Chapter 4

JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?

MARTHA. Ja.

JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?

MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.

JOHAN. Ik?

MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?

JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan nooit…?

MARTHA. Wat?

JOHAN. Heeft hij nooit…; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?

MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.

JOHAN. Hum…, ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn ouden vriend Karsten wel…. Maar dat is toch…! Wel!… Ik sprak zoo even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.

MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend mensch geweest.

JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe. Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.

MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (wijst naar den tuin). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd zijn….

JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?

MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;… daarover praat ik niet meer. Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven. Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel je dit omdat je je ook niet dàt nog te verwijten zoudt hebben. Voor het arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar opgevoed zoo goed als ik kon….

JOHAN. En je heele leven daaraan verspild….

MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.

JOHAN. Martha … als ik je alles zeggen kon…. Wel, laat ik je in elk geval danken voor je trouwe vriendschap.

MARTHA (met een droevig lachje). Hm…. Zoo, nu heb ik ten minste gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu niet…. (zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick).

MEVR. BERNICK (nog in den tuin). Maar om 's hemels wil, Lona, wat verzin je toch!

LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.

MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven!O Johan, ben jij daar nog?

LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.

JOHAN. Dat was ik juist van plan.

MEVR. BERNICK. Maar….

LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?

JOHAN. Ik geloof van ja.

LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dàt zou iets voor jou zijn!

MEVR. BERNICK. Maar Lona!

JOHAN. Iets voor mij?

LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!

JOHAN. Maar al te graag! (hij gaat den tuin in).

MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk ernst zijn.

LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!

MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!…

LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.

MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel de treurige bewijzen wel gehad hebben….

LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik moet hem spreken.

MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!

LONA. Ik doe het wèl. Heeft de jongen zin in haar … en zij in hem … dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man; die moet dan maar een uitweg vinden….

MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden hier geduld zullen worden….

LONA. Leuterpraat, Betty.

MEVR. BERNICK. … dat een man als Karsten, met zijn streng moreele begrippen….

LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.

MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?

LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan andere mannen.

MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat…? Ik begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke beleediging die je hem hebt aangedaan.

LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.

MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij, die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel aan mij. (Begint te schreien). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen … om de heele stad te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is afschuwelijk van je! (Ze gaat schreiend weg door de verste deur links).

LONA (haar nakijkend). Arme Betty! (Bernick komt uit zijn kamer).

BERNICK (nog in de deur). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (keert zich om). Lona! (dichterbij). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?

LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?

BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er naar verlangd heb eens openhartig met je te praten … om je vergeving af te smeeken.

LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat ons niet.

BERNICK. Jemoetmij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb ééns heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.

LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?

BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen vóór ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval verontschuldigen.

LONA. Nu ben je bang…. Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het ook wel waar … in zekeren zin … zoolang je nog daarginder in een ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.

BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken…?

LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden….

BERNICK. Maar je wàs toen ook erg excentriek.

LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge verleidelijke actrice ontmoette….

BERNICK. Het was een kwajongensstreek … anders niets; ik zweer dat er geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop waren.

LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door allen vergood … en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante erven zou, en ik niets zou krijgen….

BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het geld. Ik was er toe gedwongen; ikmoestdat geld hebben.

LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?

BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona….

LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat er tusschen ons geweest was….

BERNICK. Ikmoesthet wel doen, zeg ik je immers.

LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij toen zoo vergaloppeerde.

BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim gehouden moest worden, een zoo goed als geruïneerd huis. Ja, het was zoo goed als geruïneerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de éénige zoon, anders te doen dan òm te zien naar een reddingsmiddel?

LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.

BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.

LONA. Maar ik dan?

BERNICK. Geloof mij … Lona … je zoudt met mij nooit gelukkig geworden zijn.

LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?

BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoïsme handelde zoo als ik het deed? Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de zaak die hij erft. Weet je wel dat het wèl en wee van honderden, ja duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij, die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?

LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien jaar lang die leugen volgehouden hebt?

BERNICK. Die leugen?

LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met haar, en daaraan vooraf ging?

BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die dingen te vertellen?

LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij moet weten wat nuttig is of niet…. Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens … ben je nu ook heusch gelukkig?

BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?

LONA. Ja.

BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen…!

LONA. Hm.

BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde; zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan moest overgaan in een kalme vriendschap.

LONA. Maar berust zij nu daarin?

BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij, haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is. De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.

LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?

BERNICK. Van de leugen?

LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt.

BERNICK. En dat noem je…?

LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij; toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.

BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.

LONA. Omdat zij niets wist.

BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen … uit consideratie voor haar.

LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb een breeden rug.

BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd.

LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt uit dien toestand van leugen te komen?

BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de maatschappij opgeven!

LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden?

BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb.

LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, één woord gesproken worden … en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je niet bij tijds bergt.

BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen?

LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen,Karsten.

BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal je niet gelukken! Er is maar één mensch die met autoriteit zou kunnen optreden, en hij zal zwijgen.

LONA. Johan?

BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen neervellen, zwijgt … en hij gaat weer ver weg.

(Rummel en Vigeland komen van rechts).

RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de spoorweg-kwestie, zooals je weet.

BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik.

VIGELAND. Umoetwaarlijk, mijnheer Bernick….

RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer, de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er particuliere belangen steken achter het nieuwe plan.

BERNICK. Nu, leg hun dan uit….

VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul….

RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand zoo iets te veronderstellen.

LONA. Neen, dat zou ik ook denken.

BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwèl;…

(Rörlund komt van rechts).

RÖRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld….

BERNICK. Ja … wat scheelt u?

RÖRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een persoon, die….

LONA. Van welk persoon, dominee?

RÖRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het eerst van zich af houden moest.

LONA. Hoho!

RÖRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick?

BERNICK (die hoed en handschoenen zoekt). Ik weet nergens van. Pardon, ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij.

HILMAR (komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links). Betty,Betty, hoor eens!

MEVR. BERNICK (in de deur). Wat is er?

HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal door van streek, alleen maar van het aan te hooren.

LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd?

HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika zal gaan. Oeh!

RÖRLUND. Hoe is het mogelijk!

MEVR. BERNICK. Wàt zeg je?

LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn!

BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan.

HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er alsjeblieft buiten.

BERNICK (tegen Rummel en Vigeland). Ik kom dadelijk … een oogenblik maar…. (Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen uit den tuin).

JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!

MEVR. BERNICK. Maar, Johan,… wat een onbezonnenheid…!

RÖRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke verleidingskunsten heeft u…?

JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!

RÖRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging die beslissing genomen?

DINA. Ik moet hier van daan.

RÖRLUND. Maar met hem … met hém!

DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te nemen.

RÖRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is!

JOHAN. Zeg niets.

BERNICK. Geen woord meer.

RÖRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij….

JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen!

RÖRLUND. Zijmoethet weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan al de ellende en de schande van je moeder.

BERNICK. Mijnheer Rörlund…!

DINA. Hij! (tegen Johan). Is dat waar?

JOHAN. Karsten, geef jij antwoord.

BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden.

DINA. 't Is dus waar.

RÖRLUND. 't Is waar … 't is wáár. En meer nog dan dat. Die kerel, aan wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van huis weg;… de kas van weduwe Bernick … de consul kan het getuigen!

LONA. Leugenaar!

BERNICK. Ah…!

MEVR. BERNICK. O God! O God!

JOHAN (loopt op hem toe met opgeheven arm). En dat waag jij!…

LONA (afwerend). Sla hem niet, Johan!

RÖRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan het licht komen; en ditisde waarheid; mijnheer Bernick heeft het zelf gezegd en de heele stad weet het…. Ziezoo, Dina, nu ken je hem. (Kort zwijgen).

JOHAN (zachtjes, hem bij den arm pakkend). Karsten, Karsten, wat heb je gedaan!

MEVR. BERNICK (gesmoord en schreiend). O Karsten, dat ik je in al die schande brengen moest!

SANDSTAD (komt snel van rechts en roept met de kruk van de deur in de hand). Numoetu eindelijk komen, mijnheer de consul! De heele spoorweg hangt nog maar aan een draadje!

BERNICK (wezenloos). Wat is er? Wat moet ik…?

LONA (ernstig en met nadruk). Je moet de maatschappij gaan steunen,Bernick.

SANDSTAD. Ja, mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele moreele overwicht noodig.

JOHAN (vlak bij hem). Bernick, morgen moeten wij samen spreken.

(Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met Sandstad rechts af).

* * * * *

Tuinkamer in Bernick's huis.

* * * * *

(Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig vertoornd uit de achterste kamer links en laat de deur half open staan).

BERNICK. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden; dit pak zal hem heugen, denk ik. (Tegen iemand binnen in de kamer). Wat zeg je?… En ik zeg dat jij een onverstandige moeder bent! Je spreekt hem voor en steunt hem in al zijn kwajongensstreken…. Geen kwajongensstreken? Wat noem jij 't dan? Om 's nachts het huis uit te sluipen en met een visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op klaarlichten dag,… en mij zoo'n doodelijken angst op het lijf jagen, terwijl ik toch al zoo veel aan mijn hoofd heb. En dan waagt die deugniet het nog mij te dreigen dat hij wegloopen zal! Laat hij 't maar eens probeeren!… Jij? Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om wat hij uithaalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik…! Zoo? Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wèl schelen of ik een kind nalaat of niet…. Niet tegenspreken, Betty; het blijft zooals ik gezegd heb; hij heeft huisarrest…. (luistert). Sst; laat niemand iets merken.

(Krap komt van rechts).

KRAP. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer?

BERNICK (gooit het rietje weg). Jawel, jawel. Komt u van de werf?

KRAP. Zoo net. Hm….

BERNICK. Wel? Er is toch niets met "de Palmboom"?

KRAP. "De Palmboom" kan morgen in zee, maar….

BERNICK. Met de "Indian Girl" dus? Dacht ik het niet dat die stijfkop….

KRAP. De "Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen; maar … die zal 't niet ver brengen.

BERNICK. Wat bedoelt u?

KRAP. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat áán en ik geloof dat er iemand binnen is….

BERNICK (sluit de deur). Ziezoo. Maar wat is het dan dat niemand hooren mag?

KRAP. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de "Indian Girl" met man en muis naar den kelder te laten gaan.

BERNICK. Maar de hemel zij ons genadig, hoe kan u denken…?

KRAP. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer.

BERNICK. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden….

KRAP. Dat zal ik. U weet zelf hoe lamzalig het toeging op de werf sedert wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe, ongeoefende werklui.

BERNICK. Ja, ja.

KRAP. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam, merkte ik dat de reparatie van den Amerikaan opvallend gevorderd was; het groote lek in den bodem, u weet wel, die verrotte plek….

BERNICK. Ja, ja, wat daarvan?

KRAP. Volkomen gerepareerd,… oogenschijnlijk althans; gepantserd; zag er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den heelen nacht daar onderin met licht gewerkt had.

BERNICK. Ja, ja, en dan…?

KRAP. k' Liep er over na te denken; het volk was juist aan 't schaften, en zoo vond ik de gelegenheid om ongemerkt eens alles op te nemen van binnen en van buiten; 't was moeilijk genoeg om in het ruim van die zwaar geladen schuit te komen; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid, mijnheer Bernick.

BERNICK. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik kan en wil zoo iets niet gelooven van Aune.

KRAP. 't Spijt me … maar 't is de zuivere waarheid. Er wordt geknoeid, zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover ik kon nagaan, alleen maar gestopt en gekalefaterd en gedekt met platen en geteerd zeildoek en zoo al meer. Eenvoudig prutserij! "Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt als een gebarsten pot.

BERNICK. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij daarmee voorhebben, denkt u?

KRAP. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet brengen; wil zich wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep weer in genade zal worden aangenomen.

BERNICK. En zoo zet hij misschien al die menschenlevens op het spel.

KRAP. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord van de "IndianGirl", enkel beesten.

BERNICK. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen eerbied voor het groote kapitaal dat er mee verloren gaat?

KRAP. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijnheer Bernick.

BERNICK. Zeer juist; hij is een drijver en een onruststoker; maar zoo iets gewetenloos als dit…. Hoor eens, mijnheer Krap, die zaak moet nog eens onderzocht worden. Geen woord er over tegen wien ook. De eer van onze werf zou er onder lijden als zoo iets bekend werd.

KRAP. Natuurlijk, maar….

BERNICK. In het middagschaftuur moet u nog eens in het schip zien te komen; ik moet volle zekerheid hebben.

KRAP. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij, wat wil u dan doen?

BERNICK. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen ons toch niet medeplichtig maken aan iets dat gewoon een misdaad is. Mijn geweten moet zuiver zijn. Het zal buitendien een goeden indruk maken zoowel bij de pers als in het algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat.

KRAP. Zeer waar, mijnheer.

BERNICK. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En tot zoolang zwijgen….

KRAP. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben. (Hij gaat weg door den tuin en de straat af).

BERNICK (halfluid). Ontzettend! Maar neen, dat is toch onmogelijk,… ondenkbaar! (Terwijl hij zijn kamer binnen wil gaan komt Hilmar van rechts).

HILMAR. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwinning in deHandelsmaatschappij gisteren.

BERNICK. O, dank je.

HILMAR. Het was een schitterende overwinning, hoor ik, de overwinning van de verstandige liefde voor je eigen stad over egoïsme en vooroordeel,… iets als een razzia van de Franschen tegen de Kabylen. Merkwaardig dat je na die onaangename scène hier in huis….

BERNICK. Nu ja … zwijg daar nu maar liever over.

HILMAR. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd.

BERNICK. In de spoorweg-kwestie bedoel je?

HILMAR. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in zijn schild voert?

BERNICK. Neen, wat dan?

HILMAR. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje dat hier rondgaat, en daar wil hij een courantenartikel van maken.

BERNICK. Welk praatje?

HILMAR. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van terreinen langs de zijlijn.

BERNICK. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over?

HILMAR. Ja, 't is al door de heele stad. Ik hoorde het op de societeit, waar ik even binnen liep. Een notaris van hier moet in alle stilte in commissie alle bosschen, ertslagen en watervallen opgekocht hebben….

BERNICK. Is 't ook bekend voor wie?

HILMAR. Op de societiet dachten ze dat 't voor een consortium was, lui van buiten de stad, die van je plannen de lucht gekregen hadden en zich nu vóór de prijzen stegen…. Hoe gemeen toch … oeh!

BERNICK. Gemeen?

HILMAR. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen in onze streken, en dat zelfs een notaris hier uit de stad zich daartoe leenen wil! Nou gaan die vreemde lui met de winst strijken.

BERNICK. Maar het is toch maar een los praatje.

HILMAR. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of overmorgen spijkert Hammer het vast als een feit. Op de societeit waren ze er allemaal al nijdig over. Ik hoorde verscheidene lui zeggen dat als het praatje waarheid bleek te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de lijsten.

BERNICK. Onmogelijk!

HILMAR. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo bereid om met je mee te gaan in je plannen, denk je? Geloof je niet dat ze zelf hun neus er al op gespitst hadden….

BERNICK. Onmogelijk, zeg ik je. Zóóveel gemeenschapszin bestaat hier toch nog wel in onze kleine maatschappij….

HILMAR. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist, en oordeelt anderen naar je zelf. Maar ik, die een vrij geoefend opmerker ben…. Hier is er geen één,—met uitzondering van ons beiden natuurlijk,—geen één zeg ik je, die de vaan der idee hoog houdt. (Gaat naar den achtergrond). Oeh! daar zie ik ze alweer aankomen!

BERNICK. Wie?

HILMAR. De twee Amerikanen (kijkt naar rechts). En met wie loopen ze?Ja, lieve God, is dat niet de kapitein van de "Indian Girl"? Oeh!

BERNICK. Wat hebben ze met hèm te maken?

HILMAR. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die man moet slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie weet wat die twee al die jaren hebben uitgevoerd.

BERNICK. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat om zoo slecht over hen te denken.

HILMAR. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu hebben wij ze weer op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom maar bij tijds…. (gaat naar de deur links).

(Lona komt van rechts op).

LONA. Hoe is 't, Hilmar, jaag ik je de kamer uit.

HILMAR. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast; ik moet Betty even spreken. (Gaat de verste kamer links binnen).

BERNICK (na een kort zwijgen). Wel, Lona?

LONA. Ja?

BERNICK. Hoe sta ik van daag voor je?

LONA. Net als gisteren. Een leugen meer of minder….

BERNICK. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan?

LONA. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken.

BERNICK. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen, dat mijn heele bestaan verwoest is als de waarheid aan het licht komt.

LONA. Dat begrijp ik.

BERNICK. 't Spreekt natuurlijk van zelf, datikmij niet schuldig gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebabbeld wordt.

LONA. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief?

BERNICK. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld gestolen; geen cent is er vermist.

LONA. Wàt zeg je?

BERNICK. Geen cent, zeg ik je.

LONA. Maar dat praatje dan? Hoe kwam dan dat schandelijke praatje in de wereld dat Johan…?

BERNICK. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen wat ik aan niemand anders zeg. Ik wil voor jou niets verzwijgen.Ikben voor een deel schuld er aan dat dat praatje werd uitgestrooid.

LONA. Jij? En dat kon je hèm aandoen, die voor jou…!

BERNICK. Je moet mij niet veroordeelen zonder te bedenken hoe de zaken toen stonden. Ik vertelde je dat immers gisteren. Ik kwam thuis en vond mijn moeder gewikkeld in een heele serie van onverstandige ondernemingen; allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons opeens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik was half onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof heusch dat 't voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik mij inliet met die relatie, die Johan er toe bracht weg te gaan.

LONA. Hm….

BERNICK. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei praatjes werden uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er werd gezegd dat dit niet zijn eerste lichtzinnige streek was. Dorf zou een groote som geld van hem gekregen hebben om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het. Anderen hielden vol datzijhet gekregen had. In dienzelfden tijd bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn verplichtingen na te komen. Wat was natuurlijker dan dat de kwaadsprekers deze twee dingen met elkaar in verband brachten? Toen nu de vrouw hier bleef en maar armelijk leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter en grooter.

LONA. En jij, Karsten?

BERNICK. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank.

LONA. En strooide het verder uit?

BERNICK. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers begonnen ons lastig te vallen; 't kwam er op aan hen te kalmeeren. In geen geval mocht de soliditeit van het huis verdacht worden. Wij verkeerden in een oogenblikkelijke verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel aandringen … ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen.

LONA. En kreeg ieder het zijne ook?

BERNICK. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte mij tot den man die ik nu ben.

LONA. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man die je nu bent?

BERNICK. Wien deed dat toen kwaad? Johan's plan was om nooit weer terug te komen.

LONA. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je zelf en zeg me of het jou geen kwaad gedaan heeft.

BERNICK. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder zal je op zijn minst één donkeren plek vinden die hij verbergen moet.

LONA. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij!

BERNICK. De maatschappij heeft toch geen betere.

LONA. En wat doet het er toe of zoo'n maatschappij gesteund wordt of niet? Wàt is het, waar hier aan gehecht wordt? Schijn en leugen … en anders niets. Hier leef jij nu, de eerste man van de stad, in heerlijkheid en vreugde, in macht en aanzien, jij die een onschuldige als misdadiger gebrandmerkt hebt.

BERNICK. Denk je soms dat ik 't niet diep voel dat ik hem onrecht aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet bereid ben dat onrecht weer goed te maken?

LONA. Waarmee? Met de waarheid te zeggen?

BERNICK. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen?

LONA. Waarmee anders kan je zoo'n onrecht weer goed maken?

BERNICK. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen wat hij wil….

LONA. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens hooren wat hij je antwoordt.

BERNICK. Weet jij wat zijn plannen zijn?

LONA. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is of dat alles hem opeens tot een volwassen man gemaakt heeft.

BERNICK. Ik moet hem spreken.

LONA. Daar heb je hem. (Johan komt van rechts).

BERNICK (naar hem toegaand). Johan…!

JOHAN (afwerend). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je mijn woord dat ik zwijgen zou.

BERNICK. Dat deed je.

JOHAN. Maar toen wist ik nog niet….

BERNICK. Johan, laat mij met een paar woorden maar zeggen, hoe de zaak in elkaar zit….

JOHAN. Dat 's niet noodig; ik begrijp het heel best. Het huis Bernick had toen een moeilijken tijd; en omdat ik weg was en jij met den naam van een weerlooze doen kon wat je wou…. Wel, ik wil je daarover niet zoo heel hard vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen. Maarnuheb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken.

BERNICK. En juist nù heb ik mijn heele prestige noodig en daarom kàn ik nu niet spreken.

JOHAN. Van die verzinsels die je over mij hebt uitgestrooid trek ik mij niet veel aan. Maar dat andere … dáárin moet je schuld bekennen. Dina moet mijn vrouw worden en hier, hier in de stad, wil ik met haar leven en huishouden.

LONA. Wil je dat heusch?

BERNICK. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad?

JOHAN. Ja … hier; juist hier wil ik blijven om al die leugenaars en kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot mijn vrouw te kunnen maken, is het noodzakelijk dat jij mij rehabiliteert.

BERNICK. Heb je bedacht dat als ik het ééne beken ik daarmee ook het andere op mij nemen moet? Je zult zeggen dat ik uit onze boeken kan bewijzen dat er geen onregelmatigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan ik niet; onze boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig bijgehouden. En zelfs al kon ik dat … wat zou daarmee gewonnen zijn? Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man die zich eens door een onwaarheid gered had en die vijftien jaar lang die onwaarheid en alles wat er mee samenhing had laten voortwoekeren en wortel schieten, zonder ook maar een enkelen stap gedaan te hebben om dat te stuiten? Je kent ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat mijn volslagen ondergang ten gevolge zou hebben.

JOHAN. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter van madam Dorf trouwen wil en met haar wonen hier in de stad.

BERNICK (veegt zijn voorhoofd af). Hoor eens, Johan … en jij ook Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden waarin ik dezer dagen juist verkeer. De zaken staan zoo, dat je mij vernietigt als je dat tegen mij gaat beginnen. En niet mij alléén, maar ook een mooie en zegenrijke toekomst voor de heele stad, die toch ook je beider geboorteplaats is.

JOHAN. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen geluk en mijn heele toekomst.

LONA. Ga voort, Karsten.

BERNICK. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met de spoorweg-kwestie, en dat is niet zoo'n onverschillige zaak als jullie wel denkt. Je hebt zeker wel gehoord dat er het vorige jaar kwestie was van een lijn langs de kust? Daar waren veel stemmen vóór, die meetelden hier in de stad en ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen. Maar ik wist dat plan te verhinderen, omdat het onze kustvaart schade gedaan zou hebben.

LONA. Ben je zelf geïnteresseerd in die kustvaart?

BERNICK. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht maken; mijn algemeen geachte naam was als een scherm en schild boven mijn hoofd. Ik had overigens de schade wel kunnen dragen, maar de plaats zelf had die niet kunnen lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim gaan opnemen of er een zijlijn aan te leggen was.

LONA. Waarom in het geheim, Karsten?

BERNICK. Heb je hooren spreken over den grooten aankoop van boschgronden, groeven en watervallen…?

JOHAN. Ja, dat gaat immers uit van een consortium buiten de stad?…

BERNICK. Zóó, als die gronden daar nù liggen, zijn ze zoo goed als waardeloos voor de overal verspreid wonende eigenaars. Daardoor zijn ze betrekkelijk goedkoop verkocht. Was er gewacht, totdat die zijlijn een uitgemaakte zaak was, dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen gevraagd hebben.

LONA. Jawel, jawel. Maar verder?

BERNICK. Nu komt dat, wat op verschillende manier uitgelegd kan worden … dat, wat een man in onze kringen alleen kan doen en bekennen, wanneer hij steunen kan op een vlekkenloozen en geachten naam.

LONA. Wel?

BERNICK. Ik ben 't die dat alles heb opgekocht.

LONA. Jij?

JOHAN. Voor eigen rekening?

BERNICK. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot stand, dan ben ik millionnair; komt die niet tot stand, dan ben ik geruïneerd.

LONA. Dat is een waagstuk, Karsten.

BERNICK. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd.

LONA. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als het aan het licht komt, dat….

BERNICK. Ja, dáár zit de knoop. Met een vlekkenloozen naam, zooals de mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen, er mee voor den dag komen en tegen mijn medeburgers zeggen: "Kijk, dat heb ik gewaagd in het belang van de maatschappij!"

LONA. Van de maatschappij?

BERNICK. Ja; en geen één zal er twijfelen aan mijn bedoelingen.

LONA. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld hebben dan jij, zonder bijgedachten of nevenbedoelingen.

BERNICK. Wie dan?

LONA. Wel, zoowel Rummel als Sandstad en Vigeland.

BERNICK. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik genoodzaakt geweest hen in te wijden in de zaak.

LONA. En…?

BERNICK. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich bedongen.

LONA. O, die steunpilaren van de maatschappij!

BERNICK. En is het dan de maatschappij zelf niet die ons dwingt langs kronkelpaden te gaan? Wat zou er gebeurd zijn als ik niet in het geheim gehandeld had? Allemaal zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den heelen boel verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo'n groote zaak als dit worden zal, zou weten te leiden. Hier in 't land hebben over 't algemeen alleen de van buiten-af gekomen families aanleg voor groote ondernemingen. Daarom spreekt mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt. Alleen inmijnhanden kunnen deze bezittingen een ware en blijvende zegen worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen.

LONA. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten.

JOHAN. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk staat op het spel.

BERNICK. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook op het spel. Komen er nu dingen voor den dag, die een schaduw werpen op mijn vroeger leven, dan zullen al mijn tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen. Een jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitgewischt. Zij zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu, gaan napluizen, allerlei kleine voorvallen oprakelen, en ze in het licht van wat er nu bekend geworden is gaan beschouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het gewicht van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en alsikmijn hand daarvan aftrek, dan valt die, en ik ben met één slag geruïneerd en maatschappelijk dood.

LONA. Johan, na wat je gehoord hebt, moet je heengaan en zwijgen.

BERNICK. Ja, o ja, Johan, dat moet je!

JOHAN. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom terug en dan zal ik spreken.

BERNICK. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik ben bereid alles met je te deelen….

JOHAN. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden naam terug.

BERNICK. Door den mijnen op te offeren!

JOHAN. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien klaar te spelen.Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom ga ik morgen al weg met de"Indian Girl".

BERNICK. Met de "Indian Girl"?

JOHAN. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen. Ik ga terug, verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over twee maanden ben ik weer hier.

BERNICK. En zal je dan spreken?

JOHAN. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op zich nemen.

BERNICK. Vergeet je dat ik dan ook dát op mij nemen moet, waaraan ik mij niet schuldig heb gemaakt?

JOHAN. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde van dat schandelijke praatje?

BERNICK. Je drijft mij tot wanhoop! Maar als je spreekt, ontken ik alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is, een wraakneming; dat je bent overgekomen om mij geld af te persen!

LONA. Schaam je, Karsten!

BERNICK. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor mijn leven.Ik ontken alles, alles!

JOHAN. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik ze tusschen mijn andere papieren. Van ochtend las ik ze nog eens door; die spreken duidelijk genoeg.

BERNICK. En die brieven wil je overleggen?

JOHAN. Als het noodig mocht worden … ja.

BERNICK. En over twee maanden ben je weer hier terug?

JOHAN. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken ben ik in New-York … als de "Indian Girl" niet vergaat.

BERNICK (schrikt). Vergaat? Waarom zou de "Indian Girl" vergaan?

JOHAN. Ja, dat zeg ik ook.

BERNICK (bijna onhoorbaar). Vergaan?

JOHAN. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat; je moet in dien tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel! Betty mag je van mij groeten, hoewel zij zich weinig zusterlijk jegens mij gedragen heeft. Maar Martha wil ik toch nog even zien. Zij moet aan Dina zeggen … zij moet mij beloven…. (hij gaat weg door de verste deur links).

BERNICK (in zich zelf). "Indian Girl"…? (snel). Lona, jemoetdat verhinderen!

LONA. Je ziet het zelf, Karsten … ik heb geen macht meer over hem (zij volgt Johan in de kamer links).

BERNICK (onrustig). Vergaan…?

(Aune komt op van rechts).

AUNE. Excuseer, is meneer de consul bezig?

BERNICK (keert zich driftig om). Wat wil je?

AUNE. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen?

BERNICK. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen?

AUNE. Ik wou vragen of het vast staat … onomstootelijk vast … of ik afgedankt word als de "Indian Girl" morgen niet zou kunnen uitzeilen?

BERNICK. Wat is dàt? Het schipisimmers zeilklaar?

AUNE. Ja … dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo was … werd ik dan ontslagen?

BERNICK. Wat moet dat met zulke doellooze vragen?

AUNE. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick. Zeg u alleen maar of ik ontslagen worden zou?

BERNICK. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet?

AUNE. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn huis en onder hen die mij het naast zijn … mijn invloed verliezen onder den werkmansstand … alle gelegenheid verliezen om nuttig werkzaam te zijn onder de geringen en laaggeplaatsten in de maatschappij.

BERNICK. Aune, die zaak is afgedaan.

AUNE. Nou, dan moet de "Indian Girl" maar uitgaan.

(Korte stilte).

BERNICK. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben; kan niet voor alles aansprankelijk zijn;… je kunt mij toch wel de verzekering geven dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn?

AUNE. U heeft mij een erg korten termijn gesteld, meneer.

BERNICK. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je?

AUNE. Nou … we hebben goed weer en het is zomer.

(Weer zwijgen).

BERNICK. Heb je me anders niets te zeggen?

AUNE. Anders weet ik niet, meneer de consul.

BERNICK. Dus de "Indian Girl" zeilt uit?…

AUNE. Morgen?

BERNICK. Ja.

AUNE. Goed. (Hij groet en gaat heen).

(Bernik staat een oogenblik besluiteloos; gaat dan snel naar de entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen; maar blijft onrustig staan met de hand op den deurknop. Op hetzelfde oogenblik wordt de deur van buiten geopend en treedt Krap binnen).

KRAP (gedempt). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend?

BERNICK. Hm…; heeft u iets ontdekt?

KRAP. Waarvoor zou dat nog noodig zijn? Zag u niet aan zijn oogen dat zijn geweten niet zuiver is?

BERNICK. Och wat;… zoo iets kan men niet zien. Heeft u iets ontdekt, vraag ik?

KRAP. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al bezig het schip uit het dok te halen. Maar juist die haast bewijst duidelijk dat….

BERNICK. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd?

KRAP. Natuurlijk; maar….

BERNICK. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen klachten over iets uitgebracht?

KRAP. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe dat keuren in zijn werk gaat, vooral op een werf, die zoo'n goeden naam heeft als het onze.

BERNICK. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de verantwoordelijkheid af.

KRAP. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen merken aan Aune, dat…?

BERNICK. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u.

KRAP. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat….

BERNICK. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap? Ik merk wel dat u iets tegen den man heeft; maar wil u hem te lijf, dan moet u een andere aanleiding zoeken. U weet hoeveel er mij aan gelegen is … of beter gezegd aan de reederij … dat de "Indian Girl" morgen onder zeil gaat.

KRAP. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij van dàt schip weer wat hooren … hm!

(Vigeland komt van rechts op).

VIGELAND. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een oogenblik tijd?

BERNICK. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland.

VIGELAND. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er ook niet voor is dat "de Palmboom" morgen uitgaat?

BERNICK. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken.

VIGELAND. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt dat er storm gesignaleerd is.

KRAP. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald.

BERNICK. Zoo? Wordt er storm verwacht?

VIGELAND. Een stijve koelte althans; maar geen tegenwind, integendeel….

BERNICK. Hm; ja, wat zegt u er van?

VIGELAND. Ik zeg, zooals ik ook tegen de kapitein zei, dat "de Palmboom" in de hand der Voorzienigheid is. En buitendien gaat ze vooreerst toch alleen de Noordzee over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu nog al tamelijk hoog, zoodat….

BERNICK. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies voor ons als wij wachten.

VIGELAND. Het schip is immers ook solide en bovendien voor de volle waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat grooter risico met de "Indian Girl".

BERNICK. Hoe bedoelt u dat?

VIGELAND. Die zeilt immers ook morgen uit?

BERNICK. Ja, de reederij heeft er erg achter heen gezeten, en bovendien….

VIGELAND. Nou, als die oude kast het er op wagen kan … en met zoo'n bemanning op den koop toe … dan zou het wel schande zijn als wij niet….

BERNICK. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheepspapieren bij u?

VIGELAND. Ja, hier zijn ze.

BERNICK. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met mijnheer Krap.

KRAP. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde.

VIGELAND. Dank u…. En de uitkomst geven wij over aan de Almachtige, meneer de consul. (Hij gaat met Krap in de voorste kamer links. Rörlund komt door den tuin op).

RÖRLUND. Welzoo, tref ik u om dezen tijd van den dag thuis, mijnheerBernick.

BERNICK (in gedachte). Zooals u ziet.

RÖRLUND. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht zoo dat een woord van troost haar welkom zou zijn.

BERNICK. Dat zal het zeker. Maarikzou ook wel eens graag willen spreken.

RÖRLUND. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat scheelt u? U ziet er zoo bleek en ontdaan uit.

BERNICK. Zoo? Waarlijk? Ja, hoe kan het ook anders … wat stapelt zich deze laatste dagen niet alles op elkaar om mij heen. Mijn eigen groote zaak … en die spoorweg…. Hoort eens, mijnheer Rörlund. Mag ik u eens een vraag doen?

RÖRLUND. Volgaarne.

BERNICK. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als men voor een zaak staat van zoo vèrstrekkenden invloed, dat de welvaart van duizenden ermee gemoeid is…. Als dat nu een één enkel offer noodig maakte?

RÖRLUND. Hoe meent u dat?

BERNICK. Bijvoorbeeld: iemand denkt er over een groote fabriek op te richten. Hij weet zeker … want dat heeft de ondervinding hem geleerd … dat vroeger of later het bedrijf in die fabriek menschenlevens kosten zal.

RÖRLUND. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk.

BERNICK. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij neemt zoowel huisvaders als jonge levenslustige menschen in zijn dienst. Is het niet met zekerheid vooruit te zeggen dat die niet allen het leven er zullen afbrengen?

RÖRLUND. Ja, helaas, dat is maar al te waar.

BERNICK. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die hij ondernemen wil, zonder twijfel menschenlevens kosten zal. Maar die onderneming is van algemeen belang; voor ieder menschenleven dat ze kost zal hij evenzeer zonder twijfel de welvaart van honderden bevorderen.

RÖRLUND. Jawel, u denkt aan de spoorweg … aan al die gevaarlijke uitgravingen, het laten springen van rotsen, en zoo al meer….

BERNICK. Ja … juist, ik denk aan den spoorweg. En bovendien … de spoorweg zal zoowel fabrieken als bergwerken doen ontstaan. Maar denkt u niet dat toch….

RÖRLUND. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te nauwgezet. Ik bedoel dat als u de zaak overgeeft in de hand der Voorzienigheid….

BERNICK. Ja … zeker; de Voorzienigheid….

RÖRLUND. … dan is u verantwoord. Leg u maar gerust uw spoorweg aan.

BERNICK. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval. Ik stel, dat men op een gevaarlijke plek een rots moet laten springen; maar dat is dáár bepaald noodzakelijk om den spoorweg tot stand te doen komen. Ik stel dat de ingenieur weet dat het den werkman, die de mijn moet doen ontvlammen, het leven kosten zal; maar het is de plicht van den ingenieur den werkman er heen te zenden om het te doen.

RÖRLUND. Hm….

BERNICK. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn als de ingenieur zelf de lont nam en er heen ging om de mijn te laten springen. Maar zoo iets doet men niet. Hij moet dus den werkman opofferen.

RÖRLUND. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen.

BERNICK. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou zich een oogenblik bedenken om het te doen.

RÖRLUND. In de groote landen? Neen, dat geloof ik graag. In die verdorven en gewetenlooze maatschappij….

BERNICK. O, er is heel veel goeds in die maatschappij.

RÖRLUND. En dat kan u zeggen, u, die zelf…?

BERNICK. In de groote maatschappij heeft iemand toch de ruimte om een nuttige onderneming te pousseeren; daar heeft men den moed iets op te offeren voor een groote zaak; maar hier wordt men belemmerd door allerlei onbeduidende consideraties en bedenkingen.

RÖRLUND. Is een menschenleven een onbeduidende consideratie?

BERNICK. Wanneer dit menschenleven nu als een belemmering staat tegenover de welvaart van duizenden?

RÖRLUND. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen, mijnheer! Ik begrijp u van daag heelemaal niet. En dan wijst u op de groote maatschappij…. Ja, daarginder, wat is een menschenleven dáár waard? Daar rekent men met menschenlevens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar onzen eerwaardigen reeders-stand! Noem een enkelen reeder hier bij ons, die om snoode winst een menschenleven zou opofferen! En denk eens aan die schurken daarginder in de groote maatschappij, die ter wille van de winst het eene onzeewaardige schip na het andere bevrachten….

BERNICK. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen!

RÖRLUND. Maarikspreek er van, mijnheer Bernick.

BERNICK. Maar wat heeft dat er nu mee te maken? Dat raakt de heele zaak niet…. O, die kleine angstvallige overwegingen! Als een generaal bij ons zijn troepen in het vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou hij er achterna slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet. U moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt….

RÖRLUND. Hij? Wie? De Amerikaan?…

BERNICK. Ja, hij. U moet eens hooren hoe men in Amerika….

RÖRLUND. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik zal dadelijk….

BERNICK. Het helpt u toch niets; met hem komt u toch niet verder.

RÖRLUND. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (Johan komt uit de kamer links).

JOHAN (praat in de open deur tegen iemand daar binnen). Ja, ja, Dina, 't is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik kom terug, en dan zal alles in orde komen tusschen ons.

RÖRLUND. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat is u van plan?

JOHAN. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij gisteren belasterd heeft, tot mijn vrouw te maken.

RÖRLUND. Tot uw?… En zou u denken dat…?

JOHAN. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden.

RÖRLUND. Nu, dan zal u ook hooren…. (gaat naar de half-openstaande deur). Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn getuige te zijn…. En u ook, juffrouw Martha. En laat u Dina even hier komen (ziet Lona). O, is u ook hier?

LONA (in de deur). Moet ik ook komen?

RÖRLUND. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter.

BERNICK. Wat is u van plan?

(Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit de kamer).

MEVR. BERNICK. Mijnheer Rörlund, ik heb met den besten wil niet kunnen beletten….

RÖRLUND.Ikzal het hem beletten, mevrouw…. Dina, je bent een onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet zoo heel erg. Je hebt al veel te lang hier den zedelijken steun ontbeerd, die je staande moest houden. Ik maak er mezelf een verwijt van dat ik je dien steun al niet lang gegeven heb.

DINA. U moet nu niets zeggen!

MEVR. BERNICK. Wat moet dat beteekenen?

RÖRLUND. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je gedrag gisteren en van daag het mij tienmaal moeilijker heeft gemaakt. Maar om jou te redden moeten alle andere overwegingen zwichten. Je herinnert je de woorden die ik tegen je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde mij te zullen geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij niet langer bedenken, en daarom … (tegen Johan) dit jonge meisje, dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde!

MEVR. BERNICK. Wat zegt u daar?

BERNICK. Dina!

JOHAN. Zij! Uw…?

MARTHA. O neen, neen, Dina!

LONA. Leugens.

JOHAN. Dina … zegt die man de waarheid?

DINA (na een oogenblik). Ja.

RÖRLUND. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidingskunsten machteloos gemaakt. De stap, dien ik in Dina's belang besloten heb te doen, mag volgaarne in onzen heelen kring bekend gemaakt worden. Ik voed de stellige hoop, dat er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal. Maar nu, mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier van daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht in haar ziel te doen terugkeeren.


Back to IndexNext