The Project Gutenberg eBook ofEduard KernerThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Eduard KernerAuthor: M. C. van DoornIllustrator: B. Midderigh-BokhorstRelease date: December 22, 2023 [eBook #72481]Language: DutchOriginal publication: Haarlem: Vincent Loosjes, 1907Credits: R.G.P.M. van Giesen*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EDUARD KERNER ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Eduard KernerAuthor: M. C. van DoornIllustrator: B. Midderigh-BokhorstRelease date: December 22, 2023 [eBook #72481]Language: DutchOriginal publication: Haarlem: Vincent Loosjes, 1907Credits: R.G.P.M. van Giesen
Title: Eduard Kerner
Author: M. C. van DoornIllustrator: B. Midderigh-Bokhorst
Author: M. C. van Doorn
Illustrator: B. Midderigh-Bokhorst
Release date: December 22, 2023 [eBook #72481]
Language: Dutch
Original publication: Haarlem: Vincent Loosjes, 1907
Credits: R.G.P.M. van Giesen
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EDUARD KERNER ***
[Illustratie: kaft]
[Illustratie: rug]
EDUARD KERNER
EDUARD KERNER
image: 03_keukentafel.jpg[Illustratie: Maar Edu bleef kalm op de rand van de keukentafel zitten en liet zijn beenen heen en weer bengelen. (Pagina 1.)]
Eduard Kerner
Eduard Kerner
DOORM. C. VAN DOORN
DOORM. C. VAN DOORN
Met Teekeningen van J. B. Midderigh-Bokhorst
Met Teekeningen van J. B. Midderigh-Bokhorst
[Illustratie: logo]
HAARLEMVINCENT LOOSJES1907
HAARLEMVINCENT LOOSJES1907
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
"Edu, toe, laat me er nou uit!"
Maar Edu bleef kalm op de rand van de keukentafel zitten en liet zijn beenen heen en weer bengelen.
"Maak toch alsjeblieft de deur open, Edu! Toe, moet ik het je nu nóg vriendelijker vragen?"
Edu hield zich doof.
"Ben je er nog?" klonk het vol ontzetting uit de provisiekast.
Nu kon Eduard zich niet langer goedhouden, en hij barstte in lachen uit. Jammer, want anders had Rika bepaald gedacht dat ze tegen een leege keuken had staan praten, en 't zou heusch grappig geweest zijn om haar dat nog even te laten denken!
Zijn vroolijke jongenslach had de arme, opgesloten Rika wat haar laatste vraag betreft tenminste gerust gesteld.
"Maak dan toch open, ondeugende bengel!" begon ze weer.
Edu sprong van de tafel en ging voor de kast staan.
"Vind je het daar dan niet plezierig?"
"Plezierig? Och, zeur toch niet en laat me er uit, zoo meteen brandt mijn eten aan!" klonk het huilerig.
"Ik dacht 't zoo maar," zei Edu, die het goed vond om de kast nog even dicht te laten. "Er zijn daar toch genoeg lekkere dingen!"
"Er zijn hier geen lekkere dingen. Doe open!"
"Niet?" vroeg Eduard, met de grootst mogelijke verbazing in zijn stem. "Kom, je vergist je zeker! Ik laat je er niet uit als je niet wat lekkers voor me meebrengt!"
"Ingemaakte snijboonen en augurken in 't zuur, anders is hier niets!" En Rika morrelde van binnen aan de knop, want Edu had het slot weer opengedraaid, en hield nu met al zijn twaalfjarige kracht de knop aan de buitenkant in bedwang.
"Er is nog pruimengelei!"
Maar een gil van Rika maakte hem heusch even aan het schrikken.
"De appeltjes branden aan! Ik ruik het!" jammerde, ze.
Eduard snoof eens. "Maar niet heusch!" plaagde hij, en toen Rika's wanhopige kreten niet ophielden: "Nou ja, dadelijk mag je er uit, zal je dan niet boos op me zijn, beste Rika?"
"Nee, akelige jongen, gauw dan ook!"
"Daar dan!"
De deur vloog open en Edu stoof achteruit. — Bij de deur bleef hij staan, buigingen makend en gezichten trekkend tegen de arme Rika, die op eenholletje naar de kachel liep om van de appeltjes te redden wat er nog te redden viel.
Eduard was op een stoof gaan staan en had zijn armen uitgestrekt; op plechtigen toon begon hij nu: "Gegroet, o schoone keukenprinses".... Maar verder kwam hij niet, want hier werd hij in zijn toespraak gestoord door het omdraaien van den huissleutel in de voordeur. Op 't zelfde oogenblik stormde Edu de gang in, de keukendeur met een harden slag achter zich dichtgooiend. — Het dreunde nog even na in de ruime keuken. — "Hè, hè, dat lucht op," zuchtte Rika, en ze zette de stoof weer onder de tafel.
Eduard was terecht gekomen in de armen van zijn Vader, die hem aan 't eind van de gang opving met een luid "Hallo!"
Een seconde lang was hij bijna geheel in Vaders donkere overjas verdwenen, toen sprong hij achteruit en trok een vies gezicht. "Wat bent u nat," zei hij, en hij wreef met zijn hand over zijn wang, waarop Vaders baard een paar kleine druppeltjes had achtergelaten.
"Nat?" lachte Vader, "geen wonder, 't is nog altijd aan 't motregenen! Help me maar eens gauw die natte overjas uittrekken!"
"En u bent zoo vreeselijk laat!"
"Heeft je maag je al gewaarschuwd dat 't etenstijd was? We zullen gauw beginnen!"
Achter zijn Vader aan stapte Eduard de huiskamer binnen, waar een prettige warmte de kilte van denregenachtigen Januaridag buitensloot. De tafel was gedekt, en terwijl Vader de overgordijnen dicht trok en de kachel opnieuw vulde, bij welke bezigheden Eduard hem steeds in den weg liep, bracht Rika het eten binnen.
"En — wat heeft Pepi vanmiddag uitgevoerd?" vroeg Vader, toen ze tegenover elkaar aan tafel zaten en een gedeelte van den inhoud der schalen naar de twee borden verhuisd was.
"Pepi" wachtte even voor hij een hap appeltjes in zijn mond stak.
"Wel, eerst had ik vioolles, en dat duurde nogal lang, want mijnheer heeft een paar stukjes voorgespeeld, een zoo'n leuk ding was er bij, zoo heel gauw ging 't, maar 't is wel heel moeilijk."
"En kende je al de oude stukjes al?"
"Ja, zoowat. Dat laatste, dat menuet, dat ik gisterenavond speelde, u weet wel, ging nog niet zoo heel mooi, maar dat heb ik er nu bij gehouden en dan wat nieuws."
"En was mijnheer tevreden?"
"Mijnheer vond wel dat ik vooruit ging, leuk dat hij dat zei, maar hij vond ook dat ik te haastig was, ik moet niet net doen of ik blij ben als een stukje haast uit is, en .... enne ...." Eduard wachtte even, als was hij vergeten wat hij verder had willen zeggen, en maakte toen haastig zijn zin af: "en rustig spelen." — Bij de laatste woorden had hij een kleur gekregen en strak keek hij op zijn bord, maar 't wasniet omdat hij aan de vioolles dacht. Hij had de aangebrande appeltjes geproefd, en 't had hem er aan doen denken wat hij dien middag nog meer had uitgevoerd.
Vader scheen er nog niets van gemerkt te hebben, hij at tenminste kalm door; zeker dacht hij, dat Eduards vuurrood gezicht met de vioolles in verband stond.
"En waarom doe je dat dan ook niet?"
"Wat, Vader?"
"Wel, rustig spelen!"
"O, ja ziet u, als ik iets goed ken dan speel ik graag vlug, en als er dan weer een eindje komt dat niet zoo goed gaat dan doe ik dat langzamer, en dan kom ik niet gelijk uit met mijnheer, die natuurlijk precies in de maat er bij piano speelt. Kijk, 't was heel wat anders als ik hier ook kon studeeren met de piano er bij, maar u speelt geen piano en Rika natuurlijk ook niet." — Even lachte hij om het denkbeeld, dat Rika piano zou spelen, maar toen hij zag dat Vader opeens heel ernstig keek: "Och, maar dat is ook eigenlijk mijn eigen schuld; ik zal voortaan maar heel goed tellen, want daar komt het toch eigenlijk door! Denkt u ook niet dat het dan wel beter zal gaan, Vader?"
Zijn Vader gaf geen antwoord. Hij dacht er aan, hoe het altijd een van de liefste wenschen van zijn vrouw geweest was dat hun jongen viool zou spelen, en hoeveel plezier zij er nu in gehad zou hebbenzijn stukjes op de piano te begeleiden. — In zijn verbeelding zag hij haar weer op de rustbank in de zitkamer liggen, en daar opeens klonken hem ook weer de luidruchtige stappen en de bekende hooge jongensstem in de ooren, en hij zag Eduard, toen een ventje van negen jaar, de kamer binnenstormen, met een kleur van opgewondenheid, de vioolkist in de hand. 't Was zijn eerste vioolles geweest, en druk pratend en vertellend had hij de viool te voorschijn gehaald en aan zijn Vader en Moeder laten zien hoe hij het instrument vast moest houden; toen had hij met den strijkstok de snaren aangeraakt, en zij hadden geluisterd naar de eerste tonen die hun jongen ten gehoore bracht; en tot slot had hij een soort negerdans uitgevoerd, aldoor de viool vasthoudend en met den strijkstok in het rond zwaaiend. Weer hoorde hij de stem van zijn vrouw zeggen: "Voorzichtig, lieveling!", toen Eduard half tegen de tafel aanviel, en weer hoorde hij zichzelf eindelijk zeggen: "Nu niet te druk, vent, denk aan Moeder!" Toen had in minder dan geen tijd de viool op een stoel gelegen, en een paar stevige jongensarmen waren om Moeders hals geslagen. Weinig had hij toen vermoed, dat zij nog geen jaar later haar stem nooit meer zouden kunnen hooren ...
Eduard, die zag dat Vader in gedachten verdiept was, durfde hem niet meer te storen en at stil zijn bord leeg.
Toen, op een wenk van Vader, belde hij Rika, om de schalen te komen verwisselen.
Half hoopte hij, dat Vader vergeten zou te vragen wat hij verder had uitgevoerd, want hij begreep wel,dat hij danover de plagerij in de keuken moest beginnen, en het was hem ook heel duidelijk dat Vader daar niet bizonder mee ingenomen zou zijn. En toen Rika binnengekomen was en hij haar even aanzag kreeg hij opeens een heel onplezierig gevoel, want Rika keek heelemaal niet vroolijk en haar oogen waren rood. Haastig zag hij naar Vader, en haalde toen verruimd adem, want Vader scheen nergens op te letten, en vroeg heel gewoon: "Zoo Rika, druk gehad vanmiddag?"
"Dat schikt wel meneer," zei Rika, maar haar stem klonk wat vreemd, en toen Vader naar haar keek draaide ze zich haastig om en verdween met de leege schalen door de openstaande deur.
Vader bleef haar verwonderd nakijken. Vanwaar die plotselinge spoed? Een blik naar Eduard scheen hem wel eenige opheldering te geven; de jongen keek zoo verlegen en zette zoo'n schuldig gezicht dat hij heusch even moeite had heelemaal ernstig te blijven. Bedaard wachtte hij tot Rika de schoone borden neergezet had en de deur weer dicht was; toen liet hij Eduard rijst nemen, en vroeg: "Wat heb je na de vioolles gedaan, Eduard?"
"Na de vioolles, Vader? Toen ben ik naar huis gegaan, en toen heb ik mijn sommen gemaakt, enéén som kwam niet uit, en toen heb ik eerst mijn Fransche les geleerd, en toen ik die zoowat kende heb ik die eene som nog eens geprobeerd. Ik heb er heusch een heele tijd op gezeten, Vader, maar hij wóu niet uitkomen!"
Vader knikte heel ernstig. "Wel gek toch, gewoonlijk komt een som toch dadelijk uit als je er maar eerst eens een poosje op bent gaan zitten, hè Pepi?" Vader begon te lachen, en Eduard wist niet of hij boos moest kijken of meelachen.
"Wat flauw," zei hij eindelijk. "Ik bedoel niet echt zitten!"
"Niet echt zitten? Wat bedoel je dan?" en Vader lachte nog maar.
"U begrijpt best wat ik meen," zei Eduard kwaad.
Zijn Vader was opeens weer ernstig geworden. "Nou vrindje, bedaar maar! Je kunt toch nog wel tegen een grapje, is 't niet? Je zet een gezicht als een oorwurm!"
Eenige oogenblikken bleef 't heel stil in de kamer. Toen begon Vader weer, want hij was nog niet waar hij op aan stuurde: "Nu, en verder, wat heb je na dat probeeren van die som gedaan?"
"Toen? Ja, toen ben ik naar de keuken gegaan, en daar heb ik wat op de tafel gezeten, enne ...."
"En toen heb ik wat kattekwaad uitgevoerd."
"Hè, Vader, hoe weet u dat?"
"Dat vertelt je arme zondaarsgezicht me," antwoordde Vader lachend. "Wat was 't? Biecht maar eens op!"
Eduard had het opeens erg warm gekregen. "Och," zei hij, "ja, ziet u, 't kwam heelemaal vanzelf, want Rika wilde iets wegzetten, en toen ging ze in de provisiekast."
"En toen?"
"Toen deed ik de deur dicht."
"Welke deur?"
"Van de kast."
"Op slot?"
"Ja, Vader."
"En hoe lang duurde dat?"
"Een paar minuten, denk ik."
"En wat zei Rika?"
"Rika zei eerst dat ik haar er uit moest laten," even kwam er een ondeugende flikkering in Eduards oogen, "en toen zei ze dat de appeltjes aanbrandden."
"Dat deden ze ook. En liet je haar er toen uit?"
"Ja, tenminste bijna dadelijk."
Vader lachte nu heelemaal niet meer, en hij zweeg even.
Toen zei hij: "Kijk eens, ik vind dat nu eigenlijk niet zoo erg prettig. Ik heb je nu al een keer of drie gevraagd om het Rika niet lastig te maken, en telkens gebeurt het weer. Ik vind het heel goed dat je gekheid maakt, maar dit is plagen."
Eduard keek heel sip. "Ik kon toch niet vooruit weten dat ze boos zou worden," zei hij.
"Als je even nagedacht hadt, toen je die kast op slot deedt, had je het wél geweten.
image: 05_handdruk.jpg
Rika heeft het druk en ze is wat zenuwachtig, en je weet nu eenmaal dat ze niet tegen die plagerijen van jou kan. Jij hadt plezier, maar Rika heelemaal niet, en dat merkte je heel goed, en vind je het dan niet een beetjezelfzuchtig om alleen maar aan je eigen plezier te denken, en kalm door te gaan?"
"Ja maar daar heb ik heelemaal niet over gedacht!"
"Dat begrijp ik wel," zei Vader terwijl hij opstond, "maar wil je dan niet eens probeeren om daar voortaan wel aan te denken?"
"Ja Vader."
"Mooi. En ga dan nu maar met me mee en laat me die lastige som eens zien."
Vader opende de deur om naar zijn eigen kamer te gaan.
Eduard volgde hem, maar eerst holde hij nog even naar de keuken.
"Rika, ben je nog boos op me?"
"Ik ben niet boos."
"Geef me dan een hand, Rika!" En hij schudde de uitgestoken hand zóó lang en zóó krachtig, dat Rika "au" riep.
"Och, Vader, u luistert niet!"
"Jawel vent, ik luister, de man heeft rogge en tarwe."
"Een een vijfde maal zooveel rogge als tarwe!"
"Een een vijfde maal zooveel," herhaalde Vader geduldig.
"En nu verkoopt hij de helft van de rogge en een derde van de tarwe, 1 H.L. rogge voor f 10.—en 1 H.L. tarwe voor f 15.—, en nu ontvangt hij voor de rogge f 75.— meer dan voor de tarwe, hoeveel heeft hij van elk gehad?" dreunde Eduard op, en toen: "Kijk, nu heb ik zoo gedaan," en hij zocht in een hoek van zijn kladpapier tusschen een menigte cijfertjes, waar hij zelf blijkbaar nog maar met moeite uit wijs kon worden: "O ja, kijk, zoo ben ik begonnen" .... Maar opeens hield hij midden in zijn zin op toen hij toevallig Vader even aanzag. "Och, nu hebt u weer heelemaal niet geluisterd!" zei hij ongeduldig.
Vader schrikte op. "Nee, ik heb ook niet geluisterd, ik zat aan iets anders te denken. Leg het me nog maar eens uit, ik zal nu beter opletten."
"Heusch?"
"Ja heusch," en Vaders donker hoofd boog zich over het sommenschrift heen.
Eduard begon weer van voren af aan over zijn rogge en tarwe tot hij eindelijk midden in zijn uitlegging bleef steken. "Maar nu kan ik niet verder komen," zei hij, "ik begrijp niet wat ik nu doen moet."
"Je kunt er zoo ook nooit komen," verklaarde Vader. "Begin nu eens van den anderen kant af, en reken uit hoeveel rogge hij verkoopt als hij 1 H.L. tarwe verkoopt."
"Dat heb ik ook al gedaan," zei Eduard uit zijn humeur, "maar toen ging 't ook niet!" en toen Vader zweeg: "Komt 't dan wel uit, Vader?"
"Probeer 't maar eens," antwoordde Vader kort, terwijl hij de courant openvouwde en begon te lezen.
Eduard beet besluiteloos op zijn potlood en streek met zijn hand door het kortgeknipte blonde haar. Toen ging hij zuchtend weer aan 't cijferen.
Een minuut of tien bleef 't stil in de kamer.
"Vader!"
"Wat is er?"
"'t Komt niet uit!"
"Laat maar eens kijken!" en Vader verdiepte zich even in de som en besloot: "Je hebt je vergist, reken 't maar eens over, dan vind je de fout wel."
En weer was 't stil; alleen ritselde nu en dan de courant, wanneer Vader een blad omsloeg, en telkens zuchtte Eduard, wanneer weer een nieuwe poging om de fout te ontdekken mislukt was.
"Niet zoo zuchten!" zei Vader eindelijk, "gaat het niet?"
En Eduard keek even op, eerst heel nadenkend en met rimpels in zijn voorhoofd, en toen glimlachend, en rekende weer verder. —
"Klaar!" 't Klonk als een juichkreet, en met een triomfantelijk gezicht legde hij het sommenschrift op de opengeslagen courant.
Vader las 't even vluchtig door. "Mooi zoo," zei hij, toen klapte hij het schrift dicht en gaf het aan Eduard terug.
De jongen ging naar een hoek van de kamer waar zijn schooltasch op den grond lag, en stopte er zijn boeken en schriften in.
"Pepi, kom eens hier!" vroeg Vader, en toen Eduard tegen zijn knie aanleunde en hem verwonderd aanzag: "Weet jij nog, wanneer ik het laatst op reis ben geweest?"
"Op reis? Ja, was dat niet verleden week, toen u naar Arnhem was, of bedoelt u dat niet?"
"Nee, dat bedoel ik niet, toen kwam ik 's avonds weer thuis; ik bedoel voor langer tijd."
"O," zei Eduard; hij begreep niet goed wat Vader eigenlijk wilde vertellen; "was dat niet twee jaar geleden, toen u naar Engeland was?"
"Ik geloof het ook; ik vroeg 't maar, omdat ik nu weer op reis moet, zie je."
Eduards gezicht betrok. "Gaat u op reis? Waar naar toe?"
"Naar Indië.
"Naar Indië?"
"Ja; er moeten een heeleboel nieuwe machines naar Indië toe, en nu gaat een van de ingenieurs mee, en dat ben ik."
"En hoe lang blijft u dan weg?"
"Vier maanden."
"En wanneer gaat u?"
"Over drie weken."
Eduard vroeg niet verder. Stijf hield hij de leuning van den stoel vast en keek Vader met wijd open oogen aan. 't Was, of hij 't nog maar half begreep, maar vóór zich zag hij alleen vier lange, eindeloos lange maanden, leeg en vreemd, en Vader heel ver weg. Toen barstte hij uit: "Maar ik ga toch mee, is 't niet Vader?" en toen Vader geen antwoord gaf: "Vader, zeg dat ik mee ga!"
"Nee jongen, ik kan je niet meenemen," zei Vader, en hij legde zijn hand op Eduards schouder. "Kijk, als ik voor mijn plezier op reis ging zou dat gaan, maar ik moet daar in Indië hard werken; ik zal den heelen dag druk bezig zijn, en ben nu hier, dan daar. Je zou er niets aan hebben, ik zou je den heelen dag alleen moeten laten, en bovendien zou al dat heen en weer trekken veel te vermoeiend voor je zijn."
"Maar u doet 't zelf toch ook!"
"Ja, maar ik ben ook geen kleine jongen meer!"
"Ik ook niet!"
"Nu, een groote jongen dan," en Vader glimlachte even. "Heusch vent, 't gaat niet, 't is veel verstandiger dat je kalm hier blijft en naar school gaat!"
image: 06_vadersknie.jpg
"En moet ik dan alleen thuis blijven?"
"Nee, je blijft niet thuis, je gaat uit logeeren. Ik heb gevraagd of je dien tijd bij Tante Lina mag komen. Ik hoorde het vanmiddag, en toen ben ik dadelijk aan het plannen maken gegaan; voor het eten liep ik even bij Oom en Tante aan om te vragen of zij 't niet te lastig vonden er nog een jongenbij te krijgen, en daardoor kwam ik zoo laat thuis."
Eduard was op Vaders knie gaan zitten; tot nu toe had hij rustig geluisterd, maar nu sloeg hij opeens zijn armen om Vaders hals en begon onstuimig: "Maar u mag niet weggaan! Ik wil niet alleen hier blijven, en ik wil ook niet naar Tante Lina!" En toen smeekend: "O, Vader, ga toch niet weg!"
Vader zweeg, en drukte zijn jongen dicht tegen zich aan; het was het eenige wat hij op dit oogenblik voor hem kon doen. Veel was het hem waard geweest, wanneer een van de andere ingenieurs deze reis had kunnen maken, maar een langdurig gesprek met den directeur van de groote machinefabriek waaraan hij verbonden was, had hem de noodzakelijkheid van zijn gaan doen inzien. Het lachte hem niet erg toe, zijn jongen alleen te moeten achterlaten, maar hij was er van overtuigd, dat Eduard bij de oudere zuster van zijn vrouw werkelijk goed bezorgd zou zijn, ook al was hij geen groot huishouden gewend en al zou hij er in het begin misschien wat moeite mee hebben, zich naar zijn nichtjes en neefjes te schikken.
"Eddy, lieveling, maak het niet nog moeilijker voor me dan het is! Doe je best om ferm te zijn! Vier maanden zijn gauw om, en je zult het zeker prettig hebben bij Tante Lina!"
"Hugo en Piet zijn zulke vervelende jongens!" klonk het gesmoord.
"Ja, dat vind jij, maar ligt dat nu ook niet eenbeetje aan jezelf? Kijk, Oom en Tante wonen hier nog niet lang en je kent je neefjes pas kort, zijn die jongens nu heusch zoo vervelend, nu je ze niet dadelijk bizonder aardig vindt?"
Er kwam geen antwoord.
"Eddy, waaraan denk je?"
"Was Moeder er nog maar!"
Vader zweeg, en kuste zacht het blonde hoofd, dat tegen zijn schouder leunde.
"Weet je nog wel hoe Moeder altijd probeerde het goede in de menschen op te zoeken?" begon hij toen. "Moeder zei altijd, 'als ik iemand vervelend vind, dan kan dat even goed aan mij liggen als aan hem, en dan wil ik toch eerst eens trachten te weten te komen, waarom een ander wel van hem houdt en ik niet!' En waarom zouden andere menschen Hugo en Piet wel aardig vinden, en jij niet? Begrijp je wat ik bedoel?"
"Ja."
"En zou je het zelf ook niet prettig vinden om goede vrienden met de neefjes te zijn?"
Eduard antwoordde niet. "Alleen dán zou ik niet graag willen dat je goede vrienden met ze werdt, als het jongens zijn die liegen of laf zijn of gemeene dingen doen, maar dat geloof ik niet van ze. Kijk eens, je zult een heeleboel te doen hebben in die vier maanden; je zult je best moeten doen geduldig te blijven en niet boos te worden, ook al gaat alles niet even gemakkelijk. — En hetmoeilijkste van alles is om altijd te doen wat je zelf weet dat goed is. — Om moedig te doen wat je duidelijk ziet dat je plicht is, en je er niet aan te storen wat de andere jongens zeggen. — En daar is een heeleboel moed voor noodig, weet je dat wel?"
"Ja, dat weet ik wel." —
"En wil je daarvoor je best doen? Kijk me eens aan, Eddy! Zoo — wil je probeeren Vaders moedige, eerlijke jongen te zijn?"
Eduard knikte van ja, met een vreemd, strak gevoel in zijn oogen. —
"En je zoo flink mogelijk houden als ik weg ben?"
En weer knikte Eduard van ja, half hopend dat Vader nu maar over iets anders zou gaan praten, want hij voelde dat hij zich nu niet lang meer goed zou kunnen houden.
"Mooi!" en zacht streek Vader over het kortgeknipte haar. "Heusch, 't zal zoo lang niet duren, in 't begin van Juni ben ik weer bij je!"
"Maar ik vind het juist zoo vreeselijk lang!"
"Ja, maar dat valt wel mee; kijk, 't is niet eens vier heele maanden, we gaan den achtsten Februari uit Genua; morgen over drie weken ga ik weg, 's ochtends vroeg, en dan over land naar Genua. En daar ligt de Willem II dan al op ons te wachten, en die brengt ons naar Indië toe."
"Wie gaat er nog meer mee?"
"Mijnheer van der Zande gaat mee; hij heeft de machines gekocht voor zijn fabrieken in Indië en nugaat hij zelf mee om ze te brengen, en dan maken we samen de reis."
"En blijft u dan eerst nog in Genua?"
"Blijven? Welnee! We komen er 's avonds aan, en ja, dan blijven we er één nacht, en den volgenden morgen gaan we weg." —
"Maar u kent toch geen Italiaansch?"
Vader glimlachte even; "Nee, dat ken ik ook niet, maar ze verstaan in Genua wel Fransch ook! Zoo zie je al weer, doe op school maar goed je best met Fransch, anders kun je later nooit in Italië reizen!"
"En ik vind Fransch juist zoo'n naar vak," zuchtte Eduard. "Fransch en sommen vind ik 't akeligste dat er bestaat, maar sommen toch eigenlijk nog 't allerakeligste!"
"Juist een reden om er heel goed je best op te doen; heusch, als je iets goed kent vind je het niet akelig meer, geloof je dat ook niet?"
"Misschien niet," zei Eduard voorzichtig, "maar sommen zal ik toch wel altijd naar blijven vinden, denk ik."
Vader lachte, en kneep zijn jongen in de wang. "Pepi!" zei hij; — en toen: "Maar kijk eens op de klok! Vraag aan Rika een glas melk en maak dat je naar bed komt!"
"Ja, maar ik wou nu juist nog zoo'n boel vragen, en ik wou nog veel meer hooren over Indië!"
"Goed Pepi, morgen. Nacht Pepi!"
"Maar Vader, ik ...."
"Nacht Pepi!"
En lachend nam Vader zijn tegenstribbelenden jongen bij een arm om hem de kamer uit te zetten.
"Luister dan nog even, Vader!"
"Nu, wat is er?"
"Komt u dan zoo meteen nog even boven als ik roep?"
"Ja, voor dezen keer."
"En, Vader, ik zal heusch denken aan wat ik beloofd heb, maar ik" — Eduard slikte even — "ik wou toch wel dat u niet weg ging, Vader!"
"Ik ook," antwoordde zijn Vader.
Eduard stak zijn hoofd om de huiskamerdeur.
"Vader, mag ik eerst nog wat steltenloopen voor we gaan koffiedrinken?"
"Ha, daar hebben we Pepi! Kom eens hier, Pepi, zeg je mijnheer van der Zande niet goeiendag?"
Eduard kwam dichter bij, "Dag mijnheer!" zei hij.
"Dag e... jongmensch, hoe heet je ook weer?" en de jongen voelde zich van het hoofd tot de voeten opnemen.
"Eduard," zei hij kort, en toen tegen zijn Vader, "mag ik nog even?"
"Ja, nog vijf minuten, maar voor 't huis blijven."
De beide heeren stonden voor 't raam, en keken er naar hoe Eduard even later met een vlugge beweging op de stelten sprong.
"Een flinke jongen," zei mijnheer van der Zande, "hij begint op je te lijken, Kerner!"
"Vind je?" vroeg Eduards Vader afgetrokken, en toen levendiger: "Hij doet mij altijd sterk aan zijn Moeder denken." En knikkend tegen Eduard, die op één stelt hinkend met de andere probeerde aan te slaan: "maar 't is een echte bengel."
Eduard had intusschen ergens op straat een steentje ontdekt en was daar nu zoo vlug als hij op zijn stelten vooruit kon komen naar toe gegaan om in zijn eentje wat te voetballen.
Hij was niet erg gesteld op mijnheer van der Zande, die óf tegen hem sprak als tegen een kind van vijf jaar, óf doodkalm deed alsof hij niet bestond. Maar dat was nog niet het voornaamste. Eduards grootste grief was, dat mijnheer van der Zande, die een oude kennis van Vader was, altijd onverwacht kwam, en juist altijd, als er het een of ander prettige plannetje gemaakt was, dat daardoor dan natuurlijk in het water viel. En dat kon hij nu wel niet helpen, maar 't was voor Eduard toch reden genoeg om zijn komst nu niet met bizonder veel genoegen te begroeten. — Vandaag ook weer, 't was de laatste dag dat Vader er was, want morgenochtend vroeg zou Vader weggaan; verder was 't Woensdag, en Eduard had zijn vioolles mogen verzetten om voor 't laatst nog een gezelligen middag met Vader te hebben en om te helpen Vaders handkoffertje in te pakken — en natuurlijk kwam nu mijnheer van der Zande. — Misschien ging hij wel dadelijk weg, maar die hoop werd steeds flauwer en verdween geheel, toen Vader hem tikte om te komen koffiedrinken. Eduard gaf nog een fermen schop tegen zijn steentje, toen sprong hij van zijn stelten en zette ze met een verdrietig gezicht in de gang neer.
"En dan vind ik je morgen dus aan het stationin Arnhem," hoorde hij zijn Vader zeggen toen hij binnenkwam, en mijnheer van der Zande: "Uitstekend; in ieder geval ga ik vanmiddag nog door, ik moet nog verschillende lui spreken."
De twee heeren zaten al aan tafel en Eduard schoof haastig zijn stoel bij. — "In ieder geval gaat hij voor 't eten dus weg," dacht hij.
Mijnheer van der Zande begon iets te vertellen over zijn Vader, die nog zoo flink was, en nog altijd zelf aan 't hoofd stond van de fabrieken in Indië, en gaf toen een uitvoerig verslag van de oude machines, en de bizonderheden waarin zij van de nieuwe verschilden.
Eduard luisterde er niet naar; 't kon hem niet veel schelen; verder hield hij zich bezig met het tellen van de broodjes en de kopjes koffie, die mijnheer van der Zande achtereenvolgens deed verdwijnen.
"O, de betrekking van Hollandsche vertegenwoordiger van de zaak bevalt mij best!" hoorde Eduard hem zeggen; "op mijn tiende jaar kwam ik voor 't eerst naar Holland, en sedert dien tijd ben ik al zes keer heen en weer geweest, maar nooit voor langer dan drie maanden; dit is de zevende keer."
"Bleef hij er nu maar voor goed," dacht Eduard, "dan kwam hij hier onze middagen tenminste niet meer bederven!"
Mijnheer van der Zande wendde zich nu plotseling tot Eduard.
"Zoo, mannetje, en leer je nogal vlijtig?" vroeg hij.
Eduard zei niets, en keek zijn Vader aan. — "Dat gaat nogal, hè Pepi?" antwoordde deze voor hem, en toen mijnheer van der Zande weer: "En in welke klas zit je wel?"
"In de zesde, mijnheer."
"Zoo, zoo; nou, dat schiet al op, hoor!" en toen van onderwerp veranderend: "En ga je niet met Pa mee naar Indië?"
"Nee mijnheer."
"Zoo; 't is anders een best land, geloof je dat niet?"
"Jawel mijnheer."
"En waarom wil je dan niet mee?"
"Ik wil wel mee."
"Wat? En daarnet zei je dat je niet mee wou?" Eduard zei niets meer, maar keek naar zijn Vader, alsof hij dacht, dat die wel voor hem antwoorden zou.
"Later gaat hij eens mee," zei Vader, en toen, om er een eind aan te maken: "Wil je nog een kop koffie?"
Rika werd gebeld om nog eens koffie te schenken.
't Was zijn derde kopje al, dacht Eduard, aldoor schuins naar mijnheer van der Zande kijkend, en hij was aan zijn vierde broodje bezig.
En zonder dat mijnheer van der Zande het merkte stak hij tegen Rika, die opnieuw het kopje vulde, eerst drie, en toen, met een veelbeteekenende blik — naar de broodbak, vier vingers in de hoogte. — Maar Vader had het wél gemerkt, en zag hem een halve minuut lang streng aan.
Mijnheer van der Zande had zijn spoorboekje te voorschijn gehaald en er met aandacht in gekeken. — "Mijn plan was om de trein van 3.17 te nemen," zei hij toen, "maar heb je soms iets anders te doen, zeg het dan gerust, ik vind mijn weg wel."
"Wel neen, ik vind het uitstekend. Ik had mijn jongen beloofd om wat met hem te wandelen, maar dat kan toch gebeuren; na de koffie kunnen we in mijn kamer gaan zitten en Eduard kan in dien tijd zijn huiswerk maken; daarna brengen we je samen naar den trein en dan loopen we buitenom, door het bosch."
"Ik vind ...." begon Eduard, maar zijn Vader viel hem haastig in de rede. "Je opinie wordt niet gevraagd," zei hij kortaf.
Eduard was niet bizonder ingenomen met de schikking. Waarom zei Vader nu niet dat hij wél wat anders te doen had? Vader had hem toch beloofd met hem te gaan wandelen, en tegen dat mijnheer van der Zande nu goed en wel weg was, zou de middag om zijn. En dan dat vervelende huiswerk nog! Haastig dronk hij zijn glas melk leeg.
Mijnheer van der Zande begon weer een nieuw verhaal over Indische huizen en Indische tuinen. Eduard luisterde maar half, maar opeens begon hij 't zelf ook leuk te vinden, en toen wilde hij er ook dadelijk nog veel meer van weten en ging van alles vragen.
Eindelijk stond Vader op. "Willen we nu maar eens naar de andere kamer gaan?" stelde hij voor, "en ga jij dan boven aan 't werk, Pepi?"
Maar Pepi had niet veel zin. Aan Vaders arm liep hij mee naar de studeerkamer. "Toe, nog eventjes," smeekte hij, "omdat 't uw laatste dag is!"
Vader gaf geen antwoord, maar liet toch toe dat hij nog wat bleef rond hangen. Een paar keer waarschuwde hij: "Kom, Pepi!" Want mijnheer van der Zande was weer van onderwerp veranderd en had het over groote orders van den laatsten tijd, en Vader zag duidelijk dat Eduard er geen belang in stelde en zich verveelde. — "Kom, Eduard, ga nu aan je huiswerk!" zei hij nog eens; maar toen de jongen eindelijk lastig werd en met propjes papier door de kamer begon te knippen raakte zijn geduld op, en plotseling viel hij mijnheer van der Zande in de rede met een boos: "Eduard, ga nu onmiddellijk naar boven; je hoeft niet weer beneden te komen voor ik je roep."
Een benauwende stilte volgde, en heel verschrikt zag Eduard zijn Vader aan; toen stond hij langzaam op en liep aldoor naar den grond kijkend de kamer uit, zijn handen in zijn zakken. — Pas toen hij de trap opging hoorde hij in de studeerkamer weer praten.
Vader boos, en dat op den laatsten dag! Was dat nu zoo erg, dat hij eens eventjes met een propje schoot? Die akelige mijnheer van der Zande ook, 't was allemaalzijnschuld, als die niet gekomen was zou hij nu prettig met Vader bezig zijn aan 't koffertje of iets anders, en nu moest hij hier alleen op de slaapkamer zitten — met een ruk trok hij zijn tasch optafel en schudde zijn boeken en schriften er uit. Och, hij had immers ook zoowat niks te doen, het grootste deel van zijn sommen had hij gisterenavond al gemaakt, juist om vandaag niet veel te hebben; 't waren net nog twee korte dingetjes, die waren in een wip klaar. Maar dat gaf nou allemaal niks, want naar beneden gaan mocht hij toch niet.
Kom, er nu maar niet meer aan denken en schrijven.