HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XI.OPENBAAR ONDERWIJS.Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van die der middeneeuwen.Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe in de Philippijnen een weg gevonden. Op decolegiosen scholen maken de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie, welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen, die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes (doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven» (honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed, om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijkgeslacht voort te planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool, die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas, versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg had vergezeld.Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens van godsdienstigefiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen, die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er zijn zustergenootschappen, die deColegialas de los Beateriosgenoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige stichtingen»;anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen, terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen, hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang van de regelen der verschillendebeaterios, wier kleeding ook in sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De meisjes staan daar ’s morgens ten 5 ure op, om detrisagio(heilig, heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot tien ure wordt er gestudeerd.Ten half twaalf ure gebruikt men het middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zichnaarhare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt gegeven. De beaterio van deJezuïtentelt omstreeks 900 kloosterlingen, maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte te voorzien. Na de verdrijving derJezuïten, werd het toezigt over deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen, schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. DeJezuïten, die later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts eeneadministracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop, den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van hunne eigendommenaan landerijen, de helft van de waarde aan goud, zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel worden gebezigd. Eencaja de comunidadeischt jaarlijks eene halve reaal (3¼ stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van «schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen, die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het tegenwoordige gebouw op een’ grond opgerigt, die aan deJezuïtenhad behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.

HOOFDSTUK XI.OPENBAAR ONDERWIJS.Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van die der middeneeuwen.Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe in de Philippijnen een weg gevonden. Op decolegiosen scholen maken de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie, welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen, die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes (doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven» (honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed, om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijkgeslacht voort te planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool, die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas, versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg had vergezeld.Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens van godsdienstigefiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen, die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er zijn zustergenootschappen, die deColegialas de los Beateriosgenoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige stichtingen»;anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen, terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen, hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang van de regelen der verschillendebeaterios, wier kleeding ook in sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De meisjes staan daar ’s morgens ten 5 ure op, om detrisagio(heilig, heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot tien ure wordt er gestudeerd.Ten half twaalf ure gebruikt men het middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zichnaarhare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt gegeven. De beaterio van deJezuïtentelt omstreeks 900 kloosterlingen, maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte te voorzien. Na de verdrijving derJezuïten, werd het toezigt over deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen, schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. DeJezuïten, die later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts eeneadministracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop, den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van hunne eigendommenaan landerijen, de helft van de waarde aan goud, zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel worden gebezigd. Eencaja de comunidadeischt jaarlijks eene halve reaal (3¼ stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van «schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen, die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het tegenwoordige gebouw op een’ grond opgerigt, die aan deJezuïtenhad behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.

HOOFDSTUK XI.OPENBAAR ONDERWIJS.

Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van die der middeneeuwen.Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe in de Philippijnen een weg gevonden. Op decolegiosen scholen maken de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie, welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen, die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes (doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven» (honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed, om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijkgeslacht voort te planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool, die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas, versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg had vergezeld.Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens van godsdienstigefiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen, die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er zijn zustergenootschappen, die deColegialas de los Beateriosgenoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige stichtingen»;anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen, terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen, hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang van de regelen der verschillendebeaterios, wier kleeding ook in sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De meisjes staan daar ’s morgens ten 5 ure op, om detrisagio(heilig, heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot tien ure wordt er gestudeerd.Ten half twaalf ure gebruikt men het middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zichnaarhare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt gegeven. De beaterio van deJezuïtentelt omstreeks 900 kloosterlingen, maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte te voorzien. Na de verdrijving derJezuïten, werd het toezigt over deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen, schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. DeJezuïten, die later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts eeneadministracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop, den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van hunne eigendommenaan landerijen, de helft van de waarde aan goud, zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel worden gebezigd. Eencaja de comunidadeischt jaarlijks eene halve reaal (3¼ stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van «schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen, die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het tegenwoordige gebouw op een’ grond opgerigt, die aan deJezuïtenhad behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.

Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van die der middeneeuwen.

Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe in de Philippijnen een weg gevonden. Op decolegiosen scholen maken de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie, welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen, die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes (doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven» (honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed, om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijkgeslacht voort te planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool, die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas, versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg had vergezeld.

Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens van godsdienstigefiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen, die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er zijn zustergenootschappen, die deColegialas de los Beateriosgenoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige stichtingen»;anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen, terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen, hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang van de regelen der verschillendebeaterios, wier kleeding ook in sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De meisjes staan daar ’s morgens ten 5 ure op, om detrisagio(heilig, heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot tien ure wordt er gestudeerd.Ten half twaalf ure gebruikt men het middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zichnaarhare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt gegeven. De beaterio van deJezuïtentelt omstreeks 900 kloosterlingen, maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte te voorzien. Na de verdrijving derJezuïten, werd het toezigt over deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.

De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen, schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»

Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. DeJezuïten, die later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts eeneadministracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop, den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van hunne eigendommenaan landerijen, de helft van de waarde aan goud, zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel worden gebezigd. Eencaja de comunidadeischt jaarlijks eene halve reaal (3¼ stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van «schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.

De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen, die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het tegenwoordige gebouw op een’ grond opgerigt, die aan deJezuïtenhad behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.


Back to IndexNext