"Zeg Kerner!" klonk het zachtjes.
"Nou?"
"Wacht even, hij kijkt!"
Mijnheer Snijders zag zoekend de klas rond. "Van Hamel, wil jij de gebergten Van Zwitserland eens komen aanwijzen?" En Van Hamel schoof zijn bank uit om langzaam naar voren te komen.
"Zeg Kerner!" herhaalde dezelfde fluisterende stem. Eduard leunde zoo ver als hij durfde achterover en draaide zijn hoofd half opzij, om geen woord te verliezen van wat zijn achterbuurman te zeggen had.
"Wil je een stukje drop hebben?"
"Jawel."
"Nou, steek je hand dan uit. — Voorzichtig, doe nou niet zoo sloom, straks ziet hij het!"
Een kleverig stukje drop werd tusschen Eduards vingers geduwd.
"Ik heb niks geen zin om op te letten!" ging de stem achter hem voort.
Eduard maakte van een oogenblik dat MijnheerSnijders naar 't bord keek gebruik om 't stukje drop in zijn mond te stoppen.
"Ik ook niet; 'k verveel me dood."
"Dat taaie Zwitserland ook."
"Net zoo taai als die drop van jou."
"Wat?"
"Ik zeg dat 't net zoo taai is als die drop van jou, je tanden blijven er in kleven!"
"Kerner, je zit aldoor te praten, je hebt een aanteekening! Wilkens, kom jij de rivieren aanwijzen!"
"Natuurlijk doe ik 't weer," mopperde Eduard. "Net of je in je eentje kan praten!" en Meertens fluisterde hem in dat dat zijn straf was, omdat hij zijn drop voor taai had uitgescholden. "Wil je soms nog een stukje?"
"Nee, dank je feestelijk!"
"Nou, niet of graag!"
"Meertens, houd nu onmiddellijk op met dat gepraat!" viel Mijnheer Snijders uit, die aldoor in dezelfden hoek hoorde fluisteren; "Kerner, kom jij voor de kaart en wijs de rivieren nog eens aan!"
Eduard stond op, zijn handen in zijn zakken, liep tusschen de banken door, en begon voor de klas de verschillende rivieren op te noemen, telkens even wachtend om 't lastige stukje drop achter zijn kiezen te duwen.
"Wat eet je toch eigenlijk?"
Eduard keek verschrikt op. "Een stukje drop," zei hij toen.
"Waarom? Ben je verkouden?" en toen Eduardgeen antwoord gaf, nog eens, ongeduldig: "Geef me antwoord, ben je verkouden?"
"Nee meneer."
"Heb je drop meegebracht?"
"Nee meneer."
"Heb je het gekregen?"
't Was doodstil in de klas.
"Heb je het gekregen?"
Alle jongens keken en luisterden, maar Eduard bleef zwijgen.
"Heel goed," besloot Mijnheer Snijders, "je verkiest dusgeen antwoord tegeven. Ga nu maar naar je plaats, om twaalf uur kun je schoolblijven."
"Daar bof je bij!" fluisterde Meertens, toen Eduard weer in de bank schoof, "'n taaie boel, he?"
Maar Eduard was niet meer in de stemming om door te praten, en schoof met een kwaad gezicht zijn elleboog op de bank.
"Wil je soms een turf hebben?" vervolgde Meertens, en hoe boos Eduard ook wilde kijken, toch kon hij niet laten even te lachen.
"Kerner, doe die elleboog weg!"
"Ook al goed!" mompelde Eduard, en onverschillig langzaam trok hij zijn arm weg en bleef schuin in de bank hangen.
Mijnheer Snijders keek nog even naar hem, maar liet hem verder stil zitten.
"We zullen voortgaan met de les; Van Effen,het is jouw beurt!"Toen om twaalf uur de bel gegaan was en de andere jongens weg waren liet Mijnheer Snijders Eduard bij zich voor de klas komen.
"Kerner, wilde je deze zomer nog toelatingsexamen voor het gymnasium doen?"
Eduard knikte van ja.
"Zoo, nu, dan wilde ik je eens even het volgende zeggen: ik heb van de week de rapporten opgemaakt, die jullie vóór de Paaschvacantie zult krijgen, en ik heb je voor Fransche taal een 4 en voor rekenen een 3 gegeven. Het werk dat je tegenwoordig inlevert is bepaald slecht, en je huiswerk is eigenlijk gezegd beneden alle critiek; en het ergste is, dat het niets dan luiheid van je is; als je je werkelijk inspant kun je heel goed werken, maar van de fouten die je maakt is het grootste gedeelte slordigheid en onattentie, en ik heb je voor vlijt dan ook niet meer dan een 4 kunnen geven."
Eduard luisterde met zijn handen op zijn rug, en aldoor keek hij naar den grond.
"Je vader zal het zeker wel heel plezierig vinden als je hem dat schrijft!"
Stijf kneep Eduard zijn vingers tegen elkaar.
"Ik waarschuw je nu nog eens voor de laatste keer, 't is vandaag 3 April, je hebt nog ruim drie maanden tijd, maak dat alles zoo gauw mogelijk beter wordt en probeer in de Paaschvacantie de tijd die je verknoeid hebt in te halen. Je begrijpt wel, dat er, als het laatste rapport zoo is als dit, van examen doen nietskomt! Ziezoo, denk daar nu maar eens goed over, en nu kun je naar je plaats gaan en voor je gepraat en je koppigheid vanmorgen de aardrijkskundeles nog eens uitschrijven."
Haastig begon Eduard, met een krassende griffel; een 4 voor Fransch en een 4 voor vlijt en een 3 voor rekenen! 't Was ook allemaal zoo ellendig lastig en vervelend! En dan dat toelatingsexamen nog! Vader rekende er vast op dat hij er door zou komen! De Rijn, de Rhône, de Aar, de Reuss, de Limath .... En nu kwam hij natuurlijk weer veel te laat voor de koffie ook! De Sint Gothard, de Simplon .... had hem tenminste best een 4 voor rekenen kunnen geven, 't was op 't vorige rapport ook een 4 geweest! De Jungfrau .... Vooruit, klaar, streep er onder! —
"Zie je wel dat je 't wel weet?" vroeg Mijnheer Snijders, toen hij 't nagekeken had.
"Nou ja, aardrijkskunde!" Eduard haalde zijn schouders op.
"Ja, maar 't andere kun je ook wel! Heusch, span je nu eens in! Begin nu eens met te maken dat er geen enkele fout in de Fransche thema voor morgen zit! En ga nu maar gauw weg, dag Kerner!"
Eduard haastte zich niet om thuis te komen. Even holde hij tot hij de straat uit was, toen bleef hij met aandacht bij den singel staan kijken; een troepje jongens was er aan 't spelen op een vlot, dat met een stevig touw aan den kant vastlag. Telkens klonk een luid gejuich als een van de jongens met eenflinke sprong op 't vlot terecht kwam, en geen van 't troepje scheen zich er aan te storen dat bij 't daarop volgende geschommel de klompen vol water liepen. Wat zou 't ze ook kunnen schelen! Zij hoefden geen akelige Fransche thema's te maken, en toelatingsexamen voor 't gymnasium hoefden ze ook niet te doen!
Met een harden schop tegen een kiezelsteentje liep Eduard verder.
Een 4 voor vlijt! Verbeeld je! En een 3 voor rekenen! Nou ja, rekenen kon hij nou ook eenmaal niet, en dat zou hij wel nooit leeren ook! Maar die 4 voor vlijt was onzin! Dat was zeker om vanmorgen; net of je altijd maar hetzelfde uitgestreken gezicht kon zetten! En natuurlijk had hij moeten schoolblijven, en Meertens, die begonnen was, kon stilletjes naar huis gaan. Die kwam er altijd goed af, en hij kreeg er de standjes voor! En die cijfers moest hij nu aan Vader schrijven! Wat zou Vader 't ook lam vinden! Misschien kwam 't rapport ook wel te laat om 't nog te schrijven, Oom Tom had gezegd dat wanneer hij na de volgende week nog schreef Vader de brief toch niet meer zou krijgen. Dan moest hij 't vertellen als Vader terug was!
Eduard liep de stoep op en trok hard aan de schel.
Vervelende boel hier ook al! Was hij maar weer goed en wel thuis!
Trijntje deed de deur open, brommend over 't malle gebel, maar Eduard liep haar zonder iets tezeggen voorbij en hing zijn pet aan de kapstok.
"Edu!" en Lineke kwam de huiskamer uithollen.
"Wat is er?" vroeg Eduard op alles behalve beminnelijke toon.
image: 16_humeurig.jpg
Lineke bleef voor hem staan. "Wat heb je?" vroeg ze.
"Ik? Ik heb niks!" 't Klonk dreigend. "Wat heb jij?"
"Ik wou je alleen maar vragen of je mij wildeleeren fietsen!" zei Lineke verontschuldigend, "maar je zult het zeker ook wel niet doen!"
"Waarom niet?"
"Nou, je kijkt zoo kwaad!"
Eduard draaide zich om en hing zijn jas op. "Vraag 't maar aan Hugo of Piet, hoor!" antwoordde hij, toen Lineke bleef staan wachten.
"Dat heb ik al gedaan, maar die willen juist niet!" klonk het treurig, "en 'k zou het toch zoo vreeselijk graag leeren!"
Eduard keek zijn nichtje even aan, maar hij zei niets.
"Heb je school moeten blijven, Ee?" vroeg Lineke opeens; "waarom kijk je zoo boos? Heb je gehuild?"
Hij had niet gehuild, heelemaal niet, verbeeld je dat hij zou huilen om dat malle schoolblijven! En hij keek Lineke aan en probeerde te lachen. "Welnee!" antwoordde hij luchtig, "hoe kom je er bij?" en haastig over het fietsen doorpratend: "In de Paaschvacantie zal ik mijn fiets gaan halen en dan zal ik het je wel leeren hoor!"
De uitdrukking van Linekes gezichtje veranderde onmiddellijk. "Zalig dol-leuk!" riep ze, en toen sloeg ze in haar verrukking opeens een arm om Eduards hals en gaf hem een zoen. "Je bent een snoes!" verklaarde ze.
Eduard duwde haar lachend op zij.
"Toe, schei uit!" zei hij, "gaan we nog niet koffiedrinken?"
"Ze zijn al lang bezig!"
Eduard wilde naar binnen gaan, maar Lineke hield hem bij zijn mouw vast. "Wacht nog even," riep ze, "ik weet nog wat!"
"'t Zal wat zijn!"
"Nee, heusch!"
"Nou, wat dan?"
"Er is een brief!"
"Een brief? Wat voor brief?"
"Nou, voor jou, van Oom Eduard, en ...." Maar Eduard had zich al losgetrokken en liep de huiskamer in.
"Edu zal 't me leeren!" vertelde Lineke aan de anderen, toen ze weer op haar stoel schoof, en ze keek met voldoening rond.
"Daar ben je vet mee!" zei Hugo, en Piet reciteerde half hard:
"Ik heb een aardig neefjeDat op zijn fiets óók rent!En als je vraagt 'hoe rijd je toch?'Dan zegt hij 'Wel, patent!'"
Dit verswas een blijvende aardigheid geworden en werd bij alle mogelijke en onmogelijke gelegenheden en met alle denkbare variaties te pas gebracht. Maar de geestigheid ging voor Eduard deze keer verloren; haastig had hij het couvert met de Indische postzegel opengescheurd, en met alle aandacht was hij verdiept in wat Vader schreef:
"Mijn beste jongen!
Daar zit ik nu in de leeskamer van de groote mailboot te schrijven; we zijn nu al een heel eind; overmorgen zullen we waarschijnlijk in Batavia aankomen, en ik kan je vertellen dat ik er al naar verlang om mijn voeten weer op vasten grond te zetten! We hebben een prettige reis gehad, en ik ben gelukkig maar heel weinig zeeziek geweest. De warmte maakt me erg lui, en eigenlijk zit ik maar 't liefst in een gemakkelijke stoel op 't dek te lezen of te rooken of een praatje te maken met een van de andere passagiers. Zoo nu en dan komt mijn vriendje Pim mij een bezoek brengen, een grappig klein jongetje van vier jaar; hij heet eigenlijk William, maar hij wordt altijd Pim genoemd. 's Morgens begint hij al met mij te komen 'verras.' — Als ik na 't ontbijt een prettig plaatsje op 't dek heb uitgezocht komt hij heel zachtjes naar mij toe, op zijn teenen; meestal hoor ik dan al wat schuifelen, maar ik doe natuurlijk net of ik niets merk. En dan voel ik opeens twee kleine handjes voor mijn oogen, en met een lage bromstem vraagt hij: "Wie ben ik?" En dan heeft hij dolle pret als ik 't maar niet raden kan! Hij heeft ook een zusje, dat heet Nelly en is zeven jaar. Ze vindt het erg jammer dat ik jou niet meegenomen heb en ze heeft me verteld dat ze bij ons komt logeeren als ze weer naar Holland gaat. Maar dat zal nog wel een poosje duren, want haar vader en moedergaan in Batavia wonen, en als je daar eenmaal bent kom je maar niet zoo eens eventjes in Holland logeeren! Ik ben toch maar blij dat ik niet in Indië ga wonen, en weer gauw terug kom, jij ook niet? Of moet ik maar liever wegblijven? Als je dezen brief krijgt duurt het nog maar twee maanden, en dan ben ik weer bij je. Je moet maar eens iets prettigs bedenken om mijn terugkomst te vieren! Je maakt zeker veel plezier met de neefjes en nichtjes; ik wed dat je zoo aan al dat gezelschap gewend raakt dat je niet eens meer met me mee naar huis wilt! Je maakt het Tante toch niet al te lastig, zeg? En hoe gaat het op school? Worden de cijfers mooi? En is Mijnheer Hofman tevreden over 't vioolspelen? De Paasch-vacantie zal nu zeker wel gauw beginnen, en dan kun je eens uitrusten van het "harde werken!" Ik verlang er naar om eens iets van je te hooren; je zult zeker ook wel heel wat te vertellen hebben! Ziezoo Pepi, nu ga ik de brief dicht doen, hoor! Mijn groeten aan Oom en Tante, en zeg ook de neven en 't verdere kleine grut maar voor me goeiendag!Een kus vanVader. —
"Goed nieuws, jongen?" vroeg Oom Tom, toen zijn neefje den brief weer in 't couvert stak. Met een blij gezicht keek Eduard op.
"Ja, een echte leuke brief! Vader schrijft altijd zooecht gezellig," zei hij opgewonden, "'t is net of je het Vader zelf hoort zeggen!"
Tante Lina knikte hem eens toe. "Schrijft Vader nog wat bizonders?" vroeg ze.
"Och nee Tante, bizonders eigenlijk niet. Over de zeereis een beetje, en u en Oom moet de groeten hebben en jullie allemaal ook."
"Wanneer komt Oom Eduard nu eigenlijk terug?" informeerde Hugo.
"Over twee maanden," zei Eduard. "Mag ik een boterham, Tante?"
Om zes uur was Eduard al wakker geworden door 't gebons op den tusschenmuur, en met zijn kussen onder zijn arm en een deken achter zich aan sleepend was hij naar de kamer van de neven getrokken. Een woest spiegelgevecht volgde, waarbij kussens, kousen, pantoffels en verdere projectielen in het rond vlogen, tot groot plezier van de drie jongens en tot groot ongenoegen van Keetje, die boven op de zolderverdieping het lawaai duidelijk kon hooren en daar al een visioen kreeg van een wanhopig slordige kamer waarin geen stuk op zijn plaats stond.
Daarna had het edele drietal, met behulp van hockeystokken, hengels en lakens, Hugo's bed in een tent herschapen, en zelfs Hugo, die zich gewoonlijk te groot vond voor zulke spelletjes, had met zooveel plezier meegedaan, dat hij evenmin als de twee anderen tot aankleeden te bewegen was geweest, toen de juffrouw om acht uur riep dat het hoog tijd was om op te staan. — Oom Tom, wien de voortdurende herrie boven zijn hoofd al lang verveeld had, was eindelijk zelf de trap opgekomen, maar nauwelijks haddende jongens zijn stap gehoord of plotseling was de rust in de slaapkamer teruggekeerd. — 't Tooneel dat de Kapitein te zien kreeg toen hij de deur geopend had was wel bizonder. In artistieke bevalligheid lagen de verschillende eigendommen van zijn zoons door de kamer verspreid; op een vreemdsoortige verzameling van allerlei artikelen in Hugo's bed lag dit jongmensch met zijn gezicht naar den muur gekeerd kalm te slapen; op het andere bed lag Piet, het tafelkleed half over zich heen getrokken en zijn handen onder zijn hoofd; een luid gesnurk moest verkondigen dat ook hij in diepe rust was. En ten slotte zag de Kapitein zijn neef, die in een deken gerold op den grond lag, zijn oogen dicht en de punt van een kussen in zijn mond.
Een halve minuut lang bleef Oom Tom staan kijken, toen barstte hij in lachen uit, welk oogenblik Piet zeer geschikt oordeelde om zich geeuwend uit te rekken en wakker te worden.
"He, he!" zuchtte Piet, en toen doodnuchter Eduard aanziende: "Wat doe jij hier?"
Eduard proestte 't opeens uit, en ook Hugo's rug maakte een verdacht schuddende beweging.
"Nou," zei de Kapitein eindelijk, "nu moet het uit zijn, hoor jongens! 't Is veel te mooi weer om zoo lang in je bed te liggen! Kijk de zon eens mooi schijnen!" En daarmee was hij naar beneden gegaan.
Zoo hadden ze de Paaschvacantie ingewijd. En ook onder 't aankleeden waren ze in de vacantie-stemminggebleven. Telkens begon Eduard in zijn eentje te lachen als hij dacht aan de malle vertooning van straks, en met 't heerlijke gevoel van geen haast te hebben teutte hij bij alles wat hij deed. Geen haar op zijn hoofd dacht meer aan 't goede voornemen van den vorigen avond, om geregeld iederen morgen van negen tot tien uur sommen te maken. —Mijnheer Snijders had hem gelegenheid willen geven zijn cijfer voor rekenen wat te verbeteren voor het Juli-rapport, en daarom had hij Eduard voor de vacantie twintig sommen opgegeven. "Meer dan een uur per dag hoef je er niet aan te werken!" had Mijnheer Snijders er bij gezegd, en al had Eduard niet veel zin in de taak, hij wist zelf toch heel goed dat het hoognoodig was om eindelijk eens iets te gaan uitvoeren.
Toen Eduard naar beneden ging om te ontbijten was 't kwart over negen. — Ze waren er allemaal al, en Tante Lina bromde omdat 't zoo laat geworden was. — Eduard zei maar niks en begon te lachen om een verhaal van Oom Tom, die juist beneden was gekomen toen er gebeld werd, en bij het opendoen de een of andere kleine krent op de stoep gevonden had die vroeg: "Is Verhey thuis?" En de Kapitein stelde heel aanschouwelijk voor hoe hij eerst op het punt gestaan had de kleine krent een draai om zijn ooren te geven voor zijn brutaliteit, maar op het juiste moment nog tot de conclusie gekomen was dat Tommy bedoeld werd.
Tommy vertelde dat hij 't niets bizonder aardig vond. "We noemen elkaar altijd bij onze achternaam," zei hij, "als 'k Holdert zie zeg ik ook 'zoo Holdert, ga je mee?'"
"Nou, vraag jij dan maar aan Holdert of hij vanmorgen hier in de tuin komt spelen," lachte Tante Lina, en Tommy holde weg om zijn vriend, die door den Kapitein zoo oneerbiedig met den naam "krent" betiteld was, te gaan halen. — Ook de kleintjes liepen naar den tuin om in den zandhoop te spelen, en Lineke verdween met een boek.
Oom Tom stak een sigaar op en ging naar de kazerne.
"Ziezoo," zei Piet, zich eens flink uitrekkende, "en nu ga ik in de vacantie eens lekker niks doen. Ma, weet u waar de hangmat gebleven is?"
"'k Geloof boven in jullie kast," antwoordde Tante Lina.
Een kwartier later amuseerde Piet zich met op de zolder zijn hangmat vast te maken, was Hugo met een paar vrienden op weg naar 't voetbalveld en zat Eduard in de leerkamer met een nieuw schrift en 't sommenboek open voor zich, verdiept in de wandeling van A en B uit P naar Q en omgekeerd. Deze soort sommen vond Eduard altijd nog zoowat het gemakkelijkst, maar met de tweede, een kranen-som, begon de ellende al, en een heele poos bleef hij aan 't probeeren zonder dat het hem lukte de goede manier te pakken te krijgen. 't Maakte hem ongeduldigeren ongeduldiger. Die lamme dingen ook! Daar kon je nu je vacantie aan opofferen! Prettig!
Nog even werkte hij door, mopperend en scheldend op de sommen, toen verveelde 't hem zóó en had 't hem zóó uit zijn humeur gebracht, dat hij met een harden klap zijn schrift dichtsloeg en 't met zoo'n vaart over de tafel keilde dat 't aan den anderen kant open op den grond terecht kwam. 't Vloeitje dwarrelde achteraan.
Met zijn handen in zijn zakken liep Eduard de gang in, waar hij bijna tegen Lineke aanbonsde.
"Waar zit je toch?" vroeg ze, "ik zoek je overal! Weet je nog wel wat je beloofd hebt, zeg?"
"Nou, wat dan?"
"Je zou me leeren fietsen!"
"O ja, da's waar," herinnerde Eduard zich, "moet dat juist vandaag?"
"Moeten niet natuurlijk, maar 't is nou mooi weer, enne ...."
"Maar m'n fiets is nog thuis!"
"Nou, ga 'm dan halen!"
Eduard trok zijn neus op. "'t Is zoo'n eind!"
"Maar je kunt bijna heelemaal met de tram gaan Toe, doe 't maar, dan ben je over een half uur weer terug en dan kunnen we dadelijk beginnen!"
Eduard was al half voor 't plan gewonnen. Fietsen was toch ook eigenlijk wel erg aanlokkelijk, en hij wist toch ook niet wat hij anders zou gaan uitvoeren, Hij grabbelde even in zijn zak en vischte onder allerleirommel een dubbeltje op voor de tram. Toen ging hij naar de eetkamer om aan Tante Lina te vragen of hij de huissleutel mocht hebben.
"Als je 't huis goed weer sluit, ja!" zei Tante Lina, en met de sleutel in zijn zak verdween Eduard.
"Moet je geen jas aan?" riep Tante Lina hem nog na, maar dit vond haar neefje heelemaal niet noodig, en hij riep terug dat hij toch al stikte.
"Kom je vooral gauw terug?" vroeg Lineke nog eens, en "ja zeker!" beloofde Eduard. Daarmee trok hij de voordeur dicht.
Op de zolderverdieping hing Piet uit 't raam.
"Zeg Eduardje!"
"Nou?"
"Wat dee je daarnet toch met die zak?"
"Met welke zak?" vroeg Eduard, onmiddellijk spijt voelend over zijn vraag, waarop hij het antwoord al wist. En hoonend klonk 't van boven: "Die zak waar de duvel z'n kop in stak!"
Eduard wilde nog iets antwoorden, maar Piet had zijn hoofd al weer naar binnen getrokken en in de verte belde de tram. Haastig holde hij de gracht af om nog net op tijd bij de halte op de brug te staan. Vlug stapte hij op toen de tram stil hield.
't Was frisch achterop, maar Eduard had niets geen zin om binnen te gaan zitten, en lustig liet hij zijn dasje wapperen in de wind. Je kon nu toch al echt merken dat het voorjaar werd! De boomen begonnen ook al zoo leuk groen te worden, endan dat achter op de tram staan in een sportblouse! —Toch eens even opletten hoe de school er uitzag nu 't vacantie was! En toen ze 't gebouw voorbij-reden dacht Eduard er opeens weer aan hoe heerlijk 't toch was vacantie te hebben en hoe plezierig hij 't vond tien dagen lang niet in dat vervelende hok te moeten.
In zijn zak liet hij 't van den conducteur teruggekregen 2.5 centstuk rammelen met den huissleutel en zijn mes. Toen haalde hij de sleutel te voorschijn, stak zijn pink door het oogje en liet hem heen en weer bengelen. Hij zag hoe twee groote meisjes tegenover hem er naar keken en toen tegen elkaar fluisterden en lachten; zeker hadden ze 't overhem, en met zooveel aandacht was hij aan 't luisteren of hij ook iets kon opvangen dat hij bijna vergeten had af te stappen. Hij bedacht 't opeens, toen de tram al haast stilstond, en even daarna was hij er afgesprongen en liep hij naar 't huis toe.
Hoe vreemd zag 't er uit! 't Was net of het hun huis niet was, zoo raar en ongezellig leek het nu! En voor de deur bleef Eduard even staan kijken, als wachtte hij ergens op. Toen stak hij de sleutel in het slot, en bij 't omdraaien maakte het een knarsend geluid. En dadelijk toen de deur open was kwam een muffe lucht van lang gesloten zijn hem tegemoet. Vreemd stil en half donker was 't opeens toen hij de voordeur achter zich dicht had gedaan,'t was of de drukke straatgeluiden plotseling hadden opgehouden. Maar hier binnen bleef 't heel stil; geen stemmen, geen voetstappen, en ook de groote hangklok tik-takte niet.
Eduard liep de gang in en opende de deur van de kast; hij schrikte van het gepiep, maar dadelijk bedacht hij, dat deze deur altijd piepte, en gerustgesteld tilde hij zijn fiets uit den standaard en zette hem in de gang neer. Toen begon hij de pomp te zoeken, die ook in de kast moest liggen, en die hij eindelijk stoffig en wel in een hoek vond. En nadat hij de banden had opgepompt en de kast weer dichtgedaan had liep hij voor hij wegging nog even naar Vaders kamer, half nieuwsgierig hoe 't er daar uit zou zien.
De deur stond half open, en Eduard ging naar binnen. Vlak bij Vaders groote schrijftafel bleef hij staan. Daar was het weer, die vreeselijke stilte. En opeens was 't, alsof hij hier niet hoorde nu. Hij had hier niets te maken, bij die tafel en de stoelen en al de andere dingen, en toen hij langzaam zijn hand van de schrijftafel nam, zag hij, dat de afdrukken van zijn vingers duidelijk zichtbaar bleven in de grijsgrauwe stoflaag; en zijn hand aan zijn broek afvegend speet het hem opeens dat die vingerafdrukken daar stonden, want 't was of hij daarmee iets had weggenomen van 't geheimzinnige iets, dat over de kamer hing. 't Was of hij al die voorwerpen gestoord had, niet in hun rust, maar in iets anders; of ze eigenlijk ergensanders hadden gestaan, en gauw weer naar hun plaats waren gegaan toen ze Eduard hoorden aankomen ....
En toch was alles nog net zooals die laatste keer, toen hij hier met Vader gestaan had. Hier had Vader hem zijn jas helpen aantrekken, hier had Vader hem goeiendag gezegd, en nadat ze toen samen de kamer waren uitgegaan was hier niemand meer geweest; dat was nu al langer dan twee maanden. En straks, als hij weg was, dan zou diezelfde grauw-sombere rust weer terugkomen, en zwijgend en stil zou alles hier weer staan, nog veel weken lang, en aldoor zou de stoflaag dikker en grijzer worden.
En met een plotselinge rilling draaide Eduard zich om; hij liep de kamer uit, en hij zette de voordeur wijd open, zoodat het zonlicht de halfdonkere gang opeens helder verlichtte. Toen reed hij zijn fiets naar buiten, met een gevoel van nu maar zoo gauw mogelijk weg te willen. Daar waren ze weer, de straatgeluiden: het rammelen van karren over de keien, 't geschuifel van voetstappen, gepraat en gelach, en in de verte 't schelle gefluit van een stoomboot. Met een ruk trok Eduard de voordeur dicht; hij liet de sleutel een, tweemaal omdraaien in 't slot, en sprong op zijn fiets, dadelijk flink doortrappend, zonder nog eens om te kijken. Hij nam de kortste weg terug, door de stad, hard rijdend door de drukke straten, telkens uitwijkend voor wagens en menschen en auto's.
Lineke liep voor 't huis al te wachten, ongeduldig uitkijkend.
"Wat ben je lang weggebleven!" riep ze, toen hij er eindelijk aankwam.
"'k Heb me toch heusch gehaast!" riep Eduard terug, en 't laatste eindje liet hij zich gaan, zonder te trappen, tot hij voor 't huis plotseling remde, met een zwaai van de fiets afsprong en buigend voor Lineke stond.
"Wat ken jij 't heerlijk goed!" bewonderde 't kleine meisje, en een stem die uit hooger sferen scheen te komen voegde er bij: "Dat kun je ook niet anders verwachten van zoo'n sportsman als hij is, dat weten we van 't schaatsenrijden, he Eduardje?"
"St, 't is Piet," fluisterde Lineke haastig, "geen antwoord geven, dan heeft hij er geen plezier van." En hardop vervolgde ze, 't stuur van de fiets vastgrijpend: "Moet ik er aan deze kant opklimmen, zeg?"
Met eenige moeite lukte het Eduard zijn nichtje op 't zadel te helpen, en daarmee begon Linekes eerste fietsles.
"Nu trappen!" commandeerde Eduard, "wees maar niet bang dat je valt, flink doortrappen maar! Zoo .... durven maar, ik zal je wel vasthouden!.... Trappen!"
Hijgend viel Lineke aan 't eind van de gracht tegen hem aan. "Ik kan niet meer!"
"Da's niks, dan wachten we even," zei Eduard, en na een paar minuten, waarin hij zich met zijnzakdoek koelte had staan toewuiven: "Nu weer omkeeren, zeg?"
En weer ging het de gracht af, Eduard met één hand aan 't zadel en één aan 't stuur naast de fiets hollend, en telkens klonk het hijgend: "Trappen! Toe dan! Flink doortrappen! Vooruit!"
image: 17_fietsles.jpg
En iedere keer werd aan het eind van de gracht even gewacht; dan rustten ze uit, lachend en warm, en dan zette Lineke die lastige hoed weer goed, die telkens afwoei en dan in haar hals bleef hangen.
Dan ging 't weer terug, trappend en hollend, en telkens vielen ze half als Lineke haar evenwicht weer verloor.
Zoo vond Oom Tom ze, toen hij tegen half een thuis kwam.
"Jongens, wat zijn jullie warm!" zei hij hoofdschuddend, maar hij had er toch pret in, en bleef voor de deur staan kijken; en toen ze even daarna vlak voor hem stilhielden en Lineke met Eduards hulp van de fiets stapte vroeg hij dadelijk: "Is ze nogal een goede leerling?"
"Zeker Oom, dat gaat best!" lachte Eduard, en Lineke riep: "Vind u niet dat 't al goed gaat, Pa?"
"Ja prachtig!" vond de Kapitein, "maar komen jullie nu in huis; voor vandaag heeft de les lang genoeg geduurd, dat zie ik aan jullie gezichten!"
"Zeg nu toch eens, wat voor kleur zal ik het haar van dat kleinste meisje geven?" vroeg Bep, haar penseeltje uitspoelend.
"Kan mij wat schelen, maak 't voor mijn part pimpelpaars," antwoordde Eduard, en Piet zei dat hij oranjezeegroen altijd zoo mooi vond. —
"Wat is dat voor een kleur?" vroeg Bep nieuwsgierig.
"Och, hij plaagt je maar wat," zei Eduard, die dadelijk spijt had over zijn onvriendelijk antwoord van zooeven. "Maak het bruin, Bep, en het strikje rood."
Met een tevreden gezichtje ging Beppie weer aan 't kleuren.
't Was een van de laatste vacantiedagen en 't regende; reden genoeg voor de jongens om uit hun humeur te zijn. Bovendien had Hugo met een paar vrinden de leerkamer in gebruik genomen voor een vergadering van de cricketclub, waardoor de anderen genoodzaakt waren geweest, hun heil in de speelkamer te zoeken. Piet was met een boek op 't kastje gaan zitten, zijn voeten op de leuningvan een stoel, en Eduard had met een zucht zijn rekenboek opgezocht en was gaan zitten rekenen. — Hij had de heele vacantie eigenlijk niet meer aan die taak gedacht, en van het plan om iederen morgen wat te werken was niets gekomen. Wél hadden ze heel veel andere dingen gedaan; de fietslessen waren 's morgens geregeld voortgezet, en Eduard had de voldoening dat zijn leerling al heel handig in haar eentje vooruit kon komen; één dag, toen 't heel mooi weer was, waren ze allemaal naar 't strand gegaan met Tante Lina en de juffrouw; dan was Tommy jarig geweest, en met de vrindjes die op visite kwamen hadden ze verstoppertje gespeeld door 't heele huis, en Oom Tom had ze allemaal meegenomennaar de bioscoop; één middag had Hugo gevraagd of Eduard meeging naar het voetbalveld, waar hij in de geheimen van het edele voetbalspel was ingewijd, en gisteren was hij den heelen dag bij Theo geweest; toen hadden ze eerst spelletjes gedaan met Theo's kleine broertjes, en later was er viool gespeeld, waarbij Mevrouw de Beer ze op de piano accompagneerde. Maar bij al die pret was voor de sommen geen tijd overgebleven, en áf moesten ze toch. Enfin, nu maar niet al te lang over een som zaniken, als 't niet gauw ging maar overslaan en aan de volgende beginnen.
"Houd nu toch op met dat vervelende getik!" viel hij opeens uit tegen Tommy, toen hij een somover twee soorten wijn die vermengd moesten worden al driemaal had overgelezen zonder er iets van te snappen.
Maar Tommy, die op de een of andere onbewaakte plaats een zakje spijkers gevonden had en nu met veel ijver 't karpet aan den grond zat te hameren, was in deze bezigheid zoo verdiept dat hij 't niet eens hoorde. —
"'t Orakel zegt dat je uit moet scheiden, Tom!" waarschuwde Piet.
"Stik!" zei Tommy, en kalm hamerde hij verder.
Met verbaasde groote oogen keek kleine Bep de drie jongens om de beurt aan. — Eduard kreeg een kleur, maar zei niets, en strak bleef hij in zijn boek kijken, ook toen Piet een erwt naar hem toeknipte, die rakelings voorbij vloog en op de vensterbank bleef liggen.
"Dat gaat je neus voorbij, Eduardje!" merkte Piet op, en tegen Bep, met een gezicht alsof iets heel bizonders te zien was: "O Bep, kijk eens naar de deur!"
Half ongeloovig draaide Bep haar snoetje naar de deur, en "Twee oogen bedrogen!" besloot Piet; en daar hij op dit moment niet meer geestigheden tot zijn beschikking had, nam hij lachend zijn boek op en begon weer te lezen.
Een half uurtje bleef 't stil in de speelkamer; alleen klonk telkens, met onregelmatige tusschenpoozen,'t gehamer van Tommy, die met een kleur van inspanning zijn arbeid voortzette.
Eduard had al eenige malen gegaapt en zich uitgerekt, gooide nu en dan voor de afwisseling inktmoppen op zijn vloeitje, begon dan opeens weer haastig te schrijven om even later zijn aandacht te wijden aan het zoo netjes mogelijk oprollen van een smal reepje papier.
image: 18_tapijt.jpg
Met een duidelijk hoorbare geeuw klapte Piet eindelijk zijn boek dicht. "'n Saaie geschiedenis, hoor!" verkondigde hij, en tegen Eduard: "Amuseer jij je nogal?"
"Lamme dingen!" mopperde Eduard.
"Smijt ze in een hoek!" raadde Piet aan, "doe ik ook als me iets verveelt!" en om aan deze philosophische beschouwing kracht bij te zetten nam hij het boek, dat hij "'n saaie geschiedenis" vond, en deed het met een forschen zwaai in den tegenovergestelden hoek van de kamer terechtkomen. —
Toen rekte hij zich nog eens uit en vroeg: "Wat zullen we nu eens gaan doen, jongens?"
"Niet de verf van mijn kast schoppen alsjeblieft!" was het antwoord van Tante Lina, die juist binnenkwam; "en als je nu eens even naar beneden komt, dan .... maar Tommy, wat doe je?"
"Kleed lag los; maak ik vast!" zei Tommy laconiek, en met een gezicht, dat van veel zelfvoldaanheid getuigde, nam hij een nieuwen spijker uit het zakje.
Maar Tante Lina scheen met het werk van haar zoon niet zoo ingenomen te zijn als dit jongemensch zelf, en verwijtend vroeg ze aan Piet en Eduard: "Waarom hebben jullie daar dan toch ook niet eens op gelet?"
Met groote oogen keek Eduard naar 't onregelmatige rijtje spijkers in 't karpet, en Piet mompelde iets dat klonk als: "kon ik toch niet ruiken!"
"Nu, kom jij nu maar eens van de speelgoedkast af," vervolgde Tante Lina op ontevreden toon tegen Piet, "en haal dan eens gauw 't kookkacheltje van boven. Lineke is Hannie gaan halen en dan gaan de meisjes koken."
Kleine Bep was een en al verrukking over dit nieuwe plan; "mag ik ook meedoen, Maatje?" vroeg ze dadelijk.
"Zeker, als je tenminste oppast dat je je vingers niet brandt. Edu, als je werken moet zou je dan niet liever ergens anders gaan zitten?"
"Och nee, Tante," antwoordde Eduard, die nietsgeen zin had om weg te gaan nu 't juist een beetje leuk begon te worden, "ik kan best hier blijven, dan kan ik misschien ook nog wel wat helpen als 't noodig is."
"Nu, jij moet 't weten," zei Tante Lina. "Begin dan maar eens met dat kleine tafeltje bij de kachel te zetten;" en tegen Bep, die al voor 't open speelgoedkastje op den grond zat, "ja, dat is goed, krijg jij de pannetjes maar vast, en dan mag Tom ze op tafel zetten. Nee Edu, nog een beetje dichter bij, anders past de pijp van 't kleine kacheltje niet in de groote kachelpijp."
Langzaam kwam Piet met zijn vracht naar beneden stommelen, en heel handig zette hij alles in elkaar. Toen ging hij wat hout en turf uit de keuken halen, om de kachel vast aan te maken. Tegelijk met Hannie en Lineke kwam hij terug, en Hannie verklaarde dadelijk dat ze koken 't zaligste vond van alles.
"Zoo, dat treft goed!" lachte Tante Lina, "dan zal ik maar gauw naar beneden gaan en wat ingrediënten voor jullie inpakken. De boodschappenjongen zal 't straks wel komen brengen. —
"Moeten we krenten koken?" vroeg Bep, toen Tante Lina de kamer uit was.
"Welnee," zei Lineke. "Kun jij de kachel aanmaken, Piet?"
"Nou of ik," beweerde Piet. "Kijk nu allemaal maar goed, dan kun je het een volgende keer zelf."
Ze kwamen er allemaal om heen staan, en Piet begon met zwierige gebaren, en legde uit: "Menneemt een lucifer;menstrijkt die af;menneemt een vuurmaker;mensteekt die aan;menlegt die in de kachel;menzorgt dat men zich niet brandt. — Zoo." — Helder vlamde de vuurmaker op, en Piet vervolgde: "Menlegt er een stukje hout op;menlegt er nog een stukje hout op;menlegt er een stukje turf op;mendoet het deurtje dicht." — Triomfantelijk keek Piet de anderen aan.
"Menkijkt voldaan rond," zei Eduard, en Hannie merkte op, datmeneen ideaal keukenjongen was.
"Wat keukenjongen?" vroeg Piet minachtend, "opperkok bedoel je! Geef me nu de pook eens aan, Tom!" En toen Tommy's zoeken hem te lang duurde: "Gauw nou, uilskuiken, anders gaat hij immers weer uit!"
Bep herhaalde haar vraag wat ze dan toch met die krenten moesten doen, en "wat zanik je toch over krenten," snauwde Lineke, "geen sterveling heeft 't woord krenten in zijn mond gehad."
"Ze bedoelt ingrediënten," bedacht Eduard, "Tante Lina zou ingrediënten sturen."
"Wat zijn ingrediënten?" vroeg Tommy, maar ze gaven geen van allen antwoord.
"Piet, wat zijn ingrediënten?" herhaalde Bep.
"Dat zijn de dingen die je noodig hebt," verduidelijkte Piet, en hij blies zoo hard mogelijk in 't kacheltje, "Ma bedoelde eetwaren en zoo. Lam ding, brand dan toch!"
"Ik ben benieuwd wat voor dingen we krijgen," zei Hannie, en de meisjes verdiepten zich in allerlei gissingen wat er zou zijn en wat niet.
Piet tobde nog wat met de kachel en verklaarde eindelijk: "Nou doet ie 't;" daarna vloog hij met zijn vuile handen zwaaiend op de anderen af, zoodat het een algemeene holpartij werd, die pas eindigde toen Broertje, de boodschappenjongen, met een mandje waarover heel geheimzinnig een servet lag uitgespreid de kamer kwam binnenstappen. Hij werd opeens bestormd, en kreten van verrukking gingen op toen al de heerlijkheden op tafel werden uitgestald en achtereenvolgens een paar aardappels, een klein potje boter, een snee wittebrood, een zakje suiker, een paar balletjes gehakt, wat sucade, griesmeel,rozijnen, vermicelli, enten slotte ook krenten uit het mandje te voorschijn kwamen.
"We kunnen alles maken!" juichte Lineke, "zeg jullie maar wat je lekker vindt, dan koken wij het wel, he Han? Zeg nu eens waar je veel van houdt, Ee!"
"Van koffiepudding," zei Eduard in alle onschuld. De twee meisjes keken elkaar aan, zagen nog eens even naar de verrukkelijkheden op de tafel, fluisterden samen een beetje, en verklaarden toen eenstemmig dat dat niet kon. "Wel griesmeelpudding." —
"Pruimentaart dan!" vroeg Piet, die zich weer op de kast had geheschen om een goed overzicht van de werkzaamheden te hebben, en toen Hannie zei dat er geen pruimen waren en 't daaromniet kon, vervolgde hij: "Garnalencroquetjes." —
"Kan ook niet."
"Ossenhaas met perziken in 't zuur."
Lineke knikte van nee.
"Haringsla met geslagen room."
"Flauwerd!" zei Lineke verontwaardigd, kwaad omdat ze voor de gek gehouden werd.
"Nou, ik dacht dat je zei dat je alles maken kon," merkte Piet nuchter op, en een hevige kibbelpartij zou gevolgd zijn als niet juist op dit oogenblik Tante Lina was binnengekomen met een kannetje melk; "dat vertrouwde ik den boodschappenjongen nog niet goed toe," vertelde ze lachend.
"Mogen we nu beginnen Ma?" vroeg Lineke, en Hannie voegde er bij: "Wat mag ik doen, Mevrouw?"
"Ik wil pannekoeken bakken!" riep Tommy. "Ik koekjes voor de poppen!" "Ik rozijnentaart!" gilde Broertje. "Och jongen, daar krijg je een rozijnen-baard van!" "Haringsla Ma!"
"Stil jongens!" zei Tante Lina, "als je zoo begint maken we heelemaal niets! We zullen eerst soep en aardappelen koken en een broodpudding maken, en verder zullen we dan wel zien." —Een kwartier later waren ze allemaal druk bezig; Broertje was aan 't beschuit stampen, Bep waschte de krenten, Tommy stond brood fijn te maken, Hannie schilde de aardappelen, en Lineke liep bedrijvig heen en weer, telkens kijkend of er geen hout op 't vuur moest, of de oven al warm was, of't water voor de soep al begon te koken en of 't gehakt al een heel klein beetje bruin zag. — Tante Lina was weer naar beneden gegaan en had beloofd straks nog eens te zullen komen kijken.
Alleen Piet, die nog altijd op de kast zat, voerde heelemaal niets uit, en Eduard deed niet veel méér; hij was weer aan zijn sommen begonnen, maar er viel zooveel te kijken en te luisteren dat er niet veel op 't papier kwam te staan.
"Kijk Broertje eens!" riep Piet, die van zijn verheven zitplaats steeds op- en aanmerkingen ten beste gaf, "bollewangen hapsnoet, hoor!" en even later klonk het: "Bep steekt telkens een krent in haar mond!"
"Als je kookt mag je proeven," vond Bep.
Ze kregen 't hoe langer hoe drukker. De broodpudding moest in den oven, en Hannie haastte zich om de sucade en krenten er door te doen, want de boter was al gesmolten en Tommy riep maar "gauw, gauw!" — En toen kookte opeens de melk voor de griesmeelpudding over, en Lineke bedacht dat ze 't zout in 't gehakt vergeten had, en wilde 't er toch nog maar overheen strooien, en je kon toch ook niet alles door de kleintjes laten doen!
"'t Zal lekker worden!" plaagde Piet, "'k zal maar vast eens komen proeven!"
"Nee hoor, afblijven!" gilde Lineke, "toe Broer, geef eens gauw die vork aan!"
"'t Begint al echt lekker te ruiken!" zei Eduard, "ik krijg toch zoo'n vreeselijke honger!"
"Ik ook!" en Piet snoof eens. "Kom jongens, wie heeft er vast eens wat te eten, heeft er niet iemand nog wat chocola of zoo, in afwachting van 't diner?"
De anderen hoorden zijn vraag niet, verdiept als ze waren in de kokerij; alleen Bep keek op, en zei plotseling: "Eetje heeft chocola." Ze had er nooit over gepraat, dat ze dien avond chocola van Eduard had gekregen, maar nu vertelde ze 't opeens.
"Heb jij chocola?" vroeg Piet verbaasd. "Kom, haal ze dan eens gauw, ouwe jongen, ik verga van de honger!"
Eduard aarzelde even. Al een paar keer had hij zelf de doos mee naar beneden willen nemen, maar telkens had hij ze toch nog maar wat langer willen bewaren, en 't kwam hem nu eigenlijk een beetje overvallen. Heel veel zin had hij niet om de doos te gaan halen, maar toen de kleintjes ook begonnen te bedelen en beweerden dat ze zoo vreeselijk veel trek in een heel klein stukje chocola hadden, stond hij toch op om naar boven te gaan.
Hij had er wel voldoening van, want de flikken werden met veel smaak verorberd, en ze vroegen dadelijk: "krijgen we er nog een?"
Bep presenteerde, en Piet hield de doos bij zich toen ze hem die aangaf. — "Hij staat hier heel veilig!" antwoordde hij op een ongerusten blik van Eduard.
"Geef hem toch maar hier!" vond Eduard, maar Piet zei: "Dank je wel, dan krijgen we niks meer! Wees maar niet benauwd, hoor, we zullen eerlijkdeelen!" En toen Eduard nog bleef protesteeren: "Kerel, ben je gek! He, je lijkt wel zoo'n ouwe theetante! Maak toch niet zoo'n herrie om niks!"
Stijf kneep Eduard zijn lippen op elkaar en hij bleef zwijgen, ook toen Piet aan het uitdeelen ging; "vang Hannie!" klonk het van de kast, "vang Tom!" De flikken vlogen door de kamer, en telkens ging er een luid gelach op als er een mis ving en de flik ergens op den grond terecht kwam. — Vies waren ze er toch niet van.
"Vang, Eduardje!"
Eduard deed alsof hij 't niet hoorde. Even bleef 't stil in de kamer, toen zei Lineke half hard: "Hij is kwaad."
"Da's niks," oordeelde Piet, "moet ie maar weer goed worden ook. — We zullen er een voor hem bewaren." Hij legde een flik naast zich op de kast. "Nou jongens, hier is de laatste! Die is voor Broer, omdat hij de jongste is. Vang Broer!"
Strak bleef Eduard in zijn boek kijken, maar van wat er in stond bleven zijn gedachten oneindig ver verwijderd. Een machtelooze woede voelde hij in zich opkomen tegen Piet, die daar van zijn chocola zat uit te deelen, uit de doos die hij van Vader had gekregen. O, hij zou hem tusschen zijn vingers willen hebben om hem fijn te knijpen, die Piet, die daar lachend en bluffend op de kast zat, en die door de anderen nog toegejuicht werd ook! Eduard nam zijn potlood op en kneep daar zoo hard in dat het bijnatusschen zijn vingers uitglipte en zijn nagels wit werden. Hij wilde, hij moest zich goed houden!
Opeens keek hij weer naar de kast. Waar was de doos? Die wilde hij tenminste terug hebben!
Piet zat er mee te ballen, gooide het ding telkens tegen 't plafond en ving het dan weer op.
"Geef hier m'n doos!" klonk het schor.
Piet keek even op, lachte eens, gooide de doos nog een paar keer in de hoogte, hield toen op, haalde zijn mes uit zijn zak, en zei: "We zullen er een mooie inscriptie opzetten. 'Wie geeft wat hij heeft is waard dat hij leeft', of zoo iets, of weten jullie soms iets mooiers? Dat wordt dan een blijvende herinnering aan deze groote dag!" en Piet zette de punt van zijn mes in het deksel.
Op dit oogenblik voelde Eduard zich razend worden. Zijn gezicht was bleek van woede toen hij driftig opstond, naar de kast ging, en uit alle macht in Piets been begon te knijpen. "Blijf er af!" schreeuwde hij, "geef nou op!"
Piet schopte terug. "Ben je dol!" gilde hij, "schei uit zeg! Laat m'n been los!"
Maar toen Eduard door bleef knijpen, aldoor roepend dat hij zijn doos terug wilde hebben, smeet Piet opeens het ongeluksding naar het andere eind van de kamer; toen liet hij zich van de kast glijden en gaf Eduard een klap in zijn gezicht. — Even later rolden de jongens vechtend over den grond, overal stompend waar ze den ander maar raken konden en telkensworstelend om los te komen; bijna had Piet zijn neefje al onder gehad, maar doldriftig en hijgend wrong Eduard zijn arm los en weer stompte hij Piet zoo hard mogelijk.
Angstig en verschrikt stonden de anderen er om heen. De heele kokerij was vergeten, met groote oogen keken ze naar de vechtende jongens op den grond, en half huilend vroeg Lineke om nu toch alsjeblieft op te houden; de kleintjes gilden, en met een stemmetje dat trilde van angst riep Bep: "Paatje! Kom toch gauw! Ze vechten zoo vreeselijk! Pa! Maatje!"
En opeens stond de Kapitein, die in zijn studeerkamer 't lawaai al gehoord had, naast ze. Haastig duwde hij Bep en Broertje op zij. — "Onmiddellijk ophouden!" commandeerde hij, en plotseling voelden de vechtende jongens zich stevig beetgepakt en van elkaar getrokken. De Kapitein zag rood van verontwaardiging, en de twee vechtersbazen ieder bij een arm vasthoudend schudde hij ze hevig door elkaar.
"Ellendige jongens!" riep hij, "dat gezanik altijd! Allo, de kamer uit! Jij naar mijn kamer en jij kunt naar je slaapkamer gaan! Ingerukt marsch!"
"M'n doos!" huilde Eduard, "ik moet m'n doos hebben!"
"Wat doos! Vooruit, opgemarcheerd! En gauw een beetje!"
En Eduard voelde hoe hij weer bij zijn arm gepakt en de kamer uitgezet werd; hij liep de trap op,naar zijn kamertje, en met een harden slag gooide hij de deur achter zich dicht; toen liet hij zich voorover op zijn bed vallen en huilde, alsof hij nooit weer zou kunnen ophouden.
"'k Wou dat ik dood was!" snikte hij, "'k wou dat ik dood was! Niemand houdt van me!" En aldoor kwamen er maar weer nieuwe tranen, zoodat zijn kussen heelemaal nat werd en zijn oogen pijn deden en zijn voorhoofd gloeide.
En heel zacht, heel droevig klonk het: "Vader!"
Fluitend kwam iemand de trap op. Eduard hoorde de voetstappen zijn deur langs komen en naar de kamer van Hugo en Piet gaan. Hij lichtte zijn hoofd op en luisterde. Zeker was 't Hugo, die na de cricketvergadering naar boven ging. Als hij maar niet hier kwam! Eduard voelde 't in zijn keel kloppen. Zou hij weten van 't vechten?
Maar wat kon 't hem ook eigenlijk schelen? Ze wisten 't verder immers toch allemaal! Och, was hij maar dood! En weer duwde hij zijn gezicht in 't kussen. — Maar toch hoorde hij hoe Hugo op de andere kamer bleef rondscharrelen, aldoor fluitend, hoe hij eindelijk iets liet vallen, — toen hield het fluiten op, Eduard hoorde iets mompelen, en duidelijk verstaanbaar klonk het: "Zeg Ee, ben jij daar soms? Heb jij onze lucifers?" — Eduard hield zich stil; met ingehouden adem bleef hij luisteren. Weer hoordehij de voetstappen over 't portaaltje gaan en de knop van de deur werd omgedraaid; — Hugo kwam binnen.
Hevig verschrikt zat Eduard opeens overeind en keek zijn neef aan. — Hugo was blijven staan, zijn hand nog aan de deurknop, en staarde in stomme verbazing naar Eduards behuild gezicht.
"Wat heb jij?" vroeg hij toen.
Maar Eduard gaf geen antwoord en drukte alleen zijn mouw tegen zijn oogen.
Hugo deed de deur dicht, en een beetje ongerust begon hij weer: "Wat is er in vredesnaam gebeurd?"
"Och niks," barstte Eduard opeens los — "ga maar weg — we hebben gevochten —" hij snikte het weer uit.
"Wie hebben gevochten?"
"Piet en ik." —
"En huil je daarom zoo?"
Er kwam geen antwoord meer.
"Kom, daar moet je je niet zoo dik over maken, ben je mal! Wie huilt er nou om een beetje vechten? Kom, sta op, en drink eens wat, en wasch je gezicht een beetje, dat zal je opfrisschen! Zoo meteen gaan we koffiedrinken — je moet net doen of er niks gebeurd is!"
En Hugo schonk water in de kom en trok zijn neefje bij zijn arm naar de waschtafel toe. "Vooruit," zei hij, "wasch je nou en begin nou niet weer!"
Toen nam hij de lucifers van de tafel en ging naar zijn eigen kamer. —