HET TWEEDE BEDRYF.

HET TWEEDE BEDRYF.

Verbeeld een straat.Kalfurnia,Lavinia, en twee Romeinsche Vrouwen.

Kalfurnia.Mevrouwen ’k twyffel niet, of u quam reets ter ooren’t Rampzalig noodlot, dat den vrouwen is beschooren.Lav.Hoe kan het mooglyk zyn, dat Romens wyze raadTot zulk een dwaasheid, als ’t gerucht loopt, overslaat?Voor my, ’t gaat myn verstand, Kalfurnia, te boven.Kal.Ik heb ’t geheim ontdekt. Gy moogt het vast gelooven.Lav.ô Goden! is het waar, hebt gy ’t van goeder hand?Dan is ’t met reden dat het vrouwvolk t’zaamen spant.Men zegt, daar is een heir van dertig duizend wyvenVan ’t allerslechtste soort, die reets veel quaads bedryven,Daar is geen tegenstand. Men schreeuwt en raast alom.In de achterstraaten slaat men overal de trom.’k Hoor dat de markten van het snood janhagel krielen.Men dreigt de huizen van de raaden te vernielen,Te plundren wyd en zyd; wy zyn in groot gevaar.Kal.Vereenigen wy dan, mevrouwen met elkaêr;’t Raakt ons zo wel als de vrouwen binnen Romen.Ik weet wel raad om zulk een plundring voor te komen.Men stel zich aan het hoofd van al dat woeste graauw,En breng’ de Vadren op het Kapitool in ’t naauw.’t Gemeen zal zich op ons gezag en moed vertrouwen,Wanneer ’t zich vind gesterkt van honderd raadheers vrouwen.Dit is het middel dat men uit de tweespalt raak’.’k Verlaat my op de goôn en onze goede zaak.Lav.Zo uit het veld van Mars al de eedle jongelingenHet heir der vrouwen op het onvoorzienst bespringen,Hoe dan?Kal.Vrees daar niet voor, als zy hunn’ moeders zienAan ’t hoofd van ’t leger, zal die aanval niet geschiên.Dan zullen zy gewis wel luistren na de reden,En in ’t belangen van de Roomsche vrouwen treeden.’k Vertrouw my op uw zoon Albinus, en myn zoon.Indien zy hooren welken spyt en bittren hoonHunn’ moeder ’t harte raakt, zal elk zich wel erbermen,En ons voor zulk een wet met alle macht beschermen.Lav.Wel aan men gaa dan by de vrouwen in het rond,En sluitte, met ’er haast, dit loffelyk verbond.Ik hoor een groot geraas van trommel en trompetten.Kal.Men ga dan in ons huis. Men moet geen tyd verletten.Men komt van achtren door de tuin in de andre straat.Mevrouwen, gaan wy by de moeders van den raad.

Kalfurnia.Mevrouwen ’k twyffel niet, of u quam reets ter ooren’t Rampzalig noodlot, dat den vrouwen is beschooren.Lav.Hoe kan het mooglyk zyn, dat Romens wyze raadTot zulk een dwaasheid, als ’t gerucht loopt, overslaat?Voor my, ’t gaat myn verstand, Kalfurnia, te boven.Kal.Ik heb ’t geheim ontdekt. Gy moogt het vast gelooven.Lav.ô Goden! is het waar, hebt gy ’t van goeder hand?Dan is ’t met reden dat het vrouwvolk t’zaamen spant.Men zegt, daar is een heir van dertig duizend wyvenVan ’t allerslechtste soort, die reets veel quaads bedryven,Daar is geen tegenstand. Men schreeuwt en raast alom.In de achterstraaten slaat men overal de trom.’k Hoor dat de markten van het snood janhagel krielen.Men dreigt de huizen van de raaden te vernielen,Te plundren wyd en zyd; wy zyn in groot gevaar.Kal.Vereenigen wy dan, mevrouwen met elkaêr;’t Raakt ons zo wel als de vrouwen binnen Romen.Ik weet wel raad om zulk een plundring voor te komen.Men stel zich aan het hoofd van al dat woeste graauw,En breng’ de Vadren op het Kapitool in ’t naauw.’t Gemeen zal zich op ons gezag en moed vertrouwen,Wanneer ’t zich vind gesterkt van honderd raadheers vrouwen.Dit is het middel dat men uit de tweespalt raak’.’k Verlaat my op de goôn en onze goede zaak.Lav.Zo uit het veld van Mars al de eedle jongelingenHet heir der vrouwen op het onvoorzienst bespringen,Hoe dan?Kal.Vrees daar niet voor, als zy hunn’ moeders zienAan ’t hoofd van ’t leger, zal die aanval niet geschiên.Dan zullen zy gewis wel luistren na de reden,En in ’t belangen van de Roomsche vrouwen treeden.’k Vertrouw my op uw zoon Albinus, en myn zoon.Indien zy hooren welken spyt en bittren hoonHunn’ moeder ’t harte raakt, zal elk zich wel erbermen,En ons voor zulk een wet met alle macht beschermen.Lav.Wel aan men gaa dan by de vrouwen in het rond,En sluitte, met ’er haast, dit loffelyk verbond.Ik hoor een groot geraas van trommel en trompetten.Kal.Men ga dan in ons huis. Men moet geen tyd verletten.Men komt van achtren door de tuin in de andre straat.Mevrouwen, gaan wy by de moeders van den raad.

Kalfurnia.Mevrouwen ’k twyffel niet, of u quam reets ter ooren’t Rampzalig noodlot, dat den vrouwen is beschooren.Lav.Hoe kan het mooglyk zyn, dat Romens wyze raadTot zulk een dwaasheid, als ’t gerucht loopt, overslaat?Voor my, ’t gaat myn verstand, Kalfurnia, te boven.Kal.Ik heb ’t geheim ontdekt. Gy moogt het vast gelooven.Lav.ô Goden! is het waar, hebt gy ’t van goeder hand?Dan is ’t met reden dat het vrouwvolk t’zaamen spant.Men zegt, daar is een heir van dertig duizend wyvenVan ’t allerslechtste soort, die reets veel quaads bedryven,Daar is geen tegenstand. Men schreeuwt en raast alom.In de achterstraaten slaat men overal de trom.’k Hoor dat de markten van het snood janhagel krielen.Men dreigt de huizen van de raaden te vernielen,Te plundren wyd en zyd; wy zyn in groot gevaar.Kal.Vereenigen wy dan, mevrouwen met elkaêr;’t Raakt ons zo wel als de vrouwen binnen Romen.Ik weet wel raad om zulk een plundring voor te komen.Men stel zich aan het hoofd van al dat woeste graauw,En breng’ de Vadren op het Kapitool in ’t naauw.’t Gemeen zal zich op ons gezag en moed vertrouwen,Wanneer ’t zich vind gesterkt van honderd raadheers vrouwen.Dit is het middel dat men uit de tweespalt raak’.’k Verlaat my op de goôn en onze goede zaak.Lav.Zo uit het veld van Mars al de eedle jongelingenHet heir der vrouwen op het onvoorzienst bespringen,Hoe dan?Kal.Vrees daar niet voor, als zy hunn’ moeders zienAan ’t hoofd van ’t leger, zal die aanval niet geschiên.Dan zullen zy gewis wel luistren na de reden,En in ’t belangen van de Roomsche vrouwen treeden.’k Vertrouw my op uw zoon Albinus, en myn zoon.Indien zy hooren welken spyt en bittren hoonHunn’ moeder ’t harte raakt, zal elk zich wel erbermen,En ons voor zulk een wet met alle macht beschermen.Lav.Wel aan men gaa dan by de vrouwen in het rond,En sluitte, met ’er haast, dit loffelyk verbond.Ik hoor een groot geraas van trommel en trompetten.Kal.Men ga dan in ons huis. Men moet geen tyd verletten.Men komt van achtren door de tuin in de andre straat.Mevrouwen, gaan wy by de moeders van den raad.

Kalfurnia.Mevrouwen ’k twyffel niet, of u quam reets ter ooren

’t Rampzalig noodlot, dat den vrouwen is beschooren.

Lav.Hoe kan het mooglyk zyn, dat Romens wyze raad

Tot zulk een dwaasheid, als ’t gerucht loopt, overslaat?

Voor my, ’t gaat myn verstand, Kalfurnia, te boven.

Kal.Ik heb ’t geheim ontdekt. Gy moogt het vast gelooven.

Lav.ô Goden! is het waar, hebt gy ’t van goeder hand?

Dan is ’t met reden dat het vrouwvolk t’zaamen spant.

Men zegt, daar is een heir van dertig duizend wyven

Van ’t allerslechtste soort, die reets veel quaads bedryven,

Daar is geen tegenstand. Men schreeuwt en raast alom.

In de achterstraaten slaat men overal de trom.

’k Hoor dat de markten van het snood janhagel krielen.

Men dreigt de huizen van de raaden te vernielen,

Te plundren wyd en zyd; wy zyn in groot gevaar.

Kal.Vereenigen wy dan, mevrouwen met elkaêr;

’t Raakt ons zo wel als de vrouwen binnen Romen.

Ik weet wel raad om zulk een plundring voor te komen.

Men stel zich aan het hoofd van al dat woeste graauw,

En breng’ de Vadren op het Kapitool in ’t naauw.

’t Gemeen zal zich op ons gezag en moed vertrouwen,

Wanneer ’t zich vind gesterkt van honderd raadheers vrouwen.

Dit is het middel dat men uit de tweespalt raak’.

’k Verlaat my op de goôn en onze goede zaak.

Lav.Zo uit het veld van Mars al de eedle jongelingen

Het heir der vrouwen op het onvoorzienst bespringen,

Hoe dan?

Kal.Vrees daar niet voor, als zy hunn’ moeders zien

Aan ’t hoofd van ’t leger, zal die aanval niet geschiên.

Dan zullen zy gewis wel luistren na de reden,

En in ’t belangen van de Roomsche vrouwen treeden.

’k Vertrouw my op uw zoon Albinus, en myn zoon.

Indien zy hooren welken spyt en bittren hoon

Hunn’ moeder ’t harte raakt, zal elk zich wel erbermen,

En ons voor zulk een wet met alle macht beschermen.

Lav.Wel aan men gaa dan by de vrouwen in het rond,

En sluitte, met ’er haast, dit loffelyk verbond.

Ik hoor een groot geraas van trommel en trompetten.

Kal.Men ga dan in ons huis. Men moet geen tyd verletten.

Men komt van achtren door de tuin in de andre straat.

Mevrouwen, gaan wy by de moeders van den raad.

Rebella,Tumulta,Furia, (Mopsus,Davus,Lapsus, gevangen) verschynen met een groot gevolg gemeene wyven, alle gewapend met pieken en stokken op het tooneel. Zy gaan het zelve tweemaal rond, in de volgende order:

1Vier muzikanten speelende op blaas instrumenten.2Rebellamet een geele pot, in plaats van een helm, op het hoofd: met een witte sjerp over de eene schouder hangende, een zwaerd op zyde, en een veldheers staf in de hand hebbende.3Vier wyven met papieren mutsen, op de wijze der granadiers, met pieken in de hand.4Een wyf of kaerel in vrouwen gewaad, slaande op de trommel.5Eenige gemeene wyven, twee aan twee, op allerlei wyze gewapend en gekleed.6Een wyf, dat het vaandel draagt.7Verder eenige wyven, paar aan paar; hebbende al de wyven een stok op zyde hangen.8Tumultamet een roode pot op het hoofd, en een piekje in de hand.

1Vier muzikanten speelende op blaas instrumenten.

2Rebellamet een geele pot, in plaats van een helm, op het hoofd: met een witte sjerp over de eene schouder hangende, een zwaerd op zyde, en een veldheers staf in de hand hebbende.

3Vier wyven met papieren mutsen, op de wijze der granadiers, met pieken in de hand.

4Een wyf of kaerel in vrouwen gewaad, slaande op de trommel.

5Eenige gemeene wyven, twee aan twee, op allerlei wyze gewapend en gekleed.

6Een wyf, dat het vaandel draagt.

7Verder eenige wyven, paar aan paar; hebbende al de wyven een stok op zyde hangen.

8Tumultamet een roode pot op het hoofd, en een piekje in de hand.

Rebella.Hoog achtbre wyven, die u herwaards hebt begeeven,En my, verstaa je wel, tot deezen staat verheven....Dat ik den veldheers staf mag voeren in myn handEn jou regeeren met myn wysheid en verstand.Je had geen beter vrouw, verstaa je, kennen kiezen.Ik heb niet anders dan myn leeven te verliezen;Want ik heb geld noch goed: maar dapperheid en geest.’k Ben marketenster in den oorlog lang geweest.Ik heb in mans gewaad lang op party geloopen,Om boeren huizen te verbranden en te stroopen.Myn tent was altyd vol van hoenders, vlees en ham.Die ik aan ’t volk verkoft en op de markt mee quam.En hoe ik me in de stad met plundren heb gequeeten,Dat zel, verstaa je wel, de heele waereld weeten,Want ik heb na den stryd al kaerels uitgeschut:Maar al myn dapperheid was voor my zelf onnut.Myn vent, die als soldaat de wapens heeft gedraagen,Kon alles wat ik kreeg, weêr door de billen jaagen.Hy was een dobbelaar, een schurk, een onverlaat.Had ik den buit bewaard, ik was een vrouw in staat.Tum.En ik Tumulta, die in oproer ben bedreeven,’k Ben onderveldheerin, en zal u nooit begeeven.Indien ge een raadsheers huis wilt plundren, spreek dan maar.’k Zal my begeeven in het uiterste gevaar,En de eerste weezen om de huizen in te rukken.Ik bruide in Pisoos huis het huisraad eerst aan stukken.De schilderyen, die men haalde van den wand,En kostlyk lynwaad, heb ik in het vuur verbrand.En schoon ik zelf geen bed bezit om op te slaapen,Wilde ik my aan den buit in ’t minste niet vergaapen.De bullen, brieven, en de boeken die men vond,Zyn op de straat gebruid. Men spaarde kat noch hond,Ik hield niet van den buit. ’k Wou niet een mensch bedriegen.’k Sneed bed en kussens los, en liet de veêren vliegen,Schoon ik noodzaakelyk een bed van nooden had.Reb.Hoe eerlyk jy jou droeg, dat weet de heele stad.Tum.Wat heeft het jaar op jaar, Rebella, my gespeeten,Dat ik, benevens jou, in ’t spinhuis heb gezetenAls krygsgevangen, juist den Pretor tot vermaak.Nu meen ik eens zyn huis te plunderen uit wraak.Reb.’k Ben zo gemoedigd op het hooren van de trommels,Dat ik wel vechten durf met Pluto en zyn’ drommels,’k Denk wraak te nemen van het geen ons is misdaanMen moet den hoogmoed van de heeren nederslaan.Ik duld niet dat men zel de vrouwen onderdrukken.’t Word tyd, versta je wel, na ’t Kapitool te rukken.Tumulta, dappre vrouw, onze onderveldheerin,Vergaêrt de stemmen. Neemt den raad der vrouwen in.Tum.Dat heb ik al gedaan. Zyt gy gestroost te stryden,Om die vervloekte wet in Romen niet te lyden?Zweer Romeininnen dan ons beiden hulde en trouw.Alle de Vrouwen.Wy zweeren!Tum.’t Is genoeg, wat wilt gy meer, mevrouw?Reb.Gy mannen, die u hier vertoont in wyven kleêren,Verheft uw stemmen ook!Alle de mannen.Wy zweeren! ja wy zweeren!Reb.Wy zweeren wederom in ’t nypen van den nood....Tum.Voor ’t vrouwelyke recht te vechten tot den dood.Reb.Zweert gy, dat gy ons nooit zult in den nood begeeven!Altemaal.Lang moet Rebella, lang, lang moet Tumulta leeven!Reb.Zendt vyftig wyven uit, uit voorzorg voor verraad.Jaagt alle kaerels in hun huizen van de straat;Op dat zy, t’zaam gerot, geen onheil kunnen brouwen;Zy zyn’ er mee gediend, elk nog een hoer te trouwen.Tum.Dat’s wel bedocht, vriendin, want trokken ze eene lynMet schelmen voor den raad, dat zou gevaarlyk zyn.Reb.Wat is ’er Furia?Furia.’k Heb deeze vent gegreepen,En kom dien schobbiak hier voor den krygsraad sleepen.Gy moet gewaarschouwd zyn. Wy vreezen voor verraad.Wy hebben deeze vent die door het leger gaat,En ons beluistert, flus betrapt, en voort gevangen:’t Is mooglijk een spion.Reb.Dan zal hy moeten hangen.Lap.Och! wyfje lief ik kom maar uit nieuwsgierigheid.’k Heb niemendal gedaan! ’k heb niet een mensch verleid.Reb.Zeg, schurk, ben jy getrouwd, of ben je nog een vryer?Lap.Vriendinnen met verlof gesproken: ’k ben een snijêr.Genade vrouwtjes! ’k bid dat jy me voort verlost!Reb.Voor die nieuwsgierigheid dient gy wat afgerost.Hy krygt van Furia stokslagen.Lap.Aai!Reb.Denk jy lappedief een tweede wyf te trouwen?Lap.’k Heb aan één wyf genoeg, dat zweer ik, te onderhouwen.’k Moet werken voor een vrouw en zeven jonge bloên;Dan heb ik by gevolg geen wyven meer van doen.Reb.Maar als de Roomsche raad jou dwong tot zulke zaaken.Lap.’k Wil voor de Rippeblyk geen kinderen meer maaken.Reb.Ik geef je dan pardon, bruij aanstonds na je huis,Eer dat je aan de galg mogt raaken, per abuisEn zeg je wyf, dat ze in de wapens moet verschynen.Lap.’t Is wel. Ik zal terwyl dan met ons kind doudynen.Tum.Wel geef het ook een pram. Wat bruid ons deeze gek.Lap.Ik bid je word niet boos. Dag wyfjes lief, ’k vertrek.Davus word van eenige vrouwen gevangen gebracht, terwyl Furia zich wat aan een kant houdt.Tum.Heb jy daar nog een vent betrapt op ’t spionneeren?Wat ben je voor een fielt?Dav.Ik ben een man met eeren.Tum.Wat doe je?Dav.Wel, ik ben een timmermans gezelZo gy niet blind zyt, ziet gy ’t aan myn schootsvel wel.Tum.Wat heb je hier te doen?Dav.Ik kom myn wyf hier zoeken.Ik zou dat varken, ’k zou die teef wel haast vervloeken;Want ik heb geld van doen, en ze is weer op den tril.Tum.Zo dat je dan je wyf van ons weêr hebben wil.Fur.Wel hondsvol ben je daar?Dav.Heb jy meê dienst genomen?Ik zel je trappen, wyf, zo ik je by kan komen.Fur.Mevrouwen, ’t is myn vent, die dagelyks my plaagt,By ’t hair sleept langs de vloer, en dikwils ’t huis uitjaagt,Dan loopt hy na de kroeg, by hoeren en by snoeren,En zuipt zich dronken met de steeluî en de boeren.Hy lichtmist nacht en dag, en slaat de glaazen uit.Hy heeft myn mooje goed verzopen en verbruid,En daarom nam ik dienst, uit enkle disperatie.Reb.Jou lichtmis! jou schavuit! verwacht van ons geen gratie.Fur.Wat heeft het by den schout my niet al geld gekostHoe dikwyls heb ik uit zyn handen hem verlost!Tum.Hy steekt zyn tong nog uit, ô schelm! het zel je rouwen,Dat jy hier ronslen durft in ’t leger van de vrouwen.Dav.Myn wyf is maar een beest. Dat ik een lichtmis benDaar is al vry wat aan; zo dat ik ’t niet ontken.Maar zy is oorzaak dat myn kop raakte op het hollen.Zy zuipt zo wel als ik met hoeren en met snollen.Reb.Dat alles raakt ons niet. Dat is maar huis-verschil.Geef antwoord op het geen ik van je weeten wil.Zoek jy nog by dat wyf een tweede wyf te trouwen?Dav.Wel neen. ’k Mag dat niet doen, dat zou my haast berouwen,Dan zou ik pronken met een spinrok aan de kaak,En ’k wierd met drek gegooijd, de wyven tot vermaak.Reb.Je weet wel van de wet die haast in ’t licht zal komen.Dav.Wat weet ik van de wet? ’k heb daar niet na vernomen.Reb.Weet gy niet dat ’s lands raad aan elk een tweede wyfVergunnen zal?Dav.Wel neen. Dat is een raar bedryf.Al wou ’s lands raad terstond zes wyven aan my geeven,Ik zou heel vriendelyk met al die zoeters leeven;Mits dat zy vlytig voor my werkten, laat en vroeg,En ik by nacht en dag mogt dobblen in de kroeg.Reb.Je bent een schelm, een guit, een schender van de wettenDer vrouwen, en niet waard u hierom vast te zetten.Men breng hem na de galg!Dav.Heb ik de galg verdiend?Reb.Men boeij hem vast!Dav.Wat droes! ik denk niet dat je ’t mient!Reb.Het vonnis is geveld. Je hebt niet meer te hoopen.Dav.Ach lieve vrouwtje! weet jy dat niet af te koopen!Furia,knielende.Rebella, ach! ik doe een voetval voor myn man!Denk aan de schande die ons overkomen kan.Het wierd myn kindren en kindskindren wel verweeten!Davus,knielende.Genade vrouwtjes! ’k heb al in myn broek gedreeten!Fur.Ik bid jou om pardon. Zo jy hem straffen moet,Beneem hem ’t leven niet. Hoe beeft die armen bloed!Verlicht zyn straf, en laat hem door de spitsroê loopen!Tum.Staa op! ’k geef hem pardon. Maakt uw geledren open!Hy zal, tot tweemaal toe, dan door de spitsroê gaan.Heldinnen pas dan op den hondsvot wel te slaan.Dav.Genade vrouwtjes! ei genaê!Tumulta.Davus loopt tweemaal door de spitsroê.Pas wat te raaken!Dav.Hou op! hou op! je maakt dat my de ribben kraaken!Hy knielt.Och ik bedank je luî voor een genadig recht!Reb.Bedank je vrouw metéén.Dav.Myn wyf? wel dat is slecht.Ik dank je wyfje, voor de goedheid my beweezen!Och! was myn rug nou in drie dagen maar geneezen!Reb.Vaendraegster, zwaaij de vent het vaendel over ’t hoofd!Men zwaait hem het vaendel over het hoofd.Nou ben je een eerlyk man. Maar ’k wil dat jy belooft,Ofschoon de Raad het eischt, geen tweede wyf te trouwen.Dav.’k Beloof en zweer je dat, genadige mevrouwenMag ik nou heenen gaan?Tum.Gaa zalf jou in de kroeg.Dav.Ik heb geen duit aan geld.Furia,hem geld gevende.Daar heb je gelds genoeg.Dav.’k Bedankje wyfje lief. Ik zal aan myn gezellenHet nieuws, dat ik van jou gehoord heb gaan vertellen.Fur.Daar brengen ze ons een boer, zo dronken als een zwyn.Mopsus,met eenige matten flessen aan zyn gordel en een stroo hoed op ’t hoofd, die aan twee zyden is opgezet.Stae Mopsus! stae je bent wat dronken van den wijn,Stae Mopsus! Mopje, stae! Wat doen hier zo veel vrouwen?Laet los! laet los! stae vast! ik zel eens moeten spouwen!Wel hoor je niet? laet los! dat ik eens kalven moet.Fur.Boer, wil je kalven, doet dat dan maar in je hoed.Mop.’k Zel ’t om den hoek maar doen.Fur.Wel boer, wat ben je dronken.Mop.Hoe weet je ’t vrouw? je hebt my niemendal geschonken.Waer ben ik hier? wel ja, hier stae ik recht voor ’t huisVan heer Metellus. Ja, of heb ik ook abuis?Tum.Hy houd hem dronken. ’t Is een fielt, die ons komt loeren.Mop.Zo ik niet dronken ben, dan ben jy ook geen hoeren.Tum.Men smeer dien boer wat of.Mopsuskrygt stokslagen van Furia.Aai! aai! is dat ook slaen,Ik word ’er nuchtren van, laet my na huis toe gaen.Had ik een mes, ik zou je lui de smoel op veegen.Fur.Wy zyn hier voor je mes in ’t minste niet verlegen.Daar! daar!Mop.Hoe hiet jy?Fur.Vent, hoe vraag je dat zo stout?Mop.Wist ik je naem, ik zou je aenklaagen by den schout.Reb.Heb jy een wyf?Mop.Wel neen. Wat hoef je dat te vraegen?Ik wil me van geen wyf, dat zweer ik laeten plaegen.Myn vaêr, myn grootvaêr en myn overgrootvaers vaêr,Zyn nooit getrouwd geweest, en dat is waerlyk waer!Reb.Dan ben je een hoere kind?Mop.Wel neen. Ik ben een basterd.Gelyk myn vaêr en moer, ten spyt van die ons lastert.Reb.Dan zel jy, boer, uit last van Romens ruppeblykHaast moeten trouwen met twee wyven te gelyk.Mop.Wel zo! wel zo! daer denk ik eerst eens op te drinken!Als ik dat doen moet, vrouw, dan zel ’t ’er mooij wat stinken.Twie wyven te gelyk! twie wyven te gelyk!Daer drink ik nog eens op, eer ik van schrik bezwyk!Reb.Wel boer wil jy den raad dan niet gehoorzaam weezen?Mop.Laat na je kyken, je word gek, laet jou genezen.Twie wyven te gelyk? ô neen, ik hou me vry.Zo ik dat deed dan was ik schriklyk in de ly.Twie wyven te gelyk! ’k ken ’t zonder wyf wel maeken,Zo lang ik in de buurt te recht zal kunnen raeken.Tum.Men laat den boer maar vry.Mop.ô Fles met verne wynJy bent alleen myn wyf, mits dat je vol moet zyn.Fur.Wy hebben meer spions. Wilt gy dien ook verhooren?Reb.ô Neen, met dat gebruij loopt onze tyd verloren.Zet hen gevangen. Maar dat niemant ons ontsnapt.En breng de rest ’er by, dien jy op straat betrapt.Tumulta, laat ons volk de poorten wel bezettenMen houde scherpe wacht, om onheil te beletten.Fur.Daar is een jonker uit de Ridderschap, mevrouw.Die met u spreeken moet, en iets ontdekken zou.Reb.Is hy alleen?Fur.Hy ’s verzeld van nog twee heeren.Het zyn ambassadeurs, heel kostlyk in de kleeren.

Rebella.Hoog achtbre wyven, die u herwaards hebt begeeven,En my, verstaa je wel, tot deezen staat verheven....Dat ik den veldheers staf mag voeren in myn handEn jou regeeren met myn wysheid en verstand.Je had geen beter vrouw, verstaa je, kennen kiezen.Ik heb niet anders dan myn leeven te verliezen;Want ik heb geld noch goed: maar dapperheid en geest.’k Ben marketenster in den oorlog lang geweest.Ik heb in mans gewaad lang op party geloopen,Om boeren huizen te verbranden en te stroopen.Myn tent was altyd vol van hoenders, vlees en ham.Die ik aan ’t volk verkoft en op de markt mee quam.En hoe ik me in de stad met plundren heb gequeeten,Dat zel, verstaa je wel, de heele waereld weeten,Want ik heb na den stryd al kaerels uitgeschut:Maar al myn dapperheid was voor my zelf onnut.Myn vent, die als soldaat de wapens heeft gedraagen,Kon alles wat ik kreeg, weêr door de billen jaagen.Hy was een dobbelaar, een schurk, een onverlaat.Had ik den buit bewaard, ik was een vrouw in staat.Tum.En ik Tumulta, die in oproer ben bedreeven,’k Ben onderveldheerin, en zal u nooit begeeven.Indien ge een raadsheers huis wilt plundren, spreek dan maar.’k Zal my begeeven in het uiterste gevaar,En de eerste weezen om de huizen in te rukken.Ik bruide in Pisoos huis het huisraad eerst aan stukken.De schilderyen, die men haalde van den wand,En kostlyk lynwaad, heb ik in het vuur verbrand.En schoon ik zelf geen bed bezit om op te slaapen,Wilde ik my aan den buit in ’t minste niet vergaapen.De bullen, brieven, en de boeken die men vond,Zyn op de straat gebruid. Men spaarde kat noch hond,Ik hield niet van den buit. ’k Wou niet een mensch bedriegen.’k Sneed bed en kussens los, en liet de veêren vliegen,Schoon ik noodzaakelyk een bed van nooden had.Reb.Hoe eerlyk jy jou droeg, dat weet de heele stad.Tum.Wat heeft het jaar op jaar, Rebella, my gespeeten,Dat ik, benevens jou, in ’t spinhuis heb gezetenAls krygsgevangen, juist den Pretor tot vermaak.Nu meen ik eens zyn huis te plunderen uit wraak.Reb.’k Ben zo gemoedigd op het hooren van de trommels,Dat ik wel vechten durf met Pluto en zyn’ drommels,’k Denk wraak te nemen van het geen ons is misdaanMen moet den hoogmoed van de heeren nederslaan.Ik duld niet dat men zel de vrouwen onderdrukken.’t Word tyd, versta je wel, na ’t Kapitool te rukken.Tumulta, dappre vrouw, onze onderveldheerin,Vergaêrt de stemmen. Neemt den raad der vrouwen in.Tum.Dat heb ik al gedaan. Zyt gy gestroost te stryden,Om die vervloekte wet in Romen niet te lyden?Zweer Romeininnen dan ons beiden hulde en trouw.Alle de Vrouwen.Wy zweeren!Tum.’t Is genoeg, wat wilt gy meer, mevrouw?Reb.Gy mannen, die u hier vertoont in wyven kleêren,Verheft uw stemmen ook!Alle de mannen.Wy zweeren! ja wy zweeren!Reb.Wy zweeren wederom in ’t nypen van den nood....Tum.Voor ’t vrouwelyke recht te vechten tot den dood.Reb.Zweert gy, dat gy ons nooit zult in den nood begeeven!Altemaal.Lang moet Rebella, lang, lang moet Tumulta leeven!Reb.Zendt vyftig wyven uit, uit voorzorg voor verraad.Jaagt alle kaerels in hun huizen van de straat;Op dat zy, t’zaam gerot, geen onheil kunnen brouwen;Zy zyn’ er mee gediend, elk nog een hoer te trouwen.Tum.Dat’s wel bedocht, vriendin, want trokken ze eene lynMet schelmen voor den raad, dat zou gevaarlyk zyn.Reb.Wat is ’er Furia?Furia.’k Heb deeze vent gegreepen,En kom dien schobbiak hier voor den krygsraad sleepen.Gy moet gewaarschouwd zyn. Wy vreezen voor verraad.Wy hebben deeze vent die door het leger gaat,En ons beluistert, flus betrapt, en voort gevangen:’t Is mooglijk een spion.Reb.Dan zal hy moeten hangen.Lap.Och! wyfje lief ik kom maar uit nieuwsgierigheid.’k Heb niemendal gedaan! ’k heb niet een mensch verleid.Reb.Zeg, schurk, ben jy getrouwd, of ben je nog een vryer?Lap.Vriendinnen met verlof gesproken: ’k ben een snijêr.Genade vrouwtjes! ’k bid dat jy me voort verlost!Reb.Voor die nieuwsgierigheid dient gy wat afgerost.Hy krygt van Furia stokslagen.Lap.Aai!Reb.Denk jy lappedief een tweede wyf te trouwen?Lap.’k Heb aan één wyf genoeg, dat zweer ik, te onderhouwen.’k Moet werken voor een vrouw en zeven jonge bloên;Dan heb ik by gevolg geen wyven meer van doen.Reb.Maar als de Roomsche raad jou dwong tot zulke zaaken.Lap.’k Wil voor de Rippeblyk geen kinderen meer maaken.Reb.Ik geef je dan pardon, bruij aanstonds na je huis,Eer dat je aan de galg mogt raaken, per abuisEn zeg je wyf, dat ze in de wapens moet verschynen.Lap.’t Is wel. Ik zal terwyl dan met ons kind doudynen.Tum.Wel geef het ook een pram. Wat bruid ons deeze gek.Lap.Ik bid je word niet boos. Dag wyfjes lief, ’k vertrek.Davus word van eenige vrouwen gevangen gebracht, terwyl Furia zich wat aan een kant houdt.Tum.Heb jy daar nog een vent betrapt op ’t spionneeren?Wat ben je voor een fielt?Dav.Ik ben een man met eeren.Tum.Wat doe je?Dav.Wel, ik ben een timmermans gezelZo gy niet blind zyt, ziet gy ’t aan myn schootsvel wel.Tum.Wat heb je hier te doen?Dav.Ik kom myn wyf hier zoeken.Ik zou dat varken, ’k zou die teef wel haast vervloeken;Want ik heb geld van doen, en ze is weer op den tril.Tum.Zo dat je dan je wyf van ons weêr hebben wil.Fur.Wel hondsvol ben je daar?Dav.Heb jy meê dienst genomen?Ik zel je trappen, wyf, zo ik je by kan komen.Fur.Mevrouwen, ’t is myn vent, die dagelyks my plaagt,By ’t hair sleept langs de vloer, en dikwils ’t huis uitjaagt,Dan loopt hy na de kroeg, by hoeren en by snoeren,En zuipt zich dronken met de steeluî en de boeren.Hy lichtmist nacht en dag, en slaat de glaazen uit.Hy heeft myn mooje goed verzopen en verbruid,En daarom nam ik dienst, uit enkle disperatie.Reb.Jou lichtmis! jou schavuit! verwacht van ons geen gratie.Fur.Wat heeft het by den schout my niet al geld gekostHoe dikwyls heb ik uit zyn handen hem verlost!Tum.Hy steekt zyn tong nog uit, ô schelm! het zel je rouwen,Dat jy hier ronslen durft in ’t leger van de vrouwen.Dav.Myn wyf is maar een beest. Dat ik een lichtmis benDaar is al vry wat aan; zo dat ik ’t niet ontken.Maar zy is oorzaak dat myn kop raakte op het hollen.Zy zuipt zo wel als ik met hoeren en met snollen.Reb.Dat alles raakt ons niet. Dat is maar huis-verschil.Geef antwoord op het geen ik van je weeten wil.Zoek jy nog by dat wyf een tweede wyf te trouwen?Dav.Wel neen. ’k Mag dat niet doen, dat zou my haast berouwen,Dan zou ik pronken met een spinrok aan de kaak,En ’k wierd met drek gegooijd, de wyven tot vermaak.Reb.Je weet wel van de wet die haast in ’t licht zal komen.Dav.Wat weet ik van de wet? ’k heb daar niet na vernomen.Reb.Weet gy niet dat ’s lands raad aan elk een tweede wyfVergunnen zal?Dav.Wel neen. Dat is een raar bedryf.Al wou ’s lands raad terstond zes wyven aan my geeven,Ik zou heel vriendelyk met al die zoeters leeven;Mits dat zy vlytig voor my werkten, laat en vroeg,En ik by nacht en dag mogt dobblen in de kroeg.Reb.Je bent een schelm, een guit, een schender van de wettenDer vrouwen, en niet waard u hierom vast te zetten.Men breng hem na de galg!Dav.Heb ik de galg verdiend?Reb.Men boeij hem vast!Dav.Wat droes! ik denk niet dat je ’t mient!Reb.Het vonnis is geveld. Je hebt niet meer te hoopen.Dav.Ach lieve vrouwtje! weet jy dat niet af te koopen!Furia,knielende.Rebella, ach! ik doe een voetval voor myn man!Denk aan de schande die ons overkomen kan.Het wierd myn kindren en kindskindren wel verweeten!Davus,knielende.Genade vrouwtjes! ’k heb al in myn broek gedreeten!Fur.Ik bid jou om pardon. Zo jy hem straffen moet,Beneem hem ’t leven niet. Hoe beeft die armen bloed!Verlicht zyn straf, en laat hem door de spitsroê loopen!Tum.Staa op! ’k geef hem pardon. Maakt uw geledren open!Hy zal, tot tweemaal toe, dan door de spitsroê gaan.Heldinnen pas dan op den hondsvot wel te slaan.Dav.Genade vrouwtjes! ei genaê!Tumulta.Davus loopt tweemaal door de spitsroê.Pas wat te raaken!Dav.Hou op! hou op! je maakt dat my de ribben kraaken!Hy knielt.Och ik bedank je luî voor een genadig recht!Reb.Bedank je vrouw metéén.Dav.Myn wyf? wel dat is slecht.Ik dank je wyfje, voor de goedheid my beweezen!Och! was myn rug nou in drie dagen maar geneezen!Reb.Vaendraegster, zwaaij de vent het vaendel over ’t hoofd!Men zwaait hem het vaendel over het hoofd.Nou ben je een eerlyk man. Maar ’k wil dat jy belooft,Ofschoon de Raad het eischt, geen tweede wyf te trouwen.Dav.’k Beloof en zweer je dat, genadige mevrouwenMag ik nou heenen gaan?Tum.Gaa zalf jou in de kroeg.Dav.Ik heb geen duit aan geld.Furia,hem geld gevende.Daar heb je gelds genoeg.Dav.’k Bedankje wyfje lief. Ik zal aan myn gezellenHet nieuws, dat ik van jou gehoord heb gaan vertellen.Fur.Daar brengen ze ons een boer, zo dronken als een zwyn.Mopsus,met eenige matten flessen aan zyn gordel en een stroo hoed op ’t hoofd, die aan twee zyden is opgezet.Stae Mopsus! stae je bent wat dronken van den wijn,Stae Mopsus! Mopje, stae! Wat doen hier zo veel vrouwen?Laet los! laet los! stae vast! ik zel eens moeten spouwen!Wel hoor je niet? laet los! dat ik eens kalven moet.Fur.Boer, wil je kalven, doet dat dan maar in je hoed.Mop.’k Zel ’t om den hoek maar doen.Fur.Wel boer, wat ben je dronken.Mop.Hoe weet je ’t vrouw? je hebt my niemendal geschonken.Waer ben ik hier? wel ja, hier stae ik recht voor ’t huisVan heer Metellus. Ja, of heb ik ook abuis?Tum.Hy houd hem dronken. ’t Is een fielt, die ons komt loeren.Mop.Zo ik niet dronken ben, dan ben jy ook geen hoeren.Tum.Men smeer dien boer wat of.Mopsuskrygt stokslagen van Furia.Aai! aai! is dat ook slaen,Ik word ’er nuchtren van, laet my na huis toe gaen.Had ik een mes, ik zou je lui de smoel op veegen.Fur.Wy zyn hier voor je mes in ’t minste niet verlegen.Daar! daar!Mop.Hoe hiet jy?Fur.Vent, hoe vraag je dat zo stout?Mop.Wist ik je naem, ik zou je aenklaagen by den schout.Reb.Heb jy een wyf?Mop.Wel neen. Wat hoef je dat te vraegen?Ik wil me van geen wyf, dat zweer ik laeten plaegen.Myn vaêr, myn grootvaêr en myn overgrootvaers vaêr,Zyn nooit getrouwd geweest, en dat is waerlyk waer!Reb.Dan ben je een hoere kind?Mop.Wel neen. Ik ben een basterd.Gelyk myn vaêr en moer, ten spyt van die ons lastert.Reb.Dan zel jy, boer, uit last van Romens ruppeblykHaast moeten trouwen met twee wyven te gelyk.Mop.Wel zo! wel zo! daer denk ik eerst eens op te drinken!Als ik dat doen moet, vrouw, dan zel ’t ’er mooij wat stinken.Twie wyven te gelyk! twie wyven te gelyk!Daer drink ik nog eens op, eer ik van schrik bezwyk!Reb.Wel boer wil jy den raad dan niet gehoorzaam weezen?Mop.Laat na je kyken, je word gek, laet jou genezen.Twie wyven te gelyk? ô neen, ik hou me vry.Zo ik dat deed dan was ik schriklyk in de ly.Twie wyven te gelyk! ’k ken ’t zonder wyf wel maeken,Zo lang ik in de buurt te recht zal kunnen raeken.Tum.Men laat den boer maar vry.Mop.ô Fles met verne wynJy bent alleen myn wyf, mits dat je vol moet zyn.Fur.Wy hebben meer spions. Wilt gy dien ook verhooren?Reb.ô Neen, met dat gebruij loopt onze tyd verloren.Zet hen gevangen. Maar dat niemant ons ontsnapt.En breng de rest ’er by, dien jy op straat betrapt.Tumulta, laat ons volk de poorten wel bezettenMen houde scherpe wacht, om onheil te beletten.Fur.Daar is een jonker uit de Ridderschap, mevrouw.Die met u spreeken moet, en iets ontdekken zou.Reb.Is hy alleen?Fur.Hy ’s verzeld van nog twee heeren.Het zyn ambassadeurs, heel kostlyk in de kleeren.

Rebella.Hoog achtbre wyven, die u herwaards hebt begeeven,En my, verstaa je wel, tot deezen staat verheven....Dat ik den veldheers staf mag voeren in myn handEn jou regeeren met myn wysheid en verstand.Je had geen beter vrouw, verstaa je, kennen kiezen.Ik heb niet anders dan myn leeven te verliezen;Want ik heb geld noch goed: maar dapperheid en geest.’k Ben marketenster in den oorlog lang geweest.Ik heb in mans gewaad lang op party geloopen,Om boeren huizen te verbranden en te stroopen.Myn tent was altyd vol van hoenders, vlees en ham.Die ik aan ’t volk verkoft en op de markt mee quam.En hoe ik me in de stad met plundren heb gequeeten,Dat zel, verstaa je wel, de heele waereld weeten,Want ik heb na den stryd al kaerels uitgeschut:Maar al myn dapperheid was voor my zelf onnut.Myn vent, die als soldaat de wapens heeft gedraagen,Kon alles wat ik kreeg, weêr door de billen jaagen.Hy was een dobbelaar, een schurk, een onverlaat.Had ik den buit bewaard, ik was een vrouw in staat.Tum.En ik Tumulta, die in oproer ben bedreeven,’k Ben onderveldheerin, en zal u nooit begeeven.Indien ge een raadsheers huis wilt plundren, spreek dan maar.’k Zal my begeeven in het uiterste gevaar,En de eerste weezen om de huizen in te rukken.Ik bruide in Pisoos huis het huisraad eerst aan stukken.De schilderyen, die men haalde van den wand,En kostlyk lynwaad, heb ik in het vuur verbrand.En schoon ik zelf geen bed bezit om op te slaapen,Wilde ik my aan den buit in ’t minste niet vergaapen.De bullen, brieven, en de boeken die men vond,Zyn op de straat gebruid. Men spaarde kat noch hond,Ik hield niet van den buit. ’k Wou niet een mensch bedriegen.’k Sneed bed en kussens los, en liet de veêren vliegen,Schoon ik noodzaakelyk een bed van nooden had.Reb.Hoe eerlyk jy jou droeg, dat weet de heele stad.Tum.Wat heeft het jaar op jaar, Rebella, my gespeeten,Dat ik, benevens jou, in ’t spinhuis heb gezetenAls krygsgevangen, juist den Pretor tot vermaak.Nu meen ik eens zyn huis te plunderen uit wraak.Reb.’k Ben zo gemoedigd op het hooren van de trommels,Dat ik wel vechten durf met Pluto en zyn’ drommels,’k Denk wraak te nemen van het geen ons is misdaanMen moet den hoogmoed van de heeren nederslaan.Ik duld niet dat men zel de vrouwen onderdrukken.’t Word tyd, versta je wel, na ’t Kapitool te rukken.Tumulta, dappre vrouw, onze onderveldheerin,Vergaêrt de stemmen. Neemt den raad der vrouwen in.Tum.Dat heb ik al gedaan. Zyt gy gestroost te stryden,Om die vervloekte wet in Romen niet te lyden?Zweer Romeininnen dan ons beiden hulde en trouw.Alle de Vrouwen.Wy zweeren!Tum.’t Is genoeg, wat wilt gy meer, mevrouw?Reb.Gy mannen, die u hier vertoont in wyven kleêren,Verheft uw stemmen ook!Alle de mannen.Wy zweeren! ja wy zweeren!Reb.Wy zweeren wederom in ’t nypen van den nood....Tum.Voor ’t vrouwelyke recht te vechten tot den dood.Reb.Zweert gy, dat gy ons nooit zult in den nood begeeven!Altemaal.Lang moet Rebella, lang, lang moet Tumulta leeven!Reb.Zendt vyftig wyven uit, uit voorzorg voor verraad.Jaagt alle kaerels in hun huizen van de straat;Op dat zy, t’zaam gerot, geen onheil kunnen brouwen;Zy zyn’ er mee gediend, elk nog een hoer te trouwen.Tum.Dat’s wel bedocht, vriendin, want trokken ze eene lynMet schelmen voor den raad, dat zou gevaarlyk zyn.Reb.Wat is ’er Furia?Furia.’k Heb deeze vent gegreepen,En kom dien schobbiak hier voor den krygsraad sleepen.Gy moet gewaarschouwd zyn. Wy vreezen voor verraad.Wy hebben deeze vent die door het leger gaat,En ons beluistert, flus betrapt, en voort gevangen:’t Is mooglijk een spion.Reb.Dan zal hy moeten hangen.Lap.Och! wyfje lief ik kom maar uit nieuwsgierigheid.’k Heb niemendal gedaan! ’k heb niet een mensch verleid.Reb.Zeg, schurk, ben jy getrouwd, of ben je nog een vryer?Lap.Vriendinnen met verlof gesproken: ’k ben een snijêr.Genade vrouwtjes! ’k bid dat jy me voort verlost!Reb.Voor die nieuwsgierigheid dient gy wat afgerost.Hy krygt van Furia stokslagen.Lap.Aai!Reb.Denk jy lappedief een tweede wyf te trouwen?Lap.’k Heb aan één wyf genoeg, dat zweer ik, te onderhouwen.’k Moet werken voor een vrouw en zeven jonge bloên;Dan heb ik by gevolg geen wyven meer van doen.Reb.Maar als de Roomsche raad jou dwong tot zulke zaaken.Lap.’k Wil voor de Rippeblyk geen kinderen meer maaken.Reb.Ik geef je dan pardon, bruij aanstonds na je huis,Eer dat je aan de galg mogt raaken, per abuisEn zeg je wyf, dat ze in de wapens moet verschynen.Lap.’t Is wel. Ik zal terwyl dan met ons kind doudynen.Tum.Wel geef het ook een pram. Wat bruid ons deeze gek.Lap.Ik bid je word niet boos. Dag wyfjes lief, ’k vertrek.Davus word van eenige vrouwen gevangen gebracht, terwyl Furia zich wat aan een kant houdt.Tum.Heb jy daar nog een vent betrapt op ’t spionneeren?Wat ben je voor een fielt?Dav.Ik ben een man met eeren.Tum.Wat doe je?Dav.Wel, ik ben een timmermans gezelZo gy niet blind zyt, ziet gy ’t aan myn schootsvel wel.Tum.Wat heb je hier te doen?Dav.Ik kom myn wyf hier zoeken.Ik zou dat varken, ’k zou die teef wel haast vervloeken;Want ik heb geld van doen, en ze is weer op den tril.Tum.Zo dat je dan je wyf van ons weêr hebben wil.Fur.Wel hondsvol ben je daar?Dav.Heb jy meê dienst genomen?Ik zel je trappen, wyf, zo ik je by kan komen.Fur.Mevrouwen, ’t is myn vent, die dagelyks my plaagt,By ’t hair sleept langs de vloer, en dikwils ’t huis uitjaagt,Dan loopt hy na de kroeg, by hoeren en by snoeren,En zuipt zich dronken met de steeluî en de boeren.Hy lichtmist nacht en dag, en slaat de glaazen uit.Hy heeft myn mooje goed verzopen en verbruid,En daarom nam ik dienst, uit enkle disperatie.Reb.Jou lichtmis! jou schavuit! verwacht van ons geen gratie.Fur.Wat heeft het by den schout my niet al geld gekostHoe dikwyls heb ik uit zyn handen hem verlost!Tum.Hy steekt zyn tong nog uit, ô schelm! het zel je rouwen,Dat jy hier ronslen durft in ’t leger van de vrouwen.Dav.Myn wyf is maar een beest. Dat ik een lichtmis benDaar is al vry wat aan; zo dat ik ’t niet ontken.Maar zy is oorzaak dat myn kop raakte op het hollen.Zy zuipt zo wel als ik met hoeren en met snollen.Reb.Dat alles raakt ons niet. Dat is maar huis-verschil.Geef antwoord op het geen ik van je weeten wil.Zoek jy nog by dat wyf een tweede wyf te trouwen?Dav.Wel neen. ’k Mag dat niet doen, dat zou my haast berouwen,Dan zou ik pronken met een spinrok aan de kaak,En ’k wierd met drek gegooijd, de wyven tot vermaak.Reb.Je weet wel van de wet die haast in ’t licht zal komen.Dav.Wat weet ik van de wet? ’k heb daar niet na vernomen.Reb.Weet gy niet dat ’s lands raad aan elk een tweede wyfVergunnen zal?Dav.Wel neen. Dat is een raar bedryf.Al wou ’s lands raad terstond zes wyven aan my geeven,Ik zou heel vriendelyk met al die zoeters leeven;Mits dat zy vlytig voor my werkten, laat en vroeg,En ik by nacht en dag mogt dobblen in de kroeg.Reb.Je bent een schelm, een guit, een schender van de wettenDer vrouwen, en niet waard u hierom vast te zetten.Men breng hem na de galg!Dav.Heb ik de galg verdiend?Reb.Men boeij hem vast!Dav.Wat droes! ik denk niet dat je ’t mient!Reb.Het vonnis is geveld. Je hebt niet meer te hoopen.Dav.Ach lieve vrouwtje! weet jy dat niet af te koopen!Furia,knielende.Rebella, ach! ik doe een voetval voor myn man!Denk aan de schande die ons overkomen kan.Het wierd myn kindren en kindskindren wel verweeten!Davus,knielende.Genade vrouwtjes! ’k heb al in myn broek gedreeten!Fur.Ik bid jou om pardon. Zo jy hem straffen moet,Beneem hem ’t leven niet. Hoe beeft die armen bloed!Verlicht zyn straf, en laat hem door de spitsroê loopen!Tum.Staa op! ’k geef hem pardon. Maakt uw geledren open!Hy zal, tot tweemaal toe, dan door de spitsroê gaan.Heldinnen pas dan op den hondsvot wel te slaan.Dav.Genade vrouwtjes! ei genaê!Tumulta.Davus loopt tweemaal door de spitsroê.Pas wat te raaken!Dav.Hou op! hou op! je maakt dat my de ribben kraaken!Hy knielt.Och ik bedank je luî voor een genadig recht!Reb.Bedank je vrouw metéén.Dav.Myn wyf? wel dat is slecht.Ik dank je wyfje, voor de goedheid my beweezen!Och! was myn rug nou in drie dagen maar geneezen!Reb.Vaendraegster, zwaaij de vent het vaendel over ’t hoofd!Men zwaait hem het vaendel over het hoofd.Nou ben je een eerlyk man. Maar ’k wil dat jy belooft,Ofschoon de Raad het eischt, geen tweede wyf te trouwen.Dav.’k Beloof en zweer je dat, genadige mevrouwenMag ik nou heenen gaan?Tum.Gaa zalf jou in de kroeg.Dav.Ik heb geen duit aan geld.Furia,hem geld gevende.Daar heb je gelds genoeg.Dav.’k Bedankje wyfje lief. Ik zal aan myn gezellenHet nieuws, dat ik van jou gehoord heb gaan vertellen.Fur.Daar brengen ze ons een boer, zo dronken als een zwyn.Mopsus,met eenige matten flessen aan zyn gordel en een stroo hoed op ’t hoofd, die aan twee zyden is opgezet.Stae Mopsus! stae je bent wat dronken van den wijn,Stae Mopsus! Mopje, stae! Wat doen hier zo veel vrouwen?Laet los! laet los! stae vast! ik zel eens moeten spouwen!Wel hoor je niet? laet los! dat ik eens kalven moet.Fur.Boer, wil je kalven, doet dat dan maar in je hoed.Mop.’k Zel ’t om den hoek maar doen.Fur.Wel boer, wat ben je dronken.Mop.Hoe weet je ’t vrouw? je hebt my niemendal geschonken.Waer ben ik hier? wel ja, hier stae ik recht voor ’t huisVan heer Metellus. Ja, of heb ik ook abuis?Tum.Hy houd hem dronken. ’t Is een fielt, die ons komt loeren.Mop.Zo ik niet dronken ben, dan ben jy ook geen hoeren.Tum.Men smeer dien boer wat of.Mopsuskrygt stokslagen van Furia.Aai! aai! is dat ook slaen,Ik word ’er nuchtren van, laet my na huis toe gaen.Had ik een mes, ik zou je lui de smoel op veegen.Fur.Wy zyn hier voor je mes in ’t minste niet verlegen.Daar! daar!Mop.Hoe hiet jy?Fur.Vent, hoe vraag je dat zo stout?Mop.Wist ik je naem, ik zou je aenklaagen by den schout.Reb.Heb jy een wyf?Mop.Wel neen. Wat hoef je dat te vraegen?Ik wil me van geen wyf, dat zweer ik laeten plaegen.Myn vaêr, myn grootvaêr en myn overgrootvaers vaêr,Zyn nooit getrouwd geweest, en dat is waerlyk waer!Reb.Dan ben je een hoere kind?Mop.Wel neen. Ik ben een basterd.Gelyk myn vaêr en moer, ten spyt van die ons lastert.Reb.Dan zel jy, boer, uit last van Romens ruppeblykHaast moeten trouwen met twee wyven te gelyk.Mop.Wel zo! wel zo! daer denk ik eerst eens op te drinken!Als ik dat doen moet, vrouw, dan zel ’t ’er mooij wat stinken.Twie wyven te gelyk! twie wyven te gelyk!Daer drink ik nog eens op, eer ik van schrik bezwyk!Reb.Wel boer wil jy den raad dan niet gehoorzaam weezen?Mop.Laat na je kyken, je word gek, laet jou genezen.Twie wyven te gelyk? ô neen, ik hou me vry.Zo ik dat deed dan was ik schriklyk in de ly.Twie wyven te gelyk! ’k ken ’t zonder wyf wel maeken,Zo lang ik in de buurt te recht zal kunnen raeken.Tum.Men laat den boer maar vry.Mop.ô Fles met verne wynJy bent alleen myn wyf, mits dat je vol moet zyn.Fur.Wy hebben meer spions. Wilt gy dien ook verhooren?Reb.ô Neen, met dat gebruij loopt onze tyd verloren.Zet hen gevangen. Maar dat niemant ons ontsnapt.En breng de rest ’er by, dien jy op straat betrapt.Tumulta, laat ons volk de poorten wel bezettenMen houde scherpe wacht, om onheil te beletten.Fur.Daar is een jonker uit de Ridderschap, mevrouw.Die met u spreeken moet, en iets ontdekken zou.Reb.Is hy alleen?Fur.Hy ’s verzeld van nog twee heeren.Het zyn ambassadeurs, heel kostlyk in de kleeren.

Rebella.Hoog achtbre wyven, die u herwaards hebt begeeven,

En my, verstaa je wel, tot deezen staat verheven....

Dat ik den veldheers staf mag voeren in myn hand

En jou regeeren met myn wysheid en verstand.

Je had geen beter vrouw, verstaa je, kennen kiezen.

Ik heb niet anders dan myn leeven te verliezen;

Want ik heb geld noch goed: maar dapperheid en geest.

’k Ben marketenster in den oorlog lang geweest.

Ik heb in mans gewaad lang op party geloopen,

Om boeren huizen te verbranden en te stroopen.

Myn tent was altyd vol van hoenders, vlees en ham.

Die ik aan ’t volk verkoft en op de markt mee quam.

En hoe ik me in de stad met plundren heb gequeeten,

Dat zel, verstaa je wel, de heele waereld weeten,

Want ik heb na den stryd al kaerels uitgeschut:

Maar al myn dapperheid was voor my zelf onnut.

Myn vent, die als soldaat de wapens heeft gedraagen,

Kon alles wat ik kreeg, weêr door de billen jaagen.

Hy was een dobbelaar, een schurk, een onverlaat.

Had ik den buit bewaard, ik was een vrouw in staat.

Tum.En ik Tumulta, die in oproer ben bedreeven,

’k Ben onderveldheerin, en zal u nooit begeeven.

Indien ge een raadsheers huis wilt plundren, spreek dan maar.

’k Zal my begeeven in het uiterste gevaar,

En de eerste weezen om de huizen in te rukken.

Ik bruide in Pisoos huis het huisraad eerst aan stukken.

De schilderyen, die men haalde van den wand,

En kostlyk lynwaad, heb ik in het vuur verbrand.

En schoon ik zelf geen bed bezit om op te slaapen,

Wilde ik my aan den buit in ’t minste niet vergaapen.

De bullen, brieven, en de boeken die men vond,

Zyn op de straat gebruid. Men spaarde kat noch hond,

Ik hield niet van den buit. ’k Wou niet een mensch bedriegen.

’k Sneed bed en kussens los, en liet de veêren vliegen,

Schoon ik noodzaakelyk een bed van nooden had.

Reb.Hoe eerlyk jy jou droeg, dat weet de heele stad.

Tum.Wat heeft het jaar op jaar, Rebella, my gespeeten,

Dat ik, benevens jou, in ’t spinhuis heb gezeten

Als krygsgevangen, juist den Pretor tot vermaak.

Nu meen ik eens zyn huis te plunderen uit wraak.

Reb.’k Ben zo gemoedigd op het hooren van de trommels,

Dat ik wel vechten durf met Pluto en zyn’ drommels,

’k Denk wraak te nemen van het geen ons is misdaan

Men moet den hoogmoed van de heeren nederslaan.

Ik duld niet dat men zel de vrouwen onderdrukken.

’t Word tyd, versta je wel, na ’t Kapitool te rukken.

Tumulta, dappre vrouw, onze onderveldheerin,

Vergaêrt de stemmen. Neemt den raad der vrouwen in.

Tum.Dat heb ik al gedaan. Zyt gy gestroost te stryden,

Om die vervloekte wet in Romen niet te lyden?

Zweer Romeininnen dan ons beiden hulde en trouw.

Alle de Vrouwen.

Wy zweeren!

Tum.’t Is genoeg, wat wilt gy meer, mevrouw?

Reb.Gy mannen, die u hier vertoont in wyven kleêren,

Verheft uw stemmen ook!

Alle de mannen.

Wy zweeren! ja wy zweeren!

Reb.Wy zweeren wederom in ’t nypen van den nood....

Tum.Voor ’t vrouwelyke recht te vechten tot den dood.

Reb.Zweert gy, dat gy ons nooit zult in den nood begeeven!

Altemaal.

Lang moet Rebella, lang, lang moet Tumulta leeven!

Reb.Zendt vyftig wyven uit, uit voorzorg voor verraad.

Jaagt alle kaerels in hun huizen van de straat;

Op dat zy, t’zaam gerot, geen onheil kunnen brouwen;

Zy zyn’ er mee gediend, elk nog een hoer te trouwen.

Tum.Dat’s wel bedocht, vriendin, want trokken ze eene lyn

Met schelmen voor den raad, dat zou gevaarlyk zyn.

Reb.Wat is ’er Furia?

Furia.’k Heb deeze vent gegreepen,

En kom dien schobbiak hier voor den krygsraad sleepen.

Gy moet gewaarschouwd zyn. Wy vreezen voor verraad.

Wy hebben deeze vent die door het leger gaat,

En ons beluistert, flus betrapt, en voort gevangen:

’t Is mooglijk een spion.Reb.Dan zal hy moeten hangen.

Lap.Och! wyfje lief ik kom maar uit nieuwsgierigheid.

’k Heb niemendal gedaan! ’k heb niet een mensch verleid.

Reb.Zeg, schurk, ben jy getrouwd, of ben je nog een vryer?

Lap.Vriendinnen met verlof gesproken: ’k ben een snijêr.

Genade vrouwtjes! ’k bid dat jy me voort verlost!

Reb.Voor die nieuwsgierigheid dient gy wat afgerost.

Hy krygt van Furia stokslagen.

Lap.Aai!

Reb.Denk jy lappedief een tweede wyf te trouwen?

Lap.’k Heb aan één wyf genoeg, dat zweer ik, te onderhouwen.

’k Moet werken voor een vrouw en zeven jonge bloên;

Dan heb ik by gevolg geen wyven meer van doen.

Reb.Maar als de Roomsche raad jou dwong tot zulke zaaken.

Lap.’k Wil voor de Rippeblyk geen kinderen meer maaken.

Reb.Ik geef je dan pardon, bruij aanstonds na je huis,

Eer dat je aan de galg mogt raaken, per abuis

En zeg je wyf, dat ze in de wapens moet verschynen.

Lap.’t Is wel. Ik zal terwyl dan met ons kind doudynen.

Tum.Wel geef het ook een pram. Wat bruid ons deeze gek.

Lap.Ik bid je word niet boos. Dag wyfjes lief, ’k vertrek.

Davus word van eenige vrouwen gevangen gebracht, terwyl Furia zich wat aan een kant houdt.

Tum.Heb jy daar nog een vent betrapt op ’t spionneeren?

Wat ben je voor een fielt?

Dav.Ik ben een man met eeren.

Tum.Wat doe je?

Dav.Wel, ik ben een timmermans gezel

Zo gy niet blind zyt, ziet gy ’t aan myn schootsvel wel.

Tum.Wat heb je hier te doen?

Dav.Ik kom myn wyf hier zoeken.

Ik zou dat varken, ’k zou die teef wel haast vervloeken;

Want ik heb geld van doen, en ze is weer op den tril.

Tum.Zo dat je dan je wyf van ons weêr hebben wil.

Fur.Wel hondsvol ben je daar?

Dav.Heb jy meê dienst genomen?

Ik zel je trappen, wyf, zo ik je by kan komen.

Fur.Mevrouwen, ’t is myn vent, die dagelyks my plaagt,

By ’t hair sleept langs de vloer, en dikwils ’t huis uitjaagt,

Dan loopt hy na de kroeg, by hoeren en by snoeren,

En zuipt zich dronken met de steeluî en de boeren.

Hy lichtmist nacht en dag, en slaat de glaazen uit.

Hy heeft myn mooje goed verzopen en verbruid,

En daarom nam ik dienst, uit enkle disperatie.

Reb.Jou lichtmis! jou schavuit! verwacht van ons geen gratie.

Fur.Wat heeft het by den schout my niet al geld gekost

Hoe dikwyls heb ik uit zyn handen hem verlost!

Tum.Hy steekt zyn tong nog uit, ô schelm! het zel je rouwen,

Dat jy hier ronslen durft in ’t leger van de vrouwen.

Dav.Myn wyf is maar een beest. Dat ik een lichtmis ben

Daar is al vry wat aan; zo dat ik ’t niet ontken.

Maar zy is oorzaak dat myn kop raakte op het hollen.

Zy zuipt zo wel als ik met hoeren en met snollen.

Reb.Dat alles raakt ons niet. Dat is maar huis-verschil.

Geef antwoord op het geen ik van je weeten wil.

Zoek jy nog by dat wyf een tweede wyf te trouwen?

Dav.Wel neen. ’k Mag dat niet doen, dat zou my haast berouwen,

Dan zou ik pronken met een spinrok aan de kaak,

En ’k wierd met drek gegooijd, de wyven tot vermaak.

Reb.Je weet wel van de wet die haast in ’t licht zal komen.

Dav.Wat weet ik van de wet? ’k heb daar niet na vernomen.

Reb.Weet gy niet dat ’s lands raad aan elk een tweede wyf

Vergunnen zal?

Dav.Wel neen. Dat is een raar bedryf.

Al wou ’s lands raad terstond zes wyven aan my geeven,

Ik zou heel vriendelyk met al die zoeters leeven;

Mits dat zy vlytig voor my werkten, laat en vroeg,

En ik by nacht en dag mogt dobblen in de kroeg.

Reb.Je bent een schelm, een guit, een schender van de wetten

Der vrouwen, en niet waard u hierom vast te zetten.

Men breng hem na de galg!

Dav.Heb ik de galg verdiend?

Reb.Men boeij hem vast!

Dav.Wat droes! ik denk niet dat je ’t mient!

Reb.Het vonnis is geveld. Je hebt niet meer te hoopen.

Dav.Ach lieve vrouwtje! weet jy dat niet af te koopen!

Furia,knielende.

Rebella, ach! ik doe een voetval voor myn man!

Denk aan de schande die ons overkomen kan.

Het wierd myn kindren en kindskindren wel verweeten!

Davus,knielende.

Genade vrouwtjes! ’k heb al in myn broek gedreeten!

Fur.Ik bid jou om pardon. Zo jy hem straffen moet,

Beneem hem ’t leven niet. Hoe beeft die armen bloed!

Verlicht zyn straf, en laat hem door de spitsroê loopen!

Tum.Staa op! ’k geef hem pardon. Maakt uw geledren open!

Hy zal, tot tweemaal toe, dan door de spitsroê gaan.

Heldinnen pas dan op den hondsvot wel te slaan.

Dav.Genade vrouwtjes! ei genaê!

Tumulta.

Davus loopt tweemaal door de spitsroê.

Pas wat te raaken!

Dav.Hou op! hou op! je maakt dat my de ribben kraaken!

Hy knielt.

Och ik bedank je luî voor een genadig recht!

Reb.Bedank je vrouw metéén.

Dav.Myn wyf? wel dat is slecht.

Ik dank je wyfje, voor de goedheid my beweezen!

Och! was myn rug nou in drie dagen maar geneezen!

Reb.Vaendraegster, zwaaij de vent het vaendel over ’t hoofd!

Men zwaait hem het vaendel over het hoofd.

Nou ben je een eerlyk man. Maar ’k wil dat jy belooft,

Ofschoon de Raad het eischt, geen tweede wyf te trouwen.

Dav.’k Beloof en zweer je dat, genadige mevrouwen

Mag ik nou heenen gaan?

Tum.Gaa zalf jou in de kroeg.

Dav.Ik heb geen duit aan geld.

Furia,hem geld gevende.

Daar heb je gelds genoeg.

Dav.’k Bedankje wyfje lief. Ik zal aan myn gezellen

Het nieuws, dat ik van jou gehoord heb gaan vertellen.

Fur.Daar brengen ze ons een boer, zo dronken als een zwyn.

Mopsus,met eenige matten flessen aan zyn gordel en een stroo hoed op ’t hoofd, die aan twee zyden is opgezet.

Stae Mopsus! stae je bent wat dronken van den wijn,

Stae Mopsus! Mopje, stae! Wat doen hier zo veel vrouwen?

Laet los! laet los! stae vast! ik zel eens moeten spouwen!

Wel hoor je niet? laet los! dat ik eens kalven moet.

Fur.Boer, wil je kalven, doet dat dan maar in je hoed.

Mop.’k Zel ’t om den hoek maar doen.

Fur.Wel boer, wat ben je dronken.

Mop.Hoe weet je ’t vrouw? je hebt my niemendal geschonken.

Waer ben ik hier? wel ja, hier stae ik recht voor ’t huis

Van heer Metellus. Ja, of heb ik ook abuis?

Tum.Hy houd hem dronken. ’t Is een fielt, die ons komt loeren.

Mop.Zo ik niet dronken ben, dan ben jy ook geen hoeren.

Tum.Men smeer dien boer wat of.

Mopsuskrygt stokslagen van Furia.

Aai! aai! is dat ook slaen,

Ik word ’er nuchtren van, laet my na huis toe gaen.

Had ik een mes, ik zou je lui de smoel op veegen.

Fur.Wy zyn hier voor je mes in ’t minste niet verlegen.

Daar! daar!

Mop.Hoe hiet jy?

Fur.Vent, hoe vraag je dat zo stout?

Mop.Wist ik je naem, ik zou je aenklaagen by den schout.

Reb.Heb jy een wyf?

Mop.Wel neen. Wat hoef je dat te vraegen?

Ik wil me van geen wyf, dat zweer ik laeten plaegen.

Myn vaêr, myn grootvaêr en myn overgrootvaers vaêr,

Zyn nooit getrouwd geweest, en dat is waerlyk waer!

Reb.Dan ben je een hoere kind?

Mop.Wel neen. Ik ben een basterd.

Gelyk myn vaêr en moer, ten spyt van die ons lastert.

Reb.Dan zel jy, boer, uit last van Romens ruppeblyk

Haast moeten trouwen met twee wyven te gelyk.

Mop.Wel zo! wel zo! daer denk ik eerst eens op te drinken!

Als ik dat doen moet, vrouw, dan zel ’t ’er mooij wat stinken.

Twie wyven te gelyk! twie wyven te gelyk!

Daer drink ik nog eens op, eer ik van schrik bezwyk!

Reb.Wel boer wil jy den raad dan niet gehoorzaam weezen?

Mop.Laat na je kyken, je word gek, laet jou genezen.

Twie wyven te gelyk? ô neen, ik hou me vry.

Zo ik dat deed dan was ik schriklyk in de ly.

Twie wyven te gelyk! ’k ken ’t zonder wyf wel maeken,

Zo lang ik in de buurt te recht zal kunnen raeken.

Tum.Men laat den boer maar vry.

Mop.ô Fles met verne wyn

Jy bent alleen myn wyf, mits dat je vol moet zyn.

Fur.Wy hebben meer spions. Wilt gy dien ook verhooren?

Reb.ô Neen, met dat gebruij loopt onze tyd verloren.

Zet hen gevangen. Maar dat niemant ons ontsnapt.

En breng de rest ’er by, dien jy op straat betrapt.

Tumulta, laat ons volk de poorten wel bezetten

Men houde scherpe wacht, om onheil te beletten.

Fur.Daar is een jonker uit de Ridderschap, mevrouw.

Die met u spreeken moet, en iets ontdekken zou.

Reb.Is hy alleen?

Fur.Hy ’s verzeld van nog twee heeren.

Het zyn ambassadeurs, heel kostlyk in de kleeren.

Albinusen gevolg,Rebella,Tumulta,Furia, en ’t leger.

Albinus.Wie heeft in ’t leger hier het opperste gebied?Reb.Wel dat ben ik. Gelyk jy aan myn veldstaf ziet.Al.Wat reden hebt ge, om zo veel vrouwen te vergaêren?Reb.Eer ik, verstaa je wel, de reden wil verklaarenWil ik, begryp je wel, eerst weeten wie je bent.Al.Ik ben een afgezant, dien Romens raad hier zendt.Reb.Myn heer ambassadeur, we zellen jou verhooren.Al.Het komt den Roomschen raad byzonder vreemd te vooren,Dat zo veel’ vrouwen der Romeinen zyn vergaêrd.Zy eischen, dat gy daar de reden van verklaart.Reb.Ik heb, om dat ik juist niet leezen kan of schryven,Notaris Inktpot uit den naam der Roomsche wyven,Al wat wy willen, klaar doen stellen in geschrift.Zy geeft hem een gezegeld schrift over.Daar zyn de artykels. Zo den raad uit dollen drift,Verstaa je wel, ons eisch niet voort wil abordeeren,Zel ik op ’t Kapitool eens komen voltiseren.Want in een half uur tyds zel jy ’t belegerd zien.Daar zel, verstaa je wel, een plundering geschiên.Al.De raad, de burgery, en Ridderschap van RomenIs reeds vereenigd, om een bloedbad voor te komen.Weest dan gewaarschouwd. Legt de wapens liever neêr,Eer Romens burgery verschynt in haar geweer.Tum.Wel jonker Poddebaard, wy eisschen maar ons eigen,Wy schyten ons in jou, durf jy ons komen dreigen?Wy zyn niet eens vervaard of bang, verstaa je wel,Al moest men stormen op het voorburg van de hel.Al.Gy zyt gewaarschouwd. ’k Ben hier lang genoeg gebleven.Ik zal ’t verzegeld schrift den raaden overgeeven:Maar ’k raad het u nog eens, dat gy het leger scheidt;Want weest verzekerd, dat gy allen zyt misleid.

Albinus.Wie heeft in ’t leger hier het opperste gebied?Reb.Wel dat ben ik. Gelyk jy aan myn veldstaf ziet.Al.Wat reden hebt ge, om zo veel vrouwen te vergaêren?Reb.Eer ik, verstaa je wel, de reden wil verklaarenWil ik, begryp je wel, eerst weeten wie je bent.Al.Ik ben een afgezant, dien Romens raad hier zendt.Reb.Myn heer ambassadeur, we zellen jou verhooren.Al.Het komt den Roomschen raad byzonder vreemd te vooren,Dat zo veel’ vrouwen der Romeinen zyn vergaêrd.Zy eischen, dat gy daar de reden van verklaart.Reb.Ik heb, om dat ik juist niet leezen kan of schryven,Notaris Inktpot uit den naam der Roomsche wyven,Al wat wy willen, klaar doen stellen in geschrift.Zy geeft hem een gezegeld schrift over.Daar zyn de artykels. Zo den raad uit dollen drift,Verstaa je wel, ons eisch niet voort wil abordeeren,Zel ik op ’t Kapitool eens komen voltiseren.Want in een half uur tyds zel jy ’t belegerd zien.Daar zel, verstaa je wel, een plundering geschiên.Al.De raad, de burgery, en Ridderschap van RomenIs reeds vereenigd, om een bloedbad voor te komen.Weest dan gewaarschouwd. Legt de wapens liever neêr,Eer Romens burgery verschynt in haar geweer.Tum.Wel jonker Poddebaard, wy eisschen maar ons eigen,Wy schyten ons in jou, durf jy ons komen dreigen?Wy zyn niet eens vervaard of bang, verstaa je wel,Al moest men stormen op het voorburg van de hel.Al.Gy zyt gewaarschouwd. ’k Ben hier lang genoeg gebleven.Ik zal ’t verzegeld schrift den raaden overgeeven:Maar ’k raad het u nog eens, dat gy het leger scheidt;Want weest verzekerd, dat gy allen zyt misleid.

Albinus.Wie heeft in ’t leger hier het opperste gebied?Reb.Wel dat ben ik. Gelyk jy aan myn veldstaf ziet.Al.Wat reden hebt ge, om zo veel vrouwen te vergaêren?Reb.Eer ik, verstaa je wel, de reden wil verklaarenWil ik, begryp je wel, eerst weeten wie je bent.Al.Ik ben een afgezant, dien Romens raad hier zendt.Reb.Myn heer ambassadeur, we zellen jou verhooren.Al.Het komt den Roomschen raad byzonder vreemd te vooren,Dat zo veel’ vrouwen der Romeinen zyn vergaêrd.Zy eischen, dat gy daar de reden van verklaart.Reb.Ik heb, om dat ik juist niet leezen kan of schryven,Notaris Inktpot uit den naam der Roomsche wyven,Al wat wy willen, klaar doen stellen in geschrift.Zy geeft hem een gezegeld schrift over.Daar zyn de artykels. Zo den raad uit dollen drift,Verstaa je wel, ons eisch niet voort wil abordeeren,Zel ik op ’t Kapitool eens komen voltiseren.Want in een half uur tyds zel jy ’t belegerd zien.Daar zel, verstaa je wel, een plundering geschiên.Al.De raad, de burgery, en Ridderschap van RomenIs reeds vereenigd, om een bloedbad voor te komen.Weest dan gewaarschouwd. Legt de wapens liever neêr,Eer Romens burgery verschynt in haar geweer.Tum.Wel jonker Poddebaard, wy eisschen maar ons eigen,Wy schyten ons in jou, durf jy ons komen dreigen?Wy zyn niet eens vervaard of bang, verstaa je wel,Al moest men stormen op het voorburg van de hel.Al.Gy zyt gewaarschouwd. ’k Ben hier lang genoeg gebleven.Ik zal ’t verzegeld schrift den raaden overgeeven:Maar ’k raad het u nog eens, dat gy het leger scheidt;Want weest verzekerd, dat gy allen zyt misleid.

Albinus.Wie heeft in ’t leger hier het opperste gebied?

Reb.Wel dat ben ik. Gelyk jy aan myn veldstaf ziet.

Al.Wat reden hebt ge, om zo veel vrouwen te vergaêren?

Reb.Eer ik, verstaa je wel, de reden wil verklaaren

Wil ik, begryp je wel, eerst weeten wie je bent.

Al.Ik ben een afgezant, dien Romens raad hier zendt.

Reb.Myn heer ambassadeur, we zellen jou verhooren.

Al.Het komt den Roomschen raad byzonder vreemd te vooren,

Dat zo veel’ vrouwen der Romeinen zyn vergaêrd.

Zy eischen, dat gy daar de reden van verklaart.

Reb.Ik heb, om dat ik juist niet leezen kan of schryven,

Notaris Inktpot uit den naam der Roomsche wyven,

Al wat wy willen, klaar doen stellen in geschrift.

Zy geeft hem een gezegeld schrift over.

Daar zyn de artykels. Zo den raad uit dollen drift,

Verstaa je wel, ons eisch niet voort wil abordeeren,

Zel ik op ’t Kapitool eens komen voltiseren.

Want in een half uur tyds zel jy ’t belegerd zien.

Daar zel, verstaa je wel, een plundering geschiên.

Al.De raad, de burgery, en Ridderschap van Romen

Is reeds vereenigd, om een bloedbad voor te komen.

Weest dan gewaarschouwd. Legt de wapens liever neêr,

Eer Romens burgery verschynt in haar geweer.

Tum.Wel jonker Poddebaard, wy eisschen maar ons eigen,

Wy schyten ons in jou, durf jy ons komen dreigen?

Wy zyn niet eens vervaard of bang, verstaa je wel,

Al moest men stormen op het voorburg van de hel.

Al.Gy zyt gewaarschouwd. ’k Ben hier lang genoeg gebleven.

Ik zal ’t verzegeld schrift den raaden overgeeven:

Maar ’k raad het u nog eens, dat gy het leger scheidt;

Want weest verzekerd, dat gy allen zyt misleid.

Tumulta,Rebella,Furia, het leger.

Tumulta.Wat dunkt Rebella nu?Reb.Wy moeten ’t werk beginnen.Men ruk na ’t Kapitool.Tum.My schiet iets groots te binnen.Daar staat Metellus huis. ’k Weet dat die ouwe hondOok meê gestemd heeft in ’t vervloekte raads verbond.Men breng dan steenen aan om op het huis te donderen,En vall’ met alle macht zoo aanstonds aan het plonderen.Reb.’t Kan in passant geschiên. Wy volgen deezen raad.Tum.Spitszusters! haalt terstond de steenen uit de straat.Men loop na ’t magazyn, en haal daar sterke paalen.Reb.Het magazyn is toe, zo als ik hoor verhaalen.Furia,met steenen in de schoot.Daar zyn er al, mevrouw.Reb.Dat’s goed, deel die maar uit.Eenige wyven neemen elk een steen in de hand.Valt aan dan, plundert, en brengt ons terstond den buit.Je moogt van ’t huisraad of het geld in ’t minst niet steelen.Dat zullen wy daar na, heldinnen, met jou deelen.Zo als de wijven gereed staan, om steenen op de deur te smyten, komen Kalfurnia, Lavinia, en twee raadsheers vrouwen, gewapend als Amazoonen, met het blood zwaerd in de handen, uit het huis.

Tumulta.Wat dunkt Rebella nu?Reb.Wy moeten ’t werk beginnen.Men ruk na ’t Kapitool.Tum.My schiet iets groots te binnen.Daar staat Metellus huis. ’k Weet dat die ouwe hondOok meê gestemd heeft in ’t vervloekte raads verbond.Men breng dan steenen aan om op het huis te donderen,En vall’ met alle macht zoo aanstonds aan het plonderen.Reb.’t Kan in passant geschiên. Wy volgen deezen raad.Tum.Spitszusters! haalt terstond de steenen uit de straat.Men loop na ’t magazyn, en haal daar sterke paalen.Reb.Het magazyn is toe, zo als ik hoor verhaalen.Furia,met steenen in de schoot.Daar zyn er al, mevrouw.Reb.Dat’s goed, deel die maar uit.Eenige wyven neemen elk een steen in de hand.Valt aan dan, plundert, en brengt ons terstond den buit.Je moogt van ’t huisraad of het geld in ’t minst niet steelen.Dat zullen wy daar na, heldinnen, met jou deelen.Zo als de wijven gereed staan, om steenen op de deur te smyten, komen Kalfurnia, Lavinia, en twee raadsheers vrouwen, gewapend als Amazoonen, met het blood zwaerd in de handen, uit het huis.

Tumulta.Wat dunkt Rebella nu?Reb.Wy moeten ’t werk beginnen.Men ruk na ’t Kapitool.Tum.My schiet iets groots te binnen.Daar staat Metellus huis. ’k Weet dat die ouwe hondOok meê gestemd heeft in ’t vervloekte raads verbond.Men breng dan steenen aan om op het huis te donderen,En vall’ met alle macht zoo aanstonds aan het plonderen.Reb.’t Kan in passant geschiên. Wy volgen deezen raad.Tum.Spitszusters! haalt terstond de steenen uit de straat.Men loop na ’t magazyn, en haal daar sterke paalen.Reb.Het magazyn is toe, zo als ik hoor verhaalen.Furia,met steenen in de schoot.Daar zyn er al, mevrouw.Reb.Dat’s goed, deel die maar uit.Eenige wyven neemen elk een steen in de hand.Valt aan dan, plundert, en brengt ons terstond den buit.Je moogt van ’t huisraad of het geld in ’t minst niet steelen.Dat zullen wy daar na, heldinnen, met jou deelen.Zo als de wijven gereed staan, om steenen op de deur te smyten, komen Kalfurnia, Lavinia, en twee raadsheers vrouwen, gewapend als Amazoonen, met het blood zwaerd in de handen, uit het huis.

Tumulta.Wat dunkt Rebella nu?

Reb.Wy moeten ’t werk beginnen.

Men ruk na ’t Kapitool.

Tum.My schiet iets groots te binnen.

Daar staat Metellus huis. ’k Weet dat die ouwe hond

Ook meê gestemd heeft in ’t vervloekte raads verbond.

Men breng dan steenen aan om op het huis te donderen,

En vall’ met alle macht zoo aanstonds aan het plonderen.

Reb.’t Kan in passant geschiên. Wy volgen deezen raad.

Tum.Spitszusters! haalt terstond de steenen uit de straat.

Men loop na ’t magazyn, en haal daar sterke paalen.

Reb.Het magazyn is toe, zo als ik hoor verhaalen.

Furia,met steenen in de schoot.

Daar zyn er al, mevrouw.

Reb.Dat’s goed, deel die maar uit.

Eenige wyven neemen elk een steen in de hand.

Valt aan dan, plundert, en brengt ons terstond den buit.

Je moogt van ’t huisraad of het geld in ’t minst niet steelen.

Dat zullen wy daar na, heldinnen, met jou deelen.

Zo als de wijven gereed staan, om steenen op de deur te smyten, komen Kalfurnia, Lavinia, en twee raadsheers vrouwen, gewapend als Amazoonen, met het blood zwaerd in de handen, uit het huis.

Kalfurnia,Lavinia, twee Raadsheers vrouwen,Rebella,Tumulta,Furia, en de voorgaande vrouwen.

Kalfurnia.Houdt op! wat gaat u aan! wat wilt gy doen, vriendinnen?Myn man heeft gansch geen schuld. Denkt dat wy u beminnen.Weet dat ik de oorzaak ben, dat gy gewapend zyt.’k Heb u gewaarschouwd; want het waar me een bittre spyt,Zo ik een tweede vrouw moest in myn huis ontfangen.Lav.Al de eedle vrouwen zyn met u in één belangen.’t Raakt ons, zo wel als u, te zorgen voor onze eer;Daarom verschynen wy by u met ons geweer.Reb.Zo voegt gy u by ons, doorluchte Roomsche vrouwen!Kal.Gy moogt op onze hulp, vriendinnen, u vertrouwen.Wy zyn ruim honderd sterk.Kalfurnia,Lavinia,en de twee andere raadsheers vrouwen leggen de zwaerden kruisling over malkander.Wy zweeren Numaas wet,Te volgen tot den dood! en in ons echte bedGeen tweede vrouw, ten spyt der mannen, te gedoogen:Maar voor het vrouwlyk recht te stryden naar vermogen.Reb.Weest welkom in het heir! wie had dit ooit gedacht!Kal.Nu moet men ’t Kapitool beleegren, onverwacht.Wy zullen voor het hoofd van ’t vrouwen leger trekken,En u voor d’ aanval van de jonge heeren dekken,Die in het veld van Mars te samen zyn geschaard,Om, als de raad het eischt, op ’t brieschend oorlogs paardTe vallen in dit heir: het welk men voor kan komen,Als zy hunn’ moeders, de heldinnen van ons Romen,Aan ’t hoofd van ’t leger zien, dan zullen zy gewisNiets onderneemen, dat voor ons gevaarlyk is.Reb.Ik wil den legerstaf dan aan u overgeeven.Als Kalfurnia den Veldheers staf aangenomen heeft, schreeuwen alle de vrouwen, en mannen.Lang moet Kalfurnia met de eedle vrouwen leeven!Kal.Men stel zich in ’t gelid, en volg ons daar wy gaan.Men zal by ’t Kapitool het leger nederslaan.Kalfurnia, met de speelende muzikanten vooruit, worden van alle de anderen in dezelfde order gevolgd, als zy op het tooneel gekomen zyn.

Kalfurnia.Houdt op! wat gaat u aan! wat wilt gy doen, vriendinnen?Myn man heeft gansch geen schuld. Denkt dat wy u beminnen.Weet dat ik de oorzaak ben, dat gy gewapend zyt.’k Heb u gewaarschouwd; want het waar me een bittre spyt,Zo ik een tweede vrouw moest in myn huis ontfangen.Lav.Al de eedle vrouwen zyn met u in één belangen.’t Raakt ons, zo wel als u, te zorgen voor onze eer;Daarom verschynen wy by u met ons geweer.Reb.Zo voegt gy u by ons, doorluchte Roomsche vrouwen!Kal.Gy moogt op onze hulp, vriendinnen, u vertrouwen.Wy zyn ruim honderd sterk.Kalfurnia,Lavinia,en de twee andere raadsheers vrouwen leggen de zwaerden kruisling over malkander.Wy zweeren Numaas wet,Te volgen tot den dood! en in ons echte bedGeen tweede vrouw, ten spyt der mannen, te gedoogen:Maar voor het vrouwlyk recht te stryden naar vermogen.Reb.Weest welkom in het heir! wie had dit ooit gedacht!Kal.Nu moet men ’t Kapitool beleegren, onverwacht.Wy zullen voor het hoofd van ’t vrouwen leger trekken,En u voor d’ aanval van de jonge heeren dekken,Die in het veld van Mars te samen zyn geschaard,Om, als de raad het eischt, op ’t brieschend oorlogs paardTe vallen in dit heir: het welk men voor kan komen,Als zy hunn’ moeders, de heldinnen van ons Romen,Aan ’t hoofd van ’t leger zien, dan zullen zy gewisNiets onderneemen, dat voor ons gevaarlyk is.Reb.Ik wil den legerstaf dan aan u overgeeven.Als Kalfurnia den Veldheers staf aangenomen heeft, schreeuwen alle de vrouwen, en mannen.Lang moet Kalfurnia met de eedle vrouwen leeven!Kal.Men stel zich in ’t gelid, en volg ons daar wy gaan.Men zal by ’t Kapitool het leger nederslaan.Kalfurnia, met de speelende muzikanten vooruit, worden van alle de anderen in dezelfde order gevolgd, als zy op het tooneel gekomen zyn.

Kalfurnia.Houdt op! wat gaat u aan! wat wilt gy doen, vriendinnen?Myn man heeft gansch geen schuld. Denkt dat wy u beminnen.Weet dat ik de oorzaak ben, dat gy gewapend zyt.’k Heb u gewaarschouwd; want het waar me een bittre spyt,Zo ik een tweede vrouw moest in myn huis ontfangen.Lav.Al de eedle vrouwen zyn met u in één belangen.’t Raakt ons, zo wel als u, te zorgen voor onze eer;Daarom verschynen wy by u met ons geweer.Reb.Zo voegt gy u by ons, doorluchte Roomsche vrouwen!Kal.Gy moogt op onze hulp, vriendinnen, u vertrouwen.Wy zyn ruim honderd sterk.Kalfurnia,Lavinia,en de twee andere raadsheers vrouwen leggen de zwaerden kruisling over malkander.Wy zweeren Numaas wet,Te volgen tot den dood! en in ons echte bedGeen tweede vrouw, ten spyt der mannen, te gedoogen:Maar voor het vrouwlyk recht te stryden naar vermogen.Reb.Weest welkom in het heir! wie had dit ooit gedacht!Kal.Nu moet men ’t Kapitool beleegren, onverwacht.Wy zullen voor het hoofd van ’t vrouwen leger trekken,En u voor d’ aanval van de jonge heeren dekken,Die in het veld van Mars te samen zyn geschaard,Om, als de raad het eischt, op ’t brieschend oorlogs paardTe vallen in dit heir: het welk men voor kan komen,Als zy hunn’ moeders, de heldinnen van ons Romen,Aan ’t hoofd van ’t leger zien, dan zullen zy gewisNiets onderneemen, dat voor ons gevaarlyk is.Reb.Ik wil den legerstaf dan aan u overgeeven.Als Kalfurnia den Veldheers staf aangenomen heeft, schreeuwen alle de vrouwen, en mannen.Lang moet Kalfurnia met de eedle vrouwen leeven!Kal.Men stel zich in ’t gelid, en volg ons daar wy gaan.Men zal by ’t Kapitool het leger nederslaan.Kalfurnia, met de speelende muzikanten vooruit, worden van alle de anderen in dezelfde order gevolgd, als zy op het tooneel gekomen zyn.

Kalfurnia.Houdt op! wat gaat u aan! wat wilt gy doen, vriendinnen?

Myn man heeft gansch geen schuld. Denkt dat wy u beminnen.

Weet dat ik de oorzaak ben, dat gy gewapend zyt.

’k Heb u gewaarschouwd; want het waar me een bittre spyt,

Zo ik een tweede vrouw moest in myn huis ontfangen.

Lav.Al de eedle vrouwen zyn met u in één belangen.

’t Raakt ons, zo wel als u, te zorgen voor onze eer;

Daarom verschynen wy by u met ons geweer.

Reb.Zo voegt gy u by ons, doorluchte Roomsche vrouwen!

Kal.Gy moogt op onze hulp, vriendinnen, u vertrouwen.

Wy zyn ruim honderd sterk.

Kalfurnia,Lavinia,en de twee andere raadsheers vrouwen leggen de zwaerden kruisling over malkander.

Wy zweeren Numaas wet,

Te volgen tot den dood! en in ons echte bed

Geen tweede vrouw, ten spyt der mannen, te gedoogen:

Maar voor het vrouwlyk recht te stryden naar vermogen.

Reb.Weest welkom in het heir! wie had dit ooit gedacht!

Kal.Nu moet men ’t Kapitool beleegren, onverwacht.

Wy zullen voor het hoofd van ’t vrouwen leger trekken,

En u voor d’ aanval van de jonge heeren dekken,

Die in het veld van Mars te samen zyn geschaard,

Om, als de raad het eischt, op ’t brieschend oorlogs paard

Te vallen in dit heir: het welk men voor kan komen,

Als zy hunn’ moeders, de heldinnen van ons Romen,

Aan ’t hoofd van ’t leger zien, dan zullen zy gewis

Niets onderneemen, dat voor ons gevaarlyk is.

Reb.Ik wil den legerstaf dan aan u overgeeven.

Als Kalfurnia den Veldheers staf aangenomen heeft, schreeuwen alle de vrouwen, en mannen.

Lang moet Kalfurnia met de eedle vrouwen leeven!

Kal.Men stel zich in ’t gelid, en volg ons daar wy gaan.

Men zal by ’t Kapitool het leger nederslaan.

Kalfurnia, met de speelende muzikanten vooruit, worden van alle de anderen in dezelfde order gevolgd, als zy op het tooneel gekomen zyn.

Einde van het tweede Bedryf.


Back to IndexNext