Chapter 39

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.(zuidwaarts af).Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!(hij buigt op zij af en verdwijnt).Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!(zoekt tastend naar hem).Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!(tast weer en vindt hem).De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!Solvejg.Noem ze.Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?Solvejg.Geweest?Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.(zuidwaarts af).Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!(hij buigt op zij af en verdwijnt).Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!(zoekt tastend naar hem).Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!(tast weer en vindt hem).De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!Solvejg.Noem ze.Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?Solvejg.Geweest?Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.(zuidwaarts af).Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!(hij buigt op zij af en verdwijnt).Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!(zoekt tastend naar hem).Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!(tast weer en vindt hem).De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!Solvejg.Noem ze.Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?Solvejg.Geweest?Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.(zuidwaarts af).Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!(hij buigt op zij af en verdwijnt).Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!(zoekt tastend naar hem).Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!(tast weer en vindt hem).De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!Solvejg.Noem ze.Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?Solvejg.Geweest?Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.(zuidwaarts af).Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!(hij buigt op zij af en verdwijnt).Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!(zoekt tastend naar hem).Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!(tast weer en vindt hem).De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!Solvejg.Noem ze.Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?Solvejg.Geweest?Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

Peer Gynt.Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weerMet ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.

Peer Gynt.

Di buona speranza!Ja, maar hij vertrok weer

Met ’t eerstvolgende schip, als ’k goed mij herinner.

De Magere.Dan moet ik er heen, op staanden voet.Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.

De Magere.

Dan moet ik er heen, op staanden voet.

Als ’k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!

Dat Kaapland … daaraan had ik altijd het land;

Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.

(zuidwaarts af).

Peer Gynt.Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haalAls een hijgende hond, met de tong uit den bek!’t Was mij een wellust hem te bedotten.Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).Groet van Peer Gynt, broer meteoor!Lichten, dooven en vergaan in een zucht …(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).Zoo onzegbaar arm kan een menschenzielTerugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.O, heerlijke zon, die uw stralen zondtIn een leege hut, waar geen mensen ze begroette.Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…De eigenaar, zei men, was altijd van huis.Heerlijke zon, en heerlijke aarde,Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,Moe staren mij op het beloofde land,Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.(Kerkgangers zingen op den boschweg).Gezegende morgen,Toen vurige tongenUit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!Van de aarde nu stijgenDer kindskindren zangen,Tot lof van den Heiligen Geest!

Peer Gynt.

Zoo’n stommerik! Daar gaat hij aan den haal

Als een hijgende hond, met de tong uit den bek!

’t Was mij een wellust hem te bedotten.

Zoo’n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!

’t Is wel de moeite waard om zich dik te maken.

Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;

Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte …

Hm,ikzit ook niet zoo heel vast in het zadel;

Ik ben uitgestooten, kan ’k zeggen, van den eigen-zelfadel.

(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).

Groet van Peer Gynt, broer meteoor!

Lichten, dooven en vergaan in een zucht …

(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos zwijgen schreeuwt hij het uit:)

Is er niemand, niemand in ’t heele woelen …

Niemand in den afgrond, niemand in den hemel …!

(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den grond en grijpt zich met de handen in ’t haar. Zachtjes aan wordt hij kalmer).

Zoo onzegbaar arm kan een menschenziel

Terugvallen in grauwe neev’len van ’t Niet.

O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,

Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.

O, heerlijke zon, die uw stralen zondt

In een leege hut, waar geen mensen ze begroette.

Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,…

De eigenaar, zei men, was altijd van huis.

Heerlijke zon, en heerlijke aarde,

Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?

Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,

Het is hard zijn geboorte te boeten met ’t leven …

Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;

Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,

Moe staren mij op het beloofde land,

Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;

Daar kan men dan schrijven: “hier ligtniemandbegraven”.

En dan,… daarna …! moet ’t maar gaan zooals ’t kan.

(Kerkgangers zingen op den boschweg).

Gezegende morgen,

Toen vurige tongen

Uit ’t Godsrijk neerdaalden op aard’!

Van de aarde nu stijgen

Der kindskindren zangen,

Tot lof van den Heiligen Geest!

Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!

Peer Gynt(krimpt verschrikt ineen).

Niet daarheen zien! Daar is nacht en verderf …

Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!

(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).

De Knoopengieter.Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?

De Knoopengieter.

Goêmorgen, Peer Gynt, waar is ’t zondenregister?

Peer Gynt.Zou je niet denken dat ik aanriep en flootWat in mijn bereik viel?

Peer Gynt.

Zou je niet denken dat ik aanriep en floot

Wat in mijn bereik viel?

De Knoopengieter.Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?

De Knoopengieter.

Wat in mijn bereik viel?En je vondt niemand?

Peer Gynt.Niemand,… dan een reizenden fotograaf.

Peer Gynt.

Niemand,… dan een reizenden fotograaf.

De Knoopengieter.Ja, ’t verlof is nu uit.

De Knoopengieter.

Ja, ’t verlof is nu uit.

Peer Gynt.Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?

Peer Gynt.

Ja, ’t verlof is nu uit.Alles is uit.

De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?

De Knoopengieter.Ik hoor enkel maar klokken …

De Knoopengieter.

Ik hoor enkel maar klokken …

Peer Gynt(wijzend).Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?

Peer Gynt(wijzend).

Ik hoor enkel maar klokken …Wat is daar dat schijnsel?

De Knoopengieter.Dat ’s maar licht in een hut.

De Knoopengieter.

Dat ’s maar licht in een hut.

Peer Gynt.Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?

Peer Gynt.

Dat ’s maar licht in een hut.Wat is dat voor geluid …?

De Knoopengieter.Dat ’s maar een zingende vrouw.

De Knoopengieter.

Dat ’s maar een zingende vrouw.

Peer Gynt.Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ikMijn zondenregister …

Peer Gynt.

Dat ’s maar een zingende vrouw.Ja daar,… dáár vind ik

Mijn zondenregister …

De Knoopengieter(pakt hem beet).Mijn zondenregister …Beschik je huis!

De Knoopengieter(pakt hem beet).

Mijn zondenregister …Beschik je huis!

(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).

Peer Gynt.Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.

Peer Gynt.

Mijn huis beschikken? Dáár is het! Weg!

Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist …

Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.

De Knoopengieter.Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!

De Knoopengieter.

Tot den derden kruisweg, Peer; maar dán …!

(hij buigt op zij af en verdwijnt).

Peer Gynt(dichter bij het huis).Heen en terug, het is even lang.Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).Neen!… Als een wilde, oneindige klachtIs ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).Buitenom, zei Böjgen!(hoort zingen in de hut).Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keerDwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!

Peer Gynt(dichter bij het huis).

Heen en terug, het is even lang.

Er uit of er in, ’t is een zelfde gang.(blijft stilstaan).

Neen!… Als een wilde, oneindige klacht

Is ’t naar huis te gaan, binnen, en weer terug.

(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).

Buitenom, zei Böjgen!

(hoort zingen in de hut).

Buitenom, zei Böjgen!Neen, dezen keer

Dwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!

(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop, hoog en zachtzinnig).

Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!

Peer Gynt(laat zich op den drempel neervallen).

Wil je een zondaar verdoemen, spreek het dan uit!

Solvejg.Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!

Solvejg.

Daar is hij! Daar is hij! God zij geloofd!

(zoekt tastend naar hem).

Peer Gynt.Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!

Peer Gynt.

Klaag ’t uit hoe zwaar ik gezondigd heb!

Solvejg.Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!

Solvejg.

Mijn eenige jongen! Je zondigde niet!

(tast weer en vindt hem).

De Knoopengieter(achter het huis).’t Register, Peer Gynt?

De Knoopengieter(achter het huis).

’t Register, Peer Gynt?

Peer Gynt.’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!

Peer Gynt.

’t Register, Peer Gynt?Schreeuw uit mijn misdaad!

Solvejg(gaat bij hem neerzitten).Door jou werd mijn leven een mooi gezang.Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.

Solvejg(gaat bij hem neerzitten).

Door jou werd mijn leven een mooi gezang.

Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!

Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.

Peer Gynt.Dan ben ’k verloren!

Peer Gynt.

Dan ben ’k verloren!

Solvejg.Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.

Solvejg.

Dan ben ’k verloren!Eén is er die raad weet.

Peer Gynt(lacht).Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!

Peer Gynt(lacht).

Verloren! Tenzij je kunt raadsels oplossen!

Solvejg.Noem ze.

Solvejg.

Noem ze.

Peer Gynt.Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?

Peer Gynt.

Noem ze.Noem ze! Wel ja! Komaan!

Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?

Solvejg.Geweest?

Solvejg.

Geweest?

Peer Gynt.Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …En ondergaan in de nevellanden.

Peer Gynt.

Geweest?In zijn borst ’t bestemmingsmerk dragend!

Geweest … zoo als God hem gewild en gedacht had!

Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg …

En ondergaan in de nevellanden.

Solvejg(glimlacht).O, dat ’s licht te raden.

Solvejg(glimlacht).

O, dat ’s licht te raden.

Peer Gynt.O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?

Peer Gynt.

O, dat ’s licht te raden.Zeg dan wat je weet!

Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?

Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?

Solvejg.In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.

Solvejg.

In mijn geloof, in mijn hoop en in mijn liefde.

Peer Gynt(schrikt terug).Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!

Peer Gynt(schrikt terug).

Wat zeg je …! Stil! Die woorden zijn waan!

Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!

Solvejg.Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.

Solvejg.

Dat ben ik, ja, maar wie is zijn vader?

Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.

Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…O, berg mij, berg mij in je ziel!

Peer Gynt(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit):

Moeder! Vrouw! Reine, onschuldige maagd!…

O, berg mij, berg mij in je ziel!

(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).

Solvejg(zachtjes zingend).Slaap nu, liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken …Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.Zij speelden samen hun leven lang.Mijn jongen sliep aan zijn moeders borstZijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hartZijn levenlang. Nu is hij zoo moe.Slaap nu liefste jongen mijn!Ik zal je wiegen, ik zal waken!

Solvejg(zachtjes zingend).

Slaap nu, liefste jongen mijn!

Ik zal je wiegen, ik zal waken …

Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.

Zij speelden samen hun leven lang.

Mijn jongen sliep aan zijn moeders borst

Zijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!

Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hart

Zijn levenlang. Nu is hij zoo moe.

Slaap nu liefste jongen mijn!

Ik zal je wiegen, ik zal waken!

De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.

De Stem van den Knoopengieter(achter het huis).

Wij zien elkaar weer op den laatsten kruisweg;

En dan zullen wij zien, of …; ik zeg niets meer.

Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).Ik zal je wiegen, ik zal waken;…Slaap en droom nu, liefste mijn!

Solvejg(zingt luider in het licht van den dag).

Ik zal je wiegen, ik zal waken;…

Slaap en droom nu, liefste mijn!

EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.


Back to IndexNext