XVIII.

image: 21_ongeluk.jpg

"Zoo schieten we niet op," zei Hugo, "hij kan wel ik weet niet wát gebroken hebben. Piet, wil jij niet eens even 't dorp infietsen en kijken of je ook ergens een dokter kunt vinden, en willen jullie 't een van allen thuis gaan vertellen? Maar niet zeggendat hij bijna dood is of zoo iets, zeg maar dat hij zijn voet verstuikt heeft bijvoorbeeld, daar zullen ze wel geen flauwte van krijgen!" En toen Ronner weg wilde rijden: "Nee Ron, blijf jij alsjeblieft hier, laat een van de anderen maar gaan!"

"Heusch Tante, u kunt best allemaal naar bed gaan!" zei Eduard; "er hoeft heusch niemand voor me op te blijven, ik ben alweer bijna beter en morgen kan ik wel weer opstaan ook!"

"Nu, dat zullen we morgenochtend wel eens zien," antwoordde Tante Lina glimlachend. "Maar als je dan met alle geweld alleen wilt blijven zal ik je een nachtlichtje brengen, dan is het hier in ieder geval niet zoo pikdonker als je soms wakker wordt."

"Och, maar dat is heelemaal niet noodig," vond Eduard, "ik slaap immers altijd in 't donker!"

"Ja, je bent nu wel een heele held," lachte Tante Lina, "maar dan zet ik toch op 't portaaltje een lichtje neer, hoor! En dan zullen we de deur half open laten, kijk, zoo! En als je dan iets noodig hebt moet je ze maar een van allen roepen, Edu; roep Hugo maar, die wordt altijd nogal gauw wakker!"

"Ik wou m'n horloge graag nog hebben," zei Eduard, en Tante Lina keek even rond en nam het van de tafel; "waar moet ik het laten?"

"Onder mijn kussen, en dan een glas water bij mij." Tante Lina zette het glas water op het nachttafeltje naast Eduards bed en schoof het horloge voorzichtig onder zijn kussen. Toen ging ze naar beneden. —

Oom Tom kwam ook nog even naar zijn neef kijken. "Hoe is 't met de patient?" vroeg hij.

"Goed Oom!" antwoordde Eduard dadelijk.

"Doet de arm geen pijn meer?"

"Nee, ik voel er nu bijna niks meer van!"

"Mooi zoo! Nu probeeren om gauw te gaan slapen, hoor! Je niet wakker laten houden door de wind!"

"Waait het zoo?" vroeg Eduard verbaasd; "'t was vanmiddag zulk prachtig weer!"

"Ja, maar na vieren is de wind erg opgestoken, je kunt het wel hooren als je even stil bent;" — Oom Tom zweeg even en Eduard luisterde.

"'t Stormt bijna, geloof ik," zei hij.

"Nou, zoo erg is 't niet," lachte Oom Tom, "'t lijkt meer dan 't is! Maak nu maar dat je gauw slaapt, dan wed ik dat je morgen weer een heele kerel bent!"

Maar Eduard sliep nog lang niet; 't was ook nog veel te roezig in zijn hoofd; zoo'n vreeselijke verwarring was 't opeens geweest, toen hij daar onder aan dien heuvel lag, met die afschuwelijke pijn in zijn arm, en de andere jongens er allemaal omheen met hun verschrikte gezichten — en 't duurde zoo akelig lang voordat Piet met een dokter terugkwam. — Maar eindelijk, eindelijk was de dokter toch gekomen, —o, hij had het uitgegild van pijn toen de dokter in zijn arm gevoeld had, — 't was vreeselijk geweest! "Gebroken," had de dokter gezegd, "moet dadelijk gezet worden!"

En later, toen hij werkelijk aan 't zetten toe was: "'t Zal wel een beetje pijn doen, maar niet schreeuwen, hoor!"

Verschrikkelijke pijn had 't gedaan, Eduard rilde nog als hij er aan dacht, en heel stijf had hij zijn tanden in zijn lippen gedrukt, en zonder dat hij 't wilde waren telkens groote tranen in zijn oogen gekomen; maar geschreeuwd had hij niet; zouden de andere jongens het dapper van hem vinden, dat hij niet geschreeuwd had? Och, maar ze hadden niet gevoeld hoeveel pijn het deed, en natuurlijk hadden ze gezien dat hij huilde! Maar Vader zou hem toch zeker wel flink gevonden hebben als Vader 't wist; hij had toch ook zijn best gedaan een moedige jongen te zijn. — Wat was dat ook weer? Wie had dat gezegd? Wanneer zou dat geweest zijn? Even was 't, of hij niet meer kon denken, — wat beteekende het dan toch? En in zijn gedachte herhaalde hij weer de woorden: "Zul je je best doen een moedige jongen te zijn?" — Nee, 't was niet "een", 't was iets anders, wát was 't? Eduard voelde weer tranen in zijn oogen komen, en nog eens probeerde hij te denken — och, wie kon hem dat nu toch zeggen, wie wist 't dan toch? Nee, hier wisten ze 't niet, hier wisten ze niks — Vader wist 't, Vader begreep zooietsaltijd dadelijk — Vader, wat was dat dan toch, van die moedige jongen?

Eduard deed zijn oogen dicht: ja, daar was Vaders gezicht, daar was hij ook weer in Vaders kamer, daar begon Vader te praten; — wat zei Vader? Nu goed luisteren — duidelijk zag hij Vaders lippen bewegen: "Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?"

Daar was 't! Nu wist hij 't weer: "Zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" — Heel, heel dikwijls was hij niet moedig geweest, maar dit zou hij dan toch aan Vader kunnen vertellen, dat hij niet geschreeuwd had toen zijn arm gezet werd; — dat was immers moedig? Wie had gezegd dat het moedig was? Daarnet zei iemand dat toch — o ja, de dokter had het gezegd, de dokter had het zélf verteld aan Tante Lina — "hij heeft zich ferm gehouden, nu hebben we het ergste gehad!" — 't Ergste was nu voorbij; o, een heerlijk gevoel was 't geweest, toen hij eindelijk hier in bed lag, toen hij heel stil, heel rustig kon blijven liggen; — 't had ook nog zoo vreeselijk lang geduurd voordat hij thuis was, die akelige lange rit in het rijtuig, waar maar geen eind aan kwam, met de dokter en Hugo, toen hij maar aldoor zijn oogen dicht gehouden had; en 't was zoo ongemakkelijk geweest! En toen die drukte hier in huis, ze waren allemaal zoo geschrikt, en ze hadden toch dadelijk gedacht dat 't erg was, al was van Merlen ook gaan zeggen dat 't niets beteekende.Eduard hoorde beneden een deur open en dicht gaan, toen volgde een zacht gestommel op de trap — er kwam iemand met licht naar boven — o, dat was 't nachtlichtje waarover Tante Lina al iets gezegd had — wie kwam 't nu brengen? Was 't Tante Lina zelf? Nee, zeker was 't Juf. — Eduard hoorde hoe 't nachtlichtje heel zacht op 't portaaltje werd neergezet — de juffrouw was straks ook zoo stil naar boven gekomen, toen de kleintjes naar bed gingen, en bij 't uitkleeden had hij ze ook bijna niet gehoord; anders maakten ze altijd zoo'n lawaai, maar zeker waren ze ook geschrikt. Wat zouden Lineke en Bep wel gezegd hebben, en de kleine jongens? Zouden Hugo en Piet nog niet naar bed gaan? O nee, 't was pas half negen ... nu niet meer denken, maar slapen; — waar dacht hij daarnet nu ook weer aan, voordat 't nachtlichtje daar stond — aan 't rijtuig — nee, dat was toch niet 't laatste — o ja, van Merlen die 't was gaan zeggen — van Merlen was een leuke jongen, hij was er ook niet bij geweest toen ze hadden gezegd van dat naar beneden rijden — "ik durf best, maar ik doe het niet" — o, had hij het ook maar niet gedaan, had hij maar volgehouden dat hij niet wilde, dát was moedig geweest, en dat hij gegaan was, was laf! Hij was heelemaal niet Vaders moedige jongen geweest — had hij toen hij op het punt was om naar beneden te rijden maar aan Vader gedacht, misschien had dat hem wel geholpen, misschien had hij 't dan wel niet gedaan! Of had het vanmorgennu maar dadelijk zoo gewaaid, dan waren ze heelemaal niet gaan fietsen, en dan was er ook niets gebeurd — nu woei het, heele vlagen waren 't, maar 't was nu te laat — waar zou de fiets gebleven zijn? Hadden de jongens hem vergeten? Zeker was hij heelemaal kapot; hij had er nog niet eens aan gedacht om 't te vragen — straks roepen tegen Hugo en Piet als ze boven kwamen. Nee, alleen Hugo roepen — als de fiets kapot was moest hij zoo gauw mogelijk gemaakt worden, — hij kon hem niet missen; — of ja, nu wel, hij kon nu toch niet rijden — hoe lang zou 't wel duren? Een dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes .... wat zes? — O ja, dagen, zes dagen — zou 't zes dagen duren? Wat? 't Maken van de fiets? Of 't in bed liggen? Wat zei de dokter? Hoeveel dagen? Zes dagen, zeven dagen, acht, negen, tien ....

Onrustig flikkerde 't nachtlichtje, telkens bijna uitwaaiend als een hevige windvlaag langs 't huis streek; hoe laat was 't nu? Waren Hugo en Piet al naar bed? — Eduard luisterde — stil, akelig stil was het in 't heele huis — had hij lang geslapen? 't Kon best midden in den nacht zijn; buiten joeg de wind door de boomen en langs de muren — 't was nu nog veel erger dan straks, zeker had hij toch nogal lang geslapen — sloeg er nu maar eens een klok! En zijn lippen waren zoo akelig droog — o, maar 't glas water stond naast hem; — even probeerdeEduard zich op te richten, maar dadelijk zakte hij weer in 't kussen terug — 't deed pijn; was 't hier maar niet zoo donker, dan kon je tenminste op je horloge kijken — 't nachtlichtje op 't portaaltje gaf haast niets; en hij had zoo'n dorst! Toch nog eens probeeren om te drinken — voorzichtig haalde hij 't glas naar zich toe; nu ging 't beter — he, dat was wel heerlijk frisch, maar iedere beweging deed pijn — nu verder stil blijven liggen. —

Weer loeide een windvlaag langs 't raam, en weer flikkerde 't lichtje. Nu stormde 't dan toch wel —zoo angstig hard was 't aldoor — en wat zou 't op zee vreeselijk weer zijn! Eens was hij op een stormachtigen dag aan 't strand geweest met Vader; hooge golven met groote witte schuimkoppen, en daarboven die heel donkere, zwarte lucht — maar dat was nog overdag geweest, nu was 't midden in den nacht, nu was 't heelemaal pikdonker, niets zou je zien, alleen zou je 't hooren, 't slaan van de golven en 't geloei van den wind — en midden op zee was Vader, heel ver weg was 't schip nog, midden in den storm — zou Vader ook de golven tegen 't schip hooren slaan en zou Vader ook 't gieren van den wind hooren? Zou Vader ook wakker zijn, en nu, op 't oogenblik, aan hem denken? Zeker zou Vader denken dat hij kalm sliep, en Vader zou zelfs heelemaal niet vermoeden hoe hij hier wakker lag, met een gebroken arm! Wat zou Vader 't akelig vinden als Vader weer thuis kwam — natuurlijk zouVader denken dat hij zijn jongen al aan 't station zou vinden; — maar Vader zou hem niet zien, en dan zou Vader hier komen en hooren dat hij ziek was, en dan zou Vader dadelijk naar boven gaan — wat kráákte daar op de tráp? —

Nee, 't was niets. —

Dat was zijn straf, dat Vader hem zóó zou moeten vinden, met zijn gebroken arm, en 't was allemaal zijn eigen schuld — dat had de dokter ook nog gezegd: "Eigen schuld natuurlijk, dat malle woeste rijden ook, en dan zoo'n gevaarlijke helling! 't Is nog wonder dat het zoo is afgeloopen!" — O, hij had best dood kunnen zijn; — wat zouden ze hier dan wel gezegd hebben, als hij eens echt dood was? Zou 't ze veel kunnen schelen? Een heel klein beetje misschien? — Och, ze zouden 't morgen alweer vergeten zijn — alleen Vader niet, arme Vader! Heel ver weg, midden op zee, was Vader —

"Vader," snikte Eduard zacht en groote tranen druppelden langs zijn wangen op 't kussen, "Vader, ik voel me zoo eenzaam! Vader!"

Maar niemand hoorde hem. —

O, hij kon Vader niet missen, evenmin als Vader hem, waarom was Vader toch weggegaan? — En als Vader nu terug kwam vond hij zijn jongen met een gebroken arm — en dat was zijn eigen schuld, zijn eigen onvoorzichtigheid; — hoe had Vader 't ook weer gezegd toen Vader wegging: "Pepi, zul je maken dat ik een vroolijke, gezonde jongen terugvind?" En toch was hij niet voorzichtig geweest, en als hij nu dood was .... "Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" — dat had een van de jongens gezegd, maar 't was net of hij 't Linekes stem hoorde herhalen — hoe kon dat nu? Zijn nichtje was er toch niet bij geweest? Waar kwam Lineke nu opeens vandaan? Lineke had er niets mee te maken, en Bep ook niet — "Nee, hij is niet dood" — wie was niet dood? — Nee, hij was zelf niet dood, als je dood was kon je je niet meer bewegen, dan was je koud en stijf, zooals — zooals 't kleine vogeltje — daar was 't, 't kleine vogeltje, dat ze in het bosch gevonden hadden, dat hij voorzichtig opgenomen had — "nee, 't is niet dood," zei Lineke, "kijk maar, 't beweegt zijn pootje ...." Dat was het! — Arm klein vogeltje, 't was toch gestorven, ver van zijn warme nestje, alleen ... En zonder ophouden gleden Eduards tranen in 't kussen — "Vader, Vader, kom toch gauw!"

Daar was de zee; aldoor loeide de storm, en donkere, zwarte wolken hingen over de met witte schuimkoppen bedekte golven. — Eduard rilde; — had hij toch maar een jas meegenomen, hij had 't nog tegen Hugo gezegd, maar Hugo vond 't immers niet noodig. — Daar was 't schip, duidelijk zag hij het in de verte, 't schip waarmee Vader thuis kwam, en daar stond Vader ook en wuifde — "Vader!" riepEduard, en de menschen om hem heen keken hem met malle, verbaasde gezichten aan — maar 't schip kwam niet verder, aldoor bleef 't maar even ver weg; weer zoo'n hooge golf — waar was 't schip nu? Weg was 't — overal de donkere zee met de witte schuimkoppen — Vader — o, waarom zochten ze Vader nou niet? Was Vader dood? Vader! Vader! En nog aldoor keek Eduard naar de woeste zee daar voor hem .... ineens, daar was 't schip weer, nu heel dicht bij, heel duidelijk kon hij Vader zien staan, en weer zag hij Vader wuiven en hij zag Vaders lippen bewegen — wat zei Vader? Och, kon hij 't nu maar verstaan, wat was 't dan toch? Weer opende Vader zijn mond: "Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" ... Weg was alles weer, niets was meer te zien van Vader, van het schip, alleen de donkere, zwarte zee — "Vader, Vader!" riep Eduard wanhopig, en nog eens: "Vader!" —

Eduard schrikte wakker; 't was nu heelemaal donker in 't kleine kamertje, want 't nachtlichtje op 't portaal was uitgewaaid — wat was er ook weer voor akeligs gebeurd? Zijn arm was gebroken, maar wat nog meer? Of had hij gedroomd? Wat stormde 't buiten! Ja, dat was 't, en wat nog meer? Buiten — op zee — het schip — Vader .... Eduard was er weer; zoo akelig duidelijk was 't geweest, — o, als 't eens echt waar was, als 't schip eens echt vergaan was — met groote, angstige oogen keek Eduard inde donkere, zwarte ruimte, en opeens was 't alsof hij hier niet in zijn kleine kamertje lag maar in een heel groote, wijde, hooge zaal waarvan de muren oneindig ver weg waren — en Eduard voelde plotseling een rilling door zich heen gaan, alsof er iets heel griezeligs was — wat bewoog daar in de verte, wat ging daar door de kamer heen — wat was dat? Eduard kneep zijn oogen stijf dicht om 't maar niet meer te zien — wat was dat nu weer? Allemaal groene en roode figuren die heen en weer bleven zweven, eerst heel langzaam, toen vlugger, aldoor vlugger — daar ging 't weer door de kamer ....

"Hugo!" riep Eduard, en hij schrikte van zijn eigen stem, vreemd klonk 't door 't stille huis — maar niemand antwoordde ....

Ingespannen bleef Eduard luisteren: zeker had hij niet hard genoeg geroepen, want alles bleef stil — alleen een zacht, zagend geluid drong tot hem door; hoe kwam dat nu weer? — Ineens vond hij de oplossing van 't raadselachtige gezaag — 't was 't snurken van Piet, dat was altijd zoo hard en de muur tusschen de kamers in was niet heel dik. —

Hoe kwam 't nu opeens weer dat hij met zijn hoofd aan 't voeteneind lag? Hij had zich toch niet omgedraaid? Wat was alles toch raar vannacht! Waar was de muur nu? Nee, daar niet — voorzichtig voelend stak Eduard zijn hand uit — daar? Maar dat was de verkeerde kant — o, wacht, dan lag hij toch goed, dan was 't maar verbeelding geweest daarnet ...Nu aan iets anders denken; wat had hij vanavond ook weer willen doen? O ja, een brief aan Vader schrijven — dat had hij nu nog niet eens gedaan, en morgen moest de brief uiterlijk weg.

Er moest toch een brief naar Vader toe, hij wilde Vader toch vertellen dat hij zijn arm gebroken had, en dan vragen of Vader zoo gauw mogelijk thuis kwam — en Beppie zou 't schrijven, ze kon alleen maar drukletters maken, maar dan zou hij wel voorzeggen wat ze zetten moest — aan de anderen wilde hij 't toch niet vragen. —

Nu bedenken wat hij schrijven zou ....

"Eindelijk wakker? Wel, je hebt een gat in den dag geslapen!" zei Tante Lina, de gordijnen openschuivend, "weet je wel dat het al kwart over negen is?"

Eduard wreef met zijn hand in zijn oogen. "Zoo laat al?" vroeg hij verbaasd.

"Ja, zoo laat al!" lachte Tante Lina, "je hebt het er zeker maar eens van genomen, he? Ik ben vannacht ook nog eens naar je komen kijken, om een uur of twee, maar je sliep zoo lekker!"

Eduard gaf geen antwoord; om twee uur was hij dan zeker juist niet wakker geweest. — En stil bleef hij er naar liggen kijken hoe Tante Lina aan 't opruimen ging en water in de kom schonk.

"Nu zal ik de invalide eerst eens helpen metwasschen," praatte ze verder, "en dan zal ik je ontbijt boven sturen."

Over opstaan zei Tante Lina niets, en Eduard begon er ook niet over. Hij had er nu heelemaal geen zin meer in, hij had hoofdpijn, en verder voelde hij zich ook nog niks lekker. —

Piet kwam de boterhammen en 't glas melk boven brengen. "Wil ik je soms helpen met eten?" vroeg hij.

"Nee dank je, ik kan 't best alleen, hoor!" zei Eduard, maar pas toen Piet al lang weer beneden was stak hij den eersten hap in zijn mond. Een halve boterham at hij op, toen had hij er genoeg van; die gelei smaakte ook al zoo vervelend.

Eduard was blij toen Bep een poosje later boven kwam. "Hoe is 't met je, Eetje?" vroeg ze, en met groote oogen keek ze naar 't witte verband om den gebroken arm.

"Goed," antwoordde Eduard, "vind je niet dat mijn arm er mooi uitziet zoo?"

Bep knikte, en keek aandachtig de kamer rond. "Je hebt je boterhammen niet opgegeten!" zei ze toen.

"Ik heb geen trek meer."

"En heb je geen dorst ook?"

"Ja, dorst wel, geef me 't glas maar."

Voorzichtig, zonder morsen, gaf Beppie 't glas melk aan en haastig dronk Eduard 't leeg. "Wil je wat voor me doen, Bep?" vroeg hij toen, zijn mond aan zijn mouw afvegend.

"Ja, wat dan?"

"Een brief schrijven."

"Maar ik kan niet schrijven!"

"Da's niks, je kunt de letters toch wel maken, en dan zal ik 't je verder wel voorzeggen."

image: 22_brief.jpg

"Goed," zei Beppie, en Eduard wees haar waar ze papier en een potlood vandaan moest halen; toen sjouwde ze een paar voetkussens aan en ging op den rand van 't bed zitten. "Wat moet ik nu schrijven?" vroeg ze.

En Eduard dicteerde. "Lieve Vader! Een l, Bep,nu een i, e, v, e; nu een nieuw woord, Bep, v .... en zoo ging 't langzaam verder: Lieve Vader, ik heb mijn arm gebroken, ik ben gevallen, Bep schrijft ....

"Er kan niet meer op," zei Beppie, "kijk maar, 't papier is heelemaal vol!"

Even lachte Eduard om de groote, scheeve drukletters. "Geef mij nu 't papier nog even," zei hij, "dan zal ik er zelf mijn naam onder zetten." En in een hoekje krabbelde hij, onduidelijk, "Pepi."

"Wat staat daar?" vroeg Bep, 't papier nog eens nieuwsgierig bekijkend.

"Niks," antwoordde Eduard, en even kreeg hij een kleur, "niks bizonders tenminste." En toen liet hij Bep de brief in 't couvert stoppen en dichtplakken. "Neem hem nu maar mee naar beneden en vraag of Oom Vaders adres er opschrijft," zei hij.

Stil lag Eduard voor zich uit te kijken.

't Raam stond open, en een zachte, warme zomerlucht kwam naar binnen.

't Was nu al bijna een week geleden, dat hij zijn arm gebroken had, en nog altijd lag hij hier in bed, en 't werd zoo vreeselijk vervelend! Och, ze kwamen allemaal wel dikwijls boven om even een praatje te maken, maar 't grootste deel van den dag waren ze naar school — eergisteren niet, toen was 't Zondag, en toen had hij bijna aldoor gezelschap gehad, maar gisteren was 't zoo echt vervelend geweest, en vandaag begon 't alweer net zoo — na 't ontbijt waren Bep en Broertje nog even bij hem geweest, maar al gauw was Juf ze komen halen om met ze te gaan wandelen nu 't zulk mooi weer was, en daarna had hij niemand meer boven gezien — hij mocht wel lezen, en naast hem op 't tafeltje lag ook wel een boek, maar 't ging zoo lastig, met dien eenen arm, en hij gaf ook nooit zoo heel veel om lezen — en nog altijd wasVader niet thuis — al van Zondag af had hij 't gedacht: misschien is de boot wel heel vroeg, misschien komt Vader vandaag wel — maar Vader was niet gekomen —

Daar werd beneden gescheld; 't klingelde door 't heele huis; misschien was het Vader — och nee, er werd 's morgens immers altijd zoo dikwijls gebeld, de slager, en de groenteboer — maar misschien was het de dokter wel, die zou vandaag nu toch zeker wel weer eens komen! En misschien vertelde de dokter dan wel dat hij op mocht staan! 't Was niet om zijn arm, dat hij nog in bed moest blijven, maar de dokter had gezegd dat er van opstaan nog geen sprake kon zijn zoolang de koorts niet heelemaal wegbleef — en gisteren had hij bijna geen koorts gehad.

Nee, 't was de dokter niet, anders was hij nu al lang boven geweest. — En Vader was 't ook niet, die zou ook wel dadelijk bij hem gekomen zijn! — Maar Vader kwam nu toch gauw thuis, ieder oogenblik kon Vader thuiskomen, 't was de derde Juni vandaag, en de vier maanden waren om. Waren ze nu eigenlijk gauw omgegaan of niet? Eduard wist 't niet. Soms was 't hem wel eens meegevallen, dat er al zeven, of acht, of negen weken voorbij waren, maar meestal toch had het akelig, vreeselijk akelig lang geduurd. — 't Was immers ook nog midden in den winter toen Vader wegging, en nu was 't heelemaal zomer, 't was warm en de zon scheenen de boomen zagen er zoo prachtig groen uit! — Hoe laat was 't nu? Eduard haalde zijn horloge onder 't kussen vandaan; tien minuten voor twaalf; nee, dan kwam de dokter niet meer vanmorgen, de anderen zouden wel haast uit school komen, Lineke en Tommy en Hugo en Piet. — Even dacht Eduard er aan hoe 't op school altijd was, als om twaalf uur de bel ging; de drukte in de klas, 't geschreeuw en 't gestamp in de vestibule, 't harde gehol van de jongens om maar zoo gauw mogelijk weg te komen, — en dan 't vervelende gevoel als je school moest blijven en je alleen in die leege, stille klas zat; met je tweeën was 't lang zoo erg niet, dan had je nog wel eens pret, maar in je eentje was 't echt lam, en dan begon die vervelende Snijders altijd te zaniken over dat malle toelatingsexamen. —

Natuurlijk zou hij nu wel weer een heeleboel achter raken bij de andere jongens. Wie weet hoe lang 't nog wel duurde voor hij weer naar school mocht, en als hij nu weer terug kwam zouden de sommen zeker nog wel weer slechter gaan dan vroeger. — Maar dan was Vader ook weer terug, en dan zou Vader hem wel helpen, als hij nu eerst maar aan Vader verteld had hoe ellendig 't rekenen tegenwoordig ging en van die slechte cijfers! — Eduard duwde de deken een eind van zich af; hij had 't zoo verschrikkelijk warm!

Daar werd weer gebeld. Was Vader daar? Eduard luisterde, bang om zich te bewegen en een van degeluiden beneden te missen. "Dag Maatje!" ving hij op; 't waren Bep en Broertje, met de juffrouw, en even later drongen ook Tommy's bekende hooge kreten met de lange uithalen tot hem door. — Waarom kwamen ze nu toch niet een van allen boven? Niemand dacht er aan dat hij hier alleen lag, en dat hij al de heele morgen alleen geweest was; allemaal hadden ze hem vergeten! —

Daar kwam opeens iemand aan; haastige voetstappen wipten de trap op, met een flinken zwaai werd de deur opengegooid en Lineke stapte binnen, een groote tak jasmijn in haar hand. "Is hij niet prachtig?" riep ze, "bijna alle bloemetjes er van zijn uit!" en toen ging ze naast Eduards bed staan en hield den witten tak vlak bij zijn gezicht.

"Ja, erg mooi!" bewonderde Eduard, voorzichtig een bloempje vasthoudend om 't goed te bekijken, "en wat ruiken ze lekker!"

"Ik zal ze hier bij je zetten," zei Lineke, "dan heb je er den heelen middag plezier van!" en toen haalde ze de karaf van de waschtafel om den tak daarin te steken; een glas was niet groot genoeg.

Met een groot blad met boterhammen kwam Tommy naar boven geschuifeld.

"Ik kom bij je koffiedrinken!" verklaarde hij; "vind je dat niet vreeselijk prettig? En Juf zal straks de glazen melk brengen!"

"Natuurlijk vindt hij het prettig!" lachte Lineke, de kamer uitgaande.

image: 23_jasmijn.jpg

Tommy's gezelschap was heel vermakelijk. Hij deed verhalen over gevechten, waarin hij jongens, die minstens tweemaal zoo groot als hij waren, glansrijk verslagen had; over slooten, waar hij over gesprongen was, en die zoowat even breed waren als de lengte van Eduards bed ..."

"Zoo breed als de lengte van mijn bed?" herhaalde Eduard.

"Ja, zooiets," zei Tommy, "of misschien een klein beetje minder!" —

"Wil je eens uit het raam kijken wie er gescheld heeft?" vroeg Eduard, die bij iedere bel ongeduldiger werd.

Tommy stak zijn hoofd naar buiten. "'t Is die jongen van Meertens!" zei hij, "en Keetje heeft hem binnengelaten."

"O, leuk! laat hij gauw boven komen!" riep Eduard, "vraag aan Tante of hij nu alsjeblieft eindelijk eens bij mij mag, anders is hij weg, en ik moet hem noodig wat vragen ook!"

Zijn haast maakte indruk op Tommy, en de kleine jongen holde naar beneden.

Dat "noodig" had er wel af kunnen blijven, bedacht Eduard, maar 't was ook zoo leuk om eens over school en zoo te praten, en tot nu toe waren Theo en Meertens en van Merlen, die ook eens was komen vragen of hij bij hem mocht, allemaal weggestuurd, omdat er geen bezoek mocht komen zoolang hij nog koorts had. Maar nu zou 't toch zeker wel mogen, hij was immers bijna beter! —

Een luidruchtig gestomp tegen de deur volgde; "Binnen!" bromde Eduard met een lage stem, en Meertens kwam de kamer in.

"Zoo Kerner, leef je nog?" vroeg hij.

"Zooals je ziet!" zei Eduard, en op den stoel bij 't voeteneind van zijn bed wijzend, "ga zitten!"

Meertens liet zich op den stoel neervallen. "Wanneer sta je weer op?" informeerde hij.

"Zoodra 'k van die vervelende knul van 'n dokter m'n bed uit mag!"

"Da's nogal logisch!" lachte Meertens, "'t in bed liggen schijnt je maar matig te bevallen!"

"'t Hangt me al lang meters ver de keel uit!" mopperde Eduard; "hoe is 't op school?"

"Nou, sloom natuurlijk! Je boft dat je er niet bent; Snijders doet niks als ons benauwd maken voor dat halve gare toelatingsexamen en geeft hoopen huiswerk!"

"Prettig!"

"Ja, dat snap je!" zei Meertens, de kamer rondkijkend. — "Je Tante wou me eerst niet naar boven laten gaan, maar toen kwam dat kleine jong met die boodschap van je beneden en toen mocht ik, even, zei ze. Wat had je voor interessants te vragen?"

"Ik? Nou, niks, ik wou eens wat anders hooren, je moet niet denken dat ik hier voor m'n plezier den heelen dag in m'n eentje lig!"

"Nou, 't is een taaie boel op school," herhaalde Meertens, "en ik kan niks doen of Snijders ziet 't nou jij niet voor me zit!"

"En wat zegt hij dan van het toelatingsexamen?"

"Nou, dat we er niet komen natuurlijk, we zijn lui, en dom, en nog een heeleboel meer."

Even schrikte Eduard. Als mijnheer Snijders dat tegen álle jongens zei, wat moest hij dan wel tegen hém zeggen! Hij was in den laatsten tijd tóch bepaald al een van de minsten, en dan nog die weken dat hij ziek was er bij —

"Zeg Meertens!"

"Nou?"

"Jij gaat naar de H. B. S. he?"

"Ja, naar de Hengelende Biggen Societeit," zei Meertens.

"Denk je dat je er komt?"

"Nou, dat hoop ik wel," zei Meertens, "'k zou 't nogal lam vinden als ik zakte."

"Ik ga naar 't gymnasium." Eduard zweeg even. —"Denk je dat ik er door kom?"

Meertens haalde zijn schouders op. "Hoe weet ik dat nou?" antwoordde hij, "als 't aan mij lag wel!"

"Nou ja, doe nou niet flauw, geloof je dat ik zakken zal?"

"Ik zeg immers al dat ik 't niet weet!" herhaalde Meertens, "je kunt soms wel nogal uilig doen tegenwoordig, maar misschien bof je bij 't examen wel!"

"Da's opwekkend!" zei Eduard half lachend, en "nou, daar kan ik toch niks aan doen!" beweerde Meertens, en toen begon hij een verhaal te doen over Groeneveld, die 't bord schoon had moeten maken,en er zoo hard tegen gebonkt had dat 't op den grond geduikeld was. "Nou, Snijders tippelde er natuurlijk dadelijk naar toe," vertelde hij, "en opspelen dat hij deed! 't Was om je een bult te lachen!"

Eduard had dolle pret om 't verhaal en probeerde dadelijk 'n gezicht te trekken zooals Groeneveld gezet moest hebben. Die kon zoo echt onnoozel kijken. —

"Nou, zeg, 'k smeer 'm," zei Meertens eindelijk, en zich uitrekkend: "eerste uur misselijke aardrijkskunde!"

"Dat vind ik juist altijd nogal moppig," antwoordde Eduard.

"'k Geef 't je cadeau!" bood Meertens aan; "kom, ik ga weer eens naar school kuieren," en Eduard een klap op zijn uitgestoken hand gevend: "ik kom nog wel eens!"

"Da's goed," zei Eduard, en toen Meertens al bij de deur was: "Doe je 't heusch?"

"Ja zeker."

Op de trap hoorde Eduard hem nog roepen: "Beterschap!"

"Dank je!" riep Eduard terug. —

Eduard ging met zijn gezicht naar den muur liggen en deed zijn oogen dicht.

"Misschien bof je wel!" had Meertens gezegd, en zeker had hij dus ook niet gedacht dat Eduards kans om er door te komen heel groot was; o, 't zou vreeselijk zijn als hij zakte, misschien zou mijnheer van Eerde wel vinden dat hij heelemaal geen examenmocht doen, en wat zou Vader dan wel zeggen! Had hij maar aan Meertens gevraagd om zijn boeken mee te brengen! — Was hij nu heusch zoo vreeselijk stom? Was hij nu heusch zooveel dommer dan de andere jongens? En opeens was 't weer of hij mijnheer Snijders hoorde zeggen: "'t Is niets dan luiheid, je kunt best als je maar wilt!" — Ja, lui, dat was hij geweest! Nooit had hij zijn werk goed afgemaakt in de laatste vier maanden, en iederen morgen was hij naar school gegaan met halfgeleerde lessen — en de taak, die mijnheer Snijders hem voor de Paaschvacantie gegeven had, was ook al niet afgeweest, en het gedeelte, dat hij wél gemaakt had, zag er slordig uit, en was vol fouten — en dat moest hij nu allemaal aan Vader vertellen; — wat zou Vader wel zeggen!

Piet kwam nog even boven voor hij naar school ging. Eduard keek om toen hij de deur hoorde opengaan, maar dadelijk draaide hij zijn gezicht weer naar den muur.

"Wat mankeer jij?" vroeg Piet verbaasd.

"Niks," antwoordde Eduard onverschillig.

"Da's niet veel!" — en toen Eduard niets zei: "Nou, je kunt toch wel antwoord geven!"

"Je vraagt me niks," zei Eduard met zijn oogen dicht, en Piet, die zoo'n conversatie ál te gezellig vond, liep fluitend naar beneden. —

Eduard hoorde hem de voordeur achter zich dichttrekken. —

Nee, 't kon hem nu allemaal niks meer schelen, alles was ook even lam, dat lange in bed liggen hier, en dat ellendige examen, en Vader kwam maar niet thuis ... En stil bleef hij liggen soezen, uit verveling de streepjes in 't behang tellend, en dan deed hij zijn oogen weer dicht omdat ze zoo moe werden van het kijken naar die warrelende figuurtjes. —

Opeens schrikte hij weer op. Daar werd gebeld! 't Was niet heel hard, maar toch had hij het duidelijk gehoord — zou Vader daar zijn?

En weer bleef hij luisteren, half overeind, aldoor naar de deur kijkend — wat duurde 't weer lang! Daar kwam iemand naar boven, — nee, met hun tweeën kwamen ze naar boven, Eduard kon het hooren aan de voetstappen, en ook hoorde hij ze praten — een lage mannenstem — Vader! — Wat liepen ze langzaam! Nu antwoordde Tante Lina, — vervelend dat die nu mee naar boven kwam, ze kon toch wel begrijpen — wild bonsde het in Eduards hoofd en een schok ging door hem heen toen de deurknop werd omgedraaid —

De dokter kwam binnen, en Tante Lina volgde hem en sloot de deur weer. Met groote oogen keek Eduard de dokter aan, toen liet hij zich weer achterover in het kussen vallen. —

Nog altijd was Vader er niet!

"Hoe is 't met onzen held?" vroeg de dokter vroolijk, maar Eduard kon er niets aan doen dat zijn liptrilde bij het "Goed dokter," en dat er tranen in zijn oogen kwamen. De dokter zag het wel, maar hij zei niets en begon naar het verband te kijken, alleen toen Tante Lina even later naar beneden gegaan was om nieuw linnen te halen keek hij Eduard aan en vroeg vriendelijk: "Wat scheelt mijn patientje?"

"'t Duurt allemaal zoo vreeselijk lang!" snikte Eduard opeens, maar de dokter liet hem niet verder praten: "Niet huilen, niet huilen!" zei hij, "kom, je moet je dapper houden, tot nu toe ben je aldoor zoo'n flinke jongen geweest! — Kijk, ik had je juist willen vertellen dat je morgen eens mocht probeeren om op te staan, heb je daar zin in?"

Eduard knikte, en de dokter vervolgde: "Je moet niet zoo ongeduldig worden, me dunkt dat we al weer een heel eind op streek zijn! Je ligt hier bijna als een prins, de zomerlucht komt zoo lekker naar binnen! Je hebt het heusch heel wat beter dan de meeste van mijn patienten, geloof dat maar!" en tegen Tante Lina, die weer binnengekomen was: "Is die prachtige jasmijn uit uw tuin, Mevrouw? Wat 'n mooie groote bloemen!" —

"U mag wel een takje van de jasmijn hebben voor uw knoopsgat!" zei Eduard, toen de dokter wegging, en hij keek er naar hoe Tante Lina een schaar nam en een klein takje afknipte. — Hij mocht het zelf in 't knoopsgat steken, 't ging wel een beetje lastig met één hand, maar 't ging toch.

"Dus morgen mag hij eens probeeren op te staan!"zei de dokter nog eens, en weer bleef Eduard alleen, en weer hoorde hij Tante Lina en de dokter praten op de trap.

Hoe dom ook om daarnet te denken dat Vader naar boven kwam; Vaders stem leek immers niets op de stem van den dokter! Och, maar wanneer zou Vader nu toch ook eindelijk komen! — Met een zucht draaide Eduard zich weer naar den muur toe. Maar weer figuurtjes tellen, misschien viel hij dan wel in slaap, daarnet sliep hij ook bijna toen die dokter opeens kwam ....

Hoe Iaat was 't nu? Eduard keek op zijn horloge; 'n minuut of zeven voor vier; een uur zoowat had hij geslapen. Nu kwamen straks de anderen weer uit school, en dan gingen ze zeker in den tuin spelen of misschien kwamen ze ook wel boven, maar 't kon Eduard niks schelen, ze mochten weg blijven ook, hij had nou toch geen zin om naar die vervelende verhalen van ze te luisteren. —

Daar kwam er al weer eentje naar boven, nou kreeg hij zeker weer zoo'n glas melk met een ei, akelig flauw goed; dan was 't altijd maar 't best om je slapend te houden; als je wakker was moest je 't nog dadelijk opdrinken ook!

Eduard maakte zich gereed om Tante Lina, of de juffrouw, of wie er anders komen mocht, slapend op te wachten, en weer kneep hij zijn oogen dicht.

De voetstappen kwamen dichter bij, Eduard hoordehoe de knop van de deur omgedraaid werd en hoe er iemand naar 't bed toekwam — nou, wat bleven ze nou staan zaniken, waarom zetten ze nou dat glas niet neer, dan konden ze immers weer verdwijnen! Maar er werd niets neergezet, en opeens voelde Eduard hoe een hand op zijn voorhoofd gelegd werd. —

"Vader!" riep Eduard, nu met wijd-open oogen, en daar zat hij al overeind en stak zijn hand naar Vader uit — en daar zat Vader ook al op de rand van 't bed, en Eduard legde zijn arm om Vaders hals en zoende Vader, en nog eens, en nog eens, en nog eens weer. —

"Eddy!" zei Vader zacht, en even de verbonden arm aanrakend: "Stoute jongen, wat heb je gedaan? Wat heb je je oude Vader aan 't schrikken gemaakt!"

Maar Eduard gaf geen antwoord, en aldoor bleef hij maar naar Vader kijken, als kon hij nog maar half gelooven dat Vader er werkelijk was.

"U bent het toch wel heusch?" vroeg hij eindelijk, "ik droom toch niet dat u er bent, he Vader?"

"Nee, nee, je droomt niet," antwoordde zijn Vader, "ik ben 't echt!" — en Eduard zuchtte, zacht over Vaders hand strijkend: "ik ben zoo vreeselijk, zoo vreeselijk blij dat u weer thuis bent!"

"Ja, ik ben ook vrééselijk blij!" lachte Vader, en toen nam hij Eduards hoofd tusschen zijn handen en ernstig keek hij zijn jongen aan. "Hoe is 't er mee?" vroeg hij.

"Goed Vader!" zei Eduard zacht.

"Hier is 't rapport, Vader!" zei Eduard, en hij gooide zijn pet op een stoel en liep naar Vader toe, die voor 't raam stond en naar buiten keek.

Gisterenavond waren ze eindelijk weer thuisgekomen, in hun eigen, gezellige huis, dat door Rika netjes schoongemaakt en gelucht was. Nog ruim een week waren ze bij Tante Lina gebleven, want zoo lang Eduard toch nog niet naar school mocht had zijn Vader 't niet prettig gevonden hem den heelen dag alleen te laten. "Oom blijft ook hier tot Eetje weer beter is!" had Beppie dadelijk gezegd, en Tante Lina had nog denzelfden avond de bedden laten veranderen. — 't Was toch aardig van Tante Lina geweest om de kamer van de groote jongens dadelijk voor Vader en hem in te richten; Hugo had nu op 't logeerkamertje moeten slapen, en voor Piet was een bed in de badkamer gezet, en Vader zelf had Eduard naar Hugo's bed overgedragen.

En verder was 't beter worden erg gauw gegaan; wel hing zijn arm nog in een doek, en dat zou ooknog wel een week of wat duren, had de dokter gezegd, en ook zag hij nog wat bleek en mager, maar toch was hij vanmorgen weer voor 't eerst naar school geweest.

"Vraag nu of je 't rapport dat je voor de Paasch-vacantie gekregen hebt nog eens mee mag nemen," had Vader gezegd, toen Eduard om kwart voor negen klaar stond om naar school te gaan; "toen je 't kreeg was 't te laat om de cijfers nog te schrijven, weet je wel, en ik wou het toch graag zien."

En Eduard had het rapport meegebracht; 't was wel geen prettige boodschap geweest het aan mijnheer van Eerde te gaan vragen, want hij wist vooruit al dat de cijfers Vader wel tegen zouden vallen. — Vader had natuurlijk wel al lang gevraagd hoe 't op school ging en Eduard had ook wel verteld dat 't niet zoo heel mooi was, maar al te veel had hij er maar niet over gezegd.

Aandachtig had Vader de cijfers bekeken, en aldoor was Eduard naast hem blijven staan om te hooren wat Vader zeggen zou, maar Vader zei niets; en zonder Eduard aan te zien vouwde hij het rapport weer dubbel en gaf het terug.

"We zullen gaan koffiedrinken," zei Vader eindelijk.

Eduard ging tegenover Vader aan tafel zitten; hij was daarnet hard naar huis geloopen om gauw bij Vader te zijn en gezellig van alles te vertellen, maar nu was 't ineens niks leuk meer; — zei Vader nou maar wat, gaf Vader hem nou maar een flink standjeover dat rapport, want daar was Vader nu natuurlijk kwaad om — maar Vader zei niks.

Zoo was 't bij Oom Tom en Tante Lina nou nooit, die gaven tenminste dadelijk standjes als ze kwaad waren en dan was 't tien minuten later weer net of er niks gebeurd was, maar zóó duurde 't zoo vreeselijk lang. — Eindelijk kon Eduard 't niet langer uithouden.

"Vader, is u boos?" vroeg hij zacht.

"Boos? Welnee!" antwoordde Vader.

Daar had je 't nou al! Nou was hij nog even ver! Had hij nu maar niks gezegd!

En Eduard begon zich opeens vreeselijk te haasten met zijn boterhammen; gauw voortmaken maar, en dan buiten gaan spelen!

En zonder verder naar Vader te kijken liep hij toen hij klaar was de kamer uit.

Wie zou hij nu eigenlijk eens gaan halen, en waar zouden ze naar toe gaan? Misschien wou Meertens wel mee. — O nee, die had van twee tot drie timmerles. — Als hij eens naar Tante Lina ging? Ze zouden zeker wel in den tuin spelen vanmiddag! Toch maar niet doen, 't was zoo'n eind! Wat deed hij vroeger ook weer altijd 's Woensdagmiddags? O ja, dan had hij vioolles, en meestal maakte hij dan daarna zijn werk. Maar in dat vervelende huiswerk had hij nu heelemaal niks geen zin, en de vioolles was nog altijd op Vrijdag. — Kom, hij kon Theo wel eens gaan halen, die had hij in een heelen tijd niet gezien, en wacht, hij kon eigenlijk best op de fiets gaan, hij wasimmers al weer beter, en die arm hing nog wel in een verband maar je kon ook best met één hand fietsen. Eduard haalde de fiets uit de kast. 't Ding was na den val wel een week in de reparatie geweest, maar nu zag alles er dan ook weer prachtig uit en de remmen werkten weer uitstekend. Natuurlijk waren de banden weer slap; hoe kreeg hij die nou weer opgepompt met zijn eene arm! Gezanik ook! Aan Vader vragen? — Eduard bedacht dat hij toch eigenlijk ook niet goed durfde gaan fietsen zonder 't eerst tegen Vader te zeggen. Vooruit dan maar!

En Eduard slenterde weer naar de huiskamer. Maar Vader was er niet meer. Vader was toch niet uitgegaan, dan zou hij Vader wel gezien hebben! Eduard liep de gang weer in en: "Rrrika! Waar is Vader?" schreeuwde hij tegen Rika, die juist de keuken uitkwam.

"'k Geloof dat meneer naar zijn studeerkamer gegaan is," antwoordde Rika en Eduard holde naar Vaders kamer.

Aan 't groote bureau zat Vader te schrijven, en "Vader, wilt u m'n fiets even oppompen?" riep Eduard.

"Waarvoor?" vroeg Vader, zijn sigaar uit zijn mond nemend.

"Nou, ik wilde wat gaan fietsen," zei Eduard, "en m'n banden zijn zoo slap!"

Vader keek hem even zwijgend aan. "Wat dacht je nu eigenlijk?" vroeg hij toen, "dacht je dat ik numet je naar beneden zou gaan om je fiets op te pompen en dat ik dan zou zeggen: 'Dag Pepi, veel plezier,'?"

"Waarom niet, Vader?"

"Omdat er geen kwestie van is dat je fietsen gaat zoolang je arm in dat verband hangt," en Vader schreef weer verder.

"Maar ik kan best met één hand fietsen!" mopperde Eduard, maar hij kreeg geen antwoord, en stil pruttelde hij verder: "Bij Tante Lina mocht je altijd doen wat je wou."

"Maar bij mij niet."

Met een boos gezicht bleef Eduard op de punt van de schrijftafel zitten, maar Vader werkte rustig door en Eduard keek er naar hoe vlug de zwarte lettertjes op 't witte papier kwamen.

Wat moest hij nu gaan doen? Nu mocht hij niet fietsen ook, en dan dat akelige rapport; hoe moest dat nu gaan met 't toelatingsexamen? Als 't zoo doorging mocht hij 't zeker niet eens doen en toch bleef 't vast zoo gaan als Vader er zich niet mee bemoeide. En natuurlijk bemoeide Vader zich er niet mee zoolang hij er zelf niet over begon. Maar wat moest hij dan zeggen?

Eduard stak zijn beenen vooruit en keek naar de punten van zijn schoenen, toen nam hij een afgebrande lucifer van de tafel en bleef daar mee zitten spelen. Maar eindelijk liet hij 't roode houtje op den grond vallen, en zacht begon hij: "Vader!"

"Wat is er?"

"Denkt u dat ik toelatingsexamen mag doen?" Maar Vader keek niet eens op en zei: "Dat weet ik niet; 't schijnt jou niet te kunnen schelen en dan kan 't mij ook niet schelen."

"Maar 't kán mij wel schelen!"


Back to IndexNext