Chapter 6

HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld uitgeeft?

NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het nu zóó maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg?

HELMER (glimlachend). Ja zeker … dat wil zeggen, als je heusch dat geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige dingen gebruikt en dan moet ik later maar wéér opdokken.

NORA. Hè toch, Torwald!

HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is allerliefst, maar het is een duur hoûbeestje. Niemand zou kunnen gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na te houden.

NORA. Hè, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar kan.

HELMER (lacht). Ja … dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt.Maar je kunt het heelemaal niet!

NORA. Hm … ja… je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij leeuweriken en eekhorens hebben!

HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou … wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja heusch, zoo iets is erfelijk.

NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geërfd had.

HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk me daar wat. Je ziet er zoo … zoo … hoe zal ik het noemen … zoo verdacht uit vandaag….

NORA. Ik?

HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan?

NORA (doet het). En dan?

HELMER (dreigt met den vinger). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet gesnoept toen ze in de stad was?

NORA. Welneen, hoe kom je er bij!

HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een banketbakker binnen gegaan?

NORA. Neen, heusch niet, Torwald.

HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept?

NORA. Neen, heelemaal niet.

HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld?

NORA. Och neen, Torwald, heusch niet….

HELMER. Nou … nou … nou … ik zeg 't natuurlijk maar voor de grap….

NORA (gaat naar de tafel). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets te doen dat jij niet graag hebt.

HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord gegeven…. (Gaat naar haar toe). Bewaar jij je verrassingen en geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik.

NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren?

HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond verheug!

NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben!

HELMER. Hè, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot daaraan te denken.

NORA. O, het is héérlijk.

HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen. Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb.

NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet.

HELMER (glimlachend). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit, hè?

NORA. Moet je mij daar nù nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt?

HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn.

NORA. Ja, dat is echt héérlijk.

HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te vermoeien….

NORA (klapt in de handen). Neen, hè? dat hoeft nu niet meer. O, wat is dat toch innig heerlijk om te hooren! (Grijpt zijn arm). Nu zal ik je eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is…. (Bellen vóór). O, daar wordt gebeld. (Reddert de kamer wat op). Daar is zeker visite! Hoe vervelend!

HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je.

DIENSTMEISJE (in de deur). Mevrouw daar is een vreemde dame.

NORA. Laat mevrouw binnen.

DIENSTMEISJE (tegen Helmer). En de dokter is er ook.

HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan?

DIENSTMEISJE. Ja mijnheer.

(Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht).

MEVR. LINDE (beschroomd en een beetje aarzelend). Dag Nora.

NORA (weifelend). Dag … e….

MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer.

NORA. Neen … ik weet niet goed…. O ja, ik meen toch van wel. (Uitbarstend). Wat! Kristine! Ben jij het heusch?

MEVR. LINDE. Ja, ik ben het.

NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook…. (Zachter). Wat ben je veranderd, Kristine!

MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen … tien lange jaren….

NORA. Is het al zóó lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja … dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis in den winter … dat is een dapper stuk.

MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen.

NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het toch niet te koud? (Helpt haar). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij de kachel zitten. Neen, dáár in dien gemakkelijken stoel … ik hier in den schommelstoel. (Vat haar handen). Ja, nu heb je je oude bekende gezicht toch weer … het was maar zoo in 't eerste oogenblik…. Een beetje bleeker ben je wel geworden … en misschien een beetje magerder ook.

MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora.

NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje; lang niet zoo erg veel. (Houdt plotseling op—ernstig). O maar waar heb ik toch mijn hersens … ik zit hier zoo maar te babbelen!… Lieve, beste Kristine kan je het mij vergeven?

MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora?

NORA (zachtjes). Arme Kristine, je bent immers weduwe geworden.

MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden.

NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd kwam er iets tusschenbeiden.

MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed.

NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat heb je al een boel ondervonden…. En hij heeft je niets nagelaten om van te leven, hè?

MEVR. LINDE. Neen … niets.

NORA. Ook geen kind?

MEVR. LINDE. Neen.

NORA. Dus heelemaal niets?

MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren.

NORA (kijkt haar ongeloovig aan). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk?

MEVR. LINDE (glimlacht droevig en streelt Nora over het haar). Ja dat gebeurt soms wel eens, Nora.

NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen….

MEVR. LINDE. Neen … neen … vertel jij liever.

NORA. Neen … jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoïst zijn. Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar één ding moet ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer dagen te beurt is gevallen?

MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan?

NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden!

MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk!

NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan, vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe … net zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig! Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal geen zorgen daarover. Vind je ook niet?

MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het noodige te hebben.

NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld!

MEVR. LINDE (glimlacht). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend.

NORA (lacht stil). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is niet zoo dwaas als jullie denkt…. O, we hebben het heusch niet zóó gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken!

MEVR. LINDE. Jij ook?

NORA. Ja, kleinigheden … handwerkjes … haak- en borduurwerkjes en zoowat; (luchtig) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken, dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest.

MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italië geweest, hè?

NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar was toen pas geboren. Maar wég moesten we natuurlijk. O, het was een verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het heeft heel wat geld gekost.

MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen.

NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg.

MEVR. LINDE. Zeker … maar in zoo'n geval is het ten minste een groot geluk als je het hebt.

NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa.

MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf, geloof ik.

NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik getrouwd ben.

MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt dus naar Italië?

NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken.

MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen?

NORA. O, zoo gezond als een visch!

MEVR. LINDE. Maar … de dokter?

NORA. Hoe zoo?

MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die mijnheer die gelijk met mij aan de deur was.

NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze beste vriend, en hij komt hier op zijn minst ééns per dag eens aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd. En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (Springt op en klapt in de handen). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!… Neen maar … 't is toch afschuwelijk van me … ik praat aldoor maar over mezelf. (Gaat dicht bij haar zitten op een tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot). Och toe, wees niet boos op mij!… Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man hieldt? Waarom nam je hem dan?

MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen. Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam.

NORA. Neen … neen … daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was hij rijk?

MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over.

NORA. En toen?

MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij geweest, als één enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora. Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en kunnen voor zichzelf zorgen.

NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen….

MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor te leven. (Staat zenuwachtig op). Daarom hield ik het daarginder in dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen, iets op een kantoor of zoo….

NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst eens een poosje naar een badplaats ging.

MEVR. LINDE (gaat naar het raam). Ik heb geen Papa die mij reisgeld geven kan.

NORA (staat op). O, wees niet boos op mij.

MEVR. LINDE (naar haar toegaand). Lieve Nora, wees jij niet boos op mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je egoïst. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie … wil je 't wel gelooven?… was ik er minder blij over voor jou dan voor mijzelf.

NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald misschien wat voor je zou kunnen doen?

MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan.

NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes … eens iets heel liefs bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van dienst zijn.

MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor mij interesseert … dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van de moeilijkheden van het leven.

NORA. Ik?… weet ik daar zoo weinig van?…

MEVR. LINDE (glimlachend). Nou … dat beetje handwerken en zoo … Je bent nog een kind, Nora.

NORA (loopt door de kamer met het hoofd in den nek). Dat moest je niet op zoo'n hoogen toon zeggen.

MEVR. LINDE. Zoo? Niet?

NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug voor iets ernstigs.

MEVR. LINDE. Och kom….

NORA. … dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld.

MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je tegenspoeden verteld.

NORA. Och wat … die bagatellen! (Zachtjes). Ik heb je het groote niet verteld.

MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee?

NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen. Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt gewerkt.

MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te maken.

NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor je broers.

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb.

NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine.Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.

MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat?

NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag het om niets ter wereld hooren … niemand mag het weten. Kristine; niemand dan jij….

MEVR. LINDE. Maar watishet dan toch?

NORA. Kom eens hier. (Trekt haar op de sofa naast zich). Weet je, ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.Ikheb Torwald's leven gered.

MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered?

NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italië. Torwald zou er nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was….

MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor….

NORA (glimlacht). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen gelooven het; maar….

MEVR. LINDE. Maar?…

NORA. Papa gaf ons geen rooie duit.Ikben 't geweest die het geld bijeen heb gescharreld.

MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som?

NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan?

MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dàt kunnen doen? Had je dan een prijs uit de loterij getrokken?

NORA (verachtelijk). Uit de loterij? (Geringschattend). Wat zou dáár nu voor kunst aan geweest zijn?

MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dàn van daan?

NORA (neuriet zacht en geheimzinnig). Hm! tra la la la!

MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet.

NORA. Zoo? En waarom niet?

MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder medeweten van haar man.

NORA (werpt het hoofd in den nek). O, als het maar een vrouw is die een beetje verstand van zaken heeft … een vrouw die een beetje handig is … dan….

MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van.

NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geldgeleendhéb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen hebben. (Gooit zich achterover op de sofa). Ik kan het gekregen hebben van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik….

MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora!

NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, hè?

MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een beetje onbezonnen gehandeld?

NORA (zit weer rechtop). Onbezonnen om je man's leven te redden?

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn voorkennis….

NORA. Maar hij mócht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was. 't Was bijmijdat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in gevaar was … dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen; ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en kuren … zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden moet je toch, en toen hebikeen uitweg gezocht.

MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld niet van hem kwam?

NORA. Neen … nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te verraden. Maar hij was al zoo ziek…. 't Was helaas toen ook niet meer noodig.

MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man?

NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat punt! En bovendien … Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde … hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer zijn wat het nu is.

MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen?

NORA (nadenkend, half glimlachend). Jawel … later misschien;… over vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu…. Daar moet je niet om lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter de hand te hebben…. (Uitbarstend). Och malligheid! Die tijd komt nooit…. Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine? Kan ik nu ook niet iets flinks doen?… Ik verzeker je dat die zaak mij al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen. Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben. De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige kleintjes.

MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, armeNora?

NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet waar?

MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn!

NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was haast net of ik een man was.

MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen?

NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen raad geweten. (Glimlacht). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat een oude rijke heer verliefd op me geworden was….

MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer?

NORA. Och malligheid!… en dat hij nu gestorven was en zijn testament geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant."

MEVR. LINDE. Maar Nora-lief … wat was dat voor een heer?

NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen, want nu heb ik geen zorgen meer. (Springt op). O god, Kristine, dat is toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien gaan wij dan wel een reisje maken … mogelijk wel naar de zee, die ik zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!

(Er wordt gebeld aan de voordeur).

MEVR. LINDE (staat op). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan.

NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voorTorwald zijn….

DIENSTMEISJE (in de deur). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw … maar hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken.

NORA. Meneer de directeur, meen je.

DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet … omdat de dokter binnen is….

NORA. Wie is die meneer?

Zaakwaarnemer KROGSTAD (in de deur). Ik ben het mevrouw.

(Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan).

NORA (gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid). U? Wat beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken?

KROGSTAD. Over bankzaken … tot op zekere hoogte. Ik heb een klein postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik hoor….

NORA. Het is dus over….

KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets.

NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan. (Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet; dan gaat zij naar de kachel kijken).

MEVR. LINDE. Nora … wie was die man?

NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad.

MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch!

NORA. Ken je dien man?

MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend … vele jaren geleden. Hij was een tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons.

NORA. Ja dat was hij ook.

MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd!

NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest.

MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar?

NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (Zij sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op zij).

MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze.

NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van … maar laat ons nu niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend.

(Dokter Rank komt uit Helmer's kamer).

DOKTER RANK (nog in de deur). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (Sluit de deur en bemerkt mevr. Linde). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom.

NORA. Welneen, heelemaal niet. (Stelt voor). Dokter Rank—MevrouwLinde.

RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap.

MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed stijgen.

RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen?

MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt.

RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat ontspanning te nemen met de kerstfeesten.

MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.

RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is?

MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter.

RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is.

NORA. Nou maar, dokter Rank … u wil toch ook wel graag leven.

RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patiënten zijn net eender. En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer….

MEVR. LINDE (gedempt). Ah!

NORA. Wie meent u?

RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij tochlevenmoest.

NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken?

RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over deHypotheekbank was.

NORA. Ik wist niet dat Krog … dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met de Hypotheekbank te maken had.

RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (Tegen mevr. Linde). Ik weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes buiten blijven staan toekijken.

MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben opgesloten te worden.

RANK (haalt de schouders op). Ja, daar hebben wij de kwestie.Dieopvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij.

(Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid lachen en klapt in haar handen).

RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij is?

NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel iets anders … iets vreeselijk vermakelijks…. Zeg u nu eens, dokter … worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu afhankelijk van Torwald?

RANK. Vindt u dàt zoo vreeselijk vermakelijk?

NORA (glimlacht en neuriet). Waarom niet? (Loopt rond door de kamer). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij … dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (Haalt de bonbons uit haar zak). Dokter heeft u ook trek in bonbons?

RANK. Kijk eens aan, bonbons…. Ik dacht dat dat verboden waar was hier.

NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht.

MEVR. LINDE. Wat?… Ik?…

NORA. Nou … nou … schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke tanden van krijgen zal. Maar och … voor een enkel keertje…. Niet waar dokter? Alsjeblieft. (Stopt hem een bonbon in den mond). En jij ook Kristine. En ik mag er ook eentje … een kleintje maar … één … of op zijn hoogst twee! (Loopt weer rond). Nu ben ik toch zoo in-gelukkig. Nu is er maar één ding in de wereld waar ik zoo'n dollen lust in zou hebben.

RANK. En dat is?

NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, datTorwald het hoorde.

RANK. En wáárom zegt u het dan niet?

NORA. Neen … ik durf niet … het is zoo leelijk.

MEVR. LINDE. Leelijk?

RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel….Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde?

NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems!

RANK. Hoe heb ik het nu met u!

MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora.

RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij!

NORA (stopt de bonbons weg). Sst, sst, sst!

(Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in de hand).

NORA (naar hem toegaand). Wel Torwald-lief, ben je van hem af?

HELMER. Ja hij is weg.

NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen is.

HELMER. Kristine?… Pardon, ik weet niet goed….

NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde.

HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar kindertijd?

MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend.

NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om eens met jou te kunnen spreken.

HELMER. Dat wil zeggen?

MEVR. LINDE. Dat nu juist niet….

NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er zich nog verder in te bekwamen….

HELMER. Heel verstandig mevrouw.

NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden—dat was daar door een telegram bekend gemaakt—reisde zij, zoodra zij kon, hier heen en…. Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel wat voor Kristine doen? Zeg?

HELMER. Welzeker, dat is heel wel mogelijk. Mevrouw is vermoedelijk weduwe?

MEVR. LINDE. Ja.

HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken?

MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel.

HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal kunnen bezorgen….

NORA (klapt in haar handen). Zie je wel! Zie je wel!

HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw….

MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?…

HELMER. Heelemaal niet noodig. (Trekt zijn overjas aan). Maar vandaag moet u mij excuseeren….

RANK. Wacht, ik ga met je mee. (Haalt zijn pels uit het portaal en warmt dien bij den kachel).

NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief.

HELMER. Een uurtje maar, langer niet.

NORA. Ga jij ook weg, Kristine?

MEVR. LINDE (doet haar mantel om). Ja ik moet weg; ik moet nog een kamer zoeken.

HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan.

NORA (helpt haar). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn, maar wij kunnen je onmogelijk….

MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk dank voor alles!

NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter? Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed in. (Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap klinken kinderstemmen).

NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (Zij gaat gauw de buitendeur opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en kust ze). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!… Daar heb je ze nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk?

RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten!

HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden voor iemand die geen kinderen heeft.

(Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur).

NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als appeltjes en rozen. (De kinderen praten den heelen tijd er tusschen door). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn lief klein poppekindje! (Neemt het kleinste op den arm en danst er mee door de kamer). Ja … ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu eens doen … het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer; je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor je.

(De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz. uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander laat vertellen).

NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij beet je niet hè? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens willen weten. Neen … neen … daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen? Maar wàt dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moetikhet doen? Goed dan—dan zal ik mij verstoppen.

(Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel; de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt voortgezet).

KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer….

NORA (met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op). Ah! wat wou u?

KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander heeft zeker vergeten ze te sluiten….

NORA (staat op). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad.

KROGSTAD. Dat weet ik.

NORA. O … ja? wat wou u dan eigenlijk?

KROGSTAD. Een woordje met u spreken.

NORA. Met…? (Tegen de kinderen zachtjes). Gaat nu zoet naar Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen. Als hij weg is gaan we weer spelen. (Zij brengt de kinderen in de kamer links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig). Wou u met mij spreken?

KROGSTAD. Ja.

NORA. Van daag?… Maar het is toch nog niet de eerste van de maand.

KROGSTAD. Neen … het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of dat een gelukkige avond voor u zijn zal.

NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet….

KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd?

NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel….

KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw man voorbijgaan….

NORA. Ja?…

KROGSTAD. … met een dame.

NORA. En wat zou dat?

KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een zekere mevrouw Linde?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen.

NORA. Ja … van daag.

KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u?

NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in….

KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend.

NORA. Dat weet ik.

KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de Hypotheekbank?

NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn ommijuit te vragen, meneer Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer Krogstad.

KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist.

NORA (loopt in de kamer op en neer). O, een klein beetje invloed heeft iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw, daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat…. Als men in een ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die … hm….

KROGSTAD. … die invloed heeft?

NORA. Juist, ja.

KROGSTAD (met veranderde stem). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken?

NORA. Wat bedoelt u?

KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud?

NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen?

KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet. Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word.

NORA. Maar ik geef u de verzekering….

KROGSTAD. Jawel, jawel … kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen.

NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed.

KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei….

NORA. Dat was natuurlijk zóó niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven dat ik zóó'n invloed op mijn man heb?

KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere getrouwde mannen.

NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur.

KROGSTAD. Mevrouw is dapper.

NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de heele geschiedenis af zijn.

KROGSTAD (zich beheerschend). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren om mijn postje aan de Bank te behouden.

NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien.

KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst om te doen. Maar er is iets anders…. Nou ja, ik zal 't maar zeggen. Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij, vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt.

NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb.

KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de modder kom te liggen.

NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn macht om u te helpen.

KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen om u te dwingen.

NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig ben?

KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed?

NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (Met tranen in haar stem). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen … te weten dooru. U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen….

KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden?

NORA (heftig). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn; want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden.

KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar u bang voor is?

NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te maken.

KROGSTAD (een beetje dichterbij). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft òf geen heel sterk geheugen, òf heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal u de zaak eens wat duidelijker maken.

NORA. Hoe dan?

KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te leen.

NORA. Ik wist niemand anders.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen.

NORA. En dat deed u ook.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus: ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u opmaakte.

NORA. En die ik onderteekende.

KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader onderteekenen.

NORA. Moest?… Hij heeft ze immers onderteekend.

KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich dat?

NORA. Ja … ik geloof 't wel….

KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te sturen aan uw vader. Was het zoo niet?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit.

NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald?

KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar … om nog eens terug te komen op dat waar wij over spraken … dat was toen wel een moeilijke tijd voor u, mevrouw.

NORA. Dat was het zeker.

KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik.

NORA. Hij lag op sterven.

KROGSTAD. En stierf ook kort daarna?

NORA. Ja.

KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke dag van de maand het was, bedoel ik.

NORA. Papa stierf den 29sten September.

KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er iets zonderlings in de zaak (haalt een papier voor den dag) dat ik mij volstrekt niet verklaren kan.

NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet….

KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood.

NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet….

KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier. Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is dat niet vreemd, mevrouw?

NORA (zwijgt).

KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren?

NORA (blijft zwijgen).

KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf zijn naam heeft neergeschreven?

NORA (na eenig zwijgen—werpt het hoofd in den nek en ziet hem uitdagend aan). Neen … die is niet echt. Ik ben het die papa's naam geschreven heb.

KROGSTAD. Mevrouw … weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is?

NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen.

KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?… Waarom zond u dat papier niet aan uw vader?

NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kòn hem toch niet zeggen, zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat wàs toch onmogelijk.

KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had opgegeven.

NORA. Neen … dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven van mijn man redden. Die kòn ik niet opgeven.

KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was tegenover mij?

NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was.

KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat watikeens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit.

NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft gedaan om het leven van uw vrouw te redden?

KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen.

NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn.

KROGSTAD. Slecht of niet … breng ik dit stuk papier voor het gerecht, dan wordt u volgens de wet veroordeeld.

NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel iets moet staan, dat zóó iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u, die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer Krogstad.

KROGSTAD. Dat kan zijn. Vanmijnzaken … van zulke zaken als u en ik samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u nu maar wat u wil. Maarditzeg ik u: word ik voor den tweeden keer uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (Hij groet en gaat heen door het portaal).

NORA (een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd). Och wat!… Hij wil mij bang maken; zóó dom bèn ik nu niet. (Gaat de kleeren van de kinderen bij elkaar leggen—houdt dan in-eens op). Maar?… Neen, dat is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde.

DE KINDEREN (in de deur links). Mama, nu is die vreemde man weg!

NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken, hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa!

DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen?

NORA. Neen … nu niet.

DE KINDEREN. Hè Maatje, u heeft 't toch beloofd!

NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes! (Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit). Neen! (Gooit haar werk neer, staat op, loopt naar de deur en roept). Helene! breng den kerstboom eens binnen. (Gaat naar de tafel links en doet de lâ open; wacht dan weer). Neen … maar dat kàn toch niet mogelijk zijn!

DIENSTMEISJE (met den boom). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw?

NORA. Daar, midden op den grond.

DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen?

NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb.

(Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op te sieren). Hier lichtjes, en dáár bloemen. Die afschuwelijke kerel! Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald … ik zal voor je zingen, voor je dansen….

(Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm).

NORA. Zoo, ben je al terug?

HELMER. Ja. Is er iemand geweest?

NORA. Hier? Neen.

HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan.

NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier.

HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te vragen een goed woord voor hem te doen.

NORA. Ja.

HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, hè? Je moest voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet gevraagd?

NORA. Jawel, Torwald, maar….

HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij een onwaarheid te zeggen!

NORA. Een onwaarheid?

HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (Dreigt met zijn vinger). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje moet nooit valsche tonen laten hooren! (Slaat zijn arm om haar heen). Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (Laat haar los). En nu praten wij er niet meer over. (Gaat bij de kachel zitten). Hè, wat is het hier gezellig en lekker. (Kijkt zijn papieren vluchtig door).

NORA (bezig met den kerstboom—na een kleine pauze). Torwald!

HELMER. Ja.

NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs overmorgen.

HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen zult.

NORA. Och, 't is eigenlijk mal … maar….

HELMER. Wat dan?

NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo onbeduidend.

HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen?

NORA (achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend). Heb je het erg druk, Torwald?

HELMER. Och….

NORA. Wat zijn dat voor papieren?

HELMER. Zaken van de Bank.

NORA. Nu al?

HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken. Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben.

NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad….

HELMER. Hm.

NORA (heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar vingers met zijn nekharen). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om een heel grooten dienst willen vragen, Torwald.

HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn?

NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn costuum gemaakt moet worden?

HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden engel?

NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp.

HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen.

NORA. Hè, dat is lief van je. (Gaat weer naar den boom—een pauze). Wat doen die roode bloemen daar mooi hè? Zeg eens, is het heusch zoo iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft?

HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat dat beteekent?

NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben?

HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen, voor een dergelijke op zichzelf staande daad.

NORA. Neen, hè, Torwald?

HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn schuld bekent en zijn straf ondergaat.

NORA. Straf?…

HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan.

NORA. Geloof je dàt?…

HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen, altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het vreeselijkst, Nora.

NORA. Waarom?

HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n huis kiemen van slechtheid binnen.

NORA (heel dicht achter hem). Ben je daar zeker van?

HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat.Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad.

NORA. Waarom juist moeders?

HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (Steekt haar beide handen toe). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de nabijheid van zulke menschen.

NORA (trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den boom). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen.

HELMER (staat op en neemt zijn papieren op). Ja, ik moet ook zien dat ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (Legt zijn hand op haar hoofd). O, jij, mijn éénig, lief zangvogeltje! (Hij gaat in zijn kamer en sluit de deur achter zich).

NORA (zachtjes, na eenig zwijgen). Och wat! Het is niet waar. Het is onmogelijk. Hetmoetonmogelijk zijn.

DE KINDERMEID (in de deur links). De kleintjes vragen toch zóó, of ze bij Mama mogen komen.

NORA. Neen … neen … neen … laat ze niet hier komen! Toe, ga jij bij hen, Anna-Marie.

DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (Sluit de deur).

NORA (bleek van schrik). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis vergiftigen? (Korte pauze; dan heft zij het hoofd op). Dat is niet waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn!

* * * * *


Back to IndexNext