Chapter 3

MEVR. BERNICK (buiten op het terras). Als u lust heeft om buiten te komen dames! (Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op).

MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet…?

DINA. Neen, dank u … liever niet. (Zij gaat zitten met haar naaiwerk. Mevr. Bernick en Rörlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna komt hij ook in de kamer).

RÖRLUND (verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes). Dina!

DINA. Ja….

RÖRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?

DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.

RÖRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even tegen je was?

DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!

RÖRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.

DINA. Ja.

RÖRLUND. Maar waarom ben je zoo?

DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.

RÖRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?

DINA. Neen.

RÖRLUND. Waarom niet?

DINA (ziet hem aan). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.

RÖRLUND. Foei, Dina!

DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.

RÖRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?

DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo voorzichtig aan alsof ik breken zou als…. O, wat haat ik die goedhartigheid!

RÖRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt, maar….

DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo … zoo….

RÖRLUND. Wat zoo?

DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.

RÖRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!

DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komenNetta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kannooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ikwilzoo niet worden.O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.

RÖRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.

DINA. Wat helpt mij dat hier?

RÖRLUND. Dus weggaan … denk je daar in ernst over?

DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.

RÖRLUND. Zeg me eens Dina … waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig om met mij samen te zijn?

DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.

RÖRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?

DINA. Ja. Of eigenlijk … u leert mij wel niets, maar als ik u hoor spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.

RÖRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?

DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.

RÖRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?

DINA. Mooi is iets dat groot is … en ver weg.

RÖRLUND. Hm!… Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.

DINA. Anders niets dan dàt?

RÖRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.

DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan iemand te laten merken.

RÖRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen die ik in acht nemen moet…. Als een man een positie bekleedt, waarin hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij verkeert, dan … kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen verkeerden uitleg aan geven…. Maar dat is tot daaraan toe. Jemoetenzultvoort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat, als ik kom … als de omstandigheden mij toestaan te komen … en ik zeg: hier is mijn hand … dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw worden? Beloof je me dat, Dina?

DINA. Ja.

RÖRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij…. Och Dina, ik hoû toch zoo veel van je…. Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij … ga naar de anderen toe. (zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de hand houdt).

BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.

VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.

RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als een rots in de zee, dat weet je!

BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand wij ook ontmoeten.

RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!

HILMAR (in de tuindeur). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de spoorweg die valt?

BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen….

RUMMEL. Met stoom, mijnheer Tönnesen.

HILMAR (dichterbij). Zóó?

RÖRLUND. Hoe dat?

MEVR. BERNICK (in de tuindeur). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat eigenlijk?

BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (tot de drie heeren). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter. 't Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor te gaan.

SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.

RUMMEL. Het mòèt gaan, Bernick; dat staat vast.

BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de gemeente het hare moet bijdragen.

MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens vertellen….

BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in komen kunnen.

HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?

BERNICK. Ja, natuurlijk.

RÖRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick….

BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van een lijn langs de kust….

VIGELAND. … die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij hebben immers de stoombooten….

SANDSTAD. … en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben….

RUMMEL. … ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou geschaad hebben….

BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn aangenomen.

HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.

BERNICK. Maar die zal ònze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu wordt er een zijlijn aangelegd.

HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.

RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, hè?

RÖRLUND. Hm….

VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.

RÖRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?

BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.

MEVR. BERNICK (met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur).Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.

BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende ziel over gesproken, vóór van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.

RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.

RÖRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming, heeren?

BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar ontwikkelen!

RÖRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven buitenwereld…?

BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Rörlund. Ons klein nijver stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren, als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op zijn manier. U, mijnheer Rörlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst mogelijken kring;… en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u moogt het wel hooren,… onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en dochters,… ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn…. (Kijkt rond). Waar zit Olaf vandaag?

MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te houden.

BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien, hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.

HILMAR. Kom … laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten….

MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het gezin heeft, mijnheer Bernick!

BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring, waarin geen storende elementen hun schaduw werpen….

(Krap komt met brieven en couranten van rechts).

KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;… en een telegram vanNew-York.

BERNICK (neemt het aan). Ah, van de reederij … over de "IndianGirl".

RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.

VIGELAND. Ja, ik ook.

SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.

BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om vijf uur vergadering hebben.

DE DRIE HEEREN. Ja, ja … zeker … dat spreekt. (zij gaan naar rechts af).

BERNICK (die het telegram gelezen heeft). Neen maar, dát is waarachtig echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend….

MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?

BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!

KRAP (leest). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet zeggen….

BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.

RÖRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die veelgeprezen groote maatschappij.

BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld zoodra er winst of verlies in het spel is. (tegen Krap). Kan de "Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?

KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "dePalmboom" zoolang stilstaat.

BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?

KRAP. Neen, mijnheer. (af in de eerste kamer links).

BERNICK (kijkt weer in het telegram). Acht menschenlevens wagen die heeren zoo maar kalm-weg er aan….

HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een dunne plank tusschen jezelf en den afgrond….

BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot zoo iets leenen zou. Niet één … geen enkele…. (krijgt Olaf in het oog). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (Olaf met een hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur binnen).

OLAF (nog in de tuin). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de stoomboot gezien.

BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?

OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere dieren, en een heele boel passagiers!

MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?

RÖRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.

MEVR. RUMMEL. Neen,wijnatuurlijk niet … maar….

DINA. Ik zou ze wel graag zien.

OLAF. Ja, ik ook.

HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest….

OLAF (trekt Martha aan haar japon). Tante Martha, kijk, kijk … daar komen ze!

MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.

MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!

(Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs).

MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.

MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is natuurlijk de vrouw van den directeur.

MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!

MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.

OLAF. Mama, de directeur groet ons.

BERNICK. Wat is dàt?

MEVR. BERNICK. Wàt zeg je, kind?

MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!

BERNICK. Neen, dàt is toch te erg!

MARTHA (onwillekeurig). Ah….

MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?

MARTHA. Och niets, ik dacht maar….

OLAF (schreeuwt van plezier). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die matrozen van de "Indian Girl"…. (men hoort Yankee-Doodle zingen begeleid door een klarinet en trommels).

HILMAR (houdt zijn ooren dicht). Oeh, oeh, oeh!

RÖRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.

MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?

RÖRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (de dames nemen hunne plaatsen aan de tafel weer in; Rörlund sluit de tuindeur en doet de gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer).

OLAF (die uitkijkt). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de fontein haar gezicht te wasschen.

MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!

MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!

HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om…. Au, die vreeselijke klarinet!

RÖRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee bemoeide.

BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik 't zoo zeggen mag…. Wat is dàt? (de vreemde dame komt snel binnen door de deur rechts).

DE DAMES (verschrikt maar zachtjes). De paardrijdster! De vrouw van de directeur!

MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?

MARTHA (opspringend). Ah…!

DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!

MEVR. BERNICK (met een kreet). Lona…!

BERNICK (tuimelt achteruit). Zoo waar ik leef!…

MEVR. HOLT. God zij ons genadig…!

MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk…!

HILMAR. Nou! Oeh!

MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch…?

LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat betreft gerust om den hals vallen.

HILMAR. Oeh! Oeh!

MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als…?

BERNICK. … en je wilt hier optreden?

LONA. Optreden? Hoezoo optreden?

BERNICK. Ja … ik bedoel … met de kunstrijders….

LONA (hardop lachend). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld….

MEVR. RUMMEL. Hm….

LONA. … maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.

BERNICK. Dus toch niet….

MEVR. BERNICK. O, goddank!

LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen … wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.

MEVR. BERNICK.Wij, zeg je?

BERNICK (een stap naderbij). Wie "wij"?

LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.

DE DAMES (verschrikt). Haar kind!

HILMAR. Wat!

RÖRLUND. Nu, ik moet zeggen…!

MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?

LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover ik weet,… of Johan, zooals jullie hem noemden….

MEVR. BERNICK. Johan…!

MEVR. RUMMEL (zachtjes tegen mevr. Lynge). De beruchte broer!

BERNICK (weifelend). Is Johan bij je?

LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits…. Er is toch geen sterfgeval in de familie?

RÖRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreelVerdorvenen"….

LONA (halfluid). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden…?

MEVR. RUMMEL. Neen … daar is nu toch het eind van weg….

LONA. Och zoo, ja! Begrepen … begrepen! Maar wat drommel, dat is mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben. Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van vreugde als dit….

RÖRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.

LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?

RÖRLUND. Ik ben geen dominee.

LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens…. Maar foei, foei,… dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf … precies een lijkwâ. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieën zal ik je maar zeggen.

BERNICK (veegt zijn voorhoofd af). Ja, 't is hier waarlijk een beetje bedompt.

LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te komen. (Trekt de gordijnen open). Het volle daglicht moet hier invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich gewasschen heeft.

HILMAR. Oeh!

LONA (zet deur en ramen open) … ja, dat is te zeggen, wanneer hij zich gewasschen zal hebben in het hôtel. Want op de boot werd hij zoo smerig als een varken.

HILMAR. Oeh! Oeh!

LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet…? (wijst op Hilmar en vraagt aan de anderen). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te doen dan oeh! te zeggen?

HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend ben.

RÖRLUND. Nu dames, ik geloof niet….

LONA (die Olaf in het oog gekregen heeft). Is dat jouw jongen, Betty?… Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude leelijke tante?

RÖRLUND (zijn boek onder den arm nemend). Dames, ik geloof niet, dat er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar morgen zullen wij immers weer samenkomen?

LONA (terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen). Wel ja, laat ons dat doen. Ik zal present zijn.

RÖRLUND.U? Met verlof, juffrouw, wat wiluinonzevereeniging?

LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.

[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren der Maatschappij]

* * * * *

Tuinkamer in Consul Bernick's huis.

Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk. Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het hoofd; handschoenen en stok in de hand.

* * * * *

MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?

BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.

MEVR. BERNICK (zuchtend). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.

BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (zet zijn hoed af). Waar blijven al de dames van daag?

MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.

BERNICK. Zoo? Afgezegd?

MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.

BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?

MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.

BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?

MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.

BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel…. Om het gisteren dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan…!

MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet….

BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor oogen Vigeland opzette.

MEVR. BERNICK (met haar naaiwerk op haar schoot). Karsten, begrijp jij wat ze hier eigenlijk komen doen?

BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet zoo heel goed mee gaat; enzijvertelde gisteren dat zij tweede klasse reizen moeten….

MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar datzijmeegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft aangedaan….

BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.

MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is toch mijn broer;… och, het is niet om hèm, maar al de onaangenaamheden die jij daardoor ondervinden kunt…. Karsten, ik ben zoo doodelijk bang dat….

BERNICK. Waarvoor ben je bang?

MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het geld dat je moeder ontstolen werd?

BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd werd?

MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het zelf gezegd….

BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat waren allemaal maar losse praatjes.

MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!

BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (hij loopt op en neer in de kamer … dan gooit hij zijn stok weg). Dat ze juist nù moesten terugkomen … nu ik juist in de stad en in de couranten een onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of ik hen goed of slecht opgenomen heb … over het een zal net zooveel gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden boel weer oprakelen,… net als jij doet. In een wereldje als het onze … (gooit zijn handschoenen op de tafel). En geen enkel mensch heb ik met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.

MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?

BERNICK. Neen … ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere manier schandaal zullen maken … vooral zij! 't Is me toch een ongeluk zulke menschen in je familie te hebben!

MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat….

BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat is een heel waar woord.

MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.

BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren hierheen gehaald…! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!

MEVR. BERNICK (barst in tranen uit). Wat ben je vreeselijk onaardig!…

BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad ook dáárover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als het onder de menschen kwam dat…. Wacht, daar hoor ik iemand in de gang (er wordt geklopt). Binnen! (Mevrouw gaat de tuintrap af met haar naaiwerk. Aune komt van rechts binnen).

AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.

BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen heb, hè?

AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden was over….

BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken; hij is een lastige man om mee samen te werken.

AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.

BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier nu al vijf weken ligt en….

AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze krachten zouden wijden aan uw eigen schip.

BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat gebeurt niet.

AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer wij er aan lappen, hoe erger het wordt.

BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die ik heb aangeschaft,… of liever, jewilter niet mee werken.

AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben ik gewoon geweest op de oude manier te werken….

BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit iets tot stand.

AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.

BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken, zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt je bang.

AUNE. Ja, ik word nèt bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, vóór de maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?

BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed; daardoor wordt je ontevreden met je stand.

AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt om die machines.

BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel wat schrijvers broodeloos gemaakt.

AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen een schrijver was geweest?

BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl" klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.

AUNE. Maar, meneer….

BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar niet.

AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.

BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom" besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn naam op die manier beklad wordt.

AUNE. O, meneer's naam is zoo best … die kan daar wel tegen … en nog wel tegen veel meer!

BERNICK. Nù niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig. Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.

AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen bepalen.

BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?

AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken….

BERNICK. Goed … best;… dan zullen wij ons van elders voorzien.

AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?

BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.

AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de stad als in de kranten, als u dat deed.

BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan ontsla ik jou.

AUNE (met een schok). Mij! (hij lacht). Dat zeit meneer toch zeker maar voor de grap.

BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.

AUNE. Zou u er waarlijk over denken ommijweg te zenden? Mij, terwijl mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben, en ik zelf ook….

BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?

AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.

BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.

AUNE (een stap nader). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan? U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman, als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur zet.

BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet altijd een goede patroon geweest?

AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis nietude schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken: dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dàt,—dat kan ik niet verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend geweest thuis nommer één te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.

BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.

AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.

BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is … of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben. Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het is een kwestie van òf jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt, òf misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dàt door te zetten, waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.

AUNE. Ja … als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.

BERNICK. Hm;… mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu van elkaar moeten gaan.

AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.

BERNICK. Hoezoo?

AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.

BERNICK. Zeker,… zeker…; en je denkt dus te kunnen beloven…?

AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.

(Hij groet en gaat af naar rechts).

BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik als een goed voorteeken aan….

(Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op).

HILMAR (op de trap). Dag Betty! Dag Bernick!

MEVR. BERNICK. Goeden dag.

HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?

MEVR. BERNICK. Wàt weet ik al?

HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!

BERNICK. Wat beteekent dat?

HILMAR (binnenkomend). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.

MEVR. BERNICK (loopt hem na). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar zijn…?

HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet hoorde.

BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?

HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn gegaan … ongeveer zooals een brand in de prairieën in het verre Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen … oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat alles maakt me zenuwachtig;… als dat nog lang duren moet, dan zal ik genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.

MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en hem onder het oog brengen….

HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen … dat moet je me niet kwalijk nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou, we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja, neem me niet kwalijk, Betty, maar….

BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?

HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer, de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van mijn rijken neef.

BERNICK. Rijken…?

HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Tönnesen's rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen, en uw neef ging immers niet met lege handen weg."

BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier….

MEVR. BERNICK (bezorgd). Nu, zie je toch eens Karsten….

HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!

MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je dáár nu!

HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs niet eens gescalpeerd…. Oeh! daar heb je ze!

BERNICK (kijkt de straat op). Olaf is er ook bij!

HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat….

BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.

MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?

BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik, niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.

MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.

BERNICK. Nu ja … nu ja … 't is goed.

MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om….

BERNICK. 't Is goed; 't is goed … laat dat nu maar rusten!

HILMAR. Oeh!

(Johan Tönnesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den tuin door).

LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!

JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens opgezocht, Karsten.

BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?

LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.

BERNICK. Zoo? Daar?

LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat.Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.

JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van "de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me….

LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.

BERNICK. Nu, men moet toch wàt doen voor de maatschappij waarin men leeft.

LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te laten hooren dat wij familie waren.

HILMAR. Oeh!

LONA. Zeg jij daar oeh! voor?

HILMAR. Neen, ik zeg hm….

LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo heel alleen?

MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.

LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt; zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee….

HILMAR. Hulpprediker….

LONA.Iknoem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel vanmijnwerk in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?

HILMAR. Hm…!

JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.

LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken hoe wij tweeën daarginder begonnen met onze vier leege klavieren….

HILMAR. Handen.

LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.

HILMAR. Oeh!

LONA. En leeg waren ze ook.

HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen…!

LONA. Wat moet je zeggen?

BERNICK. Hm!

HILMAR. Ik moet zeggen … oeh! (gaat de tuintrap af).

LONA. Wat mankeert die vent?

BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.

LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten hier in den tuin bij jullie ben geweest.

MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.

(Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en toe ziet gedurende het volgende).

OLAF (in den tuindeur). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg?Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.

HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt….

OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot ben….

HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er gelegen is in…. (zij gaan den tuin in).

JOHAN (tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt). U heeft het knapjes warm gekregen van de wandeling.

DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb ik nog nooit gemaakt.

JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?

DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.

JOHAN. Zoo…. U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of blijft u liever hier?

DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.

JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom afhalen om te wandelen.

DINA. Neen, mijnheer Tönnesen, dat moet u niet doen.

JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.

DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk … neen, u moet niet met mij uitgaan.

JOHAN. Maar waarom dan toch niet?

DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen….

JOHAN. Wel?

DINA. Och neen … ik spreek er liever niet over.

JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.

DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes; er is iets … er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet doen.

JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?

DINA. Neen, ik niet, maar … ik kan er niets meer van zeggen. U komt het wel te weten door de anderen.

JOHAN. Hm.

DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.

JOHAN. En wat is dat dan?

DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te krijgen?

JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.

DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien….

DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft mij van alles geleerd.

JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!

DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd. Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg … erg braaf zijn?

JOHAN. Braaf?

DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als hier?

JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken.Daar hoeft u niet bang voor te zijn.

DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo fatsoenlijk en braaf waren.

JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?

DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.

JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.

DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.

JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.

DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden….

BERNICK (beneden aan de tuintrap bij de beide dames). Blijf maar, blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen vatten. (Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een châle).

MEVR. BERNICK (in den tuin). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan naar de grot.

BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de châle mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij, Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden daarginder.

MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te vinden zijn. (Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links af).

BERNICK (kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij schudt en drukt). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens danken.

JOHAN. Ach wat!

BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in de maatschappij … heb ik aan jou te danken.

JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.

BERNICK (schudt hem opnieuw de hand). Toch dank, dank, en nogmaals dank! Niet één uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor mij deedt.

JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van ons beiden moest de schuld toch op zich nemen….

BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?

JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en daarbij was je net stil geëngageerd met Betty, die zoo veel van je hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen…?

BERNICK. Zeker … zeker … alles waar, maar….

JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar boven was dien avond….

BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam…! Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch … dat je zoo grootmoedig den schijn tegen je zelf keerde en weg ging….

JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er immers over eens dat het zoo zijn zou; jemoestgered worden, en je was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend, hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;… nou ja, dat was omdat jij Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde wereld kon intrekken.

BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.

JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn farm zit….

BERNICK. Dus je gaat weer terug?

JOHAN. Ja, stellig.

BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?

JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier te doen.

BERNICK. Zoo? Om Lona?

JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het nooit bekennen. (Glimlachend). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had afgegeven met….

BERNICK. En…?

JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.

BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?

JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij liederen gaan zingen in café's, voordrachten gaan houden, waar de menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij naderhand om gelachen en geschreid heeft,… allemaal om mij in leven te houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen, dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo … zoo kwam zij het te weten.

BERNICK. En hoe nam zij het op?

JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.

BERNICK. Ja … ja … daar vertrouw ik ook op.

JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek, zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje speelde op het tooneel…! Maar zeg toch eens,… hoe is het toen verder met haar ouders afgeloopen?

BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?

JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers van haar weg?

BERNICK. En is later in de jenever gestikt.

JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor haar gedaan wat je in stilte doen kon?

BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde niets aannemen.

JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.

BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft doorgedreven.

JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha … dat is waar ook … waar zit die toch van daag?

BERNICK. O,die,… als die niet aan 't les geven is op school, dan is ze bij haar zieken.

JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.

BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.

JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij daarvoor niet sterk genoeg is.

BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is onaangenaam voormij; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om haar te onderhouden.

JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om….

BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan. Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er natuurlijk ook voor Martha niets.

JOHAN. Die arme Martha!

BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt? O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen … wat zal die met meer uitvoeren?

JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.

BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar gewild had.

JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?

BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg; een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.

JOHAN. Onbeduidend?

BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor alles gebruiken kunt.

JOHAN. Jawel, maar zij…?

BERNICK. Zij? Hoe dat?… Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij. Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doeikalthans (wijst naar Krap, die van rechts komt). Daar heb je net het bewijs voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in beslag nemen? Volstrekt niet. (Snel tegen Krap). Wel?

KRAP (zacht, laat een pak papieren zien). Alle koopcontracten in orde.

BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!… Ja, beste jongen, nu moet je mij heusch voor een poosje excuseeren. (Gedempt en met een handdruk). Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je van dienst kan zijn,… nu, je begrijpt mij wel…. Kom, mijnheer Krap. (Zij gaan Bernick's kamer binnen).

JOHAN (kijkt hen een poos na). Hm…. (hij wil den tuin ingaan. Op hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van rechts).

JOHAN. Kijk eens aan, Martha!

MARTHA. O … Johan … ben jij het?

JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?

MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk komen. (Wil naar links weggaan).

JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?

MARTHA. Ik?

JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon praten, en van daag….

MARTHA. Ja, maar….

JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude speelkameraden.

MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.

JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?

MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel….

JOHAN. Nou wat?

MARTHA. Och … niets.

JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.

MARTHA. Je heb zoo lang gewacht …telang.


Back to IndexNext