IX.

IX.Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida en Magni—een der grootste hoofden van het eiland—waren benoemd tot Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan te nemen.Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in ’t redeneeren of worstelen konden meten.De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den ouden heiden.Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd worden.Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, om Edrik uit den weg te ruimen.Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. „Zoekt de oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?” vroeg hij lachend.„Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!”„Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!”„Ontvouw mij uw plan!”„Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!„Ik ben zelf een priester van Thor.”„Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de tooveres Geirrida.”„Wil zij ons helpen?”„Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen vertrouwen in haar te stellen.” Zoo sprekende bereikten de twee mannen de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.„Neem plaats op de daïs,” zeide Geirrida tot Ulf. „Gij, Thorhall! neem dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!”Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, de priester, hem op plechtigen toon aan:„Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thordienen. Wij moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed in de aderen.„Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, zal ik mijn plan ontvouwen,” zeide Geirrida. „Wanneer zal de groote plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?”„Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult gij mij vinden onder den offersteen.”„Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende week.”„Goed,” zei Helgi. „Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met Edrik naar het nieuw gevonden landte gaan en hem daar uit den weg te ruimen?”„Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij.”Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der redeneeringen van Ulf.Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te vinden is.Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.„Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden,” zei Tyrker, „want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden.”„Ja,” zei Ulf, „wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen.”„Het is een afschuwelijke gewoonte,”zei Tyrker.„Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood op het slagveld!”Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturenmet de reuzen, en hoe hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed over de aarde deed vloeien.„Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,” zei Tyrker. „Zeg mij, waar is het slachtoffer?”„Hier!” riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met geweld ter aarde.„Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou werpen,” zeide hij hijgend.De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, en op een toon van gezag sprak:„Houdt op!—Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, ik doorboor u met mijn lans!”Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen wetgevers gemaakt.De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen op hun altaarsteenen trachtten te offeren.Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:„Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, Asdisa! er is geld aan hem te verdienen.”Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.„Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, maar er is een machtige invloed aan ’t werk!”„Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar iets bewegen?”„Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan mijn maagden.”Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de vrouwenvertrekken geleidden.„Er bestaat een wet,” zoo begon Geirrida, „die uit Noorwegen hierheen is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere helft voor den jongeren broeder.”„Bij Thor’s baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed beloonen!”„Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven.”„Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom ontvangen!”„Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!”Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.„Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?”„Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde.”„Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken heeft verlaten....”„Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets te vragen?”„Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!”„Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren.”Asdisa zadelde een der paarden en ’s avonds had zij het huis harer moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door dennood was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.„Ach, moeder!” zoo begon Asdisa, „mijn lot is zoo hard. Geirrida houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!”„Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde.”„Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen en te luisteren.”„De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft het de Christenen?”Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand en zeide:„Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht is Sigvald’s zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen voor het gevaar, dat Edrik bedreigt.”Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.„Lieve Asdisa!” zeide Thorfrida „gij zijt wel goed zooveel moeite voor ons te doen. Het was Sigvald’s liefste wensch dat Edrik de erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen geleiden.”Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.„Ik vrees,” zei hij, „dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn vrouw over spreken.”Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan wij spreken, beslissend was.Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje goedgunstig aan en zeide:„Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt.”De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en sprenkelde het op Asdisa’s hoofd, en hij noemde haar in ’t openbaar zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten van haar kind.Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en godinnen te hulp om dit verraad te straffen. „Maar,” riep zij woedend uit, „zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door de straten stroomen!”Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd over haar mildheid en zeide tot Thorhall:„Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen veroordeelen wegens tooverij.”Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich dus af en zeide: „Slim, maar schurkachtig!” en verviel toen weer in zijn vorige neerslachtigheid.Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen.Hij kwam, vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding droeg, antwoordde hij: „Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot mij wacht.”Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht gevoerd zou kunnen worden.De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, de waarheid was.Aan Magni’s rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen waren, was de priester van Reikiavikzoowel als Helgi Fostigson van Helgafels er bij tegenwoordig.Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken werd. Dat Ulf Eirik’s zoon was, werd door niemand betwist; dat hij niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis kon maken.Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen drie jaar van hem kunnen terug koopen.„En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal,” schimpte Ulf.„Waar gaat gij heen, mijn jongen?” vroeg Magni aan Edrik, toen het rechtsgeding was afgeloopen.„Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland met Thorward en Freydisa.”

IX.Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida en Magni—een der grootste hoofden van het eiland—waren benoemd tot Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan te nemen.Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in ’t redeneeren of worstelen konden meten.De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den ouden heiden.Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd worden.Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, om Edrik uit den weg te ruimen.Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. „Zoekt de oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?” vroeg hij lachend.„Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!”„Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!”„Ontvouw mij uw plan!”„Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!„Ik ben zelf een priester van Thor.”„Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de tooveres Geirrida.”„Wil zij ons helpen?”„Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen vertrouwen in haar te stellen.” Zoo sprekende bereikten de twee mannen de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.„Neem plaats op de daïs,” zeide Geirrida tot Ulf. „Gij, Thorhall! neem dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!”Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, de priester, hem op plechtigen toon aan:„Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thordienen. Wij moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed in de aderen.„Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, zal ik mijn plan ontvouwen,” zeide Geirrida. „Wanneer zal de groote plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?”„Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult gij mij vinden onder den offersteen.”„Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende week.”„Goed,” zei Helgi. „Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met Edrik naar het nieuw gevonden landte gaan en hem daar uit den weg te ruimen?”„Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij.”Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der redeneeringen van Ulf.Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te vinden is.Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.„Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden,” zei Tyrker, „want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden.”„Ja,” zei Ulf, „wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen.”„Het is een afschuwelijke gewoonte,”zei Tyrker.„Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood op het slagveld!”Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturenmet de reuzen, en hoe hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed over de aarde deed vloeien.„Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,” zei Tyrker. „Zeg mij, waar is het slachtoffer?”„Hier!” riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met geweld ter aarde.„Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou werpen,” zeide hij hijgend.De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, en op een toon van gezag sprak:„Houdt op!—Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, ik doorboor u met mijn lans!”Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen wetgevers gemaakt.De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen op hun altaarsteenen trachtten te offeren.Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:„Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, Asdisa! er is geld aan hem te verdienen.”Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.„Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, maar er is een machtige invloed aan ’t werk!”„Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar iets bewegen?”„Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan mijn maagden.”Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de vrouwenvertrekken geleidden.„Er bestaat een wet,” zoo begon Geirrida, „die uit Noorwegen hierheen is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere helft voor den jongeren broeder.”„Bij Thor’s baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed beloonen!”„Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven.”„Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom ontvangen!”„Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!”Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.„Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?”„Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde.”„Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken heeft verlaten....”„Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets te vragen?”„Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!”„Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren.”Asdisa zadelde een der paarden en ’s avonds had zij het huis harer moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door dennood was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.„Ach, moeder!” zoo begon Asdisa, „mijn lot is zoo hard. Geirrida houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!”„Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde.”„Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen en te luisteren.”„De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft het de Christenen?”Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand en zeide:„Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht is Sigvald’s zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen voor het gevaar, dat Edrik bedreigt.”Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.„Lieve Asdisa!” zeide Thorfrida „gij zijt wel goed zooveel moeite voor ons te doen. Het was Sigvald’s liefste wensch dat Edrik de erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen geleiden.”Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.„Ik vrees,” zei hij, „dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn vrouw over spreken.”Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan wij spreken, beslissend was.Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje goedgunstig aan en zeide:„Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt.”De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en sprenkelde het op Asdisa’s hoofd, en hij noemde haar in ’t openbaar zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten van haar kind.Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en godinnen te hulp om dit verraad te straffen. „Maar,” riep zij woedend uit, „zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door de straten stroomen!”Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd over haar mildheid en zeide tot Thorhall:„Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen veroordeelen wegens tooverij.”Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich dus af en zeide: „Slim, maar schurkachtig!” en verviel toen weer in zijn vorige neerslachtigheid.Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen.Hij kwam, vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding droeg, antwoordde hij: „Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot mij wacht.”Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht gevoerd zou kunnen worden.De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, de waarheid was.Aan Magni’s rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen waren, was de priester van Reikiavikzoowel als Helgi Fostigson van Helgafels er bij tegenwoordig.Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken werd. Dat Ulf Eirik’s zoon was, werd door niemand betwist; dat hij niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis kon maken.Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen drie jaar van hem kunnen terug koopen.„En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal,” schimpte Ulf.„Waar gaat gij heen, mijn jongen?” vroeg Magni aan Edrik, toen het rechtsgeding was afgeloopen.„Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland met Thorward en Freydisa.”

IX.

Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida en Magni—een der grootste hoofden van het eiland—waren benoemd tot Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan te nemen.Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in ’t redeneeren of worstelen konden meten.De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den ouden heiden.Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd worden.Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, om Edrik uit den weg te ruimen.Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. „Zoekt de oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?” vroeg hij lachend.„Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!”„Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!”„Ontvouw mij uw plan!”„Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!„Ik ben zelf een priester van Thor.”„Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de tooveres Geirrida.”„Wil zij ons helpen?”„Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen vertrouwen in haar te stellen.” Zoo sprekende bereikten de twee mannen de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.„Neem plaats op de daïs,” zeide Geirrida tot Ulf. „Gij, Thorhall! neem dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!”Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, de priester, hem op plechtigen toon aan:„Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thordienen. Wij moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed in de aderen.„Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, zal ik mijn plan ontvouwen,” zeide Geirrida. „Wanneer zal de groote plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?”„Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult gij mij vinden onder den offersteen.”„Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende week.”„Goed,” zei Helgi. „Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met Edrik naar het nieuw gevonden landte gaan en hem daar uit den weg te ruimen?”„Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij.”Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der redeneeringen van Ulf.Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te vinden is.Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.„Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden,” zei Tyrker, „want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden.”„Ja,” zei Ulf, „wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen.”„Het is een afschuwelijke gewoonte,”zei Tyrker.„Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood op het slagveld!”Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturenmet de reuzen, en hoe hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed over de aarde deed vloeien.„Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,” zei Tyrker. „Zeg mij, waar is het slachtoffer?”„Hier!” riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met geweld ter aarde.„Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou werpen,” zeide hij hijgend.De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, en op een toon van gezag sprak:„Houdt op!—Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, ik doorboor u met mijn lans!”Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen wetgevers gemaakt.De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen op hun altaarsteenen trachtten te offeren.Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:„Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, Asdisa! er is geld aan hem te verdienen.”Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.„Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, maar er is een machtige invloed aan ’t werk!”„Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar iets bewegen?”„Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan mijn maagden.”Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de vrouwenvertrekken geleidden.„Er bestaat een wet,” zoo begon Geirrida, „die uit Noorwegen hierheen is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere helft voor den jongeren broeder.”„Bij Thor’s baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed beloonen!”„Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven.”„Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom ontvangen!”„Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!”Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.„Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?”„Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde.”„Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken heeft verlaten....”„Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets te vragen?”„Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!”„Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren.”Asdisa zadelde een der paarden en ’s avonds had zij het huis harer moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door dennood was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.„Ach, moeder!” zoo begon Asdisa, „mijn lot is zoo hard. Geirrida houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!”„Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde.”„Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen en te luisteren.”„De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft het de Christenen?”Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand en zeide:„Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht is Sigvald’s zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen voor het gevaar, dat Edrik bedreigt.”Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.„Lieve Asdisa!” zeide Thorfrida „gij zijt wel goed zooveel moeite voor ons te doen. Het was Sigvald’s liefste wensch dat Edrik de erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen geleiden.”Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.„Ik vrees,” zei hij, „dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn vrouw over spreken.”Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan wij spreken, beslissend was.Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje goedgunstig aan en zeide:„Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt.”De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en sprenkelde het op Asdisa’s hoofd, en hij noemde haar in ’t openbaar zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten van haar kind.Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en godinnen te hulp om dit verraad te straffen. „Maar,” riep zij woedend uit, „zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door de straten stroomen!”Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd over haar mildheid en zeide tot Thorhall:„Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen veroordeelen wegens tooverij.”Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich dus af en zeide: „Slim, maar schurkachtig!” en verviel toen weer in zijn vorige neerslachtigheid.Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen.Hij kwam, vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding droeg, antwoordde hij: „Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot mij wacht.”Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht gevoerd zou kunnen worden.De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, de waarheid was.Aan Magni’s rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen waren, was de priester van Reikiavikzoowel als Helgi Fostigson van Helgafels er bij tegenwoordig.Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken werd. Dat Ulf Eirik’s zoon was, werd door niemand betwist; dat hij niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis kon maken.Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen drie jaar van hem kunnen terug koopen.„En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal,” schimpte Ulf.„Waar gaat gij heen, mijn jongen?” vroeg Magni aan Edrik, toen het rechtsgeding was afgeloopen.„Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland met Thorward en Freydisa.”

Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.

Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.

Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida en Magni—een der grootste hoofden van het eiland—waren benoemd tot Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan te nemen.

Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in ’t redeneeren of worstelen konden meten.

De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den ouden heiden.

Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd worden.

Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.

Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, om Edrik uit den weg te ruimen.

Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. „Zoekt de oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?” vroeg hij lachend.

„Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!”

„Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!”

„Ontvouw mij uw plan!”

„Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!

„Ik ben zelf een priester van Thor.”

„Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de tooveres Geirrida.”

„Wil zij ons helpen?”

„Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen vertrouwen in haar te stellen.” Zoo sprekende bereikten de twee mannen de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.

„Neem plaats op de daïs,” zeide Geirrida tot Ulf. „Gij, Thorhall! neem dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!”

Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, de priester, hem op plechtigen toon aan:

„Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thordienen. Wij moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed in de aderen.

„Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, zal ik mijn plan ontvouwen,” zeide Geirrida. „Wanneer zal de groote plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?”

„Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult gij mij vinden onder den offersteen.”

„Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende week.”

„Goed,” zei Helgi. „Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met Edrik naar het nieuw gevonden landte gaan en hem daar uit den weg te ruimen?”

„Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij.”

Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der redeneeringen van Ulf.

Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te vinden is.

Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.

Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.

„Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden,” zei Tyrker, „want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden.”

„Ja,” zei Ulf, „wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen.”

„Het is een afschuwelijke gewoonte,”zei Tyrker.

„Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood op het slagveld!”

Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.

Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturenmet de reuzen, en hoe hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed over de aarde deed vloeien.

„Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,” zei Tyrker. „Zeg mij, waar is het slachtoffer?”

„Hier!” riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met geweld ter aarde.

„Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou werpen,” zeide hij hijgend.

De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, en op een toon van gezag sprak:

„Houdt op!—Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, ik doorboor u met mijn lans!”

Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen wetgevers gemaakt.

De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen op hun altaarsteenen trachtten te offeren.

Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:

„Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, Asdisa! er is geld aan hem te verdienen.”

Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.

„Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, maar er is een machtige invloed aan ’t werk!”

„Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar iets bewegen?”

„Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan mijn maagden.”

Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de vrouwenvertrekken geleidden.

„Er bestaat een wet,” zoo begon Geirrida, „die uit Noorwegen hierheen is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere helft voor den jongeren broeder.”

„Bij Thor’s baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed beloonen!”

„Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven.”

„Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom ontvangen!”

„Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!”

Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.

„Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?”

„Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde.”

„Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken heeft verlaten....”

„Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets te vragen?”

„Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!”

„Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren.”

Asdisa zadelde een der paarden en ’s avonds had zij het huis harer moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.

Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door dennood was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.

Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.

„Ach, moeder!” zoo begon Asdisa, „mijn lot is zoo hard. Geirrida houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!”

„Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde.”

„Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen en te luisteren.”

„De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft het de Christenen?”

Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand en zeide:

„Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht is Sigvald’s zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen voor het gevaar, dat Edrik bedreigt.”

Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.

„Lieve Asdisa!” zeide Thorfrida „gij zijt wel goed zooveel moeite voor ons te doen. Het was Sigvald’s liefste wensch dat Edrik de erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen geleiden.”

Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.

„Ik vrees,” zei hij, „dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn vrouw over spreken.”

Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan wij spreken, beslissend was.

Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje goedgunstig aan en zeide:

„Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt.”

De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en sprenkelde het op Asdisa’s hoofd, en hij noemde haar in ’t openbaar zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten van haar kind.

Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en godinnen te hulp om dit verraad te straffen. „Maar,” riep zij woedend uit, „zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door de straten stroomen!”

Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd over haar mildheid en zeide tot Thorhall:

„Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen veroordeelen wegens tooverij.”

Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich dus af en zeide: „Slim, maar schurkachtig!” en verviel toen weer in zijn vorige neerslachtigheid.

Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen.Hij kwam, vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!

Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding droeg, antwoordde hij: „Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot mij wacht.”

Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht gevoerd zou kunnen worden.

De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, de waarheid was.

Aan Magni’s rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen waren, was de priester van Reikiavikzoowel als Helgi Fostigson van Helgafels er bij tegenwoordig.

Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.

Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken werd. Dat Ulf Eirik’s zoon was, werd door niemand betwist; dat hij niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis kon maken.

Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen drie jaar van hem kunnen terug koopen.

„En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal,” schimpte Ulf.

„Waar gaat gij heen, mijn jongen?” vroeg Magni aan Edrik, toen het rechtsgeding was afgeloopen.

„Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland met Thorward en Freydisa.”


Back to IndexNext