"Jullie moet je vandaag maar alleen amuseeren, jongens!" zei Oom Tom, toen hij op een regenachtigen Zondagmorgen in Maart beneden kwam om te ontbijten. "Mama heeft erge hoofdpijn en blijft in bed."
"Wat saai!" zuchtte Piet, en Broertje gaf door een knorrig gebrom zijn ontevredenheid te kennen. De kinderjuffrouw was gisterenmiddag voor 't eten uitgegaan en zou vanavond pas laat terugkomen; Lineke had daarom vanmorgen de kleintjes helpen aankleeden, maar heel vlug was 't niet gegaan en er was al heel wat afgekibbeld voor ze eindelijk allemaal beneden waren, en Broertje was dan ook tot het besluit gekomen, dat het veel plezieriger was, door een vertellende en grapjes makende juffrouw aangekleed te worden, dan door een ongeduldig zusje!
"Komt Maatje vandaag heelemaal niet beneden?" vroeg Beppie.
"'k Weet niet, prul, misschien na de koffie als 't dan wat beter is," antwoordde de Kapitein, Bep over haar krullen strijkend, en tegen de anderen: "Komenjullie ontbijten, en wil jij thee schenken, Lineke?"
"Ik moet ook altijd alles doen," mopperde Lineke. 't Gezeur boven had haar al lang uit haar humeur gebracht, maar ze begreep wel dat er nu niet veel aan te veranderen viel.
"Wil Ma ook thee?"
"Dat denk ik wel; ik zou maar een kopje inschenken en naar boven brengen, en dan wilde Mama je meteen iets vragen."
Langzaam begon Lineke de kopjes klaar te zetten.
Eduard, die aan Tommy de moppen van 't scheurkalenderblaadje en een recept tegen zomersproeten had voorgelezen, eindigde met het raadsel, dat er op stond: "Welk water is onthoofd een deugd?" Toen zette hij zijn stoel bij de tafel, en opeens kreeg hij een inval toen hij Linekes ongelukkig gezicht zag.
"Wil ik je eens helpen, zeg?" vroeg hij. "Geef maar hier, ik zal suiker in de kopjes doen. Hoeveel moeten 't er zijn? Vier?"
Lineke keek hem ongeloovig aan, en Eduard begon te lachen. "Ik kan 't heusch wel," verzekerde hij, "ik schenk thuis heel dikwijls thee!"
En zonder zich aan het gegrinnik van Piet te storen hielp hij zijn oudste nichtje heel voorzichtig, totdat eindelijk alle kopjes op tafel stonden en Lineke naar boven ging.
"Jongens," vroeg Oom Tom, toen ze allemaal aan hun boterhammen begonnen waren, "willen jullie nu niet eens iets bedenken waarmee je samen een prettigen Zondag kunt hebben? Mama vertelde me dat Hannie en Kees Beekman zouden komen koffiedrinken, en als al dat kleine grut met elkaar speelt komt er niets van terecht. Kunnen jullie drieën nu niet een beetje de wijsheid bewaren, en zorgen dat ze niet al te luidruchtig worden?"
"Laten we die kinderen maar liever afzeggen," vond Hugo, "Ma zei gisteren dat ze al om elf uur zouden komen en ik geloof dat ze tot 't eten moesten blijven, en 'k was nu juist van plan eens flink aan mijn telefoon te werken."
"Wel ja," voegde Piet er bij, "we kunnen best zeggen dat Ma ziek is, dan zullen ze toch wel snappen dat we geen kindervisite kunnen hebben. Ik had nu juist eens genoegelijk willen lezen vandaag, maar als je met die twee van hiernaast opgescheept bent komt daar natuurlijk niets van."
"Afzeggen kan nu niet meer," zei de Kapitein ongeduldig, "Mijnheer en Mevrouw Beekman zouden den heelen dag uit de stad gaan, en om nu op 't laatste nippertje met de boodschap aan te komen dat Hannie en Kees niet hier kunnen komen is te gek. Heb je dat nu niet eens voor Ma over dat je een beetje met die kinderen speelt? Daar zul je toch heusch niet van bederven!"
"Ik wist toch niet dat 't niet afgezegd kon worden?" bromde Hugo, "nee, natuurlijk zal ik er niet van bederven, 'k vind 't alleen misselijk taai."
"Zijn die kinderen zoo vervelend?" vroeg Eduard.
"Och nee, ze zijn wel aardig," en Piet haalde zijn schouders op. — "Had jij vanmorgen soms ook iets anders uit willen voeren?"
"Nou, 'k moet noodig eens viool studeeren, maar ik vind ...."
"'t Kan me nu verder niets schelen wat jullie vindt," besloot de Kapitein, "je hebt gehoord wat ik gezegd heb." — Daarmee verdiepte hij zich in het ochtendblad, en aan zijn gezicht was duidelijk te zien dat het verstandig zou zijn niet langer tegen te pruttelen.
"Wat kijkt Hugo kwaad," merkte Tommy op, nadat Beppie verteld had dat ze Hannie eigenlijk aardiger vond dan Kees, maar dat Kees toch ook heel leuk was.
"Hou je gezicht!" snauwde Hugo tegen zijn broertje.
"Ma voelt zich niets prettig," vertelde Lineke; toen ze weer beneden kwam, "en Ma vraagt of wij de ontbijtboel willen afwasschen, want Trijntje heeft het toch al zoo druk nu de juffrouw en Keetje uit zijn."
"Wij? Wie zijn die wij?" informeerde Piet.
Lineke aarzelde. "Nou, ik dacht: jullie wilt me misschien wel helpen!" zei ze toen. "Als ik alles alleen moet doen kom ik nooit klaar!"
Niemand antwoordde.
"Weet je wat," bedacht Hugo eindelijk, "wasschen jullie nu met elkaar af, dan zal ik in die tijd wat leuks bedenken om te gaan spelen als Hannie en Kees komen, maar dan moet je me tot elf uur ook rustig aan mijn telefoon laten werken."
"Hoe vindingrijk!" merkte de Kapitein van achter zijn courant op, en Beppie vertelde, dat ze best kon wegzetten.
"Dat doe ik voor juf ook altijd!"
"Dat kan ik ook wel!" beweerde Tommy.
Lineke begreep wel dat er van de groote broers niet veel hulp te verwachten was, en daarom probeerde ze 't maar eens bij haar neef. — "Wil jij dan afdrogen, Ee?"
Eduard keek eens even schuins naar Piet. "Jawel," zei hij toen.
Piet beloofde dat hij 't gezelschap in dien tijd dan wel aangenaam bezig zou houden, en Broer, die ook niet achter wilde blijven, verkondigde dat hij zijn bordje wel zoo schoon af zou likken dat 't niet meer omgewasschen hoefde te worden.
Een luid gelach volgde. —
"Viezerd!" zei Bep verontwaardigd.
Oom Tom was na 't ontbijt naar zijn studeerkamer gegaan, en ook Hugo maakte aanstalten om te verdwijnen.
"Zeg Huug, bedenk je vooralnietiets voor de speelkamer?" riep Lineke hem na.
"Wat vertel je, kind?" vroeg Hugo.
"Laten we maar niet op de speelkamer gaan," herhaalde Lineke, "ik denk dat Ma liever niet zoo'n lawaai naast zich wil hebben."
"'t Is goed, hoor." En Hugo trok af.
Lineke haalde het teiltje warm water uit de keuken en duwde Eduard de theedoeken in zijn handen. Toen begon ze ijverig te wasschen en de kleintjes dribbelden heen en weer om alles aan te geven.
"Welk water is onthoofd een deugd?" herhaalde Piet, die 't scheurkalenderblaadje weer opgenomen had; "afwaschwater", zei Eduard, en Lineke probeerde: "Rivier-ivier."
"Vaart, aart," schreeuwde Tommy.
"Wat 'n onzin!" lachte Eduard.
"Onzin? Niets geen onzin! Aart is echt een woord!"
"Hou je gemak!" kalmeerde Piet hem, "aart is toch geen deugd, he? Nou, wat zanik je dan?" en zelf noemde hij vlug op: "Kanaal, anaal, stroom, troom, plas, las."
"Zee, ee;" riep Lineke.
"He ja, dat 's aardig!" vond Piet, "Ee als een deugd. De deugd, laten we zeggen, die kopjes afdroogt. — Grappig bedacht van de scheurkalender!"
Eduard trok zijn neus op.
"Flauw!" zei hij, "'k weet al lang wat 't is!"
"Nou, wat dan?"
"Meer, eer, natuurlijk!"
"Niet waar!" riep Lineke, met de afwaschkwast zwaaiend, "eer is geen deugd!"
"Wel waar!"
"'t Is niet!"
Eduard gooide de theedoek op tafel en pakte Lineke de kwast af, en gillend holde Lineke om de tafel heen, doodsbenauwd voor de natte kwast die haar steeds achtervolgde.
Hijgend smeekte ze eindelijk om genade.
"Wil ik je nou eens vertellen wat het antwoord is?" vroeg Tommy, toen Lineke weer bij 't afwasch-teiltje stond.
"Nou?"
Tommy liep naar de scheurkalender toe, trok het bovenste blaadje er af, en las op: "Vijver, ijver."
"Ja, dat 's nogal glad," merkte Piet op, "'k wist het al lang."
"Je jokt 't! Waarom zei je het dan niet?" Met de druipende kwast wuifde Lineke in Piets richting.
"Nou, 'k wou jullie plezier niet bederven!" antwoordde Piet, en tegen Tommy: "Geef hier!" Toen las hij het nieuwe raadsel op: "In welk geval is vier maal drie elf?"
"Zeg 't nu maar ineens als je 't soms weet!" vond Eduard.
"In géén geval natuurlijk!" zei Piet, het volgende kalenderblaadje afscheurend: "Zie je wel, 't staat er, in geen geval!" En hard lachend kwam hij met het nieuwe raadsel aan.
"Zou je nou niet eens ophouden?" vroeg Lineke eindelijk, toen Tommy en Piet samen een veertiental blaadjes afgescheurd hadden. "Pa zal woedend zijn als hij 't ziet!"
"Dat 's niks," zei Piet, "geef me de gom maar eens." En heel netjes plakte hij de blaadjes achtereenvolgens aan het bovenste puntje weer vast. De twintigste Maart ontbrak, want die had Bep gebruikt om een steek van te vouwen voor een van haar kleine poppetjes.
Piet sloeg hem heel leuk over. — "Pa zal wel denken: dat is een vreemdsoortig schrikkeljaar," merkte hij op. — En Tommy, die met aandacht naar de opplakkerij stond te kijken, een likje gom op zijn neus gevend: "Dat 's voor jou, omdat je me zoo mooi hebt helpen afscheuren!"
't Sloeg elf uur toen Hannie en Kees de kamer binnenstapten. — Een blond meisje van tien jaar in een witte jurk en een jongen van negen in een donker fluweelen pakje.
De ontbijtboel was juist opgeruimd, en haastig gooiden de jongens het kleed over de tafel.
"Wat zijn jullie mooi!" zei Lineke, en ze keek naar haar eigen wollen jurk, waarop de waterspatten duidelijk zichtbaar waren.
"We komen ook op visite!" antwoordde Hannie. "We hadden eerst al om halfelf willen komen, maar Moeke zei dat 't niet beleefd was om zoo vroeg te gaan, en 'k moest de groeten aan je Ma doen."
"Ma is ziek," verkondigde Tommy, Hannie strak aanstarend.
"O," zei Hannie, en Kees vroeg: "Wat zullen we gaan spelen?"
"Verstoppertje door 't heele huis," stelde Piet voor, "aftellen wie hem is."
"Welnee, dat maakt immers veel te veel leven voor Ma!" en Lineke keek hem verontwaardigd aan.
"Laten we dan aan Huug vragen wat voor leuks hij bedacht heeft," vond Eduard, "wil ik hem eens gaan halen?" Bep vertelde dat ze meeging om eens te kijken hoe het met Maatje ging, en samen liepen ze de kamer uit.
Na lang zoeken en roepen vond hij Hugo op zolder. "Ze zijn er!" hijgde Eduard, "heb je wat bedacht?"
Hugo hield even op met timmeren. "Zeker, laat ze maar boven komen!"
"Waar, hier?"
"Ja natuurlijk!"
Eduard verdween om de anderen te waarschuwen.
Met veel lawaai stormden ze de trappen op, en lachend en elkaar duwend kwamen ze op de zolder, waar Kees en Tommy dadelijk op de ringen afvlogen en ieder aan een ring bleven hangen.
"Nou, wat had je nou?" vroeg Piet.
"Wel," zei Hugo langzaam, "ik dacht dat het wel leuk zou zijn om comedie te spelen. 'k Heb aan Ma gevraagd of we de koffer met verkleedgoed mochten gebruiken, en nu ben ik bezig hier in 'tmidden een gordijn op te hangen." En tegen Hannie en Eduard: "Ken jullie charades?"
Eduard had 't wel eens meer gedaan, maar Hannie nooit, en Piet zou 't uitleggen terwijl Hugo met Linekes hulp 't gordijn verder ophing.
Kees moest ook komen luisteren, maar hij had niet veel zin en bleef lustig aan de ringen zwieren. "Is 't niet prachtig?" riep hij, verrukt over de mooie toeren die hij uitvoerde, waar Tommy met bewondering naar stond te kijken.
"Nou!" zei Piet, terwijl hij Broer, die groote kans liep een schop te krijgen, een eindje achteruit trok, "een aap is er maar een beestje bij, maar kom nou even hier, dan kun je 't ook hooren!" En hij legde uit: "Je bent in twee partijen en één partij bedenkt een samengesteld woord en in ieder tooneel moet een deel van 't woord voorkomen en in 't laatste het geheel. De andere partij moet raden en verder zul je 't wel zien."
En daarna werden de twee partijen gekozen, en Piet en Eduard bleven met Hannie en Tom aan de eene kant van 't gordijn, terwijl aan de andere kant het verdere vijftal aan 't bedenken ging.
Hugo's partij zou 't eerst vertoonen, en "taalboek" kozen ze, na heel wat gefluister. 't Eerste tooneel was een troepje "vreemdelingen," allereigenaardigst uitgedost, waarbij alleen de costuums de toeschouwers zoo aan 't lachen maakten dat ze van "de vreemde taal" niet veel verstonden. 't Eindigde met een"Good bye" van Hugo. — In 't tweede tooneel speelde Linekes boek de hoofdrol, en Lineke zelf stelde een weerspannige dochter voor; ze vond die rol niet bepaald benijdenswaardig, want de hardhandige "Papa" spaarde haar ooren niet. — Toen deelde Hugo mede, dat het derde tooneel een school voorstelde, en het kijkende viertal kreeg een in lange groen-zijden sleepjapon gekleede schooljuffrouw te zien, die straffen uitdeelde aan een troepje ongelooflijk brutale kinderen. "Kees Beekman" werd eindelijk in de hoek geduwd, omdat hij zijn "taalboek" vergeten had.
"Laten we nu eens wat anders gaan doen," vond Piet, toen allebei de partijen een paar keer aan de beurt waren geweest en 't hem begon te vervelen.
"Ja," vond Hannie, "laten we nu eens echt comedie-spelen, er zijn zulke leuke costuums, en dan met programma's!"
"Maar dan hebben we geen publiek!" bedacht Eduard.
"Welja!" riep Lineke opgewonden, "dan vragen we Pa om te kijken, en misschien is Ma vanmiddag ook wel wat beter, en Trijntje, en Kreek als hij er is!"
"Een uitgelezen publiek!" spotte Hugo; "maar in ieder geval spelen we toch nooit allemaal tegelijk, en dan kunnen de anderen meekijken."
"Mogen wij ook meedoen?" vroeg Bep onvoorzichtig, want Hugo had al een paar keer gedreigd haar en Broertje naar beneden te zullen sturen als ze hun mond niet hielden. "Zoo lang jullie niet lastig zijn wel!" beloofde hij.
En toen bedachten ze dat ze nu ook een beter tooneel moesten hebben en de groote jongens haalden 't kamerschut van beneden. 't Gordijn kon prachtig als scherm dienst doen.
"Wat moeten we nu opvoeren?" vroeg Lineke, en Hannie, die de inhoud van de koffer nog eens onderzocht had, riep: "O, ik weet iets vreeselijk leuks, we moeten 'De schoone slaapster in 't bosch' doen, er zijn zulke prachtige prinsen- en prinsessecostuums bij, en dan nemen we het tooneel waar ze allemaal in slaap vallen, we hebben 't vroeger eens opgevoerd, en dan zingen we achter de schermen, en ...."
"Achterhetscherm," viel Piet in de rede.
"Nou, achter het scherm dan."
"Nou, en verder?" —
"Nou, verder niks," besloot Hannie nuchter.
Ze lachten allemaal, en toen hoorden ze beneden de bel luiden om te komen koffiedrinken.
De Kapitein zat ze al op te wachten, en met opgewonden kreten werd hij begroet.
"Meneer, we hebben zoo'n pret!"
"Zoo, jongen, dat doet me plezier!"
"Pa, we hebben charades gedaan!"
"En we hebben alles geraden!"
"En nu gaan we echt comediespelen!"
"Komt u ook kijken, Oom?"
"We doen 'de schoone ....'" maar een hand werd plotseling op Beppie's mond gelegd. "St, niet zeggen, 't blijft een verrassing!"
Piet beloofde dat hij programma's zou maken met zijn drukpersje, en Hugo wilde strooken papier op 't kamerschut prikken, waarop stond wat 't tooneel voorstelde.
"En nu weet ik nog wat leuks!" riep Kees.
"Wat dan?"
"Dat zal ik straks wel zeggen!"
"Oom, mag ik uw sabel hebben?"
"Mijn sabel? Waarvoor?"
"Ook voor vanmiddag!"
Oom Tom trok een bedenkelijk gezicht. "Daar moet ik eerst nog eens over peinzen, hoor! Zoo'n gevaarlijk moordwerktuig!"
De koffietafel duurde niet heel lang vandaag, want ze wilden allemaal graag weer zoo gauw mogelijk naar boven gaan. Lineke, die aan het spreekwoord van de slapende honden, die je nooit wakker moest maken, dacht, vroeg maar niet of er nog afgewasschen moest worden.
Boven begonnen ze weer druk te beweren, telkens door elkaar pratend. "We moeten 'Asschepoetster' ook doen!" "Ja, en 'Sneeuwwitje!'"
"Allemaal tooneelen en voorstellingen uit bekende sprookjes!"
"Ik wil Klein Duimpje zijn!"
Piet trok Hugo op zij.
"Moeten we nu allemaal van die sloome sprookjes doen?" vroeg hij.
Hugo haalde zijn schouders op. "Och, laten we dat nou maar goed vinden!" zei hij, "dit kennenze tenminste allemaal, en ze vinden 't leuk!" En tegen Lineke en Hannie, die er over kibbelden wieSneeuwwitjemoest zijn: "Zeuren jullie nu niet, en laten we nu eerst de costuums voor de schoone slaapster passen. Lineke is natuurlijk de schoone slaapster, want Hannie moet zingen. Ik zal 't gordijn open en dicht schuiven, en moet de rest hof houding zijn?"
"Ja, één koning, en dan verder pages en zoo."
En het gegrabbel in de koffer begon weer, tot ze allemaal in een passend costuum gestoken waren. En toen moest er een troon gemaakt worden, en voor de prinses werd een stoel gehaald. En Hannie zong achter het scherm, nadat koning, prinses en hof houding zich in schilderachtige houding hadden neergevleid, van de "doodstilte, die voortaan in het slot zou heerschen."
"Slot!" grinnikte Piet, en toen begon hij hard te snurken. Alle edellieden schudden opeens van het lachen.
"Laten we nuSneeuwwitjespelen!" riep Kees, toen 't lied uit was, "dan kunnen de dwergen capes omdoen en de puntmutsen opzetten, en wij hebben thuis nog een echt dwergenpakje!"
"Heb je dan een sleutel?" vroeg Eduard.
"Nee, maar dat geeft niet, we kunnen over het plat klimmen!"
Eduard weifelde. "Is dat niet gevaarlijk?"
"Gevaarlijk? Welnee, er is niks aan! Toe, ga nou gauw mee, zij willen toch eerst Asschepoetsterdoen en dan kunnen wij 't in die tijd halen." En Eduard meetrekkend liep hij de trap af.
"Zouden we die mooie pakjes niet eerst uitdoen?"
"Maar niet doen," vond Kees, "we moeten ze straks toch weer aantrekken."
Op de meisjeskamer schoven ze 't raam op, en in een wip stond Kees op 't glibberige plat. Eduard klom hem achterna. 't Viel hem niet mee; tusschen de twee schuinafloopende platten was een ruimte van zoowat een halve meter, waar Kees overheen moest, en eigenlijk vond Eduard 't een griezelige tocht.
"Je moet me een hand geven," zei Kees, en voorzichtig liep hij langs de muur over 't plat, terwijl Eduard zich met zijn andere hand aan de vensterbank vasthield. Bij 't raam van zijn eigen kamer deed Kees vergeefsche moeite om 't op te schuiven. "Je moet me komen helpen!" riep hij.
"Wacht dan even!" riep Eduard terug. Hij had bedacht dat 't zeker minder gevaarlijk zou zijn als ze wat meer houvast hadden, en van beneden haalde hij Linekes springtouw, dat hij stevig aan een van de bedden vastbond. Toen, met 't eind van het touw in zijn hand liep hij naar Kees toe, en samen schoven ze 't raam in de hoogte.
't Viel Eduard ineens op hoe gek ze daar met hun tweeën stonden, in hun riddercostuums op 't natte plat in de regen, en toen Kees naar binnen geklommen was ging Eduard op de vensterbank zitten, telkens met zijn laarzen tegen den muur schoppend.Wat zou Vader lachen als Vader hem hier zag zitten! Of zou Vader 't gevaarlijk vinden? Och, welnee, wat was hij toch flauw, en hij had Vader immers beloofd moedig te zullen zijn! Maar dit was zeker niet de moed die Vader bedoelde, en hij had Vader óok beloofd voorzichtig te zijn; voorzichtig was 't heelemaal niet! En als die jongen van negen jaar nu een ongeluk kreeg was 't zijn schuld, want hij was al twaalf, en hij had verstandiger moeten zijn!
"'k Heb 't hoor!" riep Kees vanuit de kamer, en hij hield het rolletje in de hoogte.
"Maak dan maar gauw voort!" en Eduard haastte zich zóó, dat hij, toen Kees weer op 't andere plat stond en hij 't rolletje naar hem toe wilde ballen, te ver gooide, en 't heele dwergenpak kwam in den tuin terecht.
"Laat maar," zei Eduard, "'k zal 't straks wel even halen!" en zich vasthoudend aan het touw liep ook hij weer terug. — Hij was blij toen ze allebei weer in de kamer stonden.
Voor de tweede maal holde hij de trappen af en zocht in den tuin de verschillende kleedingstukken bij elkaar, want 't rolletje was natuurlijk uit elkaar gevallen. En gauw plukte hij een paar primula's en wat grasjes, om Bep in haar handje te geven als ze straks voor Roodkapje speelde.
"Waar zitten jullie toch?" vroeg Lineke ongeduldig, toen ze eindelijk weer boven kwamen, "we wachten al een uur op jullie!" En Broertje vertelde,dat hij Klein Duimpje was geweest, en dat hij Pa's groote kaplaarzen had mogen aanhebben.
"Maar dit is allemaal groote repetitie," zei Hugo, "nuSneeuwwitjeen Roodkapje nog, en dan gaan we Pa en zoo roepen."
"Vijf tableaux is ook eigenlijk genoeg," vond Piet. Van 't sabeltooneel hadden ze moeten afzien, want Bep wilde niets van Blauwbaard weten, en tot Roodkapje was ze alleen maar te bewegen geweest als de wolf er niet bij te pas kwam.
Piet hoefde verder niet meer mee te spelen, en terwijl Hugo de anderen commandeerde en vertelde waar ze allemaal zitten moesten, schreef hij de programma's vast en zocht beneden een doosje Bengaalsche lucifers op. — 't Drukpersje was nergens te vinden geweest. — Eindelijk riepen ze van de zolder dat alles klaar was, en Piet ging 't publiek halen. — Alleen de Kapitein kwam mee naar boven; Tante Lina was wel opgestaan, maar had nog niet veel lust om de heele vertooning bij te wonen, en beloofde, straks misschien nog even te komen. —Trijntje beweerde dat ze niet van haar eten af kon, en Kreek was er niet.
"Kinderen, wat is 't hier koud!" zei Oom Tom toen hij op zolder stond. Hugo zette een stoel voor hem neer en gaf hem een programma. "Wacht u nu maar even, zoo meteen zult u 't wel warm krijgen!" zei hij, en zijn hoofd om het gordijn stekend: "Ben je klaar, Piet?"
"Wacht even!" fluisterde Piet, die juist de koningsmantel omgegooid had, en de kroon opzette: "Nou, vooruit maar!"
En met een plechtige beweging schoof Hugo 't gordijn open.
De Kapitein had even moeite niet hardop te lachen, maar toen 't zingen begon keek hij weer ernstig, en heel aandachtig luisterde hij tot 't lied uit was.
"'t Is heel mooi!" verklaarde hij, en de kleinste slapende page werd opeens wakker en vertelde dat er nog meer kwam.
Achter 't dichtgetrokken gordijn volgde een druk gefluister en geschuifel om 't Asschepoetster tableau voor te bereiden, en Oom Tom kreeg gezelschap, want deze keer waren er maar drie spelers, Asschepoetster, de Prins en de Fee, die door Bep, Tom en Hanny voorgesteld werden.
Alles liep best van stapel, en directeur Hugo kon tevreden zijn. Piet streek zijn Bengaalsche lucifers af, en na ieder tableau kwam een luid applaus; juist had Hugo voor de laatste voorstelling 't gordijn opengeschoven toen ze een zachten stap op de trap hoorden. 't Was Tante Lina, die naar boven kwam. "Hallo!" riep Piet, en even holden ze allemaal door elkaar om plaats te maken.
't Kleine Roodkapje, dat voor 't kamerscherm stond, wachtte tot ze allemaal weer zaten. Toen, na een "toe maar!" van Hugo, begon ze te vertellen; duidelijk klonk het hooge stemmetje over de zolder.
"Ik ga naar Grootmoeder toe, om haar te brengen wat ik hier in mijn mandje heb.
image: 14_roodkapje.jpg
Het zijn wafels, maar die kunnen jullie niet zien omdat ze onderin zitten, en een leege wijnflesch, maar we doen net of die vol is." Even keek Bep met een heel ernstig gezicht naar de lachende toeschouwers, toen vervolgde ze: "Ik ben ook heelemaal niet bang voor de wolf, want die is er niet, en o ja, deze bloemen zijn eigenlijk ook voor Grootmoeder, maar die wou ik nu maar aan Maatje geven!" En toen holde ze naar haar Moeder toe en klom op haar schoot.
"Dat 's ook wat!" zei Hugo, die dit niets geen gepast slot vond, maar de andere kinderen klapten zoo hard dat er verder geen woord tusschen te krijgen was.
Tante Lina vond dit slot mooier dan ze het hadden kunnen bedenken.
"En gaan jullie nu mee naar beneden om een glaasje limonade te drinken?" vroeg ze, Bep op den grond zettend.
In vliegende haast werden de mooie pakjes uitgeschopt, want ze verlangden nu opeens allemaal weg te komen van de rommelige zolder, waar een benauwde lucht van afgebrande Bengaalsche lucifers hing. —
"Vond u 't mooi?" vroeg Eduard, toen ze de trap afgingen.
"Zeker," zei Tante Lina, "wat ik gezien heb vond ik heel aardig!"
En de Kapitein verklaarde dat hij zich bepaald dol geamuseerd had.
"Heb je nu eigenlijk gestudeerd of niet?" vroeg Mijnheer Hofman ontevreden, want Eduard stond op een geweldige manier te knoeien en hakkelde nu al voor de derde maal in een etude die hij de vorige week al had moeten kennen.
Eduard keek van Mijnheer Hofman naar Theo, en van Theo naar zijn viool.
"Jawel meneer!" zei hij toen.
"Hoeveel keer?"
Eduard zweeg.
"Nu, hoeveel keer heb je gestudeerd?"
"Drie keer!" klonk het zachtjes.
"Zoo, en dat vond je zeker voldoende, he? Verbeeldde je je nu heusch dat je die etude kende? Ik wil je dan wel vertellen dat 't naar niets lijkt! Vroeger kon ik tenminste merken dat je behoorlijk gestudeerd hadt, maar 't is de laatste keeren al heel treurig! Je staat te knoeien of je nog nooit een viool in je handen hebt gehad, en dat is nu een jongen die bijna drie jaar les heeft!"
"Er was zoo weinig tijd!"
"Ja natuurlijk, dat kennen we! Zwijg nu alsjeblieft maar en speel de sonatine!"
De jongens verwisselden de muziek en Eduard begon te spelen. Vanmorgen voor hij naar school ging had hij de sonatine nog gauw even een paar keer geprobeerd, maar hij wist heel goed dat hij er niet veel van kende.
De eerste regels vielen hem mee, 't ging vrij goed, maar verderop waren een paar moeilijke loopjes, en daarna raakte hij zoo in de war, dat Mijnheer Hofman het al gauw mooi genoeg vond en hem vertelde dat hij wel kon ophouden. "Berg je viool nu maar weg," zei hij boos, "en dan zullen we zien of je er de volgende week meer van kent. — Theo, wil jij de sonatine spelen alsjeblieft?"
Theo bracht het er nogal goed af, maar Eduard wilde er niet naar luisteren. Vervelend gezanik ook, om hem zijn viool te laten wegbergen; Theo maakte ook wel fouten; je moest het ook altijd even prachtig kennen, en hij kon 't toch niet helpen dat Hofman vandaag uit zijn humeur was. — Zoo vreeselijk slecht was 't niet eens gegaan, maar omdat hij nu had verteld dat hij maar driemaal gestudeerd had moest Hofman ook op alles vitten. Maar als die malle vent soms dacht dat 't hem schelen kon, had hij het toch glad mis!
En Eduard probeerde zoo onverschillig mogelijk te kijken en staarde strak naar buiten, steeds met zijn knokkels op de vioolkist tikkend, totdat Theoeindelijk klaar was met spelen en Mijnheer Hofman opgaf wat ze voor de volgende week te doen hadden. Toen konden ze hun jassen aantrekken en naar school gaan.
image: 15_vioolkisten.jpg
"Flauwe aardigheid," was 't eerste wat Eduard mopperde, nadat de voordeur achter ze dichtgevallen was.
"Wat flauwe aardigheid?" vroeg Theo.
"Nou, van Hofman natuurlijk!"
Theo keek Eduard eens even schuins aan en begon te lachen. "Nou, je kende er dan toch ook eigenlijk wel een bar schijntje van, als ik 't zeggen mag!" beweerde hij.
"Zeker mag je 't zeggen!" zei Eduard kwaad, "als jij Hofman geweest was had je me zeker dadelijk naar huis gestuurd!"
"Wees nou niet zoo, flauw!"
"Flauw? 'k Ben niet flauw, jij bent flauw!"
"Nou ja, maar heel veel gestudeerd had je toch ook niet!"
"Dat zei 'k immers al!"
"Jawel. — Maar 't was toch zeker geen drie keer?"
"Waarom niet?"
"Zoo maar. Je zei 't net of je dacht: drie keer vind ik wel zoowat het minste dat ik zeggen kan!"
Eduard zweeg even. "Maandag heb ik een kwartiertje gestudeerd," zei hij toen, "en Woensdag had ik juistmijn viool gekregen entoen was er net iets anders, 'k weet niet meer wat, nou, en vanmorgen voor 'k naar school ging heb ik de sonatine nog eens gespeeld."
Theo antwoordde niet.
"Jij moest maar eens bij een Oom en Tante en zes nichtjes en neefjes logeeren, dan zou je eens zien hoe hard je werken kon!" vervolgde Eduard, verwoed tegen een steentje schoppend, en Theo aanziende: "Zeg nou eens, wat zou jij tegen Hofman gezegd hebben?"
"Dat weet ik niet," zei Theo, nadat hij even gefloten had, "ik zou 't misschien ook wel gezegd hebben, hoor!"
"Vind je 't erg gemeen?"
"Gemeen? Och ja, natuurlijk is 't gemeen, maar dat bedenk je meestal pas achteraf."
"Ja, dat is lam genoeg!" Eduard zuchtte. "'t Is net of 't me nu niets meer zou kunnen schelen om te zeggen dat ik maar ééns gestudeerd had. Hij was toch al woedend, en een beetje meer of minder is dan toch zoo erg niet!"
"Als je nu maar maakt dat je 't de volgende week kent," besloot Theo. "Wanneer 't sonatineboek uit is krijg ik als 'k twaalf word een fiets, heeft Pa beloofd!"
"Krijg je ook een fiets? Wat moppig!" riep Eduard, want door dit nieuwtje was hij opeens de narigheid van de vioolles vergeten. "Wat zullen we dan van de zomer leuk samen kunnen rijden, zeg!"
"Nou, fijn!" vond Theo, "een Fongers, leuk he?"
"Ja, mijne is een Humber, hij staat nog thuis, maar zoo gauw als het mooi weer wordt mag ik hem gaan halen!"
En ze hadden 't nog druk over de fietsen toen ze eindelijk de school inliepen en Theo met een "Nou dag!" naar zijn eigen klas ging.
Fransche themaschriften terug! Eduard schoof in zijn bank en sloeg 't schrift open. Met schrik keek hij naar de elf fouten en naar het "slecht, overmaken", dat in groote blauwe letters onder aan debladzijde stond. Afschuwelijke thema ook! 't Was een echte ongeluksdag vandaag, eerst die ellendige vioolles, en nu dit weer!
En ongeduldig stopte hij 't schrift in zijn lessenaar toen om twee uur de bel luidde.
"Ziezoo, dat hebben we alweer gehad!" en Tante Lina leunde achterover in haar stoel. 't Was een roezemoezig half uurtje geweest na 't eten, maar zooeven waren de twee jongsten door de juffrouw mee naar boven genomen, en een oogenblikje genoot Tante van de rust, nu de twee schel en helder boven alles uit klinkende kinderstemmetjes niet meer gehoord werden.
Broertje had voor 't eerst ook mee mogen spelen vanavond, en met gesloten oogen dacht Tante Lina nog even aan het opgewonden gezichtje en de drukke bewegingen van 't kleine ventje. Maar toen viel haar iets in, en glimlachend keek ze Oom Tom aan en zei: "Die jongste zoon van jou zal anders een beste worden!"
"Hoezoo?" vroeg de Kapitein, die 't zich in een groote leuningstoel gemakkelijk gemaakt had, en juist een sigaar aanstak.
"Wel, vanmiddag nam ik hem mee uit, 't was mooi weer, en voor we naar huis gingen liep ik nog even 't plantsoen door. Opeens zag ik Kolonel Durand naar mij toekomen; hij maakte een praatje en begontoen notitie te nemen van Broer, die hem met zijn groote blauwe oogen strak stond aan te staren. 'Hoe heet je wel, vent?' vroeg hij, en Broer verklaarde heel ernstig dat hij Willem Cornelis Verhey heette, maar verder verkoos hij heelemaal geen antwoord meer te geven, en toen Kolonel Durand eindelijk wegging en vroeg of hij een hand kreeg hield Broer stijf zijn handen op zijn rug en zei niets anders dan 'Ik doet het niet!'"
De Kapitein lachte. "Dan legde je met dat jongemensch meer eer in!" merkte hij op, naar Piet wijzend, en Tante Lina vertelde nog aan Eduard en Lineke hoe Piet als jongetje van een jaar of vier met alle officieren beste maatjes was, en als ze hem vroegen wat hij worden moest, altijd antwoordde "Generaal!" "Och, 't was zoo'n lieve jongen, he?" besloot ze, op één na haar oudsten zoon op den schouder kloppend.
"Je zou 't nu niet meer van hem gelooven!" zei de Kapitein droogjes, en Lineke zong zachtjes:
"Zeg eens, ken je onze Piet?Och, da 's jammer, ken je 'm niet,Och, hij was zoo'n lieve jo...."
Een harde klap op haar wang van Tommy deed haar plotseling ophouden, en half verbaasd, half verschrikt vloog Lineke van haar stoel, om de beleediging met de rente terug te betalen. Maar haar Moeder hield haar tegen, en de Kapitein vroeg streng: "Tommy, waarom sla je Lineke?"
Tommy gaf geen antwoord, en schopte met zijnlaars tegen de tafelpoot, maar toen zijn Vader opstond en naar hem toe kwam, schoof hij haastig naar den anderen kant van de kamer.
"Tommy, kom onmiddellijk hier!"
Maar Tommy, die zich, zoolang hij buiten 't bereik van den Kapitein was, nog veilig voelde, zei met een ondeugend gezicht: "Ik doet het niet!"
"Doe je het niet?"
"Nee!"
Zonder verder nog iets te zeggen ging de Kapitein op hem af; nog eenige oogenblikken deed Tommy vergeefsche moeite om te ontkomen, toen voelde hij zich stevig bij den kraag gepakt. "Waarom heb je Lineke geslagen?"
"Omdat ze zoo gemeen deed!" riep Tommy half huilend.
"Gemeen?" vroeg zijn Vader, zich even bedenkend wat Lineke gedaan had, dat de boosheid van haar broertje zoo had opgewekt: "Wat deed ze dan?"
"Ze zong over Piet!"
"Was dat alles? Maak je daar nu zoo'n scène om? Begreep je nu niet eens dat dat gekheid was?"
Tommy zweeg.
"Zeg nu maar dadelijk tegen je zusje: 'Het spijt me dat ik je geslagen heb,' en laat het dan uit zijn alsjeblieft."
Maar Tommy verroerde zich niet en herhaalde alleen zijn ondeugend: "Ik doet het niet!"
Tante Lina wenkte Oom Tom, den kleinen jongenverder aan zijn lot over te laten, en stuurde de andere kinderen de kamer uit. "Neem de kaarten maar mee en ga in de leerkamer een spelletje doen!"
Langzaam verdween het drietal, om even later in de leerkamer te gaan "banken", tot groot ongenoegen van Hugo, die zat te werken, en met 't gezelschap dat hij kreeg alles behalve ingenomen was; zuchtend besloot hij, dan maar liever mee te doen; de fiches werden verdeeld, en Eduard, die de bank hield, schoof ze ieder een kaart toe, met een luid "opzetten!"
"'k Ga nog lang niet naar bed!" verklaarde Lineke met een kleur van plezier, toen haar bakje met fiches steeds voller werd.
Aan Tommy dachten ze niet meer, totdat ze hem om kwart voor acht weer in de gang hoorden, hard gillend, en steeds herhalend: "Ik doet het niet!"
"Ma zal wel spijt hebben dat ze dat verhaal over Broertje verteld heeft!" merkte Piet lachend op.
Een kwartier daarna kwam Tante Lina de leerkamer binnen om Eduard en Lineke naar bed te sturen. 't Was Linekes tijd, en Eduard moest ook maar eens vroeg gaan slapen, 't was al een paar avonden achter elkaar erg laat geworden, en hij was vanmiddag aan tafel zoo stil geweest, zeker een beetje moe.
"He Ma, nog even! 'k Heb nu juist zoo'n mooie kaart!" zeurde Lineke, en Eduard zei dat hij juist heelemaal niet moe was; maar Tante Lina's geduld was door 't gezanik met Tommy vrijwel uitgeput, en met een "'t Is nu mooi geweest!" konden zegaan opruimen. Langzaam werden de fiches weer in de doosjes gestopt, en na nog wat lachen en onzin praten gingen ze eindelijk naar boven.
't Licht brandde nog in de kamer van de kleine jongens, Tommy scheen nog steeds niet in bed te zijn, en duidelijk hoorde Eduard nog zijn boos: "ik doet 't niet." En toen hij zelf al uitgekleed was hoorde hij de juffrouw pas naar beneden gaan. Even keek hij om de deur; alles was nu donker, ook in de meisjeskamer. Maar stil was 't nog niet geworden, en Eduard lag er in bed naar te luisteren hoe Tommy nog maar steeds bleef doorschreeuwen en eindelijk zelfs 't portaal opkwam om over de trapleuning hangend nog eens hard naar beneden te roepen dat hij 't niet deed.
Wat zou hij nu toch eigenlijk niet willen doen? Hield die vervelende jongen zijn mond nu toch maar! Net of je zoo kon slapen!
Daar ging opeens beneden haastig de deur open en dicht, en een driftige stap kwam naar boven; Eduard hoorde duidelijk dat het Oom Tom was —wat zou er nu gebeuren? Een zacht geritsel op 't portaal — Tommy was zoodra hij zijn Vader hoorde aankomen naar zijn bed gevlucht.
Eduard voelde zijn hart kloppen en met wijd open oogen bleef hij liggen luisteren. Oom Tom liep langs zijn deur naar de kamer van de kleine jongens, en begon daar heel kwaad tegen Tommy te praten —Eduard verstond het niet, maar wel kon hij duidelijkde klappen hooren, die toen volgden, en Tommy's huilend geroep: "Ik zal wel gaan slapen!"
Arme Tommy! Hij was wel vreeselijk ondeugend en vervelend geweest, maar hij riep nu toch al dat hij zou gaan slapen en 't duurde zoo lang! Oom Tom was toch ook wel vreeselijk streng; Vader was ook wel streng, maar héél anders, en zóó zou Vader nooit gedaan hebben! Tenminste .... ja, toen! 't Was nu al meer dan een jaar geleden, ze waren samen aan 't koffiedrinken en weer hoorde hij Vaders stem vragen: "Wel, hoe was 't vanmorgen? Ging 't uit 't hoofd rekenen goed? Hoeveel sommen had je?" En weer hoorde hij zichzelf haastig antwoorden: "vijf Vader." — Dadelijk kreeg hij spijt toen hij 't gezegd had: 't waren er maar vier geweest, maar hij had de laatste keeren al altijd moeten vertellen dat 't onvoldoende was, en dan had Vader altijd zoo teleurgesteld gekeken, want ja, 't was dikwijls zijn eigen schuld als hij een som fout had, als hij middenin vergat verder te rekenen of zoo — maar vier of vijf maakte toch niet zoo'n groot verschil — hij had 't eerst nog willen vertellen voor hij naar school ging, maar Vader had verder aldoor over andere dingen gepraat en was toen al heel gauw naar de fabriek gegaan .... Dien middag was Vader hem 's middags van school komen halen, zooals hij wel meer deed, en Vader had met Mijnheer Snijders staan praten — en duidelijk herinnerde Eduard zich hoe Vader toen naar hem gekekenhad, hoe Vader toen met hem naar huis gegaan was, hard loopend en steeds zwijgend, hoe hij zelf Vader telkens even schuins aangezien had, zonder iets te durven zeggen ....
En ook wist hij nog heel goed wat er gebeurd was toen ze eindelijk thuiskwamen; hoe Vader hem heel kortaf vertelde dat hij mee moest gaan, naar Vaders eigen kamer, en wat Vader hem daar vroeg: of hij dan heelemaal vergeten was hoe vreeselijk boos Vader werd als hem iets verteld werd dat niet waar was; of hij er dan heelemaal niet aan gedacht had hoe naar Vader het zou vinden, om te merken dat zijn eigen jongen hem voorgelogen had, en of hij wel wist wat hij nu verdiende?
Dát was de eenige keer geweest.
En nu? Wat had hij vanmiddag gedaan? Wat had hij tegen Mijnheer Hofman gezegd? Hoeveel keer had hij er wel bij gelogen dat hij gestudeerd had? Dit was véél erger dan die ééne som! Wat zou Vader wel zeggen als hij dát wist! Als Vader hem gehoord had vanmiddag, hoe zou hij Vader tegengevallen zijn! Een gemeene jongen was hij, en veel meer dan Tommy had hij verdiend wat zijn kleine neefje zooeven gekregen had —
Maar niet van Oom Tom — dat mocht alleen Vader zelf doen!
En Eduard draaide zich om en drukte zijn gezicht zoo stijf in 't kussen dat hij bijna geen adem kon halen — och, kwam Vader maar!