MEVR. BERNICK. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk voor je! (zij leidt haar weg naar links; Rörlund gaat met hen mee).
MARTHA. Vaarwel, Johan! (zij gaat weg).
HILMAR (in de tuindeur). Hum … nou moet ik dan toch zeggen….
LONA (die Dina met de oogen gevolgd heeft). Niet den moed verliezen, jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee passen (zij gaat weg naar rechts).
BERNICK. Johan, nu ga je toch niet weg met de "Indian Girl"?
JOHAN. Juist nu wel.
BERNICK. Maar dan kom je toch niet terug?
JOHAN. Ik kom wèl terug.
BERNICK. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog?
JOHAN. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar kan van jullie verpletteren.
(Hij gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Bernick's kamer).
VIGELAND. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer de consul.
BERNICK. Goed, goed….
KRAP (gedempt). En het blijft er dus bij dat de "Indian Girl" morgen uitzeilt?
BERNICK. Die zeilt uit. (Hij gaat in zijn kamer. Vigeland en Krap gaan weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan, maar op hetzelfde oogenblik steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd buiten de deur links).
OLAF. Oom! Oom Hilmar!
HILMAR. Oeh ben jij het? Waarom blijf je niet boven? Je hebt immers huisarrest.
OLAF (een paar passen naar voren). Stil! Oom Hilmar, weet u 't nieuws?
HILMAR. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad van daag.
OLAF (kijkt dreigend naar de kamer van zijn vader). Hij zal me niet dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan morgen uitzeilt met de Amerikanen?
HILMAR. Wat raakt jou dat? Maak dat je naar boven komt.
OLAF. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op buffeljacht, oom!
HILMAR. 't Mocht wat; zoo'n papkind als jij….
OLAF. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren!
HILMAR. Lummel!
(Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in en sluit de deur als hij Krap ziet, die van rechts komt).
KRAP (gaat naar de deur van Bernick's kamer en doet die half open). Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer Bernick … maar er komt een geweldige storm opzetten. (Wacht een oogenblik; geen antwoord). Moet de "Indian Girl" toch uitgaan? (na een korte pauze antwoordt:)
BERNICK. De "Indian Girl" gaat toch uit.
(Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts).
[Illustratie: Mevr. Th. Mann-Bouwmeester als Lona in De steunpilaren der Maatschappij, 4e Bedrijf]
* * * * *
Tuinkamer bij Bernick. De groote tafel is weggenomen. Het is een stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duisternis neemt toe onder het volgende.
Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes brengen bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels en guéridons langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en witte das, met handschoenen aan, staat in de kamer en geeft aanwijzingen.
* * * * *
RUMMEL (tegen den knecht). Niet alle kaarsen, Jacob, om den anderen maar. Het mag er niet àl te feestelijk uitzien, het moet een verrassing zijn. En al die bloemen…? Nou ja, laat die maar staan; de menschen kunnen denken dat die er alle dag staan….
(Bernick komt uit zijn kamer).
BERNICK (nog in de deur). Wat beteekent dat?
RUMMEL. O jé, ben jij daar al? (tegen het personeel). Ja, nu moet je zoo lang maar heengaan. (De knecht en de meisjes gaan door de verste deur links weg).
BERNICK (komt naderbij). Maar Rummel, wat beteekent dat toch?
RUMMEL. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van je leven gekomen is.De stad brengt van avond aan zijn voornaamsten burger een serenade.
BERNICK. Wàt zeg je?
RUMMEL. Een serenade met muziek! Fakkels zouden wij er ook bij gehad hebben, maar dat durfden wij niet te wagen met dit stormachtige weer. Maar geïllumineerd wordt er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als het in de couranten komt.
BERNICK. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee te maken hebben.
RUMMEL. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben wij ze hier.
BERNICK. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets van gezegd?
RUMMEL. Juist omdat ik bang was dat je er iets tegen zoudt hebben. Maar ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij stond mij toe een-en-ander te arrangeeren en zal ook voor ververschingen zorgen.
BERNICK (luistert). Wat is dat? Zijn ze daar al? 't Is of ik hoor zingen.
RUMMEL (bij de tuindeur). Zingen? O, dat zijn de Amerikanen maar. Dat is de "Indian Girl" die uitgaat.
BERNICK. Gaat die uit? Ja … neen, ik kan van avond niet, Rummel, ik ben ziek.
RUMMEL. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je moet je een beetje opmonteren. Wat bliksem, kerel, jemoet. Sandstad en Vigeland en ik hechten het grootste gewicht aan het gelukken van die ovatie. Onze tegenstanders moeten verpletterd worden onder den druk van een zoo algemeen mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer stil te houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder gezang en mooie toespraken en het klinken van glazen, enfin, onder den indruk van een gloeiende feeststemming, hen laten weten wat je voor het welzijn der maatschappij geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo'n gloeiende feeststemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons ontzettend veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij, anders gaat het niet.
BERNICK. Jawel, jawel….
RUMMEL. En vooral als je met zoo'n delicate en netelige zaak voor den dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een naam die een duwtje velen kan. Maar luister eens; we moesten toch eerst eens het een-en-ander afspreken. Hilmar Tönnesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel mooi met de woorden: "Houdt hoog het vaandel der idee." En Rörlund heeft de opdracht gekregen de feestrede te houden. Daar moet je natuurlijk op antwoorden.
BERNICK. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou jij 't niet…?
RUMMEL. Onmogelijk, al zou ik 't graag doen. De toespraak wordt, zooals je wel denken kunt, voornamelijk tot jou gericht. Nou, misschien krijgen wij anderen ook wel een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad over gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een "leve het welzijn van onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad zal eenige woorden spreken over de eendracht tusschen de verschillende klassen onzer maatschappij; Vigeland zal dan iets zeggen van hoe gewenscht het is dat de nieuwe onderneming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal doen wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de vrouwen te gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook niet zonder beteekenis is voor de maatschappij. Maar je luistert heelemaal niet….
BERNICK. Jawel … zeker. Maar zeg eens, geloof je dat het zwaar weer is op zee?
RUMMEL. O, je bent bang voor "de Palmboom"? Die is immers goed geassureerd.
BERNICK. Geassureerd, ja; maar….
RUMMEL. En een flink schip; en dat is het voornaamste.
BERNICK. Hm…. Als er iets gebeurt met een schip, dan is het daarom nog niet gezegd dat er menschenlevens mee verloren gaan. Het schip en de lading kunnen verloren gaan … en men kan koffers en papieren verliezen….
RUMMEL. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen toch zooveel niet.
BERNICK. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen…. Stil … daar zingen ze weer.
RUMMEL. Dat is aan boord van "de Palmboom".
(Vigeland komt van rechts).
VIGELAND. Ja, "de Palmboom" loopt aanstonds uit. Goeden avond, meneer de consul.
BERNICK. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er bij dat…?
VIGELAND. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer de consul. Bovendien ben ik zelf aan boord geweest en heb eenige traktaatjes uitgedeeld, die, naar ik hoop, een gezegende uitwerking zullen hebben.
(Sandstad en Krap komen van rechts).
SANDSTAD (nog in de deur). Ja, als dàt goed gaat, dan gaat alles goed.Zoo, goeden avond, goeden avond!
BERNICK. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap?
KRAP. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick.
SANDSTAD. De heele bemanning op de "Indian Girl" is dronken. Ik zal geen eerlijk man zijn als die beesten er levend afkomen.
(Lona komt van rechts).
LONA (tegen Bernick). Zoo … nu kan ik je van hem groeten.
BERNICK. Al aan boord?
LONA. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid voor de deur van het hôtel.
BERNICK. En zijn plan staat vast?
LONA. Vast als een rots.
RUMMEL (bij het raam). De drommel hale die nieuwmodische inrichtingen!Ik kan die gordijnen niet naar beneden krijgen.
LONA. Moeten ze naar beneden? Ik dacht juist….
RUMMEL. Eerst naar beneden, juffrouw. U weet immers wat er gebeuren gaat?
LONA. Jawel, laat mij u eens helpen. (Pakt de koorden beet). Ik laat het gordijn zakken voor mijn zwager … hoewel ik het liever zou ophalen.
RUMMEL. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol menschen is gaan de gordijnen op, en dan zien zij binnen een verraste en blijde familie … het huis van een stadsburger moet zijn als een glazen huis.
BERNICK (schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel om en gaat naar zijn kamer).
RUMMEL. Laat ons nu nog even voor het laatst alles afspreken. Kom mee, mijnheer Krap, u moet ons helpen met een paar inlichtingen.
(Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona heeft de gordijnen voor het raam dichtgetrokken en wil juist ook dat voor de openstaande glazen deur dichttrekken, als Olaf van bovenaf op de tuinpad springt. Hij heeft een plaid over de schouders en een bundel in de hand).
LONA. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken!
OLAF (verbergt zijn bundel). Sst! tante!
LONA. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe?
OLAF. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan … even maar naar de steiger, weet u … alleen maar even afscheid nemen. Goeden nacht, tante! (Hij loopt weg door den tuin).
LONA. Neen, blijf hier! Olaf!… Olaf!
(Johan, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders, komt voorzichtig door de deur rechts).
JOHAN. Lona!
LONA (keert zich om). Wat! Kom je terug?
JOHAN. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar nog ééns zien. Wij kunnen zóó niet van elkaar gaan.
(Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met een klein valies in de hand, komen door de verste deur links).
DINA. Naar hem toe! naar hém!
MARTHA. Ja, Dina, je zult naar hem toe!
DINA. Daar is hij!
JOHAN. Dina!
DINA. Neem me mee!
JOHAN. Wat…!
LONA. Wil je dat?
DINA. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschreven … heeft gezegd dat van avond alle menschen het weten zullen….
JOHAN. Dina, hou je niet van hem?
DINA. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het water als ik zijn verloofde worden moet. O wat heeft hij mij gisteren vernederd met zijn arrogante woorden! Wat liet hij mij voelen dat hij een minderwaardige tot zich ophief. Ik duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg. Mag ik met je meegaan?
JOHAN. Ja, ja … duizendmaal ja!
DINA. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen maar om naarAmerika te komen; help mij een beetje terecht in het begin….
JOHAN. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina!
LONA (wijst naar Bernick's deur). Sst; zachtjes, zachtjes!
JOHAN. Dina, ik zal je op de handen dragen!
DINA. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en daarginder kan ik dat wel. Als ik maar eerst van hier weg ben. O, die mevrouwen … dat weet je nog niet … die hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben mij vermaand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij voorgehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en alle dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij dat alles wel waardig maak. Ik heb een afschuw van al die vroomheid!
JOHAN. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat je weggaat? Ben ik niets voor je?
DINA. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle andere menschen te zamen.
JOHAN. O Dina…!
DINA. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en verafschuwen, dat dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet waarom dat mijn plicht zou zijn, en zal dat ook nooit leeren begrijpen.
LONA. Dat moet je ook niet, mijn kind!
MARTHA. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je ook met hem meegaan als zijn vrouw.
JOHAN. Ja, ja!
LONA. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha! Dat had ik van jou niet verwacht.
MARTHA. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had 't zelf ook niet verwacht. Maar ééns moest het bij mij tot een uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij hier toch gebukt onder den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar tegen op, Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert!
JOHAN. Wat is je antwoord, Dina?
DINA. Ja, ik wil je vrouw worden.
JOHAN. Dina!
DINA. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden … net als jij. Ik wil geen ding zijn dat genomen wordt.
LONA. Braaf zoo … zoo moet het wezen.
JOHAN. Goed; ik zal wachten en hopen….
LONA. … en winnen, jongen! Maar nu aan boord!
JOHAN. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog even een woordje. Hoor eens…. (hij gaat met haar naar den achtergrond en spreekt haastig met haar).
MARTHA. Dina, jij gelukkige!… laat mij je eens aanzien, je nog ééns omhelzen … voor 't allerlaatst….
DINA. Niet voor 't laatst; neen, lieve, beste tante, wij zullen elkaar terugzien.
MARTHA. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit meer terug (grijpt haar beide handen en kijkt haar aan). Nu ga je het geluk tegemoet, mijn lief kind … over de groote zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar verlangd, als ik in de school was! Daarginder moet het mooi zijn, een ruimere hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere lucht waait daar over de hoofden der menschen heen….
DINA. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens.
MARTHA. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine levenstaak, en nu geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld zal kunnen worden wat ik zijn moet.
DINA. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid nemen moet.
MARTHA. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen, Dina (kust haar). Maar dàt zal je, hoop ik, nooit ondervinden, mijn lief kind. Beloof mij dat je hem gelukkig maken zult.
DINA. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan beloven; alles moet gaan zooals het gaan kan.
MARTHA. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je bent … waar en trouw tegenover je zelf.
DINA. Dat zal ik, tante.
LONA (verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die Johan haar gegeven heeft). Braaf, braaf, mijn beste jongen! Maar nu moet je weg!
JOHAN. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen. Vaarwel, Lona; dank voor al je liefde. Vaarwel Martha, en dank, jij ook, voor je trouwe vriendschap.
MARTHA. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk je leven lang!
(Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den achtergrond. Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona sluit de deur en trekt het gordijn er voor).
LONA. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren en ik hem.
MARTHA. Jij hèm…?
LONA. O, ik had hem daarginder al half verloren. De jongen begon te verlangen om op eigen beenen te staan; daarom maakte ik hem wijs dat ik heimwee had.
MARTHA. Daarom? Ja dan begrijp ik dat je terugkwam. Maar hij zal naar jou terug verlangen Lona.
LONA. Naar een oude stiefzuster?… wat zou hij daar nù nog aan hebben? Om hun geluk te bereiken, verscheuren mannen zoo gemakkelijk wat hen bindt.
MARTHA. Ja; dat gebeurt wel eens.
LONA. Maar wij blijven bij elkaar, Martha.
MARTHA. Kan ik dan iets voor je zijn?
LONA. Voor wie zou je méér kunnen zijn? Wij twee pleegmoeders … hebben wij niet allebei onze kinderen verloren? Nu zijn wij alleen.
MARTHA. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten … ik heb hem boven alles in de wereld lief gehad.
LONA. Martha! (grijpt haar arm). Is dat waar?
MARTHA. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb hem liefgehad en op hem gewacht. Iederen zomer heb ik verwacht dat hij komen zou. En toen kwam hij eindelijk;… maar hij zag mij niet.
LONA. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het geluk in handen gaf.
MARTHA. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem toch liefhad? Ja, ik heb hem liefgehad. Heel mijn leven is een leven voor hèm geweest, van het oogenblik af dat hij wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je? O ja, ik geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu terugkwam … toen was het of alles uit zijn herinnering was weggevaagd. Hij zag mij niet.
LONA. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha.
MARTHA. 't Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging indertijd, waren wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terugzag…. O, dat vreeselijke oogenblik!… werd het mij duidelijk dat ik nu tien jaar ouder was dan hij. Hij had daarginder gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en jeugd en gezondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat ik hier binnen en spon en spon….
LONA. … den draad van zijn geluk, Martha.
MARTHA. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitterheid! Niet waar, wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest?
LONA (slaat de armen om haar heen). Martha!
(Bernick komt uit zijn kamer).
BERNICK (tegen de heeren binnen). Ja, ja, beschik alles maar zooals je 't best vindt. Als het tijd is zal ik wel…. (sluit de deur). O, is daar iemand? Hoor eens, Martha, je moet je een beetje gaan verkleeden. En zeg aan Betty dat zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot toilet … alleen maar een nette huisjapon. Maar je moet je haasten.
LONA. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten, Martha, en een paar blijde oogen.
BERNICK. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij naast mij zal staan.
LONA. Hm; Olaf….
MARTHA. Ik zal het Betty gaan zeggen (zij gaat weg door de verste deur links).
LONA. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik gekomen.
BERNICK (die onrustig op en neer loopt). Ja … nu is het er dan.
LONA. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo'n oogenblik trotsch en gelukkig voelt.
BERNICK (kijkt haar aan). Hm.
LONA. De heele stad zal geïllumineerd zijn, hoor ik.
BERNICK. Ja, zoo iets zijn ze van plan.
LONA. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich aansluiten bij den stoet. Je naam zal in vurige letters prijken. Van nacht zal er naar alle kanten getelegrafeerd worden: "In den kring zijner gelukkige familie ontving Consul Bernick de hulde van zijn medeburgers als een der steunpilaren der maatschappij."
BERNICK. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen, en de menigte zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de deur vertoon, en dan ben ik wel gedwongen om te gaan buigen en bedanken.
LONA. O, gedwongen….
BERNICK. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik gelukkig voel?
LONA. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal gelukkig voelen kunt.
BERNICK. Lona, je veracht me.
LONA. Nog niet.
BERNICK. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij teverachten!… Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar eenzaam ik hier sta in deze benauwde bekrompen maatschappij … hoe ik jaar op jaar mijn eischen voor een bevredigende levenstaak lager heb moeten stellen. Wat heb ik eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk … prutserijen! Wat anders of wat méér wordt hier niet geduld. Als ik een stap verder zou willen gaan dan strookt met de stemming van de opvatting, die juist aan de orde van den dag zijn, dan was het uit met mijn macht. Weet je wat wij zijn, wij, die beschouwd worden als de steunpilaren van de maatschappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij … niets meer en niets minder.
LONA. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet?
BERNICK. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten tijd … sedert jij terug kwam—en vooral van avond…. O, Lona, waarom heb ik jou niet heelemaal gekend indertijd … in dien ouden tijd!
LONA. En wat dan?
BERNICK. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik jou gehad, dan stond ik nu niet waar ik sta.
LONA. En denk je er niet aan watzijvoor je had kunnen worden, zij, die je koos in mijn plaats?
BERNICK. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is geworden dàt, waaraan ik zoozeer behoefte had.
LONA. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld hebt; omdat jullie verhouding nooit open en waar is geweest; omdat je haar laat verkwijnen onder het verwijt van de schande, die jij gebracht hebt over haar naaste betrekkingen.
BERNICK. Ja … ja … ja; dat komt allemaal van de leugen en den valschen schijn.
LONA. En waarom breek je dan niet met al die leugens en valschen schijn?
BERNICK. Nu nog? Nu is het te laat, Lona.
LONA. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging geeft het toch die schijn en dat bedrog?
BERNICK. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan net als deze heele knoei-maatschappij. Maar er groeit een geslacht op dat na ons komt. Het is voor mijn zoon dat ik werk; voor hèm maak ik een levenstaak klaar. Er zal een tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grondvesten dan dat van zijn vader was.
LONA. Met een leugen als onderlaag? Bedenk toch wàt je je zoon als erfenis achterlaat.
BERNICK (met onderdrukte wanhoop). Ik laat hem nog duizendmaal slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet toch de vloek worden opgeheven. En toch … toch…. (uitbarstend). Hoe kon jullie mij dat alles toch aandoen! Maar 't is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zàl jullie niet gelukken mij er onder te krijgen!
(Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en ontsteld van rechts).
HILMAR. Maar dat is toch … Betty, Betty!
BERNICK. Wat is er? Komen ze al?
HILMAR. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand spreken…. (hij gaat weg door de verste deur links).
LONA. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden zijn om je er onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van welk metaal hij is gemaakt, die verloren zoon, dien jullie brave maatschappij schuwt als een pestlijder. Hij kan jullie missen want hij is nu weg.
BERNICK. Maar hij wou terugkomen….
LONA. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed weg en Dina is met hem meegegaan.
BERNICK. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee?
LONA. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo geven die twee je deugdzame maatschappij een slag in het gezicht … net als ik indertijd … nou ja!
BERNICK. Weg … zij ook … met de "Indian Girl"…!
LONA. Neen; zoo'n kostbaren last durfde hij niet aan die roekelooze bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn vertrokken met "de Palmboom".
BERNICK. Ah…! Dus voor niets…. (loopt snel heen, rukt de deur van zijn kamer open en roept naar binnen). Krap, hou de "Indian Girl" op; die moet van avond niet uitzeilen!
KRAP (binnen in de kamer). "Indian Girl" is al in zee, mijnheer.
BERNICK (sluit de deur en zegt met matte stem): Te laat … en onnoodig….
LONA. Wat meen je?
BERNICK. Niets, niets. Ga weg…!
LONA. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat hij mij zijn reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en ook den eerlijken naam dien je hem ontnam toen hij weg was. Johan zal zwijgen; en ik kan doen en laten in die zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven in mijn hand.
BERNICK. Heb jij die? En nu … nu wil je … van avond al … misschien als de serenade….
LONA. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om je wakker te schudden dat je uit eigen beweging de waarheid zoudt zeggen. Dat is mij niet gelukt. Blijf dan voortleven in je leugen! Kijk … ik verscheur beide brieven. Neem de stukken … daar heb je ze. Nu is er niets meer dat tegen je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu ook gelukkig … als je kunt.
BERNICK (ontroerd). Lona … waarom heb je dat niet eerder gedaan! Nu is het te laat; nu heb ik mijn heele leven verspeeld; ik kan niet meer leven na dezen dag.
LONA. Wat is er dan gebeurd?
BERNICK. Vraag het mij niet…. Maar ikmoettòch verder leven! Ikwilleven … voor Olaf. Hij moet alles weer goed maken, boete doen voor alles….
LONA. Karsten…!
(Hilmar komt haastig terug).
HILMAR. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet!
BERNICK. Wat scheelt je?
HILMAR. Ik durf het je niet zeggen.
BERNICK. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen!
HILMAR. Nu dan; Olaf is er van door met de "Indian Girl".
BERNICK (tuimelt achteruit). Olaf … met de "Indian Girl"! Neen … neen!
LONA. Ja, 't is waar! Nu begrijp ik het … ik zag dat hij uit het raam sprong.
BERNICK (in de deur van zijn kamer roept in wanhoop). Krap, hou de"Indian Girl" op om alles in de wereld.
KRAP (komt naar buiten). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan u denken dat….
BERNICK. Wijmoetenhet schip ophouden…. Olaf is aan boord!
KRAP. Wàt zegt u!
RUMMEL (komt naar buiten). Olaf weggeloopen? Niet mogelijk!
SANDSTAD (komt ook). Hij zal wel met den loods teruggestuurd worden, mijnheer Bernick.
HILMAR. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (laat het briefje zien) hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal tot zij in volle zee zijn.
BERNICK. Ik zie hem nooit terug!
RUMMEL. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas gerepareerd….
VIGELAND (ook buiten gekomen). … van uw eigen werf, meneer de consul!
BERNICK. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben hem kwijt, Lona, en … nu zie ik het in … ik heb hem nooit gehad (luistert). Wat is dat?
RUMMEL. Muziek. Daar komt de serenade.
BERNICK. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen.
RUMMEL. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk.
SANDSTAD. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er voor u op het spel staat.
BERNICK. Wat kan mij dat alles nu nog schelen! Wien heb ik nu nog om voor te werken?
RUMMEL. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch nog en de maatschappij!
VIGELAND. Dat was een waar woord.
SANDSTAD. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij…. (Martha komt door de verste deur links. Men hoort de muziek in de verte).
MARTHA. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis; ik begrijp niet waar zij….
BERNICK. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen steun … noch in vreugde, noch in leed!
RUMMEL. Haal de gordijnen op! Help mij eens even, mijnheer Krap. U ook mijnheer Sandstad. Doodjammer dat de familie nu juist zoo verspreid is! Heelemaal niet volgens het programma.
(De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrokken. Men ziet de heele straat geïllumineerd. Tegen het huis aan de overzijde is een groot transparant geplaatst met het opschrift: "Leve Consul Bernick, de steun onzer maatschappij!").
BERNICK (wijkt schuw terug). Weg met dat alles! Ik wil het niet zien!Doe uit! Doe uit!
RUMMEL. Met alle respect, Bernick, is het je in 't hoofd geslagen?
MARTHA. Wat scheelt hem, Lona?
LONA. Sst! (zij praat zachtjes met haar).
BERNICK. Weg met die honende opschrift, zeg ik! Zie jullie niet dat die lichten de tongen naar ons uitsteken?
RUMMEL. Neen maar, nu moet ik toch bekennen….
BERNICK. Och, wat begrijpen jullie ook…! Maar ik, ik…! Lichten in een sterfkamer zijn het!
KRAP. Hm….
RUMMEL. Neen, maar, hoor eens, Bernick, je trekt je dat al te erg aan.
SANDSTAD. De jongen maakt een plezierreisje over den Oceaan, en dan krijgt u hem weer terug.
VIGELAND. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer de consul.
RUMMEL. En op de schuit, Bernick; die zal toch wel niet zoo dadelijk zinken, vermoed ik.
KRAP. Hm….
RUMMEL. Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten was, waar je zoo van hoort in de groote maatschappij….
BERNICK. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur. (MevrouwBernick, met een grooten doek over haar hoofd, komt de tuindeur door).
MEVR. BERNICK. Karsten, Karsten! Weet je…!
BERNICK. Ja, ik weet … maar jij;… jij, die niets ziet,… jij, die geen moederoog voor hem hebt…!
MEVR. BERNICK. O, luister toch…!
BERNICK. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu heb ik hem verloren.Geef hem mij terug als je kunt!
MEVR. BERNICK. Ja, dat kan ik, ik heb hem!
DE HEEREN. Ah…!
HILMAR. Nou, dat dacht ik ook wel.
MARTHA. Karsten, je hebt hem terug!
LONA. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen.
BERNICK. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar is hij?
MEVR. BERNICK. Dat zeg ik je niet vóór je hem vergeven hebt.
BERNICK. Och wat, vergeven…! Maar hoe kwam je te weten…?
MEVR. BERNICK. Denk je dat een moeder niets ziet? Ik was in doodsangst dat je er iets van merken zoudt. Een paar woorden die hij gisteren losliet … en toen zijn kamer leeg was en zijn ransel en zijn kleeren weg waren….
BERNICK. Ja … ja…?
MEVR. BERNICK. … ging ik loopen; haalde Aune op; wij zijn met zijn zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip wou juist uitzeilen. Goddank kwamen wij nog bijtijds … ging aan boord, liet het ruim doorzoeken … vond hem…. O Karsten, je moet hem niet straffen!
BERNICK. Betty!
MEVR. BERNICK. En ook Aune niet!
BERNICK. Aune? Wat weet je van hem? Is de "Indian Girl" weer onder zeil?
MEVR. BERNICK. Neen, dat is juist de zaak….
BERNICK. Toe zeg … gauw!
MEVR. BERNICK. Aune was net zoo ontdaan als ik; het onderzoek nam nog al tijd; het begon donker te worden zoodat de loods bezwaren begon te opperen, en zoo verstoutte Aune zich … om in jou naam….
BERNICK. Wat?
MEVR. BERNICK. Het schip tot morgen op te houden.
KRAP. Hm….
BERNICK. O, wat een onuitsprekelijk geluk!
MEVR. BERNICK. Ben je niet boos?
BERNICK. O Betty, wat een overstelpend geluk!
RUMMEL. Je bent ook veel te nauwgezet.
HILMAR. Ja, zoodra er sprake is van een kleinen strijd met de elementen, dan … oeh!
KRAP (bij het raam). Daar komt de stoet door het tuinhek, mijnheer.
BERNICK. Ja, nu mag hij komen.
RUMMEL. De heele tuin loopt vol menschen.
SANDSTAD. De heele straat is propvol.
RUMMEL. De heele stad is op de been, Bernick. Het is waarlijk een verheffend oogenblik.
VIGELAND. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer Rummel.
RUMMEL. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet! Daar hebben we de feestcommissie met mijnheer Rörlund aan het hoofd.
BERNICK. Laat ze nu maar komen, zeg ik!
RUMMEL. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand, waarin je verkeert….
BERNICK. Wat dan?
RUMMEL. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jou plaats te voeren.
BERNICK. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken.
RUMMEL. Maar weet je ook wat je zeggen moet?
BERNICK. Jawel, wees maar gerust, Rummel,… nu weet ik wel wat ik zeggen moet.
(De muziek is intusschen opgehouden. De tuindeur wordt geopend. Rörlund treedt binnen aan het hoofd van de feestcommissie, vergezeld van een paar huurbedienden, die een overdekte mand dragen. Achter hen komen de burgers van de stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen kan. Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart men buiten in den tuin en op de straat).
RÖRLUND. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de verrassing die zich op uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als onverwachte gasten binnen dringen in uw gelukkigen familiekring, aan uw vredigen haard, omringd door achtenswaardige en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet de eerste keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst in zoo veelomvattende mate. Wij hebben u menigmaal onzen dank gebracht voor den breeden moreelen grondslag, waarop u om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft opgebouwd. Dezen keer huldigen wij u in het bizonder als de helderziende, onvermoeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende medeburger, die het initiatief heeft genomen in een onderneming, die, volgens de meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij.
STEMMEN UIT DE MENIGTE. Bravo, bravo!
RÖRLUND. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid, die over heel uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitsprekelijk weldadig werkt, vooral in den tegenwoordigen tijd. U is nu bezig ons een … ja, ik zie er geen bezwaar in het woord prozaïsch en rondweg uit te spreken … een spoorweg te bezorgen.
VELE STEMMEN. Bravo, bravo!
RÖRLUND. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden te zullen stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door bekrompen, zelfzuchtige overwegingen.
STEMMEN. Ha! ha!
RÖRLUND. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat zekere individuën, niet tot onze maatschappij behoorend, de nijvere burgers van onze stad zijn vóór geweest, en zich in bezit van sommige voordeelen gesteld hebben, die rederlijkerwijze onze eigen stad ten goede hadden moeten komen.
STEMMEN. Ja, ja!
RÖRLUND. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook u ter oore gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft u onvervaard uw doel na, wel wetende dat een staatsburger niet alleen zijn eigen gemeentebelangen voor oogen hebben moet.
VERSCHEIDENE STEMMEN. Hm! Neen, neen! Jawel: jawel!
RÖRLUND. Zoo is het dan den mensch zoowel als den staatsburger,… zooals de man moet en behoort te zijn … dien wij dezen avond onze hulde brengen. Moge uw onderneming tot een waar en blijvend geluk voor deze onze maatschappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden, die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, verderfelijke elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van hen bevrijdt. En tegen slechte elementen van buitenaf kunnen wij ons toch ook nu niet beveiligen. Maar dat wij juist op dezen feestavond, zooals verteld wordt, gelukkig en spoediger dan te verwachten was, zekere elementen van dien aard zijn kwijtgeraakt….
STEMMEN. Sst! Sst!
RÖRLUND. … dat neem ik aan als een gelukkig voorteeken voor de onderneming. Als ik dit punt hier aanroer, bewijst dit, dat wij ons bevinden in een huis, waar de eischen van het gemoed hooger worden gesteld dan familiebanden.
STEMMEN. Bravo!
BERNICK (tegelijkertijd). Permitteer mij….
RÖRLUND. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul. Wat u voor deze gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker niet met de bijgedachte dat het u een tastbaar voordeel zou brengen. Maar een gering bewijs van erkentelijkheid van uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden, en allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond van een nieuw tijdperk staan.
VELE STEMMEN. Bravo! Bravo!
(Hij geeft den bedienden een wenk; zij dragen de mand aan; de leden van de feestcommissie halen onder het volgende de voorwerpen waarvan gesproken wordt, er uit en bieden ze aan).
RÖRLUND. Zoo zijn wij dan zoo vrij, mijnheer de consul, u een zilveren koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren wanneer wij in de toekomst, zooals zoo vaak tot nog toe, het genoegen smaken in dit gastvrije huis bijeen te komen.—En ook u, mijne heeren, die zoo bereidwillig den grootsten man van onze maatschappij hebt bijgestaan, verzoeken wij een klein geschenk als aandenken wel te willen aannemen. Deze zilveren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls in veelzeggende woorden, onder 't klinken der glazen, voor onze maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u nog dikwijls een waardige gelegenheid vinden om dezen beker op te heffen en te ledigen.—U, mijnheer Sandstad, mag ik dit album overreiken met fotografieën van eenige medeburgers. Aan uwe bekende en erkende humaniteit heeft u het te danken dat u vrienden telt in alle kringen der maatschappij.—En voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van uwe binnenkamer, deezen bundel preeken op velijn papier en in prachtband aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed is u tot een hoogernstigen levensbeschouwing gekomen; uw arbeid in uw dagelijkschen werkkring is in den loop der jaren, door de gedachte aan het hoogere en het hiernamaals, gelouterd en geadeld (keert zich tot de menigte). En hiermede, mijne vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders! Een hoera voor onze steunpilaren der maatschappij!
DE HEELE SCHARE. Leve consul Bernick! Leve de steunpilaren der maatschappij! Hoera, hoera, hoera!
LONA. Mijn gelukwenschen, Karsten! (Afwachtende stilte).
BERNICK (begint ernstig en langzaam). Mijne medeburgers,… bij monde van uw woordvoerder werd er gezegd dat wij heden staan aan den vooravond van een nieuw tijdperk,… en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt zal worden. Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid zoeken,… de waarheid, die tot op heden doorgaans en in alle kringen geen onderkomen gevonden heeft in deze maatschappij (verrassing onder de omstanders).
BERNICK. Ik moet beginnen met de loftuigingen af te wijzen, waarmee u, mijnheer Rörlund, volgens oud gebruik bij dergelijke gelegenheden, mij heeft overladen. Ik verdien die niet; want ik ben tot op dezen dag geen onzelfzuchtig man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk voordeel gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de drijfveeren zijn geweest bij de meeste mijner daden.
RUMMEL (halfluid). Wat beteekent dat?
BERNICK. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daarover niets te verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de bekwamen hier bij ons, in de eerste rij mag plaats nemen.
VELE STEMMEN. Ja, ja, ja!
BERNICK. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik zoo dikwijls zwak genoeg ben geweest om langs kronkelpaden te gaan, omdat ik bang was voor de mij bekende neiging van onze maatschappij, om onzuivere motieven te zoeken achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een punt dat daarmee samenhangt.
RUMMEL (onrustig). Hum … hm!
BERNICK. Er loopen hier geruchten over groote terrein-aankoopen, in den omtrek. Deze gronden heb ik gekocht, allemaal, ik alleen.
GEDEMPTE STEMMEN. Wat zegt hij? De consul? Consul Bernick?
BERNICK. Ze zijn voorlopig in mijn handen. Natuurlijk heb ik mijn medewerkers, de heeren Rummel, Vigeland en Sandstad, in het vertrouwen genomen, en zijn wij overeengekomen….
RUMMEL. Dat is niet waar! Bewijs … bewijs…!
VIGELAND. Wij zijn niets overeengekomen!
SANDSTAD. Neen, nu moet ik toch zeggen….
BERNICK. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeengekomen over dàt, wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast, dat de drie heeren het met mij eens zullen zijn, als ik zeg dat ik van avond besloten heb om van dit grondbezit een algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er aandeel in krijgen.
VELE STEMMEN. Hoera! Leve consul Bernick!
RUMMEL (zachtjes tegen Bernick). Zoo'n gemeen verraad!…
SANDSTAD (evenzoo). Ons zoo voor den gek te houden…!
VIGELAND. De duivel zal me halen…! Och lieve Heertje wat zeg ik daar!
DE MENIGTE (buiten). Hoera, hoera, hoera!
BERNICK. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet toe; want dàt, waartoe ik nu besloten heb, was niet van den beginne af mijn plan. Mijn plan was het allemaal zelf te houden, en ik geloof nog, dat deze bezittingen het best geëxploiteerd kunnen worden als ze in ééne hand blijven. Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid ze te beheeren naar mijn beste krachten.
STEMMEN. Ja! Ja! Ja!
BERNICK. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij geheel kennen. Laat dàn ieder met zich zelf te rade gaan, en laat het vast staan, dat wij van heden avond af een nieuw tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn blanketsel, met zijn huichelarij en valschen schijn, met zijn leugenachtig fatsoen en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons worden als een museum … toegankelijk voor hen die leeren willen; en aan dat museum schenken wij,… niet waar heeren?… zoowel het koffieservies als den beker, het album en den bundel preeken op velijn papier en in prachtband.
RUMMEL. Ja natuurlijk.
VIGELAND (bromt). Als u het andere ons toch heeft afgenomen, dan….
SANDSTAD. Alsjeblieft.
BERNICK. Maar nu nog de voornaamste afrekening met mijn maatschappij. Er werd gezegd dat slechte elementen ons van avond verlaten hadden. Ik kan er bijvoegen, wat men nog niet weet: de man, op wien deze woorden doelden, is niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te worden….
LONA (luid). Dina Dorf.
RÖRLUND. Wat!
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je? (groote beweging).
RÖRLUND. Gevlucht? Weggelopen … met hèm! Onmogelijk!
BERNICK. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Rörlund. En ik voeg er nog iets bij. (Zachtjes) Betty, vat moed om te dragen wat er komen gaat. (Luid) Ik zeg: hoeden af voor dien man! Want hij heeft grootmoedig de schuld van een ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel gescheeld of zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd. Gij zult alles weten.Ikwas de schuldige vijftien jaar geleden!
MEVR. BERNICK (zacht en bevend). Karsten!
MARTHA (evenzoo). O, Johan…!
LONA. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen!
(Groote verbazing van alle aanwezigen).
BERNICK. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige en hij ging heen. De leelijke en onware geruchten, die later uitgestrooid werden nu nog te logenstraffen, daartoe is geen mensch meer bij machte. Maar daarover mag ik mij niet beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten gebruik gemaakt om mij naar boven te werken … of ik nu daarmee ook vallen moet, daarover moet een ieder maar met zichzelf te rade gaan.
RÖRLUND. Wat een donderslag! De eerste man van de stad…! (gedempt tegen mevr. Bernick) Ach, wat beklaag ik u, mevrouw!
HILMAR. Zoo'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen…!
BERNICK. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek iedereen naar huis te gaan … kalm na te denken … en in zich zelf te kijken. Wanneer de gemoederen tot rust zullen gekomen zijn, dan zal het blijken of ik verloren of gewonnen heb door te spreken. Het ga u wèl! Er is nog veel, veel waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen geweten aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid. Wij voelen nu allen wel dat zoo iets hier niet op zijn plaats is.
RÖRLUND. Zeer zeker niet. (gedempt tegen mevr. Bernick) Weggelopen! Zij was dus toch mijner geheel onwaardig. (halfluid tegen de feestcommissie) Ja, heeren, mij dunkt na hetgeen er nu heeft plaatsgehad, doen wij het best maar in alle stilte te vertrekken.
HILMAR. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee hoog zal kunnen houden, dat…. Oeh!
(Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van mond tot mond gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan door den tuin weg. Rummel, Sandstad en Vigeland gaan heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend. Hilmar sluipt weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achtergebleven).
BERNICK. Betty, kan je mij vergeven?
MEVR. BERNICK (ziet hem glimlachend aan). Weet je wel, Karsten, dat je mij in al die jaren, niet zoo'n heerlijk vooruitzicht hebt geopend als nu?
BERNICK. Hoezoo?
MEVR. BERNICK. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik je eens gehad had en je weer had verloren. Nu weet ik dat ik je nooit gehad heb, maar nu zal ik je weten te winnen.
BERNICK (slaat zijn armen om haar heen). O, Betty! jehebtme al gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed leeren kennen. Maar laat nu Olaf komen!
MEVR. BERNICK. Ja, nu zal je hem terug hebben…! Mijnheer Krap! (zij spreekt op den achtergrond met hem. Hij gaat weg door de tuindeur. Onder het volgende worden achtereenvolgens alle lichten en transparanten in de huizen uitgedoofd).
BERNICK (gedempt). Dank Lona, jij hebt het beste in mij … en voor mij … gered.
LONA. Heb ik dan anders gewild?
BERNICK. Ja … of neen? Ik kan niet goed wijs uit je worden….
LONA. Hm….
BERNICK. Dus geen haat? Geen wraak? Waarom ben je dan toch teruggekomen?
LONA. Oude liefde roest niet.
BERNICK. Lona!
LONA. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen zwoer ik bij mezelf: de held van mijn jonge jarenzalweer vrij voor mij staan, vrij en waar!
BERNICK. O, hoe weinig heb ik, ellendig mensch, dat aan je verdiend!
LONA. Ja, Karsten, als wij vrouwen er naar vroegen wat verdiend is…!
(Aune komt met Olaf uit den tuin).
BERNICK (loopt op hem toe). Olaf!
OLAF. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer….
BERNICK. … zal wegloopen?
OLAF. Ja, ja, dat beloof ik u, vader!
BERNICK. En ik beloof je dat je er nooit meer reden voor hebben zult. Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien, niet als erfgenaam vanmijnlevenstaak, maar als iemand die zijn eigen levenstaak hebben zal.
OLAF. En mag ik dan ook worden wat ik wil?
BERNICK. Ja, dat mag je.
OLAF. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maatschappij worden.
BERNICK. Zoo? En waarom niet?
OLAF. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt!
BERNICK. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan maar gaan zooals het kan.—En jij Aune?
AUNE. Ik weet 't, meneer de consul, ik ben ontslagen.
BERNICK. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij….
AUNE. Hoezoo? Het schip gaat van avond niet meer uit.
BERNICK. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een veel te korte termijn.Het moet grondiger gerepareerd worden.
AUNE. Dat zal gebeuren, meneer de consul … en mét de nieuwe machines!
BERNICK. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig! Er is veel dat bij ons grondige en nauwkeurige reparatie noodig heeft. Nu, goeden nacht, Aune.
AUNE. Goeden nacht, meneer de consul;… en dank, dank, dank! (hij gaat weg naar rechts).
MEVR. BERNICK. Nu zijn ze allemaal weg.
BERNICK. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet langer in vurige letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de ramen.
LONA. Zou je ze weer aangestoken willen hebben?
BERNICK. Voor geen geld van de wereld! Wat ben ik ver weg geweest! Je zult er van verbijsterd staan als je het hoort. 't Is me nu of ik na een vergiftiging weer tot bezinning en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel het … ik kàn nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij … vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij, Martha;… 't is of ik je in al die jaren niet gezien heb.
LONA. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is er een van oude jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw.
BERNICK. 't Is waar … heel waar; en juist daarom … ja, hoor, dat staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van Betty en mij.
MEVR. BERNICK. Neen, Lona, je mag niet meer weg.
LONA. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden weg te gaan van jullie jonge luitjes die nu pas je jonge leven gaat beginnen. Ben ik niet de pleegmoeder? Jij en ik, Martha, wij twee oude tantes…. Waar kijk je naar?
MARTHA. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over de zee! "DePalmboom" is een geluksschip.
LONA. En heeft het geluk aan boord.
BERNICK. En wij … wij hebben een langen, ernstigen werkdag vóór ons;ikvooral. Maar die mag komen; blijft maar dicht om mij heen, jullie trouwe, brave vrouwen. Dát heb ik ook geleerd in deze dagen; jullie vrouwen zijn de ware steunpilaren van de maatschappij.
LONA. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opgedaan, Karsten. (Legt haar handen zwaar op zijn schouders) Neen, hoor; waarheid en vrijheid … dàt zijn de steunpilaren der maatschappij!
* * * * *
* * * * *
Advocaat HELMER.NORA, zijne vrouw.Dokter RANK.Mevrouw LINDE.Zaakwaarnemer KROGSTAD.HELMER's drie kleine kinderen.ANNA-MARIE, kindermeid bij Helmer.HELENE, dienstmeisje.Besteller.(Speelt in HELMER's huis.)
* * * * *
Een gezellig en smaakvol maar niet kostbaar gemeubelde kamer. Rechts een deur op den achtergrond leidt naar het portaal; een tweede deur links achter leidt naar Helmer's werkkamer. Tusschen deze beide deuren een piano. Midden in den linkerwand een deur en verderop een raam. Bij het raam een ronde tafel met leunstoelen en een kleine sofa. In den rechterwand een deur, en aan denzelfden kant, iets meer op den voorgrond een porceleinen kachel met een paar gemakkelijke stoelen en een schommelstoel. Tusschen de kachel en de zijdeur een klein tafeltje. Kopergravures aan de wanden. Een étagère met kleine snuisterijen; een boekenkastje met boeken in prachtbanden. Een kleed op den vloer; vuur in de kachel. Het is winter.
Er wordt gebeld op het portaal; even daarna hoort men dat er wordt open gedaan; Nora komt vroolijk neuriënd de kamer binnen; zij is gekleed met hoed en mantel en draagt een massa pakjes, die zij op de tafel rechts neerlegt. Zij laat de deur naar het portaal open staan, en men ziet een besteller staan met een kerstboom en een mand, die hij overgeeft aan het dienstmeisje, dat de deur heeft open gedaan.
* * * * *
NORA. Stop den kerstboom goed weg, Helene. De kinderen mogen hem vooral niet te zien krijgen voor van avond, als hij opgesierd is. (Tegen den besteller, terwijl zij haar portemonnaie voor den dag haalt). Hoeveel?
BESTELLER. Een halve kroon.
NORA. Daar heb je een kroon. Houd maar. (De besteller bedankt en vertrekt. Nora sluit de deur, terwijl zij haar hoed afdoet lacht zij vergenoegd in zichzelf).
NORA (haalt een zakje bonbons uit haar zak en eet er een paar van; gaat dan voorzichtig naar de deur van Helmers kamer en luistert). Jawel hij is thuis. (Begint weer te neuriën terwijl zij naar de tafel rechts gaat).
HELMER (in zijn kamer). Is dat mijn leeuwerikje dat daar zingt?
NORA (bezig haar pakjes open te maken). Ja!
HELMER. Is dat mijn eekhorentje dat daar rondtrippelt?
NORA. Ja-a!
HELMER. Wanneer is het eekhorentje thuis gekomen?
NORA. Daar net pas. (Stopt het zakje in haar zak en veegt haar mond af). Kom eens hier, Torwald, kom eens kijken wat ik gekocht heb.
HELMER. Stil, even wachten! (Even daarna doet hij de deur open en kijkt naar binnen, met de pen in de hand). Gekocht zeg je? Dat allemaal? Is mijn verspilstertje weer eens aan 't geld verdoen geweest?
NORA. Ja maar, Torwald, dit jaar mogen wij nu wel eens een beetje uit den band springen. Dit is het eerste kerstfeest dat wij niet zuinig hoeven te zijn.
HELMER. Ja maar, weet je, ook vooral niet verkwistend.
NORA. Jawel, Torwald, een beetje verkwistend kunnen wij nu wel zijn. Is 't niet? Maar een heel, heel klein beetje. Je krijgt immers nu een groot salaris en gaat heel veel geld verdienen.
HELMER. Ja, met Nieuwjaar; maar dan moeten er nog een heele drie maanden verloopen eer ik mijn salaris ontvang.
NORA. Poeh! tot zoolang kunnen we immers wel wat leenen.
HELMER. Nora! (Gaat naar haar toe en pakt haar schertsend bij haar oor). Heeft de lichtzinnigheid je weer te pakken? Stel nu eens dat ik duizend kronen leende en jij zoudt ze in den kersttijd opmaken, en ik kreeg op Oudejaarsavond een dakpan op mijn hoofd, die me dood….
NORA (houdt hem de hand voor den mond). Hè foei! wil je wel eens niet zulke akelige dingen zeggen.
HELMER. Jawel maar, stèl nu eens dat zoo iets gebeurde … wat dan?
NORA. Als er zoo iets vreeselijks gebeurde, zou het mij totaal onverschillig zijn of ik schulden had of niet.
HELMER. Goed … maar de menschen van wie ik het geleend had?
NORA. Die? wat gaan die mij aan! Dat zijn toch maar vreemden.
HELMER. Nora! Nora! Je bent toch een echte vrouw! Neen, maar in vollen ernst Nora, je weet hoe ik over die dingen denk. Geen schulden maken! Nooit leenen! Er komt een gevoel van onvrijheid en ook iets dat niet mooi is in een huishouden, dat berust op schulden en geleend geld. Wij hebben ons tot nu toe flink weten te redden, en dat zullen wij ook verder doen, den korten tijd dat het nog noodig is.
NORA (gaat naar de kachel). 't Is goed Torwald. Zooals je wilt.
HELMER (volgt haar). Maar nu mag mijn leeuwerikje daarom de vleugeltjes niet laten hangen, hoor! Wat? Pruilt mijn eekhorentje? (haalt zijn portemonnaie uit zijn zak)…. Nora, wat denk je wel dat ik hier heb?
NORA (wendt zich vlug om). Geld!…
HELMER. Ziedaar. (Telt haar eenig papiergeld uit). Ik weet immers wel, kindje, dat er heel wat geld noodig is in een huishouden in den kersttijd.
NORA (telt). Tien … twintig … dertig … veertig. O, dank je, dank je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe!
HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor!
NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is een nieuw pakje voor Ivar … en dan nog een sabel. Hier is een paard en een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy; dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot. En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben.
HELMER. En wat zit er in dat pakje daar?
NORA (met een gilletje). Neen, Torwald, dat mag je niet zien vóór van avond!
HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat zou je nu zelf graag hebben?
NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om.
HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben.
NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch … hoor eens, Torwald….
HELMER. Ja?
NORA (speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien). Als je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je … zou je….
HELMER. Nou dan … voor den dag er mee!…
NORA (haastig). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel eens wat voor koopen.
HELMER. Neen maar, Nora….
NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag. Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn?