VIII.Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun ’t liefst waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, en Njord maakte allerlei dolle sprongen.De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland zou blijven.Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn vrouw Guthrida.Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:„Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u allen beschermen!”Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zichtdat het eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te blijven, scheepten de reizigers zich weder in.Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu bekend als Nieuw-Schotland.Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in ’t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf hier den winter door te brengen.Men ging met ijver aan ’t werk. Boomen werden geveld om de woningen op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er een groot aantal herten.Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een ontdekkingstocht uit.„Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken,” zeide Edrik. „Wij zullen het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!”„Nooit Tyrkersland, als hij het ’t eerste ziet. Hij is geen graaf, niet waar jongens?”„Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen gelijk zijn.”Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:„O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?”De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen plukte, welke aan struiken groeiden.„Ik ben een Rijnlander, jongens!” riep Tyrker. „Ik zag dadelijk dat dit een wingerd was.” En hij ging voort van de druiven te eten en drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, en stilden honger en dorst tegelijk.„Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!”„Noem dit land dan „Wijnland,” als gij wilt. Maar wij moeten eenige vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!”Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de vruchten beschadigd werden.Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onderThorfinn, die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land zei hij:„Ja, zoo zal het zijn. „Wijnland” zal voortaan de naam zijn van dat paradijs.”Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben voor den winter.Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.„Wel,” zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, „als dit nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de gelukkigen, die het gevonden hebben!”Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Menwachtte tot het zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd „Snorri” gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite hadden hun koers te vinden.Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.„Ahoy, daar op dek!” riep hij. „Land vooruit!”„Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!” antwoordde Leif. Hij deed zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank vóór zich liggen.Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake een boot te water gelaten enEdrik, Nils en Osrik mochten met de bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk had geleden.De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand menschen stonden.„Waar vandaan?” vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het antwoord luidde: „Van Reikiavik!”Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner mannen.Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij denjageruit om te zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, op deze kust schipbreuk had geleden.„Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben,” antwoordde Leif. „In den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!”Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: „Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen.”En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vondenzij eenige mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren riep Thorhall:„Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien walvisch gekregen door mijn verzen.”Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op Groenland gevierd werd.
VIII.Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun ’t liefst waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, en Njord maakte allerlei dolle sprongen.De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland zou blijven.Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn vrouw Guthrida.Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:„Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u allen beschermen!”Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zichtdat het eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te blijven, scheepten de reizigers zich weder in.Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu bekend als Nieuw-Schotland.Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in ’t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf hier den winter door te brengen.Men ging met ijver aan ’t werk. Boomen werden geveld om de woningen op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er een groot aantal herten.Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een ontdekkingstocht uit.„Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken,” zeide Edrik. „Wij zullen het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!”„Nooit Tyrkersland, als hij het ’t eerste ziet. Hij is geen graaf, niet waar jongens?”„Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen gelijk zijn.”Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:„O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?”De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen plukte, welke aan struiken groeiden.„Ik ben een Rijnlander, jongens!” riep Tyrker. „Ik zag dadelijk dat dit een wingerd was.” En hij ging voort van de druiven te eten en drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, en stilden honger en dorst tegelijk.„Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!”„Noem dit land dan „Wijnland,” als gij wilt. Maar wij moeten eenige vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!”Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de vruchten beschadigd werden.Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onderThorfinn, die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land zei hij:„Ja, zoo zal het zijn. „Wijnland” zal voortaan de naam zijn van dat paradijs.”Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben voor den winter.Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.„Wel,” zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, „als dit nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de gelukkigen, die het gevonden hebben!”Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Menwachtte tot het zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd „Snorri” gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite hadden hun koers te vinden.Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.„Ahoy, daar op dek!” riep hij. „Land vooruit!”„Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!” antwoordde Leif. Hij deed zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank vóór zich liggen.Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake een boot te water gelaten enEdrik, Nils en Osrik mochten met de bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk had geleden.De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand menschen stonden.„Waar vandaan?” vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het antwoord luidde: „Van Reikiavik!”Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner mannen.Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij denjageruit om te zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, op deze kust schipbreuk had geleden.„Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben,” antwoordde Leif. „In den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!”Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: „Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen.”En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vondenzij eenige mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren riep Thorhall:„Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien walvisch gekregen door mijn verzen.”Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op Groenland gevierd werd.
VIII.
Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun ’t liefst waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, en Njord maakte allerlei dolle sprongen.De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland zou blijven.Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn vrouw Guthrida.Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:„Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u allen beschermen!”Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zichtdat het eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te blijven, scheepten de reizigers zich weder in.Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu bekend als Nieuw-Schotland.Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in ’t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf hier den winter door te brengen.Men ging met ijver aan ’t werk. Boomen werden geveld om de woningen op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er een groot aantal herten.Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een ontdekkingstocht uit.„Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken,” zeide Edrik. „Wij zullen het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!”„Nooit Tyrkersland, als hij het ’t eerste ziet. Hij is geen graaf, niet waar jongens?”„Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen gelijk zijn.”Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:„O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?”De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen plukte, welke aan struiken groeiden.„Ik ben een Rijnlander, jongens!” riep Tyrker. „Ik zag dadelijk dat dit een wingerd was.” En hij ging voort van de druiven te eten en drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, en stilden honger en dorst tegelijk.„Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!”„Noem dit land dan „Wijnland,” als gij wilt. Maar wij moeten eenige vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!”Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de vruchten beschadigd werden.Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onderThorfinn, die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land zei hij:„Ja, zoo zal het zijn. „Wijnland” zal voortaan de naam zijn van dat paradijs.”Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben voor den winter.Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.„Wel,” zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, „als dit nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de gelukkigen, die het gevonden hebben!”Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Menwachtte tot het zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd „Snorri” gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite hadden hun koers te vinden.Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.„Ahoy, daar op dek!” riep hij. „Land vooruit!”„Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!” antwoordde Leif. Hij deed zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank vóór zich liggen.Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake een boot te water gelaten enEdrik, Nils en Osrik mochten met de bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk had geleden.De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand menschen stonden.„Waar vandaan?” vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het antwoord luidde: „Van Reikiavik!”Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner mannen.Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij denjageruit om te zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, op deze kust schipbreuk had geleden.„Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben,” antwoordde Leif. „In den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!”Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: „Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen.”En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vondenzij eenige mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren riep Thorhall:„Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien walvisch gekregen door mijn verzen.”Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op Groenland gevierd werd.
Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun ’t liefst waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, en Njord maakte allerlei dolle sprongen.
De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland zou blijven.
Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.
Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn vrouw Guthrida.Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.
Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:
„Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u allen beschermen!”
Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.
Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.
Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zichtdat het eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.
Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te blijven, scheepten de reizigers zich weder in.
Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu bekend als Nieuw-Schotland.
Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in ’t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf hier den winter door te brengen.
Men ging met ijver aan ’t werk. Boomen werden geveld om de woningen op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er een groot aantal herten.
Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een ontdekkingstocht uit.
„Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken,” zeide Edrik. „Wij zullen het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!”
„Nooit Tyrkersland, als hij het ’t eerste ziet. Hij is geen graaf, niet waar jongens?”
„Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen gelijk zijn.”
Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:
„O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?”
De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen plukte, welke aan struiken groeiden.
„Ik ben een Rijnlander, jongens!” riep Tyrker. „Ik zag dadelijk dat dit een wingerd was.” En hij ging voort van de druiven te eten en drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.
De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, en stilden honger en dorst tegelijk.
„Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!”
„Noem dit land dan „Wijnland,” als gij wilt. Maar wij moeten eenige vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!”
Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de vruchten beschadigd werden.
Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onderThorfinn, die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land zei hij:
„Ja, zoo zal het zijn. „Wijnland” zal voortaan de naam zijn van dat paradijs.”
Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben voor den winter.
Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.
„Wel,” zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, „als dit nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de gelukkigen, die het gevonden hebben!”
Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Menwachtte tot het zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.
De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd „Snorri” gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.
De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite hadden hun koers te vinden.
Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.
Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.
„Ahoy, daar op dek!” riep hij. „Land vooruit!”
„Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!” antwoordde Leif. Hij deed zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank vóór zich liggen.
Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake een boot te water gelaten enEdrik, Nils en Osrik mochten met de bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk had geleden.
De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand menschen stonden.
„Waar vandaan?” vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het antwoord luidde: „Van Reikiavik!”
Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner mannen.
Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij denjageruit om te zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.
Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, op deze kust schipbreuk had geleden.
„Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben,” antwoordde Leif. „In den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!”
Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: „Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen.”
En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vondenzij eenige mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.
Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren riep Thorhall:
„Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien walvisch gekregen door mijn verzen.”
Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.
Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.
Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op Groenland gevierd werd.