Hij deed het hok aan den achterkant open. Nel en Jo keken nieuwsgierig naar binnen. Daar zagen, ze in een wollig nestjevijf jonge konijntjes liggen. Vier er van waren grijsbont, maar 't vijfde was spierwit. Klaas legde z'n pet op den grond en vlijde de beestjes er in. Maar het witje nam hij in z'n handen.
„Kijk eens, wat een mooi velletje; en wat een mooie oogen. Zie je wel, dat ze rood zijn?”
„Och, wat snoezige diertjes”, riep Nel.
Jo zei niets. Maar z'n oogen schitterden.
„Heb je wel eens mooier gezien?” vroeg Klaas met trots.
„Nee, nooit”, zei Jo.
Hij streek met z'n vingers over 't donzige kopje en lichtte de fijne oortjes even op.
„Ik wou, dat ik er ook zoo een had.”
„Ik wil het toch niet missen”, zei Klaas.
Dat begrepen Jo en Nel best.
„Maar dit zijn toch ook lieve diertjes”, zei Nel. „Kijk ze eens bij mekaar kruipen. Ze worden koud.”
Daar kwam nog een kijkster aan. 't Was een leuk meisje met aardige krulletjes. Die vielen over haar rug heen; net allemaal kurketrekkertjes.
„Zeg Kee, ze zijn al weer gegroeid”, riep Klaas.
„Wie is dat?” vroeg Nel.
„Dat is Kee; ken je Kee niet? Die woont hiernaast, in dat huis.”
Het meisje zei niets, maar ze keek de drie kinderen met vriendelijke oogjes aan.
Eindelijk legde Klaas de konijnen weer in d'r nestje en sloot het hok.
„Over veertien dagen zijn ze groot”, zei hij. „Dan kunnen ze bij de oude vandaan.—Zullen we nou spelen?”
Jo en Nel wilden graag, maar ze moesten 't even thuis vragen.
Nu, pa en moe vonden het goed, dat ze kennis maakten met d'r buurtjes.
„Maar om half zes thuis wezen, hoor; anders vind je den hond in den pot. En weest voorzichtig!”
„Ja moe”, riepen de twee kinderen en weg vlogen ze.
Een poosje later was de pret in vollen gang.
Twee jongens en twee meisjes liepen zoo hard ze konden om de beide kleine huisjes heen. Ze deden tikkertje.
Klaas trok z'n klompen uit, dan kon hij harder loopen. Nu kon Jo hem niet tikken.
„Loop ook op je kousen”, zei Klaas.
„Ik weet niet, of het wel mag; in Amsterdam deed ik het nooit”, antwoordde Jo.
„O, 't gras is zoo zacht; 't doet heelemaal geen pijn, als je er over loopt.”
Jo wou toch de schoenen maar niet uittrekken.
„Durf je niet?” vroeg Klaas.
„O, zeker wel.”
„Nou, doe het dan! Anders zeg ik, dat je niet durft.”
Ja, nu moest Jo z'n moed wel toonen.
Hij maakte de veters los en even later.... daar sprong hij heen. Wat liep dat leuk; zoo licht, zoo gemakkelijk!
En het mooiste was: nu kon hij harder loopen dan Klaas.
Toen Nel zag, dat Jo op z'n kousen liep, zei ze: „Dat mag je niet doen.”
„'t Hindert ook wat; we doen 't hier allemaal”, zei Klaas.
„Ik doe straks m'n schoenen weer aan”, dacht Jo. „Moe ziet er toch niets van.”
Maar dat kwam anders uit.
Want toen het half zes was, kon Jo z'n schoenen niet aan de voeten krijgen. Die waren door de warmte veel te veel gezwollen. En de schoenen waren niet ruim.
Hoe nu?
Een poosje later keerde Nel naar huis terug. Achter haar liep Jo met z'n schoenen in de hand. Hij hoopte, dat moe hem niet zou zien; dan zou hij vlug een paar pantoffels aantrekken.
Maar moe zag hem wel.
„Wat is dat?” zei ze verwonderd.
Jo vertelde, wat er gebeurd was.
„'t Is wat moois”, mopperde moe. „Laat je kousen eens zien!”
Jo tilde z'n eenen voet op; hij schrok zelf van 't geen hij zag.
Onder den voet zat een dikke laag groenachtige modder.
Vijf minuten later zat hij met z'n voeten in 't bad en een paar schoone kousen lagen naast hem.
En voor hem stond z'n moeder en zei streng: „'t Mag volstrekt niet weer gebeuren, hoor!”
„Nee moe”, zei Jo.
En z'n stem klonk wel een beetje benauwd.
Jo en Nel voelden zich al gauw thuis in Breedega.
Ze konden het met de andere schoolkinderen best vinden. Maar groote vrienden werden ze met hun buurtjes: Klaas en Kee. Na veertien dagen zag men Jo nooit zonder Klaas en Nel nooit zonder Kee. En heel vaak waren ze met d'r vieren.
Een van de grootste schooljongens had een aardigen naam voor hen gevonden.
„Kijk”, zei hij op een keer, „daar komt „dubbele twee” ook weer aan.”
Alle kinderen, die 't hoorden, lachten.
En na dien tijd noemden ze ons viertal altijd „dubbele twee.”
Het was een gepaste naam, nietwaar?
Klaas leidde Jo overal rond. Na korten tijd kende de stedeling niet alleen het dorp, maar ook de omgeving. Vooral de bosschen en het water vond hij mooi. En de weilanden ook met al die kleurige bloemen, en de akkers....
Och, eigenlijk vond hij alles mooi. En hij vond het erg aardig, dat Klaas hem zooveel liet zien en hem zooveel vertelde.
Maar Klaas fopte hem ook wel eens!
Op een middag waren ze een weiland ingegaan. Daarin liep het schaap, dat toebehoorde aan den vader van Klaas. Maar dat vertelde de guit niet.
„Wacht”, dacht hij, „nu zullen we eens een grap hebben.”
Hij en Jo liepen een heel eind de weide in. Eindelijk waren ze dicht bij het schaap gekomen. Het dier herkende Klaas en kwam naar de jongens toe.
Toen deed Klaas, alsof hij vreeselijk bang werd.
„Help, help”, schreeuwde hij, en meteen zette hij het op een loopen.
Jo werd zoo verschrikt, dat hij z'n vriend op een draf volgde.
„Loop”, schreeuwde Klaas; „als het je pakt....”
Jo rilde en versnelde z'n vaart.
Het schaap liep achter de jongens aan.
„Bê, bê”, riep het. Net of 't zeggen wou: „Maar wacht dan toch eens eventjes.”
„Loop, daar komt het aan”, schreeuwde Klaas. Och, och, wat repten de jongens hun beenen. 't Was precies, of Jo nu veel harder kon loopen dan z'n vriend. Hij raakte voor, al meer en meer. Maar hij had geen tijd om eventjes om te zien.
Daardoor merkte hij niet, dat Klaas stil bleef staan, en toen lekkertjes in het gras ging liggen.
't Leek grappig, zooals Jo vluchtte. Klaas moest er hartelijk om lachen. Kijk eens aan, hij liep maar door.
Eindelijk meende Jo, dat hij 't gevaar ontkomen was.
Hij draaide zich om en—, daar begreep hij niets van. Hij zag z'n vriend liggen en 't schaap stond naast hem.
„Ben je gevallen”, schreeuwde hij. „Bijt het ook?”
Klaas stond op en danste als een dolle om het schaap heen. Allerlei vreemde geluiden stootte hij uit.
„Wat mankeert dien jongen toch?” dacht het dier zeker. Het werd bang en maakte, dat het weg kwam.
„Hoera”, schreeuwde Klaas, „de vijand vlucht.”
Toen rolde hij opnieuw onderst-boven en lachte, dat zijn wangen paars werden.
„Ik heb 't gewonnen, de vijand is verslagen”, riep hij.
Eindelijk stond hij op en ging naar Jo toe.
„Hè”, zei Jo, „ik was zoo bang, dat het je kwaad zou doen. Viel je?”
„Ja”, antwoordde Klaas met een ernstig gezicht. „Maar heb je wel gezien, dat ik het aandurfde? Ik ben nergens bang voor.”
Jo kreeg grooten eerbied voor zijn vriend. Maar toen hij later merkte, dat die hem zoo mooi gefopt had, dacht hij: „Wacht maar, mannetje. Leer om leer; pak je mij, ik pak je weer.”
Den volgenden dag ging Klaas naar Jo. Hij was nu volstrekt niet meer bang voor meneer Veenhof, ook niet al had die een wit vest aan. En de moe van Jo vond hij erg aardig. Bijna geen dag ging voorbij, of Klaas kwam op „de villa”, zooals hij en Kee de woning van hun buren noemden.
Eerst hadden de twee kinderen met groote oogen alles bezien. Wat een mooie stoelen, en wat een pracht van een tafel! En dan die vloerkleeden en die gordijnen! Ze waren er stil van geworden.
Maar nu waren ze daaraan al gewend en Klaas was even luidruchtig als Jo; en Kee babbelde niet minder hard dan Nel.
„De ooren tuiten me d'r van”, zei meneer Veenhof soms.
„Levenmakers”, riep hij, „wil je eens wat stil wezen!”
Dan stond hij op en liep op een draf achter de kinderen aan, de kamer uit, de gang door, den tuin in.
En dan zat mevrouw in een gemakkelijken stoel voor 't open raam en lachte hartelijk.
Ze begon zich al wat beter te gevoelen; ze was opgeruimder geworden, en dat is voor een zieke al heel wat waard.
Nu was Klaas dan weer bij Jo.
Ze speelden samen wat in den tuin, en plaagden toen Nel een beetje.
Maar die had er niet veel aardigheid aan.
„Laat me met rust, plaaggeesten”, riep ze. Maar de plaaggeesten lieten haar niet met rust. En toen ging Nel naar de kamer, waarin moe zat. Want ze was bezig met een handwerkje en dat moest af; het mòest.
„Wat zullen we nou doen?” vroeg Klaas.
Daar schoot Jo plotseling wat in de gedachten. Klaas had hem gisteren gefopt; wacht eens eventjes....
„Heb je onzen bedotter al gezien?” vroeg hij.
„Jullie bedotter?! Wat is dat voor een ding?” vroeg Klaas verwonderd.
Jo sloeg de handen in elkaar.
„Of ken je nog geen bedotter”, riep hij uit.
„Nee, wat is dat dan?”
„Bij ons in Amsterdam zijn er wie weet hoeveel. En hier bij jullie geen een? Ik kan 't haast niet gelooven. Maar we hebben er een meegebracht. Wil je hem eens zien?”
„Graag”, zei Klaas.
„Nou, kom dan maar!”
Jo liep naar binnen; Klaas volgde hem.
In een van de kamers stond een pendule. Het klokje werd gedragen door een man, een reus.
„Daar staat hij”, zei Jo.
„Dat? Nou, dat is een klok!”
„Maar geen gewone, mannetje! Zie je dien reus?”
„Ja, wat zou die?”
„Als die de klok hoort slaan, draait hij z'n hoofd om.”
Daar hoorde Klaas verwonderd van op.
„Is dat waar?” vroeg hij.
„Zoo waar, zoo waar, als....”
„Nou, als....”
„Net zoo waar, als dat twee keer twee vier is.”
Dat was erg waar, vond Klaas.
„Wil je 't zien?” vroeg Jo.
„Graag, hoor!”
„Laten we dan tien minuten wachten; dan slaat de klok.”
De jongens gingen zitten. Klaas keek met groote pogen naar het uurwerk. De wijzers gingen hem veel te langzaam.
Jo bleef niet lang zitten.
„Ik moet even weg; ik kom gauw terug”, zei hij.
En meteen stoof hij de deur uit, want hij moest eens uitproesten.
„O, moe, o, Nel”, riep hij in de andere kamer. „Wat heb ik Klaas nou mooi te pakken!”
En toen vertelde hij, hoe z'n vriendje er op zat te wachten, dat Atlas zijn hoofd draaide.
„Hoe kom je er bij, jongen”, lachte moe.
„Nou, moe; hij heeft mij gisteren ook zoo voor 't lapje gehouden. Ga je mee kijken, Nel?”
Natuurlijk ging Nel mee.
Op de teenen slopen ze naar de andere kamer en keken door de reet tusschen deur en kozijn.
Klaas zat maar geduldig te wachten.
„Nog eventjes”, hoorden Jo en Nel hem zeggen.
Daar sloeg de klok: een—twee—drie—vier—
Klaas schrok er haast van, al had hij er ook op zitten wachten.
„Pas op”, dacht hij, „nou komt het.”
Maar er gebeurde niets. Atlas bleef even krom staan als te voren en z'n hoofd bleef onbeweeglijk.
Mopperend gleed Klaas van den stoel.
„D'r is niks van an”, zei hij, en meteen stapte hij de gang in.
En toen had je de pret!
Jo en Nel gierden het uit van lachen.
„Gekken”, zei Klaas, „waarom lach je zoo?”
„Om jou.... om dien mooien bedotter.... Vond je hem niet prachtig.... Ja, mannetje, leer om leer, fop je mij....”
Klaas begreep het nog niet. En Jo en Nel lieten hem even wijs. Maar toen de jongen 's avonds aan z'n vader en moeder en de andere huisgenooten de geschiedenis vertelde,toen....Ja, toen begreep hij, wie eigenlijk een bedotter was.
Atlas niet, maar......
Dat je mekaar eens fopt, dat mag;Maar laat het foppen blijven!Nooit moet je scherts, hoe grappig ook,Tot spot gaan overdrijven.Wat als een ander jou bespot,Om jou luid staat te schaat'ren,En jij haast huilt.... zeg, wou je 'm danNiet om z'n ooren klaat'ren?Maar fopt een ander jou soms fijn,—Zoo'n echte, slimme rakker,—Kijk dan niet zuur, lach mee, en denk:„Pas op, baas, blijf maar wakker!Jij pakte mij, ik pak jou weer,Daar kun jij op vertrouwen;Is 't heden niet, dan morgen vast;Ik zal jou naam onthoûen.”Dat je mekaar voor 't lapje houdt,Wie zal daar over vitten?Wie zal niet graag, om mee te doen,In jullie kring gaan zitten?Maar eerlijk moet je altijd zijn,Ook bij het grappigst plagen;Want spot,—je weet het drommels goed,—Doet vaak méér pijn dan slagen.
Dat je mekaar eens fopt, dat mag;Maar laat het foppen blijven!Nooit moet je scherts, hoe grappig ook,Tot spot gaan overdrijven.Wat als een ander jou bespot,Om jou luid staat te schaat'ren,En jij haast huilt.... zeg, wou je 'm danNiet om z'n ooren klaat'ren?
Maar fopt een ander jou soms fijn,—Zoo'n echte, slimme rakker,—Kijk dan niet zuur, lach mee, en denk:„Pas op, baas, blijf maar wakker!Jij pakte mij, ik pak jou weer,Daar kun jij op vertrouwen;Is 't heden niet, dan morgen vast;Ik zal jou naam onthoûen.”
Dat je mekaar voor 't lapje houdt,Wie zal daar over vitten?Wie zal niet graag, om mee te doen,In jullie kring gaan zitten?Maar eerlijk moet je altijd zijn,Ook bij het grappigst plagen;Want spot,—je weet het drommels goed,—Doet vaak méér pijn dan slagen.
Klaas en Jo konden het best met elkaar vinden, dat weten we; maar Kee en Nel niet minder. Die hadden te zamen al heel wat gewandeld en al heel wat bekeken. En ook hadden ze te zamen al grappige avontuurtjes beleefd.
Hoort maar eens.
Kee had een muis. 't Was geen echte; neen, 't was er een van hout en ze had oogjes, die kralen waren. Die muis had vroeger kunnen springen, maar dat kon ze nu niet meer.
„'t Lijkt precies”, zei Nel; „hoe kom je er aan?”
„Van vader gekregen, toen ik jarig was.”
„Schrok je niet, toen je ze kreeg?”
„Wel nee, ik ben niet bang voor een muis.”
„Nou, ik wel hoor! En Dina dan; die is er zoo bang voor, als.... als...., nog erger dan ik.”
Toen kwam Nel wat grappigs in den zin.
„Zeg, weet je wat we moesten doen?” riep ze.
„Nee; wat dan?”
„Dina bang maken. Dan zetten we de muis in de keuken op de tafel en als Dien dan komt....”
„Ja, laten we dat doen”, zei Kee.
En weet je, wat de beide schelmen nu deden? Ze bonden een zwarten draad om den kop van het houten muisje, en zetten het zoo op de tafel. De draad ging onder 't openstaande raam door naar buiten. En daar, beneden het kozijn, lagen Nel en Kee te luisteren.
Korten tijd daarna kwam Dina de keuken binnen. Ze liep naar de tafel en....
„O!” schreeuwde ze opeens.
En meteen sprong ze wel drie meter achteruit.
„Wat is dat? Een muis? Foei, foei!”
Het muisje bleef onbeweeglijk zitten. Daardoor werd Dina een beetje moediger.
„Kss, kss, kss”, riep ze.
Maar het diertje ging niet op de vlucht.
„Wat een brutale muis”, dacht Dina.
Ze nam den stoffer en zwaaide er mee. 't Gaf niets.
Toen sloeg ze er mee op den vloer, maar de muis bleef zitten.
Eindelijk trommelde Dina zelfs op het vuilnisblik, maar niets baatte.
„Kss, kss, kss,” riep ze nog eens.
Nel en Kee hadden pret voor zes. Maar Dina begreep er niets van. Ze sloeg de rokken stijf om haar beenen en toen deed ze een stap vooruit, en toen nog een halven stap.
„Kss, kss, weg dan toch,” riep ze.
De muis keek haar met glinsterend zwarte oogjes stilletjes aan.
„Naar dier, vooruit, of ik sla je dood,” riep Dina.
Ze wist zelf wel, dat ze het toch niet durfde doen. Maar ze dacht: „Nou zal ze wel schrikken.”
Maar het muisje schrok niet.
Dina deed nog een stap vooruit, en toen...... rrtts......
Daar sprong de muis een heel eind weg.
„Help, help, mevrouw, mevrouw.... een muis....!”
Dina vloog de keuken uit, de gang door, de kamer in.
„Een muis”.... hijgde ze, „een muis....”
„Kom, kom, ze bijt je niet,” zei mevrouw. „Waar is het diertje?”
„In de keuken, mevrouw..... het zat op de tafel..... En het sprong in eens op me aan en wou me bijten....”
Dina's beenen trilden nog van den schrik.
„Ik zal eens even gaan kijken,” zei mevrouw.
„Wat is mevrouw toch dapper,” dacht Dina. Ze liep achter haar meesteres aan naar de keuken toe.
En toen ze daar kwam....
Daar stond mevrouw te lachen, en Nel lachte, en Kee lachte....
En de beide meisjes riepen: „Sliep uit, sliep uit!”
„O jullie deugnieten,” zei Dina. „Ik zal....”
Maar ze was nog niet eens uitgesproken, toen ze schreeuwde:
„O, nòg een, nòg een! Kijk eens....!”
Op een drafje liep ze naar buiten, en Nel....?
Wel die liep achter haar aan en schreeuwde even hard:
„Help, help, een muis!”
Want terwijl ze Dina stond uit te lachen, holde er eensklaps een muisje over den vloer.
En dat was nu geen houten, maar een van vleesch en bloed.
„Help, help, een muis....” schreeuwden de twee heldinnen buiten de deur.
Maar mevrouw Veenhof en Kee bleven rustig staan en lachten en riepen: „Sliep uit, sliep uit!”
„Zeg, Jo, ga je mee?” riep Klaas over de heg heen.
„Waarheen?”
„Ik moet even een boodschap doen voor moe. Toe, ga mee, 't is maar een kwartiertje loopen.”
„Ik zit in Dik Trom te lezen; 't is zoo mooi,” riep Jo terug. Eigenlijk wou hij wel graag blijven lezen. Maar Klaas liet hem niet met rust.
„Je kunt immers vanmiddag wel verder lezen,” zei hij. „Toe, ga nou mee! Misschien vinden we ook nog wel een vogelnest.”
„Weet je er een?”
Jo flapte het boek dicht. Een nest! Dat wou hij graag zien!
„Nee, maar er zijn er genoeg.”
„Ik ga mee, hoor!”
„Mag ik ook mee?” vroeg Nel.
Jo keek naar Klaas, en Klaas keek naar Jo.
„Om mij wel,” zei de eerste eindelijk.
„Om mij ook wel,” zei de andere.
„Dan ga ik Kee vragen, of ze ook mee gaat,” riep Nel.
Jo en Nel vroegen moe, of ze met Klaas mee mochten, en moe vond het goed.
Een poosje later waren de vier kinderen al op weg.
„Dubbele twee,” riep Jan Bos, een jongen uit de vierde klasse.
„Dubbele twee,” riep Piet Boers, z'n kameraad.
„Komt maar hier,” riep Klaas, en hij stak z'n vuist in de hoogte.
Daar moesten Jan en Piet niets van hebben. Ze staken even d'r tong uit en toen maakten ze, dat ze weg kwamen.
„Dat zijn een paar echte flauwerds!” zei Klaas.
Het viertal verliet weldra den straatweg en sloeg een zandpad in. Dat volgden ze een heel eind en toen moesten ze door een boschje. En daarna gingen ze langs een heel smal paadje, waar ze achter elkaar moesten loopen. Eindelijk had Klaas de woning bereikt, waarheen z'n moeder hem met een boodschap had gezonden. Jo en Nel en Kee bleven achter, terwijl hun vriendje op een drafje naar het kleine boerderijtje liep. Geen vijf minuten later was de jongen reeds terug.
„En nou gaan we naar het boschje; daar kunnen we heerlijk spelen,” riep hij.
„Ja, ja,” zei Kee, „je kunt je daar zoo fijn verschuilen. Verstoppertje, dat ken jelui toch wel?”
Of Jo en Nel het kenden! Maar in zoo'n boschje zou het nog eens echt zijn; zij hadden zich nooit beter kunnen verschuilen dan achter een stoel of in een kast.
't Was wel heet, maar toch liepen de vier kinderen op een draf naar het koele boschje. Maar voor ze begonnen te spelen, wilden ze eerst even op het mos uitrusten.
Weldra lagen ze languit onder een eik, die nog heel jonge blaadjes had.
„Kijk,” riep Klaas ineens, „daar zit een gat in den stam. Daar kan best een nest in zitten.”
Hij stond op en Jo eveneens. Klaas nam een stok en sloeg tegen den stam: klets, klets, klets....
„Rrrrrrr,” ging het plotseling en een musch vloog uit het gat.
„Zag je dat?” schreeuwde Jo. „D'r zit vast een nest in. Zullen we eens kijken?”
Hij beproefde in den boom te klimmen, maar dat kunstje kende hij niet. Telkens gleed hij onderuit. Wel duwde Klaas hem op, maar 't gaf niet genoeg.
„Laat mij eens probeeren,” zei Klaas.
Hij sloeg z'n beenen om den stam en daar ging hij langzaam omhoog. Eindelijk was z'n gezicht voor het nest.
„Er liggen eitjes in,” schreeuwde hij. Maar meteen gleed hij naar beneden, want hij kon zich niet langer vasthouden.
„Hoeveel?” riepen de drie andere kinderen.
„Dat weet ik niet; maar ik geloof wel een stuk of zes.”
Het gezicht van Jo glom van vreugde.
„Hoe krijgen we ze d'r uit?” vroeg hij.
„Ga maar staan, zóó, met je rug tegen den boom. En dan je handen vouwen, zóó!” riep Klaas.
Jo deed het, en nu zette Klaas z'n eenen voet in de samengevouwen handen; daarna ging de tweede op Jo's schouder en toen de eerste ook.
„Kun je me dragen?”
„O, best hoor!”
Klaas keek nu in 't gat.
„Zeven eitjes,” riep hij.
„Haal ze d'r uit,” zei Kee.
„Ja, toe, haal ze d'r uit,” zei Nel.
„Piet, tjiet—piet, tjiet,” smeekte het muschje. Het borstje van het vogeltje ging snel op en neer. Maar geen van het viertal, die het zag.
„Piet, tjiet—piet, tjiet,” bad het diertje. Maar de kinderen verstonden de vogeltaal niet.
En toch was die taal zoo gemakkelijk te verstaan; want hetwas dezelfde, die de moeders van de vier kinderen spraken.
„Piet, tjiet—piet, tjiet....!”
Arm moedertje, je bidt tevergeefs; wat geven deze kinderen om jou liefde! Jij bent maar een musch, maar een klein dier, begrijp je dat!
„M'n hand is te dik; ze kan er niet in,” riep Klaas naar beneden.
„Och, wat jammer,” zei Nel.
„Zal ik eens probeeren?” vroeg Jo. „Misschien zijn mijn handen wel kleiner dan die van jou.”
Klaas klauterde naar beneden en toen vergeleken de jongens hun handen.
„Zie je wel, de mijne zijn kleiner! Ga jij nou eens staan!”
„Goed,” en Klaas steunde met z'n rug tegen den boom. Even later stond Jo voor het gat. Het was toch erg klein, hoor! De jongen wrong en wrong...., ha, daar ging z'n hand.
„Ik ben d'r in,” juichte hij, „en ik voel de eitjes!”
„Pas op, knijp ze niet kapot: ze zijn zoo teer,” riep Klaas.
Jo nam een paar eitjes uit het nest en wou z'n hand om hoog trekken. Maar dat ging niet.
„Nou kan mijn hand ook niet door de opening,” zei hij.
Hij liet een eitje vallen, maar de vuist was nog te dik.
„Ben je haast klaar?” riep Klaas. „Je hebt je schoenen aan de voeten gehouden en die doen me zeer op m'n schouders.”
Opnieuw liet Jo een eitje vallen. Nu had hij nog één in de hand. En nog was die te dik.
„Ik kan er geen een uitkrijgen; als ik m'n vingers krom doe, is 't gat te klein.”
„Laat ze dan maar liggen,” zuchtte Klaas. „Maar je moet naar beneden komen, want ik kan je niet langer dragen. O, mijn schouders!”
Ja, dan moesten de eitjes maar blijven liggen. Jo trok z'n hand terug...., wat was dat....! Ze was toch niet dikker geworden?
De jongen trok en wrong en draaide en rukte, alles tevergeefs.
„O, ik zit vast,” riep hij vol angst uit; „ik kan m'n hand niet terug trekken.”
„Toe, gauw, m'n schouders!” steunde Klaas.
„Ik kan niet, ik kan niet...., blijf staan, Klaas!”
„Maar ik kan je niet meer dragen; verzet dan je voeten een beetje....”
Jo deed het en 't gaf z'n vriend wat opluchting.
„Probeer nu gauw los te komen, Jo!” riep Nel. Ze werd ongerust over haar broertje. Daar stond ze nu dicht bij hem en ze kon hem niet helpen.
Opnieuw rukte en wrong Jo, maar 't baatte niet. Z'n hand begon hem vreeselijk pijn te doen, maar ze bleef gevangen.
Nu sprongen er tranen uit de oogen van den armen jongen, tranen van angst. En onder zijn voeten steunde en zuchtte z'n kameraad....
„Help, help!” schreeuwde Jo ineens.
Toen werden Kee en Nel zoo verschrikt, dat ze riepen: „Wij gaan hulp halen in dat huis van straks.”
Zoo hard ze konden liepen ze naar 't kleine boerderijtje toe. Gelukkig was 't maar een klein eindje en nog gelukkiger was het, dat de eigenaar juist thuis gekomen was.
De man nam vlug een laddertje op z'n schouder en volgde de twee meisjes.
„Help, help, help....!” hoorden ze Jo roepen. Aan z'n stem konden ze wel merken, dat hij schreide.
Maar hij niet alleen!
Klaas schreide ook; ten eerste om Jo, die zoo akelig gevangen zat, en ten tweede om de pijn, die hij zelf gevoelde. Z'n vriend werd hoe langer hoe zwaarder, naar 't scheen. Klaas beet op z'n tanden..... Neen, hij mocht niet neervallen, hij moest blijven staan.... Maar z'n knieën trilden...., z'n schouders verdoofden.... „Blijf staan,” dacht hij, en hij sloeg z'n armen achter zich om den boom. En intusschen biggelden dikke tranen hem over de wangen.
In Klaas z'n heele leven was dat nog geen vijf keer gebeurd.
De boer schoof het laddertje onder de voeten van Jo. Nu kon Klaas z'n plaats verlaten. De jongen deed een paar stappen vooruit en viel toen neer op het mos.
Maar Jo was nog niet bevrijd. Dat kostte heel wat moeite.
De boer beproefde wel de hand uit het gat te trekken, maar 't gelukte hem evenmin als het den jongen zelf gelukt was.
„Ik zal je los moeten snijden,” zei de man eindelijk.
Jo rilde; hij dacht.... iets vreeselijks.
Maar gelukkig dacht hij verkeerd. Z'n helper sneed heel voorzichtig wat hout uit den boom, zoodat de opening ruimer werd. Het duurde heel lang, maar eindelijk....
„Probeer nou nog eens,” zei de man.
Jo trok, en...., gelukkig, daar schoot z'n hand naar buiten. Nog nooit in z'n leven was de jongen zoo blij geweest, als op dat oogenblik.
Met tranen in de pogen bedankte hij z'n redder.
„Ja, ja, al lang goed. Je moet ook geen vogelnestjes uithalen, 't is zonde,” zei de goede man. En meteen keerde hij terug naar z'n woning.
De kinderen dachten aan geen spelen meer; stilletjes keerden ze naar het dorp terug.
Af en toe voelde Klaas eens naar z'n schouders, maar nog vaker keek hij naar de hand van Jo.
Die was vreeselijk rood en dik.
„Mijn schuld,” dacht Klaas, „mijn schuld....!”
Eindelijk waren de vier kinderen weer thuis.
Nel deed een opgewonden verhaal over wat gebeurd was.
„Die kinderen, je kunt ze haast geen oogenblik vertrouwen,” zei moe, terwijl ze druk bezig was Jo's hand te betten met koud water.
Ze had diep medelijden met haar jongen.
Pa ook wel, maar die zei niet veel. Hij mompelde iets van „kwaad, dat zich zelf straft.”
Nel hoorde het. En die had toch ook zoo'n medelijden met Jo!
„Nou, pa,” zei ze een beetje snibbig, „Jo deed toch geen kwaad. 't Was een musschennest, en musschen zijn schadelijke vogels.”
„Dat zijn ze.”
Meteen stond pa op en ging den tuin in.
En wien trof hij daar aan bij de achterdeur? Klaas!
Maar de jongen was niet alleen. Op z'n arm droeg hij een snoezig beestje, een konijntje, z'n mooie witje.
„Meneer....,” stotterde hij, „'t was.... was.... mijn....mijn schuld. En nou wou..... wou ik..... Jo dit.....”
„Hoe kom je er bij, ventje. Jo is toch even oud als jij, en jij behoeft niet op hem te passen!”
Dat was waar en toch.... toch gevoelde Klaas schuld. Hij kon het niet zeggen, maar zie je.... Jo was hier vreemd en kende geen nesten en geen boomen.... En dan had Klaas hem ook meegelokt.... bij z'n Dik Trom vandaan....
„Toe meneer, mag ik hem dit geven?” vroeg hij smeekend.
Meneer Veenhof keek den jongen even ernstig aan.
„Wou je 't werkelijk graag doen, en mag het van je vader en moeder?”
„Ja, meneer, ik heb het gevraagd. En ik wil het graag missen....”
Toen hij dat zei, kreeg Klaas een hoogroode kleur.
„Kleine jokkebrok,” dacht meneer, „je hebt je konijntje veel te lief om het weg te geven.”
„Neem het maar weer mee, Klaas,” zei hij. „En zet het maar in z'n hokje.”
Toen sprongen er een paar tranen in de oogen van den jongen.
Meneer zag het.
„Wacht even”, zei hij. En meteen riep hij naar binnen:
„Jo, kom eens hier!”
Jo kwam. Of de jongen ook verwonderd was, toen Klaas hem het mooie witje aanbood. Hij vroeg niet: „Wil je 't wel missen?”
Met z'n handen nam hij 't diertje van Klaas over en drukte het tegen z'n wangen. O, wat voelden die fijne haartjes heerlijk zacht! En wat keken die roode oogjes vriendelijk en wat ging dat beweeglijke neusje leuk heen en weer!
„Dat vind ik mooi van je”, riep hij. „Ik wou het al zoo lang héél graag hebben.”
En opnieuw drukte hij 't beestje tegen z'n gezicht; en hij vergat z'n pijnlijke hand en z'n pa en Klaas.... Hij liep met z'n schat naar binnen.
„Moe, Nel, zie eens!”
Moe vond het een prachtig geschenk en Nel werd bijna jaloersch.
En Dina dan!
Dina vond het witje het mooiste konijntje van de heele wereld.
„Dat is het ook”, dacht Jo, en hij danste weer naar buiten.
„Nu moeten we een hokje voor 't diertje maken”, zei pa. „Morgen zullen we er mee beginnen; vandaag kun je 't wel in dit bakje zetten.”
Maar Jo dacht er nog niet aan. Hij liep met z'n konijntje heen en weer en zette het dan weer eens in het gras. En hij kon haast niet verdragen, dat Nel het ook even droeg.
„Pas op, pas op, je doet het pijn”, riep hij dan. „Och, dat arme beestje, kijk eens, 't is bang voor jou! Zie z'n haartjes nou eens zitten!”
En toch had Nel heel zachte vingers.
Maar Jo had z'n konijntje erg lief.
„Ik had het nooit weggegeven”, zei Nel tegen Klaas.
„Och....”, zei Klaas.
Toen keek hij naar de dikke, bloedroode hand van Jo.
En hij voelde geen spijt, dat hij z'n liefste konijntje aan z'n vriendje gegeven had. Hij hield nog vier bonte over, en Jo had zich zoo bezeerd....
Meneer Veenhof had een nestje gevonden. 't Zat verscholen in een hazelaar heel achter in den tuin, en er lagen vijf jongen in. 't Was een aardig gezicht, dat wriemelende goedje.
„Dat moest „dubbele twee” nu eens zien”, dacht hij. „Wacht, daar zijn de kinderen juist.”
Hij wenkte met de handen en daar kwamen ze aanhollen.
„Wat is er, pa; wat is er, meneer?”
„Sst, sst”, en meneer hief waarschuwend den vinger op.
„Voorzichtig zijn, heel zachtjes loopen”, zei hij.
Op de teenen kwamen de kinderen nader.
„Wat is er, pa”, fluisterde Nel.
„Zie eens hier!”
En pa schoof voorzichtig een takje op zij.
„Och, een nestje. Wat leuk!”
„Je ziet alleen wat kopjes en wat nestharen, hé? En kijk, de pennen van de vleugels beginnen te groeien.”
„Ze zijn heelemaal geel om den bek”, fluisterde Jo.
„Piep”, zei Klaas met z'n lippen.