"Hup jongens! naar het hol van de Manahawaas!" riep van Merlen, een van Piets vrienden. — De lange beraadslagingen begonnen hem te vervelen, en midden in een fraaie toespraak van Wouters had hij er opeens genoeg van gekregen; zonder naar het slot te luisteren stoof hij door de openstaande tuindeur naar buiten. — Joelend en schreeuwend holde de heele jongensbende hem achterna, naar het verste gedeelte van den tuin, waar de Manahawaas kampeerden. —
Het hol was een groote kuil, zoowat twee meter lang en breed, en zoo diep dat Tommy er juist in kon staan zonder dat zijn hoofd boven de rand uitstak. Maar dit was pas 't begin, 't moest nog veel dieper worden, en daarom hadden de Manahawaas zich op dezen zonnigen Zaterdagmiddag in 't midden van Mei al om één uur vereenigd bij de Verheys, met het plan nu eens hard aan 't werk te gaan.
De club van de Manahawaas bestond uit negen leden. Hugo was president, maar omdat hij 's Zaterdagmiddags altijd gymnastiekles had, was Woutersnu met het oppertoezicht belast. De andere leden waren van Merlen, Tersteeg, Piet, Eduard, Tommy met zijn vrind Holdert en Broertje, die ook al dapper zijn best deed. Hij had zoo verschrikkelijk graag met de groote jongens mee willen spelen en hij had er zóó om gebedeld dat ze hem eindelijk maar als jongste lid hadden aangenomen. Hij mocht nu 's morgens als ze allemaal naar school waren het hol bewaken.
Van Merlen en Tersteeg zaten allebei in Piets klas.
"Schreeuw jullie nou zoo niet!" riep Wouters eindelijk, toen ze om het hol heenstonden en weer allemaal tegelijk aan 't beweren waren, "laten we nou liever aan 't werk gaan!" en tegen Tommy: "kleine Verhey, haal jij nou eens gauw de schoppen!"
Tommy ging naar 't schuurtje, en Wouters vervolgde: "We zullen om de beurt een half uur werken; eerst Tersteeg en ik, en dan kunnen kleine Verhey en Holdert helpen, en dan kun jullie drieën straks een half uur graven."
Ze hadden natuurlijk niet geluisterd, en Wouters moest zijn voorstel nog een paar keer herhalen voordat ze er allemaal achter waren.
Toen daalde de eerste ploeg langs het laddertje in den kuil af en het werk begon. —
Wouters en Tersteeg waren aan 't uitdiepen, en Tommy en kleine Holdert hielden zich bezig met telkens het uitgegraven zand in emmers naar boven te dragen.
"Nu jij de wacht houden en 'werda' roepen alser iemand aankomt!" zei van Merlen tegen Broertje, knipoogend tegen Eduard en Piet.
"Wat moet ik roepen?" vroeg Broer, die van 't woord "werda" nooit gehoord had, en innerlijk doodsbenauwd was dat hij iets niet goed zou doen, en dat ze hem dan in den kuil zouden stoppen en 't laddertje wegnemen.
"Werda!" herhaalde van Merlen lachend, en toen met groote oogen: "Pas op als je 't vergeet, hoor!"
Broer knikte, en bleef met een ernstig gezichtje den tuin inkijken; van Merlen slungelde weg en ging een eindje van den kuil af languit in 't gras liggen, zijn armen onder zijn hoofd.
Eduard en Piet hadden 't zich er ook al gemakkelijk gemaakt en lagen zoo lui mogelijk van hun rust te genieten.
"'t Is warm!" merkte van Merlen op.
"Wat je zegt!" zei Piet gapend, en Eduard zuchtte: "Straks zullen we 't nog wel warmer krijgen!"
Even zwegen de drie jongens. Toen ging Piet opeens overeind zitten, sloeg zijn handen om zijn knieën en zei: "Lui, ik heb een fijn plan!"
"Vertel op!" verzocht Eduard.
En Piet ging vol vuur door: "Een eindje van dien kuil af, een meter of vier, aan de andere kant bij de schutting maken we nog een kuil, zoowat even groot als deze en even diep, en die tweekuilen verbinden we door een onderaardsche gang."
"Dan mogen we wel aardig diep graven," vond van Merlen, "anders zakt het heele zaakje in."
"Nou, dan gráven we diep!" zei Piet, op een toon alsof hij dat in 't minst geen bezwaar vond.
"Ik weet nog wat leuks," zei Eduard, "we timmeren allerlei planken aan elkaar, en die leggen we over de kuil heen, en dan bedekken we alles met graszoden, dan kan geen mensch ons hol vinden. Fijn, man!"
"Maar waar halen we graszoden vandaan?" vroeg van Merlen, "hier in de tuin is zooveel gras niet."
"Nou, dan halen we ze uit het bosch!" bedacht Eduard.
"Dat kan," stemde van Merlen toe; "nou, 't lijkt me wel moppig."
En Piet vroeg: "Hoe diep zouden we eigenlijk kunnen graven voor we water vinden? Weet jij dat, van Merlen?"
"'k Denk een meter of zes," zei van Merlen, die er eigenlijk niet het minste begrip van had. "Of misschien wel tien, de grond is hier nogal droog."
"Werda!" riep Broer, en toen ze naar hem keken zagen ze dat de kleine jongen naar de schutting wees, waar 't lachende gezicht van Kees Beekman bovenuit kwam kijken.
"Goeiemiddag!" riep Piet.
"Ook goeiemiddag!" antwoordde Kees, "mag ik meespelen, zeg?"
"Zeker!" vond Piet, "als je je zuster tenminste niet meebrengt!" En van Merlen vroeg zachtjes aan Eduard, die 't dichtst bij hem zat: "zeg Kerner, hoe heet dat joch?"
"Kees Beekman," antwoordde Eduard even zacht, en harder tegen Kees: "Waar sta je op, zeg?"
"Op m'n stelten," zei Kees, "en Hannie heeft pianoles dus die komt niet. Wat voeren jullie eigenlijk uit?"
"O," lachte van Merlen, "ik doe niks en Verhey helpt me en Kerner kijkt er naar."
Kees gaf geen antwoord, bleef kijken en lachte.
"Kom," zei Eduard opstaande en zich uitrekkend, "we zullen je eens over de schutting hijschen. Werk je nou eerst maar naar boven, dan zullen we je aan deze kant naar beneden trekken."
Piet en van Merlen bleven er lachend naar kijken hoe Kees zich inspande om zichzelf op te hijschen. Eindelijk zat hij bovenop de schutting en zwaaide zijn beenen er overheen.
"Ziezoo!" riep van Merlen opstaande, "nu ieder aan een been trekken, Kerner, dan zul je eens zien hoe gauw hij beneden is!"
Lachend en gillend trok Kees zijn beenen weer op, en proestend bleven van Merlen en Eduard beneden staan om telkens weer naar Kees z'n schoenen te grijpen zoodra die in hun bereik kwamen. Krampachtigklemde Kees zich aan de schutting vast, telkens schoppend naar de twee jongens, die dolle pret hadden om zijn benauwd gezicht.
"Blijf af nou!" riep Kees, en "kom dan toch ook!" moedigde van Merlen aan terwijl Eduard weer naar de schoen greep; maar 't kwam deze keer anders uit dan hij gedacht had, want Kees had ongemerkt het riempje van zijn schoen losgemaakt en Eduard duikelde achterover, de schoen in zijn hand houdend. Een oogenblik keken de jongens verbluft rond, en Kees zag kans, zich haastig naar beneden te laten glijden. Maar 't ging niet zoo gauw of Eduard was weer opgestaan en holde met den schoen den tuin door. Onmiddellijk zette Kees 't ook op een loopen, Eduard achterna, en telkens roepend: "M'n schoen! Geef op nou!"
Eindelijk liet Eduard zich hijgend in 't gras vallen en gooide Kees den schoen toe. "Daar heb je 'm!" riep hij, "ik stik!"
"Ik ook!" zei Kees, en lachend stak hij zijn voet vooruit om te laten zien hoe aardig zijn teen door zijn kous kwam kijken.
"Moet je mijne zien!" blufte Tommy, -- want de vier anderen hadden het werk gestaakt, -- en hij bukte zich om zijn schoen uit te trekken.
"Nou ja, we gelooven 't wel, laat maar zitten!" zei Piet haastig.
Tersteeg was de laatste die weer aan de oppervlakte der aarde verscheen. Langzaam liep hij naarde anderen toe, gooide de schop op den grond, veegde zijn voorhoofd af, en zuchtte: "Ziezoo, de tijd van luieren is voor jullie voorbij, gaan jullie nu maar eens een beetje graven, hoor!"
"Da's goed," antwoordde van Merlen, "Kees of hoe heet je, nou mag je helpen! 't Is hier hard werken, snap je?"
"Zeker, ik snap 't heel goed!" zei Kees, "en dan ben jij zeker de generaal, he?"
"Welnee!" zei van Merlen lachend, en met een geheimzinnig gezicht: "Ik ben de Manahawa Snelvoet!"
De tweede ploeg daalde in het hol af en Piet inspecteerde de kuil. "Jullie denkt ook 'liever lui dan moe,' er is zoowat niks aan gedaan!" riep hij tegen de anderen, die zich op hun beurt in 't gras hadden uitgestrekt.
"Wel ja! als je soms nog wat hebt?" riep Wouters terug; "geneer je niet!" en "Compliment aan je kippen!" voegde Tersteeg er bij; nog even hoorden de jongens in den kuil ze samen namopperen. "Hoor ze schelden!" lachte Eduard.
Onder 't graven werd Kees ingelicht wat de club van de Manahawaas eigenlijk beteekende, en natuurlijk was hij zóó verrukt over 't idee van de geheimzinnige kelders en de toekomstige strooptochten dat hij dadelijk ook lid wilde worden. "Mag ik?" vroeg hij.
"Wel ja, van mijn part wel!" antwoordde Piet onverschillig, en van Merlen zei dat hij 't ook goedvond, dat 't nieuwe lid straks dan maar gedoopt moest worden. Dat hoorde er bij, en 't was meteen lekker koel in die warmte. —
"Ja, dat hoort erbij!" herhaalde Piet, en hard riep hij: "Zeg, halen jullie eens een emmer water, we moeten er een doopen!"
"Da's goed, dat wil ik wel doen!" antwoordde een hooge stem. Vier hoofden kwamen nieuwsgierig boven den kuil uitkijken.
't Was Lineke, die met Bep aan was komen loopen. "Waar heb je den emmer?" vroeg ze.
Eduard gaf een emmer aan en Lineke liep er mee naar de keuken.
De jongens hadden hun schoppen neergegooid en waren naar boven geklommen om de doopplechtigheid te doen beginnen. "Vind je 't niet griezelig?" vroeg Tommy aan Kees, maar Kees antwoordde dat de heele dooperij hem zoo koud als een kip liet.
"Wat 'n branie!" lachte Wouters, "wacht maar, jongetje, straks zul je wel anders piepen!"
Lineke kwam met den emmer aansjouwen. 't Was zwaar, ze hijgde er van, en van Merlen sprong ineens op en liep naar haar toe om 't vrachtje van haar over te nemen. Eduard keek er verbaasd naar; dat was nou iets waarover hij nooit gedacht zou hebben, en toch vond hij 't erg aardig. —
"Nu mogen we verder toch wel mee blijven doen, he?" vroeg Lineke onvoorzichtig.
"Dat kun je begrijpen!" antwoordde Wouters,"we zijn al met meer dan genoeg!" en Piet voegde er bij, met zijn hoofd naar 't huis wijzend: "Gaan jullie maar stil weer weg, we willen er geen kleine meisjes bij hebben!"
"Ze zouden voor krijgsgevangenen kunnen dienen!" stelde Tersteeg voor.
"Da's wat anders!" zei Wouters, "da's goed, dan stoppen we ze in den kuil en nemen 't laddertje weg!" en met groote passen liep hij naar Bep toe, die bij de rand van den kuil stond en aandachtig naar beneden keek. Maar Lineke pakte haar zusje bij de hand. "Kom mee, Bep!" zei ze met een minachtenden blik naar de jongens, "ze willen niet met ons spelen, we zullen wat gaan schommelen!"
Zwijgend keken de Manahawaas de twee meisjes na, die zonder om te kijken naar den schommel gingen, toen zei Eduard met een kleur: "Wat 'n flauwe kerels zijn jullie, waarom mogen ze nou niet meedoen?"
"Hoor hem!" hoonde Tersteeg, en Wouters snauwde kwaad: "Hou je er buiten, jong kalf! Als je wat aante merken hebt, ruk jemaar uit!" en tegen de anderen: "Ziezoo, nu zullen we met doopen beginnen, kleine Verhey, haal jij eens een glas!"
Eduard stopte zijn handen in zijn zakken, en tegen een boom leunend bleef hij er naar kijken hoe ze Kees een glas water in zijn gezicht gooiden en toen onder veel gelach het water gingen "opdoopen" en elkaar kletsnat smeten. Even verder stond van Merlen zijn fiets op te pompen.
Langzaam slenterde Eduard naar den schommel toe, waar de nichtjes aan 't spelen waren, maar ze waren nog niet in de rechte stemming, en Eduard was te veel uit zijn humeur om gezellig mee te doen.
"Waar ga jij naar toe?" riep hij even later tegen van Merlen, die met zijn fiets den tuin doorliep.
"Naar huis!" riep van Merlen terug, "'k heb om halfvier les!"
"Welke kant ga je?"
"Door 't bosch!"
"Wacht even, dan ga 'k mee!" van Merlen bleef staan, en Eduard vervolgde haastig: "zet jullie ook je hoed op, in 't bosch kunnen we veel leuker spelen dan hier bij dien vervelenden schommel!"
Tante Lina hoorde 't viertal de gang doorloopen en de voordeur dichttrekken, maar ze liet ze maar stilletjes gaan, blij met haar rustigen Zaterdagmiddag.
"Vond jij 't nou ook niet flauw?" vroeg Eduard aan van Merlen, toen de meisjes even voor een winkel bleven staan.
Van Merlen haalde zijn schouders op. "Och, voor mijn part hadden ze wel mee kunnen doen," zei hij, "maar als Wouters eenmaal zoo iets in zijn hoofd haalt geeft het je toch niks om er wat tegen in te brengen. Je bederft je eigen plezier en je wordt nog uitgescholden op den koop toe. Hugo is een veel leukere president dan hij."
"Hij heeft praats voor zes en 'n hoop lèf!" vulde Eduard aan, blij dat hij eens op Wouters kon schelden.
"Nou!" van Merlen knikte veelbeteekenend, "en Piet en Tersteeg doen hem alles na!"
In 't bosch zei van Merlen dat hij geen tijd meer had en door moest trappen.
"Saluut!" riep hij, en Lineke haalde een bal uit haar zak en vroeg of ze nu wat wilden gaan ballen.
"Hoedjebal!" zei Eduard, en met zijn hak trok hij een streep in 't zand voor de lijn. —
Pas om halfvijf gingen ze naar huis toe, rood en warm van het harde loopen, en Lineke legde de bloemen die ze geplukt had even in 't gras om haar hoed op te zetten. —
"Komen jullie eens hier!" riep Bep, die al vooruit geloopen was, en toen Eduard en Lineke bij haar stonden: "Kijk, een vogeltje!"
Ze bogen zich er alle drie over heen, en Eduard ging er bij op zijn knie liggen en nam 't voorzichtig op. "'t Is dood!" zei hij.
Nieuwsgierig keken Bep en Lineke er naar. "Nee," riep Lineke, "'t is niet dood, kijk maar, 't beweegt zijn pootje!"
Opeens begon 't vogeltje angstig te piepen.
"'t Is zeker uit 't nest gevallen," zei Eduard, "'t is nog een jong vogeltje, zie je wel?" en zacht streek hij met zijn vinger over 't kopje.
"'t Piept zeker zoo om zijn vader en moeder," fluisterde Bep; "arm klein vogeltje!" en Linekevroeg: "Toe Edu, laten we 't mee naar huis nemen, dan kunnen we 't frisch water en eten geven, hier gaat het zeker dood!"
image: 19_vogeltje.jpg
Eduard was opgestaan; nog steeds hield hij 't vogeltje zijn in zijn hand. "Ik vind 't natuurlijk goed om 't mee te nemen," zei hij, "maar hoe krijgen we 't thuis?" en tegen Lineke: "wil jij 't dragen, zeg?"
Lineke strekte haar hand uit, maar trok die haastig terug. "Doe jij 't maar liever," vroeg ze, "je houdt het nu óók zoo voorzichtig vast!"
Eduard ging naar 't pad terug en Bep en Lineke kwamen ieder aan een kant naast hem loopen, telkens naar 't vogeltje kijkend. 't Piepte nu niet meer, stil lag 't in Eduards hand, en met angstige, verschrikte oogjes keek het rond.
"Zielig klein dier!" zei Lineke medelijdend, en Bep vroeg nog eens: "Knijp je 't vooral niet, Eetje?"
Eduard schudde van nee, en langzaam ging het naar huis. —
"Kinderen, waar hebben jullie toch gezeten?" vroeg Tante Lina, toen ze eindelijk thuis waren.
"In 't bosch, Tante!" antwoordde Eduard, en Lineke legde uit: "We hebben een klein vogeltje gevonden, Ma, en nu wilden we het in een sigarenkistje met gras leggen en dan wat brood en melk om het te voeren, en ...."
"Ja, 't is goed," viel Tante Lina in de rede, "ga je gang, maar niet in de huiskamer alsjeblieft, breng 't maar in 't schuurtje."
Met een voldaan gevoel legde Eduard zijn viool in de vioolkist. Heerlijk vroeg was 't, nog geen acht uur, en hij had al drie kwartier gestudeerd. De etude ging goed, en 't menuet speelde hij ook bijna zonder fouten.
Eduard was 't eerst van allemaal naar beneden gegaan vanmorgen; terwijl hij aan 't studeeren was had hij de anderen langzamerhand ook hooren komen, maar ze hadden hem niet gestoord, en vlijtig had hij doorgespeeld, drie kwartier lang. Nu naar de huiskamer, en kijken waar ze allemaal zaten!
Maar hij vond er niemand; 't ontbijt stond klaar en 't theewater suisde gezellig, en hij wilde juist den tuin inloopen om eens te kijken of ze daar soms waren toen Tante Lina en Hugo binnen kwamen.
"Wel Edu, wat ben jij matineus!" zei Tante Lina, "'k wist niet wat ons overkwam toen we daar met vioolspel gewekt werden!"
"'k Was zoo vroeg wakker," vertelde Eduard, "en toen ben 'k maar opgestaan ook!"
Tante Lina begon boterhammen te snijden, en Hugo plaagde: "Ja, ja, als luie menschen vlug worden ...."
"Nou, ik vind me zelf gewoonlijk toch niet zoo heel erg lui," merkte Eduard op; "vindt u wel, Tante?"
"Nee, niet zoo héél erg," lachte Tante Lina, de thee opschenkend; "kijk eens wat op je bord ligt, Edu!"
Eduard keek nieuwsgierig naar zijn bord en nam de briefkaart op.
"Van Vader," zei hij, toen hij Vaders bekende letters op het adres ontdekte, en dadelijk draaide hij de kaart om en begon te lezen.
"Beste jongen,
Als je deze kaart krijgt zit ik alweer midden op zee en duurt het niet lang meer of ik ben weer bij je. In 't eind van de volgende week ga ik weer aan boord, en ik begin er erg naar te verlangen om weer thuis te zijn. Wat zullen we elkaar veel te vertellen hebben, he Pepi? Gisteren heb ik je brief gekregen waarin je schreef over 't comediespelen op zolder. Je kunt gezellig vertellen, hoor! Veel groeten van Vader. —
"Vader schrijft dat Vader gauw thuiskomt!" zei Eduard opkijkend, en tegen Oom Tom, die ook beneden gekomen was: "Weet u, wanneer Vader nu precies hier kan zijn, Oom?"
"Precies weet ik 't niet," antwoordde de Kapitein, "de aankomst van de booten verschilt wel eens een paar dagen, maar als 't een beetje wil zullen we je Vader over een week of twee wel zien verschijnen, denk ik."
"Vandaag over twee weken? Dus op een Donderdag?"
"Ja hoor, ik kan er geen eed op doen," lachte Oom Tom, "ik ben geen orakel!" en 't ochtendblad opnemend: "als je nu nog wilt dat je Vader in Genua een brief vindt moet je met schrijven niet al te lang meer wachten!"
Eduard knikte, en Tante Lina vroeg: "Heeft Vader nog iets nieuws te vertellen, Edu?"
"Nee Tante, niets nieuws." Even keek hij nog naar wat Vader geschreven had, toen gaf hij de briefkaart aan Tante Lina en zei: "U mag 't wel lezen als u wilt." En strak bleef hij Tante Lina aankijken tot zij de briefkaart gelezen had en hem zonder iets te zeggen aan Eduard teruggaf. —
"We zullen Edu missen," merkte ze even later op. —
"Komen jullie ontbijten?" riep Hugo tegen de kleintjes, en toen ze 't niet schenen te hooren liep hij zelf ook den tuin in en herhaalde, wat harder nu "Komen jullie ontbijten, zeg?"
Nu kreeg hij antwoord, en langzaam kwamen ze opdagen. Alleen Broertje sprong en kraaide even vroolijk als gewoonlijk, de andere drie keken stil voor zich uit, en 't eerste wat Lineke zei toen ze binnenkwam was: "O Edu, Hansje is dood!"
Eduards prettige stemming verdween opeens; "wat?" vroeg hij verschrikt, en Tommy zei nog eens na wat zijn zusje zooeven gezegd had: "Hansje is dood."
Hansje was 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag in 't bosch gevonden hadden. Vier dagen lang was 't nog blijven leven, ze hadden 't in een leeg sigarenkistje gezet met wat frisch gras en 't mooiste dekentje uit Beps poppenwieltje, en ze hadden 't gevoerd met in melk geweekt wittebrood. Maar toen ze vanmorgen kwamen kijken had Hansje niet gepiept of zijn bekje open gedaan; heel stil was hij op 't gras in 't kistje blijven liggen, zonder zich te bewegen, en toen Lineke hem opnam was hij al heelemaal stijf.
Lineke deed 't heele verhaal met een treurig gezichtje.
"'t Is jammer," vond Tante Lina; "jullie hadt het ook maar liever in 't bosch moeten laten, dan waren de oude vogels het misschien wel komen voeren; melk en wittebrood is geen geschikt eten voor een vogeltje."
"Denkt u dat 't dan niet dood gegaan zou zijn?" vroeg Tommy.
"Lieve jongen, dat weet ik toch niet!" antwoordde zijn Moeder.
De deur ging open en Piet kwam binnen. Hij had zich verslapen vanmorgen, en Oom Tom keek van zijn courant op en zei: "'k Zou nog een beetje later beneden komen als 'k jou was!"
"'k Werd zoo laat wakker," verontschuldigde Pietzich, en hij begon aan zijn boterhammen; "wat zetten jullie allemaal tragische gezichten, wat is er voor narigheid gebeurd?"
"Hansje is dood," vertelde Bep.
Piet begon te lachen. "Zoo, is dat halfdooie beest eindelijk gecrepeerd," zei hij, "da's wel de moeite waard om zoo'n doodgraverssmoel ...."
Een hevige vuistslag op de tafel deed de kopjes rinkelen en verschrikt knipte Bep met haar oogen.
Piet zweeg plotseling.
"Alsjeblieft!!" barstte de Kapitein nijdig uit, "zulke taal kun je voor je houden, begrijp je! Die verkies ik hier niet te hooren, van jou niet en van niemand anders!"
Onverschillig haalde Piet zijn schouders op, maar hij zei niets meer, en op de klok kijkend begon hij te eten met een haast alsof hij minstens uitgehongerd was. Toen dronk hij zijn glas melk leeg, stond op, riep bij de deur "saluut!" dat voor iedereen bestemd scheen die er naar wilde luisteren, en vertrok. De Kapitein riep hem terug, maar Piet hoorde 't niet of deed alsof hij 't niet hoorde, en juist op het oogenblik dat Oom Tom de huiskamerdeur opende werd de voordeur door zijn zoon dichtgetrokken.
Met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde ging de Kapitein weer in de courant zitten kijken.
Hugo begon zijn boeken bij elkaar te zoeken en ook de anderen maakten aanstalten om naar school te gaan.
"Moet Hansje daar nu maar zoo in dat kistje blijven liggen?" vroeg Bep, en Lineke antwoordde: "We zullen hem begraven, tusschen twaalf en twee, dan help je immers, Edu?"
"Ja goed," beloofde Eduard, en Tommy zei dat hij om twaalf uur hard naar huis zou hollen om een kuil te graven.
"Dan zal ík vanmorgen bloemetjes plukken," bedacht Bep, "in een mandje, als we met Juf gaan wandelen."
Eduard knikte, sjorde in de gang zijn tasch om, zette zijn pet op, stopte zijn handen in zijn zakken, en ging naar school.
Mal toch, dat hij het nu naar vond, dat 't vogeltje dood was. De kleintjes vonden 't ook wel akelig, maar die waren ook allemaal zooveel jonger dan hij. Piet lachte er om, had ze er al mee geplaagd sedert ze met Hansje thuis waren gekomen, en Hugo —nou, die vond zichzelf er natuurlijk veel te groot voor. En de andere jongens? Meertens of Theo? Och, natuurlijk zouden ze hem ook uitlachen; hij durfde ze 't immers niet eens te vertellen! Of durven wel, hij durfde 't best te vertellen, natuurlijk, maar hij deed 't niet, hij wilde 't niet eens vertellen, 't kon hem niks schelen of ze lachten of niet, ze hadden er niks mee noodig. Hij mocht denken wat hij wilde, dat hoefde hij aan niemand te vragen, en je kon er ook niets aan doen hoe je over iets dacht, of je iets naar vondt of niet, dat was nu eenmaal zoo. Zou hijnu heusch kinderachtiger zijn dan de andere jongens? Of zouden ze allemaal wel eens zooiets náár vinden zonder dat ze 't aan iemand wilden zeggen? Piet zeker wel niet, die lachte altijd maar om alles, maar Theo bijvoorbeeld, dat was nu weer een heel andere jongen ...
"Hei, Kerner, wacht even!"
Eduard keek om en bleef staan. 't Was van Hamel, die achter hem aan kwam hollen: "Heb je je sommen af?" hijgde hij al op een afstand.
"Ja," zei Eduard, die ze wonder boven wonder eens alle drie had kunnen maken, "'k vond ze nogal makkelijk."
"Wat heb je eruit?"
"Weet ik 't, denk je dat ik dat zoo lang onthoud?"
"Nou, kijk dan eens, dan kunnen we zien of we ze goed hebben!"
Maar Eduard liet zijn schrift kalm in zijn tasch zitten. "Zooveel kan 't me niet schelen, hoor, zal 'k wel zien als ik 't schrift terugkrijg," zei hij, "hebben jullie gisteren lang moeten blijven?"
"Tot halfvijf," vertelde van Hamel, "we hebben ons dood gelachen, we moesten regels schrijven, en Snijders ging de klas uit; nou, die regels waren in twintig minuten klaar, en Snijders arriveerde nog steeds niet, en toen heeft Wim Reinders allerlei moppen zitten vertellen, we waren gewoon slap, en Groeneveld schreef onder zijn regels: 'Dag mijnheer Snijders, ik ga maar vast weg. Tot morgen.'"
"En ging hij echt weg?" vroeg Eduard.
"Welnee, dat durfde hij met al z'n branie natuurlijk niet, hij liet 't staan tot Snijders eindelijk weer binnenkwam, en toen veegde hij 't gauw uit; maar Snijders zag 't net nog, en Groeneveld wou niet zeggen wat er gestaan had, en Wim Reinders en ik zaten maar te lachen."
"Nou en toen?"
"Nou, toen niks meer, Snijders was woedend, maar daar gaven we natuurlijk geen cent om, en ..."
"Zeg, laten we een beetje doorloopen," viel Eduard, die op de torenklok gekeken had, hem in de rede; "'t is twee minuten!"
En samen zetten ze 't op een hollen, tot ze eindelijk buiten adem bij school waren en Beek de deur voor hun neus dicht deed.
Eduard belde aan. "Zoo'n mispunt," zei hij.
"Ga nu gauw mee, Eetje!" vroeg Bep, toen 't koffiedrinken afgeloopen was, "ik heb een heeleboel bloemetjes geplukt!"
"En ik heb gehelpt!" voegde Broertje er bij, "en Tommy heeft een kuil gegraafd!"
"Wat gaan jullie in vredesnaam uitvoeren?" vroeg Piet, en toen, alsof hem opeens een licht opging: "Groote goedheid, daar gaan ze me nou die dooie vogel begraven! Daar moet je toch ook wel niet goed je weet wel voor zijn!" en veelbeteekenend weesPiet naar zijn voorhoofd. "Waarom keilen jullie dat dooie beest niet over de heining?"
"Omdat we 't begraven gaan," zei Eduard kort.
Piet begon te grinniken. "Heel aardig maar toch niet erg!" plaagde hij.
"Piet, denk er om wat Papa vanmorgen gezegd heeft!" waarschuwde Tante Lina.
"'k Druk me nu anders heel betamelijk uit!" mopperde Piet.
De vier kleintjes waren al naar 't schuurtje toegegaan, en ook Eduard liep den tuin in, maar Tante Lina riep hem terug.
"Heb jij vanmorgen de karaf op je waschtafel gebroken, Edu?"
"O, ja, da's waar ook!" zei Eduard; hij had aan de heele karaf niet meer gedacht.
"Jullie zijn toch ook altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig," bromde Tante Lina, "'t is altijd smijt maar toe, om de haverklap breekt er iets ..."
"Zoo, is die ook al ter ziele," plaagde Piet, "nou, je gaat toch aan 't begraven, nou kun je de treurige overblijfselen van die karaf meteen een plechtige uitvaart bereiden!"
Eduard gaf geen antwoord meer en liep naar de kleintjes toe. Alles verveelde hem opeens gruwelijk, en Piet was nog 't vervelendste van de heele boel.
"Kijk eens!" riep Lineke. —
Daar lag 't vogeltje, op een bedje van gras en bloemen. "Ligt hij zoo niet lief?" vroeg Lineke, terwijl Eduard keek, "nu willen we het kistje verder heelemaal met bloemen opvullen, en moeten we dan de deksel er los opleggen of vasttimmeren?"
"Laten we er maar liever een paar spijkers inslaan," vond Eduard; "is de hamer hier?"
Lineke begon bloemen in het kistje te leggen en Tommy haalde den hamer en wat kleine spijkertjes.
"Er blijven nog een heeleboel bloemen over!" zei Bep, en "nou, die kunnen we dan straks over de kuil strooien," antwoordde Lineke, terwijl ze de deksel op 't kistje hield en op Eduard wachtte.
En Eduard nam den hamer en begon het eerste spijkertje er in te slaan. "Doe je 't voorzichtig, Eetje?" vroeg Beppie, met tranen in haar groote blauwe oogen.
Eduard knikte, en zwijgend keken ze er alle vier naar hoe hij de spijkers eén voor eén opnam en in het kistje sloeg.
"Nou is 't klaar," zei hij eindelijk, en hij legde den hamer neer. —
Toen nam Lineke het kistje op en bracht het naar den kuil toe.
"'t Is hier een mooi zonnig plekje, he?" vroeg Tommy, en "arm klein vogeltie," zei Broertje zacht.
En Lineke zette het kistje in den kuil en Tommy schepte de aarde er overheen; op 't kleine heuveltje liet Bep al de bloemen uit haar schortje vallen. —
"Kinderen, zijn jullie nog niet naar school? 't Is kwart voor twee!" riep Tante Lina uit de huiskamer.
"Ja Ma, we gaan al," riep Lineke terug, en ze nam Bep en Broertje elk bij een hand en bracht ze op een sukkeldrafje naar de zandhoop toe.
image: 20_begraven.jpg
"Gaan jullie wat zandtaartjes bakken," zei ze, "maak er maar een heeleboel, en erge mooie, dan komen we om vier uur bij jullie koopen! Dag!"
Tommy was al weggehold, doodsbenauwd voor te laat komen.
Eduard ging zijn fiets uit de gang halen; je hoefde hier nooit te vragen of je mocht fietsen of niet, je deedt altijd maar waar je zelf zin in hadt.
Aldoor nog moest hij denken aan 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag uit het bosch hadden meegebracht; in zijn hand had hij 't mee naar huis genomen, een klein, warm, beweeglijk diertje; nu was het dood, en koud, en stijf; ze hadden het begraven, en nooit zouden ze 't weer terugzien. Zou het zijn warme nestje en het bosch hebben gemist? Zou het naar de oude vogeltjes terugverlangd hebben? Zeker had het zich hier wel heel eenzaam en verlaten gevoeld; en nu was het dood gegaan.
Eduard opende de voordeur om zijn fiets naar buiten te rijden. En opeens dacht hij aan zijn Moeder; aan die laatste vreeselijke dagen, toen Moeder zoo heel erg ziek was geweest, en aan dien ochtend, toen hij wakker werd en Vader bij zijn bed stond, die hem vertelde, dat Moeder niet meer leefde ....
Eduard wipte op zijn fiets en reed naar school. Eerste uur rekenen en tweede uur geschiedenis; ba, stom-vervelende middag!
"Dag Pa! Dag Maatje! Dag! Dag!" en telkens keken ze nog eens om, de vier kleintjes, en dan wuifden ze tegen Oom Tom en Tante Lina, die op de stoep de kinderen stonden na te kijken. 't Was een grappig gezicht om ze daar met hun vieren zoo deftig te zien wegstappen naar de verjaarpartij, waar ze zich al de heele week op verheugd hadden, Lineke en Bep in de nieuwe lichtblauwe jurken en de twee kleine jongens in de schoone witte matrozenpakjes; bij den hoek bleven ze nog even staan om nog eens allemaal tegelijk te wuiven — toen waren ze verdwenen.
Lachend gingen Oom Tom en Tante Lina weer naar binnen. In de gang waren de jongens bezig zich klaar te maken voor een fietstocht. —
"Waar hebben jullie mijn portemonnaie toch gelaten?" vroeg Piet; "ik weet zeker dat er nog drie maffies en een paar centen in zaten, en we moeten toch geld bij ons hebben!"
"Die zul je zelf wel ergens gelaten hebben!" antwoordde Eduard; "zeg, hebben jullie de zuurtjes soms gezien?"
"Ja, die heb ík soms gezien," zei Hugo, "de zak tenminste, die ligt binnen op den schoorsteenmantel, maar stop ze niet in je blouse of zoo, want dan kleeft het heele partijtje aan elkaar."
"'k Zal ze in mijn fietstaschje douwen," bedacht Eduard, "neem jij nog een jas of zoo iets mee?"
"Ja, 'k zal gek zijn," zei Hugo, stevig op 't zadel van zijn fiets drukkend om 't wat lager te zetten, "er is notabene geen wolkje aan de lucht!"
"Nou heb ik nog altijd m'n portemonnaie niet!" mopperde Piet.
"Daar kan ík toch niks aan doen!" merkte Eduard op, en Hugo adviseerde zijn broer om nu eens met zijn oogen inplaats van met zijn neus te kijken.
"Hij zal in den zak van je andere broek zitten!" zei Tante Lina, "ga boven maar eens kijken, en trek dan meteen je laarzen aan, met die oude fietsschoenen kun je niet uit, de lappen hangen er bij!"
"Nee dàt doe 'k niet," verklaarde Piet kwaad, "met laarzen kun je niet fietsen!"
Maar de Kapitein, die zwijgend had staan toekijken, was 't niet met zijn zoon eens. "Nonsens!" beweerde hij, "je doet het wél, dat eeuwige tegenspreken van jullie!"
"Ik heb ook geen tijd meer, we moeten weg," bromde Piet, maar zijn Vader viel hem in de rede: "Je hebt gehoord wat Mama gezegd heeft, he? En anders kun je thuis blijven! Alsjeblieft!" En mopperend ging Piet naar boven; 't was toch te mal om je doordat gezeur je heele prettige Woensdagmiddag te laten bederven!
"Nou, ik ben klaar!" zei Eduard, de fietspomp neerleggend, en hij draaide 't ventieldopje van 't achterwiel weer vast; toen bracht hij zijn fiets naar buiten. "Moeten jouw banden ook nog opgepompt, Huug?"
"Nou, een ietsje mogen ze nog wel hebben. Wil jij 't even doen, zeg? Dan kom ik ook dadelijk."
Tante Lina en Oom Tom waren weer naar de huiskamer gegaan, en Eduard begon de banden van Hugo's fiets op te pompen. Terwijl hij bezig was hoorde hij de andere jongens al aan komen rijden, hard tegen elkaar roepend en lachend; daar sprongen ze alle vier van hun fietsen af, en "komen jullie?" galmde 't door de gang.
"Ja, we zijn klaar!" riep Hugo terug, en haastig kwam hij aanhollen; even drukte hij zijn duim op de fietsbanden; "nou, ze zijn kei, hoor!" zei hij tegen Eduard, "'t is prachtig zoo!" en met zijn fiets de voordeur uitgaande: "Dag Pa, dag Ma!"
"Dag Oom, dag Tante!" riep Eduard.—
"Zeg, waar blijft dat lieve broertje van je?" vroeg Wouters aan Hugo.
"Nou, die zal direct wel arriveeren," antwoordde Hugo; "de liefheid kun je anders van me cadeau krijgen!" —
"Zoo Kernertje! Ga jij ook mee?" vroeg Tersteeg, en: "Ja, als jij 't goed vindt tenminste," lachte Eduard, die al op zijn fiets was gewipt en zich aan de lantaarnpaal vasthield om op de anderen te wachten.
"Nou, dat is maar zoo-zoo," zei Tersteeg met een ernstig gezicht, "dan mag je wel heel zoet zijn, hoor!"
"En doen wat jij zegt zeker!" voegde van Merlen er bij. "Laat je niet voor de gek houden, Kerner!"
"Zoo, is hij weer aan 't opsnijden?" vroeg Ronner, een speciale vriend van Hugo, en plagend trok hij Tersteeg aan zijn dasje.
"Toe, hou je klavieren thuis!" schreeuwde Tersteeg.
Met veel drukte kwam Piet het huis uitstormen; zijn fiets rammelde over de keien, en 't aan de anderen overlatend om de deur dicht te trekken sprong hij op, trapte met veel vaart het troepje bij de lantaarnpaal voorbij, en riep achteromkijkend: "Zie je wel, nou ben ik nog het eerste van allemaal! Wat zijn jullie toch vreeselijk aan 't teuten, zeg!"
Lachend kwamen de jongens hem achterna.
"Nou allemaal naast elkaar!" commandeerde Hugo, "en dan allemaal een hand op den schouder van je buurman!"
Ze vulden bijna de heele breedte van de straat, de zeven fietsen, en telkens keken de menschen, tot groot plezier van de jongens; en iedere keer sloot de rij zich weer aan als ze zich even hadden moeten verdeelen om een rijtuig of een auto door te laten.
"Zeg lui! Bij de Dooi gaan we chocola koopen!" riep Ronner.
Van die naam had Eduard nog nooit gehoord; "wat is dat voor een winkel?" vroeg hij.
"Weet je dát niet eens? Komt zeker omdat je nog niet op de Burger bent," zei van Merlen, "'t is die winkel aan 't eind van de straat, de Vries heet hij, maar we noemen hem altijd de Dooi, de meeste jongens weten geloof ik niet eens dat hij de Vries heet!" en tegen Ronner: "Fuif jij op chocola, zeg?"
"Zeker," antwoordde Ronner. —
"Vooruit lui, allemaal naar binnen," grinnikte Piet, van zijn fiets springend. Met veel gerammel werden de fietsen tegen den muur gezet, en Wouters gooide de winkeldeur open.
Met een beetje dringen konden ze er alle zeven in. "Haring in een ton!" smoesde Piet.
"Nee, sardientjes in een blikje!" proestte Tersteeg.
"Meneer de Dooi, hebt u nog chocola?" informeerde Ronner, over de toonbank hangend.
"Wilt u een tablet hebben?"
"Toe, schei uit," zei Ronner tegen Wouters, die hem tegen zijn arm stond te stompen, "he, wat zegt u? O ja, een tablet."
"Een tablet — wat een pret," dichtte Piet.
"'n Leuke zet," beweerde van Merlen, en proestend vervolgden de jongens:
"En zoo net!"
"Stop 'm onder je pet!"
"Dan wordt-ie vet!"
"Deze is van vijftien cent," zei de winkelier, de pakken chocola op de toonbank uitstallend en meteen zijn best doende de jongens alle zeven in het oog tehouden, "en deze van twintig cent, vijfentwintig cent, dertig cent ..."
"Hoeveel is die?" wees Ronner aan.
"Vijftien cent."
"Wat zegt u?"
"Vijftien cent."
"Da's drie keer," zei Hugo half hard.
Ze stonden allemaal met vuurroode gezichten te stikken, en Ronner vroeg, en hij moest twee keer opnieuw beginnen omdat hij niet verder kon van 't lachen: "Is dat erg gemeen goed?"
De winkelier werd kwaad. "De kwaliteit van de andere is natuurlijk beter," zei hij, "maar die van vijftien cent is ook heel goed."
"Nou, laten we dan die 'ook heel goede kwaliteit' maar nemen," vond Ronner, en hij haalde wat klein geld uit zijn broekzak en begon de vijftien centen op de toonbank uit te tellen.
"Wat heb ik een mooi kalotje op," grinnikte Piet, maar nu had "Meneer de Dooi" er genoeg van, en hij schold het heele partijtje de winkel uit; lachend stoven de jongens naar buiten, en even later trapten ze er weer lustig op los.
"Nou twee aan twee en de rest in troepjes!" schreeuwde Ronner, want de weg werd nu te smal om allemaal naast elkaar te rijden, en zelf gaf hij het voorbeeld door met Hugo vooraan te gaan. "En nou eens een beetje doortrappen, lui, anders komen we nooit bij 't kristallen paleis."
't "Kristallen paleis" was 't doel van de tocht, een open plek ergens in de bosschen, die door de jongens zoo gedoopt was; 't eenige bizondere dat je er zag was een vervallen hoop steenen, als treurig overblijfsel van het kristallen paleis, dat daar in vroeger eeuwen gestaan moest hebben. —
In koor de nieuwste straatdeun fluitend fietsten de jongens verder, langs villa's en groote tuinen en vijvers met overhangende boomen, en daartusschen weilanden met koeien, waarover de zon vroolijk scheen.
Eduard genoot; wat was 't ook een prachtige dag voor een fietstocht! Zoo heerlijk frisch en lekker was 't hier buiten, je voelde je zoo echt vrij, en 't hinderde toch ook eigenlijk niets dat de jongens allemaal ouder waren dan hij, ze waren toch wel leuk, en zulke geestige dingen konden ze zeggen, zooals straks bij de Dooi; 't was toch vreeselijk moppig om zoo met je allen uit te zijn, en dan straks de proviand opeten en spelen bij 't kristallen paleis ...
"Hoe is 't toch met 't hol van de Manahawaas?" vroeg van Merlen naast hem.
"O, best!" zei Eduard lachend, "maar we hebben er niet veel meer aan gedaan, de boel ligt er nog net zoo; we moeten 't op een andere keer maar eens vervolgen, he?"
"Nou, daar zal wel niet veel meer van komen," dacht van Merlen, "laten we liever een fietsclub oprichten, en dan geregeld tochtjes met elkaar maken, dat doen ze in de vierde ook."
"Ja, dat zou fijn zijn!" vond Eduard, en hij philosopheerde er over of ze 't goed zouden vinden dat Theo dan ook meeging; de volgende week zou Theo de beloofde fiets krijgen.
"Die vierde is zoo'n echte leuke klas!" vertelde van Merlen, en hij begon een verhaal te doen over de vierde-klassenaren, hoe die laatst mokkataartjes besteld hadden en ze op school hadden laten bezorgen met het adres: "aan de dames en heeren van de vierde klas." — "Nou was de mop dat ze 't laatste uur een leeraar hadden, die 'mokkataartje' genoemd wordt. Nou, tusschen de uren in bracht Laatsemaar 't zaakje binnen, en toen draaiden de jongens de klas van binnen af, en hielden uitdeeling; één taartje legden ze heel voorzichtig op een wit papiertje, en zoo zetten ze het op de tafel waaraan 'mokkataartje' zitten moest. Die had in die tusschentijd al aan de buitenkant tegen de deur staan trommelen, ze dachten tenminste dat 't 'mokkataartje' was, en een van de lui die 't dichtst bij de deur zat draaide de sleutel weer om en vloog toen als een haas in z'n bank. En daar komt me inplaats van 'mokkataartje', van Leeuwen binnen! Ze schrikten zich gewoon dood! 'Waarvoor was die deur op slot?' vroeg van Leeuwen woedend, maar natuurlijk kreeg hij geen antwoord; ze zaten allemaal met hun mond vol tanden of liever vol mokkataartje, want dat durfden ze van schrik niet eens door te slikken. En toen ging van Leeuwen naar de tafel toe, en daar zag hij dat taartje liggen;je hebt er gewoon geen flauw idee van hoe razend hij was! Hij zei niks, maar begon met de les, want 'mokkataartje' was ziek en daarom viel van Leeuwen zelf in, en om vier uur — toen barstte de bom los! Wel een half uur duurde 't, en 't grapje heeft ze nog een heele Woensdagmiddag gekost ook! Met z'n allen moesten ze terugkomen! Als jij 't volgend jaar op de Burger bent ..."
"Maar ik ga niet naar de Burger," viel Eduard hem in de rede, "ik ga naar 't gymnasium!"
"Da's wat anders," zei van Merlen; "enfin, daar kun je ook wel pret hebben, maar je hebt er nooit zulke groote klassen." —
"Links om!" klonk het commando, en netjes zwenkten de fietsen den hoek om, den duinweg in. Voor ze uit, op zij, zoo ver ze zien konden, overal zonnige duinen, en daarboven de effen, helderblauwe zomerlucht.
Eduard haalde diep adem; wat was 't een prettige, heerlijke dag! En over een week kwam Vader weer thuis, en dan werd alles nog veel plezieriger! Hij bedacht opeens dat hij nog niet naar Genua geschreven had; vanavond, als 't huiswerk af was, wilde hij 't dadelijk doen!
't Was hier hard werken voor de jongens, want aldoor steeg de weg, en ze moesten stevig trappen voor ze eindelijk boven waren. —
"Zeg lui, ik verga van den honger!" riep Tersteeg, "laten we nou eerst eens een stukkie eten!" En hijsprong van zijn fiets en veegde zijn voorhoofd af.
Met hun allen gingen ze op de bank zitten, Eduard met Piet en van Merlen op de leuning, en even bleven ze uitblazen; in de verte schitterde de zee, een smalle strook was hier te zien, en heel ver weg, op zij, waren de vuurtorens, twee kleine, nevelige staafjes.
Ronner verdeelde de chocola en Eduard gaf de zuurtjes door, en met hun allen hadden ze pret om een paar fietsrijders, die hijgend den weg optrapten die ze daarnet zelf gekomen waren.
"Die rekenen zeker ook op 't bankje hier," merkte Eduard op.
"Wie 't eerst komt, 't eerst maalt," lachte Wouters.
Hugo, die aldoor naar de fietsrijders gekeken had, herkende ze opeens. "Hou je gezicht," zei hij, "'t zijn de van Weels," en tegen Ronner: "laten we ze eens even vragen hoe ver zij met hun planten zijn, Ron!"
Eduard had zich van de bank laten glijden om zijn fiets eens even onderhanden te nemen. 't Ding had onderweg aldoor gerammeld, en nu wilde hij toch eens kijken waar dat aan lag. —
Zóó druk was hij er mee bezig, dat hij niet gemerkt had hoe Hugo en Ronner, druk pratend, met de jongens van Weel mee waren geloopen, het steile pad naar beneden, en hoe van Merlenover 't prikkeldraadwas geklommen om in de struiken naar een vogelnest te zoeken.
Dit alles drong pas tot hem door toen de drie anderen naar hem toe waren gekomen, en toen Wouters, nadat ze even naar Eduard hadden staan kijken, opeens zei: "Zeg Kerner, we gaan den heuvel af-fietsen, jij bent het eerst aan de beurt, we hebben er om geloot!"
Eduard keek op. "De heuvel af-fietsen?" vroeg hij, "dank je feestelijk, dat is me te gevaarlijk."
"Kom, probeer het maar eens," zei Piet, "wij doen 't ook!"
"Nou, gaan jullie dan maar eerst."
"Welnee, we hebben er eerlijk om geloot, jij bent het eerst aan de beurt," beweerde Tersteeg, en tegen de andere twee: "Zie je nou wel dat hij niet durft?"
"Ik durf best, maar ik doe 't niet," hield Eduard vol.
"Ja, dat snappen we," hoonde Wouters, en hij draaide zich om; "kom lui, dan zullen we met ons drieën wel overloten. He, die Kerner is nou toch ook zoo'n vervelende knul!"
Eduard keek ze na terwijl ze langzaam weer naar de bank toeslenterden. Was hij nou heusch zoo laf? En was er ook eigenlijk wel zoo veel aan te durven? Nou ja, de weg was steil, en hij had een freewheel, maar er zaten toch ook remmen aan z'n fiets, en hij kon 't minstens even goed als de anderen. Vooruit, hij zou ze dan wel eens laten zien dat hij wél durfde, en dat hij 't kón ook, en dat hij geen vervelende knul was!
En met een heel bleek gezicht, maar vastbesloten riep hij tegen de jongens bij de bank: "Houden jullie maar op met je geloot, ik zal 't doen!"
"O, hij bedenkt zich," zei Tersteeg, "nou, gauw dan maar, we zullen tot drie tellen, wie 't in den kortsten tijd doet krijgt een zuurtje." En Wouters haalde zijn horloge te voorschijn en telde hardop: "Een, twee, drie!"
En Eduard sprong op zijn fiets. Of hij 't won kon hem niet schelen, maar doén zóu hij het! Nu remmen, aldoor remmen, zooveel mogelijk! De rem van 't achterwiel werkte niet goed meer, maar die van 't voorwiel ging prachtig, en langzaam gleed de fiets naar beneden, den heuvel af.
Plotseling knapte er iets; Eduard schrikte er van, begreep niet dadelijk wat 't was, voelde alleen maar, dat hij de rem niet meer vast had .... met een vreeselijke vaart ging 't verder; aldoor vlugger — zoo stevig mogelijk klemde hij zijn handen om het stuur — vasthouden maar! Daar was de bocht — opeens zag Eduard niets meer, 't was of alles om hem heen begon te draaien — waar was de weg? Welke kant moest hij uit? Vaag drong nog een verward gegil tot hem door — een ontzettende schok volgde — toen niets meer.
"Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" zei een van de jongens.
Eduard opende zijn oogen even, maar dadelijk deed hij ze weer dicht — vlak voor zich had hij 't verschrikte gezicht van Piet gezien, en daarachter de andere jongens — wat was er gebeurd?
Hugo had zich over hem heen gebogen en probeerde voorzichtig hem op te tillen — Eduard schreeuwde 't opeens uit van pijn: "Mijn arm!" gilde hij.