen!Naar huis willen wij!

Eenigen.

Kiest menschen!Naar huis willen wij!

Anderen.Te laat! De gletschers over, komt!

Anderen.

Te laat! De gletschers over, komt!

De Baljuw(komt haastig aangeloopen).Wat een geluk dat ’k jullie aantref!

De Baljuw(komt haastig aangeloopen).

Wat een geluk dat ’k jullie aantref!

De Vrouwen.O, beste baljuw, wees niet boos!

De Vrouwen.

O, beste baljuw, wees niet boos!

De Baljuw.Welneen, welneen; komt maar weer mee!Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;Als je nu maar verstandig zijn wiltKan je allen rijk zijn vóór den avond!

De Baljuw.

Welneen, welneen; komt maar weer mee!

Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;

Als je nu maar verstandig zijn wilt

Kan je allen rijk zijn vóór den avond!

Verscheidenen.Hoe zoo?

Verscheidenen.

Hoe zoo?

De Baljuw.Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …Miljoenen en miljoenen zijn er!

De Baljuw.

Hoe zoo?Een vischschool in de fjord …

Miljoenen en miljoenen zijn er!

De Menigte.Wat zegt hij daar!

De Menigte.

Wat zegt hij daar!

De Baljuw.Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!Een hagelbui verdrijft ze licht.Zij trokken vroeger nooit hierheen;…Nu, vrienden, komt er hier in ’t NoordenVoor ons ook eens een beetre tijd!

De Baljuw.

Wat zegt hij daar!Weest op je hoede!

Een hagelbui verdrijft ze licht.

Zij trokken vroeger nooit hierheen;…

Nu, vrienden, komt er hier in ’t Noorden

Voor ons ook eens een beetre tijd!

Brand.Kiest tusschen Gods stem en de zijne!

Brand.

Kiest tusschen Gods stem en de zijne!

De Baljuw.Laat je gezond verstand je raden!

De Baljuw.

Laat je gezond verstand je raden!

De Proost.O, is een wonder hier geschied?Een vingerwijzing van den Heer!Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,Doch hield het voor verbeeldingsspel;…Nu zien wij duidlijk de bedoeling …

De Proost.

O, is een wonder hier geschied?

Een vingerwijzing van den Heer!

Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,

Doch hield het voor verbeeldingsspel;…

Nu zien wij duidlijk de bedoeling …

Brand.Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!

Brand.

Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!

Velen.Een vischschool!

Velen.

Een vischschool!

De Baljuw.Een vischschool!Van miljoenen visschen!

De Baljuw.

Een vischschool!Van miljoenen visschen!

De Proost.Brood voor uw vrouwen en uw kindren!

De Proost.

Brood voor uw vrouwen en uw kindren!

De Baljuw.Je ziet wel, nu is het geen tijdOm in een ijdlen strijd je krachtTe meten met een overmacht,Die zelfs den proost benauwen zou.Nù heb je een ander doel voor oogenDan dom te smachten naar het hooge.De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,En ook de hemel staat nog stevig.Bemoei je niet met andre kwesties,Maar haast je om de visch te vangen,Dat is een nuttig, praktisch werk,Dat zonder bloed of staal geschiedt;Het brengt je voordeel aan en welstand,En eischt ook geen persoonlijk offer!

De Baljuw.

Je ziet wel, nu is het geen tijd

Om in een ijdlen strijd je kracht

Te meten met een overmacht,

Die zelfs den proost benauwen zou.

Nù heb je een ander doel voor oogen

Dan dom te smachten naar het hooge.

De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,

En ook de hemel staat nog stevig.

Bemoei je niet met andre kwesties,

Maar haast je om de visch te vangen,

Dat is een nuttig, praktisch werk,

Dat zonder bloed of staal geschiedt;

Het brengt je voordeel aan en welstand,

En eischt ook geen persoonlijk offer!

Brand.Juist ’t offer is des Heeren eisch,Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!

Brand.

Juist ’t offer is des Heeren eisch,

Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!

De Proost.Ach, voelt gij zulk een offerdrang,Komt dan gerust maar naar mij toe,…Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…Ik zal u waarlijk …

De Proost.

Ach, voelt gij zulk een offerdrang,

Komt dan gerust maar naar mij toe,…

Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…

Ik zal u waarlijk …

De Baljuw(afbrekend).Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!

De Baljuw(afbrekend).

Ik zal u waarlijk …Ja, ja, ja!

De Koster(zachtjes tegen den proost).Kan ik mijn ambt van koster houden?

De Koster(zachtjes tegen den proost).

Kan ik mijn ambt van koster houden?

De Schoolmeester(evenzoo).Kan ik nog blijven aan de school?

De Schoolmeester(evenzoo).

Kan ik nog blijven aan de school?

De Proost(gedempt).Als gij de menschen òm kunt praten,Zal men met u zoo streng niet zijn …

De Proost(gedempt).

Als gij de menschen òm kunt praten,

Zal men met u zoo streng niet zijn …

De Baljuw.Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!

De Baljuw.

Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!

De Koster.Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!

De Koster.

Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!

Eenigen.Maar Brand dan?…

Eenigen.

Maar Brand dan?…

De Koster.Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!

De Koster.

Maar Brand dan?…Laat dien gek toch loopen!

De Schoolmeester.Gij ziet hier toch het woord des HeerenAls in een open boek gedrukt staan.

De Schoolmeester.

Gij ziet hier toch het woord des Heeren

Als in een open boek gedrukt staan.

De Baljuw.Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;Hij hield je allen voor den gek …

De Baljuw.

Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;

Hij hield je allen voor den gek …

Verscheidenen.Hij loog ons voor.

Verscheidenen.

Hij loog ons voor.

De Proost.Zijn leer is valsch!En zelfscum laudeheeft hij niet!

De Proost.

Zijn leer is valsch!

En zelfscum laudeheeft hij niet!

Enkelen.Wàt heeft hij?

Enkelen.

Wàt heeft hij?

De Baljuw.Een gemeen karakter!

De Baljuw.

Een gemeen karakter!

De Koster.Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!

De Koster.

Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!

De Proost.Zijn moeder liet vergeefs hij wachtenOp ’t sacrament, toen zij ging sterven!

De Proost.

Zijn moeder liet vergeefs hij wachten

Op ’t sacrament, toen zij ging sterven!

De Baljuw.Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!

De Baljuw.

Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!

De Koster.En ook zijn vrouw!

De Koster.

En ook zijn vrouw!

De Vrouwen.En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!

De Vrouwen.

En ook zijn vrouw!Wat een schandaal!

De Proost.Een slechte vader, man en zoon;…Een slechter Christen is er niet!

De Proost.

Een slechte vader, man en zoon;…

Een slechter Christen is er niet!

Vele Stemmen.Hij haalde onze oude kerk omver!

Vele Stemmen.

Hij haalde onze oude kerk omver!

Andere.De nieuwe sloot hij voor ons af!

Andere.

De nieuwe sloot hij voor ons af!

Weer andere.Hij smeet ons op een plank in zee!

Weer andere.

Hij smeet ons op een plank in zee!

De Baljuw.Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!

De Baljuw.

Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!

Brand.Ik zie het merk op ieders voorhoofd.Ik weet waar gij thans allen heengaat.

Brand.

Ik zie het merk op ieders voorhoofd.

Ik weet waar gij thans allen heengaat.

De Heele Troep(brullend:)Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!En steenigt hem, den hellegeest!

De Heele Troep(brullend:)

Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!

En steenigt hem, den hellegeest!

(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).

De Proost.O, mijne kindren! O, mijn lamren!Nu keert gij weer naar huis en haard;Dat uw berouw uw oog verheldre,Dan zult gij zien, wordt alles goed.Wij weten ’t immers, God is goed;Hij vordert geen onschuldig bloed;En de Regeering eveneensIs mild, als bijna nergens anders;En uw bestuur hier, onze baljuw,Zal het u ook niet lastig maken;En ik ben liefdrijk en humaanAls ’t hedendaagsche Christendom;Uw supérieuren willen allenIn vrede en eendracht met u leven!

De Proost.

O, mijne kindren! O, mijn lamren!

Nu keert gij weer naar huis en haard;

Dat uw berouw uw oog verheldre,

Dan zult gij zien, wordt alles goed.

Wij weten ’t immers, God is goed;

Hij vordert geen onschuldig bloed;

En de Regeering eveneens

Is mild, als bijna nergens anders;

En uw bestuur hier, onze baljuw,

Zal het u ook niet lastig maken;

En ik ben liefdrijk en humaan

Als ’t hedendaagsche Christendom;

Uw supérieuren willen allen

In vrede en eendracht met u leven!

De Baljuw.Maar blijft er scheuring nog bestaan,Die moet dan worden bijgelegd.Zoodra het weer wat rustig isBenoemen wij dan een commissie,Die onderzoeken zal in hoeverDe godsdienst aan den eisch voldoet.Die mag uit geestlijken bestaan,Die wij, de proost en ik, beroepen …Daarbij ook, als men het verlangt,De koster en de dorpsschoolmeester,Met andre mannen uit het volkAan wie men graag vertrouwen schenkt.

De Baljuw.

Maar blijft er scheuring nog bestaan,

Die moet dan worden bijgelegd.

Zoodra het weer wat rustig is

Benoemen wij dan een commissie,

Die onderzoeken zal in hoever

De godsdienst aan den eisch voldoet.

Die mag uit geestlijken bestaan,

Die wij, de proost en ik, beroepen …

Daarbij ook, als men het verlangt,

De koster en de dorpsschoolmeester,

Met andre mannen uit het volk

Aan wie men graag vertrouwen schenkt.

De Proost.Wij zullen u den last verlichten,Zooals den ouden zieleherderGij hebt verlicht zijn grooten angst.Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,Dat God een wonder voor u deed.Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!

De Proost.

Wij zullen u den last verlichten,

Zooals den ouden zieleherder

Gij hebt verlicht zijn grooten angst.

Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,

Dat God een wonder voor u deed.

Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!

De Koster.Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!

De Koster.

Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!

De Schoolmeester.Die doen de dingen kalm en waardig.

De Schoolmeester.

Die doen de dingen kalm en waardig.

De Vrouwen.Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!

De Vrouwen.

Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!

Andere.Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!

Andere.

Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!

De Koster.Die vorderen geen levensoffers.

De Koster.

Die vorderen geen levensoffers.

De Schoolmeester.En kunnen nog wat meer dan bidden.

De Schoolmeester.

En kunnen nog wat meer dan bidden.

(De menigte daalt den berg af).

De Proost(tegen den baljuw).Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.Nu komt in alles hier verandring;Want, God zij dank, bestaat er ietsDat men den naam “reactie” geeft.

De Proost(tegen den baljuw).

Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.

Nu komt in alles hier verandring;

Want, God zij dank, bestaat er iets

Dat men den naam “reactie” geeft.

De Baljuw.Het was mijn werk dat het spektakelIn zijn geboorte werd gesmoord.

De Baljuw.

Het was mijn werk dat het spektakel

In zijn geboorte werd gesmoord.

De Proost.Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.

De Proost.

Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.

De Baljuw.Wat voor mirakel?

De Baljuw.

Wat voor mirakel?

De Proost.Wat voor mirakel?Van de vischschool.

De Proost.

Wat voor mirakel?Van de vischschool.

De Baljuw(fluit).Dat was natuurlijk maar een leugen!

De Baljuw(fluit).

Dat was natuurlijk maar een leugen!

De Proost.Och kom? Een leugen?

De Proost.

Och kom? Een leugen?

De Baljuw.Och kom? Een leugen?’k Zei maar watMij ’t eerste inviel op ’t moment.Is dat te laken, waar het goldZoo’n groot belang?

De Baljuw.

Och kom? Een leugen?’k Zei maar wat

Mij ’t eerste inviel op ’t moment.

Is dat te laken, waar het gold

Zoo’n groot belang?

De Proost.Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!Best te verantwoorden desnoods.

De Proost.

Zoo’n groot belang?Voorzeker niet!

Best te verantwoorden desnoods.

De Baljuw.En bovendien, als morgen weerHet volk bedaard is en verstandig,Wat deert het dan of we overwonnenDoor waarheid of door leugentaal?

De Baljuw.

En bovendien, als morgen weer

Het volk bedaard is en verstandig,

Wat deert het dan of we overwonnen

Door waarheid of door leugentaal?

De Proost.Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).Maar is dat Brand niet die daargindsZich voortsleept?

De Proost.

Mijn vriend, ik ben geen rigorist.(kijkt naar de vlakte boven).

Maar is dat Brand niet die daarginds

Zich voortsleept?

De Baljuw.Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!Een eenzaam strijder op zijn tocht!

De Baljuw.

Zich voortsleept?Zeker, dat is hij!

Een eenzaam strijder op zijn tocht!

De Proost.Neen, kijk, er is nog iemand bij …Ver achter hem!

De Proost.

Neen, kijk, er is nog iemand bij …

Ver achter hem!

De Baljuw.Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!De kerel is ’t gezelschap waard.

De Baljuw.

Ver achter hem!Wat?… Dat is Gerd!

De kerel is ’t gezelschap waard.

De Proost(vroolijk).Als eens zijn offerdorst gestild is,Zou dit als grafschrift kunnen dienen:“Hier rust Brand, van strijdlust vol;Hij won één ziel … en die was dol!”

De Proost(vroolijk).

Als eens zijn offerdorst gestild is,

Zou dit als grafschrift kunnen dienen:

“Hier rust Brand, van strijdlust vol;

Hij won één ziel … en die was dol!”

De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,Lijkt mij toch ’t oordeel van het volkNogal een beetje inhumaan.

De Baljuw(met den wijsvinger tegen den neus).

Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,

Lijkt mij toch ’t oordeel van het volk

Nogal een beetje inhumaan.

De Proost(haalt de schouders op).Vox populi vox dei.Kom!(af).

De Proost(haalt de schouders op).

Vox populi vox dei.Kom!(af).

(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).

(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).

Brand(staat stil en kijkt achterom).Duizend menschen togen mee uitEn niet een kwam tot de toppen.Wel doorklinkt er aller hartenDrang naar grootscher, beter tijd;Wel daalt neer in alle zielenDe oproep tot den heil’gen strijd.Maar het offer, dat beangst hen;Zwak en bang verbergt de wil zich …Eén stierf immers voor hen allen,…Lafheid geldt niet meer als misdaad!(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).O, hoe vaak heb ik gehuiverd.Ging ik bibberend van angst …Onder ’t huilen van de honden …In het donker … ’k was een kind!…In de kamer waar het spookte.Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,Troostte mij met de gedachte:Buiten schijnt het volle licht,’t Duister komt niet van den nacht,…Er zijn luiken voor de ramen.En ik dacht hoe straks het daglicht,Heldre zomerzonneschijn,Zou de deur- en vensterbogenVol en heerlijk binnenstroomen,In de kamer waar het spookte.O, hoe bitter ben ’k bedrogen,Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …En daarbuiten zaten mannenSomber, stil, langs fjord en veld,Houdend vast aan doode droomen,Ze bewakend, als de koning,Jarenlang bij Snefrids lijk,Woelend los een punt der lijkwâ,Voedend zich met ijdle hoop,Meenend telkens dat de rozenWeer herbloeiden op zijn wangen.En, als hij, was er geen enkleDie het graf gaf wat het eischte.Onder hen niet één die weet:Lijken droomt men niet ten leven,Lijken moeten in den grond;Hunne taak is het te gevenVoedsel aan een nieuwen oogst …Donkre nacht,… nacht, overal,Over mannen, vrouwen, kindren!Kon ik hen met bliksemflitsenVan des stroodoods-nood verlossen!(springt op).Nachtvisioenen zie ik jagenAls een hellevaart in ’t donker.’k Zie den tijd in wapenrustingManend, levensoffers vragen,Eischend klinkend staal, geen stokken,Eischend zwaarden uit de scheede;…Neven zie ’k ten strijd zich gorden,Broeders zie ’k gedoken zitten,Met hun hoed diep in de oogen.En nog meer zie ik voorbij gaan,…Alle gruwlen en ellende!Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,’t Oor gesloten voor wie smeekt,…’k Zie hen op hun voorhoofd krassen’t Merk van arme strandbewoners,’t Minste volk door God geschapen.Bleek en klein zich makend, staan zij,Denkend zóó zich te beschermen …!Vlaggen, meidags-regenboog,Waar is dat nu alles heen?Waar is nu de blijde driekleur,…Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoeiOnder juichend volksgejubel,Tot een koninklijke dweperTong en split knipte in de vlag?Met de tong werd toen gepraald;Tanden mag de draak niet toonen,Waartoe dan dat split als muil?…Hadde ’t volk toch niet gejubeld,Niet geknipt des konings schaar!Zoo’n vlag met vier vredeshoekenIs net goed voor noodsignaal,Als een schuit is lek gestooten!Erger tijden en visioenenLichten door den toekomstnacht!Als een walmend zwarte wolkSpreidt zich Eng’lands kolendamp uit.Al het frissche groen besmeurend,Iedre spruit in roet verstikkend,Komt zij, zwaar van gif, geslopen,’t Zonlicht stelend van de velden,Zijgend neer, met asch bezwangerd,Als een strafgericht der Oudheid …Leelijk worden nu de menschen;…Door der mijnen kromme gangenKlinkt ’t geluid van dropp’lend water.’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,Gaat gekromd van rug en ziel,Lonkt er met begeer’ge oogenNaar de blanke gouden leugens,Zonder smartkreet, zonder glimlach,Valt een broeder, dat deert niemand,Eigen val wekt ook den leeuw niet;…Allen haamren, vijlen, munten;Niemand denkt meer aan het licht;’t Heele menschdom weet niet meerDat, al mogen krachten zwichten,Dit nog niet ontslaat van plichten!Erger tijden en visioenenLichten in den toekomstnacht!Koud verstand met luid geblafDreigt de zon der leer op aarde.’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;Dwars en mokkend sist de dwerg,Dat is toch voor mij geen werk.Laat desterkendaarvoor gloeien,Andrenòpkomen daarvoor;Dat ligt niet op ònzen weg …Wij zijn klein, zijn niet berekendVoor een waarheidsstrijd-tournooi;Kunnen voor ons heilsverliesNiet het volkswelzijn opoffren.Niet voor òns heeft hij geleden,Niet voor òns drong in zijn slapenVan zijn kroon der doornen punten …Niet voor òns drong er de lanspuntIn de zijde van den doode.Niet voor òns brandden de nagels,Hem geboord door handen, voeten …Wij zijn klein, haast onbekend hem,Zijn tot helpen niet geschikt!Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!Ahasverus’ riemslag, bloedigZweepend, purperkleurend rug enSchouders van den lijder … dat isOnsdeel van het passiewerk!(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?Alles grauw in mist verborgen.Waren ’t kranke droomgezichten,Die er langs mijn oogen trokken?Is het beeld, waarnaar de zielWerd geschapen, gansch verloren?In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Brand(staat stil en kijkt achterom).

Duizend menschen togen mee uit

En niet een kwam tot de toppen.

Wel doorklinkt er aller harten

Drang naar grootscher, beter tijd;

Wel daalt neer in alle zielen

De oproep tot den heil’gen strijd.

Maar het offer, dat beangst hen;

Zwak en bang verbergt de wil zich …

Eén stierf immers voor hen allen,…

Lafheid geldt niet meer als misdaad!

(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).

O, hoe vaak heb ik gehuiverd.

Ging ik bibberend van angst …

Onder ’t huilen van de honden …

In het donker … ’k was een kind!…

In de kamer waar het spookte.

Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,

Troostte mij met de gedachte:

Buiten schijnt het volle licht,

’t Duister komt niet van den nacht,…

Er zijn luiken voor de ramen.

En ik dacht hoe straks het daglicht,

Heldre zomerzonneschijn,

Zou de deur- en vensterbogen

Vol en heerlijk binnenstroomen,

In de kamer waar het spookte.

O, hoe bitter ben ’k bedrogen,

Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …

En daarbuiten zaten mannen

Somber, stil, langs fjord en veld,

Houdend vast aan doode droomen,

Ze bewakend, als de koning,

Jarenlang bij Snefrids lijk,

Woelend los een punt der lijkwâ,

Voedend zich met ijdle hoop,

Meenend telkens dat de rozen

Weer herbloeiden op zijn wangen.

En, als hij, was er geen enkle

Die het graf gaf wat het eischte.

Onder hen niet één die weet:

Lijken droomt men niet ten leven,

Lijken moeten in den grond;

Hunne taak is het te geven

Voedsel aan een nieuwen oogst …

Donkre nacht,… nacht, overal,

Over mannen, vrouwen, kindren!

Kon ik hen met bliksemflitsen

Van des stroodoods-nood verlossen!

(springt op).

Nachtvisioenen zie ik jagen

Als een hellevaart in ’t donker.

’k Zie den tijd in wapenrusting

Manend, levensoffers vragen,

Eischend klinkend staal, geen stokken,

Eischend zwaarden uit de scheede;…

Neven zie ’k ten strijd zich gorden,

Broeders zie ’k gedoken zitten,

Met hun hoed diep in de oogen.

En nog meer zie ik voorbij gaan,…

Alle gruwlen en ellende!

Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,

’t Oor gesloten voor wie smeekt,…

’k Zie hen op hun voorhoofd krassen

’t Merk van arme strandbewoners,

’t Minste volk door God geschapen.

Bleek en klein zich makend, staan zij,

Denkend zóó zich te beschermen …!

Vlaggen, meidags-regenboog,

Waar is dat nu alles heen?

Waar is nu de blijde driekleur,…

Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoei

Onder juichend volksgejubel,

Tot een koninklijke dweper

Tong en split knipte in de vlag?

Met de tong werd toen gepraald;

Tanden mag de draak niet toonen,

Waartoe dan dat split als muil?…

Hadde ’t volk toch niet gejubeld,

Niet geknipt des konings schaar!

Zoo’n vlag met vier vredeshoeken

Is net goed voor noodsignaal,

Als een schuit is lek gestooten!

Erger tijden en visioenen

Lichten door den toekomstnacht!

Als een walmend zwarte wolk

Spreidt zich Eng’lands kolendamp uit.

Al het frissche groen besmeurend,

Iedre spruit in roet verstikkend,

Komt zij, zwaar van gif, geslopen,

’t Zonlicht stelend van de velden,

Zijgend neer, met asch bezwangerd,

Als een strafgericht der Oudheid …

Leelijk worden nu de menschen;…

Door der mijnen kromme gangen

Klinkt ’t geluid van dropp’lend water.

’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,

Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,

Gaat gekromd van rug en ziel,

Lonkt er met begeer’ge oogen

Naar de blanke gouden leugens,

Zonder smartkreet, zonder glimlach,

Valt een broeder, dat deert niemand,

Eigen val wekt ook den leeuw niet;…

Allen haamren, vijlen, munten;

Niemand denkt meer aan het licht;

’t Heele menschdom weet niet meer

Dat, al mogen krachten zwichten,

Dit nog niet ontslaat van plichten!

Erger tijden en visioenen

Lichten in den toekomstnacht!

Koud verstand met luid geblaf

Dreigt de zon der leer op aarde.

’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,

Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;

Dwars en mokkend sist de dwerg,

Dat is toch voor mij geen werk.

Laat desterkendaarvoor gloeien,

Andrenòpkomen daarvoor;

Dat ligt niet op ònzen weg …

Wij zijn klein, zijn niet berekend

Voor een waarheidsstrijd-tournooi;

Kunnen voor ons heilsverlies

Niet het volkswelzijn opoffren.

Niet voor òns heeft hij geleden,

Niet voor òns drong in zijn slapen

Van zijn kroon der doornen punten …

Niet voor òns drong er de lanspunt

In de zijde van den doode.

Niet voor òns brandden de nagels,

Hem geboord door handen, voeten …

Wij zijn klein, haast onbekend hem,

Zijn tot helpen niet geschikt!

Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!

Ahasverus’ riemslag, bloedig

Zweepend, purperkleurend rug en

Schouders van den lijder … dat is

Onsdeel van het passiewerk!

(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).

Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?

Alles grauw in mist verborgen.

Waren ’t kranke droomgezichten,

Die er langs mijn oogen trokken?

Is het beeld, waarnaar de ziel

Werd geschapen, gansch verloren?

In onze oergeest overwonnen?…(luisterend).

Als gezang klinkt ’t in den stormwind!


Back to IndexNext