The Project Gutenberg eBook ofDrie VertellingenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Drie VertellingenAuthor: Gustave FlaubertTranslator: Marie KoenenRelease date: September 1, 2005 [eBook #8804]Most recently updated: September 25, 2014Language: DutchCredits: Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Drie VertellingenAuthor: Gustave FlaubertTranslator: Marie KoenenRelease date: September 1, 2005 [eBook #8804]Most recently updated: September 25, 2014Language: DutchCredits: Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team
Title: Drie Vertellingen
Author: Gustave FlaubertTranslator: Marie Koenen
Author: Gustave Flaubert
Translator: Marie Koenen
Release date: September 1, 2005 [eBook #8804]Most recently updated: September 25, 2014
Language: Dutch
Credits: Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online
Proofreading Team.
Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum.
Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames vanPont-l'Évêque benijd om haar meid Félicité.
Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden, naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar meesteres, die toch geen aangename vrouw was.
Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen. Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel voor,—en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager lag dan de tuin.
Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw", zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos.
Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran, gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde.
Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer vanFélicité, die uitzicht had op de weien.
Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat, zóó blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de tafel,—een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken, en ze deed het daar twintig dagen mee.
Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen, een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de ziekenzusters.
Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,—en, stil, steil, met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich automatisch bewoog.
Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.
Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden jaloersch.
Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten, door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf, maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen. Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij ging.
Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders schuivend herkende ze Theodore.
Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het was door "den drank" gekomen.
Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.
Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.
—"Hé!" zei ze.
Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi was, met iemand den spot te drijven.
—"Wel neen, ik denk er niet aan!"
En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens. Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf, bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.
Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen, en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar met zijn onrust en zijn gedwing.
Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen tusschen elf uur en middernacht.
Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.
In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat zeTheodore niet zou weerzien.
Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.
Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen, knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich naar Pont-l'Évêque.
Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:
—"Goed, ik huur je."
Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen.
In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.
Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren. Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.
Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde, langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor en het geratel der boerenwagentjes over de straat.
Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.
Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig, zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen voorzien.
Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden. Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar gingen ze heen.
Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.
Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens liet hij gewaagde aardigheden los.
Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur achter hem.
Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik van buitengewone mannen dit doet.
Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.
Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie aardrijkskundige prenten ten geschenke.
Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor, menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde, Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.
Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde opvoeding, die ze kreeg.
Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn pennemes aanzette op z'n laars.
Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de hoeve van Geffosses.
Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is zichtbaar in de verte als een grijze vlek.
Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd, overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.
Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken als trommen.
Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken, en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar broekje.
Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.
De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in een halven kring hun den weg versperren.—"Wees maar niet bang!" zei Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.
Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen! neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!
Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los, die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens, rillend van woede onder afgrijselijk geloei.
Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen. Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen: "Haast u dan toch! Haast u dan toch!"
Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten laatste toch gelukte.
De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.
Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan, giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.
Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.
Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor een langdurige reis.
Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard. Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.
De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij schouderophalend:—"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in plaats van een jongen man te trouwen…" Félicité verstond de rest niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip, schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag, aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels, tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen. Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.
Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.
's Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar, trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de blauwe lucht.
Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee. Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten; Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde weg.
Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten, en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand, dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot weiland rond als een renperk.
Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid, als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.
De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken. Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op, en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen en hun mannen te omhelzen.
Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst, een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor.
Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.
Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.
Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van het neefje niet aanstond,—dat "je" en "jou" speelde tegen haar zoontje,—en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam ze in Pont-l'Évêque terug.
Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.
Die van Caen gold als de beste.
Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.
Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje naar den catechismus.
Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.
De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel, steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst, de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.
Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de koelte der muren en de stilte der kerk.
Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.
Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.
De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind kleeden!
Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen, gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was, boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een bezwijming nabij.
Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.
Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.
Het kind had er niets op tegen.
Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.
Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die dingen gingen haar verstand te boven.
Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen. Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.
Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem; ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens zeggend:—"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen, het rijtuig reed weg.
Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille, mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.
In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk. Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.
Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had, trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was, zooals ze 't noemde "ondermijnd".
"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en dan eens op bezoek mocht komen.
Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.
Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep, brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die hem tot terugkomen noopte.
In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.
't Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd een hinderpaal tusschen haar beiden.
Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd, er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met zeemanstermen.
Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee jaar wegblijven.
Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze, Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque van Honfleur scheiden.
Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links, rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden zag in de lucht.
Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen eensklaps de treeplank werd ingehaald.
Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was gekeerd, men zag niemand meer;—en op de zee in den zilverschijn der maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en verdween.
Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande, het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep, douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water, ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.
Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker, toen ze Pont-l'Évêque inkwam.
De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken! Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden, dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander einde der wereld.
Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim, of wel,—herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,—hij was opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar angsten.
Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.
De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.
Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!
Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:—"En ik mevrouw, ik hoorde in geen zes maanden iets!"
—"Van wie dan toch?"
De meid antwoordde zachtjes:
—"Maar… van mijn neef!"
—"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!—en daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een schooier, de moeite waard!… en dat terwijl mijn dochter… Verbeeld je toch!"…
Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.
Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het zoo met het kleine meisje stond.
De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.
De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.
Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.
Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's verbouwereerdheid.
Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan, er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op 't hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde. Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit, en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,—zij, die misschien verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng van begrip was ze!
Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van mevrouw.
Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen, legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei fluisterend, met een diepen blik:
—"'t Is een ongeluk… dat ze je berichten. Je neef…"
Hij was dood. Er stond verder niets.
Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor zich uit blikkend:
"Arm ventje! arm ventje!"
Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde wat.
Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging,
dat ze daar geen behoefte aan had.
Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te trekken.
Toen zei ze:
—"Ze geven er niets om, die!"
Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand, werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.
Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend waschgoed.
Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den vrijen loop.
Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast. Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:
—"Mooi zoo! alweer een!"
Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun ellende.
Virginie werd almaar zwakker.
Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening. Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders arm wandelde
Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam Virginie er twee teugjes van, meer niet.
Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.
—"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer, toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het hopeloos.
—"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig, terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te worden. Het was heel koud.
Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.
Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.
Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den klopper neervallen.
Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.
Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping.
Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen, uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste. Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters voerden mevrouw Aubain weg.
Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten, en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze, dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit afstand van te doen.
Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.
Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie begraven ging.
De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.
Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.
Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.
Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van haar zoon en de nagedachtenis van "haar".
—"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!… ja!… Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar angstvallig verwijderd hield.
Félicité ging er iederen dag heen.
Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar smart werd er door gelenigd.
Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825 twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van 1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad, en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg: Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds jaren verlamd was.
Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar zoon.
Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel deed snorren.
Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan, wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.
In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.
Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen, deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart, en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.
Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan, trouw als een hond.
De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.
Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van te smullen.
Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid, zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet een mis lezen voor de rust zijner ziel.
Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en als een bewijs harer hoogachting.
Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"
De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.
Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.
Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan Félicité.
Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei, dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te willen praten, als iemand naar hem keek!
Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen: Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.
Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan 't venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed, ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve liefelijk.
Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen, omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard. Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en hij zat het heele huis door.
Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken. Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij kwijt.
Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:—"Wees toch voorzichtig! ge zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze hield de voorbijgangers staande:—"Hebt u somwijlen toevallig mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen, laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen in den omtrek.
Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer bovenop.
Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast, haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.
Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:—"Mijn hemel! wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:—"Ja, mevrouw," iets zoeken ging in de kamer.
Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar. Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.
Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!"
Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar, in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door eenzelfde trilling bewogen.
Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend; hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen, liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.
Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen Fabu.
Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:—"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"
Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest voor Loulou.
Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.
De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde ze zich voort, midden over de keien.
Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikteSaint-Gatien.
Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.
Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen.Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan derechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood.Er liep bloed uit.
Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.
Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel en verstikte haar den adem.
Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.
Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de volgende week.
Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.
Eindelijk kwam hij,—prachtig, recht-zittend op een tak die in een mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!
Ze borg hem in haar kamer.
Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel rommel waren er bijeen.
De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen, medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt, stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing, aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde. Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de nis van het zoldervenstertje hing.
Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig, dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.
Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat werd opgericht.
In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.
Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen had;—zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich nu-en-dan toch naar hààr vogel toe.
Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouwAubain praatte haar dit uit 't hoofd.
Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.
Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel, zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem zijn protectie beloofde.
Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses, beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen ze vertrok.
De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden, verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.
Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.
Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de menschen op een afstand hield.
Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen, het leek haar onaannemelijk en al te wreed.
Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen naar Paul's registratie-bureau terug.
Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.
Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.
Ze wankelde en moest gaan zitten.
Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen, en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel, juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal uitschieten, die haar in vervoering bracht.
Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel, spaarde ze het licht uit.
Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.
Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch koopers voor het huis.