Chapter 8

MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond, hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die verborgenheden en uitvluchten.

KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar één ding kan ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden….

MEVR. LINDE (luistert). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn geen oogenblik langer veilig.

KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten.

MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen.

KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven geweest. (hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open staan).

MEVR. LINDE (reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar). Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken … om voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen…. (luistert). Aha! daar zijn ze. Gauw mijn hoed aan (neemt hoed en mantel op).

(Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over heen).

NORA (nog in de deur, tegenstribbelend). Neen, neen, neen; niet naar binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan.

HELMER. Maar liefste Nora….

NORA. Hè toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar één enkel uurtje!

HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (hij dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in).

MEVR. LINDE. Goeden avond.

NORA. Kristine!

HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier?

MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar costuum zien.

NORA. Heb je hier op mij zitten wachten?

MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te hebben.

HELMER (neemt Nora den doek af). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw?

MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven….

HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij … dat lieve kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen?

NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't maar een half uurtje, hebt gegund.

HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella … wordt stormachtig toegejuicht … wat ook wel verdiend was … hoewel de uitvoering misschien wel wat al te realistisch was … ik bedoel, wel iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar enfin. De hoofdzaak is dat zij succès heeft, groot succès. Mocht ik haar nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen … dank je wel; ik nam mijn Capri-meisje … mijn capricieus Capri-meisje zou ik kunnen zeggen … aan mijn arm; gauw even de zaal rond … buigen naar alle kanten … en, zooals het in de boeken heet … de mooie verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar dàt kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het hier warm! (hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur naar zijn kamer open). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk. Pardon…. (hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan).

NORA (fluistert snel en ademloos). Wel?

MEVR. LINDE (zacht). Ik heb hem gesproken.

NORA. En…?

MEVR. LINDE. Nora … je moet je man alles zeggen.

NORA (toonloos). Ik wist 't wel.

MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je 't.

NORA. Ik zeg niets.

MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen.

NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!…

HELMER (komt binnen). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd?

MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen.

HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk?

MEVR. LINDE (neemt het op). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten.

HELMER. Dus u breit?

MEVR. LINDE. O ja.

HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren.

MEVR. LINDE. Zoo? Waarom?

HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand de naald er door … zóó … in een luchtige, lange bocht … niet waar?…

MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn….

HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk maar: die vastgeklemde armen … de breinaalden die op en neer gaan … daar is iets Chineesch in die beweging…. Ja, dat was waarlijk uitstekende Champagne die ze daar schonken.

MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig.

HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde!

MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer.

HELMER (geleidt haar tot aan de deur). Goeden nacht, goeden nacht; ik hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag … maar u woont nog al niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (Zij gaat weg; hij sluit de deur en komt weer binnen). Zie zoo; eindelijk hebben we haar dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch.

NORA. Ben je niet moe, Torwald?

HELMER. Neen, in 't minst niet.

NORA. Heb je geen slaap ook?

HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit.

NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen.

HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te blijven.

NORA. O, het is altijd goed wat je doet.

HELMER (kust haar op het voorhoofd). Nu spreekt mijn leeuwerikje als een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was?

NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken.

HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede bui gezien, (kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar). Hm … het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen … om heel alleen met jou te zijn … o jij verrukkelijk, heerlijk jong vrouwtje.

NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald!

HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend van mij.

NORA (gaat naar den anderen kant van de tafel). Je moet van avond niet zulke dingen tegen mij zeggen.

HELMER (loopt haar na). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg te gaan. (Zachter) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil.

NORA. Ja dat hoop ik.

HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,… als ik zoo met je uit ben, op een partij … weet je waarom ik dan zoo weinig met je spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens stilletjes een oogje geef … weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons bestaat.

NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij zijn.

HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je châle om je teere jeugdige schoudertjes heenleg … om dien prachtig gevormden nek … dan stel ik mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen leid in mijn huis … dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag draaien en lokken … toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer uit … dáárom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis….

NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van weten.

HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek, Noraatje? Wil … wil? Ben ik je man dan niet? (Er wordt geklopt aan de buitendeur).

NORA (schrikt). Hoor je dat?

HELMER (naar het portaal gaand). Wie is daar?

DOKTER RANK (buiten). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen?

HELMER (zachtjes, ontstemd). Och, wat moet hij nu? (Hardop). Wacht even. (Gaat de deur opendoen). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat je onze deur niet voorbij gaat.

RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen kijken. (Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan). Ach ja; die lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie met je beidjes.

HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde.

RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang hij kan. De wijn was uitstekend….

HELMER. Vooral de Champagne.

RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel als ik er van doorspoelen kon.

NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond.

RANK. Zoo?

NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd.

RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond permiteeren na een goed gebruikten dag?

HELMER. Een goed gebruikten dag … daar durf ik mij helaas niet op beroemen.

RANK (klopt hem op den schouder). Maar dat durf ik, zie je.

NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan vandaag.

RANK. Ja juist.

HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke onderzoekingen!

NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag?

RANK. Ja, waarachtig, dat mag u.

NORA. Het was dus goed.

RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patiënt … zekerheid.

NORA (snel en verschrikt). Zekerheid?

RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond hebben?

NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter.

HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt.

RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven.

NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen?

RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn.

NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeën ons verkleeden op een volgende partij?

HELMER. Jij kleine pretmaakster … denk je nu alweer over de volgende?

RANK. Wij tweeën? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een gelukskind zijn.

HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt.

RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is….

HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan zelf zijn zult?

RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt.

HELMER. Wat dan?

RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn.

HELMER. Dat is een komieke inval!

RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed … heb je nooit gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen, en dan is er niemand die je zien kan.

HELMER (met een onderdrukt lachje). Ja, dat zal wel waar zijn.

RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's.

HELMER. Met het grootste genoegen (biedt hem zijn koker aan).

RANK (neemt er een en snijdt er het puntje af). Dank je.

NORA (strijkt een lucifer af). Laat ik u eens een vlammetje geven.

RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (Zij houdt de lucifer bij; hij steekt op). En nu adieu.

HELMER. Adieu, adieu beste vriend!

NORA. Slaap wel, dokter.

RANK. Dank voor dien wensch.

NORA. Wensch mij hetzelfde toe.

RANK. U? O ja, als u dat graag wil … slaap wel. En dank voor het vlammetje (hij knikt hun beiden toe en gaat heen).

HELMER (halfluid). Hij had wel wat veel gedronken.

NORA (verstrooid). Misschien wel.

(Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal).

NORA. Torwald, wat ga je daar doen?

HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is geen plaats meer voor de courant morgen ochtend….

NORA. Ga je nu nog werken van nacht?

HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb … wat is dat? Er is iemand aan het slot geweest.

NORA. Aan het slot?…

HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de meiden…? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora….

NORA (snel). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben….

HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;… ha, daar heb ik 't toch open (neemt den inhoud er uit en roept in de keuken). Helene!… Helene! doe het licht uit op het portaal (hij komt de kamer binnen en sluit de deur naar het portaal).

HELMER (met de brieven in zijn hand). Kijk eens hier, wil je eens zien hoe zich dat opgehoopt heeft? (kijkt ze na). Wat is dat?

NORA (bij het raam). De brief! O neen, neen, Torwald!

HELMER. Twee visitekaartjes … van Rank.

NORA. Van dokter Rank?

HELMER (bekijkt ze). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging.

NORA. Staat er iets op?

HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt.

NORA. Dat doet hij ook.

HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd?

NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven.

HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden zou. Maar zoo gauw…. En nu verstopt hij zich als een gewond dier!

NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel woorden te doen. Vind je ook niet Torwald?

HELMER (loopt op en neer). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het beste. Voor hem althans. (Blijft staan). En misschien voor ons, Nora. Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (slaat zijn armen om haar heen). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora … dikwijls wensch ik dat een onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten.

NORA (maakt zich los en zegt vast en besloten). Nu moet je je brieven gaan lezen, Torwald.

HELMER. Neen, neen … van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven, mijn lieve vrouwtje!

NORA. Met doodsgedachten aan je vriend?

HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets storends tusschen ons gekomen … gedachten aan dood en verwording. Daar moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang … zullen wij ieder naar onze eigen kamer gaan.

NORA (aan zijn hals hangend). Torwald,… goeden nacht! Goeden nacht!

HELMER (kust haar op het voorhoofd). Goeden nacht, mijn zangvogeltje. Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (Hij gaat met het pak in zijn kamer en sluit de deur achter zich).

NORA (loopt door de kamer met verwilderde oogen—grijpt Helmer's domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken): Hem nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (Gooit haar châle over haar hoofd). De kinderen ook nooit meer zien. Hen óók niet. Nooit, nooit…. O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!… Die…. O, was het maar voorbij!… Nu heeft hij den brief … nu leest hij hem…. O, neen … neen… nog niet. Torwald, vaarwel … vaarwel mijn kleintjes! (Zij wil de deur uitstormen … op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne open met een open brief in de handen).

HELMER. Nora!

NORA (gilt). Ah…!

HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat?

NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit!

HELMER (houdt haar tegen). Waar wil je heen?

NORA (tracht zich los te rukken). Je màg mij niet redden, Torwald!

HELMER (tuimelt terug). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen, neen; dat kan onmogelijk waar zijn…!

NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad bovenallesin de wereld.

HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten.

NORA (doet een stap naar hem toe). Torwald…!

HELMER. Jij rampzalige … wat heb je gedaan?

NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op je nemen.

HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (Sluit de deur af). Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van?

NORA (kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van verstarring): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen.

HELMER (loopt op en neer). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze acht jaren lang … zij, die mijn vreugd en mijn trots was … een huichelaarster, een leugenaarster … erger, erger nog … een misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!… Foei! Foei!

NORA (zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan).

HELMER (blijft vlak voor haar staan). Ik had moeten bedenken dat zoo iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige opvattingen van je vader…. Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van je vader heb jij geërfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen plichtgevoel…. O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zóó beloon je er mij voor.

NORA. Ja … zóó.

HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden … en ik durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw!

NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij.

HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was, zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat … dat ik je er toe aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je mij aangedaan hebt?

NORA (koel en kalm). Ja.

HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan. Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook…. En wat jou en mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die durf ik je niet toevertrouwen…. O, dat te moeten zeggen tegen háár, die ik zoo lief gehad heb en nog…! Nou … dat moet nu uit zijn. Van geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de restjes, den schijn nog te redden. (Er wordt buiten gebeld).

HELMER (schrikt). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste…?Zou hij…? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent.

(Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen).

DIENSTMEISJE (half ontkleed in het portaal). Een brief voor mevrouw.

HELMER. Geef mij dien (grijpt den brief en sluit de deur). Ja, dat is van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen.

NORA. Lees jij maar.

HELMER (bij de lamp). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ikmoet't toch weten (breekt den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier; een vreugdekreet). Nora!

NORA (ziet hem vragend aan).

HELMER. Nora!… Neen, ik moet het nog eens overlezen…. Ja, ja … het is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered!

NORA. En ik?

HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt en berouw heeft … dat een gelukkige omkeer in zijn leven … och, wat kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de wereld uit. Laat mij eens zien…. (kijkt even naar de onderteekening). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar als een droom voor mij geweest zijn (scheurt de schuldbekentenis en beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar terwijl het verbrandt). Ziezoo; nu is het weg…. Hij schreef dat jij sedert Kerstavond…. O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je geweest zijn, Nora.

NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen.

HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien dan…. Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij! Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht begrijpt: het is voorbij! wat is er toch … dat je gezicht zoo strak staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je deedt dat deedt je uit liefde voor mij.

NORA. Dat is waar.

HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen. Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb.

NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (zij gaat weg door de deur rechts).

HELMER. Neen, blijf nu…. (kijkt naar binnen). Wat ga je in de slaapkamer doen?

NORA. Mijn maskeradepak uit doen.

HELMER (bij de open deur). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (loopt rond dichtbij de deur blijvend). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi, Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif, die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zóó zal jij voortaan voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang, Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je geweten zijn…. Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je verkleed?

NORA (in haar daagsche japon). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed.

HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?…

NORA. Ik ga van nacht niet slapen.

HELMER. Maar, lieve Nora….

NORA (kijkt op de klok). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (zij gaat zitten aan den eenen kant van de tafel).

HELMER. Nora,… wat beteekent dat? Dat strakke gezicht….

NORA. Ga er bij zitten … het zal lang duren. Ik heb veel met je te bepraten.

HELMER (gaat tegenover haar aan de tafel zitten). Je maakt me angstig,Nora. En ik begrijp je niet.

NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook nooit begrepen … vóór van avond. Neen, je moet mij niet in de rede vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald.

HELMER. Hoe bedoel je dat?

NORA (na een kort zwijgen). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier zoo zitten?

HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn?

NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen spreken?

HELMER. Ja … ernstig … wat bedoel je daarmee?

NORA. In volle acht jaren … ja langer nog … van onze eerste kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen gewisseld.

HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen?

NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken.

HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn?

NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen…. Er is mij groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou.

HELMER. Wat! Door ons beiden … ons beiden … die meer van jou gehouden hebben dan van iemand ter wereld?

NORA (schudt het hoofd). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad.Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn.

HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden.

NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo; of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis kwam….

HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken?

NORA (onverstoorbaar). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo … ik weet 't zelf niet goed … ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof ik hier geleefd heb als een arm mensch … levend van de hand in den tand…. Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen.

HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet gelukkig geweest?

NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben het nooit geweest.

HELMER. Niet … niet gelukkig?

NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer. Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was. En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald.

HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt … hoe overdreven en overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden. De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk.

NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen?

HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen.

NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een echte vrouw voor je.

HELMER. En dat zegt jij?

NORA. En ik … ben ik in staat kinderen op te voeden?

HELMER. Nora!

NORA. Zei je dat zelf niet daar straks … dat werk durfde jij mij niet toevertrouwen.

HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten?

NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg.

HELMER (springt op). Wàt zeg je daar?

NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je blijven.

HELMER. Nora! Nora!

NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel logeeren….

HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je!

NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later.

HELMER. Maar dat is krankzinnigheid!

NORA. Morgen ga ik naar huis … ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen.

HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel!

NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald.

HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen?

NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij noodzakelijk is.

HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten onttrekken kunt!

NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten?

HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en kinderen?

NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten.

HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn?

NORA. Plichten jegens mij zelf.

HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder.

NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats mensch ben, ik, net zoo goed als jij … of in elk geval zal ik trachten het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden. Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet zèlf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen.

HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb je dan geen godsdienst?

NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is.

HELMER. Wàt zeg je daar?

NORA. Ik weet niets anders dan wat dominé Hansen zei, toen ik voor mijn belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dìt en dàt. Wanneer ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik zien of het waar was wat dominé Hansen zei, of in elk geval of het waar is voor mij.

HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch? Of … heb je dat misschien ook niet?

NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven.

HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij waarin je leeft!

NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik.

HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je hoofd een beetje in de war is.

NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als van nacht.

HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen?

NORA. Ja, dat doe ik.

HELMER. Dan is er nog één verklaring mogelijk.

NORA. Welke dan?

HELMER. Dat je niet meer van me houdt.

NORA. Dat is het juist.

HELMER. Nora!… En dat zeg jij!

NORA. O, het doet mij zoo zéér, Torwald; want je bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van je.

HELMER (met moeite zich bedwingend). Ben je daar ook zoo vast en zeker van overtuigd?

NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Dáárom wil ik niet langer hier blijven.

HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde verspeeld heb?

NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden had.

HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet.

NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag … geen oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt: maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was….

HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande en achterklap…!

NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige!

HELMER. Nora…!

NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben? Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het jouwe?… Dàt was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken.

HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,… zorgen en verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor iemand die hij liefheeft.

NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan.

HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind….

NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was… niet voor watmijdreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen alle gevaar voorbij was … toen was het voor jou, alsof er niets gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo teer en broos was. (Staat op). Torwald, op dat oogenblik werd het mij duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man, en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had…. O, ik kan er niet aan denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren!

HELMER (bedroefd). Ik zie 't wel … ik zie 't wel. Er is zeer zeker een diepe kloof tusschen ons ontstaan…. Maar Nora, zou die niet te overbruggen zijn?

NORA. Zóó als ik nù ben, kan ik je vrouw niet zijn.

HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden.

NORA. Misschien … als je pop je wordt afgenomen.

HELMER. O scheiden … scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte kan ik nog niet in mij opnemen.

NORA (gaat de kamer rechts binnen). Des te zekerder moet het gebeuren. (Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een stoel bij de tafel zet).

HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen.

NORA (doet haar mantel aan). Ik kan niet den nacht overblijven in de kamers van een vreemden man.

HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en zuster…?

NORA (zet haar hoed op). Je weet heel goed dat dat niet lang zou duren…. Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zóó als ik nu ben, kan ik niets voor hen zijn.

HELMER. Maar later, Nora … later…?

NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van mij worden zal.

HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later.

NORA. Hoor eens, Torwald;… wanneer een vrouw het huis van haar man verlaat zóó als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den mijnen.

HELMER. Ook dat nog?

NORA. Ook dat.

HELMER. Daar heb je hem.

NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik dáár neer. De meiden weten alles wat het huishouden betreft … beter dan ik. Morgen als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden.

HELMER. Voorbij … voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken?

NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit huis.

HELMER. Mag ik je schrijven, Nora?

NORA. Neen … nooit. Dat sta ik je niet toe.

HELMER. Maar, ik mag je toch zenden….

NORA. Niets … niets.

HELMER. … je helpen als je het noodig mocht hebben.

NORA. Neen … zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden.

HELMER. Nora … kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je worden?

NORA (neemt haar valies op). Och Torwald, dan zou het allerwonderheerlijkste moeten gebeuren….

HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste!

NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten zijn dat…. Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks.

HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn dat…?

NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (Zij gaat weg door het portaal).

HELMER (valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met de handen). Nora! Nora! (Kijkt om zich heen en staat op). Weg. Zij is weg. (Met een straal van hoop). Het wonderheerlijkste…?

(Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen).

* * * * *

* * * * *

Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving,in leven kapitein en kamerheer.OSWALD ALVING, haar zoon, schilder.Dominee MANDERS.ENGSTRAND, schrijnwerker.REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend.Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een grootefjord in westelijk Noorwegen.

* * * * *

Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten. Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canapé met een werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen.

Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos. Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij de serre binnenkomen wil.

* * * * *

REGINE (met gedempte stem). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je druipt van den regen.

ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief.

REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is.

ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (komt een paar stappen vooruit). Maar wat ik je nou zeggen wou….

REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te slapen.

ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag?

REGINE. Dat gaat jou niet aan.

ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond….

REGINE. Dat geloof ik graag.

ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief….

REGINE. Ja, dat zijn wij wel.

ENGSTRAND. … en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie je…; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg al weer aan het werk.

REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier geen rendez-vous-tjes met je hebben.

ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je?

REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen.

ENGSTRAND (een paar passen dichterbij). Neen, om de bliksem, ik ga niet weg vóór ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de stoomboot naar de stad terug.

REGINE (mompelt). Goede reis!

ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt.

REGINE. Ho!

ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht.

REGINE. Die komt van daag al.

ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je.

REGINE. O zoo, is dat de zaak!

ENGSTRAND. Is wat de zaak?

REGINE (kijkt hem strak aan). Waarvoor moet je dominee Manders nou weer in de luren leggen?

ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga.

REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft.

ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine.

REGINE (met open mond). Dat ik meega…? Wat zeg je nòu?

ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik.

REGINE (honend). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis.

ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien.

REGINE. Ja, dat zal je net eens zien.Ik, die opgegroeid ben bij mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer…?Ik, die hier bijna als kind in huis ben…. Zouikmetjounaar huis gaan? Naar zóó'n huis. Dank je lekker!

ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern?

REGINE (zonder hem aan te zien, bromt). Je hebt dikwijls genoeg gezegd dat ik je niks aanging.

ENGSTRAND. Nou, wat kan je dát schelen….

REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een…? Fi donc!

ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik nooit gebruikt.

REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte.

ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was … hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine.

REGINE. Bah!

ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam (nabootsend). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!" (lacht). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein kamerheer geworden was terwijl zij daar diende.

REGINE. Arme moeder;… die heb je gauw genoeg in het graf geholpen.

ENGSTRAND (zich oprichtend). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de schuld van alles.

REGINE (afgewend, halfluid). Ajakkes! en dan dat been.

ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief?

REGINE. Pied de mouton.

ENGSTRAND. Is dat Engelsch?

REGINE. Ja.

ENGSTRAND. Ja … ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu goed te pas komen, Regine.

REGINE (na even zwijgen). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar de stad hebben?

ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar?

REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor wil je mij thuis hebben?

ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te beginnen.

REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd weer mis.

ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!…De duivel haal me….

REGINE (stampvoetend). Schei toch uit met dat gevloek!

ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou alleen maar zeggen … ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van het werk in het nieuwe gesticht.

REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan.

ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten?

REGINE. Nou, en dan?

ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort logement voor zeelui….

REGINE. Ajakkes!

ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;… niet zoo'n gewoon smerig ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,… het zou iets moeten zijn voor scheepskapiteins en stuurlui en … en echt nette menschen, zie je.

REGINE. En dan zou ik…?

ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt.

REGINE. Jawel … o ja!

ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die rondzwalken op alle zeeën (dichterbij). Wees nou niet dom, en gooi je eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren? Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor die smerige kinderen?

REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan…. Nou, dat kan nog komen. Dat kan nog komen!

ENGSTRAND. Wat kan nog komen?

REGINE. Bemoei je daar maar niet mee…. Heb je hier veel geld verdiend?

ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen zijn.

REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet.

ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief.

REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven?

ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over.

REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor één armzalig japonnetje?

ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je japonnetjes genoeg krijgen.

REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in heb.

ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten zijn daar niet voor noodig; en dáár konden wij dan een soort van tehuis voor zeelui van maken, zie je.

REGINE. Maar ikwilniet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk uit!

ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent….

REGINE. Nou?…

ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren vóór er een stuurman kwam,… of misschien een kapitein….

REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen savoir-vivre.

ENGSTRAND. Wat hebben ze niet?

REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om mee te trouwen.

ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard zijn (vertrouwelijker). Hij … die Engelschman … die met zijn pleizierjacht … hij gaf wel driehonderd thalers … en zij was niks mooier dan jij, zeg.

REGINE (op hem toeloopend). Er uit, zeg ik je!

ENGSTRAND (wijkt terug). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan, hé?

REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit, zeg ik je! (dringt hem naar de tuindeur). En sla niet met de deuren; de jonge mijnheer Alving….

ENGSTRAND. … die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den jongen mijnheer Alving…. (zachter). Oho; ishij't misschien die…?

REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch! Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap af!

ENGSTRAND (naar rechts). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die daar aankomt.Hijis de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen uit je geboorteakte.

(Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer achter hem sluit).

(Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de bloemen).

(Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in de serre).

DOM. MANDERS. Dag Regine.

REGINE (keert zich blij verrast om). Neen maar!… Dag dominee! Is de boot al aan?

DOM. MANDERS. Net aangekomen (gaat de tuinkamer binnen). Wat een vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen.

REGINE (volgt hem). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee.

DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij stadsmenschen zoo weinig aan. (Hij begint zijn overjas uit te doen).

REGINE. O, mag ik u even helpen?… Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie…; die zal ik uitzetten, dan droogt die beter.

(Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien tijd komt Regine weer binnen).

DOM. MANDERS. Hè, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is alles wèl hier?

REGINE. Ja, dank u.

DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op morgen.

REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen.

DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik?

REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer zijn chocolade te geven.

DOM. MANDERS. Ja, dat is waar … ik hoorde beneden aan de aanlegplaats dat Oswald gekomen was.

REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet vóór vandaag verwacht.

DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik?

REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij is in ééne rek doorgereden van Parijs…; ik bedoel hij heeft de heele route met één en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten.

DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn!

REGINE (terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift). En gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (Hij gaat zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten). Zie zoo! Zit dominee nu goed?

DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (bekijkt haar). Hoor eens Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst zag.

REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben geworden ook.

DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien … een beetje … net genoeg (korte pauze).

REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen?

DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier buiten?

REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al.

DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de stad was.

REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te spreken krijgen kan.

DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe?

REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb….

DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij heeft erg behoefte aan een leidende hand.

REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn.

DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was.

REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet of mevrouw Alving mij missen wil,… vooral nù, nu wij zooveel te doen krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo lief voor mij geweest.

DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief…. Natuurlijk zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen.

REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren.

DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader van wien hier sprake is!

REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch…. Ja, als het nu een goed huis was, bij een echten heer….

DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine!

REGINE. … zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen….

DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind….

REGINE. … dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het erg eenzaam,… en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij?

DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet.

REGINE. Maar lieve beste dominee … denk in elk geval eens aan mij, als u soms….

DOM. MANDERS (staat op). Ja, dat zal ik, Regine.

REGINE. Ja, want als ik….


Back to IndexNext