II.In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten beschotten in vier kamers verdeeld.De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij reeds oud.In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet aanwezig.Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.„Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!” zei de tweede vrouw, „gij hebt groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze kindergril!”„Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen.”„Pas op Freydisa!” zei de oude tooverkol. „Maak mij niet boos! Uw moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten.”„Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die toekomst zie ik grootheid en macht.”„Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, Freydisa?” vroeg de moeder. „Alle menschen vereeren ons en betalen ons goed voor onze woorden.”„Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting betaalden.”Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.„Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?” vroeg de oudste der vrouwen.„Unna, ik heb raad en hulp noodig.”„Ik weet het—tegen Leif Erikson!”„Hoe weet gij dat geheim?” riep de krijgsman uit, die het eerst was binnengetreden.„Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen.”„Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, waarmee ik Leif kan benadeelen.”„Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook gerookt berenvleesch!”Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa met haar moeder henzoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer bemerkten wat zij deden.Toen sprak Unna tot Freydisa:„Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden.”Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal aankwamen, waar Sigvald’s vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder vriendelijk ontving.Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam aansnellen.„Nu, Edrik!” zei Thorfrida, „ik heb uw hulp noodig.”„Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet.”Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.„Laat alles maar aan mij over,” antwoordde Edrik, „want hoewel ik maar een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi.”Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner makkers gezeten was.„Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?” vroeg de knaap.„Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?”„Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim.”Thornward’s vriend stond lachend op en zeide: „Ik zal uw gesprek niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, dan zal ik uw getuige zijn.” Dit zeggende ging hij lachende heen.„Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg nu maar wat gij te vertellen hebt?”Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.„Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hijdrinkt,” merkte de wijze Noorman op, „want de geest is dan minder op zijn hoede, daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde wijn!”.....„En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?”„Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!”„Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken.”„Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm is hangen nog te goed.”„Het was een heele rit voor dit meisje.”„Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!”Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in ’t begin zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, dien hij van plan was in te stellen.Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn.Thorfrida werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.Toen stond Thassi op en sprak:„Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!”Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond stortte. „Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!” riep hij uit.Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post.Met ijzeren greep hield hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:„Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn van vriendschap heeft hij getracht Sigvald’s broeder door vergift het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien van een toovermiddel!”Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval hij stilte.„Grijpt ook zijn vrienden!” riep hij. „Voor lafaards en giftmengers ken ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!”De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een perkament, voorzien van een zegel.Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde en las:„Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!”Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: „Vrienden! wij moeten niet vergeten om dank te zeggen voor Leif’s redding. Ook ben ik blijde dat ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?”„Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik Thorwaldson, den Rooden, bezoeken.”Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd uitriep: „Mijn zoon, als Leif u mee wil hebbenmoogt gij gaan! Nu Thorward, wat kunnen wij voor u doen?”„Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk.”Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, terwijl hij zich tot Freydisa wendde: „Wij zijn u het meest van allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het ten minste toestaat.”Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: „De dappere graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet verzetten tegen ’t geen graaf Sigvald goedvindt.”Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.
II.In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten beschotten in vier kamers verdeeld.De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij reeds oud.In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet aanwezig.Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.„Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!” zei de tweede vrouw, „gij hebt groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze kindergril!”„Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen.”„Pas op Freydisa!” zei de oude tooverkol. „Maak mij niet boos! Uw moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten.”„Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die toekomst zie ik grootheid en macht.”„Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, Freydisa?” vroeg de moeder. „Alle menschen vereeren ons en betalen ons goed voor onze woorden.”„Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting betaalden.”Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.„Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?” vroeg de oudste der vrouwen.„Unna, ik heb raad en hulp noodig.”„Ik weet het—tegen Leif Erikson!”„Hoe weet gij dat geheim?” riep de krijgsman uit, die het eerst was binnengetreden.„Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen.”„Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, waarmee ik Leif kan benadeelen.”„Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook gerookt berenvleesch!”Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa met haar moeder henzoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer bemerkten wat zij deden.Toen sprak Unna tot Freydisa:„Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden.”Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal aankwamen, waar Sigvald’s vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder vriendelijk ontving.Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam aansnellen.„Nu, Edrik!” zei Thorfrida, „ik heb uw hulp noodig.”„Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet.”Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.„Laat alles maar aan mij over,” antwoordde Edrik, „want hoewel ik maar een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi.”Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner makkers gezeten was.„Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?” vroeg de knaap.„Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?”„Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim.”Thornward’s vriend stond lachend op en zeide: „Ik zal uw gesprek niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, dan zal ik uw getuige zijn.” Dit zeggende ging hij lachende heen.„Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg nu maar wat gij te vertellen hebt?”Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.„Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hijdrinkt,” merkte de wijze Noorman op, „want de geest is dan minder op zijn hoede, daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde wijn!”.....„En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?”„Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!”„Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken.”„Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm is hangen nog te goed.”„Het was een heele rit voor dit meisje.”„Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!”Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in ’t begin zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, dien hij van plan was in te stellen.Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn.Thorfrida werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.Toen stond Thassi op en sprak:„Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!”Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond stortte. „Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!” riep hij uit.Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post.Met ijzeren greep hield hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:„Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn van vriendschap heeft hij getracht Sigvald’s broeder door vergift het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien van een toovermiddel!”Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval hij stilte.„Grijpt ook zijn vrienden!” riep hij. „Voor lafaards en giftmengers ken ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!”De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een perkament, voorzien van een zegel.Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde en las:„Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!”Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: „Vrienden! wij moeten niet vergeten om dank te zeggen voor Leif’s redding. Ook ben ik blijde dat ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?”„Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik Thorwaldson, den Rooden, bezoeken.”Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd uitriep: „Mijn zoon, als Leif u mee wil hebbenmoogt gij gaan! Nu Thorward, wat kunnen wij voor u doen?”„Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk.”Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, terwijl hij zich tot Freydisa wendde: „Wij zijn u het meest van allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het ten minste toestaat.”Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: „De dappere graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet verzetten tegen ’t geen graaf Sigvald goedvindt.”Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.
II.
In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten beschotten in vier kamers verdeeld.De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij reeds oud.In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet aanwezig.Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.„Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!” zei de tweede vrouw, „gij hebt groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze kindergril!”„Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen.”„Pas op Freydisa!” zei de oude tooverkol. „Maak mij niet boos! Uw moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten.”„Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die toekomst zie ik grootheid en macht.”„Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, Freydisa?” vroeg de moeder. „Alle menschen vereeren ons en betalen ons goed voor onze woorden.”„Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting betaalden.”Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.„Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?” vroeg de oudste der vrouwen.„Unna, ik heb raad en hulp noodig.”„Ik weet het—tegen Leif Erikson!”„Hoe weet gij dat geheim?” riep de krijgsman uit, die het eerst was binnengetreden.„Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen.”„Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, waarmee ik Leif kan benadeelen.”„Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook gerookt berenvleesch!”Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa met haar moeder henzoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer bemerkten wat zij deden.Toen sprak Unna tot Freydisa:„Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden.”Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal aankwamen, waar Sigvald’s vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder vriendelijk ontving.Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam aansnellen.„Nu, Edrik!” zei Thorfrida, „ik heb uw hulp noodig.”„Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet.”Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.„Laat alles maar aan mij over,” antwoordde Edrik, „want hoewel ik maar een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi.”Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner makkers gezeten was.„Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?” vroeg de knaap.„Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?”„Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim.”Thornward’s vriend stond lachend op en zeide: „Ik zal uw gesprek niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, dan zal ik uw getuige zijn.” Dit zeggende ging hij lachende heen.„Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg nu maar wat gij te vertellen hebt?”Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.„Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hijdrinkt,” merkte de wijze Noorman op, „want de geest is dan minder op zijn hoede, daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde wijn!”.....„En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?”„Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!”„Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken.”„Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm is hangen nog te goed.”„Het was een heele rit voor dit meisje.”„Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!”Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in ’t begin zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, dien hij van plan was in te stellen.Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn.Thorfrida werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.Toen stond Thassi op en sprak:„Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!”Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond stortte. „Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!” riep hij uit.Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post.Met ijzeren greep hield hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:„Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn van vriendschap heeft hij getracht Sigvald’s broeder door vergift het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien van een toovermiddel!”Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval hij stilte.„Grijpt ook zijn vrienden!” riep hij. „Voor lafaards en giftmengers ken ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!”De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een perkament, voorzien van een zegel.Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde en las:„Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!”Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: „Vrienden! wij moeten niet vergeten om dank te zeggen voor Leif’s redding. Ook ben ik blijde dat ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?”„Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik Thorwaldson, den Rooden, bezoeken.”Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd uitriep: „Mijn zoon, als Leif u mee wil hebbenmoogt gij gaan! Nu Thorward, wat kunnen wij voor u doen?”„Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk.”Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, terwijl hij zich tot Freydisa wendde: „Wij zijn u het meest van allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het ten minste toestaat.”Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: „De dappere graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet verzetten tegen ’t geen graaf Sigvald goedvindt.”Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.
In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.
Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten beschotten in vier kamers verdeeld.
De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij reeds oud.
In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet aanwezig.
Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.
Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.
„Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!” zei de tweede vrouw, „gij hebt groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze kindergril!”
„Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen.”
„Pas op Freydisa!” zei de oude tooverkol. „Maak mij niet boos! Uw moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten.”
„Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die toekomst zie ik grootheid en macht.”
„Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, Freydisa?” vroeg de moeder. „Alle menschen vereeren ons en betalen ons goed voor onze woorden.”
„Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting betaalden.”
Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.
Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.
Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.
„Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?” vroeg de oudste der vrouwen.
„Unna, ik heb raad en hulp noodig.”
„Ik weet het—tegen Leif Erikson!”
„Hoe weet gij dat geheim?” riep de krijgsman uit, die het eerst was binnengetreden.
„Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen.”
„Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, waarmee ik Leif kan benadeelen.”
„Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook gerookt berenvleesch!”
Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa met haar moeder henzoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer bemerkten wat zij deden.
Toen sprak Unna tot Freydisa:
„Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden.”
Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.
Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal aankwamen, waar Sigvald’s vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder vriendelijk ontving.
Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.
Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam aansnellen.
„Nu, Edrik!” zei Thorfrida, „ik heb uw hulp noodig.”
„Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet.”
Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.
„Laat alles maar aan mij over,” antwoordde Edrik, „want hoewel ik maar een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi.”
Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner makkers gezeten was.
„Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?” vroeg de knaap.
„Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?”
„Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim.”
Thornward’s vriend stond lachend op en zeide: „Ik zal uw gesprek niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, dan zal ik uw getuige zijn.” Dit zeggende ging hij lachende heen.
„Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg nu maar wat gij te vertellen hebt?”
Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.
„Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hijdrinkt,” merkte de wijze Noorman op, „want de geest is dan minder op zijn hoede, daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde wijn!”.....
„En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?”
„Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!”
„Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken.”
„Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm is hangen nog te goed.”
„Het was een heele rit voor dit meisje.”
„Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!”
Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in ’t begin zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, dien hij van plan was in te stellen.
Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn.Thorfrida werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.
Toen stond Thassi op en sprak:
„Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!”
Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond stortte. „Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!” riep hij uit.
Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post.Met ijzeren greep hield hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:
„Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn van vriendschap heeft hij getracht Sigvald’s broeder door vergift het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien van een toovermiddel!”
Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval hij stilte.
„Grijpt ook zijn vrienden!” riep hij. „Voor lafaards en giftmengers ken ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!”
De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een perkament, voorzien van een zegel.
Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde en las:
„Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!”
Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.
Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: „Vrienden! wij moeten niet vergeten om dank te zeggen voor Leif’s redding. Ook ben ik blijde dat ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?”
„Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik Thorwaldson, den Rooden, bezoeken.”
Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd uitriep: „Mijn zoon, als Leif u mee wil hebbenmoogt gij gaan! Nu Thorward, wat kunnen wij voor u doen?”
„Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk.”
Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, terwijl hij zich tot Freydisa wendde: „Wij zijn u het meest van allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het ten minste toestaat.”
Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: „De dappere graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet verzetten tegen ’t geen graaf Sigvald goedvindt.”
Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.