TWEEDE BEDRIJF.Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.Peer Gynt.Ga weg!Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?Peer Gynt.Jij bent ’t niet.Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!Peer Gynt.Zwijg!Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?Ingrid.Zeg?Neen; maar …?Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!Ingrid.Zeg!Neen, maar …Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.Ingrid.’k Was wanhopend!Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.Ingrid.Blijf je er bij dus?Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.(Zij gaan ieder huns weegs).Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).Aase.Volstrekt niets te zien!De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!De Vrouw.Mensch, ben je dol?De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.Aase(gilt).Heere Jezus toch!De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …De Man.Zij kennen hem te goed.Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!De Eerste.Woest is smachtend!De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …(staat op van zijn troon).De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”De Hofkabouter.Vat je den zin wel?Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!(Spel en dans).Hofkabouter.Wat dunkt je er van?Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.Hofkabouters.Verslindt hem!De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.Peer Gynt.Wat wil je dan doen?De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …Peer Gynt.Ben je dronken?De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.De Koning.Wat wil je gaan doen?Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!(wil door den schoorsteen naar boven).Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!(wil door het keldergat naar beneden).Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!Kleine Kabouters.Verscheurt hem!Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!(loopt rond).Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!(valt neer).Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!(Klokgelui in de verte).Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!(slaat zich door).De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?De Stem.Böjgen.Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.Peer Gynt.Sla!De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!De Vogels.Hij wankelt!De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.(zakt in elkaar).De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?Helga.’t Is Solvejg …Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?Solvejg.Schaam je!Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!Peer Gynt.Daar heb je ’m.Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!(Helga loopt hard weg).EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.Peer Gynt.Ga weg!Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?Peer Gynt.Jij bent ’t niet.Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!Peer Gynt.Zwijg!Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?Ingrid.Zeg?Neen; maar …?Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!Ingrid.Zeg!Neen, maar …Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.Ingrid.’k Was wanhopend!Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.Ingrid.Blijf je er bij dus?Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.(Zij gaan ieder huns weegs).Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).Aase.Volstrekt niets te zien!De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!De Vrouw.Mensch, ben je dol?De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.Aase(gilt).Heere Jezus toch!De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …De Man.Zij kennen hem te goed.Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!De Eerste.Woest is smachtend!De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …(staat op van zijn troon).De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”De Hofkabouter.Vat je den zin wel?Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!(Spel en dans).Hofkabouter.Wat dunkt je er van?Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.Hofkabouters.Verslindt hem!De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.Peer Gynt.Wat wil je dan doen?De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …Peer Gynt.Ben je dronken?De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.De Koning.Wat wil je gaan doen?Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!(wil door den schoorsteen naar boven).Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!(wil door het keldergat naar beneden).Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!Kleine Kabouters.Verscheurt hem!Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!(loopt rond).Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!(valt neer).Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!(Klokgelui in de verte).Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!(slaat zich door).De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?De Stem.Böjgen.Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.Peer Gynt.Sla!De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!De Vogels.Hij wankelt!De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.(zakt in elkaar).De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?Helga.’t Is Solvejg …Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?Solvejg.Schaam je!Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!Peer Gynt.Daar heb je ’m.Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!(Helga loopt hard weg).EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.Peer Gynt.Ga weg!Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?Peer Gynt.Jij bent ’t niet.Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!Peer Gynt.Zwijg!Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?Ingrid.Zeg?Neen; maar …?Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!Ingrid.Zeg!Neen, maar …Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.Ingrid.’k Was wanhopend!Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.Ingrid.Blijf je er bij dus?Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.(Zij gaan ieder huns weegs).Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).Aase.Volstrekt niets te zien!De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!De Vrouw.Mensch, ben je dol?De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.Aase(gilt).Heere Jezus toch!De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …De Man.Zij kennen hem te goed.Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!De Eerste.Woest is smachtend!De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …(staat op van zijn troon).De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”De Hofkabouter.Vat je den zin wel?Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!(Spel en dans).Hofkabouter.Wat dunkt je er van?Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.Hofkabouters.Verslindt hem!De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.Peer Gynt.Wat wil je dan doen?De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …Peer Gynt.Ben je dronken?De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.De Koning.Wat wil je gaan doen?Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!(wil door den schoorsteen naar boven).Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!(wil door het keldergat naar beneden).Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!Kleine Kabouters.Verscheurt hem!Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!(loopt rond).Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!(valt neer).Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!(Klokgelui in de verte).Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!(slaat zich door).De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?De Stem.Böjgen.Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.Peer Gynt.Sla!De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!De Vogels.Hij wankelt!De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.(zakt in elkaar).De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?Helga.’t Is Solvejg …Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?Solvejg.Schaam je!Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!Peer Gynt.Daar heb je ’m.Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!(Helga loopt hard weg).EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.Peer Gynt.Ga weg!Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?Peer Gynt.Jij bent ’t niet.Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!Peer Gynt.Zwijg!Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?Ingrid.Zeg?Neen; maar …?Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!Ingrid.Zeg!Neen, maar …Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.Ingrid.’k Was wanhopend!Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.Ingrid.Blijf je er bij dus?Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.(Zij gaan ieder huns weegs).Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).Aase.Volstrekt niets te zien!De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!De Vrouw.Mensch, ben je dol?De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.Aase(gilt).Heere Jezus toch!De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …De Man.Zij kennen hem te goed.Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!De Eerste.Woest is smachtend!De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …(staat op van zijn troon).De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”De Hofkabouter.Vat je den zin wel?Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!(Spel en dans).Hofkabouter.Wat dunkt je er van?Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.Hofkabouters.Verslindt hem!De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.Peer Gynt.Wat wil je dan doen?De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …Peer Gynt.Ben je dronken?De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.De Koning.Wat wil je gaan doen?Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!(wil door den schoorsteen naar boven).Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!(wil door het keldergat naar beneden).Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!Kleine Kabouters.Verscheurt hem!Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!(loopt rond).Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!(valt neer).Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!(Klokgelui in de verte).Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!(slaat zich door).De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?De Stem.Böjgen.Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.Peer Gynt.Sla!De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!De Vogels.Hij wankelt!De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.(zakt in elkaar).De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?Helga.’t Is Solvejg …Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?Solvejg.Schaam je!Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!Peer Gynt.Daar heb je ’m.Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!(Helga loopt hard weg).EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.Peer Gynt.Ga weg!Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?Peer Gynt.Jij bent ’t niet.Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!Peer Gynt.Zwijg!Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?Ingrid.Zeg?Neen; maar …?Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!Ingrid.Zeg!Neen, maar …Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.Ingrid.’k Was wanhopend!Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.Ingrid.Blijf je er bij dus?Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.(Zij gaan ieder huns weegs).Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).Aase.Volstrekt niets te zien!De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!De Vrouw.Mensch, ben je dol?De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.Aase(gilt).Heere Jezus toch!De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …De Man.Zij kennen hem te goed.Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!De Eerste.Woest is smachtend!De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …(staat op van zijn troon).De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”De Hofkabouter.Vat je den zin wel?Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!(Spel en dans).Hofkabouter.Wat dunkt je er van?Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.Hofkabouters.Verslindt hem!De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.Peer Gynt.Wat wil je dan doen?De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …Peer Gynt.Ben je dronken?De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.De Koning.Wat wil je gaan doen?Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!(wil door den schoorsteen naar boven).Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!(wil door het keldergat naar beneden).Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!Kleine Kabouters.Verscheurt hem!Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!(loopt rond).Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!(valt neer).Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!(Klokgelui in de verte).Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?De Stem.Wie ben je?Ik zelf.Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!(slaat zich door).De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?De Stem.Böjgen.Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.Peer Gynt.Sla!De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!De Vogels.Hij wankelt!De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.(zakt in elkaar).De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?Helga.’t Is Solvejg …Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?Solvejg.Schaam je!Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!Peer Gynt.Daar heb je ’m.Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!(Helga loopt hard weg).EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.
Peer Gynt.Ga weg!
Peer Gynt.
Ga weg!
Ingrid(schreiend).Ga weg!Na al wat gebeurd is!Waarheen dan?
Ingrid(schreiend).
Ga weg!Na al wat gebeurd is!
Waarheen dan?
Peer Gynt.Waarheen dan?Waarheen je wilt.
Peer Gynt.
Waarheen dan?Waarheen je wilt.
Ingrid(wringt de handen).Zoo’n bedrieger!
Ingrid(wringt de handen).
Zoo’n bedrieger!
Peer Gynt.Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.Elk gaat nu zijn eigen weg.
Peer Gynt.
Zoo’n bedrieger!Schelden helpt niet.
Elk gaat nu zijn eigen weg.
Ingrid.Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!
Ingrid.
Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!
Peer Gynt.Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen …Uitgezonderd één …!
Peer Gynt.
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen …
Uitgezonderd één …!
Ingrid.Uitgezonderd één …!Wie is dat?
Ingrid.
Uitgezonderd één …!Wie is dat?
Peer Gynt.Jij bent ’t niet.
Peer Gynt.
Jij bent ’t niet.
Ingrid.Jij bent ’t niet.Wie is het dan?
Ingrid.
Jij bent ’t niet.Wie is het dan?
Peer Gynt.Weg! Ga nu maar weer terugNaar je vader!
Peer Gynt.
Weg! Ga nu maar weer terug
Naar je vader!
Ingrid.Naar je vader!Peer, mijn liefste!
Ingrid.
Naar je vader!Peer, mijn liefste!
Peer Gynt.Zwijg!
Peer Gynt.
Zwijg!
Ingrid.Zwijg!Je kunt onmooglijk meenenWat je zegt.
Ingrid.
Zwijg!Je kunt onmooglijk meenen
Wat je zegt.
Peer Gynt.Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!
Peer Gynt.
Wat je zegt.Ja, óf ik ’t meen!
Ingrid.Lokken eerst, en dan verstooten!
Ingrid.
Lokken eerst, en dan verstooten!
Peer Gynt.En waarmee wou jij mij binden?
Peer Gynt.
En waarmee wou jij mij binden?
Ingrid.Haegstad-hoeve en nog veel meer.
Ingrid.
Haegstad-hoeve en nog veel meer.
Peer Gynt.Heb jij een gezangboek bij je?Heb jij lange gouden haren?Kijk jij blozend langs je schortje?Hoû jij vast je moeders rokken?Zeg?
Peer Gynt.
Heb jij een gezangboek bij je?
Heb jij lange gouden haren?
Kijk jij blozend langs je schortje?
Hoû jij vast je moeders rokken?
Zeg?
Ingrid.Zeg?Neen; maar …?
Ingrid.
Zeg?Neen; maar …?
Peer Gynt.Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaarAangenomen?
Peer Gynt.
Zeg? Neen; maar …?Ben jij van ’t voorjaar
Aangenomen?
Ingrid.Aangenomen?Och maar, Peer …?
Ingrid.
Aangenomen?Och maar, Peer …?
Peer Gynt.Kan jij zedig voor je kijken?Kan jij afslaan als ’k wat vraag?
Peer Gynt.
Kan jij zedig voor je kijken?
Kan jij afslaan als ’k wat vraag?
Ingrid.Lieve Heer, hij is krankzinnig!
Ingrid.
Lieve Heer, hij is krankzinnig!
Peer Gynt.Wordt hij rein, die naar je kijkt?Zeg!
Peer Gynt.
Wordt hij rein, die naar je kijkt?
Zeg!
Ingrid.Zeg!Neen, maar …
Ingrid.
Zeg!Neen, maar …
Peer Gynt.Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).
Peer Gynt.
Zeg! Neen, maar …Wat blijft dan over!(wil weggaan).
Ingrid(treedt hem in den weg).Weet je dat ’t je dood kan zijnAls je weggaat?
Ingrid(treedt hem in den weg).
Weet je dat ’t je dood kan zijn
Als je weggaat?
Peer Gynt.Als je weggaat?’t Is best mooglijk!
Peer Gynt.
Als je weggaat?’t Is best mooglijk!
Ingrid.Geld en goed en eer verkrijg jeAls je mij neemt …
Ingrid.
Geld en goed en eer verkrijg je
Als je mij neemt …
Peer Gynt.Als je mij neemt …Dank je wel.
Peer Gynt.
Als je mij neemt …Dank je wel.
Ingrid(barst in tranen uit).O, jij lokte …!
Ingrid(barst in tranen uit).
O, jij lokte …!
Peer Gynt.O, jij lokte …!En jij woû wel.
Peer Gynt.
O, jij lokte …!En jij woû wel.
Ingrid.’k Was wanhopend!
Ingrid.
’k Was wanhopend!
Peer Gynt.’k Was wanhopend!Ik was dol.
Peer Gynt.
’k Was wanhopend!Ik was dol.
Ingrid(dreigend).Goed; ik zet het je betaald!
Ingrid(dreigend).
Goed; ik zet het je betaald!
Peer Gynt.’t Duurste is dan nog goedkoop.
Peer Gynt.
’t Duurste is dan nog goedkoop.
Ingrid.Blijf je er bij dus?
Ingrid.
Blijf je er bij dus?
Peer Gynt.Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.
Peer Gynt.
Blijf je er bij dus?Muurvast, ja.
Ingrid.Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).
Ingrid.
Best; wij zullen zien wie ’t wint dan!(gaat het pad af).
Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).Naar den duivel met dat alles!Naar den duivel alle vrouwen!
Peer Gynt(is een poos stil, dan roept hij luid).
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen!
Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)Uitgezonderd één!
Ingrid(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)
Uitgezonderd één!
Peer Gynt.Uitgezonderd één!Ja, één.
Peer Gynt.
Uitgezonderd één!Ja, één.
(Zij gaan ieder huns weegs).
Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.
Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.
Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).Alles werkt mij tegen met boos geweld,Water en bergen en onweerslucht!Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nogDat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!(keert zich tot Solvejg).Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,En alleen dapper was met zijn mond;Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!Och, zooveel hebben wij al doorstaan!Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,Haalde overal dolle streken uit;’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.Intusschen bleven wij samen thuis zittenEn deden ons best de ellende te vergeten;Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;Och ja! Zoo namen wij sprookjes danVan prinsen en geesten en allerlei meer.Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedachtDat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!
Aase(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).
Alles werkt mij tegen met boos geweld,
Water en bergen en onweerslucht!
Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!
Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!
Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;
En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!
Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nog
Dat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!
(keert zich tot Solvejg).
Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?
Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,
En alleen dapper was met zijn mond;
Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…
Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!
Och, zooveel hebben wij al doorstaan!
Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,
Haalde overal dolle streken uit;
’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.
Intusschen bleven wij samen thuis zitten
En deden ons best de ellende te vergeten;
Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.
Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;
En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,
En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.
De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;
Och ja! Zoo namen wij sprookjes dan
Van prinsen en geesten en allerlei meer.
Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedacht
Dat zoo iets nu nog spoken zou in hem?(weer angstig).
Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …
Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!
(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).
Aase.Volstrekt niets te zien!
Aase.
Volstrekt niets te zien!
De Man(stil).Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.
De Man(stil).
Volstrekt niets te zien!’t Is het ergst voor hem.
Aase.Och mijn Peer! Mijn verloren lam!
Aase.
Och mijn Peer! Mijn verloren lam!
De Man(zucht zachtjes).Ja, juist. Verloren.
De Man(zucht zachtjes).
Ja, juist. Verloren.
Aase.Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.
Aase.
Ja, juist. Verloren.Neen, zeg dat toch niet!
Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.
De Man.Wat ben je toch dwaas, vrouw!
De Man.
Wat ben je toch dwaas, vrouw!
Aase.Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!
Aase.
Wat ben je toch dwaas, vrouw!Och ja, och ja;
Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!
De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.
De Man(altijd gedempt en met zachte oogen).
Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.
Aase(angstig).Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!
Aase(angstig).
Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!
De Man.Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?
De Man.
Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?
Aase(ijverig).Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!
Aase(ijverig).
Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!
De Vrouw.Mensch, ben je dol?
De Vrouw.
Mensch, ben je dol?
De Man.Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?
De Man.
Mensch, ben je dol?Wat praat je daar toch?
Aase.Niets ter wereld dat hij niet kan.Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.
Aase.
Niets ter wereld dat hij niet kan.
Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.
De Man.’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.
De Man.
’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.
Aase(gilt).Heere Jezus toch!
Aase(gilt).
Heere Jezus toch!
De Man.Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.
De Man.
Heere Jezus toch!Heeft de beul hem in handen,
Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.
Aase(duizelig).O, ik word gek nog van je praatjes!Komt mee! ’t Geldt …
Aase(duizelig).
O, ik word gek nog van je praatjes!
Komt mee! ’t Geldt …
De Man.Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.
De Man.
Komt mee! ’t Geldt …Zijn zieleheil.
Aase.Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.
Aase.
Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.En ook zijn lijf!
Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;
Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.
De Man.Hm!… Hier is ’n veeweg …
De Man.
Hm!… Hier is ’n veeweg …
Aase.Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonenDat je helpt hem te zoeken!
Aase.
Hm!… Hier is ’n veeweg …God mag ’t je loonen
Dat je helpt hem te zoeken!
De Man.Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.
De Man.
Dat je helpt hem te zoeken!Dat is christenplicht.
Aase.Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!Er was er geen een die mee wilde zoeken …
Aase.
Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!
Er was er geen een die mee wilde zoeken …
De Man.Zij kennen hem te goed.
De Man.
Zij kennen hem te goed.
Aase.Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!
Aase.
Zij kennen hem te goed.Hij was hun te knap!(wringt de handen).
Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!
De Man.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!
De Man.
Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!
Aase.Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.
Aase.
Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!Nu hier gaan zoeken.
De Man.Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.
De Man.
Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.
(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).
Solvejg(tegen Aase).Vertel mij nog wat meer.
Solvejg(tegen Aase).
Vertel mij nog wat meer.
Aase(droogt haar oogen af).Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?
Aase(droogt haar oogen af).
Vertel mij nog wat meer.Meer van mijn zoon?
Solvejg.Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…Alles!
Solvejg.
Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?Ja;…
Alles!
Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).Alles!Alles? Moe werd je er van!
Aase(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).
Alles!Alles? Moe werd je er van!
Solvejg.Eer zou je moe worden van ’t vertellen,Dan ik van te luisteren.
Solvejg.
Eer zou je moe worden van ’t vertellen,
Dan ik van te luisteren.
Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.
Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).’t Heele dorp zit mij achterna!Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!Dennen uitrukken met wortel en al!Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!Naar de hel met al die flauwe leugens!
Peer Gynt(komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).
’t Heele dorp zit mij achterna!
Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.
D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …
Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!
Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!
Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.
(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).
Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!
Dennen uitrukken met wortel en al!
Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!
Naar de hel met al die flauwe leugens!
Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?
Drie berghutmeiden(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?
Peer Gynt.Wie roep je daar zoo?
Peer Gynt.
Wie roep je daar zoo?
De Meiden.Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!
De Meiden.
Wie roep je daar zoo?Kabouters! Kabouters!
Eerste Meid.Trond! Kom, wees smachtend!
Eerste Meid.
Trond! Kom, wees smachtend!
De Tweede.Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!
De Tweede.
Trond! Kom, wees smachtend!Baard! Kom, wees woest!
De Derde.Verlaten staan alle bedsteden ginder!
De Derde.
Verlaten staan alle bedsteden ginder!
De Eerste.Woest is smachtend!
De Eerste.
Woest is smachtend!
De Tweede.Woest is smachtend!En smachtend is woest!
De Tweede.
Woest is smachtend!En smachtend is woest!
De Derde.Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!
De Derde.
Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!
Peer Gynt.Waar zijn dan de jongens?
Peer Gynt.
Waar zijn dan de jongens?
Alle Drie(stiklachend).Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!
Alle Drie(stiklachend).
Waar zijn dan de jongens?Die kunnen niet komen!
De Eerste.De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.
De Eerste.
De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;
Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.
De Tweede.De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.Nu zwerven zij samen als landloopers rond.
De Tweede.
De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.
Nu zwerven zij samen als landloopers rond.
De Derde.De mijne, die maakte ons kleintje dood.Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.
De Derde.
De mijne, die maakte ons kleintje dood.
Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.
Alle Drie.Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters, wil je bij ons komen slapen?
Alle Drie.
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters, wil je bij ons komen slapen?
Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).Ik ben een kabouter en sta je alle drie!
Peer Gynt(staat met een sprong ineens tusschen hen in).
Ik ben een kabouter en sta je alle drie!
De Meiden.Ben jij zoo’n kerel, zeg?
De Meiden.
Ben jij zoo’n kerel, zeg?
Peer Gynt.Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!
Peer Gynt.
Ben jij zoo’n kerel, zeg?Dat zal je eens zien!
De Eerste.Kom mee dan! Kom mee dan!
De Eerste.
Kom mee dan! Kom mee dan!
De Tweede.Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!
De Tweede.
Kom mee dan! Kom mee dan!Er is meed’!
Peer Gynt.Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!
Peer Gynt.
Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!Schenk ze in stroomen!
De Derde.Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!
De Derde.
Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!
De Tweede(kust hem).Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.
De Tweede(kust hem).
Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.
De Derde(evenzoo).Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.
De Derde(evenzoo).
Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.
Peer Gynt(danst in hun midden).Droef het hart en dol de kop;Met lachend oog; de keel gesnoerd!
Peer Gynt(danst in hun midden).
Droef het hart en dol de kop;
Met lachend oog; de keel gesnoerd!
De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?
De Meiden(trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?
(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).
In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.
Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).Kasteelen verrijzen al hooger!O, wat een schittrende poort!Sta toch! Blijf staan! Het wijkt alVerder en verder terug!Hoog op den toren slaat er’t Haantje zijn vleugels al uit;.…Verblauwend in verre klovenVliedt alles … de berg ’s weer dicht.Wat zijn dat voor stammen en wortels.Opschietend uit spleten daar?Dat zijn reuzen met reigerpooten!Nu zinken die ook weer weg.Als regenboog-strepen daast hetVlijmend in oog en brein.Wat is dat voor klokkengelui nu?Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …Die ring, die mij brandt als vuur …!Ik kan mij maar niet meer bezinnenWie duivel mij dien óm bond!(zinkt neer).’t Rijden over den GendinLeugens en zinsbedrog?Op tegen muursteile wandenMet de bruid … en ’n dag lang in roesJagende valken en gieren,Dreigend kaboutervolk,Scharrelen met dolle meiden;…Leugens en zinsbedrog!(staart lang in de hoogte).Daar zie ik twee arenden drijven.Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.En ik moet hier zwoegen en ploetrenIn modder en vuil, kniehoog!(springt op).Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein inDer scherpste winden bad!Ik wil óp! ’k Wil mij vermooienIn stralenden zonneglans!Ik wil weg, ver over de bergen,’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;Ik wil voort over zilte zeeën,En hoog over Engelands prins;Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;Wat ik doe gaat niemand aan;Wat sta je beneden te wachten …?Ja, misschien val ik toch wel omlaag.Waar zijn nu die arenden heen weer?…De duivel heeft ze gehaald!…Daar rijst nu een hooge gevel;Al grooter wordt ’t puntige dak;Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…Kijk, wijd open staat de deurHa, nu herken ik het huis wel,Dat is grootvaders nieuwe plaats!Weg is het oude kavalje,Weg ’t hek, dat op vallen stond.En blinken doen alle ruiten;Er is feest in de groote zaal.Daar hoorde ik tegen zijn glas juistDen proost tikken met zijn mes;…Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …Dat de spiegel in scherven springt;Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!Stil moeder; het doet er niet toe!De rijke Jon Gynt viert er feest nu;Hoera voor ’t geslacht der Gynts!Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?Wat voor een rumoer en lawaai?De kapitein roept om Peer-zoon,…De proost wil drinken op mij.Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,Daar klinkt de uitspraak dan:Peer, jij bent van groote afkomst,En wat groots zal je worden eenmaal!
Peer Gynt(komt verward en verwilderd op).
Kasteelen verrijzen al hooger!
O, wat een schittrende poort!
Sta toch! Blijf staan! Het wijkt al
Verder en verder terug!
Hoog op den toren slaat er
’t Haantje zijn vleugels al uit;.…
Verblauwend in verre kloven
Vliedt alles … de berg ’s weer dicht.
Wat zijn dat voor stammen en wortels.
Opschietend uit spleten daar?
Dat zijn reuzen met reigerpooten!
Nu zinken die ook weer weg.
Als regenboog-strepen daast het
Vlijmend in oog en brein.
Wat is dat voor klokkengelui nu?
Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!
O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …
Die ring, die mij brandt als vuur …!
Ik kan mij maar niet meer bezinnen
Wie duivel mij dien óm bond!
(zinkt neer).
’t Rijden over den Gendin
Leugens en zinsbedrog?
Op tegen muursteile wanden
Met de bruid … en ’n dag lang in roes
Jagende valken en gieren,
Dreigend kaboutervolk,
Scharrelen met dolle meiden;…
Leugens en zinsbedrog!
(staart lang in de hoogte).
Daar zie ik twee arenden drijven.
Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.
En ik moet hier zwoegen en ploetren
In modder en vuil, kniehoog!(springt op).
Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein in
Der scherpste winden bad!
Ik wil óp! ’k Wil mij vermooien
In stralenden zonneglans!
Ik wil weg, ver over de bergen,
’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;
Ik wil voort over zilte zeeën,
En hoog over Engelands prins;
Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;
Wat ik doe gaat niemand aan;
Wat sta je beneden te wachten …?
Ja, misschien val ik toch wel omlaag.
Waar zijn nu die arenden heen weer?…
De duivel heeft ze gehaald!…
Daar rijst nu een hooge gevel;
Al grooter wordt ’t puntige dak;
Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…
Kijk, wijd open staat de deur
Ha, nu herken ik het huis wel,
Dat is grootvaders nieuwe plaats!
Weg is het oude kavalje,
Weg ’t hek, dat op vallen stond.
En blinken doen alle ruiten;
Er is feest in de groote zaal.
Daar hoorde ik tegen zijn glas juist
Den proost tikken met zijn mes;…
Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …
Dat de spiegel in scherven springt;
Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!
Stil moeder; het doet er niet toe!
De rijke Jon Gynt viert er feest nu;
Hoera voor ’t geslacht der Gynts!
Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?
Wat voor een rumoer en lawaai?
De kapitein roept om Peer-zoon,…
De proost wil drinken op mij.
Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,
Daar klinkt de uitspraak dan:
Peer, jij bent van groote afkomst,
En wat groots zal je worden eenmaal!
(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).
Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.
De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).Is het waar?
De In-’t-groen-gekleede(blijft staan en keert zich om).
Is het waar?
Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.Nooit zal ik je bij je haren trekken …
Peer Gynt(strijkt als snijdend langs zijn keel).
Is het waar?Zoo waar als ik Peer heet;…
Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!
Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;
Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.
Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.
Nooit zal ik je bij je haren trekken …
De In-’t-groen-gekleede.En mij niet slaan ook?
De In-’t-groen-gekleede.
En mij niet slaan ook?
Peer Gynt.En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.
Peer Gynt.
En mij niet slaan ook?Neen; dacht je dat?
Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.
De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon?
De In-’t-groen-gekleede.
Ben je een koningszoon?
Peer Gynt.Ben je een koningszoon?Ja.
Peer Gynt.
Ben je een koningszoon?Ja.
De In-’t-groen-gekleede.Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.
De In-’t-groen-gekleede.
Ben je een koningszoon? Ja.Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.
Peer Gynt.Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.
Peer Gynt.
Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.
De In-’t-groen-gekleede.Binnen in Rondeberg is vaders slot.
De In-’t-groen-gekleede.
Binnen in Rondeberg is vaders slot.
Peer Gynt.Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.
Peer Gynt.
Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.
De In-’t-groen-gekleede.Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.
De In-’t-groen-gekleede.
Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.
Peer Gynt.Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.
Peer Gynt.
Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.
De In-’t-groen-gekleede.Als vader raast, dan splijten de bergen.
De In-’t-groen-gekleede.
Als vader raast, dan splijten de bergen.
Peer Gynt.Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.
Peer Gynt.
Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.
De In-’t-groen-gekleede.Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.
De In-’t-groen-gekleede.
Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.
Peer Gynt.Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.
Peer Gynt.
Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.
De In-’t-groen-gekleede.Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?
De In-’t-groen-gekleede.
Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?
Peer Gynt.O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!
Peer Gynt.
O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!
De In-’t-groen-gekleede.Ik loop door de week ook in goud en zijde.
De In-’t-groen-gekleede.
Ik loop door de week ook in goud en zijde.
Peer Gynt.Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.
Peer Gynt.
Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.
De In-’t-groen-gekleede.Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:Al ons eigendom heeft twee kanten.Als je meegaat naar mijn vaders slotKon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.
De In-’t-groen-gekleede.
Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;
Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:
Al ons eigendom heeft twee kanten.
Als je meegaat naar mijn vaders slot
Kon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,
Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.
Peer Gynt.Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,En misschien zou je wel de glinstrende ruitenVoor opgestopt houden met lappen en lompen.
Peer Gynt.
Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!
’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,
En misschien zou je wel de glinstrende ruiten
Voor opgestopt houden met lappen en lompen.
De In-’t-groen-gekleede.Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.
De In-’t-groen-gekleede.
Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.
Peer Gynt.Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.
Peer Gynt.
Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.
De In-’t-groen-gekleede.Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!
De In-’t-groen-gekleede.
Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!
Peer Gynt.Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.
Peer Gynt.
Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.
De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!
De In-’t-groen-gekleede(roept achterom naar den berg).
Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!
(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).
Peer Gynt.Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!
Peer Gynt.
Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,
Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!
De In-’t-groen-gekleede(teeder).Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!
De In-’t-groen-gekleede(teeder).
Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…
Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!
Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.
Peer Gynt(zweept het varken dat weg draaft).
De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.
De Hofkabouters.Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasdDes Kabouterkonings lieflijkste maagd!
De Hofkabouters.
Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasd
Des Kabouterkonings lieflijkste maagd!
Een jonge Kabouter.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?
Een jonge Kabouter.
Mag ’k hem in zijn vinger snijden?
Een Tweede.Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?
Een Tweede.
Mag ’k hem in zijn vinger snijden?Mag ’k hem trekken aan zijn haar?
Een Kaboutermeisje.Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!
Een Kaboutermeisje.
Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!
Een Heks(met een schuimspaan).Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?
Een Heks(met een schuimspaan).
Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?
Een Tweede(met een slachtmes).Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?
Een Tweede(met een slachtmes).
Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?
De Kabouterkoning.Doet wat ijs in je bloed!(wenkt zijn getrouwen naderbij).Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;Wij hebben den rechten houvast verloren,En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.(tegen Peer Gynt).Het is dus mijn dochter die je begeert?
De Kabouterkoning.
Doet wat ijs in je bloed!
(wenkt zijn getrouwen naderbij).
Doet wat ijs in je bloed!Laat ons niet zoo brallen.
’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;
Wij hebben den rechten houvast verloren,
En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.
Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;
En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.
Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;
Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;
Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,
Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;
En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.
(tegen Peer Gynt).
Het is dus mijn dochter die je begeert?
Peer Gynt.Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.
Peer Gynt.
Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.
De Kabouterkoning.Het halve krijg je nu bij mijn leven,En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.
De Kabouterkoning.
Het halve krijg je nu bij mijn leven,
En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.
Peer Gynt.Daar ben ’k mee tevreê.
Peer Gynt.
Daar ben ’k mee tevreê.
De Koning.Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…Jij moet ook nog een paar beloften geven;Alles is verbroken, als je er een verbreekt,En je komt niet levend meer hier van daan dan …Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijktNaar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.
De Koning.
Daar ben ’k mee tevreê.Ja, stop, mijn zoon!…
Jij moet ook nog een paar beloften geven;
Alles is verbroken, als je er een verbreekt,
En je komt niet levend meer hier van daan dan …
Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijkt
Naar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;
Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.
Peer Gynt.Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.
Peer Gynt.
Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.
De Koning.En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …
De Koning.
En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …
(staat op van zijn troon).
De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).Laat zien of je hebt genoeg verstandEn ’s konings raadselnoot weet te kraken!
De Oudste Hofkabouter(tegen Peer Gynt).
Laat zien of je hebt genoeg verstand
En ’s konings raadselnoot weet te kraken!
De Koning.Waarin verschilt ’n kabouter van een man?
De Koning.
Waarin verschilt ’n kabouter van een man?
Peer Gynt.Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…Net zooals bij ons, als zij maar durfden.
Peer Gynt.
Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.
Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…
Net zooals bij ons, als zij maar durfden.
De Koning.Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,Dus verschil blijft er alevel toch.Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolkDaar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”
De Koning.
Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.
Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,
Dus verschil blijft er alevel toch.
Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:
Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,
Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!
Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolk
Daar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”
De Hofkabouter.Vat je den zin wel?
De Hofkabouter.
Vat je den zin wel?
Peer Gynt.Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.
Peer Gynt.
Vat je den zin wel?’t Lijkt mij wat duister.
De Koning.“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterkeWoord, moet voortaan je lijfspreuk worden.
De Koning.
“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterke
Woord, moet voortaan je lijfspreuk worden.
Peer Gynt(krabt zich achter het oor).Ja, maar …
Peer Gynt(krabt zich achter het oor).
Ja, maar …
De Koning.Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!
De Koning.
Ja, maar …Dat moet, als je hier zult regeeren!
Peer Gynt.Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…
Peer Gynt.
Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…
De Koning.Daarbij moet je leeren en stellen op prijsOnze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).De koe geeft koeken en de os geeft meed’;Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,Dat het thuis toebereid is.
De Koning.
Daarbij moet je leeren en stellen op prijs
Onze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.
(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).
De koe geeft koeken en de os geeft meed’;
Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;
Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,
Dat het thuis toebereid is.
Peer Gynt(duwt de dingen weg).De duivel haal’ jullie huismanskost!’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.
Peer Gynt(duwt de dingen weg).
De duivel haal’ jullie huismanskost!
’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.
De Koning.De nap hoort er bij en die is van goud.En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.
De Koning.
De nap hoort er bij en die is van goud.
En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.
Peer Gynt(huilend).Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.Komaan!(geeft toe).
Peer Gynt(huilend).
Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;
Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.
Komaan!(geeft toe).
De Koning.Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.Spuw je?
De Koning.
Komaan!Kijk, dat ’s een verstandig woord.
Spuw je?
Peer Gynt.Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.
Peer Gynt.
Spuw je?Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.
De Koning.Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.
De Koning.
Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;
Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,
Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,
Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.
Peer Gynt(nijdig).Ik heb geen staart!
Peer Gynt(nijdig).
Ik heb geen staart!
De Koning.Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.
De Koning.
Ik heb geen staart!Dien kan je krijgen.
Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.
Peer Gynt.Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!
Peer Gynt.
Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!
De Koning.Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.
De Koning.
Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.
Peer Gynt.Menschen maken tot een dier!
Peer Gynt.
Menschen maken tot een dier!
De Koning.Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,En dat geldt nu hier voor de grootste eer.
De Koning.
Menschen maken tot een dier!Mijn zoon, je dwaalt!
Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.
Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,
En dat geldt nu hier voor de grootste eer.
Peer Gynt(nadenkend).Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.Bind maar aan!
Peer Gynt(nadenkend).
Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.
En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.
Bind maar aan!
De Koning.Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.
De Koning.
Bind maar aan!Je bent ’n geschikte knaap.
De Hofkabouter.Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!
De Hofkabouter.
Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!
Peer Gynt(nijdig).Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?
Peer Gynt(nijdig).
Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?
Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?
De Koning.Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;Aan handel en wandel herkent men den kabouter.Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.
De Koning.
Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.
Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;
Aan handel en wandel herkent men den kabouter.
Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,
Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.
Peer Gynt.Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,Een verstandiger kerel dan men zou denken.
Peer Gynt.
Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,
Een verstandiger kerel dan men zou denken.
De Koning.Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!
De Koning.
Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;
Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …
Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;
Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.
Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!
Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!
(Spel en dans).
Hofkabouter.Wat dunkt je er van?
Hofkabouter.
Wat dunkt je er van?
Peer Gynt.Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…
Peer Gynt.
Wat dunkt je er van?Wat? Ja … hm!…
De Koning.Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.Wat zie je, zeg?
De Koning.
Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…Spreek zonder vrees.
Wat zie je, zeg?
Peer Gynt.Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.
Peer Gynt.
Wat zie je, zeg?Een afschuwelijk spel.
Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;
In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.
Hofkabouters.Verslindt hem!
Hofkabouters.
Verslindt hem!
De Koning.Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!
De Koning.
Verslindt hem!Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!
Vrouwelijke Kabouters.Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!
Vrouwelijke Kabouters.
Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!
De Dochter(huilend).Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,Als ik en mijn zusje spelen en dansen!
De Dochter(huilend).
Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,
Als ik en mijn zusje spelen en dansen!
Peer Gynt.Och kom, was jij het? Nou, een grapje,Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.
Peer Gynt.
Och kom, was jij het? Nou, een grapje,
Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.
De Dochter.Kan ’k daarop vertrouwen?
De Dochter.
Kan ’k daarop vertrouwen?
Peer Gynt.Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelenWas, haal mij de koekoek, allerliefst.
Peer Gynt.
Kan ’k daarop vertrouwen?Zoowel dansen als spelen
Was, haal mij de koekoek, allerliefst.
De Koning.’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgangWordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,Dat ’k stellig al dacht, de oude AdamWas eens en voor altijd de poort uitgejaagd;Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.Ja, ja, dan is er noodig een kuurVoor die hardnekkige menschennatuur.
De Koning.
’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;
Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;
Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgang
Wordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.
Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;
Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;
Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,
Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …
Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,
Dat ’k stellig al dacht, de oude Adam
Was eens en voor altijd de poort uitgejaagd;
Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.
Ja, ja, dan is er noodig een kuur
Voor die hardnekkige menschennatuur.
Peer Gynt.Wat wil je dan doen?
Peer Gynt.
Wat wil je dan doen?
De Koning.Wat wil je dan doen?In ’t linker oogGeef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …
De Koning.
Wat wil je dan doen?In ’t linker oog
Geef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;
Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.
Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …
Peer Gynt.Ben je dronken?
Peer Gynt.
Ben je dronken?
De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…En nooit maken je oogen je dan meer wat wijsVan tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …
De Koning(legt eenige scherpe instrumenten op tafel).
Ben je dronken?Hier zie je mijn instrumenten;
Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;
Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…
En nooit maken je oogen je dan meer wat wijs
Van tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …
Peer Gynt.Dat is gekkenpraat!
Peer Gynt.
Dat is gekkenpraat!
De Oudste Hofkabouter.Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.Hij is de wijze, jij bent de gek!
De Oudste Hofkabouter.
Dat is gekkenpraat!Dat is echte koningstaal.
Hij is de wijze, jij bent de gek!
De Koning.Bedenk voor hoevele verdrietelijkhedenJe daardoor bewaard blijft je heele leven.Zie het toch in dat je oogen de bron zijnVan ’t bijtende, kwellende tranenloog.
De Koning.
Bedenk voor hoevele verdrietelijkheden
Je daardoor bewaard blijft je heele leven.
Zie het toch in dat je oogen de bron zijn
Van ’t bijtende, kwellende tranenloog.
Peer Gynt.Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:Ergert uw oog u, ruk het dan uit.Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,Wordt ’n menschenoog weer?
Peer Gynt.
Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:
Ergert uw oog u, ruk het dan uit.
Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,
Wordt ’n menschenoog weer?
De Koning.Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.
De Koning.
Wordt ’n menschenoog weer?Dat wordt het nooit meer.
Peer Gynt.Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.
Peer Gynt.
Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.
De Koning.Wat wil je gaan doen?
De Koning.
Wat wil je gaan doen?
Peer Gynt.Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.
Peer Gynt.
Wat wil je gaan doen?’k Ga er van door.
De Koning.Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.
De Koning.
Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!
Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.
Peer Gynt.Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?
Peer Gynt.
Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?
De Koning.Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doetZich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.En dat wil je immers ook?
De Koning.
Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!
Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doet
Zich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.
En dat wil je immers ook?
Peer Gynt.En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:Maar ik kan losmaken wat een ander bond.Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komenVan die kaboutersche levensmanier.Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,Kabouter moet blijven al je levensdagen …En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.
Peer Gynt.
En dat wil je immers ook?Ja, zeker, dat wil ’k.
Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,
Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.
Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.
Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:
Maar ik kan losmaken wat een ander bond.
Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;
Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.
En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komen
Van die kaboutersche levensmanier.
Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…
Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;
Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,
Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,
Kabouter moet blijven al je levensdagen …
En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …
Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,
Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.
De Koning.Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …
De Koning.
Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;
En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.
Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?
Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …
Peer Gynt.Dat ’s gelogen, zeg ik!
Peer Gynt.
Dat ’s gelogen, zeg ik!
De Koning.Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.
De Koning.
Dat ’s gelogen, zeg ik!Je moet haar toch trouwen.
Peer Gynt.Durf je te beweren dat …?
Peer Gynt.
Durf je te beweren dat …?
De Koning.Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennenDat je haar begeerde en achterna liep?
De Koning.
Durf je te beweren dat …?Wat? Kan je ontkennen
Dat je haar begeerde en achterna liep?
Peer Gynt(fluit).Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!
Peer Gynt(fluit).
Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!
De Koning.Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.De bedoeling erken je volmondig genoeg;Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …
De Koning.
Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.
De bedoeling erken je volmondig genoeg;
Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;
Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?
Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …
Peer Gynt.Mij vang je toch niet met je leugenaas!
Peer Gynt.
Mij vang je toch niet met je leugenaas!
De Dochter.Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.
De Dochter.
Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.
Peer Gynt.Doe open; ’k wil er uit!
Peer Gynt.
Doe open; ’k wil er uit!
De Koning.Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevelKrijg jij ’t jong thuisgestuurd.
De Koning.
Doe open; ’k wil er uit!In ’n bokkevel
Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.
Peer Gynt(wischt zich het zweet af).Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!
Peer Gynt(wischt zich het zweet af).
Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.Was ’k maar weer wakker!
De Koning.Moet ’t naar ’t koningspark?
De Koning.
Moet ’t naar ’t koningspark?
Peer Gynt.Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!
Peer Gynt.
Moet ’t naar ’t koningspark?Stuur ’t aan ’t kerspel!
De Koning.Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,En ook dat je telg opgroeien zal;Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …
De Koning.
Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.
Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,
En ook dat je telg opgroeien zal;
Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …
Peer Gynt.Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;Meisje, wees wijs! En luister naar rede.Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.
Peer Gynt.
Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;
Meisje, wees wijs! En luister naar rede.
Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…
En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,
Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.
(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).
De Koning.Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!
De Koning.
Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!
Kleine Kabouters.Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!
Kleine Kabouters.
Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!
Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!
De Koning.Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).
De Koning.
Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht!(af).
Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).Laat los, duivelstuig!
Peer Gynt(opgejaagd door de kleine kabouters).
Laat los, duivelstuig!
(wil door den schoorsteen naar boven).
Kleine Kabouters.Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!Bijt hem van achtren!
Kleine Kabouters.
Laat los, duivelstuig!Aardmannetjes! Dwergen!
Bijt hem van achtren!
Peer Gynt.Bijt hem van achtren!Au!
Peer Gynt.
Bijt hem van achtren!Au!
(wil door het keldergat naar beneden).
Kleine Kabouters.Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!
Kleine Kabouters.
Bijt hem van achtren! Au!Sluit alle spleten!
Hofkabouter.Wat hebben die kleintjes een pret!
Hofkabouter.
Wat hebben die kleintjes een pret!
Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!
Peer Gynt(vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).
Wat hebben die kleintjes een pret!Laat je los, smeerlap!
Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!
Hofkabouter(slaat hem op zijn vingers).
Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!
Peer Gynt.Een rattenhol!(loopt er heen).
Peer Gynt.
Een rattenhol!(loopt er heen).
Kleine Kabouters.Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!
Kleine Kabouters.
Een rattenhol!Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!
Peer Gynt.De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!
Peer Gynt.
De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!
Kleine Kabouters.Verscheurt hem!
Kleine Kabouters.
Verscheurt hem!
Peer Gynt.Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!
Peer Gynt.
Verscheurt hem!Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!
(loopt rond).
Kleine Kabouters(draaien om hem heen).Sluit den kring! Sluit den kring!
Kleine Kabouters(draaien om hem heen).
Sluit den kring! Sluit den kring!
Peer Gynt(huilend).Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!
Peer Gynt(huilend).
Sluit den kring! Sluit den kring!Ach, was ’k maar een luis!
(valt neer).
Kleine Kabouters.Nou op zijn oogen aan!
Kleine Kabouters.
Nou op zijn oogen aan!
Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!
Peer Gynt(begraven onder den hoop kabouters).
Nou op zijn oogen aan!Help moeder! Ik sterf!
(Klokgelui in de verte).
Kleine Kabouters.Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!
Kleine Kabouters.
Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!
(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).
Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.
Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je?
Peer Gynt.
Antwoord! Wie ben je?
Een Stem-in-de-duisternis.Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.
Een Stem-in-de-duisternis.
Antwoord! Wie ben je?Ik zelf.
Peer Gynt.Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!
Peer Gynt.
Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.Uit den weg!
De Stem.Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.
De Stem.
Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.
Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).Wie ben je?
Peer Gynt(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).
Wie ben je?
De Stem.Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?
De Stem.
Wie ben je?Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?
Peer Gynt.Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.(slaat en houwt).Wie ben je?
Peer Gynt.
Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!
Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!
Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.
(slaat en houwt).
Wie ben je?
De Stem.Wie ben je?Ik zelf.
De Stem.
Wie ben je?Ik zelf.
Peer Gynt.Wie ben je? Ik zelf.Die domme praatHoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!Wát ben je?
Peer Gynt.
Wie ben je? Ik zelf.Die domme praat
Hoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!
Wát ben je?
De Stem.Wát ben je?De groote Böjgen2.
De Stem.
Wát ben je?De groote Böjgen2.
Peer Gynt.Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.Uit den weg, Böjgen!
Peer Gynt.
Wát ben je? De groote Böjgen2.Och kom!
Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.
Uit den weg, Böjgen!
De Stem.Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!
De Stem.
Uit den weg, Böjgen!Ga buitenom, Peer!
Peer Gynt.Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).Er door heen!Hoho! Zijn er meer?
Peer Gynt.
Er door heen!(slaat en hakt)Hij valt!
(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).
Er door heen!Hoho! Zijn er meer?
De Stem.Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.
De Stem.
Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.
Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.
Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.
Peer Gynt(gooit den tak weg).’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!
Peer Gynt(gooit den tak weg).
’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!
(slaat zich door).
De Stem.Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.
De Stem.
Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.
Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.
Peer Gynt(komt terug).Heen of terug, het is even lang …Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?
Peer Gynt(komt terug).
Heen of terug, het is even lang …
Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!
Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!
Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …
Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?
De Stem.Böjgen.
De Stem.
Böjgen.
Peer Gynt(tast in ’t rond).Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpenIn een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).Sla van je af!
Peer Gynt(tast in ’t rond).
Böjgen.Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.
Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpen
In een hoop brommende halfwakk’re beren!(schreeuwt).
Sla van je af!
De Stem.Sla van je af!Böjgen is niet gek.
De Stem.
Sla van je af!Böjgen is niet gek.
Peer Gynt.Sla!
Peer Gynt.
Sla!
De Stem.Sla!Böjgen slaat niet.
De Stem.
Sla!Böjgen slaat niet.
Peer Gynt.Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!
Peer Gynt.
Sla! Böjgen slaat niet.Vecht! Je moet!
De Stem.De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.
De Stem.
De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.
Peer Gynt.Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …Nou snurkt hij! Böjg!
Peer Gynt.
Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!
Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!
Maarietsom mee te vechten. Maar dat is hier niet …
Nou snurkt hij! Böjg!
De Stem.Nou snurkt hij! Böjg!Wat?
De Stem.
Nou snurkt hij! Böjg!Wat?
Peer Gynt.Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!
Peer Gynt.
Nou snurkt hij! Böjg! Wat?Gebruik geweld!
De Stem.De groote Böjgen wint alles met zachtheid.
De Stem.
De groote Böjgen wint alles met zachtheid.
Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!
Peer Gynt(bijt zich in armen en handen).
Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!
Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!
(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).
Vogelgeschreeuw.Böjg, komt hij?
Vogelgeschreeuw.
Böjg, komt hij?
De Stem.Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.
De Stem.
Böjg, komt hij?Ja! voet voor voet.
De Vogels.Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!
De Vogels.
Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!
Peer Gynt.Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uitJe kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!
Peer Gynt.
Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.
Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uit
Je kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!
De Vogels.Hij wankelt!
De Vogels.
Hij wankelt!
De Stem.Hij wankelt!Wij hebben ’m.
De Stem.
Hij wankelt!Wij hebben ’m.
De Vogels.Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!
De Vogels.
Hij wankelt! Wij hebben ’m.Zusters! Gezwind!
Peer Gynt.Te duur gekocht is het leven zoo,Met zulk een uur van moordend spel.
Peer Gynt.
Te duur gekocht is het leven zoo,
Met zulk een uur van moordend spel.
(zakt in elkaar).
De Vogels.Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!
De Vogels.
Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!
(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).
Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.
Böjgen(lost zich op in niets en roept in een doodssnik).
Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.
Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.
Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.
Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?
Peer Gynt(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).
Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!
(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).
Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?
Helga.’t Is Solvejg …
Helga.
’t Is Solvejg …
Peer Gynt(springt op).’t Is Solvejg …Waar is zij?
Peer Gynt(springt op).
’t Is Solvejg …Waar is zij?
Helga.’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.
Helga.
’t Is Solvejg … Waar is zij?Hier achter de hut.
Solvejg(verscholen).Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.
Solvejg(verscholen).
Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.
Peer Gynt.Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?
Peer Gynt.
Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?
Solvejg.Schaam je!
Solvejg.
Schaam je!
Peer Gynt.Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.
Peer Gynt.
Schaam je!Weet je waar ik was van nacht?…
De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.
Solvejg.Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.
Solvejg.
Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.
Peer Gynt.Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…Wat zeg je, hè?
Peer Gynt.
Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…
Wat zeg je, hè?
Helga(huilend).Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).Wacht even!
Helga(huilend).
Wat zeg je, hè?O, daar loopt ze al hard weg!(loopt haar na).
Wacht even!
Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …Doe een goed woord voor mij!
Peer Gynt(houdt haar bij een arm vast).
Wacht even!Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!
Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …
Doe een goed woord voor mij!
Helga.Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!
Helga.
Doe een goed woord voor mij!Toe, laat mij gaan!
Peer Gynt.Daar heb je ’m.
Peer Gynt.
Daar heb je ’m.
Helga.Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!
Helga.
Daar heb je ’m.Laat los! Daar staat de mand met eten!
Peer Gynt.God help’ je, als je niet …!
Peer Gynt.
God help’ je, als je niet …!
Helga.God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!
Helga.
God help’ je, als je niet …!Laat mij los! Ik ben bang!
Peer Gynt(zacht; laat haar los).Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!
Peer Gynt(zacht; laat haar los).
Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!
(Helga loopt hard weg).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.