IV.

image: 07_afdwalen.jpg

Maar telkens dwaalden zijn gedachten weer af, en telkens vergiste hij zich, en toen de sommen eindelijk klaar waren zagen ze er slordig en knoeierig uit. — 't Kon Eduard niets schelen en ongeduldig schoof hij alles op zij. — Toen zette hij zijn ellebogen op tafel, liet zijn hoofd in zijn handen leunen en keek naar buiten.

Dat was nu bijna voor 't laatst dat hij al die tuinen en daken zoo zag. — Morgenochtend misschien nog even, en dan in vier maanden niet meer. — Envannacht zouden Vader en hij hier ook voor 't laatst samen slapen en morgen — dan was Vader al heel ver weg en zou 's nachts in Bazel ergens in een vreemd hotel slapen, en hij zelf zou bij Tante Lina zijn, ook in een vreemd kamertje en in een vreemd bed. — Niets geen gezellig huis was dat van Tante Lina, met al die groote kamers, 't was hier thuis toch veel prettiger en gezelliger. Wat zou 't gek leeg zijn, als hier nu morgenavond niemand meer in de kamer kwam, en beneden ook, in de huiskamer, en in Vaders kamer, wat zou 't overal akelig leeg en donker en koud zijn. — Hoe lang zou Vader er nu nog zijn, 't was nu bijna drie uur, en morgenochtend om kwart voor negen ging Vader weg, dat was dus nog twaalf, en nog zes, nog achttien uur, bijna. En nu zat die mijnheer van der Zande, die Vader nog vier heele maanden zien kon, en die 't bovendien niks schelen kon of hij vader zag of niet, aldoor maar gezellig beneden te praten, en hij zelf moest hier alleen boven zitten. — Hoe lang zou dat nu nog duren?

En uit medelijden met zichzelf kwamen de tranen hem in de oogen; maar hij veegde ze haastig weg, en keek toen weer stil naar buiten.

En zoo zat hij nog toen Vader om drie uur naar boven kwam om hem te roepen. — Zachtjes trok Vader het hoofd van zijn jongen achterover en keek hem aan, en weer voelde Eduard zijn oogen vochtig worden.

"Ik vind 't zoo naar dat u boos werdt!" fluisterdehij, "maar 't kwam allemaal door mijnheer van der Zande, als die niet gekomen was ..."

"Nee vent, dat weet je wel beter, ik had je genoeg gewaarschuwd, je hadt niets meer te doen beneden, en als ik je dan drie, vier keer zeg naar boven te gaan moet je het ook doen; en ik wil nu wel gelooven dat je het niet prettig vondt dat mijnheer van der Zande er was, maar daarom mag je toch niet onbeleefd zijn, en dat propjes schieten kwam heelemaal niet te pas; zul je dat nu voortaan onthouden?"

Eduard knikte. "Maar nu bent u toch niet boos meer, is 't wel Vader?"

"Nee, ik ben nu niet meer boos. Ga nu maar gauw je jas aantrekken, dan gaan we mijnheer van der Zande naar den trein brengen."

Eduard trok zijn ijsmuts over de ooren toen ze buiten kwamen. 't Was koud, vriezend weer. — "Hoe is 't mogelijk, we gingen al haast naar de lente toe, en nu weer zoo'n kou, we krijgen bepaald nog ijs!" hoorde hij mijnheer van der Zande zeggen. Toen holde Eduard vooruit naar 't bosch. Een helder winterzonnetje deed de witte sneeuwplekken, die hier in 't bosch na de laatste sneeuwbui nog niet waren weggedooid, glinsteren. — Eduards verdriet van straks was vergeten, en voor een half uurtje dacht hij er niet aan dat het Vaders laatste dag was, en dat het de eerstvolgende keer, dat hij hier weer met Vader zou wandelen, midden in den zomer zou zijn.

Telkens holde hij een zijweg in, om dan opeens weer uit een klein laantje te voorschijn te schieten en een pas of tien rustig naast de beide heeren verder te wandelen, die druk in gesprek hun weg vervolgden; dan rende hij weer vooruit om even verder over een bank te springen.

"Wel Kerner, die jongen van jou lijkt wel onvermoeid!" zei mijnheer van der Zande eindelijk. "Wat een levenslust!" en tegen Eduard, die weer hijgend aan kwam loopen: "Word je niet moe, baas?"

"Nee mijnheer, heelemaal niet!" lachte Eduard, "maar nu blijf ik toch eens een beetje hier!" En hij stak zijn hand door Vaders arm.

"Meneer, alles is klaar, zal ik nu maar heengaan? En dan breng ik meteen het restje van Edu z'n goed naar mevrouw Verhey."

Vader liet zijn koffertje, waar nog een paar vergeten dingen ingeperst werden, in den steek.

"Is alles klaar, Rika? En achter alles gesloten ook? Mooi, dan zal ik zoo meteen nog wel even gaan zien. — Ja, dan zou ik nu maar weggaan," en op een pak in de gang wijzend: "is dat alles wat nog voor Eduard weggebracht moet worden?"

"Ja meneer, het andere is gisterenavond gegaan."

"Mooi, mooi. — Nou Rika, 't ga je goed hoor, tot over vier maanden!"

"Ja meneer. Dag meneer, goeie reis!"

"Dank je. Dag Rika!"

Eduard ging mee om Rika uit te laten. "'k Zal vast aan je Tante vertellen wat voor een lastpost ze in haar huis krijgt," beloofde ze.

"Dat zeg je nou wel, maar dat doe je toch niet!" lachte Eduard, "je durft het niet eens! Dag ouweRika!" En toen ze de deur al uit was nog eens "Dag ouwe Rika!"

Toen liep hij weer naar de huiskamer terug en bleef stil staan kijken terwijl Vader de riemen van het koffertje dicht gespte. 't Was 't laatste stuk van Vaders bagage; de groote koffer was de vorige week al weggegaan, en twee kleinere stonden nog in de gang om straks boven op de vigelante getild te worden. 't Handkoffertje zou Vader bij zich houden.

"Afgeloopen," zei Vader, toen de riemen vast waren, en hij keek Eduard aan. — "En nu gaan we weer verder," en hij nam 't koffertje op om het in de gang bij de andere te zetten.

En toen begon een tocht door het huis; 't was een van de akeligste tochten, die Eduard ooit gemaakt had. — Aldoor zwijgend liep hij met Vader mee, bezochten ze alle kamers om de beurt, en terwijl Vader keek of de ramen goed dicht waren, en de kasten sloot, moest Eduard steeds maar denken aan dat vreeselijke oogenblik, dat nu al zoo vlak bij was, het oogenblik, dat Vader weg zou rijden, dat hij Vader niet meer zien zou, voor vier lange maanden, voor een vreeselijk langen tijd, waaraan bijna geen eind zou komen.

Vaders eigen kamer was het laatst aan de beurt, en daar borg Vader de sleutels weg. — "Ga je aankleeden, Pepi," zei hij, "je moet naar school toe, het rijtuig zal mij wel dadelijk komen halen." En toen hij merkte dat Eduard maar heel stil dicht bijhem bleef staan en hem aldoor strak aanzag, keek hij zijn jongen diep in de oogen en zei zacht: "zul je voorzichtig zijn, Pepi? Zul je maken dat ik over vier maanden een gezonden, vroolijken jongen terugvind?"

Eduard knikte, maar zonder iets te zeggen. — En aldoor bleef hij Vader maar aankijken.

Toen klonk in de verte het geluid van wielen; dichter en dichter bij kwam het. Eduard ging naar het raam; "het rijtuig," zei hij. —

Voor de deur hield het stil. —

Toen werd er gebeld, Vader liep de gang in en zette zijn hoed op, en opende toen de voordeur om den koetsier aanwijzingen te geven voor het opladen van de koffers. Toen trok Vader zijn jas aan, nam die van Eduard van den kapstok, en kwam weer binnen.

Eduard stond nog voor het raam, en Vader ging naar hem toe en heesch hem in zijn jas. — En toen .... "Vader, Vader!" snikte Eduard, en hij klemde zijn armen om Vaders hals.

"Mijn kleine Eddy!" Even liet Vader zijn jongen nog tegen zich aanleunen en klopte hij hem zacht op den rug. Toen maakte hij zich los, en Eduards hoofd tusschen zijn handen nemende kuste hij hem voor 't laatst.

Toen nam Vader de schooltasch van tafel op en hielp hem die op zijn rug te hangen. En Eduard liet zich meenemen, de gang in, waar Vader hemzijn pet aangaf, en verder naar buiten, waar de koetsier op den bok al zat te wachten.

Vader sloot de huisdeur, en stak den sleutel in zijn zak.

image: 08_afscheid.jpg

"Denk er aan, als je soms iets noodig hebt, dat Tante Lina den anderen sleutel heeft," zei hij. —

"En zul je nu gauw naar school toe gaan?"

Eduard knikte, en Vader stak zijn hand uit: "Dag Pepi, houd je taai!"

"Dag Vader!"

Toen draaide Vader zich om, en wenkte den koetsier dat alles in orde was. — Vader stapte in; nog even knikte hij Eduard toe, toen klapte het portier dicht en de wielen begonnen zich te bewegen. Eduard keek het rijtuig na terwijl het verder en verder wegrolde, nog even zag hij Vader wuiven, toen verdween het om den hoek.

Vader was weg.

Vreemd leeg en stil was de heele straat, en Eduard keerde zich om en liep den anderen kant uit, naar school.

"Kerner, hoe is 't? Let je nu weer niet op?"

Eduard schrikte op. Dat was de derde keer al vanmorgen, eerst had hij bij 't lezen al niet geweten waar 't was, en dit was nu al den tweeden keer dat mijnheer hem er met 't uit het hoofd rekenen op betrapte dat hij er niet bij was.

"Nu," klonk het ongeduldig, "heb je geluisterd of niet?"

Eduard schudde van nee; hij voelde, dat de jongens allemaal naar hem keken, en daar waren ook die akelige tranen weer. Hij knipte ze haastig weg. Hij wilde in de zesde klas niet huilen.

"Dan wacht je om twaalf uur maar eens. — En nu jij, van Effen, de laatste som nog eens alsjeblieft."

Eduard probeerde te luisteren, maar hij hoorde er nog niet veel van.

Eerst, onder de leesles, was hij aldoor met zijn gedachten aan 't station geweest, zag hij Vader afscheid nemen van Tante Lina en Oom Tom, die nog even aan 't perron zouden komen. En verder had hij er den heelen morgen telkens over zitten soezen waar Vader nu zou zijn, of 't nog lang zou duren voor Vader in Arnhem zou aankomen, of Vader daar mijnheer van der Zande gauw zou vinden ...

Nu was hij nog kwaad op zichzelf ook, had hij maar beter geluisterd! Om twaalf uur schoolblijven, en dat juist nu het de eerste keer was dat hij dadelijk uit school naar Oom en Tante moest! Wat zou Tante Lina wel zeggen, als hij zoo laat kwam, en Oom Tom was altijd zoo streng!

Weer spande Eduard zich in om op te letten. Dat was de zevende som nu al, en hij had er pas twee goed! 't Ging nooit prachtig, uit het hoofd rekenen, maar vandaag was 't al heel erg! Akelige, nare dingen! Deze keer waren ze dan toch ook bizonder lastig!

Hij vond er van de drie laatste nog maar één, en toen om twaalf uur de bel ging, kon hij er maar drie als goed opgeven.

De jongens stormden weg, en Eduard bleef in zijn bank zitten. Mijnheer Snijders liep mee de gang in. Een paar minuten galmde het drukke geroes nog na in het groote steenen gebouw, toen werd het stiller en stiller,en mijnheer Snijders kwam weer binnen en deed de deur van de klas dicht. Ongeduldig hing Eduard in zijn bank, vurig verlangend om weg te komen uit 't ongezellige, leege lokaal.

De onderwijzer bleef rustig even staan schrijven aan zijn lessenaar, en begon toen: "Kerner, dat gaat zoo niet, dat rekenen moet beslist beter worden. — Dat zijn nu vandaag maar drie van de tien sommen, en je schriftelijk werk is tegenwoordig ook al niet schitterend, ik sprak er de vorige week al met je Vader over, toen hij hier was, en ... is je Vader al weg?" viel hij zichzelf in de rede.

"Vader is vanmorgen weggegaan," antwoordde Eduard zacht.

"Zoo." — Mijnheer Snijders zweeg eenige oogenblikken, en vervolgde toen: "Nu, ik heb het je nu gezegd, als je op het volgende rapport voldoende voor rekenen wilt hebben dien je deze maand terdege je best te doen. En maak nu maar gauw dat je wegkomt."

Eduard holde de school uit, blij dat het niet langer geduurd had. Tot Tantes huis toe bleef hij hollen, in de hoop dan nog niet zóó laat thuis te komen dat het de aandacht zou trekken, en hijgend liep hij de stoep op en belde aan. Het luidruchtige gepraat van zijn neefjes drong vanuit de gang al tot hem door, toen trok Piet met een ruk de deur open.

"Kijk, daar hebben we Eduardje ook!" riep hij,en toen met een plechtig uitnoodigende handbeweging: "Treed binnen, mijn zoon, en ontdoe uw schoeisel van het aanklevende stof opdat onze dierbare Trinia u niet hooghartig tegemoet trede en u met één blik uit haar vurige oogen vernietige, met andere woorden: veeg je voeten anders is Trijntje kwaad."

"Doe nou niet zoo idioot," snauwde Hugo en hij deed de voordeur dicht, en Eduard vroeg met een akelig gevoel van niet-thuis zijn: "Moet ik mijn jas hier ophangen, zeg?"

"Zeker Eduardje, hang jij je jas hier maar op," zei Hugo, en tegen Piet: "Nou, en wat deed Somers toen?"

En Piet: "Nou, eerst deed hij niks, en toen zei hij: 'Wie piept daar zoo?' Maar toen gaf natuurlijk niemand antwoord, en toen vroeg hij 't nog eens en toen zei weer niemand iets, en eindelijk werd hij nijdig en Jansen piepte altijd maar door, en we zaten allemaal te schudden van 't lachen en op 't laatst snapte hij dat Jansen het deed en toen vloog hij naar Jansen z'n bank toe en Jansen riep maar aldoor: 'Ik deed 't niet, de bank deed het!'"

De jongens waren naar binnen gegaan, Hugo aandachtig luisterend, zijn handen in zijn zakken, Piet druk pratend en gebaren makend. Eduard volgde ze in de huiskamer. — "Dag tante," zei hij, en hij ging naar Tante Lina toe om haar een hand te geven.

"Zoo Edu, ben je daar," zei Tante, "dat is best. Hoe is 't er mee?"

"Goed, Tante."

"Vader is op tijd aan den trein gekomen, hoor! Oom en ik waren allebei aan 't station, en Vader liet je nog de groeten doen en vroeg of je vooral gauw schreef."

"Vroeg Vader dat?"

Tante knikte, maar haar aandacht was alweer op de jongere leden van de familie gevestigd. "Stil Tommy, niet zoo'n leven maken, en Broertje, laat je nu dadelijk zoet je slabbetje voor doen door Juf!"

En tegen de anderen: "Jongens, komen jullie gauw zitten, ik hoor Pa al in de gang!"

Daar kwam kleine vijfjarige Beppie naar Eduard toe en duwde haar vuistje in zijn hand. 't Gaf hem opeens een warm gevoel van vriendelijkheid in de vreemde omgeving. En een hoog, overslaand kinderstemmetje vroeg: "Mag Eetje naast mij zitten, Maatje?"

't Was een vroolijk span, Tantes zestal.

Hugo was de oudste. Hij was veertien jaar, zat in de derde klas H. B. S., werkte hard, en commandeerde de kleintjes.

Piet was een jaar jonger dan zijn broer, en nam het werken heel wat luchtiger op. Hij was ook op de H. B. S., maar in de eerste klas, en de andere jongens vonden hem "een leuke vent". Hij leerde heel gemakkelijk, en vond het gewoonlijk niet de moeite waard, aan zijn lessen veel tijd te besteden. Meestal keek hij ze even door, en probeerde dan bij het overhooren zich er op de een of andere manier handig uit te redden.

Dan volgde Lineke, een donker kind van tien jaar, die dol veel van lezen hield, en die, wanneer ze in een boek verdiept was, niets meer zag of hoorde van wat er om haar heen gebeurde. — Ze was heel wat rustiger dan zevenjarige Tommy, een ondeugende bengel, die zijn Moeder en de kinderjuffrouw heel wat last bezorgde. — Beppie was een blond krulkopje met een vriendelijk snoetje en groote, helderblauwe oogen, en dan volgde nog de benjamin, Broertje, een stevige dikzak van drie, die zijn eigen willetje al graag deed gelden, en in zijn koninkrijk, de groote speelkamer, onbeperkt heerschte.

De jongens hadden hun stoelen aangeschoven, en Beppie had Eduard meegetrokken naar haar eigen hooge kinderstoeltje, waar ze vlug inklauterde. "Nu moet jij hier zitten, Eetje!" zei ze, op den stoel naast zich wijzende.

Eduard lachte even tegen het grappige kleine ding, en keek toen Tante aan, want hij begreep wel dat het niet de bedoeling was dat hij op Oom Toms stoel ging zitten.

Tante Lina had zich naar hen toegekeerd. "Maar Bep," zei ze, "Edu moet eigenlijk tusschen Piet en Lineke zitten, dat vindt hij natuurlijk ook veel prettiger!" En van Beppie's teleurgesteld gezichtje naar Eduard ziende: "Of wil je wel graag tusschen Oom en Beppie inzitten, Edu?"

"Jawel Tante," antwoordde Eduard, om Bep plezier te doen, en Tante zei haastig: "Nu, verzet de stoelen dan maar even en schuif die van jullie wat dichter bij elkaar, dan zit Oom toch op zijn gewone plaats."

De Kapitein was binnengekomen, en 't had Tommy, die aan zijn verontwaardiging tegen Piet op handtastelijke wijze uiting gaf, dadelijk doen bekoelen.

"Pa," begon hij, nog rood van kwaadheid, "Pietzegt, dat ik een uil ben!" en met een triomfantelijken blik naar Piet: "en hij is er zelf een!"

De Kapitein voelde niet veel roeping om uit te maken, wie van zijn zoons een uil was. — "Stil jongens!" zei hij, "wat moet je neef wel van jullie denken!" en Eduard op den schouder kloppend: "Ben je niet eerst bij vergissing naar huis geloopen, zeg?"

Maar Beppie liet hem geen tijd om te antwoorden.

"Paatje," vertelde ze, "Eetje wil liever tusschen Paatje en Beppie zitten dan tusschen Piet en Lineke!"

De Kapitein begon hardop te lachen. "Zoo prul, dat is vleiend voor ons, he?" zei hij, en met een komiek ernstig gezicht: "En Beppie wil liever naast Eetje zitten dan naast Paatje!"

Beppie deed dadelijk haar best om 't weer goed te maken. — "Beppie wil ook wel tusschen Eetje en Paatje zitten!"

"Och, die arme juf!" zei Oom Tom hoofdschuddend. "Juf, hoort u 't, dan hebt u bij Beppie afgedaan!"

Bep strekte haar handje naar juf uit. "Nee, heusch niet!" verzekerde ze ernstig, en toen verlegen de tafel rondziende: "Beppie wil wel naast allemaal zitten!"

Een uitbundig gelach volgde, en Bep keek verwonderd rond.

Broertje, die het niet geschikt vond dat er van zijn zusje zooveel meer notitie werd genomen danvan hem, schoof met een boos gezicht het bordje met de netjes in dobbelsteentjes gesneden boterham van zich af, en verklaarde: "Ik wou niet meer eet."

Niemand lette op hem, behalve de juffrouw, die kalm het bordje weer naar hem toeschoof, met een "dooreten, Broer."

Maar Broer liet zich niet gauw lijmen, en 't kostte de juffrouw veel moeite, er nog een halve boterham in te stoppen. — Broertje mopperde hevig, maar niemand luisterde naar hem. Bep peuzelde met een tevreden gezichtje haar bordje leeg, en Eduard keek vol aandacht naar Hugo, die op school pas de electrische schel behandeld had, en nu zijn Vader wilde overhalen het geheele huis van boven tot beneden van electrische schellen te voorzien. De anderen zaten te ver van Broer af om op hem te letten.

"Heusch Pa," zei Hugo, "'t zal zooveel niet kosten, en als u nu maar goed vindt dat ik alles wat ik noodig heb voor uw rekening laat opschrijven, dan zal ik het allemaal fijn in orde maken!"

"Zeker," antwoordde de Kapitein, "en dan op de manier van Piet, die de tuin wel in orde zou maken toen we hier kwamen wonen; er werd tuingereedschap gekocht, twee maanden bleef alles liggen, en ..."

"Nou ja Pa, maar dat kwam ..." begon Piet, en Hugo viel hem haastig in de rede: "Maar ik zal dit nu heusch wel netjes doen, toe Pa, zegt u numaar dat het goed is, het zal heusch zoo gemakkelijk zijn!"

"Ja, heel gemakkelijk, dat denk ik ook; dan bellen de heeren boven op hun slaapkamer: 'Keetje, wil je eens even aan Ma zeggen dat er geen enkele knoop meer aan mijn broek zit!'"

Tante Lina lachte, en Hugo, half hopend dat hij het gewonnen zou hebben nu Pa er gekheid over maakte, besloot: "Dus u vindt het goed, Pa?"

"Tut, tut, dat zeg ik niet, ik zal er eens over ..."

"Ik wou niet meer eet!" klonk het opeens boven alles uit, en Broertje gooide met een driftige beweging zijn melkkroesje, dat hij juist had leeggedronken, op den grond, schuins naar zijn Vader glurende om te zien, hoe deze nieuwe stoutigheid zou worden opgenomen.

"Hei jongenheer, wat is dat? Wat wou je niet meer?" informeerde de Kapitein streng.

"Ik wou niet meer eet!" herhaalde Broer, maar heel wat kalmer nu.

"Zoo? Waarom niet?"

"Och, Broertje is ondeugend," zei de juffrouw, "hij wilde eerst een boterham alleen met gelei hebben, en nu wil hij niet eten omdat er geen boter onder is!"

"Foei Broer," zei Tante Lina, "eet gauw op!" Maar Broertje hield koppig vol: "Wou niet meer eet!"

Zijn Vader keek hem strak aan.

"Broertje, waarom heb je je kroes op den grond gegooid?"

image: 09_kroes.jpg

Broer wreef met zijn wijsvinger over de plek waar de kroes gestaan had, toen draaide hij zich half om, boog zich over de zijleuning van zijn stoel, en bleef zoo aandachtig kijken naar het bewuste voorwerp op den grond.

Het was zoo'n vermakelijk gezicht, dat Eduard niet kon laten er om te lachen.

"Nu, Broer?"

Broer had bedacht wat hij zeggen wilde. — "Kroesje wou niet meer op de tafel staan," verklaarde hij, "en daarom is kroesje op den grond gaan liggen." En weer naar beneden kijkend: "Toute kroes, wil jij wel eens gauw weer bij Broertje komen!"

Lineke en de jongens hadden dolle pret, en zelfs de Kapitein keek gauw een anderen kant uit.

De juffrouw wilde 't nog eens probeeren, en hield weer een hap voor Broers mond, maar hij liet zich niet foppen, en begon dadelijk weer met zijn zeurig "wou niet meer eet!"

"Nu, dan laat je het maar," zei de Kapitein koeltjes, "en verdwijn dan meteen maar gauw. Ga maar naar de leerkamer en blijf daar een poosje."

Nu begonnen Broers tranen te vloeien. "Wou niet weg!" riep hij, en hij klemde zich stevig aan zijn stoel vast.

"Broertje, moet ik je komen halen?" Een heftig nee-schudden was het eenige antwoord.

"Vooruit dan; een, twee, drie, opgemarcheerd marsch!"

Nu liet de kleine jongen zich van zijn stoel afglijden en huilend holde hij de kamer uit.

"Kinderen die nog niet weten, hoe ze zich behooren te gedragen, moeten maar verdwijnen," zei de Kapitein.

Eduard dacht aan iets dat gisteren gebeurd was, dat hier zoo veel op leek, en dat toch zoo heelanders was. Gewoonlijk was hij aan tafel druk genoeg, maar nu was hij heel stil, niet thuis als hij zich voelde in de roezige drukte om hem heen. Hij luisterde stil naar het gepraat van zijn neefjes en nichtjes, die steeds doorbabbelden en lachten; aan scènes als die van zooeven met Broer waren ze al lang gewoon.

"Eet jij nu nog eens een boterham," zei Oom Tom.

Maar Eduard bedankte; hij had geen trek meer.

"Ik wel," zei Piet, en etend vertelde hij dat de ijsbaan Zaterdag geopend werd als 't bleef vriezen. "Heb je ook je schaatsen meegebracht?" vroeg hij.

"Nou of ik," zei Eduard dadelijk.

"Als hij open is, hol ik er Zaterdag na de koffie dadelijk naar toe," verklaarde Piet "of ik ga op de fiets, dan ben ik er nog gauwer. Mag dat Pa?"

"Eet nou eerst je boterham maar op," antwoordde de Kapitein, "we zijn allemaal klaar." En tegen zijn vrouw: "Wanneer komen de van Marens nu eigenlijk, vánavond of mórgenavond?"

"Vanavond."

"O ja, juist." — Oom Tom keek op de klok en stond op. "Ik moet weg, laat jij Broer meteen even uit de leerkamer? Tot straks dan. — Dag juffrouw, dag jongens!"

De Kapitein sloot de deur achter zich, en ook de juffrouw stond op, om met Bep en Tommy naar de speelkamer te gaan.

't Gaf in eens een heele leegte.

"Edu," begon Tante Lina, "vertel eens, zit je in een prettige klas?"

"Jawel, Tante."

"En heb je aardige vrinden?"

"Theo de Beer is een leuke jongen, en Meertens ook wel, die zit achter me."

"Is dat die jongen met die kalfsoogen?" vroeg Piet.

"Meertens heeft geen kalfsoogen!" begon Eduard verontwaardigd, maar Tante Lina viel hem in de rede: "Och, hij plaagt maar wat, hij kent die jongen niet eens!" En verder vragend: "Wanneer maak jij meestal je huiswerk, Edu, óók 's avonds?"

"Ik begin haast altijd dadelijk als ik uit school thuis kom, en als ik dan niet klaar kom maak ik 't 's avonds af!"

"Kijk eens aan, dat komt prachtig uit; Piet en Hugo werken altijd 's avonds, dus als je dan om vier uur naar de leerkamer gaat heb je 't rijk alleen, en dan kun je daar heel rustig en op je gemak werken."

"Graag Tante."

Tante Lina stond op en begon de bordjes in elkaar te zetten. — "Willen jullie nu een van allen Edu zijn kamertje eens wijzen?"

Lineke was met haar boek bij het raam gaan zitten en Hugo keek zijn les nog eens over. Piet was de eenige die niets deed. Toen hij geen aanstalten maakte vroeg zijn Moeder nog eens: "Piet, wil jij 't doen?"

"Graag Tante," zei Piet met een hooge stem, enEduard een arm aanbiedende: "Waarde neef, mag ik het genoegen hebben u naar boven te begeleiden?"

In de gang liet hij zijn "waarde neef" los, en rende vooruit de twee trappen op. — "Je slaapt naast Huug en mij," vertelde hij. "Ben jij 's morgens nogal vroeg wakker?"

"Ja, meestal wel."

"Nou, bons dan eens flink tegen den muur en por ons op, wij zijn echte slaapkoppen."

"Goed, maar roep mij dan ook als jullie eens vroeg bent!"

Piet had de deur van 't logeerkamertje opengedaan. "Betreed dit heilige der heiligen met gepasten eerbied!" fluisterde hij.

Eduard lachte, en liep naar binnen.

"Nou, ik smeer 'm, hoor! 'k Heb om half twee school," verkondigde Piet, die met zijn handen in zijn zakken op den drempel was blijven staan. "Dag Eduardje!" en op zijn hielen draaide hij zich om.

"Da-ag!" zei Eduard.

Hij keek eens om zich heen. — 't Was een klein, helderlicht kamertje. — Aan den eenen kant, tegen den muur die aan de kamer van Hugo en Piet grensde, stond het bed met de geelkoperen knoppen, en even streek Eduard zacht over de vouwen in 't schoone linnen.

Tegen den anderen muur stonden de waschtafel en een kastje, en voor 't raam op een klein tafeltjezag hij een kandelaar met een nieuwe kaars, een doosje lucifers er naast.

Eduard keek naar de schoone handdoeken op de waschtafel en naar 't nieuwe stuk zeep in 't zeepbakje; toen, aarzelend omdat hij niet wist of 't wel mocht, trok hij de deur van 't kastje, die op een kier stond, open. 't Was heelemaal leeg. — Zeker voor hem, om allerlei dingen in te leggen. — Maar gauw deed hij de deur weer dicht toen hij dacht dat er iemand naar boven kwam, en stil bleef hij staan luisteren. — Nee, hij hoorde nu niets meer, zeker was 't dus verbeelding geweest.

Eduard liep naar 't raam om naar buiten te kijken, en daar opeens, naast 't bed tegen de muur, zag hij een oude bekende staan. 't Was zijn koffertje. De doos, die Rika 's morgens gebracht had, en zijn vioolkist stonden er bij. Eduard verlangde er opeens naar, nu nog meer bekende dingen te zien, en hij draaide den sleutel, die in het slot stak om, en lichtte het deksel van den koffer op.

't Eerste wat hij zag was een klein pakje, dat hij zich niet herinnerde gezien te hebben toen de koffer dicht ging. 't Was in bruin papier gepakt, en met Vaders bekende letters stond er op geschreven: "Voor Pepi."

Eduard trok aan het touwtje en ongeduldig scheurde hij het papier er af. 't Was een doos chocola. Dat was nou net iets voor Vader, om zoo iets te bedenken! Vader bedacht altijd van dieaardige, echt leuke verrassingen, waar je heelemaal niet op rekende!

Hij opende de doos, die gevuld was met groote flikken, en stak er onmiddellijk een in zijn mond. — Was Vader er nu maar, om ook mee te eten! Om alleen chocola te eten was toch lang zoo gezellig niet! Maar hij hoefde ook eigenlijk niet alleen te eten; straks, na het eten bijvoorbeeld, kon hij de doos mee naar beneden nemen en al de neefjes en nichtjes presenteeren, dat zouden ze zeker wel leuk vinden!

Maar dan was 't ook eigenlijk ineens op! Was 't niet prettiger om de doos maar hier te houden, en er alleen maar zelf een te nemen als hij er erg veel trek in had? Dan kon hij hem later altijd nog eens mee naar beneden nemen, dat hoefde toch ook niet dadelijk, en dan eerst maar maken dat niemand hem vond. — Maar waar zou hij hem dan stoppen? In 't kastje? Dat durfde hij toch niet op slot te doen!

Besluiteloos keek Eduard naar de doos. Liever maar in 't koffertje, dat was eigenlijk nog het veiligst! Hij raapte het papier op en begon de doos weer in te pakken. — Wat vreeselijk lief toch van Vader, om daar met al die drukte nog aan te denken! Waar zou Vader nu zijn? Om één uur zouden ze uit Arnhem gaan, dus Vader was zeker nog wel in het land, maar wie weet hoe kort nog maar! En in eens bedacht hij dat hij iederen keer als hij een flikuit de doos nam daarbij aan Vader wilde denken; hij peuterde aan het touwtje om den knoop los te krijgen, maar 't ging slecht met zijn koude vingers. 't Was hier boven ook wel verschrikkelijk koud! Zou de ijsbaan heusch Zaterdag open zijn? 't Zou leuk zijn! Gauw nog even zijn schaatsen opzoeken, dat kon nog net voor hij naar school moest! Hij rommelde in den koffer, maar vond ze niet dadelijk, zeker lagen ze heelemaal onderin! Vlug gooide hij een paar dingen die hem in den weg lagen op den grond, zijn schoenen, wat ondergoed, een paar boeken, een blouse, ja, daar waren de schaatsen ook! Eduard bekeek ze even; ze zagen er nog prachtig uit, verleden jaar was er heelemaal geen ijs geweest, en het jaar daarvoor had hij ze pas nieuw gehad, en er ook maar een keer of vier op gereden. — Hij dacht aan den eersten keer dat hij er toen op gestaan had, en aan al de buitelingen die hij toen gemaakt had; 't zou nu zeker wel veel beter gaan!

"Edu, moet je niet naar school?" klonk het beneden.

Eduard keek verward naar den rommel om hem heen. "Ja Tante, ik kom!" riep hij. Er was nu geen tijd meer om alles op te ruimen, dat moest dan vanavond maar; haastig legde hij de schaatsen op een stoel en de doos chocola in den koffer, toen klapte hij het deksel dicht en draaide den sleutel om. — Waar moest hij dat ding nu laten? Zoo maar los in zijn zak? Niet erg veilig, beter aan zijn horloge-ketting. — Sleuteltje en horloge werden bij elkaar weggestopt, toen liep Eduard vlug naar beneden.

Een verdieping lager stak Beppie haar krullebol om den hoek van de speelkamerdeur. "Eetje!" riep ze, en naar hem toekomend: "Doe je na het eten een spelletje met me?"

"Wat voor spelletje?"

"Een leuk spelletje!"

Eduard begon te lachen. "Ja, goed," beloofde hij. Toen holde hij verder de trap af.

"Jij bent 'm, jij bent 'm!"

Helder klonken de hooge kinderstemmen door de ruime, marmeren gang.

Tommy, die 'm was, had zijn eene been opgetrokken, en hinkte op het andere zoo vlug mogelijk zijn zusjes en Eduard achterna, om ze een van drieën te tikken. 't Was moeilijk genoeg, want ze waren naar het wijde middengedeelte van de gang gevlucht, tusschen de trap en de leerkamer, en Tommy had het hard te verantwoorden; de anderen konden zich op hun twee beenen heel wat vlugger bewegen dan hij op één, en vroolijk dansten en sprongen ze om hem heen met hun steeds herhaald uitdagend gezang: "En Tommy is 'm, en Tommy is 'm!"

Telkens klonk een luid gegil, als ze een van allen bijna gepakt werden; als ze dan nog juist bijtijds aan Tommy's grijpende handen ontglipten ging er een gejuich op, en dan volgde weer 't refrein: "En Tommy is 'm!"

Tommy kreeg 't er warm van. Even bleef hijtegen den muur staan om uit te rusten, toen begon hij weer met nieuwen moed; opeens verloor hij zijn evenwicht en bonsde tegen de deur van de leerkamer aan.

image: 10_hinken.jpg

"Toe nou!" riep een booze stem, maar 't verstoorde de pret in de gang niet, en Tommy hinkte met zoo'n vaart naar de trap toe, dat Lineke nauwelijks kon ontsnappen. Vlug als een aal was ze over de trapleuning gegleden, en twee treden hoog staande zong ze, met een kleine variatie op 't thema van straks, op de wijs van "In Holland staat een huis": "En Tommy is 'm nog, en Tommy is 'm nog!" Bep en Eduard deden dadelijk mee, en Bep vond't zoo leuk, dat ze op een vervaarlijke manier begon te springen.

Tommy, aangevuurd door 't gezang, was naar haar toegehinkt, en Bep, die vlak bij 't traphoekje stond, merkte het te laat om nog weg te loopen. — "Nee, nee!" gilde ze, maar 't hielp haar niets, en ze werd getikt.

De anderen lachten, en Eduard viel dadelijk in: "En nu moet Bep 'm zijn; en nu moet Bep 'm zijn!"

Bep hinkte er dapper op los, en Tommy, dolblij dat hij het gebruik van zijn twee beenen weer had, holde van 't eene eind van de gang naar het andere, en schreeuwde zoo opgewonden, dat zijn Moeder hem van uit de huiskamer waarschuwde met een: "Niet zoo druk zijn, Tommy!"

't Viel kleine Bep niet mee. Ze werd erg moe van 't hinkelen, en bleef telkens uitrusten; toch vond ze 't echt leuk, zoo heelemaal met de grooten mee te mogen doen, en haar blauwe oogen straalden van pret. — Maar eindelijk hijgde ze zoo, dat Eduard medelijden met haar kreeg, en toen liet hij zich maar vangen.

"Nou heb ik je getikt!" riep Bep verrukt, en Tommy, die de trap half op was geloopen en nu over de leuning hing, schreeuwde: "Ouwe Ee, ouwe Ee!"

"Je mag niet op de trap!" riep Lineke, en Eduard zei dadelijk: "Nee, dat mag niet, kom naar beneden, Tom!"

"Ga jij dan een eindje weg!"

"Ja, ik ben al weg!" Eduard hinkte een paar passen achteruit; "ik zal wachten tot je weer beneden bent!"

Stampend kwam Tommy de trap af, en toen hij in de gang stond begon hij onmiddellijk weer met zijn uitdagend: "Ouwe Ee!"

"Wacht, ik zal je krijgen!" Eduard hinkte met zulke groote passen naar hem toe dat Tom zoo vlug mogelijk maakte dat hij wegkwam. — Eduard draaide zich lachend om; de kleintjes konden hem dezen keer niet schelen, Lineke moest er aan gelooven, en nu begon er een wilde jacht, waarbij hij Lineke steeds in het oog hield, en waarbij Bep en Tommy hem telkens in den weg liepen, steeds juichend: "En hij kan ons lekker niet krijgen!"

Hij had de kleintjes al lang kunnen pakken als hij gewild had, maar 't was hem dezen keer om Lineke te doen, en dat kind was hem telkens te vlug af.

"Je loert aldoor op mij!" riep ze, en ze schoof weer weg langs de deur van de leerkamer, juist toen Eduard haar grijpen wilde.

"Kinderen, komen jullie nu toch binnen!" riep Tante Lina, "'t is veel te koud om zoo lang in de gang te blijven!"

"Toe Tante, nog even!" vroeg Eduard, warm en rood van inspanning, en weer hinkte hij Lineke achterna, en weer was 't een gejoel en gejuich en gehol, tot hij haar eindelijk in een hoekje had waaruit geen ontsnappen meer mogelijk was. — Toenbleef ze hijgend tegen den muur aanleunen, en lachend liet ze zich tikken, tot groote pret van Tom en Bep.

In optocht gingen ze naar binnen, Tommy voorop en Eduard er achter, de twee nichtjes aan zijn armen hangend.

"Wat zijn jullie druk!" Tante Lina schudde het hoofd, en de Kapitein keek van zijn courant op en zei, op Eduard wijzend: "Maar je hoeft anders niet te vragen of die hier soms al ingeburgerd is!"

"'t Was leuk!" verklaarde Lineke, en nog puffend van 't harde loopen schoof ze een stoel aan de tafel en klapte haar boek open.

Beppie hield Eduard stevig vast; "nu nog een ander spelletje!" vleide ze.

"Een ander spelletje naar bed!" zei haar Moeder. "Denk je dat Edu maar altijd zin heeft om spelletjes met jou te doen?" en tegen Eduard: "Is je werk al af?"

"Bijna, Tante, 'k moet alleen nog een Fransche les leeren," en haastig voegde hij er bij: "maar ik kan best eerst nog een spelletje doen!"

Tante Lina lachte. "Nog even dan, maar dan ook dadelijk meegaan als de juffrouw komt, Bep! Broertje is al lang onder de wol, wed ik!"

Bep knikte ijverig, en wees naar de open haard in de voorkamer. "Mogen we dan daar zitten?"

Tante vond 't goed, en Eduard werd meegetrokken. Gehoorzaam ging hij naast Bep op 't haardkleed zitten, voor 't zacht knappende vuurtje. — Evenkeek hij nog om, of Tommy niet mee kwam doen, maar die werd door zijn Vader beziggehouden; toen draaide hij zich weer naar Beppie toe, die hem al ongeduldig aan zijn mouw trok, en hij vroeg: "Wat moeten we spelen?"

"'k Zie 'k zie wat jij niet ziet!" bedacht Bep, "jij moet eerst opgeven."

"Goed," vond Eduard, "ik weet al wat, 't is blauw." Hij dacht er opeens aan hoe hij vroeger, toen hij nog heel klein was, met Moeder dit spelletje gedaan had; later heelemaal niet meer.

"Zoo is 't niet, je moet zeggen: "'k Zie 'k zie wat jij niet ziet," en dan moet ik zeggen: 'Wat zie je dan?'"

En Eduard herhaalde geduldig: "'k Zie 'k zie wat jij niet ziet!"

"Wat zie je dan?" vroeg Bep deftig.

"Iets blauws."

Bep keek om zich heen.

"De gordijnen?"

"Nee."

"'t Behang?"

"Nee."

"'t Tafelkleed?"

"Nee."

"Dit blauw?" En Bep duwde haar wijsvingertje op een stukje blauw in 't kleed op den grond.

"Nee."

"Iéts van dat blauw?"

"Nee, heelemaal niet; 't is ook niet donker maar lichtblauw!"

Beppie keek nog eens rond. "O, 'k weet het al!" riep ze met haar hoog stemmetje, "dat blauwe jurkje van dat kindjeop dat schilderij!"

Eduard keek er naar en lachte; 't heele poppetje was niet grooter dan zijn duim. "Nee."

"'t Stukje lucht dan?"

"Ook niet." En nog eens herhaalde Eduard, nu sterk den nadruk leggend op de vier laatste woorden: "'k Zie 'k zie,wat jij niet ziet!"

"Zie ik 't echt niet?"

"Nee," lachte Eduard, "je ziet 't echt niet."

"Ja, maar kán ik het niet zien?"

"Nee, je kunt het zelf niet zien!"

"En zie jij 't dan wel?"

"Ja, ik wel."

Bep greep naar haar krullen. "Mijn haarlint?" vroeg ze, en ze trok aan de strik.

Eduard knikte lachend, en Bep schudde haar krullen weer naar achteren. "'t Was moeilijk," zei ze ernstig, "maar ik vind toch dat ik het erg gauw geraden heb, jij niet?"

"Ja, erg gauw; nu moet jij opgeven!" Beppie keek Eduard even nadenkend aan, en begon toen te lachen. Toen keek ze met een eigenwijs gezichtje naar de deur, naar de muur, en naar 't plafond, en zei langzaam, steeds naar boven kijkend: "Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet!"

"Wat zie je dan?"

"Iets bruins!"

Eduard was plotseling in een andere stemming vervallen. — "Iets bruins, iets bruins?" begon hij, "er is hier niets bruins!" En naar boven kijkend: "je dacht zeker dat 't daar boven bruin was, he? Maar dat heb je lekker mis, hoor, dat dacht je maar, of je hebt met je neus gekeken, want dat is wit, en datblijftwit!" En met zijn handen om zijn knieën geslagen, half achteroverhangende, keek hij Bep plagend aan.

Beppie gierde het uit van pret. "Dommerd!" riep ze, "jij kijkt zelf met je neus! Zie jij hier niets bruins? Haast alles ziet hier bruin!"

Eduard keek haar bedenkelijk aan en krabde zich achter zijn oor. — Toen begon hij, steeds malle gezichten trekkend, achtereenvolgens al de meubels in de kamer op te noemen, en lachend schudde Bep haar bol bij iederen nieuwen stoel dien hij aanwees.

"Beppie! 't Is bedtijd!" klonk de stem van de juffrouw uit de achterkamer. Bep hoorde 't niet eens, verdiept als ze was in haar spel.

"Bep, ga je mee naar boven?" De juffrouw was door de openstaande suite-deuren naar het tweetal op het haardkleed toegekomen.

"Nog heel eventjes, toe Juf?" smeekte Bep, en tegen Eduard: "Heb je 't nu nóg niet geraden?"

De juffrouw stak Bep haar beide handen toe, en 't kleine ding liet zich optrekken; toen greep zeEduard stevig bij zijn mouw vast om 't naar bed gaan nog even te verschuiven.

"Ik geef 't op, Bep!"

"Geef je 't op?" kraaide Beppie, aan een hand met de juffrouw meeloopende, en omkijkende: "'t Zijn je oogen, jouw eigen oogen!"

Lachend stond Eduard op, en langzaam volgde hij ze naar de achterkamer, waar kleine Bep aan 't nachtzoentjes uitdeelen was.

"Dat is een leventje, he Prul?" en vroolijk tilde de Kapitein zijn jongste dochtertje in de hoogte; "ik geloof dat die neef van jou een bovenste beste speelkameraad is! Je mag hem wel heel hartelijk bedanken, hoor!" Toen zette hij haar weer op den grond, en Bep trippelde naar haar Moeder toe. Tante Lina hield haar hand even tegen Beppie's wang. "Kindje, wat ben je warm!" En tegen de juffrouw: "Zouden we haar niet wat om doen in dat koude huis? Neemt u dien grooten doek maar uit de gangkast!"

De juffrouw verdween om den doek te halen, en Bep zoende Tommy en Lineke en kwam toen met een vooruitgestoken mondje naar Eduard toe; hij voelde opeens dat hij een kleur kreeg toen hij zich naar haar toe boog. — "Dank je wel dat je zoo prettig met me gespeeld hebt, Eetje!" zei ze. En toen werd ze door de juffrouw in den grooten wollen doek gepakt en mee naar boven genomen.

De Kapitein liet Tommy verder lezen en ook Linekeverdiepte zich weer in haar boek. Eduard bleef nog even bij de tafel staan niets doen, zijn handen in zijn zakken.

Tante Lina had al een paar keer opgekeken. — "Jongen, ga wat uitvoeren!" zei ze eindelijk; "heb je niet gezegd dat je nog een les moest leeren?"

"Ja Tante, moet ik dat hier doen, offe ....?"

"Ga maar bij Hugo en Piet zitten, daar zit je rustiger dan hier."

Eduard trok naar de leerkamer, waar hij 's middags ook al had zitten werken, en waar zijn neven nu bijna de heele tafel in beslag hadden genomen. "Kan ik hier ook zitten, zeg?" vroeg hij met een twijfelachtig gezicht naar den rommel kijkend, en Hugo schoof zonder op te kijken een paar boeken op zij. — Piet, die wanneer hij zat te werken blij was met iedere variatie, was opgestaan, en zette nu met een sierlijke buiging een stoel voor Eduard neer. "Zeker meneer, zeker!" zei hij gedienstig, "gaat u zitten, meneer!"

Een oogenblik had Eduard lust, hem een klap te geven, maar hij bedacht zich juist bijtijds, en zonder iets te zeggen bukte hij zich, om uit zijn tasch zijn Fransch boek op te visschen. Toen zocht hij zijn les op en begon te leeren.

Piet was weer gaan zitten en had zijn bezigheden voortgezet, die hoofdzakelijk bestonden uit het illustreeren van zijn geschiedenisboek. Al gauw zat Eduard er naar te kijken.

"Mooi, vind je niet?" begon Piet, hem het boek onder zijn neus duwend. Eduard lachte even om de malle poppetjes.

"Dat is Kreek," legde Piet uit, "weet je wie Kreek is?"

"Nee?"

"Dat is de oppasser. Die heeft precies zoo'n neus en hij steekt altijd net zoo mal z'n duimen vooruit; je moet morgenochtend maar eens opletten!" Piet wees op een ander poppetje. "En weet je wie dat is?"

"Nou?"

"Dat is 'Laat ze maar' als hij aan 't schaatsen-rijden is."

"Wie?"

"'Laat ze maar.'Dat is de conciërge, hij heet Metselaar, maar van Leeuwen .... weet je wie van Leeuwen is?"

"Ja, de directeur, is 't niet?"

"Ja, nou, we noemen hem altijd 'Leeuw' natuurlijk, en die praat zoo gemaakt, en dan roept hij door de gang 'Máatselaar,' en dan draaien wij het om, 'Laatsemaar' of 'Láat ze máar.' Geestig he?" en zonder op antwoord te wachten: "Nou, hij laat ons ook altijd maar, als hij ziet dat je er aankomt wacht hij altijd met bellen."

"Bij ons niet," zei Eduard, "Beek is een echt mispunt en als hij ziet dat je er aankomt doet hij gauw de deur voor je neus dicht en dan holt hij hard naar de bel, en dan ben je natuurlijk te laat, en ...."

"Houden jullie nu toch je monden!" viel Hugo nijdig uit, "die algebrasommen zijn toch al zoo ellendig lastig, en dan dat gezanik van jullie nog!"

Eduard zweeg verschrikt, en keek strak in zijn boek, maar Piet liet zich door zoo'n kleinigheid niet van de wijs brengen. Hij was aan dergelijke terechtwijzingen van zijn broer gewoon. "Nou, heb maar zoo'n lèf niet!" zei hij, en na een minuut of vijf half fluisterend: "Zeg Eduardje!"

Eduard keek hem aan.

"Is die ijsbaan hier nogal leuk?"

Eduard haalde zijn schouders op.

"Weet je 't niet? Ben je er nooit geweest?"

"Nee."

"Waar heb je dan schaatsen gereden?"

"Nou, op slootjes en zoo."

"O;" Piet keek even minachtend; "vervelend zeker?"

"Nee, juist erg leuk, met Vader!"

"In Amsterdam was 't moppig, 'n prachtige groote ijsbaan, tien minuten van ons huis af; fijn man!"

Hugo stampte even op den grond. "Stil nou!"

Eduard probeerde verder te leeren. Hij had zich zóó voorgenomen dat al zijn werk uitstekend in orde moest zijn zoolang Vader weg was, maar hoe kon hij nu opschieten op die manier? En nu had hij vanavond nog aan een brief aan Vader willen beginnen ook, maar daar kwam hij nu zeker niet aantoe. Nu eerst de les maar. En zacht bewoog hij zijn lippen bij het telkens herhalen van de Fransche woordjes.

Opeens merkte hijdat Piet grinnikendnaar hem keek.

"Waarom lach je?"

"Och, zoo maar; je zit zeker altijd alleen te werken?"

"Alleen? Ja, meestal wel; of bij Vader als Vader thuis is."

"Prettig voor Oom Eduard!"

"Waarom?"

"Nou, omdat je aldoor hardop leert."

"Ik leer niet hardop!"

"Wel waar, je doet aldoor zóó!" En zijn mond bewegend maakte hij een zacht zoemend geluid.

Eduard was vuurrood geworden; met een "klets niet" begon hij weer aan zijn les, en hij drukte zijn lippen stijf op elkaar.

Een poosje bleef 't stil in de kamer. Toen vond Piet 't weer lang genoeg.

"Zeg!"

Eduard gaf geen antwoord.

"Ben je benauwd geworden voor dien schoolmeester daar?" met zijn duim wees Piet naar zijn broer.

Half onwillig keek Eduard hem aan. "Wat wou je vertellen?"

"Katje poesje nelle."

"Hè, wat flauw!"

"Doe er dan een beetje zout bij!" Lachend klaptePiet zijn schoolboeken op elkaar, en met zijn ellebogen op de tafel ging hij zitten lezen.

Eduard keek op de klok; 't was half negen. Eigenlijk tijd om naar bed te gaan, hij had Vader beloofd nooit veel later dan gewoonlijk te gaan! En zouden die jongens hier altijd den heelen avond blijven zitten? Nu nog maar even leeren; dat afschuwelijke Fransch ook!

Een kwartier later deed hij zijn boek dicht.

"Zeg, hoe lang blijven jullie hier altijd?" vroeg hij aarzelend.

't Was deze keer Hugo, die opkeek.

"Waar?"

"Nou, hier. Ik bedoel, zitten jullie 's avonds nooit in de huiskamer?" —

"O ja, soms wel, maar vanavond niet, want Pa en Ma hebben visite."

"En hoe laat gaan jullie dan naar bed?"

"Om half tien zoowat."

Hugo werkte weer door.

Eduard bleef nog even niets zitten doen en zei toen: "Ik wou nou maar gaan."

"Hè?" vroeg Hugo, die weer een en al som was.

"Ik wou maar naar bed gaan."

"Zoo, nou, ga je gang, dank je voor de mededeeling."

Terwijl Eduard zijn tasch dichtgespte kwam in Hugo toch 't gevoel van gastheer zijn op. — "Je kunt alles boven toch wel vinden?" vroeg hij.

"Ja, best." En zijn tasch naast de deur tegen den muur zettend: "Nou, goeie nacht dan!"

"Slaap lekker, nacht Eduardje!" En Piet herhaalde werktuigelijk, zonder van zijn boek op te zien: "Nacht Eduardje!"

Eduard sloot de deur en liep naar de huiskamer toe. Zou hij Oom en Tante nog goeienacht zeggen? In de gang hoorde hij ze binnen al hard praten en lachen, en toen hij door de kier van de deur keek zag hij in de voorkamer allerlei vreemde menschen zitten. Liever maar niet doen. —

En met een zucht ging hij de trap op.

't Was donker boven op 't portaaltje, en met vooruitgestoken handen liep Eduard in zijn kamertje op 't tafeltje af, half struikelend over den rommel op den grond. Toen scharrelde hij in 't donker de lucifers op.

Even knipte hij met zijn oogen tegen 't felle vlammetje, en ongeduldig streek hij een tweede lucifer af toen de nieuwe kaars niet dadelijk wilde branden.

Eindelijk!

Eduard keek rond en wreef zijn handen. Wat was 't hier vreeselijk koud! De bloemen stonden op de glazen! En wat een akelig vreemd kamertje! Heel wat anders dan die gezellige slaapkamer thuis, en daar was 't altijd dadelijk lekker als je maar even de gaskachel aanstak! Eduard wond zijn horloge op en begon zich uit te kleeden. Zou Vader nu al in Bazel zijn? Zeker wel. Nu was Vader net twaalf uurweg. Gek, 't was net of 't veel langer was; er was ook zooveel gebeurd vandaag! Even langer dan twaalf uur was 't; wat zei Vader ook weer? "Dag Pepi, houd je taai!" Och, hij wou 't wel, zich taai houden, maar wat wás 't hier akelig!

En een warme druppel viel op zijn hand toen hij zich klappertandend bukte om met zijn koude vingers de sleutel in 't slot van 't koffertje te steken.

"Houd je taai!" fluisterde hij, maar 't maakte hem opeens nog veel ellendiger dan hij al was, en 't gaf niets meer of hij op zijn lippen beet en zijn oogen met zijn mouw afveegde.

Als Vader hem zoo nu eens zag! Och, maar wat hinderde het ook! Zag Vader het maar, kwam Vader nu maar ineens binnen, even maar, dan was alles tenminste niet meer zoo vreeselijk! Maar Vader was ver weg, en dit was nu pas de eerste avond! Had Vader hem toch maar meegenomen!

Eduard pakte Vaders doos uit en stak een flik in zijn mond, maar 't hielp ook al niets, en telkens moest hij nog zijn zakdoek nemen, tot hij eindelijk klaar was om in bed te kruipen.

Hij zette de kandelaar op den stoel en bleef nog even met opgetrokken beenen in bed zitten, zijn hoofd op zijn knieën en zijn handen onder zijn armen om ze wat te warmen.

Toen blies hij de kaars uit en kroop onder de dekens.


Back to IndexNext