VII.De gevangenen, aan Sigvald’s bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, die de oorzaak waren van zijn ballingschap.Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar wraak dorstend de anderen aldus aansprak:„Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, zullen wij er heen sluipen en wraak nemen.”„Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!” zei een ander.„Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!”Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.„Nu moet gij verstandig handelen;” zei Ikutil, „gij moet weten dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zondLeif een waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand te worden!”„Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!”Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.„Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de moeite waard!” zoo besloot hij.De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet gestoord kon worden.„Wij moeten haar zien,” zeiden de mannen, en snelden de kamer binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.„Wat zoekt gij hier?” riep Unna uit.„Wraak voor Thassi!” en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.„Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?”„Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!”Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den knapen eer te bewijzen.Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. Deberenhuidwerd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe op gedragen hadden.Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, terwijl hij tot hen zeide:„Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid.”De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:„Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels.”De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet tegen deze handelwijze,doch inplaats dat paarden werden geslacht om in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche gewoonte was.De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.Daarop kwam de „Najoel”, tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar Edrik’s nieuw gevonden land aangevangen zou worden.Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgsliedenom op verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.Het was een plechtige dag voorReikiaviktoen Eirik, de Roode, vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot zich en sprak:„Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!”Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graafEirik’s bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden:„Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!”Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren klonk.Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, enzij wisten nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.„Kijk eens daar ginds, Nils?” riep Edrik. „Wat is dat daar te lijwaarts?”„Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan vertellen.”„Dat is een ijsberg, Edrik!” riep Leif uit. „Het verwondert mij dat gij de ijsbergen vergeten zijt!”„Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg was.”Daar riep kleine Nils uit: „Edrik, zie eens daar ginds!” en in tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari en de Sleipner ver vooruit.„Wat zou dat beteekenen?” riep Leif. „Zij schijnen het gevaar op de Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?”„Wij kunnen niets doen,” zei een oude Noorweger, die de kust van Groenland goed kende. „Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; teruggaan zou ons noodlottig worden.”„Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, mannen!” riep Leif.Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den ouden Eirik te kunnen helpen, als ’t noodig was.Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar spande men alle krachten in om het te ontkomen.Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, in plaats van er zich van te verwijderen.Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. „Red u vader!” riep hij. „Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!”Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het water was teruggevallen.Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: „Grijp het touw! Houd vast, vader!” en hij begon zich reeds van zijn zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,—nu een jaar ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam—had het kleed van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven water hield.Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man en hond met den dood worstelden. Hij slaagde erin het touw stevig om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord getrokken.Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf te gemoet ging.„Roeit voort, mannen!” riep Leif, „wij moeten beproeven te ontsnappen!”Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.„Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo’n dier gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!”De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude man hem liefkoosde.„Dat was bij het kantje af, Nils!” zeide Edrik.„O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren zijn!”
VII.De gevangenen, aan Sigvald’s bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, die de oorzaak waren van zijn ballingschap.Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar wraak dorstend de anderen aldus aansprak:„Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, zullen wij er heen sluipen en wraak nemen.”„Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!” zei een ander.„Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!”Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.„Nu moet gij verstandig handelen;” zei Ikutil, „gij moet weten dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zondLeif een waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand te worden!”„Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!”Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.„Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de moeite waard!” zoo besloot hij.De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet gestoord kon worden.„Wij moeten haar zien,” zeiden de mannen, en snelden de kamer binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.„Wat zoekt gij hier?” riep Unna uit.„Wraak voor Thassi!” en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.„Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?”„Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!”Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den knapen eer te bewijzen.Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. Deberenhuidwerd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe op gedragen hadden.Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, terwijl hij tot hen zeide:„Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid.”De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:„Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels.”De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet tegen deze handelwijze,doch inplaats dat paarden werden geslacht om in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche gewoonte was.De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.Daarop kwam de „Najoel”, tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar Edrik’s nieuw gevonden land aangevangen zou worden.Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgsliedenom op verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.Het was een plechtige dag voorReikiaviktoen Eirik, de Roode, vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot zich en sprak:„Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!”Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graafEirik’s bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden:„Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!”Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren klonk.Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, enzij wisten nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.„Kijk eens daar ginds, Nils?” riep Edrik. „Wat is dat daar te lijwaarts?”„Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan vertellen.”„Dat is een ijsberg, Edrik!” riep Leif uit. „Het verwondert mij dat gij de ijsbergen vergeten zijt!”„Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg was.”Daar riep kleine Nils uit: „Edrik, zie eens daar ginds!” en in tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari en de Sleipner ver vooruit.„Wat zou dat beteekenen?” riep Leif. „Zij schijnen het gevaar op de Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?”„Wij kunnen niets doen,” zei een oude Noorweger, die de kust van Groenland goed kende. „Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; teruggaan zou ons noodlottig worden.”„Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, mannen!” riep Leif.Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den ouden Eirik te kunnen helpen, als ’t noodig was.Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar spande men alle krachten in om het te ontkomen.Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, in plaats van er zich van te verwijderen.Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. „Red u vader!” riep hij. „Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!”Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het water was teruggevallen.Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: „Grijp het touw! Houd vast, vader!” en hij begon zich reeds van zijn zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,—nu een jaar ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam—had het kleed van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven water hield.Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man en hond met den dood worstelden. Hij slaagde erin het touw stevig om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord getrokken.Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf te gemoet ging.„Roeit voort, mannen!” riep Leif, „wij moeten beproeven te ontsnappen!”Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.„Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo’n dier gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!”De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude man hem liefkoosde.„Dat was bij het kantje af, Nils!” zeide Edrik.„O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren zijn!”
VII.
De gevangenen, aan Sigvald’s bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, die de oorzaak waren van zijn ballingschap.Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar wraak dorstend de anderen aldus aansprak:„Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, zullen wij er heen sluipen en wraak nemen.”„Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!” zei een ander.„Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!”Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.„Nu moet gij verstandig handelen;” zei Ikutil, „gij moet weten dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zondLeif een waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand te worden!”„Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!”Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.„Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de moeite waard!” zoo besloot hij.De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet gestoord kon worden.„Wij moeten haar zien,” zeiden de mannen, en snelden de kamer binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.„Wat zoekt gij hier?” riep Unna uit.„Wraak voor Thassi!” en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.„Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?”„Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!”Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den knapen eer te bewijzen.Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. Deberenhuidwerd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe op gedragen hadden.Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, terwijl hij tot hen zeide:„Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid.”De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:„Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels.”De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet tegen deze handelwijze,doch inplaats dat paarden werden geslacht om in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche gewoonte was.De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.Daarop kwam de „Najoel”, tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar Edrik’s nieuw gevonden land aangevangen zou worden.Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgsliedenom op verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.Het was een plechtige dag voorReikiaviktoen Eirik, de Roode, vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot zich en sprak:„Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!”Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graafEirik’s bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden:„Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!”Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren klonk.Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, enzij wisten nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.„Kijk eens daar ginds, Nils?” riep Edrik. „Wat is dat daar te lijwaarts?”„Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan vertellen.”„Dat is een ijsberg, Edrik!” riep Leif uit. „Het verwondert mij dat gij de ijsbergen vergeten zijt!”„Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg was.”Daar riep kleine Nils uit: „Edrik, zie eens daar ginds!” en in tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari en de Sleipner ver vooruit.„Wat zou dat beteekenen?” riep Leif. „Zij schijnen het gevaar op de Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?”„Wij kunnen niets doen,” zei een oude Noorweger, die de kust van Groenland goed kende. „Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; teruggaan zou ons noodlottig worden.”„Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, mannen!” riep Leif.Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den ouden Eirik te kunnen helpen, als ’t noodig was.Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar spande men alle krachten in om het te ontkomen.Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, in plaats van er zich van te verwijderen.Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. „Red u vader!” riep hij. „Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!”Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het water was teruggevallen.Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: „Grijp het touw! Houd vast, vader!” en hij begon zich reeds van zijn zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,—nu een jaar ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam—had het kleed van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven water hield.Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man en hond met den dood worstelden. Hij slaagde erin het touw stevig om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord getrokken.Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf te gemoet ging.„Roeit voort, mannen!” riep Leif, „wij moeten beproeven te ontsnappen!”Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.„Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo’n dier gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!”De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude man hem liefkoosde.„Dat was bij het kantje af, Nils!” zeide Edrik.„O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren zijn!”
De gevangenen, aan Sigvald’s bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, die de oorzaak waren van zijn ballingschap.
Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar wraak dorstend de anderen aldus aansprak:
„Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, zullen wij er heen sluipen en wraak nemen.”
„Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!” zei een ander.
„Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!”
Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.
„Nu moet gij verstandig handelen;” zei Ikutil, „gij moet weten dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zondLeif een waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand te worden!”
„Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!”
Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.
„Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de moeite waard!” zoo besloot hij.
De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet gestoord kon worden.
„Wij moeten haar zien,” zeiden de mannen, en snelden de kamer binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.
„Wat zoekt gij hier?” riep Unna uit.
„Wraak voor Thassi!” en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.
Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.
„Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?”
„Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!”
Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den knapen eer te bewijzen.
Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. Deberenhuidwerd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe op gedragen hadden.
Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, terwijl hij tot hen zeide:
„Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid.”
De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:
„Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels.”
De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet tegen deze handelwijze,doch inplaats dat paarden werden geslacht om in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche gewoonte was.
De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.
Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.
Daarop kwam de „Najoel”, tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.
Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar Edrik’s nieuw gevonden land aangevangen zou worden.
Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgsliedenom op verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.
Het was een plechtige dag voorReikiaviktoen Eirik, de Roode, vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot zich en sprak:
„Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!”
Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graafEirik’s bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.
Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.
De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden:
„Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!”
Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.
Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren klonk.
Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.
Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.
Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, enzij wisten nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.
„Kijk eens daar ginds, Nils?” riep Edrik. „Wat is dat daar te lijwaarts?”
„Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan vertellen.”
„Dat is een ijsberg, Edrik!” riep Leif uit. „Het verwondert mij dat gij de ijsbergen vergeten zijt!”
„Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg was.”
Daar riep kleine Nils uit: „Edrik, zie eens daar ginds!” en in tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari en de Sleipner ver vooruit.
„Wat zou dat beteekenen?” riep Leif. „Zij schijnen het gevaar op de Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?”
„Wij kunnen niets doen,” zei een oude Noorweger, die de kust van Groenland goed kende. „Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; teruggaan zou ons noodlottig worden.”
„Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, mannen!” riep Leif.
Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den ouden Eirik te kunnen helpen, als ’t noodig was.
Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar spande men alle krachten in om het te ontkomen.
Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.
Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, in plaats van er zich van te verwijderen.
Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. „Red u vader!” riep hij. „Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!”
Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het water was teruggevallen.
Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: „Grijp het touw! Houd vast, vader!” en hij begon zich reeds van zijn zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,—nu een jaar ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam—had het kleed van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.
Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven water hield.
Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man en hond met den dood worstelden. Hij slaagde erin het touw stevig om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord getrokken.
Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf te gemoet ging.
„Roeit voort, mannen!” riep Leif, „wij moeten beproeven te ontsnappen!”
Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.
„Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo’n dier gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!”
De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude man hem liefkoosde.
„Dat was bij het kantje af, Nils!” zeide Edrik.
„O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren zijn!”