HOOFDSTUK XIV.VOORTBRENGSELEN.DeLeges de Indias(wetten van de Indiën) erkennen met geestdrift de ongeregtigheden en onregtvaardigheden, waarvan de Indianen voortdurend de slagtoffers zijn, en trachten de geneesmiddelen daartegen te verschaffen; zij verklaren onbillijke overeenkomsten nietig, gelasten de overheden om daden van verdrukking streng te straffen en zeggen ronduit, dat de transactiën van de Spaansche kolonisten dikwijls zijn geweest «de ondergang van de Indianen». Zij doen uitkomen, dat in sommige gevallen door schraapzucht, in andere door vadsigheid, misdadige handelingen zijn gepleegd door de Mestizen, die gewoonlijk de tusschenpersonen zijn bij overeenkomsten tusschen kolonisten en inlanders. De plaatselijkeordenanzas, die talrijk zijn en zeer vele punten behandelen, hebben ten doel den Indiaan de vruchten van zijn’ arbeid te verzekeren—hem te beschermen tegen zijne eigene ondoordachtzaamheid en de schraapzieke afpersingen van hen, tot wie hij zich wendt, als hij in moeijelijkheden verkeert; zij voorzien tegen de usurpatie van zijne gronden, verklaren den souverein tot regtmatigen eigenaar van hetgeen door geen erfgenaam wordt opgeeischt, en dringen er op aan, dat de Indiaan overal van den grond, dien hij bebouwt, op eene voldoende wijze de middelenvan bestaan zal erlangen; de ophooping van eigendommen, welke door kerkelijke ligchamen van de Indianen zijn verkregen, wordt er in verboden, en desniettegenstaande zijn onmetelijke landerijen in het bezit van de monniken-orden. Er bestaan ook bepalingen, om gemeentegronden voor algemeen gebruik af te zonderen, afgescheiden van de private bezittingen. Verscheidene dier verordeningen hebben zulk een onbepaald karakter, dat men daardoor zeker kan zijn, dat zij niet worden nageleefd; andere dalen tot zulke particulariteiten en specialiteiten af, dat het onmogelijk is, ze op te volgen. Het een-en-zeventigste artikel bijv. noodzaakt de Indianen «om nuttige boomen, geschikt voor den grond, te planten», om tarwe, rijst, maïs, groenten, katoen, peper, enz. op geschikte plaatsen te zaaijen—om te onderhouden «elk soort van vee, eigenaardig aan de localiteit»; om «vruchten te doen groeijen in hunne tuinen en boomgaarden rondom hunne huizen»; om te houden «op zijn minst twaalf kippen en een haan» (eene zeer overtollige wetsbepaling) en «een jong varken van het vrouwelijk geslacht»; zij moeten aangemoedigd worden om kleederen en touwwerk te vervaardigen en als zij gedurende twee jaren in deze verpligtingen te kort schieten, zullen zij hunne landerijen verliezen, die bij eene publieke proclamatie aan anderen zullen worden geschonken. Er bestaat inderdaad geen onbeperkt eigendomsregt op den grond onder de Indianen; de grond kan altijd worden genomen en weder toegeëigend door de Spaansche autoriteiten. De landerijen worden bezeten onder voorwaarde, dat zij bebouwd zullen worden. Er zijn gronden, die door Spanjaarden en voornamelijk door corporatiën van de geestelijkheid bezeten worden en in naam huur betalen aan de kroon, maar die huur is zóó klein, dat zij niet noemenswaardig is. Er bestaat geene moeijelijkheid om gronden voor niet te krijgen, slechts onder de voorwaarde om ze in kultuur te brengen. Langdurig gebruik en langdurig bezit hebben ongetwijfeld regten doen geboren worden, waaraan zulk eene waarde wordt gehecht, dat zij kunnen gehandhaafd worden tegen private vorderingen of eischen van algemeen nut. Er ontstaan geschillen over hetgeen door het woord «kultuur» moet worden verstaan, en het land is vol van geschillen en processen over landbezit. De groote grondeigenaars spreken altijd van de moeijelijkheidom onafgebroken arbeid te verkrijgen, van de noodzakelijkheid om voortdurend voorschotten aan den landbouwer te moeten geven, van den roof, waaraan de rijpe oogst bloot staat. Daarom zijn zij gewoon de landerijen aan de bebouwers in het klein te verhuren, die geringe en onvoldoende voordeelen aan de eigenaars en aan de markt bezorgen. Zij beklagen zich over den naijver en den onwil van de Indianen, over hun geheimen en openlijken tegenzin tegen vreemdelingen en over de te groote toegevendheid van de «wet van de Indiën». Het schijnt mij toe, dat er een ruim veld bestaat voor voordeelige landbouwkundige proeven, misschien niet zoo zeer in de onmiddellijke nabijheid van groote en volkrijke plaatsen, dan wel op de uitgestrekte plaatsen van onbebouwd terrein, waarvan men eene ruime opbrengst kan trekken alleen door attentie en kapitaal, volharding en kennis. De landbouwer zou zich ongetwijfeld een vast en onherroepelijk bezit kunnen verzekeren. Eenmaal door het gouvernement in bezit gesteld, moet hij tegen elke verkorting van zijn regt beschermd worden. Ik geloof niet aan de onoverwinnelijke traagheid van de Indianen, wanneer zij behoorlijk worden aangemoedigd. Ik vernam toch, dat een inlander in een der meest verwijderde dorpen, dat ik in Pinay bezocht, door een monnik was aanbevolen suiker te planten. Hij deed dit en verkreeg vijf honderd dollars voor de opbrengst, die hij voor de eerste maal naar Iloilo bragt. In het tweede jaar verkrijgt hij een duizendtal; en anderen volgden nu zijn voorbeeld. Een weinig meer arbeid produceert zooveel dat de geringste impulsie groote resultaten oplevert, vooral waar die over eene groote uitgestrektheid wordt aangewend. Maar de Indiaansche luiheid is niet alleen nadeelig door de weinige hulp, die daardoor geboden wordt aan den landbouw in de voorbereiding, het zaaijen, bezorgen en inhalen van den oogst; men mist daardoor ook die groote werkzaamheid, welke veeleer als van publiek dan van particulier belang kan geacht worden. Van daar het gemis aan gemakkelijke irrigatie, de onvoldoende toestand van de rivierwerken, het gebrek aan kanalen, de slechte toestand der wegen op zoo menige plaats. De jaargetijden brengen de stroomen aan en de bergstroomen scheppen de geulen, maar het water verdwijnt in de zee en de landbouwer brengt zijne producten,zoo goed hij kan, te midden van rotsen, van zand en modder, die de watervallen achter hem hebben gelaten. Ik heb lastbeesten gezien, die vruchteloos poogden zich met hunne lasten uit de poelen te trekken, waarin zij waren gevallen en waar hunne geleiders ze eindelijk achterlieten. Men heeft mij zelf naar volkrijke plaatsen in palanquins gedragen, terwijl de dragers, soms 16 in getal, tot hunne enkels in dikke modderpoelen, losse steenen of vaste groeven vielen. De Mas zegt, dat de landbouw drie vijfden van de producten absorbeert, terwijl hij twee vijfden aan den eigenaar en kapitalist overlaat; maar de voorwaarden van den arbeid loopen zoo zeer uiteen, dat het moeijelijk is eenige algemeene berekening te maken, buiten het feit dat kapitalist noch landbouwer eenige van die voordeelen geniet, welke beiden onder een beter systeem zouden verkrijgen; dat de kosten veel grooter, de opbrengst veel kleiner is en dat de algemeene welvaart lijdt onder den toestand van elk in het bijzonder. Wat men dan ook van de ontzenuwende werking van het klimaat en het gemis van prikkels voor de industrie moge zeggen, het is waarschijnlijk dat alle natiën, zelfs de meest industriële en vermogende, perioden van luiheid en werkeloosheid hebben doorloopen. China strekt tot voorbeeld om te bewijzen dat het klimaat alleen geen onoverwinnelijke hinderpaal voor krachtige werkzaamheid in de verschillende takken van veldarbeid, en dat het bezit van veel geen noodzakelijk beletsel is voor het verlangen om meer te verkrijgen en meer te genieten. De waarde der landerijen is zeer verschillend. De Mas zegt, dat de quinon (van 1000 vierk. vademen), in Pangasinan voor 220 à 250 dollars wordt gekocht; in de Laguna voor ƒ 250 à ƒ 300; in Ilocos Sur voor 300; in de omstreken van Manilla voor 1000. Hij schijnt de suiker over het algemeen als de beste kultuur te beschouwen. Hij geeft verschillende tabellen van de kosten en lasten van verschillende tropische producten, maar de groote onzekerheid, de kosten van bouw, de wisselvalligheden van het klimaat, de verwoestingen der insecten, de fluctuatie in het bedrag en de waarde van verkrijgbaren arbeid en de ebbe en vloed van aanbod en vraag maken alle berekeningen illusoir. Zijneapunteszijn intusschen wel waardig geraadpleegd te worden door belanghebbenden. Hij geeft als een resultaat van de rijstkultuureene winst van 24 pCt. als minimum, een voordeel van 76 pCt. als maximum per jaar op. Dit zou reeds een aanloksel genoeg zijn, vooral daar men zegt, dat de Spanjaarden meer van den landbouw dan van eenigen anderen tak van bedrijf, en meer van landbezit dan van eenigen anderen eigendom houden, volgens hun oud lied.—Indigo zou, volgens de Mas, 100 pCt. opleveren. Met koffij, zegt hij, kan men zijn kapitaal in vier jaren verdubbelen. Cacao levert 90 pCt. op. Pogingen om moerbeziën-kultuur voor zijdewormen in te voeren, zijn niet gelukt, ofschoon de soorten, die men naar Europa gezonden heeft, om hunne uitmuntende kwaliteit bekroond zijn geworden. De wormen vereischen meerdere aandacht dan de Indianen daaraan wijden en hetzelfde kan men zeggen van muskaatnoten, kaneel en van elk product, dat onafgebroken zorg vereischt. De weelderige producten der Philippijnen zullen niet ligt eene meer doelmatige wijze van kultuur ondergaan.De eigendomsregten behooren verzekerd en erkend te zijn in een land, dat niet opgemeten of gekadastreerd is; waar de vreemde bevolking heen en weêr trekt en onzeker is; waar de titels van eigendom voor het grootste gedeelte ontbreken en toeëigening van den grond weinig door de hoogere autoriteiten wordt gecontroleerd; waar geen landregt bestaat en de godsdienstige corporatiën de inlanders leiden. Het bezit van kleine grondstukken vermeerdert noodzakelijk de kosten van productie en het zou niet gemakkelijk zijn voor groote kapitalisten zich te vestigen, zonder dat het verkrijgen en de bebouwing van uitgestrekte gronden was gemakkelijk gemaakt. Zulke kapitalisten zouden de noodige verbeteringen in de landbouw-wetenschap invoeren; zij zouden met zich brengen heldere hoofden en flinke handen en zij zouden practische werking aan hoogere kennis geven. Algemeen wordt dan ook het verlangen uitgedrukt om landbouw-maatschappijen op te rigten, maar deze zijn veeleer de kinderen, dan wel de ouders van den vooruitgang en het talrijke en aanzienlijke genootschap, dat reeds te Manilla onder de benaming van de «Sociedad Economica» bestaat, heeft geene gewigtige veranderingen te weeg gebragt. Er bestaat in het Spaansche karakter eene te groote neiging om de «autoriteit» te beschouwen als de bron en den steun van alle hervormingen; maar de autoriteiten brengen in de meeste gevallen van producerende industriede grootste voordeelen door werkeloosheid en terugtrekking te weeg; niet hare tusschenkomst, maar die van de personen zelve is noodig; het is met de opheffing van beperkende bepalingen, de wijziging van wetten, die men zegt dat beschermen en begunstigen, maar die bescherming en begunstiging is eigenlijk de opoffering van de velen aan de weinigen. Het gouvernement kan ongetwijfeld het algemeene welzijn zeer bevorderlijk zijn door de kennis, die het kan verzamelen en verspreiden. Niets is wenschelijker dan dat de rijke gronden van de Philippijnen geheel door werkelijk wetenschappelijke kennis worden geëxploiteerd. Geologen, chemisten, mechaniciens, botanisten, allen kunnen ons veel leeren nopens de ruwe materialen van deze menigvuldige eilanden, die zoo aanlokkelijk voor den exploiteur zijn en zoo weinig geëxploiteerd worden. Bergen, bosschen, vlakten, beeken, rivieren, dat alles eischt nasporing en verbetering, die zij gewis zouden beloonen.Van de inlandsche producten, die door de Spanjaarden gevonden zijn, schijnt de drooge bergrijst het voornaamste artikel geweest te zijn, dat de Indianen tot voedingsmiddel gecultiveerd hebben, daar de wijze van irrigatie weinig bekend is en de wijze van kultuur op de eenvoudigste manier geschiedt. De zendelingen leerden de Indianen hunne landen te verdeelen, hun landbouw te verbeteren, hun oogst in te zamelen en over het algemeen hun toestand door meer kennis en doorzigt te verbeteren. Maïs en tarwe werden uit Amerika ingevoerd, ofschoon geruimen tijd het gebruik van tarwebrood ten dienste van de massa beperkt was. Tegenwoordig is de voorraad aan de behoeften van den verbruiker geëvenredigd. Meloenen, watermeloenen en verschillende vruchten, erwten, pompoenen, uijen, komkommers, knoflook en andere gewassen vonden spoedig hunnen weg uit Mexico naar de kerktuinen en van daar tot eene meer uitgebreide kultuur. Koffij sproot op het eiland Luzon in het wild voort, zonder dat zij door de inlanders werd ingezameld. Tabak werd onder bescherming van het gouvernement ingevoerd en is de belangrijkste bron van bestaan geworden. Peper en cassia groeijen ongemerkt, maar de klapperboom en de plantaan behoorden onder de meest kostbare van de bezittingen der Indianen en de areca werd niet minder hoog geschat. Indigo was inheemsch en voor den wildenkatoenboom werd geen zorg gedragen; het kan niet anders dan betreurenswaard genoemd worden, dat tegenwoordig zulk eene ongeëvenredigde zorg voor de oorspronkelijke producten van het land wordt gedragen en zoo weinig doeltreffende maatregelen worden genomen tot verbetering der hoeveelheid en tot uitbreiding der kultuur. Tegenwoordig bestaan er weinige gronden, waaraan behoorlijke arbeid en voldoend kapitaal besteed wordt. Voor die, welke in het bezit van de godsdienstige corporatiën zijn, kan weinig ten opzigte der verbetering van den landbouw verwacht worden, maar de bebouwde landen zijn meestal in handen van kleine inlandsche eigenaars. Waar de arbeider wordt gehuurd, verkrijgt hij eene dagelijksche bezoldiging, die van eene halve tot eene en een halve reaal (3½ tot 10 stuivers) verschilt in de onderscheidene provinciën.De quinon is de gewone landmaat; hij wordt verdeeld in 10baletas, deze in 100loanes, die 31,250 Castiliaansche varas vertegenwoordigen. Drie werklieden zijn voldoende voor de bebouwing van een quinon. In 1841 vaardigde de kapitein-generaal Urbiztondo een decreet uit, waarbij de invoer van Chinesche landbouwers door landeigenaars werd aangemoedigd, vooral met het oog op de suiker-, indigo en hennep-kultuur. Men verwachtte een gunstige ommekeer van dit besluit—het bleef echter eene doode letter. Ingevoerde arbeid, aan alle soort van dwang onderhevig, kan op den duur niet met vrije inlandsche arbeid mededingen.Dit vraagstuk is van zeer groot belang in zijne vertakkingen en invloed op de koloniale belangen, als daarbij de vrije handel en de vrije arbeid van de mededingende wereld wordt ter sprake gebragt. Ik betwijfel zeer of de krachten van de West-Indiën—afhangende van aangevoerde en kostbare immigranten—met de rijke velden van de Oost kunnen wedijveren, als kapitaal en vlijt toegepast worden op den meer vruchtbaren grond, het beter klimaat en de minder kostbare middelen van productie. De vooruitgang is daar slechts de natuurlijke ontwikkeling van de elementen, waarmede de Voorzienigheid die landen bedeeld heeft, terwijl in de West-Indische koloniën alles gedwongen en onnatuurlijk is tegen ontzaggelijke sommen aangekocht en door voortdurende offers onderhouden wordt.
HOOFDSTUK XIV.VOORTBRENGSELEN.DeLeges de Indias(wetten van de Indiën) erkennen met geestdrift de ongeregtigheden en onregtvaardigheden, waarvan de Indianen voortdurend de slagtoffers zijn, en trachten de geneesmiddelen daartegen te verschaffen; zij verklaren onbillijke overeenkomsten nietig, gelasten de overheden om daden van verdrukking streng te straffen en zeggen ronduit, dat de transactiën van de Spaansche kolonisten dikwijls zijn geweest «de ondergang van de Indianen». Zij doen uitkomen, dat in sommige gevallen door schraapzucht, in andere door vadsigheid, misdadige handelingen zijn gepleegd door de Mestizen, die gewoonlijk de tusschenpersonen zijn bij overeenkomsten tusschen kolonisten en inlanders. De plaatselijkeordenanzas, die talrijk zijn en zeer vele punten behandelen, hebben ten doel den Indiaan de vruchten van zijn’ arbeid te verzekeren—hem te beschermen tegen zijne eigene ondoordachtzaamheid en de schraapzieke afpersingen van hen, tot wie hij zich wendt, als hij in moeijelijkheden verkeert; zij voorzien tegen de usurpatie van zijne gronden, verklaren den souverein tot regtmatigen eigenaar van hetgeen door geen erfgenaam wordt opgeeischt, en dringen er op aan, dat de Indiaan overal van den grond, dien hij bebouwt, op eene voldoende wijze de middelenvan bestaan zal erlangen; de ophooping van eigendommen, welke door kerkelijke ligchamen van de Indianen zijn verkregen, wordt er in verboden, en desniettegenstaande zijn onmetelijke landerijen in het bezit van de monniken-orden. Er bestaan ook bepalingen, om gemeentegronden voor algemeen gebruik af te zonderen, afgescheiden van de private bezittingen. Verscheidene dier verordeningen hebben zulk een onbepaald karakter, dat men daardoor zeker kan zijn, dat zij niet worden nageleefd; andere dalen tot zulke particulariteiten en specialiteiten af, dat het onmogelijk is, ze op te volgen. Het een-en-zeventigste artikel bijv. noodzaakt de Indianen «om nuttige boomen, geschikt voor den grond, te planten», om tarwe, rijst, maïs, groenten, katoen, peper, enz. op geschikte plaatsen te zaaijen—om te onderhouden «elk soort van vee, eigenaardig aan de localiteit»; om «vruchten te doen groeijen in hunne tuinen en boomgaarden rondom hunne huizen»; om te houden «op zijn minst twaalf kippen en een haan» (eene zeer overtollige wetsbepaling) en «een jong varken van het vrouwelijk geslacht»; zij moeten aangemoedigd worden om kleederen en touwwerk te vervaardigen en als zij gedurende twee jaren in deze verpligtingen te kort schieten, zullen zij hunne landerijen verliezen, die bij eene publieke proclamatie aan anderen zullen worden geschonken. Er bestaat inderdaad geen onbeperkt eigendomsregt op den grond onder de Indianen; de grond kan altijd worden genomen en weder toegeëigend door de Spaansche autoriteiten. De landerijen worden bezeten onder voorwaarde, dat zij bebouwd zullen worden. Er zijn gronden, die door Spanjaarden en voornamelijk door corporatiën van de geestelijkheid bezeten worden en in naam huur betalen aan de kroon, maar die huur is zóó klein, dat zij niet noemenswaardig is. Er bestaat geene moeijelijkheid om gronden voor niet te krijgen, slechts onder de voorwaarde om ze in kultuur te brengen. Langdurig gebruik en langdurig bezit hebben ongetwijfeld regten doen geboren worden, waaraan zulk eene waarde wordt gehecht, dat zij kunnen gehandhaafd worden tegen private vorderingen of eischen van algemeen nut. Er ontstaan geschillen over hetgeen door het woord «kultuur» moet worden verstaan, en het land is vol van geschillen en processen over landbezit. De groote grondeigenaars spreken altijd van de moeijelijkheidom onafgebroken arbeid te verkrijgen, van de noodzakelijkheid om voortdurend voorschotten aan den landbouwer te moeten geven, van den roof, waaraan de rijpe oogst bloot staat. Daarom zijn zij gewoon de landerijen aan de bebouwers in het klein te verhuren, die geringe en onvoldoende voordeelen aan de eigenaars en aan de markt bezorgen. Zij beklagen zich over den naijver en den onwil van de Indianen, over hun geheimen en openlijken tegenzin tegen vreemdelingen en over de te groote toegevendheid van de «wet van de Indiën». Het schijnt mij toe, dat er een ruim veld bestaat voor voordeelige landbouwkundige proeven, misschien niet zoo zeer in de onmiddellijke nabijheid van groote en volkrijke plaatsen, dan wel op de uitgestrekte plaatsen van onbebouwd terrein, waarvan men eene ruime opbrengst kan trekken alleen door attentie en kapitaal, volharding en kennis. De landbouwer zou zich ongetwijfeld een vast en onherroepelijk bezit kunnen verzekeren. Eenmaal door het gouvernement in bezit gesteld, moet hij tegen elke verkorting van zijn regt beschermd worden. Ik geloof niet aan de onoverwinnelijke traagheid van de Indianen, wanneer zij behoorlijk worden aangemoedigd. Ik vernam toch, dat een inlander in een der meest verwijderde dorpen, dat ik in Pinay bezocht, door een monnik was aanbevolen suiker te planten. Hij deed dit en verkreeg vijf honderd dollars voor de opbrengst, die hij voor de eerste maal naar Iloilo bragt. In het tweede jaar verkrijgt hij een duizendtal; en anderen volgden nu zijn voorbeeld. Een weinig meer arbeid produceert zooveel dat de geringste impulsie groote resultaten oplevert, vooral waar die over eene groote uitgestrektheid wordt aangewend. Maar de Indiaansche luiheid is niet alleen nadeelig door de weinige hulp, die daardoor geboden wordt aan den landbouw in de voorbereiding, het zaaijen, bezorgen en inhalen van den oogst; men mist daardoor ook die groote werkzaamheid, welke veeleer als van publiek dan van particulier belang kan geacht worden. Van daar het gemis aan gemakkelijke irrigatie, de onvoldoende toestand van de rivierwerken, het gebrek aan kanalen, de slechte toestand der wegen op zoo menige plaats. De jaargetijden brengen de stroomen aan en de bergstroomen scheppen de geulen, maar het water verdwijnt in de zee en de landbouwer brengt zijne producten,zoo goed hij kan, te midden van rotsen, van zand en modder, die de watervallen achter hem hebben gelaten. Ik heb lastbeesten gezien, die vruchteloos poogden zich met hunne lasten uit de poelen te trekken, waarin zij waren gevallen en waar hunne geleiders ze eindelijk achterlieten. Men heeft mij zelf naar volkrijke plaatsen in palanquins gedragen, terwijl de dragers, soms 16 in getal, tot hunne enkels in dikke modderpoelen, losse steenen of vaste groeven vielen. De Mas zegt, dat de landbouw drie vijfden van de producten absorbeert, terwijl hij twee vijfden aan den eigenaar en kapitalist overlaat; maar de voorwaarden van den arbeid loopen zoo zeer uiteen, dat het moeijelijk is eenige algemeene berekening te maken, buiten het feit dat kapitalist noch landbouwer eenige van die voordeelen geniet, welke beiden onder een beter systeem zouden verkrijgen; dat de kosten veel grooter, de opbrengst veel kleiner is en dat de algemeene welvaart lijdt onder den toestand van elk in het bijzonder. Wat men dan ook van de ontzenuwende werking van het klimaat en het gemis van prikkels voor de industrie moge zeggen, het is waarschijnlijk dat alle natiën, zelfs de meest industriële en vermogende, perioden van luiheid en werkeloosheid hebben doorloopen. China strekt tot voorbeeld om te bewijzen dat het klimaat alleen geen onoverwinnelijke hinderpaal voor krachtige werkzaamheid in de verschillende takken van veldarbeid, en dat het bezit van veel geen noodzakelijk beletsel is voor het verlangen om meer te verkrijgen en meer te genieten. De waarde der landerijen is zeer verschillend. De Mas zegt, dat de quinon (van 1000 vierk. vademen), in Pangasinan voor 220 à 250 dollars wordt gekocht; in de Laguna voor ƒ 250 à ƒ 300; in Ilocos Sur voor 300; in de omstreken van Manilla voor 1000. Hij schijnt de suiker over het algemeen als de beste kultuur te beschouwen. Hij geeft verschillende tabellen van de kosten en lasten van verschillende tropische producten, maar de groote onzekerheid, de kosten van bouw, de wisselvalligheden van het klimaat, de verwoestingen der insecten, de fluctuatie in het bedrag en de waarde van verkrijgbaren arbeid en de ebbe en vloed van aanbod en vraag maken alle berekeningen illusoir. Zijneapunteszijn intusschen wel waardig geraadpleegd te worden door belanghebbenden. Hij geeft als een resultaat van de rijstkultuureene winst van 24 pCt. als minimum, een voordeel van 76 pCt. als maximum per jaar op. Dit zou reeds een aanloksel genoeg zijn, vooral daar men zegt, dat de Spanjaarden meer van den landbouw dan van eenigen anderen tak van bedrijf, en meer van landbezit dan van eenigen anderen eigendom houden, volgens hun oud lied.—Indigo zou, volgens de Mas, 100 pCt. opleveren. Met koffij, zegt hij, kan men zijn kapitaal in vier jaren verdubbelen. Cacao levert 90 pCt. op. Pogingen om moerbeziën-kultuur voor zijdewormen in te voeren, zijn niet gelukt, ofschoon de soorten, die men naar Europa gezonden heeft, om hunne uitmuntende kwaliteit bekroond zijn geworden. De wormen vereischen meerdere aandacht dan de Indianen daaraan wijden en hetzelfde kan men zeggen van muskaatnoten, kaneel en van elk product, dat onafgebroken zorg vereischt. De weelderige producten der Philippijnen zullen niet ligt eene meer doelmatige wijze van kultuur ondergaan.De eigendomsregten behooren verzekerd en erkend te zijn in een land, dat niet opgemeten of gekadastreerd is; waar de vreemde bevolking heen en weêr trekt en onzeker is; waar de titels van eigendom voor het grootste gedeelte ontbreken en toeëigening van den grond weinig door de hoogere autoriteiten wordt gecontroleerd; waar geen landregt bestaat en de godsdienstige corporatiën de inlanders leiden. Het bezit van kleine grondstukken vermeerdert noodzakelijk de kosten van productie en het zou niet gemakkelijk zijn voor groote kapitalisten zich te vestigen, zonder dat het verkrijgen en de bebouwing van uitgestrekte gronden was gemakkelijk gemaakt. Zulke kapitalisten zouden de noodige verbeteringen in de landbouw-wetenschap invoeren; zij zouden met zich brengen heldere hoofden en flinke handen en zij zouden practische werking aan hoogere kennis geven. Algemeen wordt dan ook het verlangen uitgedrukt om landbouw-maatschappijen op te rigten, maar deze zijn veeleer de kinderen, dan wel de ouders van den vooruitgang en het talrijke en aanzienlijke genootschap, dat reeds te Manilla onder de benaming van de «Sociedad Economica» bestaat, heeft geene gewigtige veranderingen te weeg gebragt. Er bestaat in het Spaansche karakter eene te groote neiging om de «autoriteit» te beschouwen als de bron en den steun van alle hervormingen; maar de autoriteiten brengen in de meeste gevallen van producerende industriede grootste voordeelen door werkeloosheid en terugtrekking te weeg; niet hare tusschenkomst, maar die van de personen zelve is noodig; het is met de opheffing van beperkende bepalingen, de wijziging van wetten, die men zegt dat beschermen en begunstigen, maar die bescherming en begunstiging is eigenlijk de opoffering van de velen aan de weinigen. Het gouvernement kan ongetwijfeld het algemeene welzijn zeer bevorderlijk zijn door de kennis, die het kan verzamelen en verspreiden. Niets is wenschelijker dan dat de rijke gronden van de Philippijnen geheel door werkelijk wetenschappelijke kennis worden geëxploiteerd. Geologen, chemisten, mechaniciens, botanisten, allen kunnen ons veel leeren nopens de ruwe materialen van deze menigvuldige eilanden, die zoo aanlokkelijk voor den exploiteur zijn en zoo weinig geëxploiteerd worden. Bergen, bosschen, vlakten, beeken, rivieren, dat alles eischt nasporing en verbetering, die zij gewis zouden beloonen.Van de inlandsche producten, die door de Spanjaarden gevonden zijn, schijnt de drooge bergrijst het voornaamste artikel geweest te zijn, dat de Indianen tot voedingsmiddel gecultiveerd hebben, daar de wijze van irrigatie weinig bekend is en de wijze van kultuur op de eenvoudigste manier geschiedt. De zendelingen leerden de Indianen hunne landen te verdeelen, hun landbouw te verbeteren, hun oogst in te zamelen en over het algemeen hun toestand door meer kennis en doorzigt te verbeteren. Maïs en tarwe werden uit Amerika ingevoerd, ofschoon geruimen tijd het gebruik van tarwebrood ten dienste van de massa beperkt was. Tegenwoordig is de voorraad aan de behoeften van den verbruiker geëvenredigd. Meloenen, watermeloenen en verschillende vruchten, erwten, pompoenen, uijen, komkommers, knoflook en andere gewassen vonden spoedig hunnen weg uit Mexico naar de kerktuinen en van daar tot eene meer uitgebreide kultuur. Koffij sproot op het eiland Luzon in het wild voort, zonder dat zij door de inlanders werd ingezameld. Tabak werd onder bescherming van het gouvernement ingevoerd en is de belangrijkste bron van bestaan geworden. Peper en cassia groeijen ongemerkt, maar de klapperboom en de plantaan behoorden onder de meest kostbare van de bezittingen der Indianen en de areca werd niet minder hoog geschat. Indigo was inheemsch en voor den wildenkatoenboom werd geen zorg gedragen; het kan niet anders dan betreurenswaard genoemd worden, dat tegenwoordig zulk eene ongeëvenredigde zorg voor de oorspronkelijke producten van het land wordt gedragen en zoo weinig doeltreffende maatregelen worden genomen tot verbetering der hoeveelheid en tot uitbreiding der kultuur. Tegenwoordig bestaan er weinige gronden, waaraan behoorlijke arbeid en voldoend kapitaal besteed wordt. Voor die, welke in het bezit van de godsdienstige corporatiën zijn, kan weinig ten opzigte der verbetering van den landbouw verwacht worden, maar de bebouwde landen zijn meestal in handen van kleine inlandsche eigenaars. Waar de arbeider wordt gehuurd, verkrijgt hij eene dagelijksche bezoldiging, die van eene halve tot eene en een halve reaal (3½ tot 10 stuivers) verschilt in de onderscheidene provinciën.De quinon is de gewone landmaat; hij wordt verdeeld in 10baletas, deze in 100loanes, die 31,250 Castiliaansche varas vertegenwoordigen. Drie werklieden zijn voldoende voor de bebouwing van een quinon. In 1841 vaardigde de kapitein-generaal Urbiztondo een decreet uit, waarbij de invoer van Chinesche landbouwers door landeigenaars werd aangemoedigd, vooral met het oog op de suiker-, indigo en hennep-kultuur. Men verwachtte een gunstige ommekeer van dit besluit—het bleef echter eene doode letter. Ingevoerde arbeid, aan alle soort van dwang onderhevig, kan op den duur niet met vrije inlandsche arbeid mededingen.Dit vraagstuk is van zeer groot belang in zijne vertakkingen en invloed op de koloniale belangen, als daarbij de vrije handel en de vrije arbeid van de mededingende wereld wordt ter sprake gebragt. Ik betwijfel zeer of de krachten van de West-Indiën—afhangende van aangevoerde en kostbare immigranten—met de rijke velden van de Oost kunnen wedijveren, als kapitaal en vlijt toegepast worden op den meer vruchtbaren grond, het beter klimaat en de minder kostbare middelen van productie. De vooruitgang is daar slechts de natuurlijke ontwikkeling van de elementen, waarmede de Voorzienigheid die landen bedeeld heeft, terwijl in de West-Indische koloniën alles gedwongen en onnatuurlijk is tegen ontzaggelijke sommen aangekocht en door voortdurende offers onderhouden wordt.
HOOFDSTUK XIV.VOORTBRENGSELEN.
DeLeges de Indias(wetten van de Indiën) erkennen met geestdrift de ongeregtigheden en onregtvaardigheden, waarvan de Indianen voortdurend de slagtoffers zijn, en trachten de geneesmiddelen daartegen te verschaffen; zij verklaren onbillijke overeenkomsten nietig, gelasten de overheden om daden van verdrukking streng te straffen en zeggen ronduit, dat de transactiën van de Spaansche kolonisten dikwijls zijn geweest «de ondergang van de Indianen». Zij doen uitkomen, dat in sommige gevallen door schraapzucht, in andere door vadsigheid, misdadige handelingen zijn gepleegd door de Mestizen, die gewoonlijk de tusschenpersonen zijn bij overeenkomsten tusschen kolonisten en inlanders. De plaatselijkeordenanzas, die talrijk zijn en zeer vele punten behandelen, hebben ten doel den Indiaan de vruchten van zijn’ arbeid te verzekeren—hem te beschermen tegen zijne eigene ondoordachtzaamheid en de schraapzieke afpersingen van hen, tot wie hij zich wendt, als hij in moeijelijkheden verkeert; zij voorzien tegen de usurpatie van zijne gronden, verklaren den souverein tot regtmatigen eigenaar van hetgeen door geen erfgenaam wordt opgeeischt, en dringen er op aan, dat de Indiaan overal van den grond, dien hij bebouwt, op eene voldoende wijze de middelenvan bestaan zal erlangen; de ophooping van eigendommen, welke door kerkelijke ligchamen van de Indianen zijn verkregen, wordt er in verboden, en desniettegenstaande zijn onmetelijke landerijen in het bezit van de monniken-orden. Er bestaan ook bepalingen, om gemeentegronden voor algemeen gebruik af te zonderen, afgescheiden van de private bezittingen. Verscheidene dier verordeningen hebben zulk een onbepaald karakter, dat men daardoor zeker kan zijn, dat zij niet worden nageleefd; andere dalen tot zulke particulariteiten en specialiteiten af, dat het onmogelijk is, ze op te volgen. Het een-en-zeventigste artikel bijv. noodzaakt de Indianen «om nuttige boomen, geschikt voor den grond, te planten», om tarwe, rijst, maïs, groenten, katoen, peper, enz. op geschikte plaatsen te zaaijen—om te onderhouden «elk soort van vee, eigenaardig aan de localiteit»; om «vruchten te doen groeijen in hunne tuinen en boomgaarden rondom hunne huizen»; om te houden «op zijn minst twaalf kippen en een haan» (eene zeer overtollige wetsbepaling) en «een jong varken van het vrouwelijk geslacht»; zij moeten aangemoedigd worden om kleederen en touwwerk te vervaardigen en als zij gedurende twee jaren in deze verpligtingen te kort schieten, zullen zij hunne landerijen verliezen, die bij eene publieke proclamatie aan anderen zullen worden geschonken. Er bestaat inderdaad geen onbeperkt eigendomsregt op den grond onder de Indianen; de grond kan altijd worden genomen en weder toegeëigend door de Spaansche autoriteiten. De landerijen worden bezeten onder voorwaarde, dat zij bebouwd zullen worden. Er zijn gronden, die door Spanjaarden en voornamelijk door corporatiën van de geestelijkheid bezeten worden en in naam huur betalen aan de kroon, maar die huur is zóó klein, dat zij niet noemenswaardig is. Er bestaat geene moeijelijkheid om gronden voor niet te krijgen, slechts onder de voorwaarde om ze in kultuur te brengen. Langdurig gebruik en langdurig bezit hebben ongetwijfeld regten doen geboren worden, waaraan zulk eene waarde wordt gehecht, dat zij kunnen gehandhaafd worden tegen private vorderingen of eischen van algemeen nut. Er ontstaan geschillen over hetgeen door het woord «kultuur» moet worden verstaan, en het land is vol van geschillen en processen over landbezit. De groote grondeigenaars spreken altijd van de moeijelijkheidom onafgebroken arbeid te verkrijgen, van de noodzakelijkheid om voortdurend voorschotten aan den landbouwer te moeten geven, van den roof, waaraan de rijpe oogst bloot staat. Daarom zijn zij gewoon de landerijen aan de bebouwers in het klein te verhuren, die geringe en onvoldoende voordeelen aan de eigenaars en aan de markt bezorgen. Zij beklagen zich over den naijver en den onwil van de Indianen, over hun geheimen en openlijken tegenzin tegen vreemdelingen en over de te groote toegevendheid van de «wet van de Indiën». Het schijnt mij toe, dat er een ruim veld bestaat voor voordeelige landbouwkundige proeven, misschien niet zoo zeer in de onmiddellijke nabijheid van groote en volkrijke plaatsen, dan wel op de uitgestrekte plaatsen van onbebouwd terrein, waarvan men eene ruime opbrengst kan trekken alleen door attentie en kapitaal, volharding en kennis. De landbouwer zou zich ongetwijfeld een vast en onherroepelijk bezit kunnen verzekeren. Eenmaal door het gouvernement in bezit gesteld, moet hij tegen elke verkorting van zijn regt beschermd worden. Ik geloof niet aan de onoverwinnelijke traagheid van de Indianen, wanneer zij behoorlijk worden aangemoedigd. Ik vernam toch, dat een inlander in een der meest verwijderde dorpen, dat ik in Pinay bezocht, door een monnik was aanbevolen suiker te planten. Hij deed dit en verkreeg vijf honderd dollars voor de opbrengst, die hij voor de eerste maal naar Iloilo bragt. In het tweede jaar verkrijgt hij een duizendtal; en anderen volgden nu zijn voorbeeld. Een weinig meer arbeid produceert zooveel dat de geringste impulsie groote resultaten oplevert, vooral waar die over eene groote uitgestrektheid wordt aangewend. Maar de Indiaansche luiheid is niet alleen nadeelig door de weinige hulp, die daardoor geboden wordt aan den landbouw in de voorbereiding, het zaaijen, bezorgen en inhalen van den oogst; men mist daardoor ook die groote werkzaamheid, welke veeleer als van publiek dan van particulier belang kan geacht worden. Van daar het gemis aan gemakkelijke irrigatie, de onvoldoende toestand van de rivierwerken, het gebrek aan kanalen, de slechte toestand der wegen op zoo menige plaats. De jaargetijden brengen de stroomen aan en de bergstroomen scheppen de geulen, maar het water verdwijnt in de zee en de landbouwer brengt zijne producten,zoo goed hij kan, te midden van rotsen, van zand en modder, die de watervallen achter hem hebben gelaten. Ik heb lastbeesten gezien, die vruchteloos poogden zich met hunne lasten uit de poelen te trekken, waarin zij waren gevallen en waar hunne geleiders ze eindelijk achterlieten. Men heeft mij zelf naar volkrijke plaatsen in palanquins gedragen, terwijl de dragers, soms 16 in getal, tot hunne enkels in dikke modderpoelen, losse steenen of vaste groeven vielen. De Mas zegt, dat de landbouw drie vijfden van de producten absorbeert, terwijl hij twee vijfden aan den eigenaar en kapitalist overlaat; maar de voorwaarden van den arbeid loopen zoo zeer uiteen, dat het moeijelijk is eenige algemeene berekening te maken, buiten het feit dat kapitalist noch landbouwer eenige van die voordeelen geniet, welke beiden onder een beter systeem zouden verkrijgen; dat de kosten veel grooter, de opbrengst veel kleiner is en dat de algemeene welvaart lijdt onder den toestand van elk in het bijzonder. Wat men dan ook van de ontzenuwende werking van het klimaat en het gemis van prikkels voor de industrie moge zeggen, het is waarschijnlijk dat alle natiën, zelfs de meest industriële en vermogende, perioden van luiheid en werkeloosheid hebben doorloopen. China strekt tot voorbeeld om te bewijzen dat het klimaat alleen geen onoverwinnelijke hinderpaal voor krachtige werkzaamheid in de verschillende takken van veldarbeid, en dat het bezit van veel geen noodzakelijk beletsel is voor het verlangen om meer te verkrijgen en meer te genieten. De waarde der landerijen is zeer verschillend. De Mas zegt, dat de quinon (van 1000 vierk. vademen), in Pangasinan voor 220 à 250 dollars wordt gekocht; in de Laguna voor ƒ 250 à ƒ 300; in Ilocos Sur voor 300; in de omstreken van Manilla voor 1000. Hij schijnt de suiker over het algemeen als de beste kultuur te beschouwen. Hij geeft verschillende tabellen van de kosten en lasten van verschillende tropische producten, maar de groote onzekerheid, de kosten van bouw, de wisselvalligheden van het klimaat, de verwoestingen der insecten, de fluctuatie in het bedrag en de waarde van verkrijgbaren arbeid en de ebbe en vloed van aanbod en vraag maken alle berekeningen illusoir. Zijneapunteszijn intusschen wel waardig geraadpleegd te worden door belanghebbenden. Hij geeft als een resultaat van de rijstkultuureene winst van 24 pCt. als minimum, een voordeel van 76 pCt. als maximum per jaar op. Dit zou reeds een aanloksel genoeg zijn, vooral daar men zegt, dat de Spanjaarden meer van den landbouw dan van eenigen anderen tak van bedrijf, en meer van landbezit dan van eenigen anderen eigendom houden, volgens hun oud lied.—Indigo zou, volgens de Mas, 100 pCt. opleveren. Met koffij, zegt hij, kan men zijn kapitaal in vier jaren verdubbelen. Cacao levert 90 pCt. op. Pogingen om moerbeziën-kultuur voor zijdewormen in te voeren, zijn niet gelukt, ofschoon de soorten, die men naar Europa gezonden heeft, om hunne uitmuntende kwaliteit bekroond zijn geworden. De wormen vereischen meerdere aandacht dan de Indianen daaraan wijden en hetzelfde kan men zeggen van muskaatnoten, kaneel en van elk product, dat onafgebroken zorg vereischt. De weelderige producten der Philippijnen zullen niet ligt eene meer doelmatige wijze van kultuur ondergaan.De eigendomsregten behooren verzekerd en erkend te zijn in een land, dat niet opgemeten of gekadastreerd is; waar de vreemde bevolking heen en weêr trekt en onzeker is; waar de titels van eigendom voor het grootste gedeelte ontbreken en toeëigening van den grond weinig door de hoogere autoriteiten wordt gecontroleerd; waar geen landregt bestaat en de godsdienstige corporatiën de inlanders leiden. Het bezit van kleine grondstukken vermeerdert noodzakelijk de kosten van productie en het zou niet gemakkelijk zijn voor groote kapitalisten zich te vestigen, zonder dat het verkrijgen en de bebouwing van uitgestrekte gronden was gemakkelijk gemaakt. Zulke kapitalisten zouden de noodige verbeteringen in de landbouw-wetenschap invoeren; zij zouden met zich brengen heldere hoofden en flinke handen en zij zouden practische werking aan hoogere kennis geven. Algemeen wordt dan ook het verlangen uitgedrukt om landbouw-maatschappijen op te rigten, maar deze zijn veeleer de kinderen, dan wel de ouders van den vooruitgang en het talrijke en aanzienlijke genootschap, dat reeds te Manilla onder de benaming van de «Sociedad Economica» bestaat, heeft geene gewigtige veranderingen te weeg gebragt. Er bestaat in het Spaansche karakter eene te groote neiging om de «autoriteit» te beschouwen als de bron en den steun van alle hervormingen; maar de autoriteiten brengen in de meeste gevallen van producerende industriede grootste voordeelen door werkeloosheid en terugtrekking te weeg; niet hare tusschenkomst, maar die van de personen zelve is noodig; het is met de opheffing van beperkende bepalingen, de wijziging van wetten, die men zegt dat beschermen en begunstigen, maar die bescherming en begunstiging is eigenlijk de opoffering van de velen aan de weinigen. Het gouvernement kan ongetwijfeld het algemeene welzijn zeer bevorderlijk zijn door de kennis, die het kan verzamelen en verspreiden. Niets is wenschelijker dan dat de rijke gronden van de Philippijnen geheel door werkelijk wetenschappelijke kennis worden geëxploiteerd. Geologen, chemisten, mechaniciens, botanisten, allen kunnen ons veel leeren nopens de ruwe materialen van deze menigvuldige eilanden, die zoo aanlokkelijk voor den exploiteur zijn en zoo weinig geëxploiteerd worden. Bergen, bosschen, vlakten, beeken, rivieren, dat alles eischt nasporing en verbetering, die zij gewis zouden beloonen.Van de inlandsche producten, die door de Spanjaarden gevonden zijn, schijnt de drooge bergrijst het voornaamste artikel geweest te zijn, dat de Indianen tot voedingsmiddel gecultiveerd hebben, daar de wijze van irrigatie weinig bekend is en de wijze van kultuur op de eenvoudigste manier geschiedt. De zendelingen leerden de Indianen hunne landen te verdeelen, hun landbouw te verbeteren, hun oogst in te zamelen en over het algemeen hun toestand door meer kennis en doorzigt te verbeteren. Maïs en tarwe werden uit Amerika ingevoerd, ofschoon geruimen tijd het gebruik van tarwebrood ten dienste van de massa beperkt was. Tegenwoordig is de voorraad aan de behoeften van den verbruiker geëvenredigd. Meloenen, watermeloenen en verschillende vruchten, erwten, pompoenen, uijen, komkommers, knoflook en andere gewassen vonden spoedig hunnen weg uit Mexico naar de kerktuinen en van daar tot eene meer uitgebreide kultuur. Koffij sproot op het eiland Luzon in het wild voort, zonder dat zij door de inlanders werd ingezameld. Tabak werd onder bescherming van het gouvernement ingevoerd en is de belangrijkste bron van bestaan geworden. Peper en cassia groeijen ongemerkt, maar de klapperboom en de plantaan behoorden onder de meest kostbare van de bezittingen der Indianen en de areca werd niet minder hoog geschat. Indigo was inheemsch en voor den wildenkatoenboom werd geen zorg gedragen; het kan niet anders dan betreurenswaard genoemd worden, dat tegenwoordig zulk eene ongeëvenredigde zorg voor de oorspronkelijke producten van het land wordt gedragen en zoo weinig doeltreffende maatregelen worden genomen tot verbetering der hoeveelheid en tot uitbreiding der kultuur. Tegenwoordig bestaan er weinige gronden, waaraan behoorlijke arbeid en voldoend kapitaal besteed wordt. Voor die, welke in het bezit van de godsdienstige corporatiën zijn, kan weinig ten opzigte der verbetering van den landbouw verwacht worden, maar de bebouwde landen zijn meestal in handen van kleine inlandsche eigenaars. Waar de arbeider wordt gehuurd, verkrijgt hij eene dagelijksche bezoldiging, die van eene halve tot eene en een halve reaal (3½ tot 10 stuivers) verschilt in de onderscheidene provinciën.De quinon is de gewone landmaat; hij wordt verdeeld in 10baletas, deze in 100loanes, die 31,250 Castiliaansche varas vertegenwoordigen. Drie werklieden zijn voldoende voor de bebouwing van een quinon. In 1841 vaardigde de kapitein-generaal Urbiztondo een decreet uit, waarbij de invoer van Chinesche landbouwers door landeigenaars werd aangemoedigd, vooral met het oog op de suiker-, indigo en hennep-kultuur. Men verwachtte een gunstige ommekeer van dit besluit—het bleef echter eene doode letter. Ingevoerde arbeid, aan alle soort van dwang onderhevig, kan op den duur niet met vrije inlandsche arbeid mededingen.Dit vraagstuk is van zeer groot belang in zijne vertakkingen en invloed op de koloniale belangen, als daarbij de vrije handel en de vrije arbeid van de mededingende wereld wordt ter sprake gebragt. Ik betwijfel zeer of de krachten van de West-Indiën—afhangende van aangevoerde en kostbare immigranten—met de rijke velden van de Oost kunnen wedijveren, als kapitaal en vlijt toegepast worden op den meer vruchtbaren grond, het beter klimaat en de minder kostbare middelen van productie. De vooruitgang is daar slechts de natuurlijke ontwikkeling van de elementen, waarmede de Voorzienigheid die landen bedeeld heeft, terwijl in de West-Indische koloniën alles gedwongen en onnatuurlijk is tegen ontzaggelijke sommen aangekocht en door voortdurende offers onderhouden wordt.
DeLeges de Indias(wetten van de Indiën) erkennen met geestdrift de ongeregtigheden en onregtvaardigheden, waarvan de Indianen voortdurend de slagtoffers zijn, en trachten de geneesmiddelen daartegen te verschaffen; zij verklaren onbillijke overeenkomsten nietig, gelasten de overheden om daden van verdrukking streng te straffen en zeggen ronduit, dat de transactiën van de Spaansche kolonisten dikwijls zijn geweest «de ondergang van de Indianen». Zij doen uitkomen, dat in sommige gevallen door schraapzucht, in andere door vadsigheid, misdadige handelingen zijn gepleegd door de Mestizen, die gewoonlijk de tusschenpersonen zijn bij overeenkomsten tusschen kolonisten en inlanders. De plaatselijkeordenanzas, die talrijk zijn en zeer vele punten behandelen, hebben ten doel den Indiaan de vruchten van zijn’ arbeid te verzekeren—hem te beschermen tegen zijne eigene ondoordachtzaamheid en de schraapzieke afpersingen van hen, tot wie hij zich wendt, als hij in moeijelijkheden verkeert; zij voorzien tegen de usurpatie van zijne gronden, verklaren den souverein tot regtmatigen eigenaar van hetgeen door geen erfgenaam wordt opgeeischt, en dringen er op aan, dat de Indiaan overal van den grond, dien hij bebouwt, op eene voldoende wijze de middelenvan bestaan zal erlangen; de ophooping van eigendommen, welke door kerkelijke ligchamen van de Indianen zijn verkregen, wordt er in verboden, en desniettegenstaande zijn onmetelijke landerijen in het bezit van de monniken-orden. Er bestaan ook bepalingen, om gemeentegronden voor algemeen gebruik af te zonderen, afgescheiden van de private bezittingen. Verscheidene dier verordeningen hebben zulk een onbepaald karakter, dat men daardoor zeker kan zijn, dat zij niet worden nageleefd; andere dalen tot zulke particulariteiten en specialiteiten af, dat het onmogelijk is, ze op te volgen. Het een-en-zeventigste artikel bijv. noodzaakt de Indianen «om nuttige boomen, geschikt voor den grond, te planten», om tarwe, rijst, maïs, groenten, katoen, peper, enz. op geschikte plaatsen te zaaijen—om te onderhouden «elk soort van vee, eigenaardig aan de localiteit»; om «vruchten te doen groeijen in hunne tuinen en boomgaarden rondom hunne huizen»; om te houden «op zijn minst twaalf kippen en een haan» (eene zeer overtollige wetsbepaling) en «een jong varken van het vrouwelijk geslacht»; zij moeten aangemoedigd worden om kleederen en touwwerk te vervaardigen en als zij gedurende twee jaren in deze verpligtingen te kort schieten, zullen zij hunne landerijen verliezen, die bij eene publieke proclamatie aan anderen zullen worden geschonken. Er bestaat inderdaad geen onbeperkt eigendomsregt op den grond onder de Indianen; de grond kan altijd worden genomen en weder toegeëigend door de Spaansche autoriteiten. De landerijen worden bezeten onder voorwaarde, dat zij bebouwd zullen worden. Er zijn gronden, die door Spanjaarden en voornamelijk door corporatiën van de geestelijkheid bezeten worden en in naam huur betalen aan de kroon, maar die huur is zóó klein, dat zij niet noemenswaardig is. Er bestaat geene moeijelijkheid om gronden voor niet te krijgen, slechts onder de voorwaarde om ze in kultuur te brengen. Langdurig gebruik en langdurig bezit hebben ongetwijfeld regten doen geboren worden, waaraan zulk eene waarde wordt gehecht, dat zij kunnen gehandhaafd worden tegen private vorderingen of eischen van algemeen nut. Er ontstaan geschillen over hetgeen door het woord «kultuur» moet worden verstaan, en het land is vol van geschillen en processen over landbezit. De groote grondeigenaars spreken altijd van de moeijelijkheidom onafgebroken arbeid te verkrijgen, van de noodzakelijkheid om voortdurend voorschotten aan den landbouwer te moeten geven, van den roof, waaraan de rijpe oogst bloot staat. Daarom zijn zij gewoon de landerijen aan de bebouwers in het klein te verhuren, die geringe en onvoldoende voordeelen aan de eigenaars en aan de markt bezorgen. Zij beklagen zich over den naijver en den onwil van de Indianen, over hun geheimen en openlijken tegenzin tegen vreemdelingen en over de te groote toegevendheid van de «wet van de Indiën». Het schijnt mij toe, dat er een ruim veld bestaat voor voordeelige landbouwkundige proeven, misschien niet zoo zeer in de onmiddellijke nabijheid van groote en volkrijke plaatsen, dan wel op de uitgestrekte plaatsen van onbebouwd terrein, waarvan men eene ruime opbrengst kan trekken alleen door attentie en kapitaal, volharding en kennis. De landbouwer zou zich ongetwijfeld een vast en onherroepelijk bezit kunnen verzekeren. Eenmaal door het gouvernement in bezit gesteld, moet hij tegen elke verkorting van zijn regt beschermd worden. Ik geloof niet aan de onoverwinnelijke traagheid van de Indianen, wanneer zij behoorlijk worden aangemoedigd. Ik vernam toch, dat een inlander in een der meest verwijderde dorpen, dat ik in Pinay bezocht, door een monnik was aanbevolen suiker te planten. Hij deed dit en verkreeg vijf honderd dollars voor de opbrengst, die hij voor de eerste maal naar Iloilo bragt. In het tweede jaar verkrijgt hij een duizendtal; en anderen volgden nu zijn voorbeeld. Een weinig meer arbeid produceert zooveel dat de geringste impulsie groote resultaten oplevert, vooral waar die over eene groote uitgestrektheid wordt aangewend. Maar de Indiaansche luiheid is niet alleen nadeelig door de weinige hulp, die daardoor geboden wordt aan den landbouw in de voorbereiding, het zaaijen, bezorgen en inhalen van den oogst; men mist daardoor ook die groote werkzaamheid, welke veeleer als van publiek dan van particulier belang kan geacht worden. Van daar het gemis aan gemakkelijke irrigatie, de onvoldoende toestand van de rivierwerken, het gebrek aan kanalen, de slechte toestand der wegen op zoo menige plaats. De jaargetijden brengen de stroomen aan en de bergstroomen scheppen de geulen, maar het water verdwijnt in de zee en de landbouwer brengt zijne producten,zoo goed hij kan, te midden van rotsen, van zand en modder, die de watervallen achter hem hebben gelaten. Ik heb lastbeesten gezien, die vruchteloos poogden zich met hunne lasten uit de poelen te trekken, waarin zij waren gevallen en waar hunne geleiders ze eindelijk achterlieten. Men heeft mij zelf naar volkrijke plaatsen in palanquins gedragen, terwijl de dragers, soms 16 in getal, tot hunne enkels in dikke modderpoelen, losse steenen of vaste groeven vielen. De Mas zegt, dat de landbouw drie vijfden van de producten absorbeert, terwijl hij twee vijfden aan den eigenaar en kapitalist overlaat; maar de voorwaarden van den arbeid loopen zoo zeer uiteen, dat het moeijelijk is eenige algemeene berekening te maken, buiten het feit dat kapitalist noch landbouwer eenige van die voordeelen geniet, welke beiden onder een beter systeem zouden verkrijgen; dat de kosten veel grooter, de opbrengst veel kleiner is en dat de algemeene welvaart lijdt onder den toestand van elk in het bijzonder. Wat men dan ook van de ontzenuwende werking van het klimaat en het gemis van prikkels voor de industrie moge zeggen, het is waarschijnlijk dat alle natiën, zelfs de meest industriële en vermogende, perioden van luiheid en werkeloosheid hebben doorloopen. China strekt tot voorbeeld om te bewijzen dat het klimaat alleen geen onoverwinnelijke hinderpaal voor krachtige werkzaamheid in de verschillende takken van veldarbeid, en dat het bezit van veel geen noodzakelijk beletsel is voor het verlangen om meer te verkrijgen en meer te genieten. De waarde der landerijen is zeer verschillend. De Mas zegt, dat de quinon (van 1000 vierk. vademen), in Pangasinan voor 220 à 250 dollars wordt gekocht; in de Laguna voor ƒ 250 à ƒ 300; in Ilocos Sur voor 300; in de omstreken van Manilla voor 1000. Hij schijnt de suiker over het algemeen als de beste kultuur te beschouwen. Hij geeft verschillende tabellen van de kosten en lasten van verschillende tropische producten, maar de groote onzekerheid, de kosten van bouw, de wisselvalligheden van het klimaat, de verwoestingen der insecten, de fluctuatie in het bedrag en de waarde van verkrijgbaren arbeid en de ebbe en vloed van aanbod en vraag maken alle berekeningen illusoir. Zijneapunteszijn intusschen wel waardig geraadpleegd te worden door belanghebbenden. Hij geeft als een resultaat van de rijstkultuureene winst van 24 pCt. als minimum, een voordeel van 76 pCt. als maximum per jaar op. Dit zou reeds een aanloksel genoeg zijn, vooral daar men zegt, dat de Spanjaarden meer van den landbouw dan van eenigen anderen tak van bedrijf, en meer van landbezit dan van eenigen anderen eigendom houden, volgens hun oud lied.—Indigo zou, volgens de Mas, 100 pCt. opleveren. Met koffij, zegt hij, kan men zijn kapitaal in vier jaren verdubbelen. Cacao levert 90 pCt. op. Pogingen om moerbeziën-kultuur voor zijdewormen in te voeren, zijn niet gelukt, ofschoon de soorten, die men naar Europa gezonden heeft, om hunne uitmuntende kwaliteit bekroond zijn geworden. De wormen vereischen meerdere aandacht dan de Indianen daaraan wijden en hetzelfde kan men zeggen van muskaatnoten, kaneel en van elk product, dat onafgebroken zorg vereischt. De weelderige producten der Philippijnen zullen niet ligt eene meer doelmatige wijze van kultuur ondergaan.
De eigendomsregten behooren verzekerd en erkend te zijn in een land, dat niet opgemeten of gekadastreerd is; waar de vreemde bevolking heen en weêr trekt en onzeker is; waar de titels van eigendom voor het grootste gedeelte ontbreken en toeëigening van den grond weinig door de hoogere autoriteiten wordt gecontroleerd; waar geen landregt bestaat en de godsdienstige corporatiën de inlanders leiden. Het bezit van kleine grondstukken vermeerdert noodzakelijk de kosten van productie en het zou niet gemakkelijk zijn voor groote kapitalisten zich te vestigen, zonder dat het verkrijgen en de bebouwing van uitgestrekte gronden was gemakkelijk gemaakt. Zulke kapitalisten zouden de noodige verbeteringen in de landbouw-wetenschap invoeren; zij zouden met zich brengen heldere hoofden en flinke handen en zij zouden practische werking aan hoogere kennis geven. Algemeen wordt dan ook het verlangen uitgedrukt om landbouw-maatschappijen op te rigten, maar deze zijn veeleer de kinderen, dan wel de ouders van den vooruitgang en het talrijke en aanzienlijke genootschap, dat reeds te Manilla onder de benaming van de «Sociedad Economica» bestaat, heeft geene gewigtige veranderingen te weeg gebragt. Er bestaat in het Spaansche karakter eene te groote neiging om de «autoriteit» te beschouwen als de bron en den steun van alle hervormingen; maar de autoriteiten brengen in de meeste gevallen van producerende industriede grootste voordeelen door werkeloosheid en terugtrekking te weeg; niet hare tusschenkomst, maar die van de personen zelve is noodig; het is met de opheffing van beperkende bepalingen, de wijziging van wetten, die men zegt dat beschermen en begunstigen, maar die bescherming en begunstiging is eigenlijk de opoffering van de velen aan de weinigen. Het gouvernement kan ongetwijfeld het algemeene welzijn zeer bevorderlijk zijn door de kennis, die het kan verzamelen en verspreiden. Niets is wenschelijker dan dat de rijke gronden van de Philippijnen geheel door werkelijk wetenschappelijke kennis worden geëxploiteerd. Geologen, chemisten, mechaniciens, botanisten, allen kunnen ons veel leeren nopens de ruwe materialen van deze menigvuldige eilanden, die zoo aanlokkelijk voor den exploiteur zijn en zoo weinig geëxploiteerd worden. Bergen, bosschen, vlakten, beeken, rivieren, dat alles eischt nasporing en verbetering, die zij gewis zouden beloonen.
Van de inlandsche producten, die door de Spanjaarden gevonden zijn, schijnt de drooge bergrijst het voornaamste artikel geweest te zijn, dat de Indianen tot voedingsmiddel gecultiveerd hebben, daar de wijze van irrigatie weinig bekend is en de wijze van kultuur op de eenvoudigste manier geschiedt. De zendelingen leerden de Indianen hunne landen te verdeelen, hun landbouw te verbeteren, hun oogst in te zamelen en over het algemeen hun toestand door meer kennis en doorzigt te verbeteren. Maïs en tarwe werden uit Amerika ingevoerd, ofschoon geruimen tijd het gebruik van tarwebrood ten dienste van de massa beperkt was. Tegenwoordig is de voorraad aan de behoeften van den verbruiker geëvenredigd. Meloenen, watermeloenen en verschillende vruchten, erwten, pompoenen, uijen, komkommers, knoflook en andere gewassen vonden spoedig hunnen weg uit Mexico naar de kerktuinen en van daar tot eene meer uitgebreide kultuur. Koffij sproot op het eiland Luzon in het wild voort, zonder dat zij door de inlanders werd ingezameld. Tabak werd onder bescherming van het gouvernement ingevoerd en is de belangrijkste bron van bestaan geworden. Peper en cassia groeijen ongemerkt, maar de klapperboom en de plantaan behoorden onder de meest kostbare van de bezittingen der Indianen en de areca werd niet minder hoog geschat. Indigo was inheemsch en voor den wildenkatoenboom werd geen zorg gedragen; het kan niet anders dan betreurenswaard genoemd worden, dat tegenwoordig zulk eene ongeëvenredigde zorg voor de oorspronkelijke producten van het land wordt gedragen en zoo weinig doeltreffende maatregelen worden genomen tot verbetering der hoeveelheid en tot uitbreiding der kultuur. Tegenwoordig bestaan er weinige gronden, waaraan behoorlijke arbeid en voldoend kapitaal besteed wordt. Voor die, welke in het bezit van de godsdienstige corporatiën zijn, kan weinig ten opzigte der verbetering van den landbouw verwacht worden, maar de bebouwde landen zijn meestal in handen van kleine inlandsche eigenaars. Waar de arbeider wordt gehuurd, verkrijgt hij eene dagelijksche bezoldiging, die van eene halve tot eene en een halve reaal (3½ tot 10 stuivers) verschilt in de onderscheidene provinciën.
De quinon is de gewone landmaat; hij wordt verdeeld in 10baletas, deze in 100loanes, die 31,250 Castiliaansche varas vertegenwoordigen. Drie werklieden zijn voldoende voor de bebouwing van een quinon. In 1841 vaardigde de kapitein-generaal Urbiztondo een decreet uit, waarbij de invoer van Chinesche landbouwers door landeigenaars werd aangemoedigd, vooral met het oog op de suiker-, indigo en hennep-kultuur. Men verwachtte een gunstige ommekeer van dit besluit—het bleef echter eene doode letter. Ingevoerde arbeid, aan alle soort van dwang onderhevig, kan op den duur niet met vrije inlandsche arbeid mededingen.
Dit vraagstuk is van zeer groot belang in zijne vertakkingen en invloed op de koloniale belangen, als daarbij de vrije handel en de vrije arbeid van de mededingende wereld wordt ter sprake gebragt. Ik betwijfel zeer of de krachten van de West-Indiën—afhangende van aangevoerde en kostbare immigranten—met de rijke velden van de Oost kunnen wedijveren, als kapitaal en vlijt toegepast worden op den meer vruchtbaren grond, het beter klimaat en de minder kostbare middelen van productie. De vooruitgang is daar slechts de natuurlijke ontwikkeling van de elementen, waarmede de Voorzienigheid die landen bedeeld heeft, terwijl in de West-Indische koloniën alles gedwongen en onnatuurlijk is tegen ontzaggelijke sommen aangekocht en door voortdurende offers onderhouden wordt.