Bij den Admiraal staat een jong Kapitein. (Bladz. 204.)Bij den Admiraal staat een jong Kapitein. (Bladz. 204.)
Bij den Admiraal staat een jong Kapitein. (Bladz. 204.)
Bij den Admiraal staat een jong Kapitein met dunne lippen, scherpe gelaatstrekken, flikkerende oogen en beweeglijke ledematen. Marten noemt hem wel eens „Baas Kwikzilver van Vloekenburg”.
Het is Kapitein Witte Cornelisz. De With, de bekende vechtersbaas, ruw in den mond, vreeselijk driftig, maar een held der helden en zulk een trouw vereerder en verdediger van zijn Vaderland, als de beste. De West-Indische Compagnie benoemde hem tot Kapitein op het Admiraalsschip, wel wetende, dat hij den Admiraal in nood en dood zou bijstaan.
„Hoe toch zoo ongeduldig, Kapitein?” hooren we Piet Heyn hem vragen.
„Och, laat mij, Admiraal, laat mij! Ik verveel me.”
„Nu ja, ik verveel mij ook. Ik wenschte ook wel van hierte kunnen trekken; maar wij kunnen toch niet uit pure liefhebberij om te vechten met de visschen gaan bakkeleien?”
„Ik weet het, Admiraal, ik weet het! Maar mij lokken die kantoorbezems van de West-Indische Compagnie....”
„U meent de Heeren Bewindhebbers, niet waar?”
„Nu ja, noem ze, zooals u wil, ik noem ze kantoorbezems. Mij lokken ze nooit weer aan boord van één hunner schepen! Is dat werk voor een eerlijk zeeman? Als een gemeene roover op den loer liggen! Eten, drinken, slapen, tijd verluieren! Bah, het is om zich dood te kniezen! Neen, dàt is werk van een’ zeeman, dàt: te worstelen met wind en stroom,—tegen den vijand opstaan, als een leeuw,—te midden van kruitdamp, het gedonder van kartouwen, het geknal der musketten, onder eene hagelbui van kogels, die links en rechts de kerels naast je neersmijten, als boomen in den storm, vooruit, al maar vooruit, neersabelend, wat je in den weg komt,—en eindelijk, naast het wapperende vlaggedoek van de Vereenigde Gewesten, het vijandelijke vaandel in flarden scheuren en de stukken den verslagene in het aangezicht smijten! Dàt is mannenwerk! Dàt moest ons werk zijn, Admiraal!”
Witte was bleek geworden van drift; geen enkel lid aan zijn lichaam of het was in beweging; zijne oogen flikkerden; zijne dunne lippen trilden; de neusgaten waren uitgezet, als van een hollend paard, en de rechterhand klemde zich stuipachtig om het gevest van het groote heupzwaard.
„Witte, Witte, bedaar, mijn vriend! Wat helpt het, dat gij u al opwindt en boosmaakt? Geloof me, ook ik zou veel liever op het oogenblik dwars door een’ machtigen vijand heenslaan of een fort bestormen, dan hier zoo gluiperig en katachtig rondsluipen. Geloof me, ook mij prikkelt het hier van binnen vaak om wat te doen, zooals gij dat zoo gaarne wilt; maar ik gebruik mijn verstand; ik bedwing mijn lust en denk: waar niets te doen is, daar moet men wel rusten. En,—laat ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik al lang gehoopt heb, de Zilvervloot in te palmen, doch nu ik er toe geroepenben om het te beproeven, valt het werk mij tegen en wenschte ik wel, er mij niet mede belast te hebben. Ik heb het evenwel op mij genomen, dat werk, en nu zou ik aan mijn’ plicht te kort doen, als ik niet trachtte, het doel te bereiken.”
„De vijand heeft hier toch bezittingen! Ginder ligt Havana! Laten we daar zilver en goud halen!”
„Ge zoudt dus willen, dat we die sterkte gingen aantasten? Weet gij dan niet, dat ik lastbrieven heb, die heel anders luiden? Men wil liever geen vaste bezittingen. Ze kosten te veel aan onderhoud en verdediging! Mijne lastbrieven moet ik derhalve gehoorzamen!”
„Lastbrieven! Laat er soep over koken! Wat weten die geldtellers, die op muilen achter hun’ lessenaar zitten, van het werk eens zeemans? Dat ze hun’ mosterdjongens bevelen geven, goed, daar zijn de luî mosterdjongens voor om dat te dulden. Maar ik ben geen lakei, geen page, geen knecht, geen buigend knipmes in een bont paljassenpak, geen dienende, gluipende, geeuwende mosterdjongen! Dat zijt gij ook niet, Admiraal! Weet ge, hoe lang we hier reeds als slakken voortkruipen op bevel van die zoogenaamde Heeren, die meenen met eene handvol goud alles te kunnen goedmaken, wat een eerlijk zeeman aan geweten opgeofferd heeft? Bah, ik haat die geldzakken met een menschengezicht!”
„Kapitein,” sprak thans Piet Heyn met gefronsde wenkbrauwen, „mag ik u verzoeken, u wat betamelijker uit te laten over onze Lastgevers? Door in hun’ dienst te gaan, hebben we stilzwijgend op ons genomen, hunne bevelen te gehoorzamen en hen, als onze Meesters te erkennen. Valt het u tegen, best, ik zeide u reeds, dat dit werk mij ook tegenvalt, ja, tegenstaat zelfs, doch het voegt ons te gehoorzamen. Zijn we eenmaal in het Vaderland terug, welnu, er is ook eene landsvloot, we kunnen van Meester verwisselen. Maar zoolang wij in dienst der West-Indische Compagnie zijn, is gehoorzamen onze plicht. Gaarne zag ik, dat gij u ook hieraan hieldt!”
„En als ik dat niet eens wil, Admiraal?”
„Gij moet willen, Kapitein! Gij moet, of....”
„Of? Ha, ha, vul niet aan, Admiraal, vul niet aan! Ik weet, wat ge zeggen wilt. Gij zoudt mij straffen, misschien wel met den kogel, of als een’ roover, en dat komt meer overeen met ons handwerk, met een’ strop!”
„Kapitein, dwing er mij niet toe! Ik zou het doen, bij mijne ziel, ik zou het doen. Ik zou mijn gezag handhaven. Maar, als ik het gedaan had, dan zou ik zijn, als een Vader, die zijn’ zoon ter dood geofferd had. Witte, ik houd veel van u, maar .... rechtvaardigheid sluit de liefde buiten. Bedenk dat, mijn vriend!”
Witte werd vreeselijk bleek, doch langzamerhand kwam hij tot bedaren. Hij begon zelf in te zien, dat hij in het ongelijk was en Piet Heyn de hand toestekende, zeide hij: „Admiraal, ik zàl gehoorzamen, hoe zwaar het mij ook vallen moge!”
„Dat wist ik wel, Witte, dat wist ik wel! En gaarne wil ik u ten gevalle zijn. Zoodra er wat te doen komt, zult gij niet vergeten worden, dat beloof ik u. Alleen dwing mij nu niet, mijne lastbrieven te buiten te gaan, of tegen de visschen te gaan vechten.”
„Admiraal,” sprak op dat oogenblik Marten, die de twee genaderd was, „Admiraal, ziet u wel, dat er verandering in de lucht is?”
„Laat den Admiraal met vrede! Ik ben je Kapitein. Je moet het mij zeggen. Ik zal daarna den Admiraal raadplegen,” sprak Witte.
Marten stond beteuterd daar, doch Piet Heyn zei: „Duid het den schipper niet euvel, Kapitein! Hij kent mij al zoo lang, en hij is altijd gewoon zich rechtstreeks tot mij te wenden!”
„Verkeerde gewoonten moeten afgeleerd worden,” zeide Witte en verwijderde zich met Piet Heyn naar het achterschip.
„Wel, zoo’n vloekbeest, zoo’n matrozenplaag, die pas komt kijken,” bromde Marten.
„Een’ uitbrander of afjakker gehad?” vroeg Kapitein Blokmaker,die het bevel over een ander schip had en slechts hier gekomen was om den Admiraal te raadplegen.
„Ja, maar ik wacht zoo iets niet meer van hem af. Wat verbeeldt de driftige gek zich wel?”
„Alles afwachten, Marten, alles, van stukje tot beetje. Daar zit niets anders op.”
„Gemakkelijk zeggen. Maar ik ben niet gewoon te dansen naar de pijpen van den eersten den besten windbuil, die bij ongeluk hier, als Kapitein, is komen aanwaaien.”
„Hei, hei, een windbuil is hij niet. Als we eens aan den slag gaan, dan wed ik, dat diezelfde windbuil wonderen van dapperheid verrichten zal. En weet ge, wat ik al lang opgemerkt heb?”
„Nu, zeg op, wat hebt gij opgemerkt?”
„Dit: wie Witte Cornelisz. de With tot Kapitein heeft moet maar op zijn tellen passen. Weinig praten en veel doen, dat staat bij hem op den voorgrond. En geeft hij onverdiend een’ afjakker, och, zwijg en duld, over een kwartier is hij het vergeten. En reken er op, dat hij wel zorgen zal, dat de paarden, die de haver verdienen, die ook krijgen. Hij is een driftige gek, dat geef ik toe; maar de grond van zijn hart is goed. Wat anders! Wij zullen hier zoo heel lang niet meer blijven. Het weer zal spoediger veranderen dan wij denken. Ik wed, dat we storm krijgen en heelemaal van den koers geslagen worden.”
„En hoe in dat geval met de Zilvervloot?”
„Wel, daar kunnen we dan naar fluiten! Als de Admiraal, evenals bij vorige gelegenheden, er niet wat anders voor in ruil neemt, dan komen we zoo mooi platzak thuis, als je ooit gezien hebt!”
Blokmaker had goed geoordeeld.
Het is twee dagen later en Blokmaker, die Piet Heyn bericht was komen brengen, dat er van zijn schip, waarmede hij op den uitkijk geweest was, nog niets van de Zilvervloot te zien was, is weer op het Admiraalsschip.
De vloot, die zoo doelloos ronddreef, komt in beweging.Op alle schepen is ieder in de weer. Er zal een storm komen, zooals er in deze streken zoo vaak een verderf en vernieling brengt. De tempeesten bij de Groote en Kleine Antillen zijn bij al wat zeeman heet, berucht. De wind uit het Oosten wakkert aan.
Piet Heyn staat op de kampanje van zijn schip. Zijn gelaat is betrokken.
„Er komt werk, Kapitein, maar ander werk dan we gewenscht hebben! Het is, alsof het ons nooit gelukken zal die Zilvervloot te krijgen,” sprak hij tot Witte.
„Heel best, Admiraal! Kunnen we niet met den Spanjaard aan het kloppen gaan, dan maar gevochten met de elementen. Liever zoo dan anders!”
„Jawel, maar de Zilvervloot!”
„Och, Admiraal, dat is niemendal! Ik ken een’ Admiraal, die zoolang nog niet geleden, ook op de Zilvervloot uitging. Hij liep ze mis; maar niet gewoon om thuis te komen zonder de boterham verdiend te hebben, maakte hij in de Allerheiligen-baai een twintig prachtig geladen schepen prijs, en dat niet zoo maar op zijne slofjes, doch met de tanden te laten zien en toe te bijten. Wij moeten het voorbeeld van dien Admiraal maar volgen. Dat is in alle gevallen iets beters ook.”
Piet Heyn begreep natuurlijk, dat Witte hem bedoelde. Hij liet dat evenwel niet blijken en zeide: „Ik geloof, dat ge denkt, dat we, als we de Zilvervloot mochten ontmoeten, die zoo maar voor het nemen zullen hebben! Ge kunt u wel eens vergissen, Kapitein!”
„Mijnentwege graag: maar ik verwed er ik weet niet wat onder, dat er in dat geval, al bitter weinig te vechten zal vallen!”
„Hei, hei, de Spanjaard zal toch zoo laf niet zijn, dat hij zich met zijne kostbare lading zoo maar zonder slag of stoot overgeeft?”
„Och, Admiraal, ik heb eerbied voor de dapperheid van den Spanjaard. Er zijn flinke kerels onder, en wat flinke ook!Maar wat hebben die luî aan al de schatten, die ze naar Spanje brengen moeten? Als ze daar aankomen, krijgen ze geen duit ter belooning, en al het zilver en goud wordt in de schatkist,—precies een vat zonder bodem,—gestort. Ze verdedigen hun’ eigendom niet, en dan is men niet veel meer dan een huurling, die een’ vreemden Vorst dient. Komt het op een vechten aan, dan kiezen ze het hazenpad. Men raakt niet aan hunne koude kleeren en nog veel minder komt men aan hun leven. Al dat zilver en goud bederft ieder karakter en dat van den flinken zeeman ook. Als een matroos van duiten hield, dan zouden er in de Republiek duizenden spaarpotjes meer zijn!”
„Ge kunt gelijk hebben, Kapitein!”
„En let op! Als wij de Zilveren vloot mochten nemen, dan zullen onze matrozen, als er gevaar bestaat, dat de vijand dien buit terughalen zal, het geroofde verdedigen met moed en bloed, doch worden ze andermaal uitgezonden om eene nieuwe Zilvervloot te kapen, dan, bij de eerste gelegenheid de beste, dat ze aangevallen worden, geven ze zich over, zonder de hand uitgestoken te hebben om te bewaren, wat ze in lading hebben.”
„Dat geloof ik nog zoo gauw niet!”
„Ik wel. Als we den buit binnenbrengen, dan is daar bij ons ook een bodemloos vat, en het volk, met eene bedelaarsfooi naar huis gestuurd, zal een heel ander volk geworden zijn! Admiraal, ik heb zoo mijne manier van denken! We zullen zien wie er gelijk heeft, ik of u.”
Misschien zou dit gesprek nog verder voortgezet zijn, als het onweer niet plotseling begonnen was in al zijne vreeselijkheid uit te barsten. Er was nu geen tijd om gesprekken te voeren, want de tempeesten in de Amerikaansche wateren waren nog veel gevaarlijker dan de beruchte stormen aan Kaap de Goede Hoop, waar men aan een deel der zee daarom den naam van „Matrozen-kerkhof” gegeven had. Zeker zijn er in de wateren der Antillen veel meer zeemanslevens verloren gegaan dan in den Oceaan ten Zuiden van de Kaap.
Het was nu stellig middag, en toch werd het zoo verbazend donker, dat men tusschendeks bijna niets zien kon. Vreeselijke bliksemstralen doorkruisten het loodblauwe zwerk en de donderslagen volgden elkander zoo schielijk op, dat ze in één, in één ontzaglijk geluid samensmolten. Steeds nam de storm in hevigheid toe en zelfs de stoutste matrozen stonden ontzet. Zoo hadden ze het nog nooit bijgewoond. Het werd een orkaan, die met reuzenkrachten alles voor zich uitjoeg, wat hem in den weg kwam. Ook Marten en Blokmaker, welke laatste geen tijd meer had kunnen vinden om naar zijn eigen schip terug te keeren, zoo ontzettend snel was het noodweer opgekomen, herinnerden zich niet, ooit zulk een’ storm bijgewoond te hebben.
„Kijk hem eens,” schreeuwde Marten zijn’ vriend Blokmaker in het oor, en hij wees naar het achterschip waar de roerganger stond.
Blokmaker stond als verslagen toen hij zag, wie daar het zware werk van den roerganger deed.
Het was Kapitein Witte Cornelisz. de With!
Marten, die zoo op hem gescholden had, werd bleek van aandoening en zijne oogen al wijder en wijder geopend, werden één groot stuk bewondering. Hij had voor dien man wel willen knielen, ja, diep knielen voor dien orkaan-held!
Eene prachtige figuur was hij. De oude Grieken en Romeinen zouden hun Oppergod Jupiter zoo in beeld gehouwen hebben!
Het was een lust hem aan te zien, zooals hij daar zelf het roer gegrepen had. Nu had hij een heel ander voorkomen. Hij geleek een’ Ridder, die een’ draak ging bestrijden. Rustig, mannelijk, fier, vastbesloten, onwrikbaar stond hij daar! De hoed was hem van het hoofd gewaaid. De lange haren fladderden, als een bos dunne draden, in den wind. Zijne oogen stonden als altijd. Geen spier van zijn gelaat gaf het geringste teeken van vrees te kennen. Alles, alles was leeuwenmoed in en aan hem. Zóó, zóó moest men hem gezien hebben, dan zou men voor hem door een vlammend vuur loopen.
„Een man om voor te knielen,” fluisterde Marten. „Ja, ja, knielen! En ik, vernagelde goteling, die ik ben, ik durfde hem „windbuil” schelden! Hem! Hem!”
„Wie op heel de vloot doet hem dat na? Wie? Wie?” vroeg Blokmaker zichzelf af.
Hij daar aan het roer lette niet op Marten, niet op Blokmaker, niet op al de matrozen, die in stomme bewondering hem aanstaarden, hem, dien ze al zoo vaak verwenscht hadden!
Hij zag zelfs zijn’ Admiraal Piet Heyn niet, die met schitterende en flikkerende oogen hem aanstaarde!
Hij zag niets anders dan wat hij zien moest, het kompas en de neertuimelende en weer omhoogstijgende waterbergen voor zich. Dat hij een held der helden was, hieraan dacht hij niet. Hij dacht alleen aan het behoud van den bodem, die aan zijne handen toevertrouwd was.
Lang echter stond hij daar niet, want zoo vreeselijk als het tempeest was, zoo kort was het ook. Toen de avondzon aan de verstrooide en van elkander geslagen schepen haar’ nachtgroet toezond, waren storm en zee bedaard, en later bleek het, dat er slechts één schip bij verloren gegaan was. Het was dat van Kapitein Blokmaker, die nu Kapitein zonder schip was.
Van Havana was evenwel niets meer te zien en, hoewel de storm uitgewoed was, zoo kon Piet Heyn, door den stroom en den wind tegengewerkt, onmogelijk naar de plaats, vanwaar de vloot weggeslagen was, terugkeeren.
Wat geen wacht had, ging ter kooi. Ook schipper Marten kon dat doen, doch wie hem beluisterd had toen hij daar lag, had hem kunnen hooren mompelen: „Een roerganger om voor te knielen!”
Intusschen had de Gouverneur van Havana, Don Lorenzo de Cabrera, de Nederlandsche vloot wel ontdekt. Hij begreep zeer goed, wat zij in haar schild voerde. Daarom zond hij eene bark in zee om den Admiraal der Zilvervloot, Don Francisco de Buenavida, te waarschuwen, niet uit te zeilen, wijl hij anders gevaar liep, overmeesterd te zullen worden. Den achtentwintigsten Augustus was Piet Heyn na veel worstelens weer zoo ver teruggekeerd, dat hij het eiland Cuba opnieuw in het gezicht kreeg. Van vijandelijke schepen was evenwel niets te zien.
Den volgenden dag stonden Piet Heyn en Witte weer samen te beraadslagen hoe men nu verder handelen zou, toen Marten, die maar altijd op den loer lag of hij niets verdachts zag, weer op de beide Scheepshoofden afkwam. Ditmaal dacht hij er evenwel aan, niet tot den Admiraal, maar tot Witte te spreken.
„Kapitein,” zei hij, „ginder is een zeil!”
„Ik zie het niet,” antwoordde Witte.
„Ik ben zoo gelukkig hier aan boord de beste oogen te hebben, Kapitein! Ik zie een zeil. Het is geen Hollander!”
Piet Heyn richtte nu ook zijn’ eenvoudigen scheepskijker in de aangewezen richting en sprak: „De schipper heeft gelijk; het is eene Spaansche bark.”
„Dan er op af,” riep Witte en aanstonds gaf hij bevel de bark na te zetten.
Het bleek evenwel spoedig, dat dit niet ging. De bark scheen beter zeiler dan het Hollandsche Admiraalsschip.
„Admiraal, laat mij een jacht nemen en het nazetten,” sprak Witte.
„Goed, Kapitein, doe dat!”
In een oogenblik was het jacht de „Vos”, bemand met eenveertigtal flinke gasten onder bevel van Witte Cornelisz. De With. Ook Marten en Blokmaker waren, met goedvinden van Piet Heyn, aan boord van dat scheepje gegaan. Zij wilden met dien Kapitein wel eens een kansje wagen. En nu zagen ze met bewondering, welk een uitmuntend zeeman hij ook in allerlei kleinigheden was, en later getuigden ze, dat hij hen gedurig beschaamd zette; want menigmaal werd er zulk eene beweging gemaakt, dat ze dachten: „Waar moet dat nu heen?” en een paar oogenblikken later zagen ze, dat ze door die vreemde beweging weer een heel eind op de bark gewonnen hadden. Hij wist van alles gebruik te maken. Niets ontging zijn oog. Eindelijk hadden ze de bark binnen schot.
„Vuur,” beval Witte.
Het kanon brandde los;—de Spaansche bark streek de vlag.
„Ellendige lafaards,” schold Witte. „Wie geeft zich nu bij het eerste schot het beste, over?”
Men kon zien, dat het hem speet, dat er geen tegenweer geboden werd, en weldra was men de bark terzijde. Witte klom er aan dek en vroeg den Kapitein: „Waarheen, Senor?”
„Ik heb van den Gouverneur van Havana bevel gekregen, den Admiraal der Zilvervloot te waarschuwen, dat er kapers op de kust zijn,” gaf de Spaansche Kapitein openhartig ten antwoord.
„Waar houdt die vloot zich op?”
„Ik heb al verscheidene dagen gekruist en ze nog niet gevonden,” luidde het antwoord.
„Ook al goed! Gij zult alvast niet meer voor verklikker spelen. Gij zijt mijn gevangene!”
„Dat begrijp ik wel. Het is mij geheel onverschillig. Zult ge ons ook over de kling jagen?”
„Lafaards hangen we,” beet Witte hem toe. „Maar wees gerust, we zullen niet aan uw leven komen.”
Witte ging thans met de bark op sleeptouw naar de vloot terug, en toen Piet Heyn vernam, wat de Kapitein van de bark in last had, gaf hij aanstonds bevel, dat het jacht de „Vos”, onder Witte’s aanvoering zou blijven kruisen omte zien, of er nog meer van die vaartuigen waren. De gevangen Kapitein had wel gezegd, dat hij alleen uitgezonden was, doch men vertrouwde hem niet. De man scheen al te oprecht. Op het Admiraalsschip werd Witte door Kapitein Blokmaker vervangen, zoodat de drie oude vrienden weer samen bleven.
Ondertusschen was een gedeelte der vloot onder bevel van den Vice-Admiraal Joost Banckers, nog altijd van de hoofdvloot gescheiden. Dit hinderde Piet Heyn; men kon niet weten, hoe men hem noodig had. Zoo werd het de achtste September.
„Twee zeilen! Twee zeilen!” riep de uitkijk opeens.
Iedereen zag het en spoedig werd men een Hollandsch schip gewaar, dat een’ prijsgemaakten Spanjaard achter zich had. Toen het schip nader kwam, zag men, dat het de „Witte Leeuw”, Kapitein Jan Jansz., van Hoorn was.
Bij den Admiraal gekomen vroeg deze: „Welk schip hebt gij buitgemaakt?”
„Een verdwaald lam uit de groote schaapskooi, Admiraal! Volgens het zeggen van den Spaanschen Kapitein moet de Zilvervloot niet ver meer af zijn.”
Dat bericht was weldra over de geheele vloot verspreid en het scheepsvolk vloog in het want om te zien, of de vloot nog niet in aantocht was. Aller hart klopte van verwachting. Zelfs Piet Heyn, die anders steeds zijne bedaardheid behield, kwam, of hij wilde of niet, in eene hevige spanning.
„Dat die stroom nu toch niet wat verandert,” zeide Piet Heyn tot Blokmaker. „Gij zult zien, dat ze ons nog ontsnappen, als dat zoo blijft.”
„Dan maar naar de Allerheiligen-baai of naar Havana,” antwoordde Blokmaker.
„Nu, met ledige handen zal ik niet thuiskomen, hoeveel het mij dan ook spijten zou, als de kans alweer verkeken was. Ik wil wel zeggen, dat ik nu zelf lust begin te krijgen in dien buit. Een paar dagen geleden had Witte mij bijna er toe gebracht om die Zilvervloot te laten loopen.”
Hij zweeg een oogenblik, keek naar het water en rieptoen: „Kijk, kijk toch dien stroom eens! Hij gaat nog sterker dan zooeven.”
Piet Heyn stampvoette van kwaadheid.
Had hij eens geweten hoe diezelfde stroom, die hem zoo scheen te tergen, juist de oorzaak zou zijn, dat ditmaal de kans voor hem niet verkeken zou wezen; want, waar hijhierde Hollandsche vloot tegenwerkte, deed hij wat verder een der vaartuigen der Zilvervloot op eene klip stooten, ten gevolge waarvan het een lek bekwam. De Bevelhebber, niet wetende, dat er eene Hollandsche vloot in de nabijheid was, gaf bevel het vaartuig te lossen om het zoo te kunnen kalfaten. Dit oponthoud deed de Zilvervloot in handen der Hollanders vallen; want had het niet plaats gehad, ze zou den dans ontkomen zijn. Eindelijk was het vaartuig hersteld; het werd weer geladen en den achtsten September ging de rijk geladen vloot onderzeil.
Piet Heyn was nu op de hoogte van Matanzas, eene havenstad, eenige mijlen ten Oosten van Havana gelegen, en de morgen van den negenden September begon aan te breken.
„Schipper, kijk eens! Zijn dat er wel van de onzen?” vroeg de barbier, die al ik weet niet hoeveel zenuwdrankjes geslikt had om niet zoo gedurig te beven.
„Alle boeren en vischvrouwen, dat zijn Spanjolen,” riep Marten, en zonder zich aan een’ uitval van den barbier te storen, liep hij de deur van de Kapiteins-hut open en viel languit op den grond.
„Zijt gij bezeten, kerel? Wie zijt gij?” riep Blokmaker, die niet zag, wie daar voorover in zijne kajuit viel.
„Wel tien Spaansche schepen zijn ons in het gezicht. Ik geloof, dat ze onze lichten voor die van Spaansche schepen hebben aangezien,” zeide Marten.
Maar Blokmaker was al op het dek en verstond de laatste woorden van zijn’ schipper niet. Hij liet terstond Piet Heyn roepen en toen deze verschenen was, gaf hij oogenblikkelijk bevel, daar er niet genoeg wind was om te zeilen, de booten en sloepen te bemannen en er jacht op te maken. Als hetwat lichter werd, zouden de vijanden hunne vergissing wel ontdekken. Dus: „Voort, voort! Haast je! Rept je!”
In een omzien waren de booten en sloepen in zee en de Spanjaarden ziende, dat ze in het net geloopen waren, zett’en alle zeilen bij om te ontvluchten. Maar dit belette hun de windstilte. Aangevuurd door den driftigen Witte, die gemaakt had, dat hij er met de „Vos” bij was, viel men de tien schepen aan en, tot ergernis alweder van „Kapitein Kwikzilver”, de Spanjaarden gaven zich bijna zonder slag of stoot over. Slechts één schip ontkwam.
Men was in de wolken van vreugde! De Zilvervloot nu al in handen, en dat zoo gemakkelijk! Het was niet te gelooven! Men brak de luiken open. Ieder wilde den schat, den gemakkelijk verkregen buit, zien!
Eilaci, hoe vond men zich bedrogen! Geen goud, geen zilver, geen paarlen, geen diamanten! Bah, alleen huiden, meel, brood, Campèche-hout, indigo, tabak, suiker en cochenille! Had men daarop zoolang geloerd? Was dàt nu de vloot, die Peru’s schatten naar Spanje bracht?
Maar stil, wat wordt daar gefluisterd? Zegt men daar niet, dat dit de Zilvervloot niet is? Zou deze dan waarlijk den dans ontsprongen zijn?
„Neen, niet ontsnapt! Ze moet nog komen,” bevestigt er dadelijk een, en zoo klonk het over en weer, tot het bevel gegeven werd, de prijsgemaakte bodems terstond naar de vloot te brengen.
Het viel Piet Heyn ook tegen; maar hij troostte zich met de gedachte: beter een half ei dan een ledige dop. Hij naderde een der gevangengenomen Spaansche Bevelhebbers, en vroeg: „Senor, is de Zilvervloot het ontkomen?”
„Neen! Ze is opweg om u even gemakkelijk in handen te vallen, als wij,” luidde het gulle antwoord.
„Waar is ze?”
„Eer het avond is, zult ge haar te loefwaart zien. Ze zou u evenwel zeker ontkomen zijn, als we geen oponthoud gehad hadden.”
„Hoe kwam dat?”
„De stroom, die ons tegen was, deed een der vaartuigen lek stooten en de Bevelhebber liet het lossen om het te kunnen kalfaten.”
„Wat zijn wij, menschen, toch kortzichtig,” zeide Piet Heyn tot Blokmaker. „Juist de stroom, dien we zoo verwenschten, zal ons de Zilvervloot in handen spelen!”
Toch liep het al tegen den middag eer andermaal het geroep klonk van: „Zeilen! Zeilen in ’t zicht!”
„Welke schepen zijn dat?” vroeg Piet Heyn aan denzelfden Spaanschen Kapitein.
„Dat zijn galeien der onzen!”
„Waarmede geladen?”
„Onbekend, Senor! Wij waren bij het laden niet tegenwoordig. Wij behooren niet tot de Zilvervloot!”
„Is dat dan de Zilvervloot?”
„Dat is ze!”
Een goed opmerker had niet meer te vragen of de Spanjaard wel waarheid sprak; want nauwelijks hadden de Spaansche galeien de Hollandsche vloot gezien, of ze zett’en het, onder begunstiging van het stijve koeltje, op de vlucht.
„Ze zullen de baai van Matanzas binnenloopen, Admiraal!” sprak Witte, die op het Admiraalsschip gekomen was om daar verdere bevelen te vernemen.
„We zullen ze nazetten. De baai is, vooral aan het begin, te ondiep voor galeien van zulk een’ diepgang en die zoo geladen zijn. Ze zullen aan den grond raken. Maar eer ze daar zijn, moet een schip der onzen er wezen. De „Vos” is een uitstekend zeiler. Aan u, Kapitein Witte, de eer, om met dat jacht den Spanjaard voor te zijn.”
„Ik zal hen voor zijn, Admiraal,” antwoordde Witte en in een’ ongelooflijk korten tijd was hij op zijn snelzeilend jacht en zette hij den vijand na, terwijl Piet Heyn intusschen de heele vloot voor den wind liet loopen.
Dit geschiedde terstond, doch het bracht de andere schepen van de vloot in twijfel omtrent de bedoeling van den Admiraal.Men wist niet of het hem te doen was om de zes galeien, die loefwaarts lagen, of om de zes andere van den wal te houden. Spoedig evenwel zag Piet Heyn, dat zijne pogingen vruchteloos waren. De galeien bereikten vóór hem de baai. Dit bracht evenwel den Spanjaarden geen uitkomst. Aan verdedigen werd niet gedacht. Wel gaven de Bevelhebbers last, de schepen, die aan den grond geraakt waren, vlot te helpen maken, doch bij dit werk raakten ze alle vast.
„Breng de lading aan den wal!” klonk het bevel van den Spaanschen Admiraal.
Maar bevelen krijgen en bevelen uitvoeren waren voor de verslagen Spaansche matrozen verschillende zaken. Het scheen, dat de angst en de schrik hunne armen verlamd, hunne gedachten zoek gemaakt hadden. Hier kwam er een met een vaatje spijkers aanzeulen. Daar viel er een, door de duisternis van den nacht, die ondertusschen ingevallen was, misleid, van de loopplank in het water. Ginds trachtte een derde zijn eigen boeltje aan den wal in veiligheid te brengen. De Admiraal werd half razend van nijd, en zou misschien zelf nog aan den arbeid gegaan zijn, zoo een der Onderbevelhebbers hem niet, als zijne meening gezegd had, dat ze hier wel aan den grond zaten, doch tegelijkertijd veilig. De Hollandsche schepen konden hier toch ook niet komen, en hen met booten en sloepen aanvallen, dat was te dol, om dat ook maar een enkel oogenblik te veronderstellen.
De Admiraal had echter genoeg van de Nederlanders gehoord, om het gevoelen van dien Kapitein niet toegedaan te zijn, doch zoodra hadden de manschappen niet gehoord, dat een der Kapiteins, als zeker verteld had, dat ze hier volkomen veilig waren, of ze deden nog minder dan vóór dien tijd, en zij, die dit zoo vast en zeker niet geloofden, werkten zóó traag en zóó onhandig, dat de nacht verliep zonder dat er iets van belang aan den wal in veiligheid gebracht was.
De onzen durfden in de duisternis niet onder den wal komen om niet hetzelfde lot te deelen van de vijandelijke schepen en omhoog te varen. Op het oogenblik viel er dusniets te doen dan de baai afsluiten, om loskomenden Spanjaarden het uitloopen te beletten.
Piet Heyn zag met een verstoord gelaat de Spaansche schepen, waarop hij al zoo lang had gewacht, liggen, en bromde: „Daar zijn ze nu, jawel, maar hoe krijgen wij ze?”
Ondeugend lachend kwam Marten hem nader, en alsof hij wist welke vraag de Admiraal zichzelf gedaan had, zeide de wakkere schipper niets anders dan: „San-Marcello do Mar, Admiraal!”
Piet Heyn had een goed antwoord gekregen.
Nauwlijks was de dageraad aangebroken of er werd op het Admiraalsschip krijgsraad gehouden, en toen alle Kapiteins bijeen waren, begon Piet Heyn met te zeggen: „Mannen, wij weten het, dat we de lang gezochte Zilvervloot voor ons hebben liggen in de vrij ondiepe baai van Matanzas. Gaarne zou ik uw’ raad willen inwinnen, wat nu in deze te doen om het tot een goed einde te brengen!”
Het eerst was het woord aan Loncq, den Vice-Admiraal, dan aan Claesz., den Schout-bij-nacht, en vervolgens aan de verschillende Kapiteins in volgorde van hun’ ouderdom, doch toen allen gesproken en hunne meening te kennen gegeven hadden, bleek het dat er niet één met hetzelfde voorstel voor den dag was gekomen en was Piet Heyn genoodzaakt uit de verschillende voorstellen het een en ander te nemen om een nieuw voorstel te doen, hetwelk hierop neerkwam: „Van elk schip doe de helft der bemanning een aanval op den vijand in booten en sloepen. De andere helft blijft aan boord en doe onze schepen zoo dicht mogelijk naderen om den aanval der booten en sloepen krachtig te ondersteunen!”
Dit voorstel werd aangenomen en thans repte men zich om het te gaan uitvoeren, doch vooraf vroeg een der Kapiteins of men den vijand kwartier moest geven, als hij er om vroeg, waarop Piet Heyn ten antwoord gaf, dat dit afhing van den tegenstand, dien men ontmoeten zou. Stelde de vijand zich dapper te weer, dan geen kwartier geven, doch gaf hij zich gauw over, dan wel. Lafaards waren nooit te vreezen, meende hij, ze mochten in het leven blijven.
„Dan krijgen ze allen kwartier!” zeide Witte lachende.
Zoodra alles besproken was, begaf ieder zich op zijn’ post en nauwelijks was dat geschied, of de booten en sloepen werden uitgezet en bemand.
Piet Heyn, Witte, Blokmaker en Marten voeren in twee booten naast elkander.
„Naar het Admiraalsschip, schipper!” beval Piet Heyn.
„Goed, Admiraal, het zal zoo zijn!” sprak Marten.
In het eerst scheen het, dat de Spaansche Bevelhebber zich wilde verweren, doch toen de onzen eenige musketschoten gelost hadden, hield alle vertoon van tegenweer op en kwam men de reusachtige galei terzijde.
„Hier liggen we nu!” mompelde Piet Heyn, „maar hoe komen we er tegen op?”
Daar viel Marten aan den boeg een afhangend touw in het oog.
„Ik ga touwen halen, Admiraal,” riep de oude schipper, en tot verbazing van alle matrozen, die in de boot zaten, klauterde hij als een aap naar boven.
Van deze stoute daad scheen de Spanjaard niets gezien te hebben, en zoodra Marten aan dek der galei was, riep hij met al de kracht zijner longen: „Hoezee voor Piet Heyn!”
Met behulp van Witte werden ras een paar touwen vlug vastgemaakt en uitgeworpen, zoodat spoedig de eene Hollander na den anderen op het dek sprong.
Het was of het: „Hoezee voor Piet Heyn!” van Marten de Spanjaarden met machteloosheid geslagen had. Ze dachten er niet aan, eerst dien éénen man en dan de enkele anderemannen neer te schieten of te verjagen. Het woord „Piet Heyn” had hen verlamd. Den man, die dezen korten naam droeg, kenden ze al te goed.
De een na den ander der onzen kwam op den Spanjaard, en toen Piet Heyn zelf er ook was, gaf de Spaansche Admiraal zich, zoo goed als na geen tegenstand, over.
De Spaansche vlag werd neergehaald en die van de West-Indische Compagnie in top geheschen.
Wat niet vluchten kon, viel op de knieën en bad.
Het geroep van: „Piet Heyn!” klonk van het eene Spaansche schip tot het andere, en overal bracht het schrik en sloeg er de vijand op eene lafhartige vlucht. Wat niet vluchten kon, viel op de knieën en bad:„Buena guerra! Buena guerra!”wat de Spaansche uitroep was voor: „Genade! Spaar mijn leven!”
Op hunne beurt stonden de Nederlanders over zooveel lafheid verslagen. Waakten ze of droomden ze? Waren het geen spookschepen, die ze daar met hunne fabelachtig rijke lading zonder slag of stoot veroverden?
Men dacht er niet lang over na en begon te plunderen.
Kisten en kasten werden opengebroken, en ofschoon men het niet in het openbaar durfde doen, velen waren er toch, die in alle stilte zich kostbare voorwerpen toeëigenden.
„Kijk eens, schipper! Een mes met gouden hecht en met briljanten omzet!” fluisterde de bottelier en liet het Marten zien.
„Hoe kom-je daaraan?”
„Het is buit, man, het is buit! Maak dat je ook wat krijgt. Nu laat de Admiraal het nog door de vingers zien. Straks is het uit! Toe, ga, er is nog veel meer!”
„De Heeren Bewindhebbers zullen het wel goedmaken. Ik steel niet,” sprak Marten en drukte vooral op steel.
„Bah, ze schepen ons af met koperen geldstukjes, dan kunnen de kinderkens er mee spelen! Je zult het zien. Wij krijgen er vast niet veel van!”
„Al kreeg ik niets! Ik wil mij niets toeëigenen, wat mij niet toekomt,” klonk het norsch.
Werkelijk had Piet Heyn wel gezien, wat er voorviel, doch, hoe wrevelig het hem stemde, hij zweeg.
„Admiraal, ziet ge wat er van ons scheepsvolk wordt, als ze voor een ander roovertje spelen? Ze stelen zelf zoo hard als de raven,” sprak Witte, en zijne dunne lippen plooiden zich tot een’ smadelijken lach.
„Och, Witte, zie dat een poosje door de vingers en zeg er nooit iets van. Doe maar, alsof ge het niet ziet.”
„Ik zou het ook bezwaarlijk kunnen verbieden, Admiraal! Toch doet het mij genoegen te zien, dat er nog zijn, die zich te goed houden om te kapen. Marten en Blokmaker zijn een paar ferme kerels!”
„Dat zijn ze, Witte! Maar laat het sein tot vereenigen geven. Het is het eenige middel om de plundering te doen ophouden.”
Witte deed het en spoedig kwamen de Kapiteins, de Vice-Admiraals en de Schout-bij-nacht bij Heyn aan boord om hem geluk te wenschen met de verovering, en te vragen, wat er nu gedaan moest worden.
„Nu alles zoo goed en spoedig is afgeloopen, moesten we terstond beginnen met de galeiën te lossen en al wat ze bevatten voor een deel over te brengen op onze schepen. De galeiën, die we vlot kunnen krijgen, behoeven niet ledig gehaald te worden. Maar spoedig, de tijd van het jaar dringt, en de Spaansche vloot kan ons overvallen eer we er op bedacht zijn,” luidde het bevel van den Admiraal.
Vijf dagen was men onvermoeid met het lossen bezig.
„Nu weet ik, Kapitein, hoe het komt, dat de Spanjool geen’ weerstand bood,” zeide aan het einde van den eersten dag Marten tot Witte.
„Ik ook, Marten! Al die schatten zijn van de Indianen gestolen. De Spanjaarden zijn dieven. Van de tien zijn er negen laf. Je bent dat zeker wel met mij eens. Wat anders. Met genoegen heb ik gezien, dat jij geen dievenbloed hebt en Kapitein Blokmaker heeft het ook niet. Dat lijkt me, en ik houd het ervoor, dat wij drieën het best met elkander zullen kunnen vinden.”
Een warme handdruk bezegelde deze woorden, waaropevenwel terstond volgde: „En nu aan het werk. Er is veel te doen en—we zijn nog niet thuis!”
Met verbazing had Marten onzen Witte hooren spreken, en eene kist beetpakkende, zeide hij: „Stille wateren hebben diepe gronden. Schijn bedriegt. Hij is zoo kwaad niet als zijn mutsje wel staat! Zijn er nog meer zulke spreekwoorden, pas ze dan op Witte Cornelisz. De With toe, Marten, en je zult wel doen! Jammer maar, dat hij zoo driftig is en dikwijls zoo ontzettend vloekt. In kalmte en vroomheid kan hij van onzen wakkeren Admiraal een lesje nemen!”
Den zeventienden September was alles gereed en gaf Piet Heyn bevel tot den terugtocht. Inmiddels had hij de jachten „de Ooievaar” en „de Vos” met Witte naar het Vaderland gezonden om daar den gunstigen uitslag van den tocht bekend te maken. „De Ooievaar” kwam den vijftienden November gelukkig aan. Schipper Salomon Willemsz. begaf zich terstond naar Den Haag om aan Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik de heugelijke tijding mede te deelen. Voor dit bericht ontving hij van den Prins een gouden keten. Op de vraag evenwel hoe groot vermoedelijk de buit was, kon hij echter geen antwoord geven. Geen wonder derhalve, dat men de terugkomst van de geheele vloot met het grootste verlangen te gemoet zag. De „toebackdrinckers” zaten tot diep in den nacht te midden van den rook, als haringen in eene bokkingkeet te praten over Piet Heyn en over de Zilvervloot.
Maar hoe ongeduldig de „toebackdrinkers” ook werden, ze moesten even goed geduld leeren oefenen, als de Heeren Bewindhebbers der Compagnie zelf. Eerst den zeven- en achtentwintigsten November kwamen er vijf schepen aan, en eene maand later nog drie. Toevallig hadden deze de keur van de lading niet in, zoodat velen al begonnen te roepen: „Nu, hier zal het wel zijn: veel geschreeuw en weinig wol!”
De oorzaak dezer vertraging lag niet aan den wakkeren Vlootvoogd; het was geheel buiten zijn toedoen.
Men had op de terugreis met veel tegenspoeden te kampen,en daar de meeste ververschingen op de vloot ontbraken, kwam er een groot getal zieken. Ja, de vloot was zóó verzwakt, dat het Piet Heyn alleen met de grootste moeite gelukte, zich door eenige Spaansche schepen, die op wacht lagen, heen te slaan en de havens van Plymouth en Falmouth binnen te loopen. Hij kon het niet tot Nederland brengen door de menigte zieken, die op alle schepen waren. Het gevolg hiervan was, dat hij zelf pas in het begin van Januari van het jaar 1629 in het Vaderland aankwam met de schepen, die den schat bevatten, en nu eerst hoorde men uit den mond van Piet Heyn hoe groot de vermoedelijke waarde van den buit, ten ruwste berekend, was. Piet Heyn schatte haar op acht à negen millioen.
Als een loopend vuurtje ging het nieuws door het land en overal waar Piet Heyn kwam, werd hij door het volk, door jong en oud, door rijk en arm, met het grootste gejuich ingehaald. Het loopen was hem onmogelijk. Dat geschreeuw en gejoel, dat geroep van: „Leve Piet Heyn!” begon hem in het einde zoo te vervelen, dat hij gramstorig uitriep: „Siet hoe het volck nu raest, omdat ik zoo grooten schat thuis brenge, daer weijnich voor hebbe gedaen ende tevoren, als ick der voor hadde gevochten, ende verre grooter daden gedaen, als dese, en heeft men sich nauwlijx aen mij ghekeert!”
Zoodra alle schepen in behouden haven lagen, kon de West-Indische Compagnie zelve aan het werk gaan en uit eene vluchtige begrooting, waarbij nog heel wat aan maat en strijkstok bleef hangen, bleek het, dat de buit op niet minder dan elf millioen gulden kon geschat worden. Het was eene som, die nu misschien wel een kapitaal van vijftig millioen gulden zou uitmaken.
En al die schatten waren voor de aandeelhouders der jonge Compagnie, die hierdoor opeens in rijkdom verre boven hare oudere zuster, de Oost-Indische Compagnie kwam te staan, doch niet in haar voordeel, want de aandeelhouders der West-Indische Compagnie waren zoo tuk op de gemakkelijk verkregen schatten, dat ze niet luisterden naar den verstandigenraad van de Bewindhebbers om een groot gedeelte van den buit te bewaren, als een appeltje voor den dorst. Men eischte eene ruime uitdeeling en stelde zich met niet minder dan vijftig percent tevreden.
De Bewindhebbers waren wel genoodzaakt toe te geven, doch wisten evenwel te bewerken, dat zij, die zulk een’ schat in het Vaderland gebracht hadden, toch eenigszins beloond werden. Piet Heyn kreeg zevenduizend gulden en de matrozen ontvingen ieder zeventien maanden soldij. Later werd Piet Heyn door Hunne Hoogmogenden eene gouden keten ter waarde van dertienhonderdvijftig gulden, Loncq eene van zes- en Banckers eene van vierhonderd gulden vereerd. Er werden gedenkpenningen geslagen, en over het geheele land werd, op bevel der Regeering, een dankdag gehouden.
Piet Heyn kocht voor zijn aandeel in den buit een huis te Delft. Hij was den dienst in de Compagnie moede. Het had den ronden en flinken zeeman tegen de borst gestuit, dat men de matrozen niet wat ruimer bedacht had, want ze waren toch meer dan de helft van dien tijd in dienst der Compagnie geweest. Hij bekeek de zaken met een heel ander oog dan vroeger. De matrozen hadden oproer gemaakt toen ze zagen, dat bijna alles in de geldkisten der Compagnie verzonk, die er goede sier van maakte. Dat oproer had men zelfs met troepenmacht moeten dempen. Dit hinderde den Admiraal niet weinig en hij zag nu, dat zijn Kapitein Witte Cornelisz. de With niet zoo geheel ten onrechte tegen het nemen der Zilvervloot ingenomen was. Het was waar: het scheepsvolk had iets rooverachtigs over zich gekregen. En daarbij, de Compagnie scheen met het beloonen der manschappen al zeer zonderling te werk gegaan te zijn. Kapitein Witte Cornelisz. de With kreeg, hoe Piet Heyn er zich ook voor inspande, niets, en toch was het Witte geweest, die door het nemen van de eerste bark, de hoofdoorzaak was, dat de Zilvervloot in onze handen viel. Best mogelijk kan het evenwel zijn, dat men hem niet vergeten had, doch dathij voor elke belooning bedankte. Hij was er de man voor om dat te doen.
De Compagnie, die meende al heel scheutig geweest te zijn, keek vreemd op toen Piet Heyn zijn ontslag uit haar’ dienst vroeg, doch ieder, die hem kende, kon niet anders dan die daad goedkeuren.
„Zeg, Marten, nu pas heb ik achting en eerbied voor Admiraal Piet Heyn,” zeide op zekeren dag Witte tot Marten, dien hij op eene der Amsterdamsche grachten ontmoette.
„Waarom, Kapitein?”
„Omdat hij er feestelijk voor bedankt heeft langer in dienst der Compagnie te zijn. Dat bewijst, dat hij het hart op de rechte plaats heeft. Zeg het hem bij gelegenheid. En nu, tot ziens! De groeten aan je vriend Blokmaker. Maar ja, dat is waar ook, als je soms weer als schipper uit wilt, dan heb ik een plaatsje voor je op mijn schip, hoor! Ik ben in dienst van het Land, en hartelijk hoop ik weldra in de gelegenheid te zijn te staan tegenover een’ vijand, die mij toeroept: „Kom op, als je durft!” Dat voelen aan dien zoogenaamden zilveren pols van een’ lafaard is geen werk voor je Admiraal, voor Blokmaker niet, voor jou niet en voor mij nog minder! Hadie!”
En hoe was het met Moeder Heyn?
Och, haar had al dat gejuich over haar’ zoon meer verdriet dan genoegen gedaan. Maar toen hij haar in heure eenvoudige woning opzocht, ja, toen was zij hem toch vol vreugde in de armen gevallen en had zij hem: „goed kind” genoemd. Maar blijder was ze, toen ze hoorde, dat hij in Delft een huis gekocht had en nu voortaan, als een stil burger, aan de zijde van zijne vrouw en in de nabijheid van zijne Moeder zou gaan leven.
Wat was ze gelukkig! Bleef hij dan nu aan den wal en—voorgoed aan den wal? Zij hoopte het; het was Moeder Heyns innigste wensch.
De Duinkerker kapers maakten de zee zeer onveilig en brachten in ’s Lands vergaderzaal menigmaal de gemoederen in beweging.
„Weet ge het al, dat de Duinkerkers weer twee rijkgeladen Oost-Indie-vaarders prijsgemaakt hebben?” klonk de vraag van een der Edel Mogende Heeren aan een ander lid.
„Schande genoeg voor een land, dat in het verre Oosten en Westen den Spanjaarden de wet voorschrijft, en de zee, die zijne stranden bespoelt, door roovers onveilig doet maken,” antwoordde een ander.
„Hei, hei, de Oost-Indische Compagnie is de Republiek toch nog niet!”
„En de West-Indische ook niet; maar scheelt het veel?”
„Altijd genoeg om andere landen te doen begrijpen, dat wij toch eigenlijk niet één zijn!”
„Wat zoudt ge dan willen?”
„Dat de Heeren Bewindhebbers der twee Compagnies de handen in elkaâr sloegen, en die drieste roovers eens even terecht zett’en!”
„Dat is het werk van ons, van de Regeering! En daarom zou ik er vóór zijn, dat we instede van Admiraal Willem van Nassau, Heer van de Lek, die onlangs bij de belegering van Grol gesneuveld is, iemand anders benoemden!”
„We hebben er drie: Wymer van Berkheim; Willebrand Kwast en Willem Melkman, dus keus genoeg!”
„Goed, dan moet er een van die drie tot Opperbevelhebber benoemd worden!”
„Wien kiest ge?”
„Weet gij er een? Noem hem; ik zal hem ook kiezen!”
„Zoo lichtvaardig mag men over de algemeene landsbelangen niet spreken. Ik weet inderdaad niet, wie de geschiktste van die drie zou zijn. Wel weet ik iemand, die bij mij en velenmijner vrienden ver boven die drie staat! Als we dien konden benoemen, dan konden we met onzen Admiraal voor den dag komen.”
„Wie is dat?”
„Pieter Pieterszoon Heyn! Kent ge een’ beteren, zoo noem hem!”
„Ik ken geen’ beteren. Wij, in Hollands achterhoek, bemoeien ons veel minder met zeezaken, dan gijlieden in Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Den Haag! Welk belang hebben wij er bij? Maar daarover is al zooveel gekibbeld, en het hielp niet. Ik zwijg er dus over. Maar wat ik wel van Piet Heyn weet, is, dat hij tegenwoordig op zijne lauweren rust, en dat hij voor de betrekking van Luitenant-Admiraal bij de West-Indische Compagnie bedankt heeft!”
„Naar het algemeen verluidt, met reden, maar dat is nog geen bewijs, dat hij bedanken zal, als wij hem aanbieden de plaats van Heer Willem van Nassau te willen vervullen, niet in dienst van de eene of andere Compagnie, maar rechtstreeks in dien van Holland!”
„Nu, als gijlieden meent, dat we het zonder Admiraal niet af kunnen, stel hem dan aan de Vergadering voor; ik zal hem mijne stem geven!”
Dit geschiedde, en Piet Heyn werd in de Vergadering der Staten van Holland benoemd tot Luitenant-Admiraal, in plaats van Heer Willem van Nassau.
In een gemakkelijk huiskleed zat Piet Heyn recht gezellig te keuvelen met Annetje en zijne Moeder, die eens voor een paar dagen overgekomen was om het huis te zien, toen de meid binnenkwam en zeide, dat er drie Heeren waren om den Admiraal te spreken.
„Laat ze binnenkomen, Mientje! Neen, blijf zitten, Moeder! Ik geloof niet, dat de Heeren een afzonderlijk onderhoud met mij begeeren zullen!”
Moeder bleef zitten en keek onrustig naar de deur.
Het was, alsof zij gevoelde, dat men Piet alweer aan vrouw en Moeder kwam ontnemen.
„Wel, Heeren, komt binnen en neemt plaats,” riep Piet Heyn den binnenkomenden hartelijk toe. „De Admiraal in ruste geniet van het huiselijk leven. Vrouw, haal eens wat bier! De Heeren zullen misschien wel wat willen gebruiken!”
„Gaarne! We komen zoo uit Den Haag en lusten wel een’ dronk! Maar eerst onze boodschap. We zijn Leden van de Edel Mogende Heeren van Holland en in hare vergadering van heden hebben ze ons vereerd met eene gewichtige boodschap aan u!”
„Zoo, Edel Mogenden, mag ik ook weten welke die boodschap is?”
„Wel zeker! Gij zijt heden benoemd tot Luitenant-Admiraal van Holland, in plaats van Heer Willem van Nassau, die onlangs bij het beleg van Grol gesneuveld is!”
„Ei, en is er op het oogenblik wat te doen? Is er soms eenig gevaar?”
„Gevaar nu juist niet. Maar de Duinkerker kapers maken het wel wat bont!”
Piet Heyn glimlachte even en merkte aan: „Toch zoo erg niet, als de Nederlandsche kapers in de baai van Matanzas, zou Witte Cornelisz. de With zeggen!”
„Kapitein De With is een lomperd, die evenveel ontzag voor ons Edel Mogenden, als voor kale bedelaars heeft. Hij is nu gelukkig voor een’ langen tijd het zeegat uit! Een lastig mensch,” merkte een der Heeren aan.
„Och, Edel Mogende, wat zal ik u zeggen? Toen ik nog ter koopvaardij voer, had ik een’ grooten hond, dien iedereen lastig noemde, omdat hij wel eens beet. Voor mij was hij niet lastig, integendeel, hij was gehoorzaam en trouw; ik hield veel van hem. Zoo is het met Kapitein De With ook. Als ge hem tevriend houdt, Heeren, dan zal hij u met zijn leven dienen!”
„Wij houden niet van vleien,” sprak de jongste der Heeren.
„Neemt het mij niet kwalijk, Edel Mogende, maar met vleien moet ge ook niet bij hem aankomen. Hij is een man uit één stuk, die weet, dat hij wat waard is!”
„Mij dunkt, dat dit laatste juist niet in zijn voordeel spreekt. Dat is verwaandheid.”
„Ik houd het er voor, dat gij u vergist, Heeren! Iemand, die zichzelf niet acht, is tot alle lage handelingen in staat. Hij kan verrader en moordenaar worden, al wat ge van hem maken wilt! Maar dat tot daartoe! Waarom benoemt gij niet Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of Hillebrand Kwast?”
Thans sprak hij, die bijzonder deftig was en tot nu nog geen’ mond open gedaan had: „Wat zijn Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of Hillebrand Kwast, vergeleken bij u, veroveraar der Nieuwe Wereld, die de macht des Spaanschen Konings geknot hebt door de schatten van Peru en Terra Firma uit zijne in onze handen over te brengen?”
„Ei, hoort nu eens aan,” viel Piet Heyn in. „Uw mede-afgevaardigde heeft gezegd, dat vleien zijne manier niet is, en u doet meer. Gij begint me te bewierooken in eene taal, die mij inderdaad allesbehalve aangenaam in de ooren klinkt, Edel Mogende!”
„Ge zult ons toch moeten toegeven, Admiraal, dat uw naam alleen eene halve vloot waard is. Door het nemen der Zilvervloot toch....”
„Och, zwijg, wat ik u bidden mag van die Zilvervloot, die mij aan het baantje van Roover-kapitein ter zee doet denken. Wilt ge mij zoo prijzen, dat ik niet schaamrood word, noem dan de Allerheiligen-baai, daar heb ik wat gedaan, waarop ik trotsch mag zijn!”
„Nu, nu,” hernam de eerste spreker, „laten we hierover niet twisten. Zeg ons liever, Admiraal, of ge de eervolle benoeming aanneemt!”
Piet Heyn zag vrouw en Moeder maar niet aan. Hij wist wel wat er in hare blikken zou te lezen zijn. Hij bleef dus de Heeren aanzien en zeide: „Nu, ik ben nog wel zoo oud niet, doch ik heb lang genoeg een onrustig leven geleid om thans op mijn gemak in den huiselijken kring te blijven. Ik ben er echter van overtuigd, dat de Duinkerkers een lesje verdiend hebben, en, omdat het nu niet zoo heelver van honk is, neem ik voorloopig de benoeming aan!”
Moeder Heyn stond op en ging, gevolgd door Annetje, naar eene andere kamer. Die vreemde Heeren behoefden niet te zien, dat de tranen haar langs de wangen rolden, wijl hij, de goede echtgenoot en brave zoon, alweer het woelige zeeleven koos voor het gezellige, huiselijke leven, en dat nog wel, waar hij nog niet eens uitgerust was van de vermoeienissen van den laatsten zeetocht.
Een uur later waren de Heeren vertrokken en trad Piet de kamer in, waar de beide vrouwen zaten.
„Waarom zijn de wangen zoo nat, vrouw? En bij u ook, Moeder?” dus vroeg hij.
„Kind, kind,” zeide Moeder Heyn, in hevig gesnik uitbarstende, „wie jaagt u toch telkens van de zijde uwer lieve vrouw het huis uit en de zee op?”
Piet zweeg.
„Is er hier iets, dat niet naar uw’ zin is?”
„Neen, Moeder!”
„Doet Annetje niet al wat zij kan om u genoegen te geven?”
„Ik verlang het niet beter, Moeder!”
„Ben ik u dan soms in den weg? Kom ik misschien te veel bij u aan huis?”
„Moeder!” riep Piet, terwijl zijne heldere oogen zich met tranen vulden, „Moeder, hoe kunt ge dat vragen? Dat weet ge immers wel beter!”
„Wat is het dán, jongen? Zie, gij kunt toch ruimschoots leven ook zonder eenige betrekking! De honger, die harde eischen stellen kan, kwelt u niet. Wat is het dan toch, jongen?”
„Och, zwijg, Moeder! Ik weet niet, wat het is. Altijd en altijd klinkt daar eene stem in mijn binnenste: „Naar zee! Naar zee!”—Als ik slaap, dan droom ik van de zee!—Als ik waak, dan leef ik op de zee!—En de Heere vergeve mij de zonden, maar als ik in de kerk ben, hoe schoon en dierbaar Dominee Sprankhuysen dan ook preeken moge, het overkomt mij vaak, dat ik onder de preek aan de zee denk.—In de tonen van het orgel bromt het: „Naar zee!”—Doorde boomen ruischt de wind: „Naar zee!”—In alles, alles hoor ik: „Naar zee! Naar zee!”—Moeder, lieve, beste Moeder, goede Annetje, ik kan niet voortdurend aan den wal blijven, ik kan niet!”
„Piet,” hernam Moeder Heyn diep bewogen, „ik geloof u! Ga dan naar zee, mijn jongen! Maar inmiddels zal ik den Heere bidden, dat Hij uw harte naar den wal keere! Het is de stem van den Booze, die u in zijne netten gevangen houdt! Ga: Piet! Ik hoop, dat het de laatste maal moge zijn!”
„Moeder, Moeder, houd op!” riep opeens Annetje, „gij weet niet wat gij wenscht! O, God, als eens een kogel hem het leven ontnam, dan ware uw wensch ook vervuld, dan zou het ook voor den laatsten keer zijn! Moeder, wensch wat anders, wat anders, Moeder!”
„Stil, stil, Annetje!” sprak Piet Heyn en hij greep de hand zijner vrouw. „Ons leven is in de hand des Heeren; zonder Zijn’ heiligen wil wordt geen haar op ons hoofd gekrenkt! Mocht ik komen te vallen, gij weet het, ons testament, dat nog pas geleden veranderd is, berust in handen van Notaris Jan Fransz. Bruyning tot Amsterdam. Het voegt iederen mensch ten allen tijde bereid te zijn, het leven af te leggen!”
„Waarheen zult gij gezonden worden, Piet?” vroeg Annetje thans. „Ik heb niet alles verstaan, wat de Heeren zeiden.”
„Net ver weg, beste! Niet verder dan tot Duinkerken! Ik twijfel niet of dat varkentje zal wel gauw gewasschen zijn. In alle gevallen, nu ik in ’s Lands dienst ben, zal ik vaker aan den wal zijn!”
Dit laatste: „vaker aan den wal” scheen Moeder en Annetje troost te geven. Althans Moeder Heyn stond op en haar’ zoon omhelzende, zei ze: „Kind, wees gerust! Gedurende uwe afwezigheid zal ik mij gedragen als de Moeder van een’ zeeheld, van wien de geheele wereld gewaagt!”
„En ik zal mij gedragen als de vrouw van een’ liefhebber van zijn Vaderland, Piet! Laat het nu uit zijn. Wanneer vertrekt ge?”
„Denkelijk in het begin van Juni, vrouw! We hebben dus nog een veertien dagen den tijd!”
Die veertien dagen werden bijna vier weken, want de schepen, waarmede de tocht ondernomen moest worden, waren nog niet klaar. Er ontbrak veel aan om in die dagen de vloot van het Land goed te noemen.
Piet Heyn, dit vernemende, begaf zich naar Den Haag en verscheen in de vergadering van de Staten van Holland.
„Hoe is het, Admiraal, nog niet uitgezeild?” vroeg een der leden hem eenigszins uit de hoogte.
Piet Heyn fronste het voorhoofd en sprak: „Nog niet uitgezeild? De Heeren duiden het mij niet ten kwade, als ik hierop antwoord, dat er van geen uitzeilen sprake kan zijn. De vloot van het Land verkeert in een’ deerlijken staat van verval!”
„Hei, hei, zacht wat, Admiraal! Dat ze niet is, zooals ze wezen moet, ja, dat weten wij ook wel; maar, dat ze zoo slecht is, als gij vermoedt, dat kunnen, ja, dat mogen wij niet gelooven,” sprak een ander.