X.Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en Thorold over de Sleipner.De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.In ’t geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.„Njord, mijn jongen!” zei Eirik, „spoedig komt uw rechtmatige meester, dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen.”Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: „Gij zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?”De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: „Het is een wonderlijke hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!”Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld van een jongen krijgsman.Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen in hem de bovenhand zou krijgen—zijn genegenheid voor den hond of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, en verheugd zeide Thorfinn:„Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen weten of hij weet hoe het te gebruiken.”Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een boom bleef zitten.„Halen, Njord!” riep hij toen.De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan land waren gestapt. Eirik heette henwelkom in Groenland. Allen gingen gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. „Mijn zoon?” riep hij uit, „ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!”Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, waar zij een beer doodden.Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in twee zakken droegen, om den hals gebonden.Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: „Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is toch geen koren?”„Ja, dat is het toch wel,” zei Edrik. „Wild koren in grooten overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan.”Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.„Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!” riep Edrik. „Deze druiven zijn nog mooier dan de eerste.”„De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif liggen.Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaanzittenen het brood en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker.”„Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren en druiven.”Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen zij aan de zee.Den volgenden morgen riep Edrik:„Een schip!—een drakenschip!”Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder een woord te zeggen er in.„Wat zijt gij voor knapen?” vroeg een der mannen.„Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat zijt gij voor mannen?”„Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig.”Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.„Welk schip is dit?” vroeg Edrik.Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te worden. Toch antwoordde hij:„De Volünd.—Wie zijt gij?”Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.„Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!”„Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn de schepen?”„Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik u niet zeggen.”„Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden.”Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de legerplaats van Leif.„Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijkin een aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik u daarheen geleiden en naar nog een betere streek.”Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, en voorraad te verzamelen.„Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo’s”1.„Zijn er veel?”„Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest.”De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op deRolf-Krakebevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen nacht buiten blijven.„Ach vriend,” zeide Tostig eens: „ik zou gaarne in dezevreedzame streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, Thorfinn! Wat ziet gij daar?”„Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand liggen te slapen.”„Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en daaronder zijn Eskimo’s verborgen. Geen van hen mag ontsnappen.”Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo’s werden gedood, maar één slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, zagen zij een groot aantal booten met Eskimo’s op hen afkomen, en een hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo’s, en verdwenen toen met groote snelheid.Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn aldus aan:„Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo’s terug komen, dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar mijn dagen zou willen eindigen.”Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van hen werd nooit meer iets gehoord.2Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn zeide:„Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen.”De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo’s schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te kijken. Ook dezen namen de Eskimo’s op, wier bleeke gezichten, hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de Eskimo’s zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het voorgebergte verdwenen.Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.„Het zijn Noorweegsche gekken!” zeide zij tot Thorward.„Het is voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken zoudt!”„Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u,” antwoordde Thorward. „Als er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen verloren zijn, en ik ook.”„En gij beloofdet mij wraak....”1Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo’s zoover zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk gedreven door de Roodhuiden.2Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven werden gemaakt.
X.Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en Thorold over de Sleipner.De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.In ’t geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.„Njord, mijn jongen!” zei Eirik, „spoedig komt uw rechtmatige meester, dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen.”Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: „Gij zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?”De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: „Het is een wonderlijke hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!”Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld van een jongen krijgsman.Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen in hem de bovenhand zou krijgen—zijn genegenheid voor den hond of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, en verheugd zeide Thorfinn:„Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen weten of hij weet hoe het te gebruiken.”Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een boom bleef zitten.„Halen, Njord!” riep hij toen.De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan land waren gestapt. Eirik heette henwelkom in Groenland. Allen gingen gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. „Mijn zoon?” riep hij uit, „ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!”Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, waar zij een beer doodden.Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in twee zakken droegen, om den hals gebonden.Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: „Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is toch geen koren?”„Ja, dat is het toch wel,” zei Edrik. „Wild koren in grooten overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan.”Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.„Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!” riep Edrik. „Deze druiven zijn nog mooier dan de eerste.”„De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif liggen.Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaanzittenen het brood en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker.”„Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren en druiven.”Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen zij aan de zee.Den volgenden morgen riep Edrik:„Een schip!—een drakenschip!”Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder een woord te zeggen er in.„Wat zijt gij voor knapen?” vroeg een der mannen.„Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat zijt gij voor mannen?”„Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig.”Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.„Welk schip is dit?” vroeg Edrik.Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te worden. Toch antwoordde hij:„De Volünd.—Wie zijt gij?”Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.„Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!”„Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn de schepen?”„Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik u niet zeggen.”„Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden.”Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de legerplaats van Leif.„Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijkin een aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik u daarheen geleiden en naar nog een betere streek.”Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, en voorraad te verzamelen.„Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo’s”1.„Zijn er veel?”„Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest.”De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op deRolf-Krakebevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen nacht buiten blijven.„Ach vriend,” zeide Tostig eens: „ik zou gaarne in dezevreedzame streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, Thorfinn! Wat ziet gij daar?”„Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand liggen te slapen.”„Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en daaronder zijn Eskimo’s verborgen. Geen van hen mag ontsnappen.”Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo’s werden gedood, maar één slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, zagen zij een groot aantal booten met Eskimo’s op hen afkomen, en een hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo’s, en verdwenen toen met groote snelheid.Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn aldus aan:„Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo’s terug komen, dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar mijn dagen zou willen eindigen.”Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van hen werd nooit meer iets gehoord.2Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn zeide:„Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen.”De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo’s schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te kijken. Ook dezen namen de Eskimo’s op, wier bleeke gezichten, hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de Eskimo’s zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het voorgebergte verdwenen.Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.„Het zijn Noorweegsche gekken!” zeide zij tot Thorward.„Het is voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken zoudt!”„Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u,” antwoordde Thorward. „Als er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen verloren zijn, en ik ook.”„En gij beloofdet mij wraak....”1Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo’s zoover zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk gedreven door de Roodhuiden.2Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven werden gemaakt.
X.
Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en Thorold over de Sleipner.De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.In ’t geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.„Njord, mijn jongen!” zei Eirik, „spoedig komt uw rechtmatige meester, dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen.”Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: „Gij zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?”De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: „Het is een wonderlijke hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!”Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld van een jongen krijgsman.Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen in hem de bovenhand zou krijgen—zijn genegenheid voor den hond of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, en verheugd zeide Thorfinn:„Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen weten of hij weet hoe het te gebruiken.”Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een boom bleef zitten.„Halen, Njord!” riep hij toen.De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan land waren gestapt. Eirik heette henwelkom in Groenland. Allen gingen gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. „Mijn zoon?” riep hij uit, „ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!”Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, waar zij een beer doodden.Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in twee zakken droegen, om den hals gebonden.Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: „Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is toch geen koren?”„Ja, dat is het toch wel,” zei Edrik. „Wild koren in grooten overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan.”Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.„Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!” riep Edrik. „Deze druiven zijn nog mooier dan de eerste.”„De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif liggen.Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaanzittenen het brood en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker.”„Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren en druiven.”Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen zij aan de zee.Den volgenden morgen riep Edrik:„Een schip!—een drakenschip!”Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder een woord te zeggen er in.„Wat zijt gij voor knapen?” vroeg een der mannen.„Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat zijt gij voor mannen?”„Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig.”Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.„Welk schip is dit?” vroeg Edrik.Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te worden. Toch antwoordde hij:„De Volünd.—Wie zijt gij?”Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.„Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?”„Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!”„Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn de schepen?”„Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik u niet zeggen.”„Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden.”Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de legerplaats van Leif.„Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijkin een aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik u daarheen geleiden en naar nog een betere streek.”Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, en voorraad te verzamelen.„Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo’s”1.„Zijn er veel?”„Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest.”De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op deRolf-Krakebevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen nacht buiten blijven.„Ach vriend,” zeide Tostig eens: „ik zou gaarne in dezevreedzame streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, Thorfinn! Wat ziet gij daar?”„Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand liggen te slapen.”„Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en daaronder zijn Eskimo’s verborgen. Geen van hen mag ontsnappen.”Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo’s werden gedood, maar één slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, zagen zij een groot aantal booten met Eskimo’s op hen afkomen, en een hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo’s, en verdwenen toen met groote snelheid.Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn aldus aan:„Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo’s terug komen, dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar mijn dagen zou willen eindigen.”Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van hen werd nooit meer iets gehoord.2Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn zeide:„Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen.”De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo’s schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te kijken. Ook dezen namen de Eskimo’s op, wier bleeke gezichten, hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de Eskimo’s zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het voorgebergte verdwenen.Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.„Het zijn Noorweegsche gekken!” zeide zij tot Thorward.„Het is voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken zoudt!”„Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u,” antwoordde Thorward. „Als er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen verloren zijn, en ik ook.”„En gij beloofdet mij wraak....”
Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.
Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.
Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en Thorold over de Sleipner.
De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.
Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.
In ’t geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.
Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.
Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.
Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.
„Njord, mijn jongen!” zei Eirik, „spoedig komt uw rechtmatige meester, dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen.”
Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: „Gij zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?”
De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: „Het is een wonderlijke hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!”
Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld van een jongen krijgsman.
Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen in hem de bovenhand zou krijgen—zijn genegenheid voor den hond of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, en verheugd zeide Thorfinn:
„Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen weten of hij weet hoe het te gebruiken.”
Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een boom bleef zitten.
„Halen, Njord!” riep hij toen.
De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan land waren gestapt. Eirik heette henwelkom in Groenland. Allen gingen gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.
Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. „Mijn zoon?” riep hij uit, „ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!”
Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.
Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, waar zij een beer doodden.
Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in twee zakken droegen, om den hals gebonden.
Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: „Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is toch geen koren?”
„Ja, dat is het toch wel,” zei Edrik. „Wild koren in grooten overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan.”
Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.
„Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!” riep Edrik. „Deze druiven zijn nog mooier dan de eerste.”
„De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif liggen.Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaanzittenen het brood en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker.”
„Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren en druiven.”
Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen zij aan de zee.
Den volgenden morgen riep Edrik:
„Een schip!—een drakenschip!”
Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder een woord te zeggen er in.
„Wat zijt gij voor knapen?” vroeg een der mannen.
„Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat zijt gij voor mannen?”
„Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig.”
Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.
„Welk schip is dit?” vroeg Edrik.
Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te worden. Toch antwoordde hij:
„De Volünd.—Wie zijt gij?”
Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.
„Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?”
„Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!”
„Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn de schepen?”
„Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik u niet zeggen.”
„Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden.”
Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.
Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de legerplaats van Leif.
„Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijkin een aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik u daarheen geleiden en naar nog een betere streek.”
Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, en voorraad te verzamelen.
„Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo’s”1.
„Zijn er veel?”
„Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest.”
De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op deRolf-Krakebevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.
De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen nacht buiten blijven.
„Ach vriend,” zeide Tostig eens: „ik zou gaarne in dezevreedzame streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, Thorfinn! Wat ziet gij daar?”
„Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand liggen te slapen.”
„Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en daaronder zijn Eskimo’s verborgen. Geen van hen mag ontsnappen.”
Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo’s werden gedood, maar één slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, zagen zij een groot aantal booten met Eskimo’s op hen afkomen, en een hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo’s, en verdwenen toen met groote snelheid.
Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn aldus aan:
„Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo’s terug komen, dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar mijn dagen zou willen eindigen.”
Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van hen werd nooit meer iets gehoord.2
Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn zeide:
„Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen.”
De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo’s schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te kijken. Ook dezen namen de Eskimo’s op, wier bleeke gezichten, hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de Eskimo’s zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het voorgebergte verdwenen.
Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.
Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.
De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.
„Het zijn Noorweegsche gekken!” zeide zij tot Thorward.„Het is voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken zoudt!”
„Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u,” antwoordde Thorward. „Als er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen verloren zijn, en ik ook.”
„En gij beloofdet mij wraak....”
1Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo’s zoover zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk gedreven door de Roodhuiden.2Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven werden gemaakt.
1Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo’s zoover zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk gedreven door de Roodhuiden.
2Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven werden gemaakt.