V

Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan 't rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen. Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door: "Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:—"O, juist als mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar meesteres.

De dag van de rustaltaartjes naderde.

Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.

De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.

Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer. 's Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen, in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester roepen.

Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving.Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.

Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die narigheid.

—"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."

Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord, een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.

—"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"

Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.

Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend:

—"Kom! zeg hem vaarwel!"

De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang. Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.

Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was teruggekomen en viel zachtjes in slaap.

Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er in meeging.

Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.

Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten doorstaan.

Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en verwijderde zich.

Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: "Staat hij goed?"

Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.

Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die voorttrekt over het gras.

De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo vlak neer op het altaartje.

Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën, twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan 't bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje lazuursteen.

De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.

Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven haar hoofd.

De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in bosschen op de helling van een heuvel.

De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt, en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de grachtdiepte.

Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer. Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of heliotroop.

Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een zware haag van meidoorns.

De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver; kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder het gewicht der geldzakken.

In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs.

Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche zede achtte.

In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.

's Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de dorpers en gaf hun goeden raad.

Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden; ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.

Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht. Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te drinken.

De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar legerstede. Toen, in een avonduur,—ze had gesluimerd en sloeg zacht de oogen op,—zag ze in een manestraal, die door het venster gleed, iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij, een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige worden!"

Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht. De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven, tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van karbonkels.

Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar—droom of werkelijkheid—kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken. Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.

De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:

"Welzoo! uw zoon!… veel bloed!… veel roem!… altijd gelukkig! in de maagschap van een keizer!"

Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.

De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.

Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.

Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den slapeloozen nacht.

"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"

En toch—hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of waarheid?—ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.

De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe. Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven, drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te schreien.

Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.

Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist alles van ros en tuig.

Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift, leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen bestudeerden.

Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger, in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken, en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard. Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven den kleinen jonker schelpen van hun mantel.

Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden, over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem mettertijd aartsbisschop te zien.

Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank op den grond, de handen gevouwen.

Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.

Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich van te ontdoen.

Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een stokje in de hand.

Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de heele muis.

Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat kleine roerlooze lichaampje.

Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over. Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten. Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.

Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde, zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel, die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een jonge hond.

De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een haagheester.

Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe. De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste doodskramp stokte zijn adem.

Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.

Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn vader een troep jachthonden voor hem samen.

Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder, vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel, sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.

Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.

Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen, sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken, gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.

Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed gemaakt.

* * * * *

Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.

Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.

Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd, de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze gemakkelijk buit.

Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer vatte een wolf bij den poot.

Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen wisselden.

Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van, in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.

Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar ganzen, otters en wilde eenden.

In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en diepzinnige dingen mijmerde.

Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.

Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder, den pijlenkoker aan den zadel-knop.

Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.

IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpendeNoordenwind.

Langzaam werd de oosterkimme lichter.

Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de ruggegraat.

Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te rapen, vervolgde hij zijn weg.

Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee wilde bokken, die in de diepte tuurden.

Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen; gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik, sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen wijd uit.

In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde. Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste er geen enkele.

Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit. Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten spijt de vacht niet te kunnen meenemen.

Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den woud-ingang een eereboog leken te vormen.

Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw met zijn staart;—en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote beweging ontrustte de kudde.

De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich, steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.

De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.

Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend, hoe hij het had kunnen aanrichten.

Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.

Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn moeder.

Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke, hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.

Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.

Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in de verte:

"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart, dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."

Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf.

Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien. Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren. En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens voor de burchtpoort.

's Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef. Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou aandrijven.

Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde; en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen. De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.

Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in, die hem ieder bij een arm ondersteunden.

Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van geen jagen meer hooren.

Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler. Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.

Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn omgeving tot groot verdriet.

Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.

De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel. Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand raakte hij de nagelkoppen in de deuren.

Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen, zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp zijn schicht.

Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte huive aan den muur bleef vastgespietst.

Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.

Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.

Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood. De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting, en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds spoedig zelf aan het hoofd van een troep.

Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een breeden zwaai met zijn zwaard.

Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.

Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden. Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans, allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.

Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het lichaam losvroren en op den grond vielen.

In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem heen verwaasden tot stoeten van schimmen.

Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden. Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.

Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om schatten als losgeld te krijgen.

Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders, belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van zijn geheele hof.

De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd. Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en daar trad een jonkvrouw te voorschijn.

Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.

De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen leven had geleid.

Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen, nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten kraakten.

Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan den horizon.

Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste grotstalactieten.

Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.

Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en handkus naar Oostersche zede.

In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd, de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.

Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren, zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij, volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen. Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.

Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander verlangen, het werd hem ondragelijk.

Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat verstrooiing te geven.

Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren; andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"

Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.

Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen: hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust weer gaan jagen.

Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.

Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren—zij had zich juist ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden—hoorde hij het keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het duister zag hij schimmen van dieren bewegen.

De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand.Zijn vrouw scheen verrast.

"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij, "bij zonsopgang ben ik terug."

Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.

Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar wisselvallige stemmingen.

Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te worden toegelaten.

En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een stok.

Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.

De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over zijn ouders sprak.

"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer inhouden:

"We zijn het zelve, wij!".—en ze zonken in hun zetels, afgemat van vermoeienis.

Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun zoon zou zijn?

Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den page, en liet hun een maal opdienen.

Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken, die hen zelve betrof.

Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend, maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.

De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe antwoordde:

"Dat is mijn vader!"

Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den luchter, die de tafel verlichtte.

Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken, fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een heiligebeeld uit de kerk.

Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te zingen.

Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige gras, koel en zacht onder zijn voeten.

De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag; elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het kasteel omdwaalden.

Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om wat te verademen.

Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.

Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf langs een hegge sluipen.

Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.

Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen. Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk verdwenen.

Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer opzag was de stier verdwenen.

Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te verschuilen.

De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van papegaaien en apen.

Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven, en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en verstikte in zijn razernij.

En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet; die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken, vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.

Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde, verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te hebben om "genade" te roepen.

Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen daagden de tinnen van zijn paleis.

Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.

Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs, die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend aas.

Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op, beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed binnen.

De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend. Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen; wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat verschaduwd stond in de kamerdiepte.

Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!…

Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen; en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst, kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.

En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts vallen. Hij raapte die op.

Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag, tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm, terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.

Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den vloer neer.

Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien, en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had uit te voeren, die onherroepelijk waren.

De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil, onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn ziel, want voortaan bestond hij niet meer.

De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.

Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.

Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.

Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een aalmoes weigerde.

In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij, die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die hij zocht langs den zee-oever.

Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot hem opsteeg.

Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar de stad afdalen.

Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk, het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen, liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten, naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.

In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich angstig, of vlogen snel heen.

En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen, herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon hij den oudermoord in zijn droomen.

Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden heen.

Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was radeloos ze bedreven te hebben.

Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden, zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.

De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er niet meer over, zich den dood te doen.

Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer oversteken.

Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar steven op uit het riet.

Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en meer-dan-eens dreigde hij om te komen.

Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een hut van leem en boomstronken.

Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.

Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord. En zwijgend zegende hij hen.

Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden kroezen,—ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem stuwde de groote stroom zijn groenige golven.

In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte naar vleeschspijze.

Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive; eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat voorover op zijn leger, en bleef schreien:

"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de doodsvisioenen duurden.

In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer breed was.

En ten derden male riep men: "Juliaan".

Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.

Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer, hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden verscheurd.

Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen oever. Daar wachtte een mensch.

Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer, zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar weer op, en Juliaan begon te roeien.

Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog. Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.

Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht, en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven, roerloos als een zuil.

En dit alles duurde zeer, zeer lang.

Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een zware wan-riekende walm.

"Ik heb honger", sprak hij.

Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten roggebrood.

Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn mes, eendere plek-als zijn lichaam.

En hij sprak: "Ik heb dorst".

Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit, die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst! Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug.

Toen sprak hij: "Ik heb het koud!"

Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens aanvlammen.

De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat, neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.

De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.

Toen sloot hij de oogen.

"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"

En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de dorre bladers, zijde aan zijde.

De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je lichaam voelen,—trek je kleeren uit!"

Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van een slang en ruw als een rasp.

Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde hijgend:—"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".—En Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.

En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen. Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.

En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.


Back to IndexNext