VIJFDE BEDRIJF.

VIJFDE BEDRIJF.Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …De Koster.Jawel, jawel!De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.De Koster.Hm!De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.De Schoolmeester.Wat? Brand?De Koster.Wat? Brand?Jawel.De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.De Schoolmeester.Wat?De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …De Koster.Van een die troost en een die lijdt …De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.De Koster.Waarom van hèm juist?De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.De Koster.En waar is dat?De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.De Koster.Mijn knappe vriend!De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!De Koster.Ik ook, ik ook!De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!De Koster.Vriend!De Schoolmeester.Vriend!Broeder!De Koster.Vriend! Broeder!Hm!De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.(af naar den anderen kant).(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …Brand.Verwondert …Zoo?De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?De Baljuw.Gemerkt, wat?Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.De Baljuw.Hoezoo?Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.Brand.Altijd en overal hetzelfde!De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.Brand.Waar doelt u op?De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …(gaat de hoogte op naar de kerk).De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.Brand.Zóó ver is ’t nog niet.De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!Brand.Verklaar u nader!De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

VIJFDE BEDRIJF.Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …De Koster.Jawel, jawel!De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.De Koster.Hm!De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.De Schoolmeester.Wat? Brand?De Koster.Wat? Brand?Jawel.De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.De Schoolmeester.Wat?De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …De Koster.Van een die troost en een die lijdt …De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.De Koster.Waarom van hèm juist?De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.De Koster.En waar is dat?De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.De Koster.Mijn knappe vriend!De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!De Koster.Ik ook, ik ook!De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!De Koster.Vriend!De Schoolmeester.Vriend!Broeder!De Koster.Vriend! Broeder!Hm!De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.(af naar den anderen kant).(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …Brand.Verwondert …Zoo?De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?De Baljuw.Gemerkt, wat?Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.De Baljuw.Hoezoo?Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.Brand.Altijd en overal hetzelfde!De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.Brand.Waar doelt u op?De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …(gaat de hoogte op naar de kerk).De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.Brand.Zóó ver is ’t nog niet.De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!Brand.Verklaar u nader!De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

VIJFDE BEDRIJF.Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …De Koster.Jawel, jawel!De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.De Koster.Hm!De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.De Schoolmeester.Wat? Brand?De Koster.Wat? Brand?Jawel.De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.De Schoolmeester.Wat?De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …De Koster.Van een die troost en een die lijdt …De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.De Koster.Waarom van hèm juist?De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.De Koster.En waar is dat?De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.De Koster.Mijn knappe vriend!De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!De Koster.Ik ook, ik ook!De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!De Koster.Vriend!De Schoolmeester.Vriend!Broeder!De Koster.Vriend! Broeder!Hm!De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.(af naar den anderen kant).(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …Brand.Verwondert …Zoo?De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?De Baljuw.Gemerkt, wat?Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.De Baljuw.Hoezoo?Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.Brand.Altijd en overal hetzelfde!De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.Brand.Waar doelt u op?De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …(gaat de hoogte op naar de kerk).De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.Brand.Zóó ver is ’t nog niet.De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!Brand.Verklaar u nader!De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

VIJFDE BEDRIJF.Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …De Koster.Jawel, jawel!De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.De Koster.Hm!De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.De Schoolmeester.Wat? Brand?De Koster.Wat? Brand?Jawel.De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.De Schoolmeester.Wat?De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …De Koster.Van een die troost en een die lijdt …De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.De Koster.Waarom van hèm juist?De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.De Koster.En waar is dat?De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.De Koster.Mijn knappe vriend!De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!De Koster.Ik ook, ik ook!De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!De Koster.Vriend!De Schoolmeester.Vriend!Broeder!De Koster.Vriend! Broeder!Hm!De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.(af naar den anderen kant).(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …Brand.Verwondert …Zoo?De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?De Baljuw.Gemerkt, wat?Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.De Baljuw.Hoezoo?Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.Brand.Altijd en overal hetzelfde!De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.Brand.Waar doelt u op?De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …(gaat de hoogte op naar de kerk).De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.Brand.Zóó ver is ’t nog niet.De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!Brand.Verklaar u nader!De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

VIJFDE BEDRIJF.Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …De Koster.Jawel, jawel!De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.De Koster.Hm!De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.De Schoolmeester.Wat? Brand?De Koster.Wat? Brand?Jawel.De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.De Schoolmeester.Wat?De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …De Koster.Van een die troost en een die lijdt …De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.De Koster.Waarom van hèm juist?De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.De Koster.En waar is dat?De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.De Koster.Mijn knappe vriend!De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!De Koster.Ik ook, ik ook!De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!De Koster.Vriend!De Schoolmeester.Vriend!Broeder!De Koster.Vriend! Broeder!Hm!De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.(af naar den anderen kant).(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …Brand.Verwondert …Zoo?De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?De Baljuw.Gemerkt, wat?Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.De Baljuw.Hoezoo?Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.Brand.Altijd en overal hetzelfde!De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.Brand.Waar doelt u op?De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …(gaat de hoogte op naar de kerk).De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.Brand.Zóó ver is ’t nog niet.De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!Brand.Verklaar u nader!De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.

De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.

De Schoolmeester.Kijk eens aan, al op?

De Schoolmeester.

Kijk eens aan, al op?

De Koster.Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.Help eens ’n handje met dat groen hier.Een haag moet ’t worden voor den optocht.

De Koster.

Kijk eens aan, al op?’t Is wel noodig.

Help eens ’n handje met dat groen hier.

Een haag moet ’t worden voor den optocht.

De Schoolmeester.Daarginder aan de pastorie zag ’kIets in een ronde lijst ophangen …

De Schoolmeester.

Daarginder aan de pastorie zag ’k

Iets in een ronde lijst ophangen …

De Koster.Jawel, jawel!

De Koster.

Jawel, jawel!

De Schoolmeester.Jawel, jawel!Wat moet dat worden?

De Schoolmeester.

Jawel, jawel!Wat moet dat worden?

De Koster.Een eereschild, zooals ze ’t noemen,Met op een gouden grond, zijn naam.

De Koster.

Een eereschild, zooals ze ’t noemen,

Met op een gouden grond, zijn naam.

De Schoolmeester.Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!Van alle kanten komen ze aan;Van zeilen wit haast ziet de fjord.

De Schoolmeester.

Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!

Van alle kanten komen ze aan;

Van zeilen wit haast ziet de fjord.

De Koster.Ja, nu is de gemeente wakker;In vroeger dagen, vóór zijn tijd,Wist niemand hier van twist of strijd;Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.

De Koster.

Ja, nu is de gemeente wakker;

In vroeger dagen, vóór zijn tijd,

Wist niemand hier van twist of strijd;

Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;

Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.

De Schoolmeester.Leven, vriend, leven!

De Schoolmeester.

Leven, vriend, leven!

De Koster.Leven, vriend, leven!Maar wij gaanLangs ’t leven, onberoerd voorbij;Hoe komt dat dan?

De Koster.

Leven, vriend, leven!Maar wij gaan

Langs ’t leven, onberoerd voorbij;

Hoe komt dat dan?

De Schoolmeester.Hoe komt dat dan?Dat komt omdatWij werkten tot de andren sliepen;…En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…Want ons had niemand toen meer noodig.

De Schoolmeester.

Hoe komt dat dan?Dat komt omdat

Wij werkten tot de andren sliepen;…

En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…

Want ons had niemand toen meer noodig.

De Koster.Maar leven, was toch ’t best, zei u?

De Koster.

Maar leven, was toch ’t best, zei u?

De Schoolmeester.Dat zegt de proost en dominee;En dan zeg ik niet graag wat anders,Maar, enkel als de groote massaEr ook zoo over denkt, dat spreekt.Voor ons geldt nog een andre wetDan die hier voorgelezen wordt;Wij beiden hier zijn ambtenaarsVan het distrikt, om trouw te steunenDe tucht der kerk en alle wetenschappen,En die met hartstochten zich niet bemoeien,In één woord: buiten de partijen staan.

De Schoolmeester.

Dat zegt de proost en dominee;

En dan zeg ik niet graag wat anders,

Maar, enkel als de groote massa

Er ook zoo over denkt, dat spreekt.

Voor ons geldt nog een andre wet

Dan die hier voorgelezen wordt;

Wij beiden hier zijn ambtenaars

Van het distrikt, om trouw te steunen

De tucht der kerk en alle wetenschappen,

En die met hartstochten zich niet bemoeien,

In één woord: buiten de partijen staan.

De Koster.Maar dominee staat niet er buiten.

De Koster.

Maar dominee staat niet er buiten.

De Schoolmeester.Dat is nu juist zoo te betreuren.Ik weet vast dat zijn superieurenNiet over hem tevreden zijn,En als zij voor het volk maar durfden,Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,Hij weet genoeg wat er te koop is.Hij bouwt de kerk. En alles staart zichHier blind, als er maar iets gedaan wordt.Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…Wij allemaal hier,… volk en leidersKan men met recht daadsmannen noemen.

De Schoolmeester.

Dat is nu juist zoo te betreuren.

Ik weet vast dat zijn superieuren

Niet over hem tevreden zijn,

En als zij voor het volk maar durfden,

Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.

Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,

Hij weet genoeg wat er te koop is.

Hij bouwt de kerk. En alles staart zich

Hier blind, als er maar iets gedaan wordt.

Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;

Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…

Wij allemaal hier,… volk en leiders

Kan men met recht daadsmannen noemen.

De Koster.U was een tijdlang afgevaardigd,En moet dus volk en land wel kennen;Maar iemand die hier door de streek trok,Kort nádat de gemeente ontwaakt was,Zei, vroeger waren zij hier slapers,En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.

De Koster.

U was een tijdlang afgevaardigd,

En moet dus volk en land wel kennen;

Maar iemand die hier door de streek trok,

Kort nádat de gemeente ontwaakt was,

Zei, vroeger waren zij hier slapers,

En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.

De Schoolmeester.Ja, met geloften zijn zij gul …Doen àl te veel maar aan geloften,…Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,Dat iedereen haast wat belooft.

De Schoolmeester.

Ja, met geloften zijn zij gul …

Doen àl te veel maar aan geloften,…

Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,

Dat iedereen haast wat belooft.

De Koster.U, die studeerde, zeg mij toch eens …Ik heb er vaak op zitten peinzen …Wat noemt men toch een volksgelofte?

De Koster.

U, die studeerde, zeg mij toch eens …

Ik heb er vaak op zitten peinzen …

Wat noemt men toch een volksgelofte?

De Schoolmeester.Een volksgelofte? dat ’s niet maklijkTe zeggen, zou wat ver ons voeren;Maar ’t is iets waaromheen zich allenVereenigd scharen … om ’t idee;Het is iets dat gebeuren moet,Ver in detoekomst, welbegrepen.

De Schoolmeester.

Een volksgelofte? dat ’s niet maklijk

Te zeggen, zou wat ver ons voeren;

Maar ’t is iets waaromheen zich allen

Vereenigd scharen … om ’t idee;

Het is iets dat gebeuren moet,

Ver in detoekomst, welbegrepen.

De Koster.Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;Maar er is nog iets dat ik graagNog even van u hooren wou.

De Koster.

Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;

Maar er is nog iets dat ik graag

Nog even van u hooren wou.

De Schoolmeester.Zeg ’t vrij-uit maar.

De Schoolmeester.

Zeg ’t vrij-uit maar.

De Koster.Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jarenKomt dan wat men de toekomst noemt?

De Koster.

Zeg ’t vrij-uit maar.Na hoeveel jaren

Komt dan wat men de toekomst noemt?

De Schoolmeester.Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!Die komt nooit!

De Schoolmeester.

Komt dan wat men de toekomst noemt?Wel!

Die komt nooit!

De Koster.Die komt nooit!Komt nooit?

De Koster.

Die komt nooit!Komt nooit?

De Schoolmeester.Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!En dat ’s natuurlijk ook in orde.Want kòmt zij, dan is zij gewordenHetheden,… is geen toekomst meer.

De Schoolmeester.

Die komt nooit! Komt nooit?Welneen!

En dat ’s natuurlijk ook in orde.

Want kòmt zij, dan is zij geworden

Hetheden,… is geen toekomst meer.

De Koster.Ja, dat is zoo, dat zie ik in;Daarover valt niet te krakeelen.Maar hoe houdt men dan die belofte?

De Koster.

Ja, dat is zoo, dat zie ik in;

Daarover valt niet te krakeelen.

Maar hoe houdt men dan die belofte?

De Schoolmeester.Maar ik heb immers juist gezegd,Die heeft betrekking op de toekomst;Wordt in de toekomst pas vervuld.

De Schoolmeester.

Maar ik heb immers juist gezegd,

Die heeft betrekking op de toekomst;

Wordt in de toekomst pas vervuld.

De Koster.Ja goed; maar wanneer komt die dan?

De Koster.

Ja goed; maar wanneer komt die dan?

De Schoolmeester(in zichzelf).Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,Moet ik herhalen wat ik zei,Dat er geen toekomst ooit kan komen,Want als die komt, bestaat zij niet meer.

De Schoolmeester(in zichzelf).

Dat is me een koster!(luid)Lieve vriend,

Moet ik herhalen wat ik zei,

Dat er geen toekomst ooit kan komen,

Want als die komt, bestaat zij niet meer.

De Koster.Hm!

De Koster.

Hm!

De Schoolmeester.Hm!Achter elk abstract begripLigt iets, dat veel lijkt op een draai,Maar dat toch heel eenvoudig is,…Dat is te zeggen dus, voor hen,Die verder tellen dan tot tien.Belovenis ten slotbeliegen,Mag wie belooft ook eerlijk zijn;Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;Men kan wel zeggen glad onmooglijk,Als men van logica wat afweet …Kom laat ons dat maar laten varen.Zeg, hoor eens?…

De Schoolmeester.

Hm!Achter elk abstract begrip

Ligt iets, dat veel lijkt op een draai,

Maar dat toch heel eenvoudig is,…

Dat is te zeggen dus, voor hen,

Die verder tellen dan tot tien.

Belovenis ten slotbeliegen,

Mag wie belooft ook eerlijk zijn;

Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;

Men kan wel zeggen glad onmooglijk,

Als men van logica wat afweet …

Kom laat ons dat maar laten varen.

Zeg, hoor eens?…

De Koster.Zeg, hoor eens?…Stil!

De Koster.

Zeg, hoor eens?…Stil!

De Schoolmeester.Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?

De Schoolmeester.

Zeg, hoor eens?… Stil!Wat is er?

De Koster.Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?

De Koster.

Zeg, hoor eens?… Stil! Wat is er?Stil toch?

De Schoolmeester.Zoo waar, ik hoor daar iemand spelenOp ’t nieuwe orgel.

De Schoolmeester.

Zoo waar, ik hoor daar iemand spelen

Op ’t nieuwe orgel.

De Koster.Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.

De Koster.

Op ’t nieuwe orgel.Dat is hij.

De Schoolmeester.Wat? Brand?

De Schoolmeester.

Wat? Brand?

De Koster.Wat? Brand?Jawel.

De Koster.

Wat? Brand?Jawel.

De Schoolmeester.Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!Die is vroeg bij de hand geweest!

De Schoolmeester.

Wat? Brand? Jawel.Wel sapperloot!

Die is vroeg bij de hand geweest!

De Koster.Ik g’loof haast niet dat hij van nachtZijn bed ook maar heeft aangeraakt.

De Koster.

Ik g’loof haast niet dat hij van nacht

Zijn bed ook maar heeft aangeraakt.

De Schoolmeester.Wat?

De Schoolmeester.

Wat?

De Koster.Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,Hij wordt verteerd door heimlijk leedVan dat hij weduwnaar werd af.Hij wil ’t verbergen, dat is waar;Maar nu en dan komt ’t voor den dag:’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toonAls schreien klinkt om vrouw en kind.

De Koster.

Wat?Ja, dat loopt daar nooit goed af,

Hij wordt verteerd door heimlijk leed

Van dat hij weduwnaar werd af.

Hij wil ’t verbergen, dat is waar;

Maar nu en dan komt ’t voor den dag:

’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…

Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toon

Als schreien klinkt om vrouw en kind.

De Schoolmeester.Het klinkt haast als een samenspraak …

De Schoolmeester.

Het klinkt haast als een samenspraak …

De Koster.Van een die troost en een die lijdt …

De Koster.

Van een die troost en een die lijdt …

De Schoolmeester.Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!

De Schoolmeester.

Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!

De Koster.Ja, als men niet was ambtenaar …

De Koster.

Ja, als men niet was ambtenaar …

De Schoolmeester.En vastgeklemd en ingesnoerdIn alles wat zijn stand betaamt!

De Schoolmeester.

En vastgeklemd en ingesnoerd

In alles wat zijn stand betaamt!

De Koster.Ja, als men durfde naar den duivelTe jagen al die boekenpraat!

De Koster.

Ja, als men durfde naar den duivel

Te jagen al die boekenpraat!

De Schoolmeester.En dan niet zoo verstandig zijn,Maar durvenvoelen, beste koster!

De Schoolmeester.

En dan niet zoo verstandig zijn,

Maar durvenvoelen, beste koster!

De Koster.Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!

De Koster.

Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!

De Schoolmeester.’t Waar’ onbetaamlijk af te dalenTot ’t voelen van gewone menschen.Een man moet, zoo leert onze priester,Niet meer dan één ding willen zijn;Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezenEen mensch en tevens ambtenaar.Men moet alleen … in allen deele …Navolger van den baljuw zijn.

De Schoolmeester.

’t Waar’ onbetaamlijk af te dalen

Tot ’t voelen van gewone menschen.

Een man moet, zoo leert onze priester,

Niet meer dan één ding willen zijn;

Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezen

Een mensch en tevens ambtenaar.

Men moet alleen … in allen deele …

Navolger van den baljuw zijn.

De Koster.Waarom van hèm juist?

De Koster.

Waarom van hèm juist?

De Schoolmeester.Waarom van hèm juist?Nu, u weetToch wel toen daar die zware brand was,Hoe hij ’t archief toen droeg naar buitenEn ’t redde?

De Schoolmeester.

Waarom van hèm juist?Nu, u weet

Toch wel toen daar die zware brand was,

Hoe hij ’t archief toen droeg naar buiten

En ’t redde?

De Koster.En ’t redde?Ja, dat was een nacht!

De Koster.

En ’t redde?Ja, dat was een nacht!

De Schoolmeester.Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,’t Was of hij veertiendubbeld leefde …Maar binnen stond de duivel, lachend,…Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:Je zieleheil, mijn lieve man!…De booze staat je naar het leven!Toen riep de baljuw in den gloed:Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!Help mij maar het archief te redden!Kijk, hij is baljuw op end’ op,Met huid en haar, met hart en ziel.En daarom komt hij vast terecht eensWaar loon naar werken hij zal krijgen.

De Schoolmeester.

Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,

’t Was of hij veertiendubbeld leefde …

Maar binnen stond de duivel, lachend,…

Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:

Je zieleheil, mijn lieve man!…

De booze staat je naar het leven!

Toen riep de baljuw in den gloed:

Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!

Help mij maar het archief te redden!

Kijk, hij is baljuw op end’ op,

Met huid en haar, met hart en ziel.

En daarom komt hij vast terecht eens

Waar loon naar werken hij zal krijgen.

De Koster.En waar is dat?

De Koster.

En waar is dat?

De Schoolmeester.En waar is dat?Natuurlijk inDer goede baljuws Paradijs.

De Schoolmeester.

En waar is dat?Natuurlijk in

Der goede baljuws Paradijs.

De Koster.Mijn knappe vriend!

De Koster.

Mijn knappe vriend!

De Schoolmeester.Mijn knappe vriend!Hoezoo?

De Schoolmeester.

Mijn knappe vriend!Hoezoo?

De Koster.Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,Dat ’k achter alles wat u zegtDe teekens merk van groote gisting;Want gisting is hier, dat staat vast;Dat toont de scheuring overalIn d’eerbied voor aloud gebruik.

De Koster.

Mijn knappe vriend! Hoezoo?Mij dunkt,

Dat ’k achter alles wat u zegt

De teekens merk van groote gisting;

Want gisting is hier, dat staat vast;

Dat toont de scheuring overal

In d’eerbied voor aloud gebruik.

De Schoolmeester.Wat schimmelt moet maar in den grond;Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…Het heden is een teringlijder,En wordt geen versche lucht zijn deel,Dan in de kist maar met den boel!Ja, gisting is er, dat is zeker,Dat is te zien, ook zonder kijker.Den dag, toen ’t oude kerkje viel,Was ’t of het alles met zich namWaarin ons leven tot dien tijdGeworteld was, zijn voedsel vond.

De Schoolmeester.

Wat schimmelt moet maar in den grond;

Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…

Het heden is een teringlijder,

En wordt geen versche lucht zijn deel,

Dan in de kist maar met den boel!

Ja, gisting is er, dat is zeker,

Dat is te zien, ook zonder kijker.

Den dag, toen ’t oude kerkje viel,

Was ’t of het alles met zich nam

Waarin ons leven tot dien tijd

Geworteld was, zijn voedsel vond.

De Koster.Toen werden stil en bang de menschen.Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,En menigeen kreeg ’t toch benauwd,Keek schuw op zij en stond bedremmeld,Toen ’t oude Godshuis van het dorpIn ernst nu storten zou in puin,…Want menigeen leek ’t onaantastbaar.

De Koster.

Toen werden stil en bang de menschen.

Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!

Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,

En menigeen kreeg ’t toch benauwd,

Keek schuw op zij en stond bedremmeld,

Toen ’t oude Godshuis van het dorp

In ernst nu storten zou in puin,…

Want menigeen leek ’t onaantastbaar.

De Schoolmeester.Zij dachten wel dat sterke bandenHen aan den geest van ’t oude bonden,Zoolang nog niet de nieuwe kerkIn allen vorm was ingewijd;En daarom werd in angst en spanningMaar opgelet hoe ’t af zou loopen,Uitkijkend naar den grooten dag,Waarop in plaats van de oude vlag,De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…Doch al naar dat de toren reesWerd ’t volk al banger, stil en bleek …En nu,… ja nu is de tijd om.

De Schoolmeester.

Zij dachten wel dat sterke banden

Hen aan den geest van ’t oude bonden,

Zoolang nog niet de nieuwe kerk

In allen vorm was ingewijd;

En daarom werd in angst en spanning

Maar opgelet hoe ’t af zou loopen,

Uitkijkend naar den grooten dag,

Waarop in plaats van de oude vlag,

De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…

Doch al naar dat de toren rees

Werd ’t volk al banger, stil en bleek …

En nu,… ja nu is de tijd om.

De Koster(wijst op zij uit).Kijk, wat een menschen! Klein en grootIs saamgestroomd.

De Koster(wijst op zij uit).

Kijk, wat een menschen! Klein en groot

Is saamgestroomd.

De Schoolmeester.Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.Wat is het stil!

De Schoolmeester.

Is saamgestroomd.Bij duizendtallen.

Wat is het stil!

De Koster.Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,Zooals de zee doet vóór een storm.

De Koster.

Wat is het stil!Toch hoor ik brommen,

Zooals de zee doet vóór een storm.

De Schoolmeester.Dat is het hart des volks dat steunt;…’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;Is ’t niet als waren ze uitgetogenTen Thing om ’n nieuwen God te kiezen?Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!

De Schoolmeester.

Dat is het hart des volks dat steunt;…

’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,

’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;

Is ’t niet als waren ze uitgetogen

Ten Thing om ’n nieuwen God te kiezen?

Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…

Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!

De Koster.Ik ook, ik ook!

De Koster.

Ik ook, ik ook!

De Schoolmeester.Ik ook, ik ook!In zulk een uurKan men zijn eigen hart niet peilen:…’t Gaat diep en dieper nog altijd;Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!

De Schoolmeester.

Ik ook, ik ook!In zulk een uur

Kan men zijn eigen hart niet peilen:…

’t Gaat diep en dieper nog altijd;

Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!

De Koster.Vriend!

De Koster.

Vriend!

De Schoolmeester.Vriend!Broeder!

De Schoolmeester.

Vriend!Broeder!

De Koster.Vriend! Broeder!Hm!

De Koster.

Vriend! Broeder!Hm!

De Schoolmeester.Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?

De Schoolmeester.

Vriend! Broeder! Hm!Spreek!… waarom draal je?

De Koster.’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!

De Koster.

’k Geloof waarachtig dat wijvoelen!

De Schoolmeester.Wat?Ikniet, zeg!

De Schoolmeester.

Wat?Ikniet, zeg!

De Koster.Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!En één getuignis geldt voor niemand!

De Koster.

Wat?Ikniet, zeg!Nou,ikdan óók niet!

En één getuignis geldt voor niemand!

De Schoolmeester.Wij zijn toch mannen en geen wijven.De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).

De Schoolmeester.

Wij zijn toch mannen en geen wijven.

De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen!(af).

De Koster.Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;Nu ben ik weer bekoeld en wijs,En blijf gesloten als een pot.Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,En ledigheid is ’s duivels kussen.

De Koster.

Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;

Nu ben ik weer bekoeld en wijs,

En blijf gesloten als een pot.

Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,

En ledigheid is ’s duivels kussen.

(af naar den anderen kant).

(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).

Brand.Neen, ik kan den toon niet dwingenLiefelijk en vol te klinken.Alles wordt één jammerkreet;Drukkend schijnen muren, bogen,’t Hoog gewelf, zich neer te leggenOp mijn zang, benauwend eng,Als het hout, het harde, kille,Nauw omsluitend mijne dooden!’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,’t Orgel heeft zijn stem verloren.Hardop zong ik mijn gebed;’t Kwam terug als klank, gebroken,Van een klok, gebarsten, roestig,Als een dof en hol gesteun.’t Was mij of God zelf daar stond,Hoog op ’t koor daarboven tronend,Of hij toornig met de hand sloeg,Van zich wijzend mijne woorden!Groot verrijzen zal Gods huis,Zoo beloofde ik overmoedig;Breken, vellen, welgemoedWaagde ik alles neer te halen …Nu is dan het werk voltooid.Allen juichen nu in koor,Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…Zijn nuzij’t die beter weten,…Of benikhet die ’t niet zien kan?Ishet groot? Is nu dit huisWaarlijk dat wat ik gewild heb?Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?Lijkt het op dat beeld eens tempels,Dat mij voor den geest gezweefd heeft,Overwelvend alle smarten?…O, als Agnes was geblevenWare ’t anders wel geworden;’t Groote in ’t kleine kon zij zien,Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,Aarde en hemel zou ze omvangen,Als een loofdak over stammen.(bemerkt de toebereidselen voor het feest).Groene kransen, vlaggedoek,Uit de scholen klinkt gezang;En mijn pastorie loopt vol,Iedereen wil mij begroeten;…Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?God geef licht,… of anders stort mijDiep in donkren afgrond neer!Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;Allen denken slechts aan mij nu,Mijn naam is op aller lippen!Hun gedachten, o ik ken ze,En hun woorden voel ik branden,O, hun loflied gaat verkillendAls een ijsstroom door mijn hart heen.Kon ’k … o kòn ik als een roofdierIn een hol mijn hoofd verbergen,In vergetelheid mij hullen!

Brand.

Neen, ik kan den toon niet dwingen

Liefelijk en vol te klinken.

Alles wordt één jammerkreet;

Drukkend schijnen muren, bogen,

’t Hoog gewelf, zich neer te leggen

Op mijn zang, benauwend eng,

Als het hout, het harde, kille,

Nauw omsluitend mijne dooden!

’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,

’t Orgel heeft zijn stem verloren.

Hardop zong ik mijn gebed;

’t Kwam terug als klank, gebroken,

Van een klok, gebarsten, roestig,

Als een dof en hol gesteun.

’t Was mij of God zelf daar stond,

Hoog op ’t koor daarboven tronend,

Of hij toornig met de hand sloeg,

Van zich wijzend mijne woorden!

Groot verrijzen zal Gods huis,

Zoo beloofde ik overmoedig;

Breken, vellen, welgemoed

Waagde ik alles neer te halen …

Nu is dan het werk voltooid.

Allen juichen nu in koor,

Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…

Zijn nuzij’t die beter weten,…

Of benikhet die ’t niet zien kan?

Ishet groot? Is nu dit huis

Waarlijk dat wat ik gewild heb?

Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,

’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?

Lijkt het op dat beeld eens tempels,

Dat mij voor den geest gezweefd heeft,

Overwelvend alle smarten?…

O, als Agnes was gebleven

Ware ’t anders wel geworden;

’t Groote in ’t kleine kon zij zien,

Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,

Aarde en hemel zou ze omvangen,

Als een loofdak over stammen.

(bemerkt de toebereidselen voor het feest).

Groene kransen, vlaggedoek,

Uit de scholen klinkt gezang;

En mijn pastorie loopt vol,

Iedereen wil mij begroeten;…

Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?

God geef licht,… of anders stort mij

Diep in donkren afgrond neer!

Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;

Allen denken slechts aan mij nu,

Mijn naam is op aller lippen!

Hun gedachten, o ik ken ze,

En hun woorden voel ik branden,

O, hun loflied gaat verkillend

Als een ijsstroom door mijn hart heen.

Kon ’k … o kòn ik als een roofdier

In een hol mijn hoofd verbergen,

In vergetelheid mij hullen!

De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).Hier is dan nu de groote dag,De Sabbath die besluit de week;Nu halen wij de zeilen inEn hijschen hoog de zondagsvlag,Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,En zien hoe ’t al is kant en klaar.Bravo, Brand, groot en edel man,Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!Bravo; ik ben geheel ontroerd,En toch ook weer ontzettend blij!En u …!?

De Baljuw(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).

Hier is dan nu de groote dag,

De Sabbath die besluit de week;

Nu halen wij de zeilen in

En hijschen hoog de zondagsvlag,

Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,

En zien hoe ’t al is kant en klaar.

Bravo, Brand, groot en edel man,

Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!

Bravo; ik ben geheel ontroerd,

En toch ook weer ontzettend blij!

En u …!?

Brand.En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!

Brand.

En u …!?Mijn keel is toegesnoerd!

De Baljuw.O kom, dat gaat aanstonds weer over.U moet straks mooi en dondrend preeken;…Geef ’t volk vooral de volle maat!Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,Die allen, die ik sprak, ten hoogsteVerwondert …

De Baljuw.

O kom, dat gaat aanstonds weer over.

U moet straks mooi en dondrend preeken;…

Geef ’t volk vooral de volle maat!

Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,

Die allen, die ik sprak, ten hoogste

Verwondert …

Brand.Verwondert …Zoo?

Brand.

Verwondert …Zoo?

De Baljuw.Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proostWas heel verwonderd en vol lof.En wat een stijl vol harmonie!Hoe groot, verheven, mooi van vormEn lijnen …

De Baljuw.

Verwondert … Zoo?Ja, zelfs de proost

Was heel verwonderd en vol lof.

En wat een stijl vol harmonie!

Hoe groot, verheven, mooi van vorm

En lijnen …

Brand.En lijnen …Heeft u dat gemerkt?

Brand.

En lijnen …Heeft u dat gemerkt?

De Baljuw.Gemerkt, wat?

De Baljuw.

Gemerkt, wat?

Brand.Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?

Brand.

Gemerkt, wat?Lijkt de kerk u groot?

De Baljuw.Niet enkellijken,… neen, zijis’t,Van dichtbij evenals van ver.

De Baljuw.

Niet enkellijken,… neen, zijis’t,

Van dichtbij evenals van ver.

Brand.Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…

Brand.

Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…

De Baljuw.Ja, om de bliksem is ze groot,…Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.In andre landen, weet ik wel,Legt men een andren maatstaf aan;Maar wij, die hier bekrompen wonenOp schrale rotsen, brakke velden,Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!

De Baljuw.

Ja, om de bliksem is ze groot,…

Tegroot voor menschen hier in ’t Noorden.

In andre landen, weet ik wel,

Legt men een andren maatstaf aan;

Maar wij, die hier bekrompen wonen

Op schrale rotsen, brakke velden,

Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…

Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!

Brand.Ja, ja; en voor de oude leugenKwam dus een nieuwe in de plaats.

Brand.

Ja, ja; en voor de oude leugen

Kwam dus een nieuwe in de plaats.

De Baljuw.Hoezoo?

De Baljuw.

Hoezoo?

Brand.Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oudeVervallen, wrakke monumentEen hoogen, een modernen toren.Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…Zoo vindt men er geen tweede meer!

Brand.

Hoezoo?Wij gaven ’t volk voor ’t oude

Vervallen, wrakke monument

Een hoogen, een modernen toren.

Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!

Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…

Zoo vindt men er geen tweede meer!

De Baljuw.Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,Dat wie haar nu nog grooter wenschtVan hoogmoed niet is vrij te pleiten.

De Baljuw.

Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,

Dat wie haar nu nog grooter wenscht

Van hoogmoed niet is vrij te pleiten.

Brand.Maar iedereen moet toch begrijpenDat, wat daar staat, een kleine kerk is;Dat te verhelen zou zijn liegen.

Brand.

Maar iedereen moet toch begrijpen

Dat, wat daar staat, een kleine kerk is;

Dat te verhelen zou zijn liegen.

De Baljuw.Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!Wat moet dat nu? Waarom blameerenWat men met moeite zelf gebouwd heeft?De menschen zijn zoo recht tevreden,Zij vinden alles prachtig, rijk,Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…O, laat hen in dien waan toch blijven!Waarom de stakkers op te porren,En met geweld licht gaan ontstekenWaarvan niemand gediend wil zijn?’t Komt alles neer op hun geloof.En ’t doet er heelemaal niet toeAl was de kerk een hondenhok,Als ’t volk maar rustig gelooven kanDat zij is groot, geweldig groot.

De Baljuw.

Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!

Wat moet dat nu? Waarom blameeren

Wat men met moeite zelf gebouwd heeft?

De menschen zijn zoo recht tevreden,

Zij vinden alles prachtig, rijk,

Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…

O, laat hen in dien waan toch blijven!

Waarom de stakkers op te porren,

En met geweld licht gaan ontsteken

Waarvan niemand gediend wil zijn?

’t Komt alles neer op hun geloof.

En ’t doet er heelemaal niet toe

Al was de kerk een hondenhok,

Als ’t volk maar rustig gelooven kan

Dat zij is groot, geweldig groot.

Brand.Altijd en overal hetzelfde!

Brand.

Altijd en overal hetzelfde!

De Baljuw.Van daag zijn bovendien, met ’t feest,Die zielen hier bij ons te gast;En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezenWare alles nu niet op zijn best.En ’t allermeest nog voor u zelfZou ’t onverstandig zijd, te rakenAan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.

De Baljuw.

Van daag zijn bovendien, met ’t feest,

Die zielen hier bij ons te gast;

En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezen

Ware alles nu niet op zijn best.

En ’t allermeest nog voor u zelf

Zou ’t onverstandig zijd, te raken

Aan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.

Brand.Waar doelt u op?

Brand.

Waar doelt u op?

De Baljuw.Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.Vooreerst is door den Raad beslotenEen zilvren beker u te schenken;Gaat u nu aan de grootheid tornen,Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.En ’t vers dat daarbij is geschreven,En de aanspraak die ik houden wil,Die zouden beiden even dwaas zijn,Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.U ziet dus, ’t is zaak zich te schikkenEn de ooren maar stijf toe te houden.

De Baljuw.

Waar doelt u op?Dat zal ’k u zeggen.

Vooreerst is door den Raad besloten

Een zilvren beker u te schenken;

Gaat u nu aan de grootheid tornen,

Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.

En ’t vers dat daarbij is geschreven,

En de aanspraak die ik houden wil,

Die zouden beiden even dwaas zijn,

Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.

U ziet dus, ’t is zaak zich te schikken

En de ooren maar stijf toe te houden.

Brand.Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …Een leugenfeest als prijs voor leugens.

Brand.

Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …

Een leugenfeest als prijs voor leugens.

De Baljuw.Maar lieve hemel, beste vriend …Wat groote woorden zegt u daar!Doch dit zij dan een zaak van smaak.’k Heb nog een ander argument …Was ’t eerste zilver, dit is goud.Want weet, u is nu in de gratie,Is liev’lingskind nu van ’t geluk,In ’t kort … u krijgt een decoratie!Van daag nog zal u ’t ridderkruisIn glorie op uw borst zelf hechten!

De Baljuw.

Maar lieve hemel, beste vriend …

Wat groote woorden zegt u daar!

Doch dit zij dan een zaak van smaak.

’k Heb nog een ander argument …

Was ’t eerste zilver, dit is goud.

Want weet, u is nu in de gratie,

Is liev’lingskind nu van ’t geluk,

In ’t kort … u krijgt een decoratie!

Van daag nog zal u ’t ridderkruis

In glorie op uw borst zelf hechten!

Brand.Ik heb een zwaarder kruis te dragen;Neem’ dàt van mij af, wie het kan.

Brand.

Ik heb een zwaarder kruis te dragen;

Neem’ dàt van mij af, wie het kan.

De Baljuw.Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffenDoor ’t gunstbewijs van hooger hand?U is mij absoluut een raadsel!Maar, ’k bid u, denk toch even na …

De Baljuw.

Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffen

Door ’t gunstbewijs van hooger hand?

U is mij absoluut een raadsel!

Maar, ’k bid u, denk toch even na …

Brand(stampvoetend).Al dat gepraat geeft niemendal;…’k Ga even wijs weg als ik kwam;U heeft niets van den zin gevat,Die achter al mijn woorden lag.Ik meende niet de grootheid, dieGemeten wordt bij voet en duimen;Maar die terugstraalt, schoon verborgen,Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,Die lokt tot droomen en verwijlen,Die opheft als een sterrennacht,Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…Bewijs, verklaar, praat tegen andren …

Brand(stampvoetend).

Al dat gepraat geeft niemendal;…

’k Ga even wijs weg als ik kwam;

U heeft niets van den zin gevat,

Die achter al mijn woorden lag.

Ik meende niet de grootheid, die

Gemeten wordt bij voet en duimen;

Maar die terugstraalt, schoon verborgen,

Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,

Die lokt tot droomen en verwijlen,

Die opheft als een sterrennacht,

Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…

Bewijs, verklaar, praat tegen andren …

(gaat de hoogte op naar de kerk).

De Baljuw.Wie daar nu toch uit wijs kan worden,En hem begrijpen? Grootheid dieZit in iets dat terug moet stralen,Dat niet te meten is bij duimen?En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).

De Baljuw.

Wie daar nu toch uit wijs kan worden,

En hem begrijpen? Grootheid die

Zit in iets dat terug moet stralen,

Dat niet te meten is bij duimen?

En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…

Had hij te goed gedéjeuneerd soms?…(af).

Brand(komt weer uit de kerk).Zoo eenzaam in het woest gebergteWas ik nog nooit, als ’k hier nu sta;Op welke vraag ook, nooit een weerklank,Maar dom gekwaak en leuterpraat.(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).Hèm zou ik wel vertrappen willen!Zoo dikwijls ik poog op te heffenZijn geest, uit laag geknoei en logen,Spuwt hij mij nog zijn vuile zielBrutaalweg vlak in mijn gezicht!…O, Agnes, waarom ging je heen?Mij maakt dit onnut spel zoo moe.Waar niemand wint en niemand wijkt,Sta ik als strijder heel alleen!

Brand(komt weer uit de kerk).

Zoo eenzaam in het woest gebergte

Was ik nog nooit, als ’k hier nu sta;

Op welke vraag ook, nooit een weerklank,

Maar dom gekwaak en leuterpraat.

(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).

Hèm zou ik wel vertrappen willen!

Zoo dikwijls ik poog op te heffen

Zijn geest, uit laag geknoei en logen,

Spuwt hij mij nog zijn vuile ziel

Brutaalweg vlak in mijn gezicht!…

O, Agnes, waarom ging je heen?

Mij maakt dit onnut spel zoo moe.

Waar niemand wint en niemand wijkt,

Sta ik als strijder heel alleen!

De Proost(komt op).O mijn kindren! O mijne lamren …!O neen, pardon,… ik wilde zeggen:Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;’k Heb die pas gistren bestudeerd …Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.Doch al genoeg … Aan u mijn dank,U, die zoo dapper brak het ijs,Ging tusschen twist en praatjes door,Neerhaalde wat reeds was vervallen,En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.

De Proost(komt op).

O mijn kindren! O mijne lamren …!

O neen, pardon,… ik wilde zeggen:

Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …

Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;

’k Heb die pas gistren bestudeerd …

Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.

Doch al genoeg … Aan u mijn dank,

U, die zoo dapper brak het ijs,

Ging tusschen twist en praatjes door,

Neerhaalde wat reeds was vervallen,

En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.

Brand.Zóó ver is ’t nog niet.

Brand.

Zóó ver is ’t nog niet.

De Proost.Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,Ontbreekt er meer nog dan de wijding?

De Proost.

Zóó ver is ’t nog niet.Zoo, mijn waarde,

Ontbreekt er meer nog dan de wijding?

Brand.In ’t nieuwgebouwde huis behoortEen weergeboren, reine geest.

Brand.

In ’t nieuwgebouwde huis behoort

Een weergeboren, reine geest.

De Proost.Och, zoo iets komt ook wel van zelf.Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,Zoo’n lichte ruimte brengt ook meeDat ’t volk zich wel wat reiner houdt.En dan die mooie acoustiek,Die ieder woord geeft dubb’le kracht,Moet der gemeenteleden g’loofVerhonderdvoudigen per hoofd.Dat zijn in waarheid resultaten,Zooals zelfs niet in groote stedenEr beter aan te wijzen zijn …Dat alles danken wij aan u;Neem daarvoor van een ambtgenootDen diepgevoelden dank, die welAan het diner gevolgd zal worden,Op dezen dag … uw eeredag!…Door menig warm, geestdriftig woordVan onze jongre geestlijkheid …Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …

De Proost.

Och, zoo iets komt ook wel van zelf.

Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,

Zoo’n lichte ruimte brengt ook mee

Dat ’t volk zich wel wat reiner houdt.

En dan die mooie acoustiek,

Die ieder woord geeft dubb’le kracht,

Moet der gemeenteleden g’loof

Verhonderdvoudigen per hoofd.

Dat zijn in waarheid resultaten,

Zooals zelfs niet in groote steden

Er beter aan te wijzen zijn …

Dat alles danken wij aan u;

Neem daarvoor van een ambtgenoot

Den diepgevoelden dank, die wel

Aan het diner gevolgd zal worden,

Op dezen dag … uw eeredag!…

Door menig warm, geestdriftig woord

Van onze jongre geestlijkheid …

Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …

Brand.Al lang ontzonk mij kracht en moed.

Brand.

Al lang ontzonk mij kracht en moed.

De Proost.Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,En alles zonder hulp en steun.Maar nu is ’t ergste ook geleden,En reeds loont ons een schoone dag.Maar goeden moed; het zal wel gaan!Zoo vele duizenden zijn hierUit verre streken saamgekomen;Zeg zelf nu maar … Wie neemt het opIn reednaarsgaven tegen u?Kijk, heel uw ambtgenooten-schaarOntvangt u nu met open armen,En der gemeenteleden hartenZijn vol van warmen dank aan u!En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!En dat het hier zoo mooi versierd is!En dan de dagtekst … hoe verheven!En ’t ongeëvenaard diner!Ik was juist in de pastorieToen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.In waarheid, Brand, een prachtig dier!Ik dacht zoo, dat heeft heel wat inOm zulk een lekker stuk te vindenIn dezen moeielijken tijd,Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.Maar laat ons dat tot straks bewaren.Iets anders nog dreef mij hierheen.

De Proost.

Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,

En alles zonder hulp en steun.

Maar nu is ’t ergste ook geleden,

En reeds loont ons een schoone dag.

Maar goeden moed; het zal wel gaan!

Zoo vele duizenden zijn hier

Uit verre streken saamgekomen;

Zeg zelf nu maar … Wie neemt het op

In reednaarsgaven tegen u?

Kijk, heel uw ambtgenooten-schaar

Ontvangt u nu met open armen,

En der gemeenteleden harten

Zijn vol van warmen dank aan u!

En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!

En dat het hier zoo mooi versierd is!

En dan de dagtekst … hoe verheven!

En ’t ongeëvenaard diner!

Ik was juist in de pastorie

Toen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.

In waarheid, Brand, een prachtig dier!

Ik dacht zoo, dat heeft heel wat in

Om zulk een lekker stuk te vinden

In dezen moeielijken tijd,

Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.

Maar laat ons dat tot straks bewaren.

Iets anders nog dreef mij hierheen.

Brand.Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!

Brand.

Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!

De Proost.Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.Doch kort zijn; veel tijd is er niet.Er is een enkel punt, waarinVan heden af u moet verandren,En dat zal vast niet moeilijk zijn.Ja, ik vermoed, dat u zoo half welKan raden al, waarop ik zinspeel?’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.Tot nu toe heeft u niet genoegGewoonte en gebruik ontzien;En toch, die beide zijn ’t voornaamste,Zoo al niet eigenlijk het hoogste.Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,U is nog jong, een nieuweling,U komt pas uit een groote stad,Kan hier de toestanden niet kennen …Maarnu, mijn waarde, is het noodigDe zaak wat juister op te vatten.Tot nu toe ging u ’t meest ter harteWat iedre ziel voor zich behoeft;Een grove fout … dit onder ons …Men moet de massa samen wegen;Scheer allen over ééne kam.Gerust, daar vaart u ’t beste bij!

De Proost.

Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.

Doch kort zijn; veel tijd is er niet.

Er is een enkel punt, waarin

Van heden af u moet verandren,

En dat zal vast niet moeilijk zijn.

Ja, ik vermoed, dat u zoo half wel

Kan raden al, waarop ik zinspeel?

’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.

Tot nu toe heeft u niet genoeg

Gewoonte en gebruik ontzien;

En toch, die beide zijn ’t voornaamste,

Zoo al niet eigenlijk het hoogste.

Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,

U is nog jong, een nieuweling,

U komt pas uit een groote stad,

Kan hier de toestanden niet kennen …

Maarnu, mijn waarde, is het noodig

De zaak wat juister op te vatten.

Tot nu toe ging u ’t meest ter harte

Wat iedre ziel voor zich behoeft;

Een grove fout … dit onder ons …

Men moet de massa samen wegen;

Scheer allen over ééne kam.

Gerust, daar vaart u ’t beste bij!

Brand.Verklaar u nader!

Brand.

Verklaar u nader!

De Proost.Verklaar u nader!Kijk eens hier,…U bouwde hier tot aller heilEen kerk. Die is als ’t feestgewaadDes vredes en van recht en wet;Want in den godsdienst ziet de StaatDe macht, die ’t meest doet ter beschaving …Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,En ’t richtsnoer der moraliteit.Ziet u, de Staat is niet heel rijk,En die wil waarde voor zijn geld.Goed Christen, zegt men daar, goed burgerDenkt u dat die het geld verdoetVoor ’t menschdom, en God ten believe?En om ’t zich moeielijk te maken?Neen, zoo gek is de Staat nu niet;En ’t zag voor allen er slecht uitZoo, nauwgezet de Staat en streng,Niet meer dan dàt voor oogen had.Doch ’t doel bereikt de Staat alleenDoor middel van zijn ambtenaars,In dit geval dus door den leeraar …

De Proost.

Verklaar u nader!Kijk eens hier,…

U bouwde hier tot aller heil

Een kerk. Die is als ’t feestgewaad

Des vredes en van recht en wet;

Want in den godsdienst ziet de Staat

De macht, die ’t meest doet ter beschaving …

Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,

En ’t richtsnoer der moraliteit.

Ziet u, de Staat is niet heel rijk,

En die wil waarde voor zijn geld.

Goed Christen, zegt men daar, goed burger

Denkt u dat die het geld verdoet

Voor ’t menschdom, en God ten believe?

En om ’t zich moeielijk te maken?

Neen, zoo gek is de Staat nu niet;

En ’t zag voor allen er slecht uit

Zoo, nauwgezet de Staat en streng,

Niet meer dan dàt voor oogen had.

Doch ’t doel bereikt de Staat alleen

Door middel van zijn ambtenaars,

In dit geval dus door den leeraar …

Brand.Elk woord is wijsheid! Spreek!

Brand.

Elk woord is wijsheid! Spreek!

De Proost.Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nuNiet veel te zeggen meer. U schonk dusDen Staat die kerk te zijnen bate,En daaruit volgt dat thans uw arbeidTot steun van Kerk en Staat moet dienen.In dezen geest zie ik het feest,Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;Zóó zullen ook de klokken luiden,Zóó leest men dan den schenkingsbrief.En mèt de schenking, dus, belooft u,Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

De Proost.

Elk woord is wijsheid! Spreek!Er blijft nu

Niet veel te zeggen meer. U schonk dus

Den Staat die kerk te zijnen bate,

En daaruit volgt dat thans uw arbeid

Tot steun van Kerk en Staat moet dienen.

In dezen geest zie ik het feest,

Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;

Zóó zullen ook de klokken luiden,

Zóó leest men dan den schenkingsbrief.

En mèt de schenking, dus, belooft u,

Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …


Back to IndexNext