De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die met de oneffenheden van den grond meegolfde.
Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven den afgrond.
Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te spannen.
Op zekeren uchtend—de zon was nog niet opgegaan—kwam de viervorstHero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.
De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze glooiingen.
Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth, Tiberias—waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.
En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken laag tegen den grond.
Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in Italië woonde zonder te streven naar macht.
Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam opdagen.
Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.
Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.
Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om te luisteren. De stem zweeg.
Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:
"Mannaëi! Mannaëi!"
Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk als dat eener mummie.
—Waar is hij? vroeg de Viervorst.
Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees:"Ginds! Altijd-door!"
"Ik meende hem te hooren".
En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze gekomen waren?
Mannaëi antwoordde:
"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."
Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:
"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed!Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"
Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.
Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.
Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd.
Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan 't liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."
Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe verder na te denken.
Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.
Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven liggen onder de zware wateren.
Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het hoofd in de handen, staroogend staan.
Iemand raakte hem aan.
Hij wendde zich om.
Herodias stond daar.
Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.
Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:
"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"
"Wie heeft het u gezegd?"
"Ik weet het!"
En ze voegde erbij:
"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."
Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!
Maar voortaan geen vrees meer!
"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet altijd zeker van zijn leven!"
Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.
Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te verleiden.
"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"
Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome gelaten. Ze sprak er nimmer over.
Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van teederheid.
Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.
Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.
Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.
"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.
"Houd in!" beval de Viervorst.
Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.
Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.
"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig bewaard blijft".
Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest der Joden tot hen doen overloopen.
"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest doeltreffend hem uit den weg te ruimen?
Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. "Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den balsem-oogst.
Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.
De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over het terras.
En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.
"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"
"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.
Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en koningen, die haar voorvaders waren.
"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn lafheid jegens het volk dat haar haatte.
"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en vergeet mij!"
De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en zijn oogen schitterden.
Herodias bespiedde hem.
Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.
Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.
"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"
"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."
En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een duisterig vertrek binnen.
Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat uit riemen van ossenleder was gevlochten.
Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.
Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in bezieling:
"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."
"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"
"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem vrijlaten."
"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.
De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich uitstrekken tot des aardrijks einden!"
Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn macht!… ondanks me-zelf, heb ik hem lief."
"Welnu dan, laat hem!"
De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voorMannaëi, en voor den onbekende.
Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te spiegelen.
Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die de toekomst lazen uit de sterren.
Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.
"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"
Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, dan:
"Vitellius!"
"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is hij hier."
Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.
De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.
De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.
De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen, bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren: want was het Oosten niet het vaderland der goden?
Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere, geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den Cesar getrouw.
Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.
De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:
"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan onmogelijk is, kwaad te stichten!"
Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk. Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:
"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan. Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het getalm met den bijstand.
De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:
"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"
De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.
Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om haar vergiftigheid.
Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de perkamenten letterbanden.
Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen gehuld.
Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï, Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den Babyloniër.
Vitellius had Mannaeï opgemerkt.
"Wie is die man?"
De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.
Toen stelde hij de Sadduceërs voor.
Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren. Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.
Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.
Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria, had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk, Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de misdadigers zouden gestraft worden.
Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de schildknoppen Cesars beeltenis.
Voor de Joden was dit afgoderij.
Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel de schilden weg te nemen.
Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend, privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.
Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.
Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste granaatappels.
Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld zou verbazen.
Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem de krochten van het fort zou ontsluiten.
Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand tot afstand door pijlers geschraagd.
De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen van scharlaat.
In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken, ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor het borsttuig der dromedarissen toe.
Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.
Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars, doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen. Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig voor wel veertig-duizend manschappen.
Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas verklaringen te geven:
Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren, of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat gewaar en wilde weten wat die deur verborg.
Alleen de Babyloniër kon haar openen.
"Roep den Babyloniër."
Men wachtte.
Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met den in ringen gekrulden baard.
In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk herhaalde.
Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in den muur.
Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.
Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere krochten.
Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend en murmelend.
Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig langs de kniebogen.
De Proconsul was stil van bewondering.
Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels. Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig, hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.
Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van dieren in tijd van oorlog.
"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".
De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de paarden en schreef ze in.
Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.
Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.
Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:
"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"
Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.
De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.
"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"
"Niemendal! een man, een gevangene."
"Laat zien!" zei Vitellius.
De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius ongeduldig worden.
"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.
Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag, meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen bewonderden de kracht van dien grijsaard.
Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de diepte iets vaags en verschrikkelijks.
Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd verdween hij weer in de diepte van zijn hol.
De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen; allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.
Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.
Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis. Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder, luisterde ze toe.
De stem verhief zich:
"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen wijnzakken, holklinkende cymbalen!"
Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele anderen kwamen toeloopen.
"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.
"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch uitstrooien!"
Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden geslaakt:—"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"
Maar nog luider ging hij voort:
"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen, zich blootgevend aan de dolken.
"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder al te zware vrachten!"
Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op, alle rampen hunner geschiedenis.
Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na het andere, over hen als harde slagen.
Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor leem, de woestijn openbloeiend als een roos.
"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten. Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"
De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn koningschap.
"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u vergaan als den goddeloozen Achab!"
Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het in den put, zwijgen gebiedend.
De stem antwoordde:
"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in barensnood!
"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met onvruchtbaarheid den bastaard."
Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den oeverrand.
Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef neerzien naar de diepte van den put.
De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.
"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen. Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels, uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren, de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de echtbreukige te steenigen!"
Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen, wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.
"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden! Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"
Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen verworgen.
Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stondAntipas zich te verdedigen.
"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen, maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,—daarin is de schande!"
"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te verbieden."
"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zeiAntipas.
Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij. Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.
Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.
"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te weigeren!"
"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.
De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde ze.
Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.
Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te roeren, legde ieder zijn grieven bloot.
Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.
Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den Viervorst te hebben verdedigd.
De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een verlichting!
Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen.Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:
"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld niet!"
Het binnenplein was ledig.
De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze wellicht heengetogen?
De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.
Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk uitte hij, wat hem op het het hart lag:
Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt. Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker, Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.
"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann zou men niet ter dood brengen.
"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.
Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels kunde.
Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders, zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan veeren, lagen er verspreid.
Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor deJoden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!
Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa; en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem misschien zouden verwurgen.
Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.
Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman verworven had.
"Hij werd me gegeven!" hernam ze.
Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar, wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een bankje was blijven liggen.
Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.
De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet omschrijven kon.
"Is dat eene van uw slavinnen?"
"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.
De gasten vulden de feestzaal.
Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige wulfsel-poort, open in den voorwand.
Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur, midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels, de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de huis-terrassen,—want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap als honden om, en droegen de schotels.
De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar als met een tente.
Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in, die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den rechterkant, de Viervorst op het middelste.
Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar, dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga plooide.
Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw. Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte voetzolen op.
Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst, aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes: twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers, Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber. Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen, en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven, pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans van bloemen.
De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht worden in den Tempel.
Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem, die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.
Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken. Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de gesprekken aan de nabije tafels.
Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon vanGittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus…
"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!"Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand vanzijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend:"Leugens! Jezus doet wonderen!"
Antipas zou er willen zien.
"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"
Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te genezen.
De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.
"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten minste niet de booze geesten tot handlangers had.
En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden hoofdschuddend:
"De booze geesten,—dat is klaarblijkelijk!"
Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:
"Rechtvaardig zijn macht!"
Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als verschrikt door zijn eigen woorden:
"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde een wijle met antwoorden.
Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog, de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij hem ieder oogenblik.
Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord. Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.
Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!"
"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta.
Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem gezien! en het volk ook had hem gezien!
"Zijn naam?"
Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!"
Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering om gehoor te krijgen.
Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en stelde als een rechter zijn vragen:
"Daar de Profeet dood is…"
Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten hemel opgenomen was.
Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:
"Meent ge, dat hij verrezen is?
"Waarom niet?" zei Jacob.
De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:
"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van een toenmalig dichter:
Nec crescit, nec post mortem durare videtur.
Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten drukte hij tegen de maag.
De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was; Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.
"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"
Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op; die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.
Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis. Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten. Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra, en Jacob ried hem Jezus te volgen.
Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.
Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.
Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de Esseërs als een groote smet beschouwden.
Er vielen slagen op de burchtpoort.
Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:
"Jaokanann! Jaokanann!"
"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.
"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden deFarizeërs er aan toe.
De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!"
"Laat ze ophouden!"
"Ge zijt een afvallige!"
"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"
"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het, die uw tempel bouwde!"
Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn verwanten bedreven.
Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen. Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat de dingen hem niet aangingen.
De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden. Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den woudezel, een onreine spijze.
Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen, zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had, hielden ze zooveel van wijn!
De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.
De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen. Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun afstuitende ruwheid.
De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.
Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.
De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus, Varus…
"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.
Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en, bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem toewendend.
Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,—een Assyrische mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld, en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar leve!"
Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters. Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.
Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.
Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias, zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.
Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om weg te vliegen.
De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.
Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.
Aulus braakte nog altijd.
De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aanHerodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid derSadduceërs, verzwond zijn visioen.
Het was geen visioen.
Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,—die de Viervorst eenmaal lief moest hebben,—laten opvoeden. En het was een goede toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!
Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd door 't levenslang redetwisten.
Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem, door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:
"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade over, en hield plotseling stil.
Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar gelaat schenen een dauw over wit marmer.
Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.
Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:
"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van…" Ze was den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van Jaokanann!"
De Viervorst zakte ineen van ontzetting.
Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.
Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,—zou de zijne dan niet afgewend worden?
Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond naast hem en begreep zijn bedoeling.
Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.
Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.
Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand.
Ontdaan kwam hij weer binnen.
Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over zijn geheele lichaam.
Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard, rood en gekarteld als een vuurvlam.