VIJFDE BEDRIJF.Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.Peer Gynt.Een stijve bries!De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.Peer Gynt.Of Blaahö?De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.Peer Gynt.Juist, ja.De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.De Kapitein.Daar is de bui al.Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.(gaat naar voren).Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.De Kapitein.Zandbank … afhouden!De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.Peer Gynt.Het stormt hard.De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!Peer Gynt.Gezegend?De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!Peer Gynt.Lieve God!De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.Peer Gynt.Schei nu toch uit!…De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …Peer Gynt.Och, onzin …De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …Peer Gynt.Pak u weg!De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.(gaat de kajuit binnen).Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!(gaat verder).De Wacht(roept).Land vlak vooruit!Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …De Kapitein.Kluiffok gebroken!De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!(Het schip stoot. Leven en verwarring).Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!(klampt zich vast aan de kiel).De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!(houdt zich aan de kiel vast).Peer Gynt.Los!De Kok.Los!Los!Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!De Kok.Dat weet ik! Weg!Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).Peer Gynt.Doe weg die knuist!De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …De Kok.Geef ons van daag!Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.De Kok.Geef ons van daag …Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …Peer Gynt.Mond houden!De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).Peer Gynt.Nou … èn …?De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.(glijdt weg).Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.(gaat het hek binnen).De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).
VIJFDE BEDRIJF.Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.Peer Gynt.Een stijve bries!De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.Peer Gynt.Of Blaahö?De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.Peer Gynt.Juist, ja.De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.De Kapitein.Daar is de bui al.Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.(gaat naar voren).Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.De Kapitein.Zandbank … afhouden!De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.Peer Gynt.Het stormt hard.De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!Peer Gynt.Gezegend?De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!Peer Gynt.Lieve God!De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.Peer Gynt.Schei nu toch uit!…De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …Peer Gynt.Och, onzin …De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …Peer Gynt.Pak u weg!De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.(gaat de kajuit binnen).Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!(gaat verder).De Wacht(roept).Land vlak vooruit!Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …De Kapitein.Kluiffok gebroken!De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!(Het schip stoot. Leven en verwarring).Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!(klampt zich vast aan de kiel).De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!(houdt zich aan de kiel vast).Peer Gynt.Los!De Kok.Los!Los!Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!De Kok.Dat weet ik! Weg!Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).Peer Gynt.Doe weg die knuist!De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …De Kok.Geef ons van daag!Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.De Kok.Geef ons van daag …Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …Peer Gynt.Mond houden!De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).Peer Gynt.Nou … èn …?De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.(glijdt weg).Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.(gaat het hek binnen).De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).
VIJFDE BEDRIJF.Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.Peer Gynt.Een stijve bries!De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.Peer Gynt.Of Blaahö?De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.Peer Gynt.Juist, ja.De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.De Kapitein.Daar is de bui al.Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.(gaat naar voren).Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.De Kapitein.Zandbank … afhouden!De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.Peer Gynt.Het stormt hard.De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!Peer Gynt.Gezegend?De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!Peer Gynt.Lieve God!De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.Peer Gynt.Schei nu toch uit!…De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …Peer Gynt.Och, onzin …De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …Peer Gynt.Pak u weg!De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.(gaat de kajuit binnen).Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!(gaat verder).De Wacht(roept).Land vlak vooruit!Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …De Kapitein.Kluiffok gebroken!De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!(Het schip stoot. Leven en verwarring).Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!(klampt zich vast aan de kiel).De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!(houdt zich aan de kiel vast).Peer Gynt.Los!De Kok.Los!Los!Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!De Kok.Dat weet ik! Weg!Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).Peer Gynt.Doe weg die knuist!De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …De Kok.Geef ons van daag!Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.De Kok.Geef ons van daag …Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …Peer Gynt.Mond houden!De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).Peer Gynt.Nou … èn …?De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.(glijdt weg).Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.(gaat het hek binnen).De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).
VIJFDE BEDRIJF.Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.Peer Gynt.Een stijve bries!De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.Peer Gynt.Of Blaahö?De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.Peer Gynt.Juist, ja.De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.De Kapitein.Daar is de bui al.Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.(gaat naar voren).Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.De Kapitein.Zandbank … afhouden!De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.Peer Gynt.Het stormt hard.De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!Peer Gynt.Gezegend?De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!Peer Gynt.Lieve God!De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.Peer Gynt.Schei nu toch uit!…De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …Peer Gynt.Och, onzin …De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …Peer Gynt.Pak u weg!De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.(gaat de kajuit binnen).Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!(gaat verder).De Wacht(roept).Land vlak vooruit!Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …De Kapitein.Kluiffok gebroken!De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!(Het schip stoot. Leven en verwarring).Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!(klampt zich vast aan de kiel).De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!(houdt zich aan de kiel vast).Peer Gynt.Los!De Kok.Los!Los!Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!De Kok.Dat weet ik! Weg!Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).Peer Gynt.Doe weg die knuist!De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …De Kok.Geef ons van daag!Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.De Kok.Geef ons van daag …Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …Peer Gynt.Mond houden!De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).Peer Gynt.Nou … èn …?De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.(glijdt weg).Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.(gaat het hek binnen).De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).
VIJFDE BEDRIJF.Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.Peer Gynt.Een stijve bries!De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.Peer Gynt.Of Blaahö?De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.Peer Gynt.Juist, ja.De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.De Kapitein.Daar is de bui al.Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.(gaat naar voren).Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.De Kapitein.Zandbank … afhouden!De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.Peer Gynt.Het stormt hard.De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!Peer Gynt.Gezegend?De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!Peer Gynt.Lieve God!De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.Peer Gynt.Schei nu toch uit!…De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …Peer Gynt.Och, onzin …De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …Peer Gynt.Pak u weg!De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.(gaat de kajuit binnen).Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!(gaat verder).De Wacht(roept).Land vlak vooruit!Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …De Kapitein.Kluiffok gebroken!De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!(Het schip stoot. Leven en verwarring).Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!(klampt zich vast aan de kiel).De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!(houdt zich aan de kiel vast).Peer Gynt.Los!De Kok.Los!Los!Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!De Kok.Dat weet ik! Weg!Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).Peer Gynt.Doe weg die knuist!De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …De Kok.Geef ons van daag!Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.De Kok.Geef ons van daag …Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …Peer Gynt.Mond houden!De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).Peer Gynt.Nou … èn …?De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.(glijdt weg).Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.(gaat het hek binnen).De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).
Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.
Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.
Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).Kijk daar de Halling in winterkleed,…Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.De Folgefaan is al bizonder fijn,…Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.Weest toch geen dwazen, oude jongens!Blijft waar je staat maar, granieten kerels!
Peer Gynt(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).
Kijk daar de Halling in winterkleed,…
Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.
Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;
Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.
De Folgefaan is al bizonder fijn,…
Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.
Weest toch geen dwazen, oude jongens!
Blijft waar je staat maar, granieten kerels!
De Kapitein(roept naar voren).Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.
De Kapitein(roept naar voren).
Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.
Peer Gynt.Een stijve bries!
Peer Gynt.
Een stijve bries!
De Kapitein.Een stijve bries!Er komt storm van nacht.
De Kapitein.
Een stijve bries!Er komt storm van nacht.
Peer Gynt.Kan je van zee uit den Ronden zien?
Peer Gynt.
Kan je van zee uit den Ronden zien?
De Kapitein.Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.
De Kapitein.
Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.
Peer Gynt.Of Blaahö?
Peer Gynt.
Of Blaahö?
De Kapitein.Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’sZie je bij mooi weer den Galdhöpig.
De Kapitein.
Of Blaahö?Ook niet; maar boven in de ra’s
Zie je bij mooi weer den Galdhöpig.
Peer Gynt.Waar ligt nu Haartejgen?
Peer Gynt.
Waar ligt nu Haartejgen?
De Kapitein(wijst).Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.
De Kapitein(wijst).
Waar ligt nu Haartejgen?Daar, zoo wat.
Peer Gynt.Juist, ja.
Peer Gynt.
Juist, ja.
De Kapitein.Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.
De Kapitein.
Juist, ja.U is hier naar ’t schijnt bekend.
Peer Gynt.Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.(spuwt en tuurt naar de kust).Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,En onderlangs, aan de open fjord,…Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.(kijkt den kapitein aan).Zij bouwen ver uit elkaar hier.
Peer Gynt.
Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;
En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.
(spuwt en tuurt naar de kust).
Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…
Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,
En onderlangs, aan de open fjord,…
Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.
(kijkt den kapitein aan).
Zij bouwen ver uit elkaar hier.
De Kapitein.Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.Er is ruimte en afstand van huis tot huis.
De Kapitein.
Zij bouwen ver uit elkaar hier.Ja.
Er is ruimte en afstand van huis tot huis.
Peer Gynt.Zijn wij binnen voor daglicht?
Peer Gynt.
Zijn wij binnen voor daglicht?
De Kapitein.Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.
De Kapitein.
Zijn wij binnen voor daglicht?Zoo ongeveer,
Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.
Peer Gynt.In ’t westen broeit wat.
Peer Gynt.
In ’t westen broeit wat.
De Kapitein.In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.
De Kapitein.
In ’t westen broeit wat.Dat doet ’t, ja.
Peer Gynt.In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …“Goed te maken”…
Peer Gynt.
In ’t westen broeit wat. Dat doet ’t, ja.Stop!
Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …
Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …
“Goed te maken”…
De Kapitein.“Goed te maken”…Ik dank u!
De Kapitein.
“Goed te maken”…Ik dank u!
Peer Gynt.“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.
Peer Gynt.
“Goed te maken”… Ik dank u!O, ’t is maar weinig;
Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…
’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;
U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.
Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.
De Kapitein.Het is meer dan genoeg om vertoon te makenBij de menschen daarginds.
De Kapitein.
Het is meer dan genoeg om vertoon te maken
Bij de menschen daarginds.
Peer Gynt.Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.
Peer Gynt.
Bij de menschen daarginds.Ik heb geen familie.
Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …
Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.
De Kapitein.Daar is de bui al.
De Kapitein.
Daar is de bui al.
Peer Gynt.Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.
Peer Gynt.
Daar is de bui al.Daar heb je ’t, ja …
Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,
Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.
De Kapitein.Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;Allen hebben een vrouw en kindren thuis.Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.
De Kapitein.
Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;
Allen hebben een vrouw en kindren thuis.
Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;
Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,
Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.
Peer Gynt.Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?Zijn ze getrouwd?
Peer Gynt.
Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?
Zijn ze getrouwd?
De Kapitein.Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.
De Kapitein.
Zijn ze getrouwd?Wis en drie! Allemaal …
Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;
Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.
Peer Gynt.Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?Die blij is als zij komen? Wat?
Peer Gynt.
Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?
Die blij is als zij komen? Wat?
De Kapitein.Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…Op armelui’s manier.
De Kapitein.
Die blij is als zij komen? Wat?Jawel,…
Op armelui’s manier.
Peer Gynt.Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,Wat dan?
Peer Gynt.
Op armelui’s manier.En als zij er dan zijn,
Wat dan?
De Kapitein.Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opscheptWat lekkers, zoo’n enklen keer …
De Kapitein.
Wat dan?Ik denk dat de vrouw dan eens opschept
Wat lekkers, zoo’n enklen keer …
Peer Gynt.Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?
Peer Gynt.
Wat lekkers, zoo’n enklen keer …En licht op tafel?
De Kapitein.Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.
De Kapitein.
Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.
Peer Gynt.En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?Met kindren om zich heen? En in huis een levenDat niemand verstaat wat de andren vertellen,…Is dat hun feestvieren, zeg …?
Peer Gynt.
En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?
Met kindren om zich heen? En in huis een leven
Dat niemand verstaat wat de andren vertellen,…
Is dat hun feestvieren, zeg …?
De Kapitein.Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straksBeloofde, te doen.
De Kapitein.
Is dat hun feestvieren, zeg …?Dat kon wel gebeuren;
En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straks
Beloofde, te doen.
Peer Gynt(slaat op de reeling).Beloofde, te doen.Waarachtig niet!Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuifOm andermans kindren te plezieren?’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.
Peer Gynt(slaat op de reeling).
Beloofde, te doen.Waarachtig niet!
Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuif
Om andermans kindren te plezieren?
’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.
Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.
De Kapitein.Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.
De Kapitein.
Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.
Peer Gynt.Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!Passage van Panama als kajuitspassagier,En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!
Peer Gynt.
Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.
Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!
Passage van Panama als kajuitspassagier,
En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;
Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!
De Kapitein.’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…Maar pardon; nu wordt de bries een storm.
De Kapitein.
’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…
Maar pardon; nu wordt de bries een storm.
(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).
Peer Gynt.Thuis een troep wilde bengels hebben;…In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…Door hun gedachten gevolgd op hun weg …Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…Geen een van de kerels komt nuchter aan land.Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).Nou, dat heet je slingren naar behooren.De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).Wat is dat voor een kreet?
Peer Gynt.
Thuis een troep wilde bengels hebben;…
In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…
Door hun gedachten gevolgd op hun weg …
Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …
Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!
Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…
Geen een van de kerels komt nuchter aan land.
Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!
Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,
Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!
De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;
De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!
(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).
Nou, dat heet je slingren naar behooren.
De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…
Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…
Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig …(luistert).
Wat is dat voor een kreet?
De Wacht(vooruit).Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!
De Wacht(vooruit).
Wat is dat voor een kreet?Een wrak aan lei!
De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!
De Kapitein(midscheeps, kommandeerend).
’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!
De Stuurman.Is er volk op ’t wrak?
De Stuurman.
Is er volk op ’t wrak?
De Wacht.Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!
De Wacht.
Is er volk op ’t wrak?’k Onderschei er drie!
Peer Gynt.Zet toch een boot uit!…
Peer Gynt.
Zet toch een boot uit!…
De Kapitein.Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.
De Kapitein.
Zet toch een boot uit!…Die was gauw gezonken.
(gaat naar voren).
Peer Gynt.Wie denkt aan zoo iets?(tegen sommigen van het volk).Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bentHelpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …
Peer Gynt.
Wie denkt aan zoo iets?
(tegen sommigen van het volk).
Wie denkt aan zoo iets?Als je kerels bent
Helpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …
De Bootsman.’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.
De Bootsman.
’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.
Peer Gynt.Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …
Peer Gynt.
Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …
Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …
De Kok.Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …
De Kok.
Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …
Peer Gynt.Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergetenDat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?Die zitten te wachten …
Peer Gynt.
Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergeten
Dat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?
Die zitten te wachten …
De Bootsman.Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.
De Bootsman.
Die zitten te wachten …Geduld houdt vroolijk.
De Kapitein.Zandbank … afhouden!
De Kapitein.
Zandbank … afhouden!
De Stuurman.Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.
De Stuurman.
Zandbank … afhouden!’t Wrak is gezonken.
Peer Gynt.Het werd plotseling stil …?
Peer Gynt.
Het werd plotseling stil …?
De Bootsman.Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui warenDan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.
De Bootsman.
Het werd plotseling stil …?Als ’t getrouwde lui waren
Dan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.
(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).
Peer Gynt.Er is geen geloof onder de menschen meer,…Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,En letten niet op de geweldige machten …In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,Dan word ik met de bende ook meegesleept;…Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …De fout is dat ik te vroom ben geweest.En ondank is nu mijn loon voor alles.Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,En probeerde eens een tijd den baas te spelen.Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:Peer kwam terug als een groote meneer!De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …
Peer Gynt.
Er is geen geloof onder de menschen meer,…
Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…
Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,
En letten niet op de geweldige machten …
In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.
De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,
Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…
En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!
Ikheb geen schuld; de offerschaal heeft,
Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.
Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:
Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;
Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,
Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,
Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.
Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;
Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;
Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,
Dan word ik met de bende ook meegesleept;…
Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,
Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …
De fout is dat ik te vroom ben geweest.
En ondank is nu mijn loon voor alles.
Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,
En probeerde eens een tijd den baas te spelen.
Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:
Peer kwam terug als een groote meneer!
De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…
Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.
Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!
Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…
Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;
Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…
Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,
Dan vind ik er wel, die ’k opmijnbeurt slaan kan …
De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).Goên avond!
De Vreemde Passagier(staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).
Goên avond!
Peer Gynt.Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?
Peer Gynt.
Goên avond!Goên avond! Wat …? Wie is u?
De Vreemde Passagier.Ik ben uw medepassagier, om te dienen.
De Vreemde Passagier.
Ik ben uw medepassagier, om te dienen.
Peer Gynt.Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.
Peer Gynt.
Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.
De Vreemde Passagier.Dat was een dwaling, die is nu voorbij.
De Vreemde Passagier.
Dat was een dwaling, die is nu voorbij.
Peer Gynt.Maar zonderling toch dat ’k van avond eerstU hier zie …
Peer Gynt.
Maar zonderling toch dat ’k van avond eerst
U hier zie …
De Vreemde Passagier.U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.
De Vreemde Passagier.
U hier zie …Ik kom overdag niet buiten.
Peer Gynt.Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …
Peer Gynt.
Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …
De Vreemde Passagier.Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.
De Vreemde Passagier.
Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.
Peer Gynt.Het stormt hard.
Peer Gynt.
Het stormt hard.
De Vreemde Passagier.Het stormt hard.Ja, gezegend, man!
De Vreemde Passagier.
Het stormt hard.Ja, gezegend, man!
Peer Gynt.Gezegend?
Peer Gynt.
Gezegend?
De Vreemde Passagier.Gezegend?De golven zijn huizenhoog.Het is om er van te watertanden!Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…En hoeveel lijken zullen drijven aan land!
De Vreemde Passagier.
Gezegend?De golven zijn huizenhoog.
Het is om er van te watertanden!
Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…
En hoeveel lijken zullen drijven aan land!
Peer Gynt.Lieve God!
Peer Gynt.
Lieve God!
De Vreemde Passagier.Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,Gestikt,… of verdronken?
De Vreemde Passagier.
Lieve God!Zag u nooit iemand hangen,
Gestikt,… of verdronken?
Peer Gynt.Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …
Peer Gynt.
Gestikt,… of verdronken?Nu wordt het te erg …
De Vreemde Passagier.Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.
De Vreemde Passagier.
Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;
En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.
Peer Gynt.Schei nu toch uit!…
Peer Gynt.
Schei nu toch uit!…
De Vreemde Passagier.Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …En zonken …
De Vreemde Passagier.
Schei nu toch uit!…Nog een enkle vraag!
Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …
En zonken …
Peer Gynt.Denkt u dat er gevaar is?
Peer Gynt.
Denkt u dat er gevaar is?
De Vreemde Passagier.Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …
De Vreemde Passagier.
Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.
Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …
Peer Gynt.Och, onzin …
Peer Gynt.
Och, onzin …
De Vreemde Passagier.Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.Maar staat men met éénen voet in het graf,Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …
De Vreemde Passagier.
Och, onzin …Ik stel het als mooglijkheid maar.
Maar staat men met éénen voet in het graf,
Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …
Peer Gynt(tast in den zak).O, geld dus!
Peer Gynt(tast in den zak).
O, geld dus!
De Vreemde Passagier.O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goedMij uw hoog vereerd kadaver te schenken?
De Vreemde Passagier.
O, geld dus!Neen; maar och, wees u zoo goed
Mij uw hoog vereerd kadaver te schenken?
Peer Gynt.Dat gaat toch te ver!
Peer Gynt.
Dat gaat toch te ver!
De Vreemde Passagier.Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;’t Is voor de wetenschap …
De Vreemde Passagier.
Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;
’t Is voor de wetenschap …
Peer Gynt.’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!
Peer Gynt.
’t Is voor de wetenschap …Nu is ’t genoeg!
De Vreemde Passagier.Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!Ik open uw lichaam en toon het der wereld.Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …
De Vreemde Passagier.
Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!
Ik open uw lichaam en toon het der wereld.
Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …
En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …
Peer Gynt.Pak u weg!
Peer Gynt.
Pak u weg!
De Vreemde Passagier.Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …
De Vreemde Passagier.
Pak u weg!Och kom,… een verdronken mensch …
Peer Gynt.Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!Het is toch te erg, met storm en regenEen woeste zee en allerlei teekensVan iets, dat ons een kop kleiner kan maken,Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!
Peer Gynt.
Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!
Het is toch te erg, met storm en regen
Een woeste zee en allerlei teekens
Van iets, dat ons een kop kleiner kan maken,
Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!
De Vreemde Passagier.U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …(groet vriendelijk).’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!Misschien is u dan in een beter humeur.
De Vreemde Passagier.
U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…
Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …
(groet vriendelijk).
’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!
Misschien is u dan in een beter humeur.
(gaat de kajuit binnen).
Peer Gynt.Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!Zulke vrijdenkers toch …(tegen den bootsman die langs hem komt).Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?
Peer Gynt.
Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!
Zulke vrijdenkers toch …
(tegen den bootsman die langs hem komt).
Zulke vrijdenkers toch …Zeg eens, die man …
Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?
De Bootsman.Ik weet niet dat er een andre is dan u.
De Bootsman.
Ik weet niet dat er een andre is dan u.
Peer Gynt.Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).Wie ging daar de kajuit in?
Peer Gynt.
Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.
(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).
Wie ging daar de kajuit in?
Het Jongmaatje.Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!
Het Jongmaatje.
Wie ging daar de kajuit in?De scheepshond, meneer!
(gaat verder).
De Wacht(roept).Land vlak vooruit!
De Wacht(roept).
Land vlak vooruit!
Peer Gynt.Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!Mijn bagage aan dek!
Peer Gynt.
Land vlak vooruit!Mijn koffer! Mijn geld!
Mijn bagage aan dek!
De Bootsman.Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.
De Bootsman.
Mijn bagage aan dek!’r Is wel wat anders te doen.
Peer Gynt.’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …
Peer Gynt.
’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…
Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …
De Kapitein.Kluiffok gebroken!
De Kapitein.
Kluiffok gebroken!
De Stuurman.Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.
De Stuurman.
Kluiffok gebroken!En de fokkemast ook.
De Bootsman(roept vooruit).Land voor den boeg!
De Bootsman(roept vooruit).
Land voor den boeg!
De Kapitein.Land voor den boeg!Wij zijn er bij!
De Kapitein.
Land voor den boeg!Wij zijn er bij!
(Het schip stoot. Leven en verwarring).
Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.
Peer Gyntduikt op, dicht bij de boot.
Peer Gynt.Help! Boot van land! Help! Ik verga!Help mij, o God,… als zegt uw woord!
Peer Gynt.
Help! Boot van land! Help! Ik verga!
Help mij, o God,… als zegt uw woord!
(klampt zich vast aan de kiel).
De Kok(duikt op aan den anderen kant).Och, lieve Heer,… och sta mij bij!Mijn arme kindren! Stuur me aan land!
De Kok(duikt op aan den anderen kant).
Och, lieve Heer,… och sta mij bij!
Mijn arme kindren! Stuur me aan land!
(houdt zich aan de kiel vast).
Peer Gynt.Los!
Peer Gynt.
Los!
De Kok.Los!Los!
De Kok.
Los!Los!
Peer Gynt.Los! Los!Ik sla!
Peer Gynt.
Los! Los!Ik sla!
De Kok.Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!
De Kok.
Los! Los! Ik sla!Ik sla terug!
Peer Gynt.’k Verpletter je! Ik trap je dood!Laat los! De kiel draagt geen twee man!
Peer Gynt.
’k Verpletter je! Ik trap je dood!
Laat los! De kiel draagt geen twee man!
De Kok.Dat weet ik! Weg!
De Kok.
Dat weet ik! Weg!
Peer Gynt.Dat weet ik! Weg!Weg jij!
Peer Gynt.
Dat weet ik! Weg!Weg jij!
De Kok.Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!
De Kok.
Dat weet ik! Weg! Weg jij!Jawèl!
(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).
Peer Gynt.Doe weg die knuist!
Peer Gynt.
Doe weg die knuist!
De Kok.Doe weg die knuist!Om Godswil toch!Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!
De Kok.
Doe weg die knuist!Om Godswil toch!
Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!
Peer Gynt.Dan komt mij eerder ’t leven toe,Want ik laat nog geen kindren na.
Peer Gynt.
Dan komt mij eerder ’t leven toe,
Want ik laat nog geen kindren na.
De Kok.U heeft geleefd al; ik ben jong!
De Kok.
U heeft geleefd al; ik ben jong!
Peer Gynt.Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.
Peer Gynt.
Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.
De Kok.Genade! Laat mij, in Godsnaam!Om u wordt door geen mensch getreurd …(schreeuwt en laat los).’k Verdrink …!
De Kok.
Genade! Laat mij, in Godsnaam!
Om u wordt door geen mensch getreurd …
(schreeuwt en laat los).
’k Verdrink …!
Peer Gynt(grijpt hem vast).’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;Bid gauw je Onze-Vader nog!
Peer Gynt(grijpt hem vast).
’k Verdrink …!Ik hou je bij je kraag;
Bid gauw je Onze-Vader nog!
De Kok.Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!
De Kok.
Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!
Peer Gynt.’t Voornaamste dan maar … haast je wat …
Peer Gynt.
’t Voornaamste dan maar … haast je wat …
De Kok.Geef ons van daag!
De Kok.
Geef ons van daag!
Peer Gynt.Geef ons van daag!Sla over dat;Je krijgt wel wat je noodig hebt.
Peer Gynt.
Geef ons van daag!Sla over dat;
Je krijgt wel wat je noodig hebt.
De Kok.Geef ons van daag …
De Kok.
Geef ons van daag …
Peer Gynt.Geef ons van daag …Dezelfde deun!’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).
Peer Gynt.
Geef ons van daag …Dezelfde deun!
’t Is merkbaar … altijd was je kok …(laat hem glippen).
De Kok(zinkend).Geef ons van daag ons …(zinkt weg).
De Kok(zinkend).
Geef ons van daag ons …(zinkt weg).
Peer Gynt.Geef ons van daag ons …Amen, man!Je was en bleef tot ’t eind je zelf …(werkt zich boven op de kiel).Waar leven is, daar is nog hoop …
Peer Gynt.
Geef ons van daag ons …Amen, man!
Je was en bleef tot ’t eind je zelf …
(werkt zich boven op de kiel).
Waar leven is, daar is nog hoop …
De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).Goêmorgen!
De Vreemde Passagier(slaat de hand aan de boot).
Goêmorgen!
Peer Gynt.Goêmorgen!Hoei!
Peer Gynt.
Goêmorgen!Hoei!
De Vreemde Passagier.Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?
De Vreemde Passagier.
Goêmorgen! Hoei!Ik hoorde uw roep!
’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.
Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?
Peer Gynt.Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!
Peer Gynt.
Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!
De Vreemde Passagier.Ik zwem wel met mijn linkerbeen.Ik drijf, al houd ik maar den top vanMijn vinger hier, in deze gleuf vast.Maar à propos van ’t lijk …
De Vreemde Passagier.
Ik zwem wel met mijn linkerbeen.
Ik drijf, al houd ik maar den top van
Mijn vinger hier, in deze gleuf vast.
Maar à propos van ’t lijk …
Peer Gynt.Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!
Peer Gynt.
Maar à propos van ’t lijk …Wees stil!
De Vreemde Passagier.Als ’t nu dan toch ten einde loopt …
De Vreemde Passagier.
Als ’t nu dan toch ten einde loopt …
Peer Gynt.Mond houden!
Peer Gynt.
Mond houden!
De Vreemde Passagier.Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).
De Vreemde Passagier.
Mond houden!Net zooals u wil!(stilte).
Peer Gynt.Nou … èn …?
Peer Gynt.
Nou … èn …?
De Vreemde Passagier.Nou … èn …?Ik zwijg.
De Vreemde Passagier.
Nou … èn …?Ik zwijg.
Peer Gynt.Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…Wat wil je?
Peer Gynt.
Nou … èn …? Ik zwijg.Wat Satanswerk!…
Wat wil je?
De Vreemde Passagier.Wat wil je?Wachten.
De Vreemde Passagier.
Wat wil je?Wachten.
Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…Wat ben je?
Peer Gynt(grijpt zich in ’t haar).
Wat wil je? Wachten.Ik word gek!…
Wat ben je?
De Vreemde Passagier(knikt).Wat ben je?Vriendlijk!
De Vreemde Passagier(knikt).
Wat ben je?Vriendlijk!
Peer Gynt.Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?
Peer Gynt.
Wat ben je? Vriendlijk!Wat nog meer?
De Vreemde Passagier.Wat denkt u? Weet u iemand andersDie op mij lijkt?
De Vreemde Passagier.
Wat denkt u? Weet u iemand anders
Die op mij lijkt?
Peer Gynt.Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!
Peer Gynt.
Die op mij lijkt?Den duivel weet ik …!
De Vreemde Passagier(zachtjes).Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aanOp ’s levens weg door angst en donker?
De Vreemde Passagier(zachtjes).
Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aan
Op ’s levens weg door angst en donker?
Peer Gynt.Wel ja! Als ’t er op aankomt isU mooglijk wel een lichtgezant?
Peer Gynt.
Wel ja! Als ’t er op aankomt is
U mooglijk wel een lichtgezant?
De Vreemde Passagier.Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaalDen diepen ernst van angst gevoeld?
De Vreemde Passagier.
Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaal
Den diepen ernst van angst gevoeld?
Peer Gynt.Bang wordt men als gevaren dreigen;…Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …
Peer Gynt.
Bang wordt men als gevaren dreigen;…
Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …
De Vreemde Passagier.Viel u te beurt één keer in ’t levenDe zege, in den angst gegeven?
De Vreemde Passagier.
Viel u te beurt één keer in ’t leven
De zege, in den angst gegeven?
Peer Gynt(kijkt hem aan).Komt u mij met een uitweg aan?Dat had u eerder moeten doen.Het lijkt naar niets uw tijd te kiezenAls ik op ’t punt ben te verdrinken.
Peer Gynt(kijkt hem aan).
Komt u mij met een uitweg aan?
Dat had u eerder moeten doen.
Het lijkt naar niets uw tijd te kiezen
Als ik op ’t punt ben te verdrinken.
De Vreemde Passagier.U steunt meer op een overwinning,Gezellig bij uw haardvuur zittend?
De Vreemde Passagier.
U steunt meer op een overwinning,
Gezellig bij uw haardvuur zittend?
Peer Gynt.Mij wel … maar hou die gekheid voor u.Denkt u dat die opwekkend zijn kan?
Peer Gynt.
Mij wel … maar hou die gekheid voor u.
Denkt u dat die opwekkend zijn kan?
De Vreemde Passagier.Waar ik van daan kom, geldt een lachNet zooveel als verheven taal.
De Vreemde Passagier.
Waar ik van daan kom, geldt een lach
Net zooveel als verheven taal.
Peer Gynt.Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.
Peer Gynt.
Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,
Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.
De Vreemde Passagier.En zij, wier asch rust in de urnenGaan ook niet altijd op kothurnen.
De Vreemde Passagier.
En zij, wier asch rust in de urnen
Gaan ook niet altijd op kothurnen.
Peer Gynt.Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!Ik wil niet sterven! Wil aan land!
Peer Gynt.
Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!
Ik wil niet sterven! Wil aan land!
De Vreemde Passagier.Wees maar gerust! Zoo midden inDe vijfde akte sterft men niet.
De Vreemde Passagier.
Wees maar gerust! Zoo midden in
De vijfde akte sterft men niet.
(glijdt weg).
Peer Gynt.Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…’t Was een zwaarwichtig moralist.
Peer Gynt.
Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…
’t Was een zwaarwichtig moralist.
Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.
Peer Gynt(bij het hek).Daar gaat een landsman onder den grond.God lof en dank dat ik ’t niet ben.
Peer Gynt(bij het hek).
Daar gaat een landsman onder den grond.
God lof en dank dat ik ’t niet ben.
(gaat het hek binnen).
De Priester(spreekt aan het graf).En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegdVan ’t leven van dien doode, hier op aard’.Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,En nauwlijks was hij baas in eigen huis;In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,En daarbij dat gedrukte, die verlegenTeruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg gingEn ook een vreemdling bleef hier onder ons,Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,Toen er te Lunde keuring werd gehouden.Het was in oorlogstijd. In aller mond wasDe nood van ’t land en wat te wachten stond.Ik was er ook. Breed voor de tafel zatDe kapitein met ambt’naar en sergeanten;En de eene knaap na d’andere werd gemeten,Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramenKlonk van het jonge volk luidruchtig lachen.Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.Men wenkte hem; hij naderde de tafel,De rechterhand gewikkeld in een doek;…Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,Half staamlend, stotterend en dan weer snel,Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,Hem had glad afgekapt den éénen vinger.’t Werd in de kamer doodlijk stil.Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;Men steenigde den knaap met stomme blikken.Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!En hij ging heen. Men week naar beide kanten,Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …Een half jaar later was het toen hij hier kwamMet moeder, zuigling en aanstaande vrouw.Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,Daar, waar de grens is van de groote hei.Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;Hij kwam vooruit, wat menig stukje landGetuigde, golvend als een gele zee;…Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…Maar ongezien en thuis, daar werkten welDie negen vingers ruim zoo hard als tien …Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.En vóór het najaar, steeg alweer de rookOp meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw vielStond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;Die moesten schoolgaan en de school was ver.Om van zijn huis te komen op den landweg,Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,Wat deed hij toen? De oudste moest zich reddenZoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…De andre twee droeg hij op arm en rug.Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?Drie rijke heeren in de nieuwe wereldVergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.Hij had geen ruimen blik. Van wat er buitenZijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.Maar hij was needrig, needrig deze man;En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.Een schender van de wet des lands? O, ja!Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,Zoo wel als ginds dier toppen blanke tentHeeft wolken en daar boven uit weer toppen.Slecht burger was hij. En voor kerk en staatOnvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.En daarom: vrede zij u, stille strijder,Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!Wij willen hart en nieren niet doorgronden;Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!
De Priester(spreekt aan het graf).
En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,
En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…
Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegd
Van ’t leven van dien doode, hier op aard’.
Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.
Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.
Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,
En nauwlijks was hij baas in eigen huis;
In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,
Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.
Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.
Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;
En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,
Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.
De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …
Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,
En daarbij dat gedrukte, die verlegen
Teruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.
Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg ging
En ook een vreemdling bleef hier onder ons,
Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,
Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.
Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,
Toen er te Lunde keuring werd gehouden.
Het was in oorlogstijd. In aller mond was
De nood van ’t land en wat te wachten stond.
Ik was er ook. Breed voor de tafel zat
De kapitein met ambt’naar en sergeanten;
En de eene knaap na d’andere werd gemeten,
Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.
Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramen
Klonk van het jonge volk luidruchtig lachen.
Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,
Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.
Men wenkte hem; hij naderde de tafel,
De rechterhand gewikkeld in een doek;…
Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,
Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.
Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,
Half staamlend, stotterend en dan weer snel,
Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,
Hem had glad afgekapt den éénen vinger.
’t Werd in de kamer doodlijk stil.
Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;
Men steenigde den knaap met stomme blikken.
Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.
De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…
Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!
En hij ging heen. Men week naar beide kanten,
Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…
Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…
Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,
Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …
Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …
Een half jaar later was het toen hij hier kwam
Met moeder, zuigling en aanstaande vrouw.
Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,
Daar, waar de grens is van de groote hei.
Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;
Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;
Hij kwam vooruit, wat menig stukje land
Getuigde, golvend als een gele zee;…
Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…
Maar ongezien en thuis, daar werkten wel
Die negen vingers ruim zoo hard als tien …
Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.
Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,
Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.
En vóór het najaar, steeg alweer de rook
Op meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.
Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;
Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,
Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;
Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…
En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw viel
Stond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.
Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;
Die moesten schoolgaan en de school was ver.
Om van zijn huis te komen op den landweg,
Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,
Wat deed hij toen? De oudste moest zich redden
Zoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,
Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…
De andre twee droeg hij op arm en rug.
Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.
Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?
Drie rijke heeren in de nieuwe wereld
Vergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.
Hij had geen ruimen blik. Van wat er buiten
Zijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.
Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,
Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.
Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,
Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.
Maar hij was needrig, needrig deze man;
En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,
Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,
En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.
Een schender van de wet des lands? O, ja!
Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,
Zoo wel als ginds dier toppen blanke tent
Heeft wolken en daar boven uit weer toppen.
Slecht burger was hij. En voor kerk en staat
Onvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,
In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,
Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!
Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;
Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.
En daarom: vrede zij u, stille strijder,
Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!
Wij willen hart en nieren niet doorgronden;
Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…
Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:
Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!
(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).