Dof klonk het geluid van de voetstappen op den hard bevroren grond, en bij iederen stap klikten de schaatsenijzers tegen elkaar. — Uit de kleine zakjes keken vroolijk de gele ijskaarten met de roode koordjes, met opzet maar half weggestoken door de jongens, om aan iedereen te laten zien dat ze naar de ijsbaan gingen.
Zoo vlug mogelijk hadden Piet en Eduard aan de koffie hun boterhammen naar binnen gewerkt, en daarna waren ze er met hun tweeën van door gegaan, de schaatsen in de eene hand en de andere hand in hun zak, flink doorstappend, en telkens glijdend over de bevroren plassen. — Tom en Lineke hadden hen verlangend nagekeken, teleurgesteld omdat ze niet mee mochten, en Tommy had er nog half een scène om gemaakt, maar Tante Lina had het te koud voor ze gevonden, en had ten slotte met een "morgen mogen jullie, als 't niet zoo waait," een eind aan 't gezeur gemaakt.
En 't wás koud. — Een ijzige wind blies dooralles heen, en Eduard twijfelde er eigenlijk aan of zijn Vader hem zou hebben laten gaan; maar Tante Lina had het goed gevonden dat hij en Piet gingen en daarom dacht hij er verder maar niet over.
"'t Zal een fijne Zaterdagmiddag worden," zei Piet, en hij bukte zich om een steen op te rapen.
"Nou! En we zijn zoo lekker vroeg!" Eduard bleef staan om te zien hoe Piet met een fermen zwaai de steen op het ijs in den singel gooide, en met innig vergenoegde gezichten keken ze er samen naar hoe de steen even voortschoof over 't ijs en toen bleef liggen.
Een eindje verder vloog een bonte kraai krassend op.
Bij de brug zag Piet opeens een van de jongens uit zijn klas, die voor hen uitliep, de schaatsen onder den arm, en met een: "Daar heb je Wouters, even hollen, dan gaan we met hem mee," zette hij het op een loopen.
Wouters, een groote, forsche jongen, keek om toen hij het gehol achter zich hoorde, en bleef toen staan wachten tot de jongens hem ingehaald hadden.
"Zoo Verhey, ga je ook naar 't ijs?" begon hij, "gaat je broer niet?"
"Die had les," bracht Piet hijgend uit.
"En is dát ook een broertje van je?"
"Nee, een neefje," zei Piet, en Wouters vervolgde, Eduard aanziende: "Zeg jongen, hoe heet je?"
"Kerner," antwoordde Eduard kortaf.
"En waar ga je op school?"
"Bij Van Eerde."
"'n Rot school," merkte Wouters aan, en Eduard vroeg op zijn beurt: "Waar ga jij op school?"
"Ik op de Burger. 'n Fijn hok! Zeg Verhey, heb je al van die scène met Bakker in de tweede gehoord?"
"Ja, hij had zijn werk vergeten of zoo iets, is 't niet? Huug vertelde er wat van; weet jij 't goed?"
"Nou, of ik! Holm, dat is die jongen, die bij ons in huis is, zit naast Bakker, nou, en die deed 't verhaal natuurlijk in kleuren en geuren! Holm is een leuke vent, en die Bakker is ook een echt type, en dan zitten ze met hun tweeën op de achterste bank, dus je snapt dat ze den heelen dag zitten tegrinnikenen geen steek uitvoeren."
"Ja natuurlijk."
"Nou is Holm nogal vlug, dus die rolt er meestal toch wel door, maar Bakker is een uil, en gewoon fabelachtig lui, en daarom had hij zijn Duitsche werk dan ook maar doodkalm niet gemaakt, met het plan, het dan later wel eens van Holm over te schrijven, en toen de Mopneus het werk ophaalde zei hij heel leuk dat hij zijn schrift vergeten had."
"En toen?" vroeg Piet ongeduldig, toen Wouters even ophield en bleef staan om de veters van zijn laarzen in te stoppen.
"Nou, Holm en Bakker zaten verder den heelen morgen op hun gewone manier tegrinniken, en daar gaat opeens om kwart over elf de deur open.'St, hou je mond,' zegt Holm bijwijze van mop, 'daar heb je van Leeuwen, die komt vragen waar je Duitsche werk is!' Bakker proestte het uit, maar plotseling verstomde hij toen van Leeuwen, die echt binnengekomen was, opeens naast hem stond en bedaard vroeg: 'Bakker, heb je je huiswerk vergeten?' Bakker was opeens zoo tam als wat, en fluisterde dood verschrikt: 'Ja, meneer!' en van Leeuwen commandeerde heel plechtig: 'Ga 't dan halen!'"
Piet was een en al belangstelling, en ook Eduard luisterde met groote oogen.
"Nou, Bakker keek in wanhoop naar Holm, en die schoof hem ongemerkt over de bank het Duitsche boek toe, en dat heeft Bakker toen, hoe snap je niet, maar op de een of andere manier nog in zijn zak weten te moffelen, en toen is hij naar huis gegaan, hollend natuurlijk, en heeft daar in een nieuw schrift zijn thema opgeknoeid, zonder uitgangen in te vullen, en juist toen de bel van twaalf uur ging was hij terug."
"En wat zei van Leeuwen?"
"Niks nog, want Bakker gaf 't schrift stiekum aan Laatsemaar en is er toen zoo gauw mogelijk van door gegaan. 'k Ben wel benieuwd hoe 't af zal loopen!"
"Ik ook, hij zal wel op zijn kop krijgen, denk je niet?"
"Nou, of-ie!"
Eduard had met steeds stijgende verbazing het verhaal aangehoord, en zijn verwondering werd erniet minder op, toen een tweede en derde geschiedenis van 't zelfde gehalte, die vroeger eens gebeurd heetten te zijn, volgden, en toen Piet een paar Amsterdamsche schoolmoppen opdischte, die aan 't ongeloofelijke grensden.
"Hé, jongens, wat schieten jullie met spek!" hoorden ze opeens achter zich zeggen, en alle drie keken ze verschrikt om. 't Was Brust, een lange jongen uit de vijfde klas Burgerschool, die al een poosje achter ze had geloopen en ze nu lachend voorbijging. — De jongens hadden in 't vuur van hun gesprek zoo hard gepraat, dat 't zelfs op een eerbiedigen afstand duidelijk te verstaan was.
"Och, hou je mond," riep Wouters, die 't eerst van de schrik bekomen was en Brust wel kende.
"Zeker," zei Brust omkijkend, "'k zal 'm ten minste niet aan jou geven, jij schettert al hard genoeg!"
Eduard begon te lachen, en Wouters snauwde nijdig: "Toe, kuiken, bemoei je er niet mee!"
"'k Hoef jou toch niet te vragen of 'k mag lachen!" antwoordde Eduard, en Piet vroeg knorrig, kwaad omdat hij midden in zijn laatste verhaal gestoord was: "Waar is die ijsbaan nou eigenlijk?"
"Dat poortje daar moeten we door, en dan zijn we er dadelijk."
Achter elkaar liepen ze het poortje door en het smalle bruggetje over, Wouters voorop, dan Piet, dan Eduard, en toen stonden ze op een smal wegjetusschen grauw-witte weilanden, in de verte nevelig samenvloeiend met de grijze winterlucht.
"Daar is de ijsbaan," zei Wouters, "achter den spoorweg."
Vol verwachting gingen de jongens onder de viaduct door; het glijden van de schaatsenijzers over het gladde ijs was hier al duidelijk te hooren.
Aan den ingang liet de controleur ze met een: "Kaarten zichtbaar, jongeheeren!" doorgaan, toen volgde nog een rijtje lage boompjes, en daar lag de ijsbaan voor ze.
Eduard bleef staan. — Er waren nog maar weinig menschen, maar toch was 't een leuk gezicht om ze daar met zoo'n gemak te zien rondzwieren. Heerlijk, om het zoo goed te kunnen! Nu gauw aanbinden en dan vlug, ineens wegrijden!
En hij holde Wouters en Piet achterna, die doorgeloopen waren, en nu op de lange bank hun schaatsen zaten aan te binden.
Even keek hij er naar hoe Piet die dingen ook weer vastmaakte, want hij was half vergeten hoe 't moest, toen plofte hij op de bank neer, boog zich voorover en ging aan 't werk, de banden zoo stevig mogelijk aantrekkend. — De twee anderen waren al klaar toen hij nog aan zijn eerste schaats bezig was, en hij keek er naar hoe ze druk pratend en lachend samen wegreden, eerst even langzaam voortschuivend, toen vlugger, met flinke lange slagen.
En toen eindelijk zijn tweede schaats was aangebonden stond ook hij op, voorzichtig, om niet uit te glijden; wat een vreemd, raar gevoel, om weer op schaatsen te staan! Nu durven en flink uitslaan! Maar 't "flink uitslaan" bracht hem van de wijs; er volgden een paar vergeefsche pogingen om te blijven staan, en toen maakte Eduard zijn eerste buiteling. Maar dadelijk werkte hij zich weer overeind en krabbelde verder; nu ging 't beter, al kwam hij nog maar langzaam vooruit, en zonder verdere ongelukken schoof hij tusschen de menschen voor de groote tent door. — Nu de heele baan om rijden! Moedig begon hij en dapper hield hij vol, en hij deed zijn best niet te denken aan de akelige pijn, die hij al heel gauw in zijn enkels voelde. Telkens bleef hij even staan om uit te rusten of om een van zijn schaatsen recht te duwen, en dan probeerde hij weer om vooruit te komen en uit te slaan.
Al een paar keer waren Wouters en Piet hem voorbij gereden, en Eduard had ze nagekeken, alsof hij daarmee te weten kon komen hoe ze 't toch aanlegden om zulke lange slagen te maken.
"Dat Kernertje kent er nog niet veel van," hoorde hij Wouters zeggen, die hem weer met een sierlijken zwaai voorbij gleed.
Eduard was voor 't laatste gedeelte van de baan blijven staan, rondkijkend, en niet goed wetend wat te beginnen, want de wind stond pal op dit laatste eind, en zijn schaatsen zaten ellendig los.
"Dat zegt hij zeker expres zoo hard," dachtEduard kwaad, en hij bukte zich om de schaatsen-banden wat stijver aan te halen. 't Ging erg lastig, staande, en daarom ging hij maar even op het ijs zitten; 't was wel een minder gemakkelijke houding, maar dat moest je er voor over hebben, en toen hij weer stond tobde hij nog wel lang met den harden wind maar hij bereikte toch het eind van de baan.
Nu even uitrusten, en dan weer verder rijden!
Eduard was blij, toen hij een poosje later Theo de Beer ontdekte, die nu ook niet bepaald een held op de schaatsen was, en juist met een kleur van inspanning de vreemdste bewegingen maakte.
"Theo!" riep hij.
Theo, een donkere krullebol, keek zoekend rond, tot hij eindelijk Eduard in het oog kreeg, die zoo gauw mogelijk naar hem toekwam.
"Wat leuk dat je hier ook bent!" zei Eduard, toen hij naast Theo stond. "Ben je hier alleen?"
"Ja, maar Moeder zou me straks komen halen. — Ben jij hier alleen?"
"Nee, met Piet, m'n neefje, maar die rijdt al zoo vreeselijk goed!"
"O. — Moppig dat je me zag, 't is veel gezelliger met je tweeën dan in je eentje, en nu kunnen we verder den heelen middag bij elkaar blijven!"
"Ik zie verder bijna niemand van onze school, jij? Ik begrijp niet waar ze allemaal zitten!"
"Een paar heb ik straks toch gezien, Groeneveld en Van der Wege en Wim Reinders, maar 't is ookzoo bar koud!" zei Theo, tegen zijn handen blazend.
"Nou! Laten we doorrijden, zeg, anders bevriezen we!"
En verder gingen ze, om 't hardst met hun armen zwaaiend en hun oogen half dichtgeknepen tegen den fellen wind, en luid klonken telkens hun heldere, hooge stemmen als ze elkaar iets toeriepen.
"Zeg Eduard! 't vriest nog acht graden!"
"Wat?"
"Dat 't nog acht graden vriest!"
"Hoe weet je dat?"
"Op de thermometer, daar tegen de tent aan, bij de kleine baan!"
"Is 't daar leuk, op die kleine baan?"
"Welnee, sloom! 'k Heb er daarnet ook nog even gereden, maar daar is 't zulk gemeen ijs, daar ga ik niet weer naar toe!"
"'k Had je vanmorgen nog willen vragen of je ook naar 't ijs ging, maar onze afdeeling was zoo akelig laat uit, en toen zag 'k je nergens meer!"
"Nee, 'k was dadelijk naar huis gegaan om gauw te vragen of 'k mocht gaan rijden, en eerst vond Pa 't maar half goed, en toen heeft Moeder bedacht, dat Moeder hier in de buurt een visite kon gaan maken, en toen mocht 't!"
"Hoe laat komt je Moeder je halen?"
"Om half vier zoowat, geloof ik, hoe laat moet jij weg?"
"Om half vijf moeten we thuis zijn, en om even over vier ...."
Hij hield op want Theo viel plotseling, en toen Eduard hem helpen wilde met opstaan, haakten hun schaatsen in elkaar en hij kwam naast Theo op 't ijs te land.
image: 11_schaatsen.jpg
Lachend krabbelden ze weer op, en duidelijk waren de sporen van hun val te zien. — Bij de tent bonden ze hun schaatsen weer wat vaster, en opnieuw reden ze de baan op; wel gleden ze nog telkens uit, maar ze waren over de eerste moeheid heen en 't ging heusch al wat beter dan straks.
"Theo!"
"Nou?"
"'k Heb vanmorgen een briefkaart van Vader gekregen."
"Leuk, zeg! Waar vandaan?"
"Uit Bazel;" en toen Theo verder zweeg: "Wil je eens zien?"
"Heb je hem bij je?" vroeg Theo verwonderd.
Eduard haalde uit zijn zak de briefkaart te voorschijn; Theo kwam naast hem staan, en aandachtig kijkend bogen de jongenshoofden zich over het Bazelsche stadsgezichtje.
"Aardig, zeg!"
"Ja." — En zonder verder iets te zeggen stak Eduard de briefkaart weer in zijn zak.
Theo stootte hem aan. — "Kijk eens!" 't Was een heele sliert groote jongens achter elkaar, die met veel gejoel voorbij gleed, en Eduard zag dat Piet en Wouters er ook bij waren.
"Wat gaat dat dol," zei hij, en terwijl hij ze nakeek dacht hij er over hoe leuk 't zou zijn als hij 't eenmaal zóó kende!
Theo was met zijn gedachten al weer bij een ander onderwerp.
"Waarom komt Meertens niet?"
"Meertens? O, die mocht niet omdat hij zoo vreeselijk verkouden was. — Er zijn wel tien jongens uit onze klas verkouden, bij jullie ook?"
"Bij ons wel vijftien!"
't Speet Eduard toen Theo's Moeder om kwart voor vier op de ijsbaan verscheen om Theo te halen. Mevrouw de Beer vroeg nog of Eduard meeging, maar de de Beers woonden eigenlijk toch den anderen kant uit, en hij vond het dus maar beter te wachten tot Piet straks meeging.
Hij reed nog wat alleen rond, maar 't was nu niet half zoo leuk meer, en 't werd nog veel kouder ook.
Om vijf minuten over vier bond hij af. Wat deden zijn voeten pijn toen hij weer stond! Voorzichtig bleef hij op 't ijs heen en weer loopen om Piet aan te klampen, en toen hij hem eindelijk zag liep hij op een sukkeldrafje naar hem toe. "Ga je mee, zeg?" vroeg hij.
Piet, die in een echte pret-stemming was, keek Eduard ontevreden aan. "Al mee?" herhaalde hij, "dank je feestelijk, hoor, 't wordt hier nou juist leuk!"
"Maar we moesten om half vijf thuis zijn!"
"Nou, wat kan mij dat bommen?"
"En ik heb al afgebonden!"
"Wat geeft dat? Dan bind je maar weer aan!" en lachend reed Piet door.
Eduard had geen zin om weer aan te binden. Bij iederen stap die hij deed voelde hij de tintelende pijn in zijn voeten, en rillend bleef hij op 't houten platform voor de tent staan, rammelend met zijn schaatsen en telkens op de klok kijkend.
Aldoor gingen er menschen weg, en telkens zag hij Piet weer voorbijrijden, pratend en lachend met de andere jongens. — Wanneer zou hij nu tocheindelijk mee willen! Ze kwamen natuurlijk veel te laat thuis! Zou hij maar vast weggaan?
Toen Piet weer langs de tent reed riep Eduard hem.
"Ik ga naar huis."
"Doe wat je niet laten kunt, maar ik ga nu anders dadelijk mee, nog één baantje!"
Eduard wachtte op 't eene baantje, waar Piet blijkbaar drie maal rond mee bedoelde. Maar toen had hij dan ook met ongelooflijke vlugheid zijn schaatsen afgebonden.
"Nou hollen!" zei hij met een haastigen blik op de klok. — 't Was over half vijf.
En Eduard holde mee.
"Laten we toch wat lángzamer loopen," riep hij eindelijk, toen ze 't nauwe poortje weer door waren, "mijn voeten doen zoo'n pijn."
Piet vond dat je juist lekker warm werd van hollen, en dat die pijn straks wel zou overgaan, maar toch matigde hij het tempo wat.
't Was bijna donker toen ze thuis kwamen, maar niemand maakte er aanmerking op. Tante Lina was uit, en kwam pas een kwartier later thuis, Oom Tom zat in zijn kamer, de juffrouw was boven met de kleintjes en ook Hugo was onzichtbaar. —
Aan 't eten deed Piet opgewonden verhalen over 't prachtige ijs.
"Zoo, je hebt dus plezier gehad," zei Oom Tom eindelijk, "en mijn buurman, vond die 't ook prettig? Wel jongen, je hebt er een kleur van!"
Eduard lachte. Zijn wangen gloeiden nu. "Ja Oom, het was heerlijk!" verklaarde hij.
"Mooi zoo! En ben je dikwijls gevallen?"
"Twee keer!"
"Och," viel Piet in, "dat komt omdat hij niet durft! Verbeeld je dat je er nog niets van kent en dat je dan maar twee keer valt! Twintig of dertig keer moet je vallen, dan leer je het tenminste!"
"'t Vallen zeker!" zei Eduard verontwaardigd. — Dat hij niet zou durven was natuurlijk groote onzin. Net of 't hem iets kon schelen om te vallen! Daar gaf hij nou geen cent om! Maar in ieder geval: leeren moest en zou hij het, en liefst zoo gauw mogelijk! — Wat zou Vader 't ook leuk vinden als zijn jongen 't volgend jaar goed kon schaatsenrijden!
"Eetje, doe je na 't eten weer een spelletje met me?"
Geen antwoord.
Eduard zat of liever hing op den stoel naast de kachel, en hield zijn doornatte laarzen tegen 't gloeiende ijzer aan. 't Maakte een hard sissend geluid. Een minuut of vijf geleden was hij met Hugo en Piet thuisgekomen, moe en nat, want ze waren den heelen Woensdagmiddag op de ijsbaan geweest, en 't dooide nu hard. 't IJs leek wel borstplaat, en voor de groote tent was 't op 't laatst één groote waterplas, een meer bijna, waar je telkens doorheen moest waden en dat hoe langer hoe dieper werd, want op verschillende plaatsen borrelde 't water naar boven. — Van half vier af had 't gemotregend, maar toch hadden de jongens voor 't laatst nog maar geprofiteerd, en ze waren gebleven totdat eindelijk om vijf uur de ijsbaan gesloten werd. — Eigenlijk hadden ze om kwart voor vijf thuis moeten zijn, maar ze waren nu al drie keer te laat gekomen, en geenenkele maal had iemand er iets van gezegd, en toen Hugo en Piet kalm door bleven rijden had Eduard 't ook niets noodig gevonden om ze te waarschuwen. — Al was 't ijs niet mooi meer, toch was 't nog niet zoo goed gegaan als juist vandaag.
"Eetje!"
"Wat is er?"
"Doe je na 't eten een spelletje met me?"
"'k Weet nog niet hoor," zei Eduard gapend, "'k heb nog een heeleboel te doen."
"Ik dacht dat je iederen avond spelletjes met ons zou doen!" pruilde Bep, die den heelen dag al zeurig geweest was van verkoudheid.
"Ik zeg je immers dat ik 't nog niet weet!" herhaalde Eduard knorrig. — Vijf lastige sommen lagen nog op hem te wachten en een lange Fransche les, en hij had van de week nog heelemaal niet viool gestudeerd ook. — Er was ook heusch geen tijd voor geweest, want ze hadden tot nu toe eigenlijk iederen dag schaatsen gereden. — Zaterdag den heelen middag, Zondag, toen 't zulk prachtig helder weer geweest was en Tom en Lineke ook mee gegaan waren, en Maandag en Dinsdagmiddag ook al, want ze hadden die twee dagen om drie uur vrij gekregen, voor 't ijs. — Heel veel huiswerk hoefde er die dagen ook niet gemaakt te worden, maar doordat ze telkens na 't eten nog spelletjes deden had het Eduard toch nog moeite genoeg gekost om 't op tijd klaar te krijgen, en danzag 't er nog alles behalve netjes uit. — Van vioolspelen was natuurlijk heelemaal niets gekomen, en Vrijdag had hij les!
"Ma, gaan we nu nog niet eten?" vroeg Lineke. Ze moest vanavond op visite bij een van de vriendinnetjes en ze had met Mientje afgesproken vroeg te komen.
"Ja, dadelijk, bel de anderen maar vast."
Een halve minuut lang stond Lineke om den hoek van de kamerdeur de tafelschel heen en weer te zwaaien, en langzamerhand kwamen ze allemaal opdagen. De juffrouw met Tom en Broertje, die in de speelkamer een Indianengevecht hadden gehouden, en nu met luidruchtig krijgsgeschreeuw de trap afdaalden, Piet, die in de keuken zijn schaatsen had staan afdrogen, want hij had zijn Vader een paar nieuwe afgebedeld en had daar nu nog bizonder veel zorg voor, Hugo, die naar boven was gegaan om zijn natte laarzen uit te gooien en pantoffels aan te trekken, en eindelijk ook Oom Tom, die even eerder dan de jongens was thuisgekomen en zijn uniform voor politiek verwisseld had.
"Edu, moet je je handen niet wasschen?" vroeg Tante Lina.
Eduard bekeek zijn vingers eens. Hij vond ze eigenlijk niet eens erg vuil, maar toch liep hij naar de keuken om ze onder de kraan te houden, en bood meteen Trijntje aan haar eens nat te spuiten.
"Met Sintjuttemis, als de kalveren op 't ijs dansen," zei Trijntje, die heel wat steviger was dan Rika, en die vandaag ook al niet bijster in haar humeur was, "en je handen ga je voortaan maar boven wasschen, dat geklieder in m'n keuken wil 'k niet hebben."
"En Bakker heeft zoo op z'n kop gehad!" vertelde Hugo, toen Eduard weer binnengekomen was en zijn stoel tusschen Oom Tom en Beppie ingeschoven had, want dat was zijn plaats gebleven, "van Leeuwen was woedend!"
"Ja, maar Wouters zei dat hij toch niets over dat overgeschreven werk gezegd had!" vulde Piet aan.
"Nou, dat zullen ze toch wel gesnapt hebben!"
"Och, dat weet je niet!" merkte Piet wijsgeerig op, "in ieder geval is er niets te bewijzen!"
"Praat toch niet zoo'n onzin, hoe kun jij nu bewijzen dat er niets te bewijzen is!"
"Je bent niet wijs! Als je nu toch ...."
"Jongens, houd op met dat gezanik," viel de Kapitein hen in de rede. — Hij had al de halve week verhalen over die kwestie te hooren gekregen en had er nu zoo langzamerhand volkomen genoeg van. "Doe me nu 't plezier en verschoon me van verdere mededeelingen over die Bakker, ik wil er nu geen woord meer over hooren!" en om een ander onderwerp aan de orde te brengen vroeg hij aan Eduard of 't schaatsenrijden al wat beter ging.
"O, ik geloof heusch wel dat het beter gaat," zeiEduard, "veel beter dan Zaterdag tenminste, vond je ook niet Huug?"
Hugo haalde zijn schouders op en beweerde dat hij er Zaterdag niet geweest was. "'t Ging wel beter dan Zondag, je kwam nu heel wat vlugger vooruit!"
"Pa, weet u wie hier op de ijsbaan kampioen is?" vroeg Piet.
"Jij zeker!" antwoordde zijn Vader droogjes.
"Nee, Eduardje."
't Was een mop zooals Piet ze altijd verkocht, en waarmee hij gewoonlijk nogal succes had. — Eduard vond 't dezen keer machtig flauw.
"'k Heb nog een vers gemaakt ook," zei Piet, die nog meer geestigheden in voorraad had.
"Zeg 't dan maar niet op," raadde Lineke aan, "'t zal wel niet veel soeps zijn!"
Maar Piet vond 't veel te jammer om Eduard, die hij nu eens tot mikpunt van zijn aardigheden gekozen had, niet nog wat te plagen, en van een oogenblik dat zijn Vader en Moeder met de juffrouw aan 't praten waren maakte hij gebruik om zijn vers half hard op te zeggen:
"Ik heb een aardig neefje,Dat op zijn schaatsenrent!Zijn naam is Eduardje,'k Wed dat je hem wel kent!"
"En jij bent een vervelend mispunt," viel Eduard nijdig uit.
Opeens voelde hij een krachtige hand op zijn schouder. "Bedaar jongen, bedaar!" kalmeerde Oom Tom, die van het vers alleen iets over "Eduardje" opgevangen had, en tegen Piet: "en dat steeds herhalen van 'Eduardje' moet nu uit zijn, daar is de aardigheid nu wel zoowat af. We noemen jou toch ook niet 'Pietje!'"
De Kapitein had het niet als een grap bedoeld, maar toch lachten ze allemaal, en Lineke knikte haar broer dadelijk toe met een "Dag Pietje!"
"Dag juffrouw bemoeial!" zei Piet, die zich niet gauw van zijn stuk liet brengen, en voor wie het hooren wilde deelde hij nog mede dat je 't zingen kon ook op de wijs van "Ik wou dat jij van was was."
"Spaar ons dat alsjeblieft maar," verzocht Tante Lina, "'t is hier al drukte genoeg!" Want Broer maakte nog steeds Indianen geluiden, en Tommy schopte aanhoudend tegen de tafelpoot.
"Ja, 't is of 't ijs ze in 't hoofd zit," verklaarde de Kapitein zuchtend. "Waarom kwamen jullie eigenlijk zoo laat thuis, jongens?" En toen het drietal zweeg: "He?"
"Nou," zei Hugo, "ik had haast nog niet gereden, en 't was vandaag de laatste dag," en Piet mompelde iets van "wist niet hoe laat het was."
"En waarom ging jij dan niet eerder naar huis?" vroeg Oom Tom aan zijn neefje.
"Omdat Hugo en Piet nog niet gingen," antwoordde Eduard, half verlegen, want hij vond zelf dat het klonk als: "Waarom lach je?" "Omdathijlacht."
"'t Zijn me de verontschuldigingen wél!" merkte de Kapitein op.
"Hadt u ons dan ook op de fiets laten gaan, dan waren we veel eerder thuis geweest," waagde Piet. Maar nu werd zijn Vader werkelijk boos en verklaarde dat ze verder van 't jaar heelemaal van 't ijs thuis konden blijven.
"'t Dooit nu ...." begon Piet, maar toen hij zijn Vader aankeek oordeelde hij het toch wijzer de rest maar voor zich te houden.
En Oom Tom vervolgde brommend: "Dat rent maar naar de ijsbaan en al het werk lijdt er onder ..."
Dat ellendige werk ook! En Eduard bedacht hoe door 't haastige schrijven zijn sommen Maandag zoo slordig waren geweest, dat hij er twee moest overmaken. — En dat moest nu ook al vanavond! —
"Nu gaan we Lineke aankleeden voor de visite, en dan zullen we meteen Bep en die twee Indianen in bed stoppen!" zei de juffrouw na het eten, want zij ging zelf ook uit, en dan zorgde ze altijd dat de kleintjes eerst onder de wol lagen.
"Beppie gaat nog niet mee," vertelde 't kleine meisje, "Beppie gaat eerst spelletjes doen met Ee."
Piet begon te lachen; Eduard zag het toen hij zijn stoel opnam om die tegen den muur te zetten. Zijn humeur werd er niet beter op, want Piet had hem al eenige malen met die kinderachtige spelletjes geplaagd, en 't klonk dan ook onvriendelijker dan hij zelf wel bedoelde toen hij kortaf zei: "Op mijhoef je niet te rekenen, ik doe vanavond niet mee."
"En daarnet zei je dat je 't nog niet wist?"
"Toen wist ik 't ook nog niet, maar nu weet ik 't wel."
De tranen kwamen bij Bep voor den dag. "Maar ik wou spelletjes doen!" huilde ze.
"Kind, zeur niet zoo, ik heb geen tijd." En Tante Lina voegde er bij: "Maar Bep, wat is dat nu, je begrijpt toch wel dat Edu niet altijd zin heeft om spelletjes met jou te doen! Kom, droog gauw je tranen af."
"Ik heb geen zakdoek," snikte Bep, "en ik vind Ee een nare jongen!"
"Dank je voor 't compliment!" zei Eduard, maar Tante Lina wenkte hem dat hij nu maar liever verdwijnen moest.
Eduard ging naar de leerkamer, gooide met een ontevreden gezicht zijn boeken en schriften op tafel, schoof met een ruk een stoel aan en begon te rekenen. En hij keek zelfs niet op toen Hugo en Piet even later ook binnen kwamen en aan 't werk gingen.
Van uit de huiskamer drong nog het huilen en dwingen van Beppie tot Eduard door; dan weer hoorde hij Tante Lina's stem; en terwijl hij haastig voortschreef aan zijn sommen, verstond hij opeens toen de huiskamerdeur openging: "Beppie is stout!" Daarna hoorde hij de juffrouw, die met Lineke en de kleine jongens naar boven was gegaan, weer beneden komen; hij hoorde haar praten in de kameren met Bep de trap weer oploopen; 't kleine meisje snikte nog steeds, en "Ee was ook niets lief!" meende hij nog te verstaan. — Toen werd het stil in de gang.
En Eduard schreef weer verder, telkens gapend, met een akelig stijf gevoel in zijn armen en ijskoude voeten.
Lineke vertrok naar het partijtje, en Eduard hoorde de stem van den oppasser, die haar zou brengen. — Met een slag viel de huisdeur achter hen dicht.
Heel stil was 't in de leerkamer, en half soezend luisterde Eduard naar 't suizen van 't gas en 't krassen van Hugo's pen, en even keek hij naar Piet, die vanavond bij uitzondering ook zoo heel rustig doorwerkte. — En weer ging hij aan 't rekenen, totdat eindelijk om kwart over acht de twee oude sommen overgeschreven en vier van de nieuwe afwaren. — Eén zou wel fout zijn, en de vijfde kende hij niet, maar er was geen tijd meer om langer te probeeren. — Waar was dat vervelende Fransche boek nu? Eduard zocht op tafel en in zijn tasch, maar 't was niet te vinden, en toen bedacht hij dat 't boven was blijven liggen. — In een vlijtige bui had hij 's ochtends onder 't aankleeden woordjes willen leeren, maar 't was bij 't goede voornemen gebleven, en hij had vanmorgen 't heele boek vergeten.
En Eduard liep naar boven om 't te halen. — 't Zou zeker wel ergens op zijn kamertje liggen, op tafel of zoo. Maar hij vond het niet dadelijk, en toenhij licht wilde maken schenen de lucifers ook al verdwenen te zijn. Waar waren die lamme dingen nu toch? 't Maakte hem woedend, dat gezoek voor niets in 't donker, en eindelijk liep hij 't portaal weer over naar de meisjeskamer, om daar 't brandende nachtlichtje te halen.
Bij de deur bleef hij opeens staan. Wat was dat voor een geluid? Hij luisterde even. — Was dat Bep die daar huilde?
Op zijn teenen liep hij naar binnen, zijn oogen op Beppie's ledikantje gevestigd. Bij 't flauwe schijnsel van 't nachtlichtje was van zijn kleine nichtje niets anders te ontdekken dan een verwarde blonde krullebol. Maar toen hij voor 't bed stond, waar de dekens half uithingen, hoorde hij heel duidelijk dat ze huilde.
"Beppie, slaap je niet?" vroeg Eduard, fluisterend om de kleine jongens in de kamer er naast niet wakker te maken.
Een hevig gesnik volgde.
"Bep, lieve kleine Bep, wat is er toch?" en Eduard boog zich over zijn nichtje heen.
Bep draaide zich half om, en even keken de groote blauwe oogen hem aan.
"Ik heb 't zoo vreeselijk warm," snikte een schor stemmetje, "en mijn dekens zijn aldoor weg!"
"Wil ik ze dan weer goed leggen?"
"Dat geeft toch niets, ze zijn telkens wéér weg!"
Eduard begreep niet wat hij met haar beginnen moest. — Arme kleine Bep! Had hij maar met haargespeeld, of was hij tenminste maar niet zoo onvriendelijk geweest! En wat moest hij nu toch doen? Hij kon nu toch maar zoo niet weer naar beneden gaan! En heel zacht vroeg hij: "Wil ik je dan even uit bed nemen, Bep, en alles weer over instoppen?"
"Ja," huilde Bep, en voorzichtig sloeg Eduard een deken om haar heen. — Ze was eigenlijk te zwaar voor hem, maar met veel moeite tilde hij haar toch op den stoel naast 't bed.
"Ik wou wat drinken!"
Eduard ging naar de waschtafel en schonk een glas half vol water, telkens schrikkend als hij tegen iets aanstootte. En toen Bep gedronken had begon hij aan 't bed; eerst gooide hij de dekens er af; hij legde het laken recht en stopte het aan de kanten zoo stevig mogelijk in, en daarna zwoegde hij met de dekens tot zijn vingers er pijn van deden. Maar eindelijk was 't toch klaar. En voor dat hij Bep weer in bed tilde ging hijzelf nog even op den stoel zitten, en zijn kleine nichtje voorzichtig op zijn knieën nemende vroeg hij zacht dicht bij Beppie's oor, — "Vind je me nu nog zoo'n nare jongen, Bep?" en even streek hij met zijn wang over het zachte haar.
"Nee, maar vanmiddag was je niets lief!"
"Dat weet ik wel, het spijt me erg." En stil bleef hij met haar zitten tot ze heelemaal bedaard was, toen hielp hij haar weer in bed kruipen en dekte haar toe.
"Nacht Bep!"
"Nacht Eetje!" klonk 't heel slaperig; "ik houd nu weer heel veel van je!"
image: 12_slaperig.jpg
Eduard draaide zich om, zijn oogen vol tranen, en met de lucifers in zijn hand liep hij op zijn teenen 't portaal weer over; 't nachtlichtje wilde hij nu liever maar niet meenemen.
In zijn kamertje stak hij de kaars aan; 't Fransche boek lag op zijn bed en zijn lucifers waren op de waschtafel verzeild geraakt. — En voor hij de kaarsweer uitblies maakte hij zijn koffer nog even open, en nam uit de chocola-doos van Vader een flik, die hij bij Bep bracht en met een zacht "mond open!" in Beppie's mond duwde.
"Lekker!" fluisterde Bep half slapend, "hoe kom je daaraan?"
"Van Vader gekregen voordat Vader wegging," legde Eduard uit, "ga nu maar gauw slapen!"
Toen holde hij de trap weer af. 't Was over half negen toen hij weer op zijn stoel in de leerkamer zat en op de klok keek.
"Wat heb je toch uitgevoerd?" vroeg Hugo, "ik dacht dat je al naar bed was!"
"Ik had jullie toch nog niet goeienacht gezegd!"
"Nee, maar je bleef zoo lang weg."
"Kon m'n Fransche boek niet vinden, en m'n lucifers waren weg, en ...."
"Och," viel Piet hem in de rede, "hij heeft natuurlijk vast een dutje gedaan! Heb je niet gezien dat hij de heele avond al heeft zitten gapen? En kijk z'n oogen eens raar staan!"
"Is er een brief van Vader voor me gekomen?"
Tante Lina keek verwonderd op van haar naaiwerk. — "Een brief van Vader? Welnee! Hoe kom je daar zoo bij?"
"Ik dacht het zoo maar," zei Eduard teleurgesteld. Vanmiddag onder de aardrijkskundeles had hij er ineens aan gedacht: "Misschien is er straks als ik thuis kom wel een brief van Vader!" En nu was er niets!
"'t Zal nog wel een dag of wat duren voor je een brief krijgt," vervolgde Tante Lina. "'t Is vandaag Dinsdag — laat eens zien — nee, voor Donderdag kan er toch geen brief zijn. — Zou Vader uit Port Saïd schrijven?"
"Ja, dat heeft Vader beloofd," verzekerde Eduard. Maar Tante ging er niet verder over door. "In de maat spelen," zei ze tegen Lineke, die piano studeerde, "Een twee drie vier, een twee drie vier!"
image: 13_verkouden.jpg
Eduard ging voor 't raam staan en trommelde tegen 't glas. Alles was ook zoo vervelend! Op schoolen thuis, overal was 't even akelig, en iedereen deed zoo vervelend, en hij was verkouden, en hij had zoo'n naar gevoel in zijn hoofd, en 't regende aldoor. — En was er nu maar een brief van Vader geweest!
Dat was tenminste iets prettigs!
Donderdag pas. — Dat duurde nu nog zoo'n eeuwige tijd! — En was 't hier nu maar niet zoo ongezellig! Dat vervelende getjingel op die piano, en Tante Lina die verder maar niets meer zei! En waar zaten de anderen toch allemaal? Zeker boven ergens, maar 't kon hem eigenlijk ook niet schelen, hij had toch geen zin om iets te gaan uitvoeren! En stil bleef hij door het raam naar buiten kijken, in den tuin, waar alles er ook al zoo nat en saai uitzag.
Op school was 't al even ellendig tegenwoordig. 't Was vandaag nu al de tweede keer geweest sinds Vader weg was, dat hij had moeten schoolblijven omdat hij zijn Fransche les niet kende. Wat zou Vader er wel van zeggen als hij 't wist! Hier vertelde je 't natuurlijk niet, niemand vroeg er naar, 't ging ook niemand iets aan! Als Vader er geweest was had hij 't ook zeker die tweede keer wel gekend! Vader zou wel gemaakt hebben dat hij 't wist, maar als je hier aan Hugo vroeg om je te overhooren zei hij dadelijk: "'k Heb wel wat anders te doen!" en Piet wou wel, maar die vroeg zulke gekke dingen dat je er heelemaal niets mee opschoot. En Oom Tom wou hij 't niet vragen, want Piet en Hugo's lessen werden ook niet overhoord.
Lineke hield op met studeeren, vertelde dat ze niet meer kon zien.
"'t Is nog licht genoeg," zei Tante Lina, "ik kan ook nog wel zien te naaien. En anders speel je maar gamma's en vingeroefeningen, die heb je toch ook nog niet gehad."
"Die hoeven niet elken dag," zeurde Lineke.
"Nu, gisteren heb je ze ook niet gestudeerd."
"Toen had ik les!" En na een halve minuut, want haar Moeder naaide rustig verder: "Moeten ze nu toch?"
"Ja natuurlijk."
't Pianokrukje piepte toen Lineke zich weer omdraaide, en ze begon met haar loopjes.
Zuchtend stopte Eduard zijn handen in zijn zakken en duwde zijn voorhoofd tegen 't koude glas. Dat afschuwelijke eentonige pianospelen maakte hem nog ellendiger dan hij al was, en was er nu tenminste maar eens iemand die iets vriendelijks tegen hem zei, maar 't was net of alle menschen hem even naar vonden.
"Edu!"
"Ja Tante."
"Waarom ga je zelf niet eens een brief aan Vader schrijven? Vader vroeg nog of je vooral gauw schreef, weet je wel?"
Eduard kwam bij de tafel staan. "'k Weet niet wat ik schrijven moet." Tante Lina keek hem verbaasd aan.
"Weet je niet wat je schrijven moet? Je kunt toch vertellen over 't schaatsenrijden, en hoe 't je hier bevalt, en over school, en ...."
"Ik heb geen zin in schrijven ook," viel Eduard in de rede. In ieder geval hoefde Tante Lina hem niet te vertellen wat hij zetten moest! Als hij schrijven wou schreef hij toch wat hij zelf wilde!
"Nu, ga dan viool studeeren, dat heb je van de week bijna niet gedaan en morgen heb je immers les?"
"'k Heb Vrijdag pas les."
"Ik dacht dat je verteld hadt dat je 's Woensdags les hadt."
"Och ja, dat had ik vroeger ook," zei Eduardongeduldig, "maar verleden week kon mijnheer Hofman niet, en daarvóór had Ik gevraagd of ik 't verzetten mocht omdat 't toen Woensdag Vaders laatste dag was, en nu heeft Mijnheer Hofman gevraagd of we nu vooreerst maar altijd op Vrijdag wilden komen. En studeeren kan 'k niet als hier piano gespeeld wordt."
Eduard schrikte zelf toen hij 't gezegd had, maar Tante Lina gaf hem heelemaal geen antwoord meer en liet hem stil staan. — Had Tante nu toch maar iets prettigs bedacht! Dat vervelende taallesje maakte hij nu ook niet; 't was nogal kort, en dat kon best na het eten, maar wat moest hij nu dan doen?
Eentonig klonken de vingeroefeningen.
Tante Lina stond op om 't licht aan te steken en deed de gordijnen dicht. — Toen nam zij zonder op Eduard te letten haar naaiwerk weer op.
"Tante."
"Wat is er?"
"Hebt u ook een velletje postpapier voor me? Ik wou toch maar aan Vader gaan schrijven."
"In 't schrijfbureau op Ooms studeerkamer, 't bovenste laadje rechts, haal daar maar een velletje uit en daar liggen de couverten ook."
"En waar moet ik dan gaan zitten?"
Tante Lina's geduld was eindelijk uitgeput. "Hé, jongen, zeur zoo niet, in de leerkamer niet natuurlijk, want daar is Keetje nog niet klaar met schoonmaken, maar je kunt toch wel ergens anders zitten! Hier, ofboven, op je eigen kamertje, of blijf in Ooms studeerkamer, Oom komt toch pas laat thuis, en dan mag je 't gas optrekken, 't kan mij verder heusch niet schelen!"
Eduard liep naar boven; in Ooms studeerkamer leek hem nog 't aanlokkelijkste.
Even duwde hij de deur van de speelkamer open toen hij er langs liep; de kleintjes waren met den trein aan 't spelen en de grond was in een spoorwegnet herschapen. In 't midden van de kamer stond Piet, die zichzelf voor deze gelegenheid tot Directeur van de Spoorwegmaatschappij bevorderd had, zijn bevelen uit te deelen. — "Chef!" riep hij tegen Tommy, "wie heeft de nachtdienst voor de Bazelexpres?"
"'t Is Beppie's beurt," vertelde Tom, en Piet vervolgde: "Nou, machinist, wil je dan alsjeblieft eens dadelijk een beetje gang in je locomotief brengen? Hij is al twee minuten over zijn tijd!"
"Ja maar de menschen zijn nog niet allemaal ingestapt!" beweerde Bep.
"Die moeten dan maar met de volgende mee, denk je soms, dat we daar op kunnen wachten? Allo, wind op, vlug een beetje!"
"Nou, Piet!" waarschuwde de juffrouw, die vanuit haar hoekje bij 't raam een oogje in 't zeil hield.
"Och drakement, hou je mond," mompelde Piet binnensmonds, en tegen Bep: "Vooruit nou!"
Beppie had de locomotief opgewonden en de machine rolde over de rails, achtervolgd door Broertje, die de trein nasprong met een luid: "Wou nog mee, wou nog mee!"
"Edu, kom je ook hier?" vroeg Tommy.
"Wel ja," zei Piet genadig, "we kunnen nog wel een wisselwachter gebruiken; heb jij daar soms liefhebberij voor, Eduardus?"
Maar Eduard antwoordde dat hij geen tijd had, een brief moest schrijven, en ging toen naar Ooms studeerkamer, waar hij 't licht optrok.
Gek, anders vond hij de spoor altijd leuk, maar hij had er vandaag evenmin plezier in als in iets anders; ze speelden ook precies even prettig, of hij er bij was of niet.
Uit het laadje nam hij een velletje papier en een couvert; toen zocht hij een penhouder op, ging aan Ooms hooge bureau zitten en begon te schrijven.
"Lieve Vader!"
Wat een ellendige pen! Eduard stond weer op om een inktlap te zoeken. Maar die was er niet, en daarom trok hij de pen er maar zóó uit, waarbij hij zijn vingers natuurlijk vol inkt maakte. — Wel vond hij een nieuwe pen, maar toen hij dat ding in de penhouder wilde steken liet hij het in zijn haast op den grond vallen. Ongeduldig bukte hij zich om't op te rapen, ging er bij op zijn knieën liggen tot hij 't eindelijk vlak bij de kachel vond — en met de pen in zijn hand bleef hij even languit voorover op den grond liggen, zijn armen onder zijn hoofd, en zijn oogen dicht. — Kon hij zich maar verbeelden, dat hij hier in Vaders kamer was! Dat hij hier bij 't gezellige open haardje lag, op 't harige kleed! Kon hij zich nu maar eens even verbeelden, dat Vader zoo meteen binnen zou komen, en hem overeind zou trekken, en met hem in de leunstoel zou gaan zitten, zooals die keer, toen Vader hem vertelde dat hij naar Indië zou gaan!
Maar dat kon natuurlijk niet. Vader was weg, heel ver weg, en het zou nog heel lang duren voordat Vader weer terug was. —
Als Vader nu eens heelemaal niet meer terugkwam? Als Vader nu eens dood ging in dat akelige Indië? Dan zou hij Vader heelemaal nooit meer zien; dan zouden ze nooit meer samen in die gezellige kamers thuis zijn; nooit meer in de huiskamer, of in de slaapkamer, of in Vaders eigen kamer, en nooit zouden ze meer samen in de groote stoel zitten, bij Vaders schrijftafel. — En dan zou hij zeker wel altijd hier moeten blijven, bij Oom en Tante, waar niemand zich met hem bemoeide, en waar hij aldoor voelde, dat hij er toch eigenlijk niet bij hoorde!
Als Vader hem hier zoo alleen zag liggen, zou Vader dan medelijden met hem hebben, en willen,dat hij niet was weggegaan? En opeens hoorde hij Vaders stem weer: "Wil je probeeren Vaders moedige jongen te zijn?" — Ja, dat had hij Vader beloofd. — Toen dacht Eduard er aan, dat Vader hem nu, op dit oogenblik, zeker niet moedig zou vinden. Wat moest hij zeggen, als Vader weer terug was? Dat hij 't maar heelemaal niet geprobeerd had, om moedig te zijn? O, Vader kwam zeker terug, natuurlijk kwam Vader terug! En nu wist hij ook opeens wat Vader zeggen zou als Vader hem hier zag, 't was hetzelfde dat hij misschien wel honderd keer van Vader gehoord had: "Kom Pepi, zou je nu niet eens aan het werk gaan?"
Eduard stond op, en schoof de pen in de penhouder. Hij hield niet van brieven schrijven, maar Vader zou 't zeker prettig vinden iets van hem te hooren.
Toen ging hij weer aan 't bureau zitten en begon opnieuw, en ijverig schreef hij deze keer verder, alleen zoo nu en dan even wachtend om te bedenken, wat hij verder zetten zou.
"Lieve Vader!
Hoe is 't met u? Ik dacht dat er vanmiddag een brief van u zou zijn, maar er was niets, en Tante Lina zei dat 't nog niet kon. Ik vond het niets leuk en wist heelemaal niet wat ik moest gaan doen, en daarom schrijf ik nu maar. 't Is hier soms nogal ergvervelend. Piet en Hugo vind ik nog niets leuk. U zei dat u 't prettig zou vinden als ik goede vrienden met ze werd en ik probeer soms wel eens om ze aardig te vinden maar dan zijn ze meestal juist vervelend. Hugo is een beetje aardiger dan Piet maar hij doet zoo geleerd. Hij wil electrische schellen maken. Oom Tom lacht er wat om. Hij zou er over slapen. Beppie is aardig. Ik heb haar ook van de chocola gegeven. 't Is erg lekker. Ik was erg blij toen ik de doos vond. We hebben schaatsen gereden op de ijsbaan. Eerst ging 't heelemaal niet maar nu ken ik 't wel zoowat. Oom Tom zei dat 't niet meer mocht want we kwamen te laat thuis. 't Dooide toen ook hard. Ik wou zelf ook juist niet meer want omdat ik me zoo haastte had ik bijna al mijn sommen fout en Bep huilde zoo omdat ik geen spelletjes met haar deed. Theo was er ook. We hadden veel pret samen. Ik vind brieven schrijven een naar werk maar doe 't toch maar omdat 't aan u is. Ik ben erg verkouden geweest maar 't gaat nu weer een beetje over. De briefkaarten waren heel leuk. Is het prettig op zee? Mijn lessen worden hier nooit overhoord. Tante Lina heeft het altijd erg druk. Oom Tom is soms vreeselijk streng. Als Piet je overhoort vraagt hij allerlei gekke dingen. Voor viool studeeren heb ik zoowat heelemaal geen tijd. Ik wou dat u maar weer terug was. U komt toch zoo gauw mogelijk, he Vader? Ik vind vier maanden toch verschr...."
De etensbel luidde, en Eduard hield op metschrijven. 't Papier was bijna vol, en straks zou hij wel even eindigen.
Hij stak de brief in 't couvert, stopte hem in zijn zak en veegde de pen aan zijn kous af.