Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en mantel liggen op de sofa.
Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op.
* * * * *
NORA (laat haar mantel weer los). Daar komt iemand! (Luistert aan de deur). Neen … toch niet…. Natuurlijk… van daag komt er geen mensch, eersten kerstdag … en morgen ook niet…. Maar misschien…. (Doet de deur open en kijkt buiten). Neen … niets in de brievenbus; heelemaal leeg. (Loopt door de kamer). Och malligheid! Hij doet 't immers niet. Zoo iets kàn immers niet gebeuren. 't Is een onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen.
DE KINDERMEID (komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links).Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden.
NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel.
DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje.
NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen wil.
DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora zal nog kou vatten … en ziek worden.
NORA. O, dat zou het ergste niet zijn. Wat doen de kinderen?
DE KINDERMEID. De arme stakkerdjes spelen met al het moois van den kerstboom, maar….
NORA. Vragen ze dikwijls naar mij?
DE KINDERMEID. Ze zijn het zoo gewend dat Mamaatje bij hen is.
NORA. Ja maar, Anna-Marie, ik kán voortaan niet zooveel meer bij hen zijn als vroeger.
DE KINDERMEID. Och, kleine kinderen wennen aan alles.
NORA. Geloof je dat? Geloof je dat ze hun Mama zouden vergeten als zij voor goed weg was?
DE KINDERMEID. 't Is zonde … voor goed weg.
NORA. Hoor eens, Anna-Marie, vertel me eens … daar heb ik al zoo dikwijls over gedacht … hoe kon je het toch over je hart verkrijgen om je kind bij vreemden te doen?
DE KINDERMEID. Maar dat moest ik wel, toen ik als min bij de kleine Nora zou komen.
NORA. Ja maar, dat je datwoudoen?
DE KINDERMEID. Als ik zoo'n goeden minnedienst kon krijgen? Een arme meid die ongelukkig gemaakt is, mag nog blij toe zijn. Want die slechte kerel deed heelemaal niets voor mij.
NORA. Maar je dochter heeft je zeker vergeten.
DE KINDERMEID. O neen, dat heeft ze toch waarlijk niet. Zij heeft mij geschreven, toen zij is aangenomen en ook toen ze getrouwd is.
NORA (omhelst haar). Mijn oude Anna-Marie, je bent een goede moeder voor mij geweest toen ik klein was.
DE KINDERMEID. Kleine Nora, dat stakkerdje, had immers geen andere moeder dan mij.
NORA. En als de kleintjes geen andere moeder hadden, dan weet ik wel dat jij ook voor hen…. Och mallepraat. (Doet de doos open). Ga nu maar weer bij de kinderen. Nu moet ik…. Morgen zal je eens zien hoe prachtig ik zijn zal.
DE KINDERMEID. Ja, daar zal zoo waar niemand op het heele bal zijn zoo prachtig als mevrouw Nora. (Zij gaat in de kamer links).
NORA (begint de doos uit te pakken, maar gooit al gauw den heelen boel neer). O, als ik maar durfde uitgaan. Als er maar niemand kwam. Als er thuis in dien tijd maar niets gebeurde. Och ik zeur; er komt geen mensch. Alleen maar niet denken. Mijn mof opborstelen. Mooie handschoenen, mooie handschoenen. Jaag het weg! Een, twee, drie, vier, vijf, zes…. (Gilt). O, daar komen ze…. (wil naar de deur, maar blijft besluiteloos staan).
MEVR. LINDE (komt van het portaal, waar zij haar hoed heeft afgedaan).
NORA. O, ben jij het Kristine. Er is toch niemand anders daar?… Hè, 't is goed dat je komt.
MEVR. LINDE. Ik hoor dat je bij mij geweest bent en naar mij hebt gevraagd?
NORA. Ja, ik kwam juist voorbij. Er is iets waar je mij alsjeblieft mee helpen moet. Laten we hier op de sofa gaan zitten. Kijk eens. Morgen is er een gecostumeerd bal bij de Stenborgs, die hier boven ons wonen, en nu wil Torwald dat ik gaan zal als Napolitaansch visschersmeisje en de Tarantella dansen, die ik op Capri geleerd heb.
MEVR. LINDE. Kijk eens aan; dus je zult een heele voorstelling geven?
NORA. Ja, Torwald wil graag dat ik het doe. Kijk hier is het costuum; dat liet Torwald daarginder voor mij maken. Maar nu is het allemaal zoo gehavend, dat ik eigenlijk niet weet….
MEVR. LINDE. O, dat is gauw weer in orde te brengen; het is alleen maar het garneersel dat hier en daar een beetje losgegaan is. Heb je naald en draad? Zoo, dan hebben we al alles wat we noodig hebben.
NORA. Hè wat lief van je, Kristine!
MEVR. LINDE (naait). Dus morgen zal je gecostumeerd zijn? Weet je wat … dan kom ik eens even kijken hoe je er uit ziet. Maar ik heb nog heelemaal vergeten je te bedanken voor den gezelligen avond van gisteren.
NORA (staat op en loopt door de kamer). Och, ik vond het hier gisteren niet zoo gezellig als anders. Je hadt een beetje vroeger in stad moeten komen, Kristine.—Ja Torwald heeft er goed slag van zijn huis mooi en prettig te maken.
MEVR. LINDE. Maar jij niet minder, dunkt mij; je bent niet voor niets de dochter van je vader. Maar zeg eens, is die dokter Rank altijd zoo bedrukt als gisteren?
NORA. Neen, gisteren was het erg opvallend. Maar hij is lijdend aan een heel gevaarlijke ziekte. Hij heeft ruggemergstering, de stakkerd. Weet je, zijn vader was een akelige man, die er liefjes op na hield en al zoo meer, en daardoor was zijn zoon van kind af ziekelijk, begrijp je?
MEVR. LINDE (laat haar werk zakken). Maar liefste, beste Nora, hoe kom jij zulke dingen te weten?
NORA (loopt rond). Och … als je drie kinderen hebt, dan krijg je soms wel eens bezoek van … van vrouwen, die zoo half-en-half dokter zijn, en die vertellen je dan het een-en-ander.
MEVR. LINDE (naait weer … kleine stilte). Komt dokter Rank hier alle dag aan huis?
NORA. Vast iederen dag. Hij is Torwald's beste vriend, al van voor zijn trouwen, en ook mijn vriend. Dokter Rank is zooveel als lid van het gezin.
MEVR. LINDE. Maar is de man wel heel oprecht? Ik bedoel, zegt hij niet graag maar wat om menschen aangenaam te zijn?
NORA. Neen … integendeel. Hoe kom je daarbij?
MEVR. LINDE. Toen je hem aan me voorstelde, zei hij dadelijk dat hij mijn naam hier in huis dikwijls gehoord had; maar later merkte ik, dat je man er heelemaal geen idee van had wie ik eigenlijk was. Hoe kon dan dokter Rank…?
NORA. Jawel, dat is toch heuschwaar, Kristine. Zie je, Torwald houdt zoo ontzettend veel van mij; en daarom wil hij mij heel alleen hebben, zooals hij zegt. In den eersten tijd was hij als 't ware jaloersch als ik alleen maar iemand noemde van de lieve menschen thuis. Nou, toen liet ik dat dan ook maar. Maar met dokter Rank spreek ik dikwijls over al die dingen, want hij luistert er graag naar, zie je.
MEVR. LINDE. Hoor eens, Nora, je bent in sommige dingen nog net een kind; ik ben een heel eind ouder dan jij en heb ook een beetje meer ondervinding. Ik zal je eens iets zeggen: je moet zien dat je van die zaak met dien dokter Rank afkomt.
NORA. Van welke zaak moet ik zien af te komen?
MEVR. LINDE. Zoowel van het een als van het ander, dunkt mij. Gisteren praatte je over een rijken bewonderaar, die je geld moest bezorgen….
NORA. Ja, een die er niet is … helaas. Maar wat zou dat?
MEVR. LINDE. Heeft dokter Rank geld?
NORA. Jawel.
MEVR. LINDE. En niemand om voor te zorgen?
NORA. Neen, niemand … maar…?
MEVR. LINDE. En hij komt hier iederen dag aan huis?
NORA. Ja, dat zei ik je immers?
MEVR. LINDE. Hoe kan zoo'n beschaafd man zoo onkiesch zijn?
NORA. Ik begrijp je heelemaal niet.
MEVR. LINDE. Houd je nu niet van den domme, Nora. Denk je dan dat ik niet begrijp van wien je die vijf duizend kronen geleend hebt?
NORA. Ben je niet wijs? Hoe kom je er bij? Een vriend van ons, die iederen dag bij ons komt! Wat zou dat voor een vreeselijke pijnlijke verhouding zijn!
MEVR. LINDE. Dus heusch niet van hem?
NORA. Neen, dat verzeker ik je. Dat is nooit een oogenblik in mij opgekomen…. Bovendien toen had hij ook nog geen geld … hij heeft pas later geërfd.
MEVR. LINDE. Nou, dat was maar heel gelukkig voor jou, geloof ik,Nora-lief.
NORA. Neen, dat is nog nooit in mij opgekomen om dokter Ranker om te vragen…. Anders … ik weet zeker dat àls ik er om vroeg….
MEVR. LINDE. Maar dat doe je natuurlijk niet.
NORA. Neen natuurlijk niet. Ik geloof niet, ik kan mij niet voorstellen dat het noodzakelijk zou kunnen worden. Maar ik ben er zeker van, dat als ik met dokter Rank sprak….
MEVR. LINDE. Buiten je man om?
NORA. Ik moet dat àndere uit de wereld hebben … dàt is óók buiten hem om. Dáár moet ik zien af te komen.
MEVR. LINDE. Ja … ja … dat zei ik gisteren ook, maar….
NORA (loopt op en neer). Een man kan zoo iets veel beter klaar spelen dan een vrouw….
MEVR. LINDE. Als het je eigen man is, ja.
NORA. Och leuterpraat. (blijft staan). Als iemand alles betaalt wat hij schuldig is dan krijgt hij immers zijn schuldbekentenis terug?
MEVR. LINDE. Ja, dat spreekt.
NORA. En dan kan je die in honderd-duizend-stukken scheuren en verbranden … zoo'n ellendig smerig papier!
MEVR. LINDE (kijkt haar strak aan, legt haar naaiwerk neer en staat langzaam op). Nora, je verbergt iets voor me.
NORA. Kan je mij dat aanzien?
MEVR. LINDE. Er is iets met je gebeurd sedert gisteren ochtend. Nora, wàt is er?
NORA (naar haar toegaand). Kristine! (luistert). Sst! Daar komt Torwald thuis. Wacht, ga zoo lang bij de kinderen zitten. Torwald kan dien naairommel niet uitstaan. Laat Anna-Marie je helpen.
MEVR. LINDE (neemt een gedeelte van haar werk mee). Ja … ja … maar ik ga niet weg, voor wij eens openhartig gepraat hebben. (Af naar links; tegelijkertijd komt Helmer van het portaal).
NORA (loopt hem te gemoet). O, wat heb je je lang laten wachten, lieveTorwald.
HELMER. Was dat de naaister?
NORA. Neen, dat was Kristine; zij helpt mij mijn costuum in orde maken.Je zult eens zien hoe mooi ik zijn zal!
HELMER. Ja, was dat nu niet een gelukkige inval van mij?
NORA. Prachtig! Maar ben ik nu ook niet lief dat ik je zin doe?
HELMER (zijn hand onder haar kin leggend). Lief … omdat je je man zijn zin doet? Nou, jij dwaasje, ik weet wel dat je het zoo niet meent. Maar ik wil je niet hinderen; je moet zeker gaan passen.
NORA. En jij hebt zeker te werken?
HELMER. Ja (wijst op een pak papieren). Kijk eens hier. Ik ben in deBank geweest…. (wil naar zijn kamer gaan).
NORA. Torwald.
HELMER (blijft staan). Ja.
NORA. Als je eekhorentje je nu eens heel erg dringend om iets vroeg…?
HELMER. Wat dan?
NORA. Zal je het dan doen?
HELMER. Eerst moet ik natuurlijk weten wat het is.
NORA. Je eekhorentje zou in de rondte springen en allerlei kunstjes maken, als jij nu een lief en toegevend was.
HELMER. Voor den dag er mee dan!
NORA. Je leeuwerikje zou luid en zachtjes door alle kamers zingen….
HELMER. Och wat, dat doet mijn leeuwerikje immers toch.
NORA. Ik zou als een elf voor je dansen in den maneschijn, Torwald.
HELMER. Nora … het is toch niet dat, waarop je van morgen doelde?
NORA (dichterbij). Juist, Torwald, ik smeek je er om!
HELMER. En durf je waarlijk nog eens op die zaak terug te komen?
NORA. Ja, Torwald, ja, jemoetme mijn zin geven; jemoetKrogstad zijn betrekking bij de Bank laten behouden.
HELMER. Mijn lieve Nora, zijn betrekking is bestemd voor mevrouw Linde.
NORA. Ja, dat is vreeselijk lief van je; maar dan kan je toch wel een anderen klerk wegsturen in plaats van Krogstad.
HELMER. Dat is nu toch een ongelooflijke doordrijverij! Omdat jij hem een onbekookte belofte geeft om een goed woord voor hem te doen, zou ik…!
NORA. Daarom is het niet, Torwald. Het is voor je zelf. Die man schrijft immers in de vuilste couranten, dat heb je zelf gezegd. Hij kan je zoo ontzettend veel kwaad doen. Ik heb zoo'n doodelijken angst voor hem….
HELMER. Aha! nu begrijp ik 't; het zijn oude herinneringen die je bang maken.
NORA. Wat bedoel je daarmee?
HELMER. Je denkt natuurlijk aan je vader.
NORA. Ja … juist. Herinner je maar eens hoe slechte menschen in de couranten schreven over papa en hoe afschuwelijk ze hem belasterden. Ik geloof zeker dat zij het zoover gebracht zouden hebben dat hij zijn ontslag kreeg, als de Regeering jou niet gezonden had om die zaak te onderzoeken, en als jij niet zoo welwillend en hulpvaardig voor hem was geweest.
HELMER. Mijn kleine Nora, er is een aanmerkelijk verschil tusschen je vader en mij. Je vader was als ambtenaar niet onaantastbaar. Maar dat ben ik wel; en dat hoopt ik te blijven zoo lang ik mijn betrekking vervul.
NORA. O, niemand weet wat slechte menschen kunnen bedenken. Nu zouden wij het zoo goed, zoo rustig en gelukkig kunnen hebben hier, in ons vredig huis, zonder zorgen … jij en ik en de kinderen, Torwald! Daarom smeek ik je….
HELMER. En juist door je voorspraak maak je het mij onmogelijk hem te houden. Als het nu ruchtbaar werd, dat de nieuwe directeur zich door zijn vrouw had laten ompraten….
NORA. Wat dan nog?
HELMER. Neen natuurlijk; als het kleine eigenzinnige vrouwtje haar zin maar kreeg…. Ik zou mij belachelijk maken voor mijn heele personeel … de menschen op het idee brengen dat ik toegankelijk was voor allerlei invloeden van buiten af? Geloof me, daarvan zou ik de gevolgen gauw genoeg ondervinden! En buitendien … er is nog iets dat Krogstad volkomen onmogelijk maakt bij de Bank, zoo lang ik daar directeur ben.
NORA. Wat is dat?
HELMER. Misschien had ik zijn moreele tekortkomingen desnoods nog door de vingers kunnen zien.
NORA. Ja, niet waar?
HELMER. En ik hoor dat hij ook heel bruikbaar moet zijn. Maar hij is een goede kennis uit vroeger dagen. Dat is zoo een van die overijlde kennismakingen, waar je zoo dikwijls in je later leven last van hebt. Ja, ik wil het jou wel ronduit bekennen, we gingen zelfs heel familiaar met elkaar om. En hij, zoo taktloos mogelijk, maakt daar volstrekt geen geheim van als er anderen bij zijn. Integendeel … hij verbeeldt zich dat hij daarom het recht heeft nog jij en jou tegen mij te spelen; en dan komt hij ieder oogenblik voor den dag met zijn: zeg eens, Helmer! Ik verzeker je dat mij dat hoogst pijnlijk aandoet. Hij zou mij mijn positie aan de Bank onhoudbaar maken.
NORA. Torwald, dat alles meen je toch niet in ernst?
HELMER. Zoo? Waarom niet?
NORA. Neen, dat zijn toch allemaal eigenlijk maar kleinzielige overwegingen.
HELMER. Wat zeg je daar? Kleinzielig? Dus jij vindt mij kleinzielig?
NORA. Neen integendeel, Torwald-lief, en juist daarom….
HELMER. Dat is hetzelfde; je noemt mijn motieven kleinzielig; dus dan moet ik het ook wel zijn. Kleinzielig! Waarachtig!… Nou, daar zullen wij eens gauw een eind aan maken (gaat naar het portaal en roept). Helene!
NORA. Wat ga je doen?
HELMER (zoekt in zijn papieren). Er een einde aan maken.
(Het meisje komt binnen).
HELMER. Hier; ga terstond naar beneden met dezen brief. Hou een besteller aan en laat die hem bezorgen. Maar gauw. Het adres staat er op. Wacht, hier is geld.
DIENSTMEISJE. Best mijnheer. (Zij gaat weg met den brief).
HELMER (legt zijn papieren weer bij elkaar). Zie zoo, mevrouwtje dwingeland.
NORA (ademloos). Torwald … wat was dat voor een brief?
HELMER. Krogstad's ontslag.
NORA. Herroep dat, Torwald! het is nog tijd. O Torwald, herroep dat! Doe het om mijnentwil … om je zelfs wil … ter wille van de kinderen! Och toe, Torwald; doe het! Je weet niet wat daaruit voortkomen kan voor ons allen.
HELMER. Te laat.
NORA. Ja, te laat.
HELMER. Lieve Nora, ik vergeef je je angst, hoewel die in den grond een beleediging is voor mij. Ja, dat is zoo! Of is het geen beleediging te gelooven, datikbang zou zijn voor de wraak van een verloopen zaakwaarnemer? Maar ik vergeef het je toch, omdat het zoo'n mooi bewijs is van je groote liefde voor mij. (Neemt haar in zijn armen). Het moet nu eenmaal zoo zijn, als het er op aankomt, heb ik zoowel moed als kracht. Je zult zien, ik ben de man die alles op zich durft te nemen.
NORA (doodverschrikt). Wat meen je daarmee?
HELMER. Alles, zeg ik je….
NORA (bedaard). Dat zal nooit in der eeuwigheid gebeuren.
HELMER. Goed … dan deelen wij, Nora … als man en vrouw. Zoo behoort het ook. (liefkoost haar). Ben je nu tevreden? Kom … kom … kom … niet zulke verschrikte oogen opzetten. Het is immers allemaal niets dan pure verbeelding…. Nu moest je de Tarantella nog eens doorspelen en je oefenen met de tamboerijn. Ik ga in het binnen-kantoor zitten en doe de tusschendeur dicht, dan hoor ik niets; dan kan je net zooveel leven maken als je wilt (gaat naar de deur). En als Rank komt, zeg hem dan waar hij mij vinden kan. (Hij knikt haar toe, gaat met zijn papieren zijn kamer binnen en doet de deur achter zich dicht).
NORA (in wilden angst, staat als vastgenageld, fluistert). Hij zou in staat zijn het te doen. Neen dat nooit in der eeuwigheid! Liever alles dan dat! Redding…. Een uitweg…. (er wordt gebeld). Dokter Rank…. Liever alles dan dat! Lieveralleswat het dan ook zijn moge! (Zij strijkt met de handen over haar gezicht, doet haar best kalm te zijn en gaat de deur open doen. Dokter Rank staat buiten en hangt zijn pels aan den kapstok. Gedurende het nu volgende begint het donker te worden).
NORA. Dag dokter. Ik herkende uw belletje. Maar u moet nu niet bijTorwald gaan, want ik geloof dat hij iets te doen heeft.
RANK. En u?
NORA (terwijl hij de kamer binnen gaat en zij de deur achter hem sluit). O, dat weet u wel … voor u heb ik altijd wel tijd.
RANK. Dank u … dat is lief van u. Daar zal ik gebruik van maken zoo lang als ik kan.
NORA. Wat meent u daarmee? Zoo lang als u kan?
RANK. Schrikt u daarvan?
NORA. Och, het is zoo'n wonderlijk zeggen. Denkt u dan dat er iets gebeuren zal?
RANK. Er zal iets gebeuren waar ik mij al lang op voorbereid heb. Maar ik dacht toch nog niet dat het zoo gauw komen zou.
NORA (grijpt zijn arm). Wat is dat? Wat weet u dan? Dokter, u moet het mij zeggen!
RANK (gaat bij de kachel zitten). Ik ga hard achteruit. Er is niets meer aan te doen.
NORA (haalt verlicht adem). Is er iets met u?
RANK. Met wie anders? Het helpt niet of je jezelf wat voorliegt. Ik ben de miserabelste van al mijn patiënten. Ik heb dezer dagen mijn inwendige balans eens opgemaakt. Bankroet. Binnen een maand lig ik waarschijnlijk al te vergaan daarginder op het kerkhof.
NORA. Hè foei, wat een leelijke dingen zegt u daar.
RANK. Het is ook een vervloekt leelijk ding. Maar het ergste is dat er zoo veel andere leelijke dingen vooraf moeten gaan. Ik heb nu nog maar één onderzoek te doen; als ik daarmee klaar ben, weet ik zoo ongeveer wanneer het op zijn eind loopt. En nu moet ik u iets zeggen. Helmer, met zijn verfijnde natuur, heeft zoo'n sterk uitgedrukten afkeer van al wat leelijk is, dat ik hem niet in mijn ziekekamer wil hebben.
NORA. Maar dokter….
RANK. Ik wil er hem niet hebben, zeg ik u. In geen geval. Ik sluit mijn deur voor hem…. Zoodra ik volle zekerheid heb van het ergste, zend ik u een visitekaartje met een zwart kruis er op; dan weet u dat de ellende van de laatste periode begonnen is.
NORA. Neen maar, vandaag is u heusch niet te hébben! En ik, die juist zoo hoopte, dat u in een heel goede bui zou zijn!
RANK. Met den dood vlak voor oogen?… En op die manier te moeten boeten voor de schuld van een ander. Is dat nu rechtvaardig?—En ieder gezin wordt op een of andere manier door een dergelijke vergelding bezocht….
NORA (houdt haar handen voor de ooren). Praatjes! Vroolijk zijn!Vroolijk!
RANK. Ja, bij mijn ziel, 't is ook eigenlijk om te lachen, de heele historie. Mijn arme onschuldige rug moet het ontgelden voor het vroolijke luitenantsleven van mijn vader.
NORA (bij de tafel links). Hij is immers zoo verzot op asperges en pâté-de-foie-gras. Is 't niet?
RANK. Ja … en op truffels.
NORA. O ja, truffels. En op oesters ook, hè?
RANK. Ja, oesters; oesters, dat spreekt.
NORA. En dan veel portwijn en champagne er bij…. 't Is toch treurig dat al die lekkere dingen zoo ongezond zijn.
RANK. Vooral als ze slecht nawerken op een ongelukkig lichaam dat er niets van genoten heeft.
NORA. Ja, dat is zeker wel het allertreurigste.
RANK (ziet haar uitvorsend aan). Hum….
NORA. Waarom lacht u?
RANK. Neen,ulachte.
NORA. Neen, 't was u die lachte, dokter!
RANK (staat op). U is toch nog grooter ondeugd dan ik dacht.
NORA. Ik heb van daag ook zoo'n lust om gekheid te maken.
RANK. Dat lijkt wel zoo.
NORA (met beide handen op zijn schouder). Lieve, beste dokter Rank, u mag niet heengaan van Torwald en mij.
RANK. Och, dat verdriet zou u wel gauw te boven zijn. Zij die heengaan worden gauw vergeten.
NORA (ziet hem angstig aan). Gelooft u dat?
RANK. Men maakt nieuwe kennissen en krijgt nieuwe relaties, en dan….
NORA. Wie krijgt nieuwe relaties?
RANK. Wel u en Helmer allebei, als ik weg ben. U is al goed op weg, dunkt me. Wat had die mevrouw Linde hier nu te maken gisteren avond?
NORA. Oho! U is toch bij geval niet jaloersch op die arme Kristine?
RANK. Jawel, dat ben ik wel. Zij zal mijn opvolgster worden hier in huis. Als ik afgedaan heb, zal dat mensch….
NORA. Sst; spreek zoo hard niet; zij is hiernaast.
RANK. Van daag alweer? Ziet u nu wel!
NORA. Alleen maar om wat aan mijn costuum te naaien. Lieve hemel, wat is u onmogelijk! (Gaat op de sofa zitten). Wees nu eens lief, dokter; morgen zal u eens zien hoe mooi ik zal dansen; en dan moet u maar denken dat ik het heel alleen voor u doe … nu ja, natuurlijk ook voor Torwald … dat spreekt. (Haalt enkele dingen uit de kartonnen doos). Dokter, gaat u nu eens hier zitten, dan zal ik u wat laten kijken.
RANK (gaat zitten). Wat zijn dat?
NORA. Kijk dan. Kijk!
RANK. Zijden kousen!
NORA. Vleeschkleurige. Zijn ze niet prachtig? Ja, 't is hier nu al zoo donker; maar morgen…. Neen, neen, neen; u mag alleen maar de voeten zien. Och ja, eigenlijk mag u de rest ook wel zien.
RANK. Hm…!
NORA. Waarom kijkt u zoo kritiesch? Denkt u soms dat ze mij niet passen?
RANK. Daar kan ik onmogelijk eenige gegronde reden voor hebben.
NORA (kijkt hem een oogenblik aan). Foei … u moest u schamen. (Slaat met de kousen luchtig om zijn ooren). Daar … dat verdient u! (Pakt de kousen weer in).
RANK. En wat zijn er nog meer voor heerlijkheden die ik te zien krijg?
NORA. U krijgt heelemaal niets meer te zien, want u is heel ondeugend. (Zij neuriet en rommelt zoo'n beetje in de doos).
RANK (na een kort zwijgen). Als ik hier nu zoo heel vertrouwelijk bij u zit, dan begrijp ik niet … neen, dan kan ik mij niet voorstellen … wat er van mij geworden zou zijn, als ik nooit bij u aan huis gekomen was.
NORA (glimlachend). Ja, ik geloof wel dat u het eigenlijk heel gezellig bij ons vindt.
RANK (zachter, voor zich uitziende). En dan dat alles te moeten verlaten….
NORA. Praatjes…. U gaat ons niet verlaten.
RANK (als voren). … en niet eens een armzalig bewijs van dank te kunnen achterlaten … ternauwernood een vluchtig gemis… niets anders dan een leege plaats, die door den eersten den besten ingenomen kan worden.
NORA. En als ik nu eens vroeg om…? Neen….
RANK. Om wat?
NORA. Om een groot bewijs van uw vriendschap…?
RANK. Ja … ja?
NORA. Neen … ik meen … om een ontzettend grooten dienst….
RANK. Zou u mij heusch voor één enkelen keer zoo gelukkig willen maken?
NORA. Neen … ik kan toch niet, dokter; het is zoo onmogelijk veel, zoowel raad als hulp en een dienst!…
RANK. Hoe meer hoe beter. 't Is mij onbegrijpelijk waarop u doelen kan.Toe, zeg 't dan toch. Vertrouwt u mij dan niet?
NORA. Ja, ik vertrouw u meer dan iemand anders. U is mijn beste vriend, dat weet ik wel. Daarom zal ik het u ook zeggen. Hoort u eens: U moet mij helpen om iets te verhinderen. U weet hoe innig, hoe dol veel Torwald van mij houdt; geen oogenblik zou hij zich bedenken om zijn leven voor mij op te offeren.
RANK (tot haar overbuigend). Nora … geloof je dan dat hij de eenige is…?
NORA (met een schok). Die…?
RANK. Die graag zijn leven voor je opofferen zou?
NORA (droevig). Och zoo.
RANK. Ik heb het mijzelf beloofd dat je het weten zoudt voor ik heenging. Een betere gelegenheid zal zich nooit weer voordoen. Ja, Nora … nu weet je het. En nu weet je ook dat je op mij vertrouwen kunt zooals op niemand anders.
NORA (staat op, kalm en onbewogen). Laat mij eens even door.
RANK (maakt plaats voor haar maar blijft zitten). Nora….
NORA (in de deur naar het portaal). Helene! breng de lamp eens binnen (gaat naar de kachel). Ach, beste dokter, dat staat u nu eigenlijk heel leelijk.
RANK (staat op). Dat ik je even lief heb als een ander? Staat dat mij leelijk?
NORA. Neen, maar dat u het mij zegt. Dat was immers heelemaal niet noodig….
RANK. Wat bedoel je? Wist je het dan?
(Het dienstmeisje komt binnen met de lamp, zet die op de tafel en gaat weer heen).
RANK. Nora … mevrouw Helmer … ik vraag u of u er iets van geweten heeft?
NORA. Och, weet ik of ik iets geweten heb of niet! Dat kan ik u heusch niet zeggen…. Dat u nu zoo onhandig zijn kon, dokter! Nu was alles zoo goed.
RANK. Nu, u heeft nu in elk geval de zekerheid dat ik met lichaam en ziel tot uw beschikking ben. En wil u me nu zeggen wat het is?
NORA (kijkt hem aan). Na wat u gezegd heeft?
RANK. Ik smeek u, zeg mij nu wat het is.
NORA. Neen, nù kan ik u niets meer zeggen.
RANK. O ja, jawel…. Zoo moet u mij niet straffen. Toe, laat mij voor u mogen doen wat een mensch bij machte is te doen.
NORA. Nù kan u niets meer voor mij doen…. Och, ik zal ook wel geen hulp noodig hebben. U zal zien dat het allemaal maar verbeelding van mij was. Ja, dat is het stellig … natuurlijk! (gaat in de schommelstoel zitten, kijkt hem aan, glimlacht). U is me zoowaar een mooie meneer, dokter! Is u nu eigenlijk niet een beetje beschaamd nu het licht op is?
RANK. Neen; eigenlijk niet! Maar nu moet ik misschien wel weggaan … voor goed?
NORA. Neen, dàt mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen kan.
RANK. Ja … maar ù?
NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt.
RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij samen was als met Helmer.
NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn.
RANK. Jawel, daar is wel iets van aan.
NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa. Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant onder elkaar.
RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen.
NORA (springt op en gaat naar hem toe). O lieve beste dokter, zoo bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met Torwald net is als met papa…. (Het dienstmeisje komt binnen).
DIENSTMEISJE. Mevrouw! (fluistert en reikt haar een kaartje over).
NORA (kijkt even op het kaartje). Och! (steekt het in haar zak).
RANK. Is er iets onaangenaams?
NORA. O neen … neen … volstrekt niet; het is maar iets … het is mijn nieuwe costuum….
RANK. Uw costuum? Dat ligt immers dáár?
NORA. O ja, dat; maar dit is een ander … ik heb het besteld …Torwald mag het niet weten.
RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim.
NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hoû hem zoo lang aan de praat….
RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (Af naar Helmer's kamer).
NORA (tegen het meisje). Staat hij te wachten in de keuken?
DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen….
NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was?
DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets.
NORA. Wou hij niet weggaan?
DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft.
NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer.
DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel…. (af).
NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen, neen, het kán niet … het mag niet…. (zij schuift den grendel voor Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels, met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts).
NORA (vlak bij hem). Spreek zachtjes; mijn man is thuis.
KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe….
NORA. Wat wil u van mij?
KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets.
NORA. Gauw dan. Waarover?
KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben?
NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets.
KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan blootstellen, en toch waagt hij….
NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet!
KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn….
NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man.
KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft?
NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon.
KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik….
NORA. Wat wil u van mij?
KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een afgedankte klerk, een … nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u.
NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen.
KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen aangifte doen.
NORA. O neen … niet waar … dat wist ik wel!
KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons drieën.
NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen.
KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er nog staat?
NORA. Neen, niet zoo dadelijk.
KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer dagen?
NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil.
KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier vóór mij met nóg zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis toch niet van mij terug.
NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil?
KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren … het onder mij houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen met een of ander wanhopig voornemen….
NORA. Dat doe ik.
KROGSTAD … als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te loopen….
NORA. Dat doe ik!
KROGSTAD. Of … over iets ergers nog….
NORA. Hoe weet u dat?
KROGSTAD. … laat u dat voornemen dan varen.
NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk?
KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik dáár over. Ik dacht er ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe….
NORA. Ik ook niet.
KROGSTAD (verlicht). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe … u ook niet….
NORA. Neen … neen … ik heb er den moed niet toe!
KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste huiselijke storm maar over is…. Ik heb hier in mijn zak een brief aan uw man….
NORA. En staat het daar allemaal in?
KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt.
NORA (snel). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem!Ik zal toch het geld wel zien te krijgen.
KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te hebben….
NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen.
KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man.
NORA. Wat verlangt u dan?
KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen … maar in een hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creëren.
NORA. Dat doet hij van zijn leven niet!
KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben ik er maar eerst weer in, mèt hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer.
NORA. Maar dat zal u nooit beleven!
KROGSTAD. Wil u soms…?
NORA. Nù heb ik er den moed toe.
KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u….
NORA. U zal het zien; u zal het zien!
KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk, onherkenbaar, met uitgevallen haar…?
NORA. U maakt mij toch niet bang.
KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet, mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers toch in mijn macht.
NORA. Daarnà? Als ik er niet meer…?
KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dàn nog over uw goeden naam kan beschikken?
NORA (staat sprakeloos … ziet hem aan).
KROGSTAD. Zoo … nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. AlsHelmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud,dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken.Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (af door het portaal).
NORA (bij de deur … opent die op een kier en luistert). Hij gaat weg … geeft den brief niet af…. O, neen … neen, dat zou ook àl te erg zijn! (opent de deur hoe langer hoe verder). Wat is dat nu?… Hij blijft buiten staan … gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich bedenken? Zou hij…. (er valt een brief in de bus; daarop hoort men Krogstad de trappen afgaan).
NORA (met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa … kleine pauze). In de brievenbus. (Sluipt schuw naar de buitendeur). Daar ligt hij … Torwald, Torwald … nu is er geen uitkomst meer!
MEVR. LINDE (komt met het costuum uit de kamer links). Nu weet ik er verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen?
NORA (heesch en zachtjes). Kristine, kom eens hier.
MEVR. LINDE (legt de japon op de sofa neer). Wat is er? Je ziet er heelemaal ontdaan uit.
NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Dáár, kijk, achter het glas van de brievenbus.
MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel.
NORA. Dat is een brief van Krogstad….
MEVR. LINDE. Nora … het is Krogstad die je het geld geleend heeft!
NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten.
MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste.
NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening gemaakt.
MEVR. LINDE. Groote hemel…!
NORA. Nu wil ik je één ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige zijn.
MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik…?
NORA. Als ik soms gek worden mocht … en dat zou wel eens kunnen gebeuren….
MEVR. LINDE. Nora!
NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde … iets … waardoor ik niet hier kon zijn….
MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf!
NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van alles, begrijp je….
MEVR. LINDE. Ja … Ja … maar hoe kan je denken?
NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed.
MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van.
NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal, dat is juist het wonderbare.
MEVR. LINDE. Het wonderbare?
NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat màg niet gebeuren, om alles in de wereld niet!
MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken.
NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen!
MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook was, voor mij zou gedaan hebben.
NORA. Hij?
MEVR. LINDE. Waar woont hij?
NORA. Och, ik weet 't niet … ja toch (tast in haar zak). hier is zijn kaartje. Maar de brief, de brief!…
HELMER (in zijn kamer, klopt op de deur). Nora!
NORA (gilt van angst). Wat is er? Wat wou je van me?
HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen?
NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald!
MEVR. LINDE (die het kaartje heeft gelezen). Hij woont hier vlak bij, even den hoek om.
NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De brief ligt in de bus.
MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel?
NORA. Ja, altijd.
MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet maar een voorwendsel zien te vinden….
NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd….
MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo gauw mogelijk terug (gaat snel heen door het portaal).
NORA (gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen).Torwald!
HELMER (in de binnenkamer). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien…. (in de deur). Wat is dat nu?
NORA. Wat Torwald-lief?
HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij.
RANK (in de deur). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker vergist.
NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht vóór morgen.
HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang gerepeteerd?
NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd.
HELMER. Dat zal toch noodig zijn.
NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten.
HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen.
NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen…. Je moet je van avond eens geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand nemen. Hé? Doe je 't Torwald-lief?
HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!… Hm, ja … één ding moet ik toch eerst…. (gaat naar de buitendeur).
NORA. Wat wil je daar nu doen?
HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn.
NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald!
HELMER. Wat moet dat?
NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen.
HELMER. Laat mij toch even zien (wil gaan).
NORA (bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan).
HELMER (bij de deur … blijft staan). Aha!
NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb.
HELMER (gaat naar haar toe). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief?
NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger.
HELMER. Graag … als je het verlangt (gaat voor de piano zitten).
NORA (haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige écharpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong vooruit en roept:) Speel nu! Dan zal ik dansen!
(Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter Helmer, en ziet toe).
HELMER (spelend). Langzamer, langzamer!
NORA. 'k Kan niet anders!
HELMER. Niet zoo woest, Nora!
NORA. Zoo moet het juist!
HELMER (houdt op). Neen, neen, neen … dat gaat heelemaal niet.
NORA (lacht en zwaait met de tamboerijn). Heb ik het niet gezegd?
RANK. Laat mij eens voor haar spelen.
HELMER (staat op). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren.
(Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren; haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen).
MEVR. LINDE (blijft verstomd staan in de deur). Ah…!
NORA (onder het dansen door). 't Is hier een vroolijke partij,Kristine!
HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond….
NORA. Dat doet het ook.
HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (Rank houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil).
HELMER (naar haar toegaand). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt alles vergeten wat ik je geleerd heb.
NORA (gooit de tamboerijn neer). Nu zie je het zelf.
HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben.
NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me repeteeren. Beloof je mij dat Torwald?
HELMER. Daar kan je vast op rekenen.
NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan met mij; je moet geen brief open maken … zelfs de brievenbus niet….
HELMER. Ah … dat is nog de angst voor dien kerel….
NORA. O ja … dat ook.
HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem.
NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen.Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is.
RANK (zacht tegen Helmer). Doe haar zin nu maar.
HELMER (slaat zijn armen om haar heen). Nou, 't kindje zal haar zin hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt….
NORA. Dan ben je vrij.
DIENSTMEISJE (in de deur rechts). Mevrouw, het eten is opgedaan.
NORA. Breng een flesch Champagne, Helene.
DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (af)
HELMER. Zoo, zoo … groot feest dus?
NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (Roept in het portaal). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel … voor dezen keer!
HELMER (grijpt haar handen). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders.
NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter.Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken.
RANK (zacht, terwijl zij weggaan). Is er soms iets … iets aan de hand?
HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige angst, waarvan ik je vertelde. (Zij gaan rechts af).
NORA. Wel!?
MEVR. LINDE. Uit de stad.
NORA. Ik zag het aan je.
MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter.
NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de komst van het wonderbare.
MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht?
NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom dadelijk ook. (Mevr. Linde gaat naar de eetkamer).
NORA (staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de klok). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit. Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven.
HELMER (in de deur rechts). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan toch?
NORA (met open armen naar hem toe). Hier is je leeuwerikje!
[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)]
* * * * *
Zelfde kamer. De canapé-tafel staat midden in de kamer met stoelen er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek.
Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden. Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de buitendeur.
* * * * *
MEVR. LINDE (kijkt op de klok). Nog al niet. En 't wordt toch hoog tijd. Als hij maar niet…. (luistert weer). Ah! daar is hij. (Zij gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort zachtjes loopen op de trap; zij fluistert): Kom binnen. Er is niemand.
KROGSTAD (in de deur). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent dat?
Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken.
KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren?
MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen en de Helmers zijn op 't bal hier boven.
KROGSTAD (gaat de kamer binnen). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van avond?
MEVR. LINDE. Ja, waarom niet?
KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet?
MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten.
KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen?
MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen.
KROGSTAD. Ik dacht van niet.
MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt.
KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is?
MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte?
KROGSTAD. Deed je dat dan niet?
MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht?
KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zóó als je deedt?
MEVR. LINDE. Ik kón immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij voelde.
KROGSTAD (wringt de handen). Zóó was het dus gemeend. En dat alles … alles alleen om het geld!
MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten, Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten.
KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te verstooten voor een ander.
MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd òf ik het recht er toe had.
KROGSTAD (zachter). Toen je mij losliet, was het of de grond onder mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een schipbreukeling op een wrak.
MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn.
KROGSTAD. Die wàs nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen.
MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord dat ik in jouw plaats kom bij de Bank.
KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je nu terug?
MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten.
KROGSTAD. Baten, baten … ik zou het toch graag willen.
MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd.
KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te gelooven.
MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar aan daden mag je toch gelooven?
KROGSTAD. Wat meen je daarmee?
MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak.
KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen.
MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om voor te zorgen en niemand die om mij geeft.
KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen.
MEVR. LINDE. Ik hàd toen geen andere keus.
KROGSTAD. Nou … maar wat wou je zeggen?
MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar konden komen?
KROGSTAD. Wat zeg je?!
MEVR. LINDE. Twee menschen samen op één wrak zijn er toch beter aan toe, dan ieder afzonderlijk op het zijne.
KROGSTAD. Kristine!
MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben?
KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben?
MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken.
KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil.
MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was?
KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk … weet je alles van mijn verleden?
MEVR. LINDE. Ja.
KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga?
MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een ander mensch hadt kunnen worden.
KROGSTAD. Dat weet ik zeker.
MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nòg kunnen gebeuren?
KROGSTAD. Kristine … zeg je dat na rijp overleg? Ja … dat doe je. Ik zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe?
MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;… ik durf gerust verder met jouw door het leven te gaan.
KROGSTAD (grijpt haar handen). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten … O maar ik vergat….
MEVR. LINDE (luistert). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw!
KROGSTAD. Waarom? Wat is dat?
MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze ieder oogenblik terugkomen.
KROGSTAD. O ja … ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb.
MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het.
KROGSTAD. En toch heb je moed?…
MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent, drijven kan.
KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken!
MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus.
KROGSTAD. Weet je dat zeker?
MEVR. LINDE. Heel zeker; maar….
KROGSTAD (ziet haar uitvorschend aan). Moet ik het misschien zóó verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan liever ronduit. Is dat zoo?
MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich ééns ter wille van anderen verkocht heeft, doet het niet voor een tweeden keer.
KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen.
Mevr. LINDE. Neen, neen….
KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet … dat ik het daarin alleen heb over mijn ontslag … dat hij hem niet moet lezen….
MEVR. LINDE. Neen, Krogstad, je moet dien brief niet terug vragen.
KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet dáárom dat je mij hier besteld hadt?