MEVR. ALVING (springt op). Dat is niet waar, Oswald! Dat is onmogelijk! Dat kán niet waar zijn!
OSWALD. In Parijs heb ik één aanval gehad. Die ging gauw weer over. Maar toen ik hoorde hoe het met mij geweest was, toen kwam er zoo'n razende angst over mij; en toen reisde ik naar huis, naar jou toe, zoo gauw ik kon.
MEVR. ALVING. Dat is dus die angst…!
OSWALD. Ja, want dat is niet-te-zeggen afschuwelijk, zie je. O, als het maar een gewone doodelijke ziekte was geweest … want ik ben niet zoo bang om dood te gaan, al wil ik graag zoo lang mogelijk blijven leven.
MEVR. ALVING. Ja, zeker, Oswald, dat moet je ook.
OSWALD. Maar dat is zoo vreeselijk afschuwelijk om als 't ware weer een bakerkind te worden; om gevoed te moeten worden, en…. O,… dat is niet te zèggen!
MEVR. ALVING. 't Kind heeft zijn moeder om hem te verzorgen.
OSWALD (springt op). Neen, dat nooit; dat is het juist wat ik niet wil! Ik kan er niet aan denken dat ik misschien jarenlang zoo zou moeten liggen,… en oud en grijs worden. En dan kon jij nog wel vóór mij dood gaan in dien tijd. (Gaat in mevrouws stoel zitten). Want het behoeft niet dadelijk doodelijk te zijn, zei de dokter. Hij noemde het een soort van hersenverweeking … of zoo iets. (glimlacht droevig). Ik vind dat dat zoo mooi klinkt. Ik moet dan altijd denken aan kersroode zijfluweelen draperieën,… iets dat zacht is om langs te strijken met je hand.
MEVR. ALVING (roept). Oswald!
OSWALD (springt weer op en loopt door de kamer). En nu heb je mij Regine afgenomen…! Had ik haar maar gehad. Zij zou mij wel geholpen hebben.
MEVR. ALVING (gaat naar hem toe). Wat meen je daarmee, mijn lieveling?Is er dan iets ter wereld waarmee ik je niet zou willen helpen?
OSWALD. Toen ik te Parijs weer van dien aanval hersteld was, zei de dokter mij, dat als het weer terug kwam … en het komt terug … dat er dan geen hoop meer was.
MEVR. ALVING. En hij was zoo onbarmhartig om je….
OSWALD. Ik eischte het van hem. Ik zei hem dat ik beschikkingen te maken had…. (glimlacht listig). En dat had ik ook…, (haalt een doosje uit zijn borstzak). Moeder, zie je dat?
MEVR. ALVING. Wat is dat?
OSWALD. Morfinepoeders.
MEVR. ALVING (kijkt hem verschrikt aan). Oswald,… mijn jongen?
OSWALD. Ik heb twaalf capsules opgespaard.
MEVR. ALVING (grijpt er naar). Geef mij dat doosje, Oswald!
OSWALD. Nog niet, moeder, (hij stopt het weer in zijn zak).
MEVR. ALVING. Dat overleef ik niet!
OSWALD. Je moet het overleven. Had ik Regine nu maar hier gehad, dan had ik haar gezegd hoe het met mij stond … en haar om dien laatsten dienst gevraagd. Zij zou mij wel geholpen hebben; daar ben ik zeker van.
[Illustratie: Mevr. W. Schwab-Welman en de Heer E.P. Erfmann Jr. alsMevr. Alving en Oswald in "Spoken" (3e Bedrijf)]
MEVR. ALVING. Nooit.
OSWALD. Als het vreeselijke gekomen was en zij mij hier hulpeloos zag liggen, als een klein kind, opgegeven, verloren, hopeloos,… niet meer te redden….
MEVR. ALVING. Nooit van haar leven had Regine dat gedaan!
OSWALD. Regine had het wèl gedaan. Regine was zoo heerlijk luchthartig. En het zou haar ook gauw verveeld hebben zoo'n zieke als ik ben op te passen.
MEVR. ALVING. Dan dank ik den Hemel dat Regine er niet meer is!
OSWALD. Ja, nu moet jij mij dus dien dienst bewijzen, moeder.
MEVR. ALVING (gilt). Ik!
OSWALD. Wie is er nader aan toe dan jij?
MEVR. ALVING. Ik! Je moeder!
OSWALD. Juist daarom.
MEVR. ALVING. Ik, die je het leven gegeven heb!
OSWALD. Ik heb je niet om dat leven gevraagd! En wat is dat voor een leven dat je mij gegeven hebt? Ik wil het niet hebben! Je moet het terug nemen!
MEVR. ALVING. Help! Help! (zij loopt naar de voorkamer).
OSWALD (haar achterna). Loop niet van mij weg! Waar wil je heen?
MEVR. ALVING (in de voorkamer). Den dokter voor je halen, Oswald! Laat mij er uit!
OSWALD (ook daar). Je gaat er niet uit. En hier komt niemand binnen. (Er wordt een sleutel omgedraaid).
MEVR. ALVING (komt terug). Oswald! Oswald,… mijn kind!
OSWALD (komt achter haar). En jij wilt zeggen dat je mij als een moeder lief hebt … jij, die mij al dien onzegbaren angst kunt zien lijden!
MEVR. ALVING. (Na een oogenblik stilte, zegt met groote zelfbeheersching). Hier heb je mijn hand er op.
OSWALD. Wil je…?
MEVR. ALVING. Als het noodig mocht worden. Maar het zal niet noodig zijn. Neen, neen, dat zal 't nooit worden!
OSWALD. Ja, laat ons dat hopen. En laat ons zoo lang bij elkaar blijven als we kunnen. Dankje, moeder.
(Hij gaat in den grooten stoel zitten dien mevr. bij de canapé geschoven heeft. De dag komt aan; de lamp blijft branden op de tafel).
MEVR. ALVING (komt voorzichtig bij hem). Voel je je nu rustig?
OSWALD. Ja.
MEVR. ALVING (over hem heengebogen). Dat is een vreeselijke voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis bij je eigen moeder, jij mijn hartekind! Alles waar je maar naar wijst, zal je hebben, net als toen je een klein kindje was…. Ziezoo. Nu is de aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist ik ook wel…. En kijk eens, Oswald, wat een mooien dag wij krijgen? Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (Zij gaat naar de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletscher en de bergtoppen op den achtergrond liggen in het stralende morgenlicht).
OSWALD (zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich te bewegen. Plotseling zegt hij): Moeder, geef mij de zon.
MEVR. ALVING (bij de tafel ziet hem verschrikt aan). Wat zeg je?
OSWALD (herhaalt dof en toonloos). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (vlakbij hem). Oswald, hoe is het met je?
OSWALD (schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos voor zich uit).
MEVR. ALVING (bevend van angst). Wat is dat (gilt) Oswald! Wat is er! (valt op de knieën bij hem neer en schudt hem) Oswald! Oswald! Kijk me aan! Ken je mij niet?
OSWALD (toonloos als voren). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar haren en roept): Dat kan ik niet dragen! (fluistert als verstijfd van schrik). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (plotseling). Waar heeft hij ze gelaten? (voelt pijlsnel op zijn borst). Hier! (wijkt een paar stappen terug en gilt). Neen, neen! (zij staat een paar passen van hem af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan).
OSWALD (zit onbeweeglijk als te voren en zegt) De zon. De zon.
* * * * *
* * * * *
DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter.MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw.PETRA, hunne dochter, onderwijzeres.EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud.PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter,burgemeester, hoofd van de politie en president van hetBestuur der Badinrichting, enz.MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann.HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode".BILLING, medewerker aan dat blad.HORSTER, scheepskapitein.ASLAKSEN, boekdrukker.
Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen.
* * * * *
De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer, is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt. Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den voorgrond een canapé, met een spiegel er boven en een ovale tafel met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt voor het avondeten; lamp op tafel.
Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr. Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van een maaltijd.
* * * * *
MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet u tevreden zijn met koud eten.
BILLING (etend). Het smaakt uitstekend,… heerlijk zelfs.
MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn etensuren….
BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan.
MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan…. (luistert naar de voorkamer) Daar komt Hovstad zeker ook.
BILLING. Misschien wel.
(Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet op; zijn stok in de hand).
BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster.
MEVR. STOCKMANN (gaat naar de huiskamer). Kijk eens aan, is u daar?Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt.
BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen…. (met een blik naar de eetkamer) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt.
MEVR. STOCKMANN (een beetje verlegen). O, neen, volstrekt niet, dat is maar toevallig (snel). Wil u niet ook een stukje mee eten?
BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat gedoogt mijn spijsvertering niet.
MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer….
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,… en ook wel wat goedkooper.
MEVR. STOCKMANN (glimlacht). U moet niet denken dat Thomas en ik het ook zoo over den balk gooien.
BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (wijst naar de werkkamer van den dokter). Is hij soms niet thuis?
MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten … hij en de jongens.
BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (luistert). Daar komt hij geloof ik.
MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (er wordt geklopt).Binnen! (Hovstad komt uit de voorkamer).
MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad…?
HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de drukkerij. Goeden avond, burgemeester.
BURGEM. STOCKMANN (groet een beetje stijf). Mijnheer Hovstad. U komt zeker voor zaken.
HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet.
BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor.
HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven, wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil.
MEVR. STOCKMANN (tegen Hovstad). Maar wil u niet…? (wijst naar de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw blad te hebben, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook.
BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest van verdraagzaamheid in onze stad;… een waarlijk goede gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot algemeen belang vereenigen kunnen,… een belang dat in gelijke mate alle rechtschapen burgers aangaat….
HOVSTAD. De badinrichting, ja.
BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe, prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen twijfel!
MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook.
BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde.
HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert.
BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;… een massa vreemdelingen en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt….
HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik.
BURGEM. STOCKMANN. Het ziet er veelbelovend uit. Iederen dag komen er al aanvragen om woningen en zoo al meer.
HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas.
BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven?
HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen.
BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den haak?
HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken en te denken over een zomerverblijf….
BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer.
MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de badinrichting betreft.
BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld.
HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan heeft gegeven.
BURGEM. STOCKMANN. Ishijdat? Zóó? Ja, ik hoor wel eens meer dat sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel datikook voor een bescheiden deel in die zaak betrokken was.
MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd.
HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn leven lang … helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk dat men allerminst hier in huis….
MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager….
HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch….
MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad; mijn man zal in dien tusschentijd wel komen.
HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel…. (gaat in de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN (gedempt). 't Is toch vreemd met die lui die zoo regelrecht van boeren afstammen … nooit kunnen zij die takteloosheid afleeren….
MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet iedereen genoegen met deelen.
MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend samen overweg (luistert). Daar komt hij, geloof ik (gaat de deur van de voorkamer opendoen).
DR. STOCKMANN (lacht en stommelt). Kijk eens Katrine, hier krijg je nog een gast. Jolig, hè? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen.
KAPITEIN HORSTER (komt binnen en begroet mevr. Stockmann).
DR. STOCKMANN (in de deur). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker stukje vleesch proeven…. (hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en Morten gaan die ook binnen).
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet…?
DR. STOCKMANN (wendt zich om in de deur). O, ben jij daar Peter! (gaat hem de hand reiken). Dat is alleraardigst.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg.
DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet toch de grog niet, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (af in de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!…
DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig.
BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven.
DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif.
BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo…. (kijkt naar de eetkamer). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen.
DR. STOCKMANN (wrijft zich de handen). Ja, is dat geen genot om jonge menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende toekomststoffen zullen omwoelen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je je uitdrukt?
DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen … als de tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude knullen, zooals jij en ik….
BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge benaming….
DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter. Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is.
BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk?
DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af. Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij had,… op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een wereldstad ben verplaatst.
BURGEM. STOCKMANN. Hm,… een wereldstad….
DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dát is de hoofdzaak (roept): Katrine, is de brievenbesteller er niet geweest?
MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest.
DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden hebt….
BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!…
DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom eens hier….
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet….
DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een tafelkleed gekregen.
BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien.
DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;… neen, neen, niet zoo. Zóó, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt…. Ik vind heusch dat het elegant staat. Hè?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan….
DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja…!
DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het gemeentebestuur, een overheidspersoon!…
DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee.
DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven, Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in verbanning geleefd heb;… voor mij is het een levensbehoefte om met jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge menschen;… en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen….
BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad … dat is waar, hij vertelde mij, dat hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant.
DR. STOCKMANN. Een artikel van mij?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den winter al geschreven hadt.
DR. STOCKMANN. O dat, ja!… Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet geplaatst hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er voor is.
DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone omstandigheden…. (loopt door de kamer)
BURGEM. STOCKMANN (volgt hem met de oogen). Wat zijn er dan nu voor ongewone omstandigheden?
DR. STOCKMANN (blijft staan). Ja, Peter, dat kan ik je op het oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is.
BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der badinrichting….
DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik … neen, laten we elkaar niet in het haar vliegen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat.
DR. STOCKMANN. Benikgewoon langs kronkelpaden of achterwegen te gaan?
BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om jeeigenweg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al haast evenmin toe te laten…. De eenling moet zich volstrekt aan de meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die te waken hebben over het algemeen welzijn.
DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan?
BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren, mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu.
DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal bijster….
BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens moet ik je verzoeken…. (groet naar de eetkamer). Adieu, Katrine. Adieu, heeren (gaat weg).
MEVR. STOCKMANN (komt in de huiskamer). Is hij weg?
DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin.
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan?
DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem rekenschap zal afleggen vóór de tijd daar is.
MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven?
DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine…. Vreemd dat de post nog niet komt.
(Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna).
BILLING (rekt zich uit). Hè, na zoo'n souper voel je je goddome een ander mensch.
HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag.
DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte spijsvertering.
HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar in de maag liggen.
MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me.
HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand.
BILLING. Dát is het! Dat woord teekent den toestand.
DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee, waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de tafel! Katrine, krijgen we nu de grog?
MEVR. STOCKMANN (naar de eetkamer gaande). Ik zal ze je dadelijk geven.
DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canapé zitten, kapitein. Een zeldzame gast als u…. Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden.
(De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met een bouilloir, glazen, karaffen enz).
MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen.
DR. STOCKMANN (neemt een glas). Ja, dat zullen we hebben (terwijl de grog gemengd wordt). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (de jongens gaan in de kamer rechts). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (roept). En ook mijn kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb neergelegd. O, hij heeft het al! (de jongens brengen het verlangde). Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't Noorden (klinkt). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter om hier warm en rustig te zitten, hoor!
MEVR. STOCKMANN (breiend). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein?
HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen.
MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika?
HORSTER. Ja, dat is het plan.
BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen.
HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande?
BILLING. Weet u dat niet?
HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen.
BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak?
HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van.
BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen.
HORSTER. Die er niets van begrijpen ook?
BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het roer.
HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat niet best gaan.
HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren voor de zaken aan land.
BILLING. Heel merkwaardig.
DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in de "Volksbode"?
HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht ik uw artikel te plaatsen….
DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog mee wachten.
HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt het is nu juist de gunstigste tijd….
DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee wachten. Ik zal u later wel ophelderen….
(Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt uit de voorkamer).
PETRA. Goeden avond.
DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (wederzijdsche begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur).
PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij buiten afbeul!
DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed.
BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken?
PETRA (gaat naar de tafel), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief voor je (gaat naar den stoel waar haar hoed ligt).
DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie?
PETRA (zoekt in den zak van haar mantel). De brievenbesteller gaf hem mij juist toen ik uit ging….
DR. STOCKMANN (staat op en gaat naar haar toe). En breng je mij dien nu pas!
PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan.Alsjeblieft.
DR. STOCKMANN (grijpt den brief). Laat zien, laat zien, kind! (kijkt naar het adres). Ja juist, juist…!
MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas?
DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer…. Waar vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer!
MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel.
DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik…. (gaat in zijn kamer rechts).
PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder?
MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd.
BILLING. Vermoedelijk een patiënt buiten de stad.
PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (maakt een glas grog klaar). Hè, dat zal smaken!
HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool?
PETRA (proeft van haar grog). Twee uur.
BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut….
PETRA (gaat bij de tafel zitten). Vijf uur.
MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie ik.
PETRA. Ja, een heele vracht.
HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt.
PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk moe.
BILLING. Vindt u dat heerlijk?
PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker.
MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn.
PETRA. Zondig?
MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Rörlund zegt dat werken een straf is voor onze zonden.
EJLIF (fluit). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven.
MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif!
BILLING (lacht). Neen, die is prachtig!
HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten?
MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in.
HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd?
MORTEN.Ikzou 't liefst viking worden.
EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn.
MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden.
BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik óók zeg.
MEVR. STOCKMANN (maakt teekens). Welneen, mijnheer Billing, dat meent u niet.
BILLING. Jawel, goddome…! Ik bèn een heiden, en daar ben ik trotsch op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen.
MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen?
BILLING. Ja, kijk eens, Morten….
MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog wel schoolwerk te maken voor morgen.
EJLIF.Ikkon toch nog best een beetje hier blijven….
MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg.
(De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen).
HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze zulke dingen hooren?
MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag.
PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd.
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag; niet hier in huis.
PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen.
HORSTER. Wat voorliegen?
PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen, waar wij zelf niets van gelooven?
BILLING. Ja, dat is maar al te waar.
PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen en daar zou het anders toegaan.
BILLING. Och wat, geld….
HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal….
PETRA (lacht). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar komt toch niets van.
HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek, denk ik. O ja, dat 's waar … heeft u al tijd gehad om dat Engelsche verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou?
PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben.
(Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de hand).
Dr. Stockmann (zwaait met den brief). Hoort eens hier … nu zal de stad wat nieuws te hooren krijgen.
BILLING. Nieuws?
MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws?
DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine!
HOVSTAD. Zoo?
MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt?
DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (loopt heen en weer). Laat ze nu maar komen en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel uit hun hart laten, zeg ik.
PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is?
DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen….
HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter?
DR. STOCKMANN (blijft bij de tafel staan). Is het niet de algemeene opinie dat onze stad een gezond plekje is?
HOVSTAD. Ja, natuurlijk.
DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,… een plekje dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als gezonde menschen….
MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief….
DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook. Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in vlugschriften.
HOVSTAD. Jawel … en?
DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de levenszenuw der stad en … de duivel weet wat al meer noemt….
BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een feestelijk moment veroorloofd te….
DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld gekost heeft … weet u wat die is?
HOVSTAD. Neen, wat is ze dan?
DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol.
PETRA. De badplaats, vader!
MEVR. STOCKMANN (tegelijkertijd). Onze badplaats!
HOVSTAD (evenzoo). Maar, dokter….
BILLING. Ongelooflijk!
DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf, zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het vuil boven in het Molendal,… alles wat daar zoo geweldig stinkt,… dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw, en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het strand….
HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden?
DR. STOCKMANN. Precies daar.
HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter?
DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,… zoowel typheuse als gastrische koortsen….
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar.
DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting overgebracht hadden; later evenwel,… van den winter … kwam ik tot andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging.
MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad!
DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen.
HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen?
DR. STOCKMANN (wijst op den brief). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt … bacterieën in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid, zoowel voor uit- als inwendig gebruik.
MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter gekomen bent.
DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen.
HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter?
DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen.
HOVSTAD. Zou dat te doen zijn?
DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting onbruikbaar,… geruïneerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden.
MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim gehouden hebt.
DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en er over babbelen vóór ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zóó gek ben ik niet.
PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis….
DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den "das" loopen….
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas…!
DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig ben…. O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar nu zullen de heeren dan zien…; nu zullen ze eens zien…; (loopt rond en wrijft zich de handen). Dat zal hier in de stad een opstootje geven, Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele waterleiding moet verlegd worden.
HOVSTAD (staat op). De heele waterleiding…?
DR. STOCKMANN. Ja, dat spreekt. De prise d'eau ligt te laag; die moet verlegd worden naar een veel hooger gelegen punt.
PETRA. Dus had je toch gelijk?
DR. STOCKMANN. Ja, weet je dat nog, Petra? Ik heb er tegen geschreven toen zij met den aanleg zouden beginnen. Maar toen was er niemand die naar mij luisteren wou. Nou, je kunt begrijpen dat ik hun de volle laag geven zal; want ik heb natuurlijk een uitvoerige uiteenzetting aan het bestuur der badinrichting opgemaakt; die ligt al de heele week klaar; ik heb alleen hierop gewacht (wijst op den brief). Maar nu moet die ook onmiddellijk weg (gaat in zijn kamer en komt terug met een pak papieren). Kijk eens hier! Vier heele dichtbeschreven vellen vol! En den brief zal ik er bij voegen. Een courant, Katrine! Geef mij eens iets om dit in te pakken. Goed. Ziezoo. Geef dit aan … aan…. (stampvoetend). Hoe duivel heet ze nu ook weer? Nou, geef het aan de meid en zeg dat zij het terstond bij den burgemeester brengen moet.
(Mevr. Stockmann gaat met het pak naar de eetkamer).
PETRA. Wat denk je dat oom Peter er van zeggen zal, vader?
DR. STOCKMANN. Wat zou hij er wel van kunnen zeggen? Hij moet toch op zijn minst wel blij zijn dat zoo'n belangrijke waarheid aan het licht gekomen is, denk ik.
HOVSTAD. Zou ik met een enkel woord van uwe ontdekking in de "Volksbode" mogen gewagen?
DR. STOCKMANN. Ja, daarvoor zou ik u heel dankbaar zijn.
HOVSTAD. Het is toch ook wenschelijk dat het publiek hoe eer hoe beter ingelicht wordt.
DR. STOCKMANN. Ja zeker.
MEVR. STOCKMANN (komt terug). Zij is er al mee weg.
BILLING. U wordt … goddome … de eerste man van de stad, dokter.
DR. STOCKMANN. Och wat; ik heb immers eigenlijk niets meer dan mijn plicht gedaan. Ik ben een gelukkig schatgraver geweest; dat is alles, maar toch….
BILLING. Hovstad, wat dunkt je, moest de stad den dokter geen serenade brengen?
HOVSTAD. Ik zal er in elk geval werk van maken.
BILLING. En ik zal er met Aslaksen over spreken.
DR. STOCKMANN. Neen, beste vrienden, laat zulke grappen maar achterwege; ik wil niets van dergelijke dingen weten. En als het bestuur van de badinrichting er misschien over denken mocht mij een geldelijke toelage te geven, dan neem ik die niet aan. Katrine, dat zeg ik je,… ik neem die niet aan.
MEVR. STOCKMANN. Daar heb je gelijk in, Thomas.
PETRA (heft haar glas op). Vader!
HOVSTAD en BILLING. Prosit, prosit, dokter!
HORSTER (klinkt met den dokter). Moge u alleen genoegen beleven van die zaak!
DR. STOCKMANN. Dank, dank, beste vrienden! Ik ben zoo innig blij … o, het is toch heerlijk te weten dat je je verdienstelijk gemaakt hebt jegens je geboorteplaats en je medeburgers. Hoera, Katrine!
(Hij pakt haar met beide handen om den hals en draait met haar in de rondte. Mevr. Stockmann gilt en stribbelt tegen. Lachen, handgeklap en hoera-geroep voor den dokter. De jongens komen om de deur kijken).
* * * * *
Huiskamer van den dokter. De deur naar de eetkamer is gesloten.Voormiddag.
* * * * *
MEVR. STOCKMANN (komt met een verzegelden brief uit de eetkamer, gaat naar de voorste deur rechts en kijkt naar binnen). Ben je thuis, Thomas?
DR. STOCKMANN (in de kamer). Ja, ik kom net thuis. (komt binnen). Is er iets?
MEVR. STOCKMANN. Een brief van je broer (reikt hem dien over).
DR. STOCKMANN. Aha, laat eens zien (maakt het couvert open en leest). "Het toegezonden manuscript zend ik u hierbij terug…." (leest prevelend verder). Hm….
MEVR. STOCKMANN. Wat zegt hij er van?
DR. STOCKMANN (steekt de papieren in zijn zak). Niets; hij schrijft alleen dat hij van middag zelf hier komen zal.
MEVR. STOCKMANN. Dan mag je er wel aan denken dat je thuis blijft.
DR. STOCKMANN. Ja, dat kan ook best; ik ben klaar met mijn ochtendvisites.
MEVR. STOCKMANN. Ik ben erg nieuwsgierig om te weten hoe hij het opneemt.
DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij het niet goed vindt datikhet ben enhijhet niet is die die ontdekking gedaan heeft.
MEVR. STOCKMANN. Ja, ben jij daar ook niet bang voor?
DR. STOCKMANN. Nou, in zijn hart moet hij er toch blij over zijn, dat begrijp je wel. Maar toch…. Peter is zoo vervloekt bang dat iemand anders dan hij iets ten bate van de stad doen zou.
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas,… weet je wat … dan moest je zoo lief zijn de eer met hem te deelen. Kon je het niet zoo inkleeden dat hij 't was die je op het spoor gebracht heeft?
DR. STOCKMANN. Ja, wat mij betreft, graag. Als ik de zaak maar in orde krijg, dan….
De oude Morten Kiil (steekt zijn hoofd door de voorkamerdeur, kijkt spiedend rond, lacht stil en vraagt sluw). Is het … is het waar?
MEVR. STOCKMANN (gaat naar hem toe). Vader,… is u het?
DR. STOCKMANN. Kijk eens aan, schoonpapa; morgen, morgen!
MEVR. STOCKMANN. Maar kom toch binnen.
M. KIIL. Ja, als het waar is, want anders ga ik weer heen.
DR. STOCKMANN. Als wát waar is?
M. KIIL. Die gekheid met de waterleiding. Is dat heusch waar?
DR. STOCKMANN. Ja zeker is het waar. Maar hoe is u daar achter gekomen?
M. KIIL (komt binnen). Petra liep even op toen zij naar school ging….
DR. STOCKMANN. Zoo?
M. KIIL. Jaha: en toen vertelde zij het…. Ik dacht dat zij mij maar voor den gek houden wou; maar dat lijkt niet op Petra.
DR. STOCKMANN. Hoe kon u dat nu denken!
M. KIIL. O, je moet nooit iemand vertrouwen; je kunt om den tuin geleid worden eer je het weet. Maar dus is het toch waar?
DR. STOCKMANN. Ja, zeer zeker. Ga toch even zitten, schoonpapa. (dwingt hem zachtjes op de canapé). En is het niet een waar geluk voor de stad…?
M. KIIL (heeft moeite zijn lachen te bedwingen). Een geluk voor de stad?
DR. STOCKMANN. Dat ik dit nog bijtijds ontdekt heb.
M. KIIL (als voren). Jawel, jawel!… Maar ik had nooit gedacht dat je je eigen vleeschelijken broer er zoo zou laten inloopen.
DR. STOCKMANN. Er laten inloopen?
MEVR. STOCKMANN. Neen maar, vader-lief….
M. KIIL (rust met zijn kin op zijn handen die hij op den knop van zijn stok samengevouwen heeft en knipoogt sluw tegen den dokter). Hoe was het ook weer. Was het niet dat er dieren in de waterleidingbuizen gekomen waren?
DR. STOCKMANN. O ja, infusiediertjes.
M. KIIL. En er zouden een heeleboel van die dieren daarin gekomen zijn, zei Petra. Een reusachtige massa.
DR. STOCKMANN. Ja zeker; er kunnen er wel honderdduizenden in zijn.
M. KIIL. Maar niemand kan ze zien,… niet waar?
DR. STOCKMANN. Neen, zien kan je ze niet.
M. KIIL (met een stillen klokkenden lach). De duivel hale mij! Dit is nog het mooiste dat ik ooit van je gehoord heb.
DR. STOCKMANN. Hoe meent u dat?
M. KIIL. Maar nooit in der eeuwigheid maak je zoo iets den burgemeester wijs.
DR. STOCKMANN. Nu, dat zullen wij nog eens zien.
M. KIIL. Denk je dat hij zóó gek zou zijn?
DR. STOCKMANN. Ik hoop dat de heele stad zoo gek zal zijn.
M. KIIL. De heele stad! Ja, dat kan voor den donder wel zijn. Maar dat is net goed voor dat volk. Die willen immers zoo veel wijzer zijn dan wij oude lui. Zij hebben mij als een hond uit den gemeenteraad gejaagd met hun tegenstemmen. Ja, dat hebben ze … me er uitgejaagd als een hond. Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. Houd die maar voor den gek, Stockmann.
DR. STOCKMANN. Maar schoonpapa….
M. KIIL. Houd ze voor den gek, zeg ik (staat op). Als je 't zoo ver brengen kunt dat de burgemeester en zijn vrienden er in vliegen, dan geef ik dadelijk, op slag, honderd kronen voor de armen.
DR. STOCKMANN. Kijk, dat zou nog eens aardig van u zijn.
M. KIIL. Nou, zoo dik zit het er bij mij ook niet aan, zooals je weet; maar krijg je ze zoover, dan geef ik met Kerstmis vijftig kronen aan de armen.
(Hovstad komt uit de voorkamer).
HOVSTAD. Goeden morgen! (blijft staan). O, pardon….
DR. STOCKMANN. Neen kom maar; kom maar….
M. KIIL (lacht weer als voren). Hij! Is hij er ook bij?
HOVSTAD. Wat bedoelt u?
DR. STOCKMANN. Ja zeker is hij er bij.
M. KIIL. Dat kon ik ook haast wel denken! Het moet in de couranten komen. Nou, jij bent me wel de ware, Stockmann. Overlegt nu maar eens goed samen; nu ga ik weg.
DR. STOCKMANN. O neen, blijf nog wat schoonpapa.
M. KIIL. Neen, nu ga ik weg. En bedenk maar eens goed hoe je hen het best er in laat vliegen. Je moet dat toch voor den duivel niet voor niets gedaan hebben. (Hij gaat weg; mevr. Stockmann gaat met hem mee).
DR. STOCKMANN (lacht). Stel u voor, die oude gelooft geen woord van die zaak met de waterleiding.
HOVSTAD. O was het dáárover…?
DR. STOCKMANN. Ja, daarover hadden wij het. En u komt misschien ook wel voor die zaak?
HOVSTAD. Ja juist. Heeft u een oogenblik tijd, dokter?
DR. STOCKMANN. Zoo lang u maar wil, mijn waarde.
HOVSTAD. Heeft u al iets gehoord van den burgemeester?
DR. STOCKMANN. Nog niet. Hij komt straks hier.
HOVSTAD. Ik heb veel over die zaak nagedacht sedert gisteren avond.
DR. STOCKMANN. Zoo? Ja?
HOVSTAD. Voor u als dokter en als man van de wetenschap, staat dit geval met de waterleiding geheel op zich zelf. Ik bedoel, dat u er niet bij bedenkt hoe dit met veel andere dingen samenhangt.
DR. STOCKMANN. Ja, hoe zoo…? Laat ons gaan zitten…. Neen, daar op de canapé.
(Hovstad gaat op de canapé zitten, de dokter in een fauteuil aan den anderen kant van de tafel).
DR. STOCKMANN. U denkt dus…?
HOVSTAD. U zei gisteren dat het water bedorven werd door verontreiniging van den grond.
DR. STOCKMANN. Ja, het komt zonder twijfel uit dat giftige moeras daarboven in het Molendal.
HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik geloof dat het uit een heel ander moeras komt.
DR. STOCKMANN. Wat voor een moeras zou dat dan moeten zijn?
HOVSTAD. Het moeras waarin ons heele communale leven wortelt en verteert.
DR. STOCKMANN. Maar voor den drommel, mijnheer Hovstad, wat zijn dat nu voor praatjes?
HOVSTAD. Al de stadsaangelegenheden zijn zachtjes aan in handen gekomen van een bende ambtenaren….
DR. STOCKMANN. Nu, het zijn niet allemaal ambtenaren.
HOVSTAD. Neen, maar die geen ambtenaren zijn, zijn toch ten minste vrienden en aanhangers van die ambtenaren; dat zijn al de rijken, al die, met hun oude geachte namen in de stad; die zijn het die ons regeeren en besturen.
DR. STOCKMANN. Ja, maar die menschen bezitten ook inderdaad bekwaamheid en juist inzicht.
HOVSTAD. Gaven zij een bewijs van juist inzicht en bekwaamheid, toen zij de waterleiding aanlegden daar waar die nu ligt?
DR. STOCKMANN. Neen, dat was natuurlijk een groote domheid van hen. Maar die zal nu wel goedgemaakt worden.
HOVSTAD. Denkt u dat dat zoo glad gaan zal?
DR. STOCKMANN. Glad of niet … gaan zal het in elk geval.
HOVSTAD. Ja, indien de pers er zich mee bemoeit.
DR. STOCKMANN. Zal heelemaal niet noodig zijn, mijn waarde.
HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik wil zeggen dat ik van plan ben, zelf die zaak te behandelen.
DR. STOCKMANN. In de courant?
HOVSTAD. Ja. Toen ik de "Volksbode" overnam, was het mijn doel dezen ring van oude eigenzinnige wijsneuzen die hier overal inzaten, te verbreken.
DR. STOCKMANN. Maar u heeft mij toch zelf verteld hoe dat afliep; het blad was er bijna mee op de flesch gegaan.
HOVSTAD. Ja, toen moesten wij de vlag strijken; dat is volkomen waar. Want er dreigde gevaar dat de badinrichting niet tot stand zou komen, als die mannen vielen. Maar nu staat die er en nu kunnen wij de groote heeren missen.
DR. STOCKMANN. Missen, ja; maar we hebben toch veel aan hen te danken.
HOVSTAD. Dat zal ook naar behooren erkend worden; maar een journalist van mijn richting kan een gelegenheid als deze niet voorbij laten gaan. De fabel der onfeilbaarheid der vroede mannen moet eens een duw hebben. Dergelijke dingen moeten net zoo goed uitgeroeid worden als ander bijgeloof.
DR. STOCKMANN. Daarin ben ik het van ganscher harte met u eens, mijnheerHovstad; is iets een bijgeloof, dan weg er mee!
HOVSTAD. Den burgemeester zou ik niet graag hard aanpakken, omdat hij uw broer is. Maar u vindt toch zeker, evenals ik, dat de waarheid boven alle andere overwegingen gaan moet.
DR. STOCKMANN. Dat spreekt vanzel…. (Opgewonden). Ja maar…!Maar…!
HOVSTAD. U moet mij niet verkeerd beoordeelen. Ik ben niet egoïster of eergieriger dan de meeste menschen.
DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde, wie zegt dat dan?
HOVSTAD. Ik ben maar van geringe afkomst, zooals u weet; en ik heb voldoende gelegenheid gehad om te zien, wat in de lagere klassen der maatschappij het meest noodig is. En dat is: deel te nemen aan de leiding der algemeene zaken, dokter. Dat is het wat bekwaamheid en kennis en gevoel van eigenwaarde ontwikkelt….
DR. STOCKMANN. Dat kan ik mij heel goed voorstellen….
HOVSTAD. Daarom vind ik dat een journalist een groote verantwoordelijkheid op zich neemt, wanneer hij een gunstige gelegenheid verzuimt tot vrijmaking van de menigte, de geringen, de onderdrukten. Ik weet wel, in het kamp der groote heeren zullen zij dat frazen en opgeschroefde taal noemen; maar dat moeten ze dan maar doen als ze er lust in hebben. Als ik mijn geweten maar zuiver voel, dan….
DR. STOCKMANN. Juist, ja juist! Mijnheer Hovstad. Maar toch … duivels…. (er wordt geklopt). Binnen!
(Aslaksen in de voorkamer deur. Hij is uiterst eenvoudig maar fatsoenlijk gekleed, in 't zwart, met een witte, een beetje verkreukte das, handschoenen en vilten hoed in de hand).
ASLAKSEN (buigt). Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zoo vrij ben….
DR. STOCKMANN (staat op). Kijk eens aan,… daar hebben wij mijnheerAslaksen!
ASLAKSEN. Jawel, dokter.
HOVSTAD (staat op). Moet je mij hebben, Aslaksen?
ASLAKSEN. Neen mijnheer; ik wist niet dat ik u hier zou aantreffen.Neen, het was de dokter zelf….
DR. STOCKMANN. Zoo? Wat is er van uw dienst?
ASLAKSEN. Is het waar wat ik van mijnheer Billing hoorde, dat de dokter er over denkt ons een betere waterleiding te bezorgen?
DR. STOCKMANN. Ja, voor de badinrichting.
ASLAKSEN. Jawel, dat begrijp ik wel. Nu, dan kom ik om te zeggen dat ik die zaak steunen zal naar mijn beste krachten.
HOVSTAD (tegen Stockmann). Ziet u!
DR. STOCKMANN. Daarvoor zeg ik u van harte dank, maar….
ASLAKSEN. Want het zou misschien toch goed kunnen zijn als u ons, kleine luiden, had om u te steunen. Wij maken om zoo te zeggen een compacte meerderheid uit;… als wij ernstigwillen. En het is altijd goed om de meerderheid op zijn hand te hebben.
DR. STOCKMANN. Dat is onloochenbaar waar; ik kan alleen maar niet begrijpen dat dergelijke maatregelen hier noodig zouden kunnen zijn. Mij dunkt zoo'n duidelijke en eenvoudige zaak….
ASLAKSEN. O ja, maar dat zou toch geen kwaad kunnen; ik ken de lokale autoriteiten maar al te goed; de hooge heeren zijn niet heel toegankelijk voor voorstellen die van anderen uitgaan. En daarom dacht ik, dat het misschien niet ongewenscht zijn zou als wij een kleine demonstratie op touw zetten.
HOVSTAD. Jawel, zeer juist.
DR. STOCKMANN. Een demonstratie zegt u? En op welke manier zou u dat dan eigenlijk willen doen?
ASLAKSEN. Natuurlijk in zeer gematigden vorm, dokter. Ik leg er mij altijd op toe maat te houden, want maathouden is de eerste deugd van een staatsburger,… naarmijnopvatting althans.
DR. STOCKMANN. Daarvoor staat u ook wel bekend.
ASLAKSEN. Ja, dat mag ik geloof ik wel zeggen. En die zaak van de waterleiding, die is van zoo groot gewicht voor ons kleine burgers. Het badhuis belooft als 't ware een goudmijntje voor de stad te worden. Van dat badhuis moeten wij allemaal bestaan, en 't allermeest wij huiseigenaren. Daarom willen wij dus graag de badinrichting zooveel wij kunnen steunen. En omdat ik nu president ben van den Bond van Huiseigenaren….