Hoe heeft hij de arme Nora van hetPoppenhuis—want ik spreek hier niet van deSteunpilaren der Maatschappij(1877), waar het echte leven nog wat boven op ligt,—hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar dan uit te stooten in het donker van het leven!
En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote en moeder die het middelpunt is van Ibsen's dramaSpoken. Hier vallen geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar moordenaarster te maken van haar eenig kind!
Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het leven hunner omgeving te beproeven;—de eene een zorgeloos-zorgend, bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw, met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora, bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar pad wijken,—maar, vrouwe Alving, de heroïne van het dramaSpoken, gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het geleide.
Vereenzaming—dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld, eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid. De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door haar wetten, door haar ziekten—want zij heeft haar ziekten en haar besmetting—verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid, en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de vrijheid der vereenzaming.
* * * * *
[Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.]
Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter. Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het kan aarden.
Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den staat gesteund?—Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid tegenover gedetermineerdheid,—het individu gaat hem voor; die van staat en maatschappij is maar quasi.
En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid.
Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit zich breed uitspreiden;—maar zij hebben ook een achtergrond van aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel flauwen, grauwen morgenstraal.
InBrandenPeer Gyntklaagt en treurt een nevenstem; inNoraenSpokenhoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja, zwijgend wacht om te spreken.
* * * * *
Norais van 1879,Spokenvan 1881, deVolksvijanddie zich bij de vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan.
* * * * *
Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht, berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren…. De politici zullen dat aan hùn inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch zege".
In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich; een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius bestuurt!—hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn scherpe vaart.
Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm van nacht en eenzaamheid derKrijgers op Helgeland, zoo was het eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime, bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon te spreken,—heel hoog en ironisch voorzeker,—maar toch ook met een wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teêren toon.
ZijnWilde Eend[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884). De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind, het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid; en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding.
In deWilde Eendtoont de dichter de samenleving in miniatuur met haar goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar onverschilligheid, maar ook met haarpoëzie,—een onnoodige poëzie, die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het eerste morgengrauwen,—half een illusie van teederheid, half een ijzige adem van rauw nijpende nachtkoû.
Krachtiger en grootscher gaat het dan inRosmersholm[56] (1886), waar de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder wordende, leven der oudere beschaving.
En drama volgt op drama; deVrouw van de zee(1888) komt na Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnenHedda Gabler(1890),Bouwmeester Solness(1892),Kleine Eyolf(1894)….
* * * * *
Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de moderne maatschappij.
Is het wel een samenleving?
Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats.
InRosmersholm, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen, maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere tijd voor onze gedachten,—slechts even voor onze verbeelding.
Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;—omdat de dichter, wanneer het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in deVrouw van de zee, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk inHedda Gabler, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als inKleine Eyolf, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij.
* * * * *
Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij laat de verhoudingen met elkaâr contrasteeren, maar ze weerspiegelen zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein voort doen spelen!
Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen, en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart; opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als met vlagen van geluiden onzen geest voorbij … en tot accompagnement —stil, luister!—die klank van geregelde hamerslagen in de verte, hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het nieuwe leven.
* * * * *
Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt, gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk.
Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling.
"Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter. Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven in den mensch!"
Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka vanRosmersholmdoet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in den geliefde—hand in hand.Bevrijding[57] is Ibsen's woord geworden, en niet langer het scherpe woord:vrijheid.
* * * * *
Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden.
Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's, de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (John Gabriel Borkman, 1896).
Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was toch een man van het verleden geworden.
Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch….
Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijngrandes coquetteshebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (Wanneer wij dooden ontwaken) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen, niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding….[58]
Blijft ook de echt-Noorsche naïveteit[59] van oude dagteekening Ibsen niet bij?… Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed gelden,—in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie….
* * * * *
Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden; en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60].
Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel.
Hij staat voor me, in die symbolische drama's,—en zij beginnen reeds met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werkenJohn Gabriel Borkman(1896) enWanneer wij dooden ontwaken(1899) zijn bij uitnemendheid symbolisch te noemen,—ik zie hem voor me, afgewend van de bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen.
* * * * *
[Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)]
Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven!
De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het, de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan een van de toekomst. Zijn zegepraal,—daarvan is nog nooit het bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen.
Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige vrijheid,—de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van trots,—de pose van gewaande grootheid.
De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de wereld,—hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen.
En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter. Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een failliet,—een gevangene voortaan van het leven?
Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het geslacht weder tot eere zou brengen,—hij had hun verlatenheid niet gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen….
Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede raadsels van het onontwijkbare lot—met hun schijnoplossing voor het verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het hart.
En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging van grootheid!…
Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (Wanneer wij dooden ontwaken). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd, troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja, de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer.
Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt met zijn ziel?
Was er hem niet eenmaal een erfenis meêgegeven uit den grooten zonnigen dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn geest….
Het ideaal!
Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar, van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,—dat smachten en haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid had, en dat de poëzie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen opstijgen.
Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde: in de werkelijkheid kende hij alleen decomedievan de liefde, en hij had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over voor eencomedie. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven, alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent en de eigen wil (Brand). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van kunst.
Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,—verwrongen schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart bleef opgeborgen,—het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid.
Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet meer in 't leven wilde zoeken of volgen.
Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een levend-doode,—de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en grove zinnelijkheid.
Toch….
De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor wat geslagen was en verbroken,… zijn liefde zou redden en heelen. De oude scheppingsdrang hernieuwde zich…. Laat Maja, de schijngezellin, vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen, 't is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal, Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van het hooggestemde leven,—het brenge dan wat het wil.
* * * * *
Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn leven, den tijd van deComedie der LiefdeenBrand[61], van satires, van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,—in verlangen. Het is hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen opengaan.Wanneer wij dooden ontwaken! wanneer wij, die gemeend hebben te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn oprechtheid en eenvoud!…
Maar dan is het einde nabij.
De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven. Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht, brengt rust en vrede.—Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik, van het rein ontwaken zijner oogen.
En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen leven.
Hij denkt aan zijnCatilina, het stuk van den somberen gewetens- en wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt aan zijnJulianus den Afvallige[62], de schemerschepping geschapen op de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn leeftijd overvallen.
Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden dood van het leven.
Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering, van berouw, van voorgevoelens,—het ophelderende en oplichtende uur van voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis….
* * * * *
[1]Staats-satyricus.—Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882.
[2]Versregels.—GoetheUrworte. W. A. III 95.
[3]Aangroeien v. verbeelding.—W. Dilthey.Das Erlebnis und die Dichtung. p. 284, 295.
[4]Steffens.—H. Höffding.Henrik Steffens. Tilskueren. Jaarg. 1902. p. 942 vv. H. Steffens.Was ich erlebte. X. 269. "In der stillen einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der Religion und der Natur in ihrer ganzen Fülle entgegenführte. Ein unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz."
[5]Steffen's vader over den val der Bastille.—Vgl. Steffens ibid. I 362-364.
[6]Steffens over Oehlenschläger.—Was ich erlebteV. p. 26 vv. Ad. OehlenschlägerMeine Lebenserrinnerungen. I 204, vv. Kr. Arentzen.Baggesen og Oehlenschläger. Kopenh. 1872, II p. 21 vv.
[7]Genialiteit.—Arentzen l.l. II. 147.
[8]Oehlenschläger als voorganger.—Vgl. o.a. V. Birkedal.Persönlige Oplevelser i et langt Liv. III p. 66.
[9]Hij hield het oog op het geheel.—Zie Oehlenschläger's voorwoord tot dePoetiske skriftervan 1805, de passage die begint: "Fundamentet for den sande Kunst er Harmonieen…."
[10]Een brief van1814.—Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111.
[11]Toestand van Noorwegen.—Zie H. Jaeger.Literaturhistoriske Pennetegninger (Norskhedsperioden)p. 140 vv. H. Lassen.Henrik Wergeland og hans Samtid(2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233.
[12]Het woord van vrijheid.—De feestdag van den 17en Mei, datum der constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger.Henrik Ibsen. Et literaert livs billede. p. 15.
[13]Sinds1825.—H. Jaeger.Pennetegninger. p. 146 naar Schweigaard.Norges Statistik. Schreefin 1828.—Lassen H.Wergeland. p. 13, 30.
[14]Opdracht aan H. Steffens.—Jaeger. l.l. p. 158 noot.
[15]Het hemel en aard gedicht.—Van WergelandsSkabelsen, Menensket og Messiasken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek (Samlede Skrifterdl. I). In de literatuurhistoriën wordt gewoonlijk de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den titelMennesket) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in Potgieters bibliotheek.
[16]Kind der revolutie.—Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke inleiding van J.E. Sars tot W'sNorges Konstitutions historie. H.W'sSkrifter i Udvalg, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandelingHvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem? (1831).Skrifter i udvalgI p. 600 vv.
[17]Levensgevoel.—Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W'sSkrifter. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Björnson bij de onthulling van W's standbeeld.
[18]Wergelands woorden.—Zie L. Dietrichson.Omrids af den norske Poesis HistorieII P. 58.
[19]Richting in Denemarken.—Bedoeld is het zoogenaamde Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschläger zie o.a. Arentzen l.l. Dl. III en vv.
[20]Samenhang v. Europeesch geestesleven. Het voorbeeld is ontleend aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152.
[21]G. Meredith.—Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire (R. le Gallienne.G. Meredith. Some characteristics. p. LVI.) Ook Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst—half Italiaan, half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging. Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken.
[22]Zij hield het oor van den nacht gevangen.—Meredith.Sandra Bellonich. II.
[23]Zoo rijst de blanke heerlijkheidenz.—Meredith.The ordeal of Richard Feverel. Beauchamp's Career. Vgl. mijn studie over M. in de Gids van October, 1896.
[24]Zich te bezinnen.—Allusie op de versregels vanModern LoveXLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this fair garden we might win.
[25]Modern Loveis in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijnKjaerlighedens Komediein 1860 begonnen. (R. Woerner.Henrik Ibsen. I p. 493). Den besten commentaar opModern Lovegeeft G.M. Trevelyan.The poetry and philosophy of G.M.
[26]The Egoist.—Meredith's roman is uitgekomen in 1879.
[27]Romans uit Meredith's 3e periode:—One of our conquerors, Lord Ormont and his Aminta, The amazing marriageverschenen van 1890-'95.
[28]"Lo, where"etc.—Aanhaling der slotregels vanThe Sage anamoured and the honest Lady. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894.
[29]Taine.—Het 1e deel derOrigines de la France contemporainekwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen—en daarom is 't hier vooral te doen—verschenen sinds 1878.
[30]Zucht naar vereeniging met de natuur. Taine.Vie et correspondance, de brief van 10 Maart 1849 aan Prévost Paradol.
[31] "Décrire une âme humaine."—De l'Intelligence. (3e ed.) I p. 21.
[32]"Il ressemble à un homme."—Vie et opinions de M. Graindorge. p. 324.
[33]Beschouwing van de kunst.—De l'idéal dans l'art(ed. 1867) p. 129-131.
[34]Vraagt hij.—Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875.
[35]Het groote vraagstuk.—Zie Julius Clausen.Scandinavismen historisk fremstillet, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in 1845.
[36]De leus van B. Björnson.—J. Clausen l.l. p. 211.
[37]Het werk in Noorwegen na 1870.—Vgl. vooral het programma van Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870 meegedeeld in Halvorsen'sNorsk Forfatter-lexicon. V p. 574, en voor het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de inleiding van H. Haug's art.Det norske Samlingsparti. Tilskueren, 1905. p. 792.
[38]Sinds1884 en '85.—Vgl. Ibsen's brief aan B. Björnson van 28 Maart 1884, en H. Jaeger.Henrik Ibsenp. 280 over Ibsen's bezoek aan Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler.Silhouetter. p. 12.
[39]Revolutie en piëtisme in Catilina.—Vgl. H. Jaeger.H. Ibsen og hans vaerker, en fremstiling i grundrids. p. 8, 9. R. Woerner.H. Ibsen. p. 29.
[40]Piëtisme en mysterie.—Vgl. Collin.H. Ibsen's dramatiske Bygningsstil. Tilskueren. Aug. 1906.
[41]De krijgers op Helgeland.—In Augustus 1857 voltooid, in November 1858 te Christiania vertoond.
[42]De mijnwerker.—Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e uitgaaf derDigte, die ik gebruik, 1882, staatBergmandenp. 17) komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijnInleidingnatuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft. Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner'sHenrik IbsenI p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht.
[43]H. Steffens.—Toespeling op zijnBeiträge zur inneren Naturgeschichte der Erde. 1801. Vgl. daarover R. Haym.Die romantische Schule. p. 626-630.
[44]Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk.—Vgl. het gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf van deKroonpretendenten.
[45]Oordeel van de wereld.—Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den dichter in dezen tijd in G. Brandes'Levned, p. 149: "Hvad han skriver, er fladt som en Tegning." etc.
[46]Grauwe schemeren.—Tausmörket.
[47]Intusschen.—Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v. van R. LotharHenrik Ibsen, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het drama van Julianus den Afvallige door Ibsen naBranden in gevolge vanBrandwerd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie, vgl. brief aan B. Björnson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson.Svundne TiderI p. 336.
[48]Meewerking aan den tijd.—Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob. 1872.
[49]Distantie.—Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.
[50]Het grote gebeuren tusschen1864 en 1871.—Vgl. brief aan J. Hoffory. 26 Febr. 1888.
[51]Determinisme.—Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend werd.
[52]Midden onder zijn groote werk.—Het eerste plan van hetVerbond der Jeugddagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept. 1864 aan Björnson en de aanteekening daarop Ibsen'sSämmtl. Werke. X p. 428.
[53]Het Verbond der Jeugd een inleiding.—Vgl. A. Kerr.Das neue Drama, p. 16-18.
[54] In 1885_zeide Ibsen_.—Vgl. L. Kieler.Silhouetter. p. 12.
[55]De Wilde Eend.—Voor de juiste opvatting van dit drama (de beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl. H. Jaeger.H. Ibsen og hans vaerker. Enfremstilling i grundrids. p. 176 vv. Zie ook van mijn handPoëzie en Leven in de 19e eeuw. p. 359 vv.
[56]Rosmersholm.—Vgl. A. v. Berger.Studien en Kritikenp. 214 vv. en het hierboven aangehaaldePoëzie en Levenp. 370 vv.
[57]Bevrijding.—Vgl. Lou Andreas Salomé.H. Ibsen's Frauengestalten.
[58]Sinding.—Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon.Les révoltés Scandinaves, p. 83.
[59]Noorsche naïeveteit.—Vgl. L. Kieler l.l.
[60]De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen.—Vgl. b.v.H. Dikmar's studie over Ibsen'sBygmester SolnessinTo literaereStudier. Kristiania 1894 en E. Holm.H. Ibsen's politischesVermächtnisz. Wien, 1906.
[61]De Comedie der Liefdeals een voorlooper vanBrand.—Vgl. brief aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.
[62]Julianus de Afvallige.—Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873: (Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenüber verantworten möchte."
* * * * *
* * * * *
KARSTEN BERNICK, Consul.BETTY, zijn vrouw.OLAF, hun zoon dertien jaar oud.MARTHA BERNICK, zuster van den consul.JOHAN TÖNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick.LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster.HILMAR TÖNNESEN, neef van mevrouw Bernick.RÖRLUND, hulpprediker.RUMMEL, groothandelaar.VIGELAND enSANDSTAD, kooplieden.DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis.KRAP, procuratiehouder van Bernick.AUNE, scheepsbouwmeester.Mevrouw RUMMEL.Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur.Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter.HILDA RUMMEL.NETTA HOLT.
Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiersenz.
Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis vanden heer Bernick.
* * * * *
Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden klanten bediend, enz. enz.
Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf. Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren. Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en een glas suikerwater staan, zit Rörlund en leest voor uit een verguld-op-snee-gebonden boek, doch zóó dat maar enkele woorden voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop Olaf rond en schiet af en toe met een boog.
Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken onder den arm er uit.
* * * * *
KRAP. O, ben jij het die klopt?
AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij opgedragen….
AUNE. U? Ik wou nog liever!
KRAP. … mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met dieZaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht gebruiken….
KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?
AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de maatschappij onderste boven gooit!
AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap.Als president van den werkliedenbond moet ik….
KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal…. Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.
AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap! Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb … aan dien vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en dat….
KRAP. Nou ja, hoor … met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks ook. Excuseert dames! (Hij groet en gaat door den tuin de straat op. Aune gaat stil naar rechts. Rörlund, die gedurende dit op gedempten toon gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en slaat het dicht).
RÖRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.
MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!
MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!
MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.
RÖRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele vaste ondergrond onder de voeten. In één woord, het is een gepleisterd graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
MEVR. HOLT. Ja … dat is maar al te waar.
MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.
RÖRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken. Maar zelfs in de hoogere kringen … hoe is het daar gesteld? Twijfel en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te halen.
DINA (zonder op te zien). Maar gebeuren daar ook niet wel groote dingen?
RÖRLUND. Groote dingen…? Ik begrijp niet….
MEVR. HOLT (verbaasd). Maar lieve hemel, Dina…!
MEVR. RUMMEL (tegelijkertijd). Maar Dina, hoe verzin je 't…?
RÖRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.
MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!
MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.
MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.
RÖRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde zich met die zaak in te laten.
MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Rörlund. Het is waarlijk meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
RÖRLUND. Geen kwestie van … nu in de vacantie….
MEVR. BERNICK. Nu ja … maar het is toch heusch wel een offer….
RÖRLUND (haalt zijn stoel dichterbij). Spreek daar toch nooit van, lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze verpleegt en geneest.
MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in zoo'n mooi licht te kunnen zien.
RÖRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich wijdt aan de school?
MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde zee.
RÖRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten houden. De wilde zee … dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij, die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant van waar de moeilijkheden komen….
MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk….
RÖRLUND. En in een huis als dit … in een goed en rein thuis, waar het familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont … waar vrede en eendracht wonen…. (tegen mevrouw Bernick) Waar luistert u naar, mevrouw?
MEVR. BERNICK (naar de eerste deur links gewend). Wat praten ze hard daar in de kamer.
RÖRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?
MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man is.
(Hilmar Tönnesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts … hij blijft staan als hij al die dames ziet).
HILMAR. O, pardon…. (wil zich terugtrekken)
MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je iets?
HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (tegen mevr. Bernick). Nou, wat komt er nu van?
MEVR. BERNICK. Waarvan?
HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.
MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?
HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.
MEVR. RUMMEL. Neen … maar dat kan toch niet!
MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer onaangenaamheden over hebben….
RÖRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Tönnesen? Consul Bernick heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen spoorweg wilde hebben.
HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht, en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.
MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even hoorde.
HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad van den Steenweg en Michel Vigeland … de "Heilige Michael" zooals ze hem noemen.
RÖRLUND. Hm….
HILMAR. Pardon, mijnheer Rörlund.
MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.
HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.
RÖRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.
HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het gegeven…. (hij bladert in het boek van Rörlund) "De vrouw als dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?
MEVR. BERNICK. Hè, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet gelezen?
HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.
MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.
HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.
MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?
HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn, mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.
OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?
HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk geweer te krijgen?
OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar….
HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd iets spannends in als je vuren gaat.
OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, hè oom? Maar dat mag ik toch niet van Papa.
MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten,Hilmar.
HILMAR. Hm … een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen … lieve god ja!… en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die kon wel eens losschieten.
OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.
HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg ze weg, zeg ik…. Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.
MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar….
OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ookJohan en tante Lona ook wel ontmoeten.
HILMAR. Hm … nonsens.
MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.
OLAF. Hè Ma, mag ik ook op straat gaan?
MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (Olaf loopt het hekje uit).
RÖRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten, mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders pappot, zooals zooveel anderen.
RÖRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?
HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier niet veel notitie van genomen. Maar buitendien … een mensch heeft ook plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient toch weliemandte zijn om de vaan der idee hoog te houden. Hè! wat schreeuwt hij weer!
DE DAMES. Wie schreeuwt er?
HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen, en dat maakt mij zenuwachtig.
MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Tönnesen. Maar weet u, hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken….
RÖRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.
HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken te houden, dan…. Alles gaat hier immers òp in kleine materieele berekeningen. Bah!
MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in plezier-maken opging.
MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen niet hier woonde.
MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe het was in mijn meisjestijd….
MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de dansclub en de muziekvereeniging….
MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.
MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Tönnesen.
HILMAR (gaat naar den achtergrond). Och wat!…
RÖRLUND. Een stuk van den student Tönnesen?
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang vóór dat u hier kwam, mijnheer Rörlund.Maar het is maar één enkelen keer gespeeld.
MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
MEVR. RUMMEL (kijkt op zij uit naar Rörlund). Ik? Dat herinner ik mij heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.
MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de week een groot diner was.
MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens geweest, heb ik gehoord.
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!…
MEVR. HOLT (onrustig). Hum … hum….
MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer van.
MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?
MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.
MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
MEVR. BERNICK (gelijktijdig). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de koffie brengen wil.
MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (Dina en Martha gaan weg door de laatste deur links).
MEVR. BERNICK (staat op). En ik moet u ook verzoeken mij even te verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten koffie drinken. (Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Rörlund staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken).
MEVR. RUMMEL (zachtjes). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij doen schrikken!
MEVR. LYNGE. Ik?
MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.
MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb toch geen enkel woord losgelaten.
MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?
MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten…! Zag u dan niet dat Dina in de kamer was?
MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met …?
MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van mevrouw Bernick…?
MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas gekomen….
MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat…? Hm,… (tegen haar dochter). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.
MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die arme Dina als ze komt. (Beiden gaan de tuin in).
MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft gehad?
MEVR. LYNGE (wijzend naar Hilmar). Heeft mijnheer Tönnesen een leelijke geschiedenis gehad?
MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar broer….
MEVR. HOLT. … den verongelukten Tönnesen….
MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika….
MEVR. HOLT. Hijmoestnaar Amerika … begrijpt u?
MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?
MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets … hoe zal ik het noemen…? Het was iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan Tönnesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten Bernick was pas van Parijs teruggekomen … was nog niet eens geëngageerd….
MEVR. LYNGE. Nou ja … maar die geschiedenis?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u … dien winter was het tooneelgezelschap vanMöller hier in de stad….
MEVR. HOLT. … en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw.Al de jongelui hier waren dol op haar….
MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat zediemooi vonden…. Maar op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis….
MEVR. HOLT. … heel onverwacht….
MEVR. RUMMEL. … en vindt daar … neen dat kan ik u heusch niet vertellen!
MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van binnen gesloten.
MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten.En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.
MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!
MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.
MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?
MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen….
MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel; dat zijn misschien maar praatjes geweest.
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu óók! Was het dan niet bekend in de heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maarikzal er wel zalig over zwijgen….
MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want zij….
MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?
MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan wasschen en naaien voor den kost….
MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.
MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij kreeg het op de borst en stierf.
MEVR. LYNGE. Hè, dat zijn echt leelijke histories!
MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken, mevrouw Lynge.
MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?
MEVR. RUMMEL. Gehad … gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!
MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!
MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg ging, mevrouw Holt!
MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.
MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was net geëngageerd met Betty Tönnesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren….
MEVR HOLT. … staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij suizebolde.
MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!
MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.
MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.
MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?
MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.
MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de jonge elegante man van de wereld … volleerd gentleman … de lieveling van alle dames….
MEVR. RUMMEL. … en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo braaf!
MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan uitvoeren?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.
MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?
MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij daar ginder in café's voor geld gezongen heeft….
MEVR. HOLT. … en lezingen gehouden….
MEVR. RUMMEL. … en een allerdolst boek geschreven heeft….
MEVR. LYNGE. Neen, maar!
MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op uw woorden zou kunnen passen.
MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf!Ik heb heusch medelijden met haar.
MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar eens aan … al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar zijn, mevrouw.
MEVR. RUMMEL. Sst … daar komt ze. (hardop). Ja, die Dina, dat is een echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met werken.
MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje koffie 's middags….