III.Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, en zij hem zelfs in het veld moest volgen.Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen van te vinden in het wisselen der trouwringenBij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was het als ’t ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen gewisseld.De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.„Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,” zeide Edrik.De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte bij den achtersteven en kekennaar de achterblijvenden, totdat het voorgebergte hen voor hun blikken verborg.„Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken,” zei Osrik, toen het land uit het gezicht was. „Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen.”„Ja,”zei Edrik, „en onze kiel is de ploegschaar.”„Maar,” zoo nam Nils het woord, „ik zie niet in welken oogst wij hier moeten binnenhalen.”„Roem!” zei Edrik, en trotsch keek hij rond. „Roem en eer,” ging hij voort, als door het onderwerp meegesleept. „Op de zee vinden wij een roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en de oceaan ons graf wordt.”Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: „Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren.”Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, die het andere schip voor hun oog verborg. ’s Nachts trok de mist weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in ’t gezicht. De derde dag brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar op het dek van den vijand kondenschieten, of naar alle kanten konden rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien konden worden.„Wat ziet gij daar boven?” riep Byarn.„Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch.”„Vreemd!” zei Byarn, „kom beneden, dan zal ik beproeven of ik gelukkiger ben.”Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.„Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten vliegen.”Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te zien waar het dichtstbijgelegen land lag.De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip gekomen was.„Zie jongens, zie!” riep Byarn, „IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen.”Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in konden doordringen.Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgenbracht dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden en niet wisten hoe zij sturen moesten.De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar ’s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in de nabijheid lag.„Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?” vroeg Byarn.„Leif Eirikson is een goed Christen,” antwoordde Edrik. „Door God’s zegen zal alles wel terecht komen.”„Gij zult nog een prediker worden, Edrik!—maar ik geloof dat wij Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is geen land of water meer.”Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in ’t zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik te aarzelen.Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde;„Ik zie iets aan stuurboord; misschien is het land.”„Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn.”„Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!”Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toondeergens heel veel belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.„Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit gehoord!”Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.„Dit moet Groenland wel zijn!” riep Byarn uit. „Kijkt eens naar die prachtige boomen!”„Dat is Groenland niet!” zei een der roeien, „de kust ziet er anders uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.—Groenland? Het heeft meer van Steenland!”„Gij hebt gelijk, geloof ik!” zei Byarn, „ik ken Groenland niet, maar Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!”De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen links liggen, en kozen de open zee, en zooals deoverlevering luidt: „na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel lager dan het eerste en met boomen begroeid.”Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en zeilden verder. „Zijn tocht voortzettend,” zoo luidt het verder, „met een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos Byarn weer zee.”„Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,” zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland)1hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. „Misschien is het een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden.”„Dat kan wel,” antwoordde Nils, „hoewel ik hoop dat de rest van Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor geweest was.”„Het was Groenland niet, jongens!” zei Osrik. „Mijn vader is in Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben.”„Kent gij Olaf Tryggvason?” vroeg Nils.„Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken.”„Is hij een reus?”„Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?”„Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: „Olaf en eenige andere groote mannen van Noorwegen;” ik dacht stellig dat hij bedoelde dat zij reuzen waren.”„Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere menschen, maar hij is een koning.”„Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen buitengewoon groote menschen wonen?”„Hoor zulke knapen nu toch eens praten!” zei Byarn, die deze opmerking hoorde. „Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar gelijk zijn, hoewelsommigenonder hen nog graven genoemd worden.”„Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?”„Ja, volgens de IJslandsche wet.”„Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader niet laten slaan?”„Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar boven en zeg mij of gij land kunt zien.”Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem hoorde roepen: „Land aan bakboord!” Hij kwam naar beneden en Byarn klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.„Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar niemand iets van weet.”„Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij gezien hebben?”„Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft.”Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de bemanning:„Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?”Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:„ByarnHergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven.”„Maar men zal ons niet gelooven,” zei Byarn, „want Groenland is het eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de waarheid zeggen.”Toen zei kleine Edrik: „Wij moeten onzen mond houden, totdat ons bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de waarheid zeggen.”Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, waar Leif’s schip, de Rolf Krake, ten anker lag.Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets te kunnen of te zullen hooren.1Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus ontdekt was.
III.Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, en zij hem zelfs in het veld moest volgen.Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen van te vinden in het wisselen der trouwringenBij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was het als ’t ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen gewisseld.De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.„Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,” zeide Edrik.De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte bij den achtersteven en kekennaar de achterblijvenden, totdat het voorgebergte hen voor hun blikken verborg.„Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken,” zei Osrik, toen het land uit het gezicht was. „Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen.”„Ja,”zei Edrik, „en onze kiel is de ploegschaar.”„Maar,” zoo nam Nils het woord, „ik zie niet in welken oogst wij hier moeten binnenhalen.”„Roem!” zei Edrik, en trotsch keek hij rond. „Roem en eer,” ging hij voort, als door het onderwerp meegesleept. „Op de zee vinden wij een roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en de oceaan ons graf wordt.”Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: „Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren.”Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, die het andere schip voor hun oog verborg. ’s Nachts trok de mist weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in ’t gezicht. De derde dag brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar op het dek van den vijand kondenschieten, of naar alle kanten konden rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien konden worden.„Wat ziet gij daar boven?” riep Byarn.„Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch.”„Vreemd!” zei Byarn, „kom beneden, dan zal ik beproeven of ik gelukkiger ben.”Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.„Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten vliegen.”Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te zien waar het dichtstbijgelegen land lag.De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip gekomen was.„Zie jongens, zie!” riep Byarn, „IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen.”Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in konden doordringen.Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgenbracht dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden en niet wisten hoe zij sturen moesten.De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar ’s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in de nabijheid lag.„Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?” vroeg Byarn.„Leif Eirikson is een goed Christen,” antwoordde Edrik. „Door God’s zegen zal alles wel terecht komen.”„Gij zult nog een prediker worden, Edrik!—maar ik geloof dat wij Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is geen land of water meer.”Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in ’t zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik te aarzelen.Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde;„Ik zie iets aan stuurboord; misschien is het land.”„Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn.”„Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!”Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toondeergens heel veel belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.„Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit gehoord!”Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.„Dit moet Groenland wel zijn!” riep Byarn uit. „Kijkt eens naar die prachtige boomen!”„Dat is Groenland niet!” zei een der roeien, „de kust ziet er anders uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.—Groenland? Het heeft meer van Steenland!”„Gij hebt gelijk, geloof ik!” zei Byarn, „ik ken Groenland niet, maar Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!”De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen links liggen, en kozen de open zee, en zooals deoverlevering luidt: „na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel lager dan het eerste en met boomen begroeid.”Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en zeilden verder. „Zijn tocht voortzettend,” zoo luidt het verder, „met een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos Byarn weer zee.”„Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,” zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland)1hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. „Misschien is het een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden.”„Dat kan wel,” antwoordde Nils, „hoewel ik hoop dat de rest van Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor geweest was.”„Het was Groenland niet, jongens!” zei Osrik. „Mijn vader is in Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben.”„Kent gij Olaf Tryggvason?” vroeg Nils.„Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken.”„Is hij een reus?”„Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?”„Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: „Olaf en eenige andere groote mannen van Noorwegen;” ik dacht stellig dat hij bedoelde dat zij reuzen waren.”„Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere menschen, maar hij is een koning.”„Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen buitengewoon groote menschen wonen?”„Hoor zulke knapen nu toch eens praten!” zei Byarn, die deze opmerking hoorde. „Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar gelijk zijn, hoewelsommigenonder hen nog graven genoemd worden.”„Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?”„Ja, volgens de IJslandsche wet.”„Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader niet laten slaan?”„Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar boven en zeg mij of gij land kunt zien.”Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem hoorde roepen: „Land aan bakboord!” Hij kwam naar beneden en Byarn klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.„Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar niemand iets van weet.”„Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij gezien hebben?”„Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft.”Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de bemanning:„Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?”Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:„ByarnHergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven.”„Maar men zal ons niet gelooven,” zei Byarn, „want Groenland is het eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de waarheid zeggen.”Toen zei kleine Edrik: „Wij moeten onzen mond houden, totdat ons bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de waarheid zeggen.”Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, waar Leif’s schip, de Rolf Krake, ten anker lag.Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets te kunnen of te zullen hooren.1Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus ontdekt was.
III.
Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, en zij hem zelfs in het veld moest volgen.Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen van te vinden in het wisselen der trouwringenBij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was het als ’t ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen gewisseld.De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.„Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,” zeide Edrik.De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte bij den achtersteven en kekennaar de achterblijvenden, totdat het voorgebergte hen voor hun blikken verborg.„Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken,” zei Osrik, toen het land uit het gezicht was. „Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen.”„Ja,”zei Edrik, „en onze kiel is de ploegschaar.”„Maar,” zoo nam Nils het woord, „ik zie niet in welken oogst wij hier moeten binnenhalen.”„Roem!” zei Edrik, en trotsch keek hij rond. „Roem en eer,” ging hij voort, als door het onderwerp meegesleept. „Op de zee vinden wij een roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en de oceaan ons graf wordt.”Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: „Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren.”Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, die het andere schip voor hun oog verborg. ’s Nachts trok de mist weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in ’t gezicht. De derde dag brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar op het dek van den vijand kondenschieten, of naar alle kanten konden rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien konden worden.„Wat ziet gij daar boven?” riep Byarn.„Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch.”„Vreemd!” zei Byarn, „kom beneden, dan zal ik beproeven of ik gelukkiger ben.”Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.„Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten vliegen.”Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te zien waar het dichtstbijgelegen land lag.De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip gekomen was.„Zie jongens, zie!” riep Byarn, „IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen.”Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in konden doordringen.Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgenbracht dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden en niet wisten hoe zij sturen moesten.De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar ’s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in de nabijheid lag.„Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?” vroeg Byarn.„Leif Eirikson is een goed Christen,” antwoordde Edrik. „Door God’s zegen zal alles wel terecht komen.”„Gij zult nog een prediker worden, Edrik!—maar ik geloof dat wij Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is geen land of water meer.”Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in ’t zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik te aarzelen.Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde;„Ik zie iets aan stuurboord; misschien is het land.”„Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn.”„Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!”Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toondeergens heel veel belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.„Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit gehoord!”Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.„Dit moet Groenland wel zijn!” riep Byarn uit. „Kijkt eens naar die prachtige boomen!”„Dat is Groenland niet!” zei een der roeien, „de kust ziet er anders uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.—Groenland? Het heeft meer van Steenland!”„Gij hebt gelijk, geloof ik!” zei Byarn, „ik ken Groenland niet, maar Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!”De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen links liggen, en kozen de open zee, en zooals deoverlevering luidt: „na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel lager dan het eerste en met boomen begroeid.”Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en zeilden verder. „Zijn tocht voortzettend,” zoo luidt het verder, „met een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos Byarn weer zee.”„Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,” zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland)1hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. „Misschien is het een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden.”„Dat kan wel,” antwoordde Nils, „hoewel ik hoop dat de rest van Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor geweest was.”„Het was Groenland niet, jongens!” zei Osrik. „Mijn vader is in Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben.”„Kent gij Olaf Tryggvason?” vroeg Nils.„Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken.”„Is hij een reus?”„Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?”„Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: „Olaf en eenige andere groote mannen van Noorwegen;” ik dacht stellig dat hij bedoelde dat zij reuzen waren.”„Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere menschen, maar hij is een koning.”„Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen buitengewoon groote menschen wonen?”„Hoor zulke knapen nu toch eens praten!” zei Byarn, die deze opmerking hoorde. „Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar gelijk zijn, hoewelsommigenonder hen nog graven genoemd worden.”„Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?”„Ja, volgens de IJslandsche wet.”„Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader niet laten slaan?”„Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar boven en zeg mij of gij land kunt zien.”Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem hoorde roepen: „Land aan bakboord!” Hij kwam naar beneden en Byarn klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.„Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar niemand iets van weet.”„Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij gezien hebben?”„Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft.”Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de bemanning:„Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?”Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:„ByarnHergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven.”„Maar men zal ons niet gelooven,” zei Byarn, „want Groenland is het eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de waarheid zeggen.”Toen zei kleine Edrik: „Wij moeten onzen mond houden, totdat ons bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de waarheid zeggen.”Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, waar Leif’s schip, de Rolf Krake, ten anker lag.Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets te kunnen of te zullen hooren.
Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, en zij hem zelfs in het veld moest volgen.
Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen van te vinden in het wisselen der trouwringen
Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was het als ’t ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen gewisseld.
De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.
Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.
Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.
„Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,” zeide Edrik.
De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.
In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte bij den achtersteven en kekennaar de achterblijvenden, totdat het voorgebergte hen voor hun blikken verborg.
„Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken,” zei Osrik, toen het land uit het gezicht was. „Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen.”
„Ja,”zei Edrik, „en onze kiel is de ploegschaar.”
„Maar,” zoo nam Nils het woord, „ik zie niet in welken oogst wij hier moeten binnenhalen.”
„Roem!” zei Edrik, en trotsch keek hij rond. „Roem en eer,” ging hij voort, als door het onderwerp meegesleept. „Op de zee vinden wij een roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en de oceaan ons graf wordt.”
Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: „Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren.”
Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, die het andere schip voor hun oog verborg. ’s Nachts trok de mist weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in ’t gezicht. De derde dag brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar op het dek van den vijand kondenschieten, of naar alle kanten konden rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien konden worden.
„Wat ziet gij daar boven?” riep Byarn.
„Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch.”
„Vreemd!” zei Byarn, „kom beneden, dan zal ik beproeven of ik gelukkiger ben.”
Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.
„Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten vliegen.”
Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te zien waar het dichtstbijgelegen land lag.
De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip gekomen was.
„Zie jongens, zie!” riep Byarn, „IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen.”
Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in konden doordringen.
Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgenbracht dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden en niet wisten hoe zij sturen moesten.
De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar ’s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in de nabijheid lag.
„Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?” vroeg Byarn.
„Leif Eirikson is een goed Christen,” antwoordde Edrik. „Door God’s zegen zal alles wel terecht komen.”
„Gij zult nog een prediker worden, Edrik!—maar ik geloof dat wij Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is geen land of water meer.”
Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in ’t zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik te aarzelen.
Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde;„Ik zie iets aan stuurboord; misschien is het land.”
„Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn.”
„Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!”
Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toondeergens heel veel belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.
Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.
„Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit gehoord!”
Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.
„Dit moet Groenland wel zijn!” riep Byarn uit. „Kijkt eens naar die prachtige boomen!”
„Dat is Groenland niet!” zei een der roeien, „de kust ziet er anders uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.—Groenland? Het heeft meer van Steenland!”
„Gij hebt gelijk, geloof ik!” zei Byarn, „ik ken Groenland niet, maar Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!”
De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen links liggen, en kozen de open zee, en zooals deoverlevering luidt: „na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel lager dan het eerste en met boomen begroeid.”
Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en zeilden verder. „Zijn tocht voortzettend,” zoo luidt het verder, „met een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos Byarn weer zee.”
„Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,” zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland)1hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. „Misschien is het een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden.”
„Dat kan wel,” antwoordde Nils, „hoewel ik hoop dat de rest van Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor geweest was.”
„Het was Groenland niet, jongens!” zei Osrik. „Mijn vader is in Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben.”
„Kent gij Olaf Tryggvason?” vroeg Nils.
„Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken.”
„Is hij een reus?”
„Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?”
„Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: „Olaf en eenige andere groote mannen van Noorwegen;” ik dacht stellig dat hij bedoelde dat zij reuzen waren.”
„Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere menschen, maar hij is een koning.”
„Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen buitengewoon groote menschen wonen?”
„Hoor zulke knapen nu toch eens praten!” zei Byarn, die deze opmerking hoorde. „Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar gelijk zijn, hoewelsommigenonder hen nog graven genoemd worden.”
„Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?”
„Ja, volgens de IJslandsche wet.”
„Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader niet laten slaan?”
„Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar boven en zeg mij of gij land kunt zien.”
Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem hoorde roepen: „Land aan bakboord!” Hij kwam naar beneden en Byarn klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.
„Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar niemand iets van weet.”
„Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij gezien hebben?”
„Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft.”
Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de bemanning:
„Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?”
Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:
„ByarnHergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven.”
„Maar men zal ons niet gelooven,” zei Byarn, „want Groenland is het eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de waarheid zeggen.”
Toen zei kleine Edrik: „Wij moeten onzen mond houden, totdat ons bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de waarheid zeggen.”
Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, waar Leif’s schip, de Rolf Krake, ten anker lag.
Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets te kunnen of te zullen hooren.
1Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus ontdekt was.
1Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus ontdekt was.