EERSTE BEDRYF.
Bazilius,Valasko.
Bazilius.’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint,En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt.Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten,Om te overleggen wat wy hebben te betrachten.Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal.Val.Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval:Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen,Baat u haar weêrmin niet.Baz.Hoe, moet ik dan aanschouwen,Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min,Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin?o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten.Val.Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten;Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan,Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên.Baz.Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken.Val. Wat wilt gy doen?Baz.Ik ben van zins om haar te schaaken.Val.En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult?Baz.Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduldOm ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren.’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren;Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluitZal overhalen.Val.Maar zy is alreeds zyn Bruid.Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen.Baz.Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomenHet hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan.Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan,Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden.’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden.Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet:Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet.Val.Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen,Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren,Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot.Baz.Een doolend Ridder!Val.Ja, de dapp’re Don Quichot.Baz.My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen:Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen;Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët.Val.Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet?Baz.Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechtenEn kudden, Legers noemt?Val.ô Ja myn heer wat rechtenDe gekken niet al uit?Baz.En zien een herberg aanVoor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan?Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden;Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwindenMet meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt)Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd.Val.Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken:Als Roeland, Amadis...Baz.Gy hoeft hem niet te zoeken:Want alzo min als die ter waereld zyn geweest,Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geestVan eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten;Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten,Val.Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien,Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliênGesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen.’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen:Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald,En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt,Dat ik niet twyf’len kan.Baz.Dan moet ik het gelooven.Val.Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven:’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneertVan veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd;Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten,En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten:Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap,Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap.Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen,En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen.Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd,En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd,Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten,Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten.Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit;Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit.Baz.’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven;Want altyd slagen, en geen voordeel...Val.Die kan schryvenNoch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed:Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet;Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken,Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken,Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên.Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien.Baz.Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen.Val.Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomenOns wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan.Baz.Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan.Val.Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen,Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.
Bazilius.’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint,En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt.Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten,Om te overleggen wat wy hebben te betrachten.Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal.Val.Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval:Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen,Baat u haar weêrmin niet.Baz.Hoe, moet ik dan aanschouwen,Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min,Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin?o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten.Val.Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten;Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan,Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên.Baz.Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken.Val. Wat wilt gy doen?Baz.Ik ben van zins om haar te schaaken.Val.En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult?Baz.Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduldOm ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren.’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren;Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluitZal overhalen.Val.Maar zy is alreeds zyn Bruid.Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen.Baz.Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomenHet hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan.Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan,Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden.’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden.Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet:Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet.Val.Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen,Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren,Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot.Baz.Een doolend Ridder!Val.Ja, de dapp’re Don Quichot.Baz.My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen:Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen;Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët.Val.Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet?Baz.Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechtenEn kudden, Legers noemt?Val.ô Ja myn heer wat rechtenDe gekken niet al uit?Baz.En zien een herberg aanVoor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan?Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden;Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwindenMet meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt)Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd.Val.Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken:Als Roeland, Amadis...Baz.Gy hoeft hem niet te zoeken:Want alzo min als die ter waereld zyn geweest,Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geestVan eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten;Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten,Val.Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien,Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliênGesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen.’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen:Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald,En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt,Dat ik niet twyf’len kan.Baz.Dan moet ik het gelooven.Val.Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven:’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneertVan veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd;Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten,En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten:Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap,Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap.Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen,En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen.Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd,En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd,Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten,Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten.Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit;Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit.Baz.’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven;Want altyd slagen, en geen voordeel...Val.Die kan schryvenNoch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed:Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet;Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken,Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken,Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên.Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien.Baz.Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen.Val.Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomenOns wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan.Baz.Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan.Val.Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen,Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.
Bazilius.’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint,En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt.Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten,Om te overleggen wat wy hebben te betrachten.Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal.Val.Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval:Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen,Baat u haar weêrmin niet.Baz.Hoe, moet ik dan aanschouwen,Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min,Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin?o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten.Val.Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten;Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan,Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên.Baz.Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken.Val. Wat wilt gy doen?Baz.Ik ben van zins om haar te schaaken.Val.En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult?Baz.Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduldOm ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren.’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren;Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluitZal overhalen.Val.Maar zy is alreeds zyn Bruid.Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen.Baz.Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomenHet hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan.Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan,Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden.’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden.Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet:Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet.Val.Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen,Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren,Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot.Baz.Een doolend Ridder!Val.Ja, de dapp’re Don Quichot.Baz.My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen:Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen;Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët.Val.Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet?Baz.Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechtenEn kudden, Legers noemt?Val.ô Ja myn heer wat rechtenDe gekken niet al uit?Baz.En zien een herberg aanVoor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan?Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden;Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwindenMet meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt)Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd.Val.Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken:Als Roeland, Amadis...Baz.Gy hoeft hem niet te zoeken:Want alzo min als die ter waereld zyn geweest,Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geestVan eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten;Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten,Val.Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien,Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliênGesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen.’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen:Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald,En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt,Dat ik niet twyf’len kan.Baz.Dan moet ik het gelooven.Val.Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven:’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneertVan veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd;Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten,En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten:Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap,Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap.Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen,En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen.Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd,En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd,Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten,Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten.Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit;Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit.Baz.’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven;Want altyd slagen, en geen voordeel...Val.Die kan schryvenNoch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed:Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet;Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken,Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken,Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên.Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien.Baz.Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen.Val.Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomenOns wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan.Baz.Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan.Val.Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen,Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.
Bazilius.’k Weet dat Quiteria, myn Lief, my nog bemint,
En geen behaagen in haar’ dwaazen Bruigom vindt.
Dit is de plaats daar ik die schoone moet verwachten,
Om te overleggen wat wy hebben te betrachten.
Ik hoop dat ik haar hart wel haast bewegen zal.
Val.Myn vriend Bazilius ’k beklaag uw ongeval:
Want nu haar Vader zyn belofte u niet wil houwen,
Baat u haar weêrmin niet.
Baz.Hoe, moet ik dan aanschouwen,
Dat zulk een lompe boer, ten spijt van myne min,
Die schoone Juffer trouwt, in weêrwil van haar’ zin?
o Neen Valasko, ’k hoop dat huw’lyk te beletten.
Val.Het is vergeefs dat gy u daar wilt tegen zetten;
Haar Vader wil het, zy kan hem niet wederstaan,
Vergeet die min, myn Heer, ik bid u, laat u raên.
Baz.Hoe kan ik? neen ik denk myn opzet niet te staaken.
Val. Wat wilt gy doen?Baz.Ik ben van zins om haar te schaaken.
Val.En waant gy dat gy haar daar toe bewegen zult?
Baz.Helaas! ik weet het niet! ’k wacht haar met ongeduld
Om ’t vonnis van myn dood of leeven aan te hooren.
’k Weet dat Kamacho haar in ’t minst niet kan bekooren;
Dit doet my hoopen dat ik haar tot myn besluit
Zal overhalen.Val.Maar zy is alreeds zyn Bruid.
Had gy een week of twe hier eerder kunnen komen.
Baz.Ik heb zo dra als ik de zaken had vernomen
Het hof verlaaten, en begaf mij herwaart aan.
Myn Schoone had zo dra myn aankomst niet verstaan,
Of heeft my op dees plaats, door Laura, doen bescheiden.
’t Is u bekend dat zy ’t geheim weet van ons beiden.
Dus quam ik hier, daar ik u by geval ontmoet:
Het geen, ô waarde vrind, myn hart verheugen doet.
Val.Ik koom op deeze plaats, om iemand op te sporen,
Die zyne zinnen door het leezen heeft verloren,
Een doolend Ridder, daar een ieder staag me spot.
Baz.Een doolend Ridder!Val.Ja, de dapp’re Don Quichot.
Baz.My is een Boek, ’t geen zo genoemd wordt aangeprezen:
Maar wie zou denken, dat ’er zulk een mensch kon wezen;
Men zegt dat ’t is gemaakt door eenig gaauw Poeët.
Val.Zo hoor ik dat gy mê van zyne daaden weet?
Baz.Kan ik gelooven dat hy zou met schaapen vechten
En kudden, Legers noemt?Val.ô Ja myn heer wat rechten
De gekken niet al uit?Baz.En zien een herberg aan
Voor eenig sterk kasteel, daar hy op ’t huis moet gaan?
Verliefd zyn op een mensch die nergens is te vinden;
Noch op de waereld leeft? zich zelven onderwinden
Met meulens, (die hy voor zeer groote reuzen neemt)
Te vechten? Neen myn Heer het dunkt my al te vreemd.
Val.Hy kreeg die zotheid door het leezen van de boeken:
Als Roeland, Amadis...Baz.Gy hoeft hem niet te zoeken:
Want alzo min als die ter waereld zyn geweest,
Is Don Quichot ’er nu. Ik zeg ’t komt uit den geest
Van eenen Dichter, die deez’ boeken wil bespotten;
Gemaakt tot tydverdryf voor kinderen, en zotten,
Val.Myn Heer, hy is van daag op deze plaats gezien,
Met zynen Schildknaap: ik heb zelf twe edelliên
Gesproken, die met hem zijn herwaart aangekomen.
’k Geloof zoo min als gy aan ’t geen de dichters droomen:
Maar deeze hebben my zoo veel van hem verhaald,
En Sanche Pance, die met hem als Schildknaap dwaalt,
Dat ik niet twyf’len kan.Baz.Dan moet ik het gelooven.
Val.Maar eene zaak gaat myn gering verstand te boven:
’t Welk is, dat Don Quichot zeer gunstig redeneert
Van veele zaaken; dat hy kloek is en geleerd;
Zodat men hem zomtyds zou voor verstandig achten,
En geene spoorloosheid in ’t minst van hem verwachten:
Maar als hy redeneert van zyne Ridderschap,
Klimt zyne zotheit tot den allerhoogsten trap.
Ziet hy een boer, dien waant hy straks een prins te wezen,
En geeft hem naamen die hy elders heeft gelezen.
Zoo dees hem tegenspreekt, dan tast hy naâ zyn zwaerd,
En stygt vol gramschaps op zyn Ronsinant: een paerd,
Dat door den ouderdom het loopen heeft vergeeten,
Daar hy al dikwijls is met steenen afgesmeten.
Hy vecht schier nooit of ’t koomt met hem op slagen uit;
Daar Sanche Pance mede in deelt, in plaats van buit.
Baz.’t Is wonder dat hy dan wil langer by hem blijven;
Want altyd slagen, en geen voordeel...Val.Die kan schryven
Noch lezen, en hy is een zeer onnoz’le bloed:
Die juist geen zin heeft in al ’t geen zyn meester doet;
Maar wyl hy hem beloofd tot Gouverneur te maaken,
Zo hy eens meester van een koninkryk kan raaken,
Blyft hy hem by, op hoop of zulks eens mocht geschiên.
Ik kan niet rusten, voor ’k die gekken heb gezien.
Baz.Ik zie Leontius, myn Liefstes Vader, komen.
Val.Ik zie Kamacho ook. Laat ons by deze boomen
Ons wat verschuilen tot zy zyn voorby gegaan.
Baz.Zy hebben mog’lyk van myn aenslag iets verstaan.
Val.Gy vreest het ergste: ’t zal misschien zoo slim niet weezen,
Zy wand’len hier wel meer, gy moet zo licht niet vreezen.
Kamacho, Leontius. BaziliusenValasko, ter zijde.
Kamacho.Dit is de plek, daer ik van daeg je Dochter mienTe trouwen.Leont.Ik beken, gy hebt wel uitgezien;Maar waarom hebt gy ’t juist hier in het Bosch begrepen?Kamac.Dat’s op zyn edelmans, we weeten van de kneepen,Ik ben nou ryk ’enoeg, het geldje van kezyn,Die in Westinje sturf, is allemael nou ’t myn.Toen jonker smalpens met de vrouw van platbeurs trouwde,(’Et gien ’em naederhangt zoo euvelik berouwde,)Was ’t hiele zelschip, als je weet, op deuze plek,En ’t ging er ong’dieft wel. We binnen ook niet gek.Waar zou ik al het volk, dat ik genooit heb, laeten,Men huis is veul te klein.Leont.Laat ons hier niet lang praeten.Kam.Kom gaen we dan ... daer is myn Liefste of ’k ben een guit!Leont.Verzeld met Laura.
Kamacho.Dit is de plek, daer ik van daeg je Dochter mienTe trouwen.Leont.Ik beken, gy hebt wel uitgezien;Maar waarom hebt gy ’t juist hier in het Bosch begrepen?Kamac.Dat’s op zyn edelmans, we weeten van de kneepen,Ik ben nou ryk ’enoeg, het geldje van kezyn,Die in Westinje sturf, is allemael nou ’t myn.Toen jonker smalpens met de vrouw van platbeurs trouwde,(’Et gien ’em naederhangt zoo euvelik berouwde,)Was ’t hiele zelschip, als je weet, op deuze plek,En ’t ging er ong’dieft wel. We binnen ook niet gek.Waar zou ik al het volk, dat ik genooit heb, laeten,Men huis is veul te klein.Leont.Laat ons hier niet lang praeten.Kam.Kom gaen we dan ... daer is myn Liefste of ’k ben een guit!Leont.Verzeld met Laura.
Kamacho.Dit is de plek, daer ik van daeg je Dochter mienTe trouwen.Leont.Ik beken, gy hebt wel uitgezien;Maar waarom hebt gy ’t juist hier in het Bosch begrepen?Kamac.Dat’s op zyn edelmans, we weeten van de kneepen,Ik ben nou ryk ’enoeg, het geldje van kezyn,Die in Westinje sturf, is allemael nou ’t myn.Toen jonker smalpens met de vrouw van platbeurs trouwde,(’Et gien ’em naederhangt zoo euvelik berouwde,)Was ’t hiele zelschip, als je weet, op deuze plek,En ’t ging er ong’dieft wel. We binnen ook niet gek.Waar zou ik al het volk, dat ik genooit heb, laeten,Men huis is veul te klein.Leont.Laat ons hier niet lang praeten.Kam.Kom gaen we dan ... daer is myn Liefste of ’k ben een guit!Leont.Verzeld met Laura.
Kamacho.Dit is de plek, daer ik van daeg je Dochter mien
Te trouwen.Leont.Ik beken, gy hebt wel uitgezien;
Maar waarom hebt gy ’t juist hier in het Bosch begrepen?
Kamac.Dat’s op zyn edelmans, we weeten van de kneepen,
Ik ben nou ryk ’enoeg, het geldje van kezyn,
Die in Westinje sturf, is allemael nou ’t myn.
Toen jonker smalpens met de vrouw van platbeurs trouwde,
(’Et gien ’em naederhangt zoo euvelik berouwde,)
Was ’t hiele zelschip, als je weet, op deuze plek,
En ’t ging er ong’dieft wel. We binnen ook niet gek.
Waar zou ik al het volk, dat ik genooit heb, laeten,
Men huis is veul te klein.Leont.Laat ons hier niet lang praeten.
Kam.Kom gaen we dan ... daer is myn Liefste of ’k ben een guit!
Leont.Verzeld met Laura.
Leontius,Kamacho,Quiteria,Laura,BaziliusenValasko, ter zyde.
Kamacho.Wel myn snoeperige Bruid?Wel heer, wat binje mooij, ik durf je pas iens raeken,Je zelt my deuzen dag nog gek van liefde maeken.Kom zoen me nou eraais.Quit.Ei Bruîgom laat dat staan.Kam.Wat zo dat smaekt me, hae!Leont.Laat ons nâ huis toe gaan.Kam.De kok zel ’t allemael wel zongder ongs beschikken,En laeten wy terwyl met ’t Bruiloftsvolk wat flikken.Leont.Hoe speelen op de kaart?Kam.Ja, gist’ren avond wonik met de kaert, in ’t kort, al menig Patakon.Leont.Waar hebje dat geleerd?Kam.Wat, troeven? bij de Boeren.Hoo, hoo, mit troeven, kan gien mensch my ummers loeren.Leont.Ik speel nooit met de kaart.Kam.Ei hoor, wel waerom niet?Leont.Om dat daar somtyds quaad of moeite door geschied.Kam.Wel paeij, bin jy zo vies? loop maer in Steê iens kyken,Daer zelje ’t zien van volk dat fyne knevels lyken.’t Verkeerbord gaet ’er wel in zwang, zoo ’t niemant weet,Als maer de schyven fraeij met laeken zyn bekleed.Leont.Het zy zo ’t wil, ’k zal hen daar niet te meer om pryzen.Het geest’lijk kleed bedekt veel’ gekken, en veel wyzen.Quit.Heer Vader, ik verzoek dat ik in eenzaamheidMet Laura wand’len mag.Kam.Myn zoete lieve meid,Wat zou je lui hier doen?Quit.Myn and’re speelnoots wachten.Leont.Kamacho gaen wy dan.Leontius en Kamacho binnen.Quit.’t Ging buiten myn gedachten,Dat ik hier Vader en myn Bruîgom vinden zou.Maar is Bazilius my waarlyk nog getrouw?Lau.Zyn min is al te groot dat hy u zou vergeeten.Hy heeft den tyd aan ’t hof met ongeduld versleten.Val.„Myn vrind Bazilius, daar is Quiteria.Gy spreekt haar best alleen, vaar wel, myn Heer, ik gaa.Lau.Daar is Bazilius.
Kamacho.Wel myn snoeperige Bruid?Wel heer, wat binje mooij, ik durf je pas iens raeken,Je zelt my deuzen dag nog gek van liefde maeken.Kom zoen me nou eraais.Quit.Ei Bruîgom laat dat staan.Kam.Wat zo dat smaekt me, hae!Leont.Laat ons nâ huis toe gaan.Kam.De kok zel ’t allemael wel zongder ongs beschikken,En laeten wy terwyl met ’t Bruiloftsvolk wat flikken.Leont.Hoe speelen op de kaart?Kam.Ja, gist’ren avond wonik met de kaert, in ’t kort, al menig Patakon.Leont.Waar hebje dat geleerd?Kam.Wat, troeven? bij de Boeren.Hoo, hoo, mit troeven, kan gien mensch my ummers loeren.Leont.Ik speel nooit met de kaart.Kam.Ei hoor, wel waerom niet?Leont.Om dat daar somtyds quaad of moeite door geschied.Kam.Wel paeij, bin jy zo vies? loop maer in Steê iens kyken,Daer zelje ’t zien van volk dat fyne knevels lyken.’t Verkeerbord gaet ’er wel in zwang, zoo ’t niemant weet,Als maer de schyven fraeij met laeken zyn bekleed.Leont.Het zy zo ’t wil, ’k zal hen daar niet te meer om pryzen.Het geest’lijk kleed bedekt veel’ gekken, en veel wyzen.Quit.Heer Vader, ik verzoek dat ik in eenzaamheidMet Laura wand’len mag.Kam.Myn zoete lieve meid,Wat zou je lui hier doen?Quit.Myn and’re speelnoots wachten.Leont.Kamacho gaen wy dan.Leontius en Kamacho binnen.Quit.’t Ging buiten myn gedachten,Dat ik hier Vader en myn Bruîgom vinden zou.Maar is Bazilius my waarlyk nog getrouw?Lau.Zyn min is al te groot dat hy u zou vergeeten.Hy heeft den tyd aan ’t hof met ongeduld versleten.Val.„Myn vrind Bazilius, daar is Quiteria.Gy spreekt haar best alleen, vaar wel, myn Heer, ik gaa.Lau.Daar is Bazilius.
Kamacho.Wel myn snoeperige Bruid?Wel heer, wat binje mooij, ik durf je pas iens raeken,Je zelt my deuzen dag nog gek van liefde maeken.Kom zoen me nou eraais.Quit.Ei Bruîgom laat dat staan.Kam.Wat zo dat smaekt me, hae!Leont.Laat ons nâ huis toe gaan.Kam.De kok zel ’t allemael wel zongder ongs beschikken,En laeten wy terwyl met ’t Bruiloftsvolk wat flikken.Leont.Hoe speelen op de kaart?Kam.Ja, gist’ren avond wonik met de kaert, in ’t kort, al menig Patakon.Leont.Waar hebje dat geleerd?Kam.Wat, troeven? bij de Boeren.Hoo, hoo, mit troeven, kan gien mensch my ummers loeren.Leont.Ik speel nooit met de kaart.Kam.Ei hoor, wel waerom niet?Leont.Om dat daar somtyds quaad of moeite door geschied.Kam.Wel paeij, bin jy zo vies? loop maer in Steê iens kyken,Daer zelje ’t zien van volk dat fyne knevels lyken.’t Verkeerbord gaet ’er wel in zwang, zoo ’t niemant weet,Als maer de schyven fraeij met laeken zyn bekleed.Leont.Het zy zo ’t wil, ’k zal hen daar niet te meer om pryzen.Het geest’lijk kleed bedekt veel’ gekken, en veel wyzen.Quit.Heer Vader, ik verzoek dat ik in eenzaamheidMet Laura wand’len mag.Kam.Myn zoete lieve meid,Wat zou je lui hier doen?Quit.Myn and’re speelnoots wachten.Leont.Kamacho gaen wy dan.Leontius en Kamacho binnen.Quit.’t Ging buiten myn gedachten,Dat ik hier Vader en myn Bruîgom vinden zou.Maar is Bazilius my waarlyk nog getrouw?Lau.Zyn min is al te groot dat hy u zou vergeeten.Hy heeft den tyd aan ’t hof met ongeduld versleten.Val.„Myn vrind Bazilius, daar is Quiteria.Gy spreekt haar best alleen, vaar wel, myn Heer, ik gaa.Lau.Daar is Bazilius.
Kamacho.Wel myn snoeperige Bruid?
Wel heer, wat binje mooij, ik durf je pas iens raeken,
Je zelt my deuzen dag nog gek van liefde maeken.
Kom zoen me nou eraais.Quit.Ei Bruîgom laat dat staan.
Kam.Wat zo dat smaekt me, hae!Leont.Laat ons nâ huis toe gaan.
Kam.De kok zel ’t allemael wel zongder ongs beschikken,
En laeten wy terwyl met ’t Bruiloftsvolk wat flikken.
Leont.Hoe speelen op de kaart?Kam.Ja, gist’ren avond won
ik met de kaert, in ’t kort, al menig Patakon.
Leont.Waar hebje dat geleerd?Kam.Wat, troeven? bij de Boeren.
Hoo, hoo, mit troeven, kan gien mensch my ummers loeren.
Leont.Ik speel nooit met de kaart.Kam.Ei hoor, wel waerom niet?
Leont.Om dat daar somtyds quaad of moeite door geschied.
Kam.Wel paeij, bin jy zo vies? loop maer in Steê iens kyken,
Daer zelje ’t zien van volk dat fyne knevels lyken.
’t Verkeerbord gaet ’er wel in zwang, zoo ’t niemant weet,
Als maer de schyven fraeij met laeken zyn bekleed.
Leont.Het zy zo ’t wil, ’k zal hen daar niet te meer om pryzen.
Het geest’lijk kleed bedekt veel’ gekken, en veel wyzen.
Quit.Heer Vader, ik verzoek dat ik in eenzaamheid
Met Laura wand’len mag.Kam.Myn zoete lieve meid,
Wat zou je lui hier doen?Quit.Myn and’re speelnoots wachten.
Leont.Kamacho gaen wy dan.
Leontius en Kamacho binnen.
Quit.’t Ging buiten myn gedachten,
Dat ik hier Vader en myn Bruîgom vinden zou.
Maar is Bazilius my waarlyk nog getrouw?
Lau.Zyn min is al te groot dat hy u zou vergeeten.
Hy heeft den tyd aan ’t hof met ongeduld versleten.
Val.„Myn vrind Bazilius, daar is Quiteria.
Gy spreekt haar best alleen, vaar wel, myn Heer, ik gaa.
Lau.Daar is Bazilius.
Bazilius,Quiteria,Laura.
Bazilius.’t Mag my in ’t eind gebeurenMyn Liefste weer te zien! maar ach zy schynt te treuren!Quit.Ach, myn Bazilius!Baz.Wat viel de tyd my lang,Daar achter gindzen boom.Quit.Ja lief, ik wierd al bang,Toen ik zo onverwagt myn’ Vader hier ontmoette.Heeft niemand u gezien?Baz.Valasko, die my groette.Gy weet hy is myn vrind.Quit.Dan ben ik wel gerust.Hoe is de reis vergaan?Baz.Myn lief, gy zyt bewust,Hoe treurig ik vertrok, wanneer ik van u scheidde,Te meer omdat ik aan het hof zo lang verbeidde;Eén dag scheen my een maand, één uur een gansche dag;Om dat ik daar myn lief Quiteria niet zag.Ik was afkeerig van ’t vermaak der hovelingen,En hoorde ik in ’t zalet een Juffer konstig zingen,Dagt ik aan uwe stem, die zonder wedergaâMyn zinnen streelen kon. Voorts quam uw ongenâ,Door ’t lang vertoeven, my te binnen. Gy hebt redenOm met Kamacho in den echten staat te treeden.My zy de schuld alleen. Maar ach! hoe beeft myn hart!Gy zult dan trouwen? my verlaaten? ach! wat smart!Quit.Ja myn Bazilius, ik kan het niet beletten,’t Is my onmoogelyk myn’ vader te verzetten.Ik word gedwongen, Lief.Baz.’k Ben nog niet buiten raad,Indien gy myn verzoek, zo billyk, niet versmaadt.Gy kunt die trouw ontgaan, wanneer we t’zamen vlugten.Maar ach! gy zwygt, myn lief! en antwoordt my door zuchten.Quit.Daar ’s volk. Wy zyn bespied. Vaarwel.Baz.Waar vlucht ge heen,Quiteria! ei hoor myn’ klachten en gebeên.
Bazilius.’t Mag my in ’t eind gebeurenMyn Liefste weer te zien! maar ach zy schynt te treuren!Quit.Ach, myn Bazilius!Baz.Wat viel de tyd my lang,Daar achter gindzen boom.Quit.Ja lief, ik wierd al bang,Toen ik zo onverwagt myn’ Vader hier ontmoette.Heeft niemand u gezien?Baz.Valasko, die my groette.Gy weet hy is myn vrind.Quit.Dan ben ik wel gerust.Hoe is de reis vergaan?Baz.Myn lief, gy zyt bewust,Hoe treurig ik vertrok, wanneer ik van u scheidde,Te meer omdat ik aan het hof zo lang verbeidde;Eén dag scheen my een maand, één uur een gansche dag;Om dat ik daar myn lief Quiteria niet zag.Ik was afkeerig van ’t vermaak der hovelingen,En hoorde ik in ’t zalet een Juffer konstig zingen,Dagt ik aan uwe stem, die zonder wedergaâMyn zinnen streelen kon. Voorts quam uw ongenâ,Door ’t lang vertoeven, my te binnen. Gy hebt redenOm met Kamacho in den echten staat te treeden.My zy de schuld alleen. Maar ach! hoe beeft myn hart!Gy zult dan trouwen? my verlaaten? ach! wat smart!Quit.Ja myn Bazilius, ik kan het niet beletten,’t Is my onmoogelyk myn’ vader te verzetten.Ik word gedwongen, Lief.Baz.’k Ben nog niet buiten raad,Indien gy myn verzoek, zo billyk, niet versmaadt.Gy kunt die trouw ontgaan, wanneer we t’zamen vlugten.Maar ach! gy zwygt, myn lief! en antwoordt my door zuchten.Quit.Daar ’s volk. Wy zyn bespied. Vaarwel.Baz.Waar vlucht ge heen,Quiteria! ei hoor myn’ klachten en gebeên.
Bazilius.’t Mag my in ’t eind gebeurenMyn Liefste weer te zien! maar ach zy schynt te treuren!Quit.Ach, myn Bazilius!Baz.Wat viel de tyd my lang,Daar achter gindzen boom.Quit.Ja lief, ik wierd al bang,Toen ik zo onverwagt myn’ Vader hier ontmoette.Heeft niemand u gezien?Baz.Valasko, die my groette.Gy weet hy is myn vrind.Quit.Dan ben ik wel gerust.Hoe is de reis vergaan?Baz.Myn lief, gy zyt bewust,Hoe treurig ik vertrok, wanneer ik van u scheidde,Te meer omdat ik aan het hof zo lang verbeidde;Eén dag scheen my een maand, één uur een gansche dag;Om dat ik daar myn lief Quiteria niet zag.Ik was afkeerig van ’t vermaak der hovelingen,En hoorde ik in ’t zalet een Juffer konstig zingen,Dagt ik aan uwe stem, die zonder wedergaâMyn zinnen streelen kon. Voorts quam uw ongenâ,Door ’t lang vertoeven, my te binnen. Gy hebt redenOm met Kamacho in den echten staat te treeden.My zy de schuld alleen. Maar ach! hoe beeft myn hart!Gy zult dan trouwen? my verlaaten? ach! wat smart!Quit.Ja myn Bazilius, ik kan het niet beletten,’t Is my onmoogelyk myn’ vader te verzetten.Ik word gedwongen, Lief.Baz.’k Ben nog niet buiten raad,Indien gy myn verzoek, zo billyk, niet versmaadt.Gy kunt die trouw ontgaan, wanneer we t’zamen vlugten.Maar ach! gy zwygt, myn lief! en antwoordt my door zuchten.Quit.Daar ’s volk. Wy zyn bespied. Vaarwel.Baz.Waar vlucht ge heen,Quiteria! ei hoor myn’ klachten en gebeên.
Bazilius.’t Mag my in ’t eind gebeuren
Myn Liefste weer te zien! maar ach zy schynt te treuren!
Quit.Ach, myn Bazilius!Baz.Wat viel de tyd my lang,
Daar achter gindzen boom.Quit.Ja lief, ik wierd al bang,
Toen ik zo onverwagt myn’ Vader hier ontmoette.
Heeft niemand u gezien?Baz.Valasko, die my groette.
Gy weet hy is myn vrind.Quit.Dan ben ik wel gerust.
Hoe is de reis vergaan?Baz.Myn lief, gy zyt bewust,
Hoe treurig ik vertrok, wanneer ik van u scheidde,
Te meer omdat ik aan het hof zo lang verbeidde;
Eén dag scheen my een maand, één uur een gansche dag;
Om dat ik daar myn lief Quiteria niet zag.
Ik was afkeerig van ’t vermaak der hovelingen,
En hoorde ik in ’t zalet een Juffer konstig zingen,
Dagt ik aan uwe stem, die zonder wedergaâ
Myn zinnen streelen kon. Voorts quam uw ongenâ,
Door ’t lang vertoeven, my te binnen. Gy hebt reden
Om met Kamacho in den echten staat te treeden.
My zy de schuld alleen. Maar ach! hoe beeft myn hart!
Gy zult dan trouwen? my verlaaten? ach! wat smart!
Quit.Ja myn Bazilius, ik kan het niet beletten,
’t Is my onmoogelyk myn’ vader te verzetten.
Ik word gedwongen, Lief.Baz.’k Ben nog niet buiten raad,
Indien gy myn verzoek, zo billyk, niet versmaadt.
Gy kunt die trouw ontgaan, wanneer we t’zamen vlugten.
Maar ach! gy zwygt, myn lief! en antwoordt my door zuchten.
Quit.Daar ’s volk. Wy zyn bespied. Vaarwel.
Baz.Waar vlucht ge heen,
Quiteria! ei hoor myn’ klachten en gebeên.
Don Quichotte paerd,Sancheop een ezel, schielyk uit.
Don Quichot.Staa Ridder, wat heeft die....San.Ja oele hy gaat fluiten.Wou jy die veugel in zyn vlucht zo makk’lijk stuiten?Dat ’s miskoot. Maer myn Heer, wat zellen wy nou doen?Don Qu.Zo ras als ’t moog’lyk is, naar Saragossa spoên,Op hoop van nog in tyds het steekspel by te woonen.San.Wat waar ik ook een gek, dat ik me meê liet troonen!Sanchezegt tegen den ezel.Myn lieve Graeuwtje wat heb ik al deurgestaan;Wat hebben, jy en ik, al menig droeve traenOp deezen tocht ’estort! myn hart! myn lust! myn leeven!Myn zeun! myn graeuwtje! jy bent in myn hart ’eschreven.Wat zyn we trouwe broêrs, in lief, in leet, in nood!’k Zal jou in goud beslaen myn keuning, nae jou dood.Don Qu.Laat myne Ronsinant, met Graeuwtje ginder weiên.San.Ik zel ze gunter, daar het beste gras groeijt, leîen.Sanche brengt de beesten weg.Don Qu.Gaa allereêlste beest, getrouwe Ronzinant,Gaa opperpronkjuweel der paerden van dit Land.Uw naam zal in het kort met grooter luister pralen,Gy zult nog meerder roem als Bucefal behaalen.Die groote Bucefal, held Alexanders paerd,Daar gy in trouwheid en grootmoedigheid naar aard,Heeft door zyns meesters arm nooit grooter roem verkregen,Als gy verwachten kunt, door myn’ gevreesden degen;Myn degen, dien ik heb aan myn Princes gewyd,Myn lief Dulcinea, het pronkbeeld van deez’ tyd,De zoetste roofster van myn’ zinnen en gedachten,Om wie ik eenzaam dool, by dagen en by nachten.Wanneer, ô schoone! zal ’t gelukkig uurtje zyn,Dat gy uw’ Don Quichot zult helpen uit de pyn!Wanneer, ô wreede! zult ge ophouden my te plaagen?Of moet ik doolen om uw’ liefde al myne dagen?Heb ik vergeefs gestreên met menig’ kloeken held?Sloeg ik vergeefs dan den Biskaijer uit het veld?En heeft u Passamont, met ketenen belaaden,En and’re boeven, niets verhaald van myne daaden?’t Is zeker! Maar gy blyft, ô wreede! nog versteend,En lacht, helaas! wanneer uw droeve ridder weent.Ik zal, indien ’t u lust, de bekkeneelen kneuzen,Van schelmse tovenaars en schrikkelyke reuzen;Al quam hier Sakripant, een reus van d’ ouden tyd,Hy moest bekennen dat gy de allerschoonste zyt,Het pronkstuk der natuur, de paerel aller vrouwen;Of ’k zou hem met myn zwaerd den kop van ’t lichaam houwen.San.Och Ridder Don Quichot, ’k verlang al weer naer huis!Don Qu.Geduld, myn zoon, geduld.San.Ja ’k zie vast munt, noch kruis,Won ik nog geld, met al dat hongerige doolen.Don Qu.ô Sanche! Sanche! gy begind al weêr te toolen;Waar heeft een Schildknaap van een doolend Ridder geldTot loon van dienst geëischt? Zeg eens wat boek vermeldt,Dat Roeland, Amadis of Palmeryn de Olyven,Geld gaven, zeg?San.Ik kan niet leezen, noch niet schryven,Wat bruid me Roeland, met jou hiele ridderschap,Als ik gien geld heb.Don Qu.Schelm! ik dagt u op den trapVan eer, en hoog geluk, door mynen arm te zettenLoop naar uw wyf, loop heen, ik zal ’t u niet belettenGaa werken om de kost, gy zyt myn gunst niet waard.Zo ik een koninkrijk kan winnen, door myn swaard,Zal ik een ander, u ten spyt, tot koning maaken;Bedenk dan, Sanche, hoe die euvel u zal smaaken.San.Och, och, vergeef het my, ’k en hebt zo niet ’emiend.Myn heer, ik hebje met men Graeuwtje lang ’ediend,En overal gevolgd. Beloofje nog te geevenEen eiland veur myn loon: ik zel jou al myn leevenDaar veur bedanken?Don Qu.Ja, het eerste dat ik win.San.In ’t admirantschap, heb ik ook al vry wat zinOf maek me maer zo ’n graef, of prins, ’t ken jou niet scheelen,Al wierd ik Keuning; als je tog bent an het deelen,Zo leg me maer wat toe, van d’eenen brui, of d’aêrHy kan ligt knippen die een lap heit met een schaer.Maer ’k wou dat ik het zag gebeuren, zei de blinde.Don Qu.’k Moet lachen, Sanche.San.Zie myn heer, zie door de linde:Loop daer gien kaerel?Don Qu.Geef myn schild en myn geweer:Het is een Ridder.San.Neen, het is een boer, myn heer.Don Qu.’k Zeg ’t is een Ridder: haal myn lancie, niet te draalen.San.Het is een boer, heer of de drommel moet me haelen.Don Qu.Ik ken hem aan de veer, die op zyn helmtop zit.Is ’t Ridder Splandor, zoon van Medor.San.Ei ik bid,Maek tog gien questie, je bend zekerlyk bedrogen.Merlyn de Tovenaer draeijt weer een rad voor je oogen.
Don Quichot.Staa Ridder, wat heeft die....San.Ja oele hy gaat fluiten.Wou jy die veugel in zyn vlucht zo makk’lijk stuiten?Dat ’s miskoot. Maer myn Heer, wat zellen wy nou doen?Don Qu.Zo ras als ’t moog’lyk is, naar Saragossa spoên,Op hoop van nog in tyds het steekspel by te woonen.San.Wat waar ik ook een gek, dat ik me meê liet troonen!Sanchezegt tegen den ezel.Myn lieve Graeuwtje wat heb ik al deurgestaan;Wat hebben, jy en ik, al menig droeve traenOp deezen tocht ’estort! myn hart! myn lust! myn leeven!Myn zeun! myn graeuwtje! jy bent in myn hart ’eschreven.Wat zyn we trouwe broêrs, in lief, in leet, in nood!’k Zal jou in goud beslaen myn keuning, nae jou dood.Don Qu.Laat myne Ronsinant, met Graeuwtje ginder weiên.San.Ik zel ze gunter, daar het beste gras groeijt, leîen.Sanche brengt de beesten weg.Don Qu.Gaa allereêlste beest, getrouwe Ronzinant,Gaa opperpronkjuweel der paerden van dit Land.Uw naam zal in het kort met grooter luister pralen,Gy zult nog meerder roem als Bucefal behaalen.Die groote Bucefal, held Alexanders paerd,Daar gy in trouwheid en grootmoedigheid naar aard,Heeft door zyns meesters arm nooit grooter roem verkregen,Als gy verwachten kunt, door myn’ gevreesden degen;Myn degen, dien ik heb aan myn Princes gewyd,Myn lief Dulcinea, het pronkbeeld van deez’ tyd,De zoetste roofster van myn’ zinnen en gedachten,Om wie ik eenzaam dool, by dagen en by nachten.Wanneer, ô schoone! zal ’t gelukkig uurtje zyn,Dat gy uw’ Don Quichot zult helpen uit de pyn!Wanneer, ô wreede! zult ge ophouden my te plaagen?Of moet ik doolen om uw’ liefde al myne dagen?Heb ik vergeefs gestreên met menig’ kloeken held?Sloeg ik vergeefs dan den Biskaijer uit het veld?En heeft u Passamont, met ketenen belaaden,En and’re boeven, niets verhaald van myne daaden?’t Is zeker! Maar gy blyft, ô wreede! nog versteend,En lacht, helaas! wanneer uw droeve ridder weent.Ik zal, indien ’t u lust, de bekkeneelen kneuzen,Van schelmse tovenaars en schrikkelyke reuzen;Al quam hier Sakripant, een reus van d’ ouden tyd,Hy moest bekennen dat gy de allerschoonste zyt,Het pronkstuk der natuur, de paerel aller vrouwen;Of ’k zou hem met myn zwaerd den kop van ’t lichaam houwen.San.Och Ridder Don Quichot, ’k verlang al weer naer huis!Don Qu.Geduld, myn zoon, geduld.San.Ja ’k zie vast munt, noch kruis,Won ik nog geld, met al dat hongerige doolen.Don Qu.ô Sanche! Sanche! gy begind al weêr te toolen;Waar heeft een Schildknaap van een doolend Ridder geldTot loon van dienst geëischt? Zeg eens wat boek vermeldt,Dat Roeland, Amadis of Palmeryn de Olyven,Geld gaven, zeg?San.Ik kan niet leezen, noch niet schryven,Wat bruid me Roeland, met jou hiele ridderschap,Als ik gien geld heb.Don Qu.Schelm! ik dagt u op den trapVan eer, en hoog geluk, door mynen arm te zettenLoop naar uw wyf, loop heen, ik zal ’t u niet belettenGaa werken om de kost, gy zyt myn gunst niet waard.Zo ik een koninkrijk kan winnen, door myn swaard,Zal ik een ander, u ten spyt, tot koning maaken;Bedenk dan, Sanche, hoe die euvel u zal smaaken.San.Och, och, vergeef het my, ’k en hebt zo niet ’emiend.Myn heer, ik hebje met men Graeuwtje lang ’ediend,En overal gevolgd. Beloofje nog te geevenEen eiland veur myn loon: ik zel jou al myn leevenDaar veur bedanken?Don Qu.Ja, het eerste dat ik win.San.In ’t admirantschap, heb ik ook al vry wat zinOf maek me maer zo ’n graef, of prins, ’t ken jou niet scheelen,Al wierd ik Keuning; als je tog bent an het deelen,Zo leg me maer wat toe, van d’eenen brui, of d’aêrHy kan ligt knippen die een lap heit met een schaer.Maer ’k wou dat ik het zag gebeuren, zei de blinde.Don Qu.’k Moet lachen, Sanche.San.Zie myn heer, zie door de linde:Loop daer gien kaerel?Don Qu.Geef myn schild en myn geweer:Het is een Ridder.San.Neen, het is een boer, myn heer.Don Qu.’k Zeg ’t is een Ridder: haal myn lancie, niet te draalen.San.Het is een boer, heer of de drommel moet me haelen.Don Qu.Ik ken hem aan de veer, die op zyn helmtop zit.Is ’t Ridder Splandor, zoon van Medor.San.Ei ik bid,Maek tog gien questie, je bend zekerlyk bedrogen.Merlyn de Tovenaer draeijt weer een rad voor je oogen.
Don Quichot.Staa Ridder, wat heeft die....San.Ja oele hy gaat fluiten.Wou jy die veugel in zyn vlucht zo makk’lijk stuiten?Dat ’s miskoot. Maer myn Heer, wat zellen wy nou doen?Don Qu.Zo ras als ’t moog’lyk is, naar Saragossa spoên,Op hoop van nog in tyds het steekspel by te woonen.San.Wat waar ik ook een gek, dat ik me meê liet troonen!Sanchezegt tegen den ezel.Myn lieve Graeuwtje wat heb ik al deurgestaan;Wat hebben, jy en ik, al menig droeve traenOp deezen tocht ’estort! myn hart! myn lust! myn leeven!Myn zeun! myn graeuwtje! jy bent in myn hart ’eschreven.Wat zyn we trouwe broêrs, in lief, in leet, in nood!’k Zal jou in goud beslaen myn keuning, nae jou dood.Don Qu.Laat myne Ronsinant, met Graeuwtje ginder weiên.San.Ik zel ze gunter, daar het beste gras groeijt, leîen.Sanche brengt de beesten weg.Don Qu.Gaa allereêlste beest, getrouwe Ronzinant,Gaa opperpronkjuweel der paerden van dit Land.Uw naam zal in het kort met grooter luister pralen,Gy zult nog meerder roem als Bucefal behaalen.Die groote Bucefal, held Alexanders paerd,Daar gy in trouwheid en grootmoedigheid naar aard,Heeft door zyns meesters arm nooit grooter roem verkregen,Als gy verwachten kunt, door myn’ gevreesden degen;Myn degen, dien ik heb aan myn Princes gewyd,Myn lief Dulcinea, het pronkbeeld van deez’ tyd,De zoetste roofster van myn’ zinnen en gedachten,Om wie ik eenzaam dool, by dagen en by nachten.Wanneer, ô schoone! zal ’t gelukkig uurtje zyn,Dat gy uw’ Don Quichot zult helpen uit de pyn!Wanneer, ô wreede! zult ge ophouden my te plaagen?Of moet ik doolen om uw’ liefde al myne dagen?Heb ik vergeefs gestreên met menig’ kloeken held?Sloeg ik vergeefs dan den Biskaijer uit het veld?En heeft u Passamont, met ketenen belaaden,En and’re boeven, niets verhaald van myne daaden?’t Is zeker! Maar gy blyft, ô wreede! nog versteend,En lacht, helaas! wanneer uw droeve ridder weent.Ik zal, indien ’t u lust, de bekkeneelen kneuzen,Van schelmse tovenaars en schrikkelyke reuzen;Al quam hier Sakripant, een reus van d’ ouden tyd,Hy moest bekennen dat gy de allerschoonste zyt,Het pronkstuk der natuur, de paerel aller vrouwen;Of ’k zou hem met myn zwaerd den kop van ’t lichaam houwen.San.Och Ridder Don Quichot, ’k verlang al weer naer huis!Don Qu.Geduld, myn zoon, geduld.San.Ja ’k zie vast munt, noch kruis,Won ik nog geld, met al dat hongerige doolen.Don Qu.ô Sanche! Sanche! gy begind al weêr te toolen;Waar heeft een Schildknaap van een doolend Ridder geldTot loon van dienst geëischt? Zeg eens wat boek vermeldt,Dat Roeland, Amadis of Palmeryn de Olyven,Geld gaven, zeg?San.Ik kan niet leezen, noch niet schryven,Wat bruid me Roeland, met jou hiele ridderschap,Als ik gien geld heb.Don Qu.Schelm! ik dagt u op den trapVan eer, en hoog geluk, door mynen arm te zettenLoop naar uw wyf, loop heen, ik zal ’t u niet belettenGaa werken om de kost, gy zyt myn gunst niet waard.Zo ik een koninkrijk kan winnen, door myn swaard,Zal ik een ander, u ten spyt, tot koning maaken;Bedenk dan, Sanche, hoe die euvel u zal smaaken.San.Och, och, vergeef het my, ’k en hebt zo niet ’emiend.Myn heer, ik hebje met men Graeuwtje lang ’ediend,En overal gevolgd. Beloofje nog te geevenEen eiland veur myn loon: ik zel jou al myn leevenDaar veur bedanken?Don Qu.Ja, het eerste dat ik win.San.In ’t admirantschap, heb ik ook al vry wat zinOf maek me maer zo ’n graef, of prins, ’t ken jou niet scheelen,Al wierd ik Keuning; als je tog bent an het deelen,Zo leg me maer wat toe, van d’eenen brui, of d’aêrHy kan ligt knippen die een lap heit met een schaer.Maer ’k wou dat ik het zag gebeuren, zei de blinde.Don Qu.’k Moet lachen, Sanche.San.Zie myn heer, zie door de linde:Loop daer gien kaerel?Don Qu.Geef myn schild en myn geweer:Het is een Ridder.San.Neen, het is een boer, myn heer.Don Qu.’k Zeg ’t is een Ridder: haal myn lancie, niet te draalen.San.Het is een boer, heer of de drommel moet me haelen.Don Qu.Ik ken hem aan de veer, die op zyn helmtop zit.Is ’t Ridder Splandor, zoon van Medor.San.Ei ik bid,Maek tog gien questie, je bend zekerlyk bedrogen.Merlyn de Tovenaer draeijt weer een rad voor je oogen.
Don Quichot.Staa Ridder, wat heeft die....San.Ja oele hy gaat fluiten.
Wou jy die veugel in zyn vlucht zo makk’lijk stuiten?
Dat ’s miskoot. Maer myn Heer, wat zellen wy nou doen?
Don Qu.Zo ras als ’t moog’lyk is, naar Saragossa spoên,
Op hoop van nog in tyds het steekspel by te woonen.
San.Wat waar ik ook een gek, dat ik me meê liet troonen!
Sanchezegt tegen den ezel.
Myn lieve Graeuwtje wat heb ik al deurgestaan;
Wat hebben, jy en ik, al menig droeve traen
Op deezen tocht ’estort! myn hart! myn lust! myn leeven!
Myn zeun! myn graeuwtje! jy bent in myn hart ’eschreven.
Wat zyn we trouwe broêrs, in lief, in leet, in nood!
’k Zal jou in goud beslaen myn keuning, nae jou dood.
Don Qu.Laat myne Ronsinant, met Graeuwtje ginder weiên.
San.Ik zel ze gunter, daar het beste gras groeijt, leîen.
Sanche brengt de beesten weg.
Don Qu.Gaa allereêlste beest, getrouwe Ronzinant,
Gaa opperpronkjuweel der paerden van dit Land.
Uw naam zal in het kort met grooter luister pralen,
Gy zult nog meerder roem als Bucefal behaalen.
Die groote Bucefal, held Alexanders paerd,
Daar gy in trouwheid en grootmoedigheid naar aard,
Heeft door zyns meesters arm nooit grooter roem verkregen,
Als gy verwachten kunt, door myn’ gevreesden degen;
Myn degen, dien ik heb aan myn Princes gewyd,
Myn lief Dulcinea, het pronkbeeld van deez’ tyd,
De zoetste roofster van myn’ zinnen en gedachten,
Om wie ik eenzaam dool, by dagen en by nachten.
Wanneer, ô schoone! zal ’t gelukkig uurtje zyn,
Dat gy uw’ Don Quichot zult helpen uit de pyn!
Wanneer, ô wreede! zult ge ophouden my te plaagen?
Of moet ik doolen om uw’ liefde al myne dagen?
Heb ik vergeefs gestreên met menig’ kloeken held?
Sloeg ik vergeefs dan den Biskaijer uit het veld?
En heeft u Passamont, met ketenen belaaden,
En and’re boeven, niets verhaald van myne daaden?
’t Is zeker! Maar gy blyft, ô wreede! nog versteend,
En lacht, helaas! wanneer uw droeve ridder weent.
Ik zal, indien ’t u lust, de bekkeneelen kneuzen,
Van schelmse tovenaars en schrikkelyke reuzen;
Al quam hier Sakripant, een reus van d’ ouden tyd,
Hy moest bekennen dat gy de allerschoonste zyt,
Het pronkstuk der natuur, de paerel aller vrouwen;
Of ’k zou hem met myn zwaerd den kop van ’t lichaam houwen.
San.Och Ridder Don Quichot, ’k verlang al weer naer huis!
Don Qu.Geduld, myn zoon, geduld.
San.Ja ’k zie vast munt, noch kruis,
Won ik nog geld, met al dat hongerige doolen.
Don Qu.ô Sanche! Sanche! gy begind al weêr te toolen;
Waar heeft een Schildknaap van een doolend Ridder geld
Tot loon van dienst geëischt? Zeg eens wat boek vermeldt,
Dat Roeland, Amadis of Palmeryn de Olyven,
Geld gaven, zeg?San.Ik kan niet leezen, noch niet schryven,
Wat bruid me Roeland, met jou hiele ridderschap,
Als ik gien geld heb.Don Qu.Schelm! ik dagt u op den trap
Van eer, en hoog geluk, door mynen arm te zetten
Loop naar uw wyf, loop heen, ik zal ’t u niet beletten
Gaa werken om de kost, gy zyt myn gunst niet waard.
Zo ik een koninkrijk kan winnen, door myn swaard,
Zal ik een ander, u ten spyt, tot koning maaken;
Bedenk dan, Sanche, hoe die euvel u zal smaaken.
San.Och, och, vergeef het my, ’k en hebt zo niet ’emiend.
Myn heer, ik hebje met men Graeuwtje lang ’ediend,
En overal gevolgd. Beloofje nog te geeven
Een eiland veur myn loon: ik zel jou al myn leeven
Daar veur bedanken?Don Qu.Ja, het eerste dat ik win.
San.In ’t admirantschap, heb ik ook al vry wat zin
Of maek me maer zo ’n graef, of prins, ’t ken jou niet scheelen,
Al wierd ik Keuning; als je tog bent an het deelen,
Zo leg me maer wat toe, van d’eenen brui, of d’aêr
Hy kan ligt knippen die een lap heit met een schaer.
Maer ’k wou dat ik het zag gebeuren, zei de blinde.
Don Qu.’k Moet lachen, Sanche.
San.Zie myn heer, zie door de linde:
Loop daer gien kaerel?Don Qu.Geef myn schild en myn geweer:
Het is een Ridder.San.Neen, het is een boer, myn heer.
Don Qu.’k Zeg ’t is een Ridder: haal myn lancie, niet te draalen.
San.Het is een boer, heer of de drommel moet me haelen.
Don Qu.Ik ken hem aan de veer, die op zyn helmtop zit.
Is ’t Ridder Splandor, zoon van Medor.San.Ei ik bid,
Maek tog gien questie, je bend zekerlyk bedrogen.
Merlyn de Tovenaer draeijt weer een rad voor je oogen.
Don Quichot,Sanche,Kamacho, met een veer op zyn boeremuts.
Kamacho.„Dat wangd’len van myn bruid in ’t bosch staet my niet an;„De boeren zeggen datze met dien edelman,„Die zy bemint heit, stond op deeze plek te praeten;„En dat verstae ik niet; dat zal ze moeten laeten....„Smit Justus wie is dat!Don Qu.ô Splandor, braave held,En doolend Ridder, daar Turpinus pen van meldt;Aanschouw hier Don Quichot, den ridder van de leeuwen.Kam.Gans bloet, wat vent is dat! och, och! ik moet iens schreeuwen,Of hy vermoord me hier! Help! help! Wat ziet hy fel!’t Is Symen langdarm, of de pikken uit de hel.Och sinte langdarm, of hoedat je naem mag weezen,’k Zel alle daegen, drie van je amerietjes leezen,Voor al de songden, die je in ’t leeven hebt ’edaen.Ei laat me leeven, en zo lang naer huis toe gaan;Tot ik men testemengt ’emaakt heb. ’k Laet me hangen,Zoo ’k niet weêrom kom, op parool, als krygsgevangen.Don Qu.Heer Ridder, hoe, gy spreekt of gy betoverd waart,Dat zyn geen blyken van uw’ ouden heldenaardGy zyt het, die wel eer het Turksche heir verheerde,En in Stoelweissenburg zo heerlyk triumfeerde.Kam.Och ja heer langdarm, ’k bin betoverd! ’k bin bedrild!Ik bin bezeeten, ik bin al wat datje wilt.Och myn gesuikerde sinjeurtje! laet me loopen!Daer is myn beurs.San.Geef hier! maer bloed! ik zou niet hoopenDat hy betoverd was, en dat hy iens uit klucht,Als ik er geld uit kreeg, zou vliegen naar de lucht.Don Qu.Heer Splandor, hou uw geld, ik ben geen dief of roover.’t Za, Sanche, geef het weêr.San.Wel dat komt zeker pover,Zo ’n schoone beurs, en die ’k zoo mak’lyk houwen kan!En dat regtvaerdig; want ik krygze van den man.Don Qu.Wat draalje! geef terstond.San.Het zinne spaense matten.Don Qu.Geef over of...San.Ei lieve, één greepje.Don Qu.Ik kan bevatten,Dat u de rug wat jeukt.San.Hou daer dan, tovenaer.Kam.Ik dankje.San.Holla, broêr.Don Qu.Ha, schelm.San.Daer is het, daer.Don Qu.Heer Ridder, zyt gerust; ik staa niet naar uw leeven;Maar wil dat gy me uw’ helm tot dankbaarheid zult geeven.Kam.Och jonker, ’k heb gien helm ooit op myn kop ’ehad,’t Is maer een boere muts, met veeren, dat je ’t vat;Wil jy hem hebben? ’k wil hem gaeren’ an je schenken.Don Qu.Heer Splandor, groote held, ik kan my niet bedenken,Hoe uw’ doorlugte geest, en groote schranderheid,Van ’t spoor der reden, door de tov’naars is geleid,Dat gy dien zwarten helm, dien Roeland plag te draagen,Een boere muts noemt.Kamachogeeft hem zyn muts.„Och hy zoekt me wat te plaegen!Hou daer, daer is myn helm, ast dan een helm moet zyn.Don Qu.’k Ben dankbaer, groote held.Kam.Die karel piert me fyn.Don Qu.Wat zegt zyn edelheid?Kam.Of ik nou mag vertrekken?Don Qu.Hoe vaart Angelika? wil my ’t geheim ontdekken:Waar zy zich nu onthoud. Leeft uw heer vader nog?Het moortje Medor, dat held Roeland met bedrogDe schoone Angelika, uit minnenliefde ontschaakte?Waar door die groote held, uit spyt, aan ’t razen raakte?Meld alles maar aan my, den dapp’ren Don Quichot.Kam.Ik heb gien Vaer noch Moêr, heer Ridder dronke zot.Don Qu.Is dan de schoone Moor, uw vader reeds gesturven?Kam.Myn vaertje was geen moor. Och, och! ik ben bedurven,Hy zietme veur een Turk, of voor een Heijen aen.Zo hier gien volk en koomt, zel ’t mit me slegt vergaen.Don Qu.Is dan Angelika, uw moeder, reeds ter aarde?Die zulken braaven held, als u, ô Splandor, baarde?Kam.Ik heb Jan Geeleslae men leeven niet ’ekent,Ik hiet geen plankoor, en we bennen niet ’ewentDe kei’ren in ongs dorp mit zukken naem te doopen.Ei Ridder, dronke zot, ik bidje laetme loopen.Je heb me muts al weg, zeg maer, wat wilje meer,Men wammes, en men broek.Don Qu.Neen, neen, verdwaalde heerDien schoonen wapenrok zal ik u niet ontrooven;’k Wil liever voor uw’ helm een koninkryk belooven;Indien gy ’t maar begeert.Kam.Och, och, ’et is de droes,Is dat geen paerdevoet? neen, maer een karrepoes!Nou merk ik ’t eerst, och zo ’n hiel keuninkryk, sint felten!Je bent een dubbelduw!San.Zen kop die rydt op stelten.Kamachoschrijft een streep.’k Bezweerje by den geest, van houte sint MichielAl waarje nou de droes, of Steven zongder ziel,Nagtmerri, bietebauw, of ongeboore heintjeAl wierje nou zo klein, datje in een tinne pijntjeKon kruipen, zo je nu gien mensch bent, ken je nouNiet over deuze striep.Don Quichotover de streep trappende.Ik voel myn hart vol rouw;ô Eedle Splandor, om het missen van uw’ zinnen;’t Verstand schynt u van ’t spoor, door ’t al te hevig minnen.’k Omhels u, als myn vrind.Kam.Dat maekme wat gerust.Ik loof werentig, dat je lui wat kortswil lust.Maar alle gekken op een stokje, laet me wangdelen....Daer’s Vetlasoep, de Kok, wat of die wil verhangdelen.
Kamacho.„Dat wangd’len van myn bruid in ’t bosch staet my niet an;„De boeren zeggen datze met dien edelman,„Die zy bemint heit, stond op deeze plek te praeten;„En dat verstae ik niet; dat zal ze moeten laeten....„Smit Justus wie is dat!Don Qu.ô Splandor, braave held,En doolend Ridder, daar Turpinus pen van meldt;Aanschouw hier Don Quichot, den ridder van de leeuwen.Kam.Gans bloet, wat vent is dat! och, och! ik moet iens schreeuwen,Of hy vermoord me hier! Help! help! Wat ziet hy fel!’t Is Symen langdarm, of de pikken uit de hel.Och sinte langdarm, of hoedat je naem mag weezen,’k Zel alle daegen, drie van je amerietjes leezen,Voor al de songden, die je in ’t leeven hebt ’edaen.Ei laat me leeven, en zo lang naer huis toe gaan;Tot ik men testemengt ’emaakt heb. ’k Laet me hangen,Zoo ’k niet weêrom kom, op parool, als krygsgevangen.Don Qu.Heer Ridder, hoe, gy spreekt of gy betoverd waart,Dat zyn geen blyken van uw’ ouden heldenaardGy zyt het, die wel eer het Turksche heir verheerde,En in Stoelweissenburg zo heerlyk triumfeerde.Kam.Och ja heer langdarm, ’k bin betoverd! ’k bin bedrild!Ik bin bezeeten, ik bin al wat datje wilt.Och myn gesuikerde sinjeurtje! laet me loopen!Daer is myn beurs.San.Geef hier! maer bloed! ik zou niet hoopenDat hy betoverd was, en dat hy iens uit klucht,Als ik er geld uit kreeg, zou vliegen naar de lucht.Don Qu.Heer Splandor, hou uw geld, ik ben geen dief of roover.’t Za, Sanche, geef het weêr.San.Wel dat komt zeker pover,Zo ’n schoone beurs, en die ’k zoo mak’lyk houwen kan!En dat regtvaerdig; want ik krygze van den man.Don Qu.Wat draalje! geef terstond.San.Het zinne spaense matten.Don Qu.Geef over of...San.Ei lieve, één greepje.Don Qu.Ik kan bevatten,Dat u de rug wat jeukt.San.Hou daer dan, tovenaer.Kam.Ik dankje.San.Holla, broêr.Don Qu.Ha, schelm.San.Daer is het, daer.Don Qu.Heer Ridder, zyt gerust; ik staa niet naar uw leeven;Maar wil dat gy me uw’ helm tot dankbaarheid zult geeven.Kam.Och jonker, ’k heb gien helm ooit op myn kop ’ehad,’t Is maer een boere muts, met veeren, dat je ’t vat;Wil jy hem hebben? ’k wil hem gaeren’ an je schenken.Don Qu.Heer Splandor, groote held, ik kan my niet bedenken,Hoe uw’ doorlugte geest, en groote schranderheid,Van ’t spoor der reden, door de tov’naars is geleid,Dat gy dien zwarten helm, dien Roeland plag te draagen,Een boere muts noemt.Kamachogeeft hem zyn muts.„Och hy zoekt me wat te plaegen!Hou daer, daer is myn helm, ast dan een helm moet zyn.Don Qu.’k Ben dankbaer, groote held.Kam.Die karel piert me fyn.Don Qu.Wat zegt zyn edelheid?Kam.Of ik nou mag vertrekken?Don Qu.Hoe vaart Angelika? wil my ’t geheim ontdekken:Waar zy zich nu onthoud. Leeft uw heer vader nog?Het moortje Medor, dat held Roeland met bedrogDe schoone Angelika, uit minnenliefde ontschaakte?Waar door die groote held, uit spyt, aan ’t razen raakte?Meld alles maar aan my, den dapp’ren Don Quichot.Kam.Ik heb gien Vaer noch Moêr, heer Ridder dronke zot.Don Qu.Is dan de schoone Moor, uw vader reeds gesturven?Kam.Myn vaertje was geen moor. Och, och! ik ben bedurven,Hy zietme veur een Turk, of voor een Heijen aen.Zo hier gien volk en koomt, zel ’t mit me slegt vergaen.Don Qu.Is dan Angelika, uw moeder, reeds ter aarde?Die zulken braaven held, als u, ô Splandor, baarde?Kam.Ik heb Jan Geeleslae men leeven niet ’ekent,Ik hiet geen plankoor, en we bennen niet ’ewentDe kei’ren in ongs dorp mit zukken naem te doopen.Ei Ridder, dronke zot, ik bidje laetme loopen.Je heb me muts al weg, zeg maer, wat wilje meer,Men wammes, en men broek.Don Qu.Neen, neen, verdwaalde heerDien schoonen wapenrok zal ik u niet ontrooven;’k Wil liever voor uw’ helm een koninkryk belooven;Indien gy ’t maar begeert.Kam.Och, och, ’et is de droes,Is dat geen paerdevoet? neen, maer een karrepoes!Nou merk ik ’t eerst, och zo ’n hiel keuninkryk, sint felten!Je bent een dubbelduw!San.Zen kop die rydt op stelten.Kamachoschrijft een streep.’k Bezweerje by den geest, van houte sint MichielAl waarje nou de droes, of Steven zongder ziel,Nagtmerri, bietebauw, of ongeboore heintjeAl wierje nou zo klein, datje in een tinne pijntjeKon kruipen, zo je nu gien mensch bent, ken je nouNiet over deuze striep.Don Quichotover de streep trappende.Ik voel myn hart vol rouw;ô Eedle Splandor, om het missen van uw’ zinnen;’t Verstand schynt u van ’t spoor, door ’t al te hevig minnen.’k Omhels u, als myn vrind.Kam.Dat maekme wat gerust.Ik loof werentig, dat je lui wat kortswil lust.Maar alle gekken op een stokje, laet me wangdelen....Daer’s Vetlasoep, de Kok, wat of die wil verhangdelen.
Kamacho.„Dat wangd’len van myn bruid in ’t bosch staet my niet an;„De boeren zeggen datze met dien edelman,„Die zy bemint heit, stond op deeze plek te praeten;„En dat verstae ik niet; dat zal ze moeten laeten....„Smit Justus wie is dat!Don Qu.ô Splandor, braave held,En doolend Ridder, daar Turpinus pen van meldt;Aanschouw hier Don Quichot, den ridder van de leeuwen.Kam.Gans bloet, wat vent is dat! och, och! ik moet iens schreeuwen,Of hy vermoord me hier! Help! help! Wat ziet hy fel!’t Is Symen langdarm, of de pikken uit de hel.Och sinte langdarm, of hoedat je naem mag weezen,’k Zel alle daegen, drie van je amerietjes leezen,Voor al de songden, die je in ’t leeven hebt ’edaen.Ei laat me leeven, en zo lang naer huis toe gaan;Tot ik men testemengt ’emaakt heb. ’k Laet me hangen,Zoo ’k niet weêrom kom, op parool, als krygsgevangen.Don Qu.Heer Ridder, hoe, gy spreekt of gy betoverd waart,Dat zyn geen blyken van uw’ ouden heldenaardGy zyt het, die wel eer het Turksche heir verheerde,En in Stoelweissenburg zo heerlyk triumfeerde.Kam.Och ja heer langdarm, ’k bin betoverd! ’k bin bedrild!Ik bin bezeeten, ik bin al wat datje wilt.Och myn gesuikerde sinjeurtje! laet me loopen!Daer is myn beurs.San.Geef hier! maer bloed! ik zou niet hoopenDat hy betoverd was, en dat hy iens uit klucht,Als ik er geld uit kreeg, zou vliegen naar de lucht.Don Qu.Heer Splandor, hou uw geld, ik ben geen dief of roover.’t Za, Sanche, geef het weêr.San.Wel dat komt zeker pover,Zo ’n schoone beurs, en die ’k zoo mak’lyk houwen kan!En dat regtvaerdig; want ik krygze van den man.Don Qu.Wat draalje! geef terstond.San.Het zinne spaense matten.Don Qu.Geef over of...San.Ei lieve, één greepje.Don Qu.Ik kan bevatten,Dat u de rug wat jeukt.San.Hou daer dan, tovenaer.Kam.Ik dankje.San.Holla, broêr.Don Qu.Ha, schelm.San.Daer is het, daer.Don Qu.Heer Ridder, zyt gerust; ik staa niet naar uw leeven;Maar wil dat gy me uw’ helm tot dankbaarheid zult geeven.Kam.Och jonker, ’k heb gien helm ooit op myn kop ’ehad,’t Is maer een boere muts, met veeren, dat je ’t vat;Wil jy hem hebben? ’k wil hem gaeren’ an je schenken.Don Qu.Heer Splandor, groote held, ik kan my niet bedenken,Hoe uw’ doorlugte geest, en groote schranderheid,Van ’t spoor der reden, door de tov’naars is geleid,Dat gy dien zwarten helm, dien Roeland plag te draagen,Een boere muts noemt.Kamachogeeft hem zyn muts.„Och hy zoekt me wat te plaegen!Hou daer, daer is myn helm, ast dan een helm moet zyn.Don Qu.’k Ben dankbaer, groote held.Kam.Die karel piert me fyn.Don Qu.Wat zegt zyn edelheid?Kam.Of ik nou mag vertrekken?Don Qu.Hoe vaart Angelika? wil my ’t geheim ontdekken:Waar zy zich nu onthoud. Leeft uw heer vader nog?Het moortje Medor, dat held Roeland met bedrogDe schoone Angelika, uit minnenliefde ontschaakte?Waar door die groote held, uit spyt, aan ’t razen raakte?Meld alles maar aan my, den dapp’ren Don Quichot.Kam.Ik heb gien Vaer noch Moêr, heer Ridder dronke zot.Don Qu.Is dan de schoone Moor, uw vader reeds gesturven?Kam.Myn vaertje was geen moor. Och, och! ik ben bedurven,Hy zietme veur een Turk, of voor een Heijen aen.Zo hier gien volk en koomt, zel ’t mit me slegt vergaen.Don Qu.Is dan Angelika, uw moeder, reeds ter aarde?Die zulken braaven held, als u, ô Splandor, baarde?Kam.Ik heb Jan Geeleslae men leeven niet ’ekent,Ik hiet geen plankoor, en we bennen niet ’ewentDe kei’ren in ongs dorp mit zukken naem te doopen.Ei Ridder, dronke zot, ik bidje laetme loopen.Je heb me muts al weg, zeg maer, wat wilje meer,Men wammes, en men broek.Don Qu.Neen, neen, verdwaalde heerDien schoonen wapenrok zal ik u niet ontrooven;’k Wil liever voor uw’ helm een koninkryk belooven;Indien gy ’t maar begeert.Kam.Och, och, ’et is de droes,Is dat geen paerdevoet? neen, maer een karrepoes!Nou merk ik ’t eerst, och zo ’n hiel keuninkryk, sint felten!Je bent een dubbelduw!San.Zen kop die rydt op stelten.Kamachoschrijft een streep.’k Bezweerje by den geest, van houte sint MichielAl waarje nou de droes, of Steven zongder ziel,Nagtmerri, bietebauw, of ongeboore heintjeAl wierje nou zo klein, datje in een tinne pijntjeKon kruipen, zo je nu gien mensch bent, ken je nouNiet over deuze striep.Don Quichotover de streep trappende.Ik voel myn hart vol rouw;ô Eedle Splandor, om het missen van uw’ zinnen;’t Verstand schynt u van ’t spoor, door ’t al te hevig minnen.’k Omhels u, als myn vrind.Kam.Dat maekme wat gerust.Ik loof werentig, dat je lui wat kortswil lust.Maar alle gekken op een stokje, laet me wangdelen....Daer’s Vetlasoep, de Kok, wat of die wil verhangdelen.
Kamacho.„Dat wangd’len van myn bruid in ’t bosch staet my niet an;
„De boeren zeggen datze met dien edelman,
„Die zy bemint heit, stond op deeze plek te praeten;
„En dat verstae ik niet; dat zal ze moeten laeten....
„Smit Justus wie is dat!Don Qu.ô Splandor, braave held,
En doolend Ridder, daar Turpinus pen van meldt;
Aanschouw hier Don Quichot, den ridder van de leeuwen.
Kam.Gans bloet, wat vent is dat! och, och! ik moet iens schreeuwen,
Of hy vermoord me hier! Help! help! Wat ziet hy fel!
’t Is Symen langdarm, of de pikken uit de hel.
Och sinte langdarm, of hoedat je naem mag weezen,
’k Zel alle daegen, drie van je amerietjes leezen,
Voor al de songden, die je in ’t leeven hebt ’edaen.
Ei laat me leeven, en zo lang naer huis toe gaan;
Tot ik men testemengt ’emaakt heb. ’k Laet me hangen,
Zoo ’k niet weêrom kom, op parool, als krygsgevangen.
Don Qu.Heer Ridder, hoe, gy spreekt of gy betoverd waart,
Dat zyn geen blyken van uw’ ouden heldenaard
Gy zyt het, die wel eer het Turksche heir verheerde,
En in Stoelweissenburg zo heerlyk triumfeerde.
Kam.Och ja heer langdarm, ’k bin betoverd! ’k bin bedrild!
Ik bin bezeeten, ik bin al wat datje wilt.
Och myn gesuikerde sinjeurtje! laet me loopen!
Daer is myn beurs.San.Geef hier! maer bloed! ik zou niet hoopen
Dat hy betoverd was, en dat hy iens uit klucht,
Als ik er geld uit kreeg, zou vliegen naar de lucht.
Don Qu.Heer Splandor, hou uw geld, ik ben geen dief of roover.
’t Za, Sanche, geef het weêr.San.Wel dat komt zeker pover,
Zo ’n schoone beurs, en die ’k zoo mak’lyk houwen kan!
En dat regtvaerdig; want ik krygze van den man.
Don Qu.Wat draalje! geef terstond.
San.Het zinne spaense matten.
Don Qu.Geef over of...San.Ei lieve, één greepje.
Don Qu.Ik kan bevatten,
Dat u de rug wat jeukt.San.Hou daer dan, tovenaer.
Kam.Ik dankje.San.Holla, broêr.Don Qu.Ha, schelm.
San.Daer is het, daer.
Don Qu.Heer Ridder, zyt gerust; ik staa niet naar uw leeven;
Maar wil dat gy me uw’ helm tot dankbaarheid zult geeven.
Kam.Och jonker, ’k heb gien helm ooit op myn kop ’ehad,
’t Is maer een boere muts, met veeren, dat je ’t vat;
Wil jy hem hebben? ’k wil hem gaeren’ an je schenken.
Don Qu.Heer Splandor, groote held, ik kan my niet bedenken,
Hoe uw’ doorlugte geest, en groote schranderheid,
Van ’t spoor der reden, door de tov’naars is geleid,
Dat gy dien zwarten helm, dien Roeland plag te draagen,
Een boere muts noemt.
Kamachogeeft hem zyn muts.
„Och hy zoekt me wat te plaegen!
Hou daer, daer is myn helm, ast dan een helm moet zyn.
Don Qu.’k Ben dankbaer, groote held.
Kam.Die karel piert me fyn.
Don Qu.Wat zegt zyn edelheid?Kam.Of ik nou mag vertrekken?
Don Qu.Hoe vaart Angelika? wil my ’t geheim ontdekken:
Waar zy zich nu onthoud. Leeft uw heer vader nog?
Het moortje Medor, dat held Roeland met bedrog
De schoone Angelika, uit minnenliefde ontschaakte?
Waar door die groote held, uit spyt, aan ’t razen raakte?
Meld alles maar aan my, den dapp’ren Don Quichot.
Kam.Ik heb gien Vaer noch Moêr, heer Ridder dronke zot.
Don Qu.Is dan de schoone Moor, uw vader reeds gesturven?
Kam.Myn vaertje was geen moor. Och, och! ik ben bedurven,
Hy zietme veur een Turk, of voor een Heijen aen.
Zo hier gien volk en koomt, zel ’t mit me slegt vergaen.
Don Qu.Is dan Angelika, uw moeder, reeds ter aarde?
Die zulken braaven held, als u, ô Splandor, baarde?
Kam.Ik heb Jan Geeleslae men leeven niet ’ekent,
Ik hiet geen plankoor, en we bennen niet ’ewent
De kei’ren in ongs dorp mit zukken naem te doopen.
Ei Ridder, dronke zot, ik bidje laetme loopen.
Je heb me muts al weg, zeg maer, wat wilje meer,
Men wammes, en men broek.
Don Qu.Neen, neen, verdwaalde heer
Dien schoonen wapenrok zal ik u niet ontrooven;
’k Wil liever voor uw’ helm een koninkryk belooven;
Indien gy ’t maar begeert.Kam.Och, och, ’et is de droes,
Is dat geen paerdevoet? neen, maer een karrepoes!
Nou merk ik ’t eerst, och zo ’n hiel keuninkryk, sint felten!
Je bent een dubbelduw!San.Zen kop die rydt op stelten.
Kamachoschrijft een streep.
’k Bezweerje by den geest, van houte sint Michiel
Al waarje nou de droes, of Steven zongder ziel,
Nagtmerri, bietebauw, of ongeboore heintje
Al wierje nou zo klein, datje in een tinne pijntje
Kon kruipen, zo je nu gien mensch bent, ken je nou
Niet over deuze striep.
Don Quichotover de streep trappende.
Ik voel myn hart vol rouw;
ô Eedle Splandor, om het missen van uw’ zinnen;
’t Verstand schynt u van ’t spoor, door ’t al te hevig minnen.
’k Omhels u, als myn vrind.Kam.Dat maekme wat gerust.
Ik loof werentig, dat je lui wat kortswil lust.
Maar alle gekken op een stokje, laet me wangdelen....
Daer’s Vetlasoep, de Kok, wat of die wil verhangdelen.
Don Quichot,Sanche,Kamacho,Vetlasoepe.
Vetlasoepe.Monsieur Kamakko, ha! ze eb jou al lang kezoek.Ze wist niet waar hum stak, ze wist niet van dit hoek.Wat’s dat feur folke?Kam.Dat? dat zin al raere snaeken,Kortswillig volk, bequaem de bruiloft te vermaeken.We leyen in ’et ierst ’eweldig overhoop.Maer, waer’s men bruiloftsvolk?Vetl.Hum’eb de palm keknoop,Hum’eb de kroon kemaak, hum doet nou niet as zingen,Hum dans nou seer kurieus, ensemble ronde kringen.De folke is opkeskikt, zo mooij kelyk de droes.Ze skreeuw tout allemaal, à vous! à vous! à vous!Ze heb jou lang kewak, ze is bly, en ’t is wel koete,Dat hum jou na lang zoek, hier in de bosch ontmoete.Kam.Heb jy zo lang ’ewagt? ’et is me seper leet.Maer heb jy al ’eweest om Jochem de poejeet?En Roel de muizekand? laet vraegen waer ze blyven.Vetl.Fort bien Monsieur, ze zel.Sanche,tegen Don Quichot.Maer seldrement! gansch vyven!Wat is dat veur een vent?Don Qu.Dat is een Indiaan,Of Hottentotsche Prins.San.Ik ken ’m niet verstaen,Als hier en daer ien woord.Vetl.Wat sekze, Hottentotte?Ha! ha! ze lakker om, ze lyk warak wel zotte.Hum is een Kok, ma foi.San.Hy ruikt braef na gebraed.Bin jy de Kok, ik hou jou veur men beste maet,Je hebt een lucht die ik bezonder graag mag leijen:Me dunkt je ruikt ook wat na korsten van pasteijen?Vetl.Oui, pastey, Monsieur, keen beter in de land,Als hum kan maak.San.Dan ben je een kaerel van verstand.Vetl.Je suis vôt serviteur.Kam.Hoor hier iens Vetlasoepje.Vetl.Que ditez vous Monsieur?Kam.Maek dat’er ook een troepjeDangsmiesters by komt.Vetl.Bon, ze zel ze jou beskik.Kam.Toebak van volkje.Vetl.Oui, die dans ken op een prik.Zingende binnen.
Vetlasoepe.Monsieur Kamakko, ha! ze eb jou al lang kezoek.Ze wist niet waar hum stak, ze wist niet van dit hoek.Wat’s dat feur folke?Kam.Dat? dat zin al raere snaeken,Kortswillig volk, bequaem de bruiloft te vermaeken.We leyen in ’et ierst ’eweldig overhoop.Maer, waer’s men bruiloftsvolk?Vetl.Hum’eb de palm keknoop,Hum’eb de kroon kemaak, hum doet nou niet as zingen,Hum dans nou seer kurieus, ensemble ronde kringen.De folke is opkeskikt, zo mooij kelyk de droes.Ze skreeuw tout allemaal, à vous! à vous! à vous!Ze heb jou lang kewak, ze is bly, en ’t is wel koete,Dat hum jou na lang zoek, hier in de bosch ontmoete.Kam.Heb jy zo lang ’ewagt? ’et is me seper leet.Maer heb jy al ’eweest om Jochem de poejeet?En Roel de muizekand? laet vraegen waer ze blyven.Vetl.Fort bien Monsieur, ze zel.Sanche,tegen Don Quichot.Maer seldrement! gansch vyven!Wat is dat veur een vent?Don Qu.Dat is een Indiaan,Of Hottentotsche Prins.San.Ik ken ’m niet verstaen,Als hier en daer ien woord.Vetl.Wat sekze, Hottentotte?Ha! ha! ze lakker om, ze lyk warak wel zotte.Hum is een Kok, ma foi.San.Hy ruikt braef na gebraed.Bin jy de Kok, ik hou jou veur men beste maet,Je hebt een lucht die ik bezonder graag mag leijen:Me dunkt je ruikt ook wat na korsten van pasteijen?Vetl.Oui, pastey, Monsieur, keen beter in de land,Als hum kan maak.San.Dan ben je een kaerel van verstand.Vetl.Je suis vôt serviteur.Kam.Hoor hier iens Vetlasoepje.Vetl.Que ditez vous Monsieur?Kam.Maek dat’er ook een troepjeDangsmiesters by komt.Vetl.Bon, ze zel ze jou beskik.Kam.Toebak van volkje.Vetl.Oui, die dans ken op een prik.Zingende binnen.
Vetlasoepe.Monsieur Kamakko, ha! ze eb jou al lang kezoek.Ze wist niet waar hum stak, ze wist niet van dit hoek.Wat’s dat feur folke?Kam.Dat? dat zin al raere snaeken,Kortswillig volk, bequaem de bruiloft te vermaeken.We leyen in ’et ierst ’eweldig overhoop.Maer, waer’s men bruiloftsvolk?Vetl.Hum’eb de palm keknoop,Hum’eb de kroon kemaak, hum doet nou niet as zingen,Hum dans nou seer kurieus, ensemble ronde kringen.De folke is opkeskikt, zo mooij kelyk de droes.Ze skreeuw tout allemaal, à vous! à vous! à vous!Ze heb jou lang kewak, ze is bly, en ’t is wel koete,Dat hum jou na lang zoek, hier in de bosch ontmoete.Kam.Heb jy zo lang ’ewagt? ’et is me seper leet.Maer heb jy al ’eweest om Jochem de poejeet?En Roel de muizekand? laet vraegen waer ze blyven.Vetl.Fort bien Monsieur, ze zel.Sanche,tegen Don Quichot.Maer seldrement! gansch vyven!Wat is dat veur een vent?Don Qu.Dat is een Indiaan,Of Hottentotsche Prins.San.Ik ken ’m niet verstaen,Als hier en daer ien woord.Vetl.Wat sekze, Hottentotte?Ha! ha! ze lakker om, ze lyk warak wel zotte.Hum is een Kok, ma foi.San.Hy ruikt braef na gebraed.Bin jy de Kok, ik hou jou veur men beste maet,Je hebt een lucht die ik bezonder graag mag leijen:Me dunkt je ruikt ook wat na korsten van pasteijen?Vetl.Oui, pastey, Monsieur, keen beter in de land,Als hum kan maak.San.Dan ben je een kaerel van verstand.Vetl.Je suis vôt serviteur.Kam.Hoor hier iens Vetlasoepje.Vetl.Que ditez vous Monsieur?Kam.Maek dat’er ook een troepjeDangsmiesters by komt.Vetl.Bon, ze zel ze jou beskik.Kam.Toebak van volkje.Vetl.Oui, die dans ken op een prik.Zingende binnen.
Vetlasoepe.Monsieur Kamakko, ha! ze eb jou al lang kezoek.
Ze wist niet waar hum stak, ze wist niet van dit hoek.
Wat’s dat feur folke?
Kam.Dat? dat zin al raere snaeken,
Kortswillig volk, bequaem de bruiloft te vermaeken.
We leyen in ’et ierst ’eweldig overhoop.
Maer, waer’s men bruiloftsvolk?
Vetl.Hum’eb de palm keknoop,
Hum’eb de kroon kemaak, hum doet nou niet as zingen,
Hum dans nou seer kurieus, ensemble ronde kringen.
De folke is opkeskikt, zo mooij kelyk de droes.
Ze skreeuw tout allemaal, à vous! à vous! à vous!
Ze heb jou lang kewak, ze is bly, en ’t is wel koete,
Dat hum jou na lang zoek, hier in de bosch ontmoete.
Kam.Heb jy zo lang ’ewagt? ’et is me seper leet.
Maer heb jy al ’eweest om Jochem de poejeet?
En Roel de muizekand? laet vraegen waer ze blyven.
Vetl.Fort bien Monsieur, ze zel.
Sanche,tegen Don Quichot.
Maer seldrement! gansch vyven!
Wat is dat veur een vent?Don Qu.Dat is een Indiaan,
Of Hottentotsche Prins.San.Ik ken ’m niet verstaen,
Als hier en daer ien woord.Vetl.Wat sekze, Hottentotte?
Ha! ha! ze lakker om, ze lyk warak wel zotte.
Hum is een Kok, ma foi.San.Hy ruikt braef na gebraed.
Bin jy de Kok, ik hou jou veur men beste maet,
Je hebt een lucht die ik bezonder graag mag leijen:
Me dunkt je ruikt ook wat na korsten van pasteijen?
Vetl.Oui, pastey, Monsieur, keen beter in de land,
Als hum kan maak.San.Dan ben je een kaerel van verstand.
Vetl.Je suis vôt serviteur.Kam.Hoor hier iens Vetlasoepje.
Vetl.Que ditez vous Monsieur?Kam.Maek dat’er ook een troepje
Dangsmiesters by komt.Vetl.Bon, ze zel ze jou beskik.
Kam.Toebak van volkje.Vetl.Oui, die dans ken op een prik.
Zingende binnen.
Don Quichot,Sanche,Kamacho.
Sanche.Dat lykt een raere haen, die Prins van de Indiaenen,Een Kok en Prins mit ien!Don Qu.Hoe Sanche, zoudt gy waanenDat zulks niet meer geschied?San.Wel neen, ik lach ’er om.Kam.Kom geef me muts nou weer.Don Qu.Zyt gy de bruidegom?Met wie myn waarde vrind?Kam.Ik mien van daeg te trouwen;Hier zel et zelschip zyn, ’k zel hier de bruiloft houwen.Don Qu.Wie zal uw Ega zyn, ô Splandor, wat Princes?Kam.Ei scheer de gek niet meer.Don Qu.Uw waerde zielsvoogdesIs wis van Prins’lyk bloed, of koningklyke looten?Kam.Een halleve boerin, uit d’ adel voort’esproten,Heur Vaertje boert zo wat: maer hy’s van adel.Don Qu.Zoon,Wat is uw eêl verstand betoverd! groote Goôn!Hoe is haar naam; hoe wordt de Infante toch geheeten.Kam.Ze is gien Infangte: maer ze is mooij, dat motje weeten,Zo blank als schaepenmelk. Heur wangetjes zyn rood,Ze is niet te dik, te dun, te klein, noch niet te groot;Heur veurhoofd blinkt puur, puur, gelyk een barbiersbekken.’Er hiele bakus is vol van wongerlike trekken.Don Qu. Maer nu, haer naam?San.Ze’et nooit misschien geen naem ’ehadt.Kam.Ze hiet Quiteria, heer Ridder, dat je ’t vat.Maer zie, verstae je wel, daer quam er nog ien vreijen.Die hiet Bazillius. Zy mocht hem vry wel leijen,Maer ’t hulp niet: wangt hy is een arme kaele neet,Zo’n edelmannetje, dat graeg wat lekkers eet,Patrysjes, hoendertjes, kon hy ze maer betaelen.Hy krygtze wel: maer moetze eerst op de jagt gaen haelen:Daer leeft hy miest van; maer ’t is al een raere vent,Hy ken latyn as een pastoor; ’t is een student,Dat jy het vat Sinjeur. ô Hy kan wongdre zaeken.Ik heb ’em van een aeij een kaerteblad zien maeken;En hy kan dangsen als een ekster op het veld;Hy kan ook sling’ren mit’et vaendel als een held.En hy kan schermen, en ook kaetzen, mit de boeren;En mit verkeeren kan hy elk zyn geld afloeren;Hy kan ook speulen op de veel, en de schalmy.De blind’mans zeun is maer een botterik er by.Hy is wel gaeuw,... maar ik heb geld, om van te kluiven.Hy niet; en daerom zel hy ’an de veest niet snuiven.Ik kryg de bruid, en ’t is zijn neusje effen mis.Maer appropo, Sinjeur, weet je ook hoe laet of ’t is?’Et was ezaid, dat ik precies te zeuven uurenMost by de vrinden zyn, en deur je malle kuurenIs ’t laet ’eworden, geef men muts me maer weêrom,En gae mit my, Sinjeur; ik hiet je wellekom,’k Noô jou te Brulloft; wangt jy lykt een snaek der snaeken,Je kent de boeren op de Brulloft wat vermaeken.San.Te brulloft broertje? gaet dat zeker? wel is ’t waer?Je bent een man as spek, dat lyktme, zoete vaer.Ik heb (och harm) lang uit men knapzak moeten blikken.Te Brulloft, weetje ’t wel? gut kaerel, ’k ken zo slikkenStae vast nou hoendertjes, en snipjes met je drek.Stae frikkedilletjes.Kam.’t is tyd dat ik vertrek:Ei geef me muts weêrom, je kent’em niet gebruiken.San.Gut Splandor, ik begin ’t gebraed alriets te ruiken.Kam.Ik hiet gien plankoor, broêr, Kamacho is myn naem.Men vaertje sageles, was Lopes Pedro daam,In Lombrigje men moer, ’ebooren te Bregance....Maer hoe is jou naem, broêr?San.Die is don Sanche Pance.’k Bin deur dien goejen heer, puur uit den drek ’eraekt.Hy heit me van een boer een Gouverneur ’emaakt.Kam.Een Gormandeur, wel zo, wie drumpel zou het denken!Een Gormandeurschap kan jou Heer dat an jou schenken?San.Ja, van een Eiland, en ’k kreeg zeuven ezels toe.Kam.Heb jy die al?San.Wel neen: ’k heb de ezels nog te goê,En ’t Eiland zel men Heer in korte dagen winnen.Kam.De vent is zeker gek, wie drommel zou ’t verzinnen?Hoe hiet dat ailand, en waar laitet? an wat kangt?San.’t Leit in Jaerabien, digt by het heilig land,’t Hiet mikrosko.pi.pi.pium.... ’t is me al vergeeten,Daer weunde een groote Reus, de mallenbrui geheeten,Zo groot gelyk een boom. Maer hy ’s al lang kapot;Men Heer die potste hem.Kam.Een reus! wel dat’s niet rot.Een Reus? hoe vindt men nou nog reuzen? hoe ken’t weezen?San.Ja Broertje, mien je dat wy veur de Reuzen vreezen?Veur twintig Reuzen, zou men Heer staen als een pael.Kam.Ik word waratjes aêrs van zulk een vreemd verhael.San.Ja Reuzen alzoo groot als meulens mit vier armen,Die steekt men Heer maer mit zyn lansie in de darmen.In al de Legers daer hy komt, daer maekt hy schrik:’t Is kip ik hebje! steek! slae, in een oogenblikIs ’t hiele veld bezaeid, mit armen, en mit beenen:Hy slaet terstongt maer deur een hiel slagorden heenen.Kam.Gangs ligters, is dat waer! heb jy het zelfs ’ezien?San.Ja ’k; ’t is omtrent ’eleen, nae ’k gis een maend, of tien,Toen heit hy teugen een hiel leger nog ’evochten;Ze vlugtten al; maer juist die beesten, die gedrochten,Van schelmse Tovenaars, die quaemen op ’et mat.Ze gooijden al ’er best mit steenen naer ons gat,En maekten van ’er volk een hiele kudde schaepen!Kam.Wel langsje, viel daer niet wat buit veur jou te raepen?San.Ja steenen op ons bast, dat’s tovenaersmanier.Men Heer verloor dien tyd ook wel een tand drie vier.Kam.Je heer lykt wel bedroefd: hy is diep in gedachten.San.Men Heer? ja die’s verliefd, hy klaegt gehiele nachten;Je hoort niet anders als: ô schoone ondankbaerheid!Dulcinea, princes, ô noordstar die me leid!Wanneer zel jy me veur men trouwe dienst beloonen!Dan zucht hy weer, en roept: ô schoonste van de schoonen,Wanneer genaekt den tyd, dat ik.... exceterae,’t Is al Dulcinea ondankbaer veur en nae.Kam.Is die Dulcinea dan veur zo mooy te houwen?Ik wed ze mooijer is, die ik van daeg zel trouwen.Don Qu.Wat zegt gy Splandor? ha dat liegt gy, door uw’ hals.’t Za, vat uw’ lancie.Kam.Och heer Ridder, ’et is vals,Jou liefste is mooijer: maar wie pikken sou et droomen!Had ik ’eweeten dat je ’t qualyk had ’enomen,Dat ik myn Bruid wat prees, ’k had ’et wel ’emyd.Don Qu.Neen ik wil vechten, ’t za berei u tot den stryd,Ik geef u keur van grond.Kam.’k Hou niet een brui van vechten.Och! Ridder wees te vreên!Don Qu.Zeg hoe gy ’t wilt beslechten,’k Geef keur, te paerd, te voet, met lancie, of het zwaerd.Kam.Gena: genade, och! och! ik zweer je by myn baerd,Dat ik niet vechten kan.... Och! och! hoe zel ’t hier daegen?Moord! brangd! moord! brangd! help! help! ô ongehoorde plaegen,....Daer’s Vetlasoep met volk!Don Qu.’t Za, ’t za, waar ’s uw geweer?Kam.Help Mannen! mannen! help!Don Qu.Hoe schreeuwt gy zo myn Heer?
Sanche.Dat lykt een raere haen, die Prins van de Indiaenen,Een Kok en Prins mit ien!Don Qu.Hoe Sanche, zoudt gy waanenDat zulks niet meer geschied?San.Wel neen, ik lach ’er om.Kam.Kom geef me muts nou weer.Don Qu.Zyt gy de bruidegom?Met wie myn waarde vrind?Kam.Ik mien van daeg te trouwen;Hier zel et zelschip zyn, ’k zel hier de bruiloft houwen.Don Qu.Wie zal uw Ega zyn, ô Splandor, wat Princes?Kam.Ei scheer de gek niet meer.Don Qu.Uw waerde zielsvoogdesIs wis van Prins’lyk bloed, of koningklyke looten?Kam.Een halleve boerin, uit d’ adel voort’esproten,Heur Vaertje boert zo wat: maer hy’s van adel.Don Qu.Zoon,Wat is uw eêl verstand betoverd! groote Goôn!Hoe is haar naam; hoe wordt de Infante toch geheeten.Kam.Ze is gien Infangte: maer ze is mooij, dat motje weeten,Zo blank als schaepenmelk. Heur wangetjes zyn rood,Ze is niet te dik, te dun, te klein, noch niet te groot;Heur veurhoofd blinkt puur, puur, gelyk een barbiersbekken.’Er hiele bakus is vol van wongerlike trekken.Don Qu. Maer nu, haer naam?San.Ze’et nooit misschien geen naem ’ehadt.Kam.Ze hiet Quiteria, heer Ridder, dat je ’t vat.Maer zie, verstae je wel, daer quam er nog ien vreijen.Die hiet Bazillius. Zy mocht hem vry wel leijen,Maer ’t hulp niet: wangt hy is een arme kaele neet,Zo’n edelmannetje, dat graeg wat lekkers eet,Patrysjes, hoendertjes, kon hy ze maer betaelen.Hy krygtze wel: maer moetze eerst op de jagt gaen haelen:Daer leeft hy miest van; maer ’t is al een raere vent,Hy ken latyn as een pastoor; ’t is een student,Dat jy het vat Sinjeur. ô Hy kan wongdre zaeken.Ik heb ’em van een aeij een kaerteblad zien maeken;En hy kan dangsen als een ekster op het veld;Hy kan ook sling’ren mit’et vaendel als een held.En hy kan schermen, en ook kaetzen, mit de boeren;En mit verkeeren kan hy elk zyn geld afloeren;Hy kan ook speulen op de veel, en de schalmy.De blind’mans zeun is maer een botterik er by.Hy is wel gaeuw,... maar ik heb geld, om van te kluiven.Hy niet; en daerom zel hy ’an de veest niet snuiven.Ik kryg de bruid, en ’t is zijn neusje effen mis.Maer appropo, Sinjeur, weet je ook hoe laet of ’t is?’Et was ezaid, dat ik precies te zeuven uurenMost by de vrinden zyn, en deur je malle kuurenIs ’t laet ’eworden, geef men muts me maer weêrom,En gae mit my, Sinjeur; ik hiet je wellekom,’k Noô jou te Brulloft; wangt jy lykt een snaek der snaeken,Je kent de boeren op de Brulloft wat vermaeken.San.Te brulloft broertje? gaet dat zeker? wel is ’t waer?Je bent een man as spek, dat lyktme, zoete vaer.Ik heb (och harm) lang uit men knapzak moeten blikken.Te Brulloft, weetje ’t wel? gut kaerel, ’k ken zo slikkenStae vast nou hoendertjes, en snipjes met je drek.Stae frikkedilletjes.Kam.’t is tyd dat ik vertrek:Ei geef me muts weêrom, je kent’em niet gebruiken.San.Gut Splandor, ik begin ’t gebraed alriets te ruiken.Kam.Ik hiet gien plankoor, broêr, Kamacho is myn naem.Men vaertje sageles, was Lopes Pedro daam,In Lombrigje men moer, ’ebooren te Bregance....Maer hoe is jou naem, broêr?San.Die is don Sanche Pance.’k Bin deur dien goejen heer, puur uit den drek ’eraekt.Hy heit me van een boer een Gouverneur ’emaakt.Kam.Een Gormandeur, wel zo, wie drumpel zou het denken!Een Gormandeurschap kan jou Heer dat an jou schenken?San.Ja, van een Eiland, en ’k kreeg zeuven ezels toe.Kam.Heb jy die al?San.Wel neen: ’k heb de ezels nog te goê,En ’t Eiland zel men Heer in korte dagen winnen.Kam.De vent is zeker gek, wie drommel zou ’t verzinnen?Hoe hiet dat ailand, en waar laitet? an wat kangt?San.’t Leit in Jaerabien, digt by het heilig land,’t Hiet mikrosko.pi.pi.pium.... ’t is me al vergeeten,Daer weunde een groote Reus, de mallenbrui geheeten,Zo groot gelyk een boom. Maer hy ’s al lang kapot;Men Heer die potste hem.Kam.Een reus! wel dat’s niet rot.Een Reus? hoe vindt men nou nog reuzen? hoe ken’t weezen?San.Ja Broertje, mien je dat wy veur de Reuzen vreezen?Veur twintig Reuzen, zou men Heer staen als een pael.Kam.Ik word waratjes aêrs van zulk een vreemd verhael.San.Ja Reuzen alzoo groot als meulens mit vier armen,Die steekt men Heer maer mit zyn lansie in de darmen.In al de Legers daer hy komt, daer maekt hy schrik:’t Is kip ik hebje! steek! slae, in een oogenblikIs ’t hiele veld bezaeid, mit armen, en mit beenen:Hy slaet terstongt maer deur een hiel slagorden heenen.Kam.Gangs ligters, is dat waer! heb jy het zelfs ’ezien?San.Ja ’k; ’t is omtrent ’eleen, nae ’k gis een maend, of tien,Toen heit hy teugen een hiel leger nog ’evochten;Ze vlugtten al; maer juist die beesten, die gedrochten,Van schelmse Tovenaars, die quaemen op ’et mat.Ze gooijden al ’er best mit steenen naer ons gat,En maekten van ’er volk een hiele kudde schaepen!Kam.Wel langsje, viel daer niet wat buit veur jou te raepen?San.Ja steenen op ons bast, dat’s tovenaersmanier.Men Heer verloor dien tyd ook wel een tand drie vier.Kam.Je heer lykt wel bedroefd: hy is diep in gedachten.San.Men Heer? ja die’s verliefd, hy klaegt gehiele nachten;Je hoort niet anders als: ô schoone ondankbaerheid!Dulcinea, princes, ô noordstar die me leid!Wanneer zel jy me veur men trouwe dienst beloonen!Dan zucht hy weer, en roept: ô schoonste van de schoonen,Wanneer genaekt den tyd, dat ik.... exceterae,’t Is al Dulcinea ondankbaer veur en nae.Kam.Is die Dulcinea dan veur zo mooy te houwen?Ik wed ze mooijer is, die ik van daeg zel trouwen.Don Qu.Wat zegt gy Splandor? ha dat liegt gy, door uw’ hals.’t Za, vat uw’ lancie.Kam.Och heer Ridder, ’et is vals,Jou liefste is mooijer: maar wie pikken sou et droomen!Had ik ’eweeten dat je ’t qualyk had ’enomen,Dat ik myn Bruid wat prees, ’k had ’et wel ’emyd.Don Qu.Neen ik wil vechten, ’t za berei u tot den stryd,Ik geef u keur van grond.Kam.’k Hou niet een brui van vechten.Och! Ridder wees te vreên!Don Qu.Zeg hoe gy ’t wilt beslechten,’k Geef keur, te paerd, te voet, met lancie, of het zwaerd.Kam.Gena: genade, och! och! ik zweer je by myn baerd,Dat ik niet vechten kan.... Och! och! hoe zel ’t hier daegen?Moord! brangd! moord! brangd! help! help! ô ongehoorde plaegen,....Daer’s Vetlasoep met volk!Don Qu.’t Za, ’t za, waar ’s uw geweer?Kam.Help Mannen! mannen! help!Don Qu.Hoe schreeuwt gy zo myn Heer?
Sanche.Dat lykt een raere haen, die Prins van de Indiaenen,Een Kok en Prins mit ien!Don Qu.Hoe Sanche, zoudt gy waanenDat zulks niet meer geschied?San.Wel neen, ik lach ’er om.Kam.Kom geef me muts nou weer.Don Qu.Zyt gy de bruidegom?Met wie myn waarde vrind?Kam.Ik mien van daeg te trouwen;Hier zel et zelschip zyn, ’k zel hier de bruiloft houwen.Don Qu.Wie zal uw Ega zyn, ô Splandor, wat Princes?Kam.Ei scheer de gek niet meer.Don Qu.Uw waerde zielsvoogdesIs wis van Prins’lyk bloed, of koningklyke looten?Kam.Een halleve boerin, uit d’ adel voort’esproten,Heur Vaertje boert zo wat: maer hy’s van adel.Don Qu.Zoon,Wat is uw eêl verstand betoverd! groote Goôn!Hoe is haar naam; hoe wordt de Infante toch geheeten.Kam.Ze is gien Infangte: maer ze is mooij, dat motje weeten,Zo blank als schaepenmelk. Heur wangetjes zyn rood,Ze is niet te dik, te dun, te klein, noch niet te groot;Heur veurhoofd blinkt puur, puur, gelyk een barbiersbekken.’Er hiele bakus is vol van wongerlike trekken.Don Qu. Maer nu, haer naam?San.Ze’et nooit misschien geen naem ’ehadt.Kam.Ze hiet Quiteria, heer Ridder, dat je ’t vat.Maer zie, verstae je wel, daer quam er nog ien vreijen.Die hiet Bazillius. Zy mocht hem vry wel leijen,Maer ’t hulp niet: wangt hy is een arme kaele neet,Zo’n edelmannetje, dat graeg wat lekkers eet,Patrysjes, hoendertjes, kon hy ze maer betaelen.Hy krygtze wel: maer moetze eerst op de jagt gaen haelen:Daer leeft hy miest van; maer ’t is al een raere vent,Hy ken latyn as een pastoor; ’t is een student,Dat jy het vat Sinjeur. ô Hy kan wongdre zaeken.Ik heb ’em van een aeij een kaerteblad zien maeken;En hy kan dangsen als een ekster op het veld;Hy kan ook sling’ren mit’et vaendel als een held.En hy kan schermen, en ook kaetzen, mit de boeren;En mit verkeeren kan hy elk zyn geld afloeren;Hy kan ook speulen op de veel, en de schalmy.De blind’mans zeun is maer een botterik er by.Hy is wel gaeuw,... maar ik heb geld, om van te kluiven.Hy niet; en daerom zel hy ’an de veest niet snuiven.Ik kryg de bruid, en ’t is zijn neusje effen mis.Maer appropo, Sinjeur, weet je ook hoe laet of ’t is?’Et was ezaid, dat ik precies te zeuven uurenMost by de vrinden zyn, en deur je malle kuurenIs ’t laet ’eworden, geef men muts me maer weêrom,En gae mit my, Sinjeur; ik hiet je wellekom,’k Noô jou te Brulloft; wangt jy lykt een snaek der snaeken,Je kent de boeren op de Brulloft wat vermaeken.San.Te brulloft broertje? gaet dat zeker? wel is ’t waer?Je bent een man as spek, dat lyktme, zoete vaer.Ik heb (och harm) lang uit men knapzak moeten blikken.Te Brulloft, weetje ’t wel? gut kaerel, ’k ken zo slikkenStae vast nou hoendertjes, en snipjes met je drek.Stae frikkedilletjes.Kam.’t is tyd dat ik vertrek:Ei geef me muts weêrom, je kent’em niet gebruiken.San.Gut Splandor, ik begin ’t gebraed alriets te ruiken.Kam.Ik hiet gien plankoor, broêr, Kamacho is myn naem.Men vaertje sageles, was Lopes Pedro daam,In Lombrigje men moer, ’ebooren te Bregance....Maer hoe is jou naem, broêr?San.Die is don Sanche Pance.’k Bin deur dien goejen heer, puur uit den drek ’eraekt.Hy heit me van een boer een Gouverneur ’emaakt.Kam.Een Gormandeur, wel zo, wie drumpel zou het denken!Een Gormandeurschap kan jou Heer dat an jou schenken?San.Ja, van een Eiland, en ’k kreeg zeuven ezels toe.Kam.Heb jy die al?San.Wel neen: ’k heb de ezels nog te goê,En ’t Eiland zel men Heer in korte dagen winnen.Kam.De vent is zeker gek, wie drommel zou ’t verzinnen?Hoe hiet dat ailand, en waar laitet? an wat kangt?San.’t Leit in Jaerabien, digt by het heilig land,’t Hiet mikrosko.pi.pi.pium.... ’t is me al vergeeten,Daer weunde een groote Reus, de mallenbrui geheeten,Zo groot gelyk een boom. Maer hy ’s al lang kapot;Men Heer die potste hem.Kam.Een reus! wel dat’s niet rot.Een Reus? hoe vindt men nou nog reuzen? hoe ken’t weezen?San.Ja Broertje, mien je dat wy veur de Reuzen vreezen?Veur twintig Reuzen, zou men Heer staen als een pael.Kam.Ik word waratjes aêrs van zulk een vreemd verhael.San.Ja Reuzen alzoo groot als meulens mit vier armen,Die steekt men Heer maer mit zyn lansie in de darmen.In al de Legers daer hy komt, daer maekt hy schrik:’t Is kip ik hebje! steek! slae, in een oogenblikIs ’t hiele veld bezaeid, mit armen, en mit beenen:Hy slaet terstongt maer deur een hiel slagorden heenen.Kam.Gangs ligters, is dat waer! heb jy het zelfs ’ezien?San.Ja ’k; ’t is omtrent ’eleen, nae ’k gis een maend, of tien,Toen heit hy teugen een hiel leger nog ’evochten;Ze vlugtten al; maer juist die beesten, die gedrochten,Van schelmse Tovenaars, die quaemen op ’et mat.Ze gooijden al ’er best mit steenen naer ons gat,En maekten van ’er volk een hiele kudde schaepen!Kam.Wel langsje, viel daer niet wat buit veur jou te raepen?San.Ja steenen op ons bast, dat’s tovenaersmanier.Men Heer verloor dien tyd ook wel een tand drie vier.Kam.Je heer lykt wel bedroefd: hy is diep in gedachten.San.Men Heer? ja die’s verliefd, hy klaegt gehiele nachten;Je hoort niet anders als: ô schoone ondankbaerheid!Dulcinea, princes, ô noordstar die me leid!Wanneer zel jy me veur men trouwe dienst beloonen!Dan zucht hy weer, en roept: ô schoonste van de schoonen,Wanneer genaekt den tyd, dat ik.... exceterae,’t Is al Dulcinea ondankbaer veur en nae.Kam.Is die Dulcinea dan veur zo mooy te houwen?Ik wed ze mooijer is, die ik van daeg zel trouwen.Don Qu.Wat zegt gy Splandor? ha dat liegt gy, door uw’ hals.’t Za, vat uw’ lancie.Kam.Och heer Ridder, ’et is vals,Jou liefste is mooijer: maar wie pikken sou et droomen!Had ik ’eweeten dat je ’t qualyk had ’enomen,Dat ik myn Bruid wat prees, ’k had ’et wel ’emyd.Don Qu.Neen ik wil vechten, ’t za berei u tot den stryd,Ik geef u keur van grond.Kam.’k Hou niet een brui van vechten.Och! Ridder wees te vreên!Don Qu.Zeg hoe gy ’t wilt beslechten,’k Geef keur, te paerd, te voet, met lancie, of het zwaerd.Kam.Gena: genade, och! och! ik zweer je by myn baerd,Dat ik niet vechten kan.... Och! och! hoe zel ’t hier daegen?Moord! brangd! moord! brangd! help! help! ô ongehoorde plaegen,....Daer’s Vetlasoep met volk!Don Qu.’t Za, ’t za, waar ’s uw geweer?Kam.Help Mannen! mannen! help!Don Qu.Hoe schreeuwt gy zo myn Heer?
Sanche.Dat lykt een raere haen, die Prins van de Indiaenen,
Een Kok en Prins mit ien!
Don Qu.Hoe Sanche, zoudt gy waanen
Dat zulks niet meer geschied?San.Wel neen, ik lach ’er om.
Kam.Kom geef me muts nou weer.
Don Qu.Zyt gy de bruidegom?
Met wie myn waarde vrind?
Kam.Ik mien van daeg te trouwen;
Hier zel et zelschip zyn, ’k zel hier de bruiloft houwen.
Don Qu.Wie zal uw Ega zyn, ô Splandor, wat Princes?
Kam.Ei scheer de gek niet meer.
Don Qu.Uw waerde zielsvoogdes
Is wis van Prins’lyk bloed, of koningklyke looten?
Kam.Een halleve boerin, uit d’ adel voort’esproten,
Heur Vaertje boert zo wat: maer hy’s van adel.
Don Qu.Zoon,
Wat is uw eêl verstand betoverd! groote Goôn!
Hoe is haar naam; hoe wordt de Infante toch geheeten.
Kam.Ze is gien Infangte: maer ze is mooij, dat motje weeten,
Zo blank als schaepenmelk. Heur wangetjes zyn rood,
Ze is niet te dik, te dun, te klein, noch niet te groot;
Heur veurhoofd blinkt puur, puur, gelyk een barbiersbekken.
’Er hiele bakus is vol van wongerlike trekken.
Don Qu. Maer nu, haer naam?
San.Ze’et nooit misschien geen naem ’ehadt.
Kam.Ze hiet Quiteria, heer Ridder, dat je ’t vat.
Maer zie, verstae je wel, daer quam er nog ien vreijen.
Die hiet Bazillius. Zy mocht hem vry wel leijen,
Maer ’t hulp niet: wangt hy is een arme kaele neet,
Zo’n edelmannetje, dat graeg wat lekkers eet,
Patrysjes, hoendertjes, kon hy ze maer betaelen.
Hy krygtze wel: maer moetze eerst op de jagt gaen haelen:
Daer leeft hy miest van; maer ’t is al een raere vent,
Hy ken latyn as een pastoor; ’t is een student,
Dat jy het vat Sinjeur. ô Hy kan wongdre zaeken.
Ik heb ’em van een aeij een kaerteblad zien maeken;
En hy kan dangsen als een ekster op het veld;
Hy kan ook sling’ren mit’et vaendel als een held.
En hy kan schermen, en ook kaetzen, mit de boeren;
En mit verkeeren kan hy elk zyn geld afloeren;
Hy kan ook speulen op de veel, en de schalmy.
De blind’mans zeun is maer een botterik er by.
Hy is wel gaeuw,... maar ik heb geld, om van te kluiven.
Hy niet; en daerom zel hy ’an de veest niet snuiven.
Ik kryg de bruid, en ’t is zijn neusje effen mis.
Maer appropo, Sinjeur, weet je ook hoe laet of ’t is?
’Et was ezaid, dat ik precies te zeuven uuren
Most by de vrinden zyn, en deur je malle kuuren
Is ’t laet ’eworden, geef men muts me maer weêrom,
En gae mit my, Sinjeur; ik hiet je wellekom,
’k Noô jou te Brulloft; wangt jy lykt een snaek der snaeken,
Je kent de boeren op de Brulloft wat vermaeken.
San.Te brulloft broertje? gaet dat zeker? wel is ’t waer?
Je bent een man as spek, dat lyktme, zoete vaer.
Ik heb (och harm) lang uit men knapzak moeten blikken.
Te Brulloft, weetje ’t wel? gut kaerel, ’k ken zo slikken
Stae vast nou hoendertjes, en snipjes met je drek.
Stae frikkedilletjes.Kam.’t is tyd dat ik vertrek:
Ei geef me muts weêrom, je kent’em niet gebruiken.
San.Gut Splandor, ik begin ’t gebraed alriets te ruiken.
Kam.Ik hiet gien plankoor, broêr, Kamacho is myn naem.
Men vaertje sageles, was Lopes Pedro daam,
In Lombrigje men moer, ’ebooren te Bregance....
Maer hoe is jou naem, broêr?San.Die is don Sanche Pance.
’k Bin deur dien goejen heer, puur uit den drek ’eraekt.
Hy heit me van een boer een Gouverneur ’emaakt.
Kam.Een Gormandeur, wel zo, wie drumpel zou het denken!
Een Gormandeurschap kan jou Heer dat an jou schenken?
San.Ja, van een Eiland, en ’k kreeg zeuven ezels toe.
Kam.Heb jy die al?San.Wel neen: ’k heb de ezels nog te goê,
En ’t Eiland zel men Heer in korte dagen winnen.
Kam.De vent is zeker gek, wie drommel zou ’t verzinnen?
Hoe hiet dat ailand, en waar laitet? an wat kangt?
San.’t Leit in Jaerabien, digt by het heilig land,
’t Hiet mikrosko.pi.pi.pium.... ’t is me al vergeeten,
Daer weunde een groote Reus, de mallenbrui geheeten,
Zo groot gelyk een boom. Maer hy ’s al lang kapot;
Men Heer die potste hem.Kam.Een reus! wel dat’s niet rot.
Een Reus? hoe vindt men nou nog reuzen? hoe ken’t weezen?
San.Ja Broertje, mien je dat wy veur de Reuzen vreezen?
Veur twintig Reuzen, zou men Heer staen als een pael.
Kam.Ik word waratjes aêrs van zulk een vreemd verhael.
San.Ja Reuzen alzoo groot als meulens mit vier armen,
Die steekt men Heer maer mit zyn lansie in de darmen.
In al de Legers daer hy komt, daer maekt hy schrik:
’t Is kip ik hebje! steek! slae, in een oogenblik
Is ’t hiele veld bezaeid, mit armen, en mit beenen:
Hy slaet terstongt maer deur een hiel slagorden heenen.
Kam.Gangs ligters, is dat waer! heb jy het zelfs ’ezien?
San.Ja ’k; ’t is omtrent ’eleen, nae ’k gis een maend, of tien,
Toen heit hy teugen een hiel leger nog ’evochten;
Ze vlugtten al; maer juist die beesten, die gedrochten,
Van schelmse Tovenaars, die quaemen op ’et mat.
Ze gooijden al ’er best mit steenen naer ons gat,
En maekten van ’er volk een hiele kudde schaepen!
Kam.Wel langsje, viel daer niet wat buit veur jou te raepen?
San.Ja steenen op ons bast, dat’s tovenaersmanier.
Men Heer verloor dien tyd ook wel een tand drie vier.
Kam.Je heer lykt wel bedroefd: hy is diep in gedachten.
San.Men Heer? ja die’s verliefd, hy klaegt gehiele nachten;
Je hoort niet anders als: ô schoone ondankbaerheid!
Dulcinea, princes, ô noordstar die me leid!
Wanneer zel jy me veur men trouwe dienst beloonen!
Dan zucht hy weer, en roept: ô schoonste van de schoonen,
Wanneer genaekt den tyd, dat ik.... exceterae,
’t Is al Dulcinea ondankbaer veur en nae.
Kam.Is die Dulcinea dan veur zo mooy te houwen?
Ik wed ze mooijer is, die ik van daeg zel trouwen.
Don Qu.Wat zegt gy Splandor? ha dat liegt gy, door uw’ hals.
’t Za, vat uw’ lancie.Kam.Och heer Ridder, ’et is vals,
Jou liefste is mooijer: maar wie pikken sou et droomen!
Had ik ’eweeten dat je ’t qualyk had ’enomen,
Dat ik myn Bruid wat prees, ’k had ’et wel ’emyd.
Don Qu.Neen ik wil vechten, ’t za berei u tot den stryd,
Ik geef u keur van grond.Kam.’k Hou niet een brui van vechten.
Och! Ridder wees te vreên!
Don Qu.Zeg hoe gy ’t wilt beslechten,
’k Geef keur, te paerd, te voet, met lancie, of het zwaerd.
Kam.Gena: genade, och! och! ik zweer je by myn baerd,
Dat ik niet vechten kan.... Och! och! hoe zel ’t hier daegen?
Moord! brangd! moord! brangd! help! help! ô ongehoorde plaegen,....
Daer’s Vetlasoep met volk!
Don Qu.’t Za, ’t za, waar ’s uw geweer?
Kam.Help Mannen! mannen! help!
Don Qu.Hoe schreeuwt gy zo myn Heer?
Vetlasoepemet eenige boeren,Kamacho,Don Quichot,Sanche.